734781 Bijlage Rietdijk 12 Zonnemaire vastgesteld 1 Toelichting
Tekst van het document
Daarbij zijn drie accenten onderscheden: Ruimtelijke kwaliteit en (be-)leefbaarheid: Ruimtelijke kwaliteit vergroten en landschap op een aantal plaatsen verbeteren; Perspectieven landbouw en recreatie: negatieve economische gevolgen voorkomen; Afwende bedreigingen en benutten kansen: een duidelijke ontwikkelingsrichting voor het buitengebied aangeven. Doelstelling van de visie is de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van het buitengebied duurzaam versterken en borgen én passende economische ontwikkelingen stimuleren: ontwikkelen met kwaliteit. In figuur 3.4.1 zijn de verschillende landschapstypen in de gemeente geanalyseerd.
35
Figuur 3.4.1 Analyse landschap Schouwen-Duiveland (bron: 'Buitengebied in beweging')
Aan de hand van de kwaliteiten van de verschillende landschapstypen zijn de strategieën en landschappelijke ontwikkelruimte per deelgebied bepaald en weergegeven in een landschappelijk raamwerk (figuur 3.4.2). Per gebiedscategorie is de ontwikkelruimte door middel van concrete maatregelen en doelstellingen uitgewerkt.
36
Figuur 3.4.2 Landschappelijk raamwerk (bron: 'Buitengebied in beweging')
De locatie van het plangebied maakt onderdeel uit van de Gouwepolder waar het cultuurhistorische karakter versterkt moet worden en waar tevens de ruimtelijk clusters benadrukt dienen te worden Voor de polders Zonnemaire, waar het plangebied in ligt is het raamwerk gericht op het versterken van de blokvormige opbouw van de polders. Verdichting in de polders van Zonnemaire is toelaatbaar, waarbij gestreefd wordt naar verdichting in de vorm van clusters / velden.
Nieuwe verdichtingen (groter dan 2 hectare in de polder van Zonnemaire) leiden, doordat de polder grootschaliger is en er niet veel kavels voorkomen, niet tot een structurele aantasting van de openheid. Als ontwerpfilosofie wordt hier, vanuit de wens om de karakteristieken van de verschillende polders te versterken, gekozen voor het versterken van clusters. Ter versterking van het karakter van deze polders wordt uitgegaan van de volgende ontwikkelingsruimte: Nieuwe verdichting groter dan 2 hectare kan plaatsvinden in een aantal clusters van bebouwing en beplanting; In het eindbeeld is het gewenst dat de clusters verspreid in de polder liggen, met een ruime tussenmaat. Toetsing Voor de toetsing van initiatieven aan de structuurvisie gelden de volgende beoordelingsstappen: 1. 2. 3. 4.
past het initiatief niet in het bestemmingsplan? is het gebonden aan het buitengebied? past de functie in het buitengebied en op deze locatie? past de functie op basis van de diverse planologische aspecten op de locatie?
37
5. is er sprake van een goede landschappelijke inpassing? 6. is er sprake van een ruimtelijke meerwaarde voor de omgeving? 7. Is de ontwikkeling duurzaam uit ruimtelijk, economisch, milieu- en sociaal oogpunt? a. ruimtelijk: is de ruimtelijke kwaliteit ook voor de toekomst verzekerd? b. economisch: is een gezond opbrengend vermogen te verwachten voor de langere termijn en is sprake van een economische meerwaarde voor de omgeving? c. milieu: kan ook in de toekomst aan de milieunormen worden voldaan? d. energetisch: worden mogelijkheden voor duurzame energievoorzieningen benut? e. sociaal: heeft de functie een maatschappelijke meerwaarde voor de omgeving? Toetsing van het initiatief De aspecten 1 tot en met 5 zijn reeds beoordeeld en worden hier dus niet herhaald.
Is er sprake van ruimtelijke meerwaarde voor de omgeving? Net als bij de landschapscamping is er sprake van een verrijking van het landschap met behulp van elementen die in de streek passen. Het betreft hier kreken, poelen, dijken en extensief beheerd grasland. Deze elementen zullen in aansluiting op de bestaande elementen van de landschapscamping leiden tot een landschappelijke en ecologische meerwaarde. Ruimtelijk: is de ruimtelijke kwaliteit ook voor de toekomst verzekerd? Het beheer van Landschapscamping Kijkuit ligt in één hand. Hierdoor is de ruimtelijke kwaliteit gegarandeerd. Economisch: is een gezond opbrengend vermogen te verwachten voor de langere termijn en is sprake van een economische meerwaarde voor de omgeving? In de economische onderbouwing van het project, die bij de gemeente aanwezig is, wordt aangetoond dat er sprake is van een gezonde financiële situatie. De economische meerwaarde voor de omgeving is verankerd in het type gast (ingetogen aqua). Deze richten zich juist op de omgeving en hebben relatief veel geld te spenderen. Milieu: kan ook in de toekomst aan de milieunormen worden voldaan? In paragraaf 2.4 wordt aangegeven dat aan de milieu normen ruim wordt voldaan. Energetisch: worden mogelijkheden voor duurzame energievoorzieningen benut? In paragraaf 2.4 wordt aangegeven he duurzame energievoorzieningen worden benut.
De elektriciteit wordt in de huidige situatie al gewonnen met de zonnepanelen op de landbouwschuren. In 2014 zijn op twee landbouwschuren in totaal 220 zonnepanelen geplaatst. Bij de geleidelijke ontwikkeling van de camping wordt bezien of het aantal panelen vergroot moet worden. Sociaal: heeft de functie een maatschappelijke meerwaarde voor de omgeving? De ontwikkeling draagt in economisch opzicht bij aan de instandhouding van voorzieningen in de regio. Bij de ontwikkeling van de camping wordt rekening gehouden met de zichtlijnen en de openheid van landschap (zie ook bijlage 4). De verdichting die door de beperkte uitbreiding van de bestaande camping ontstaat, is ongeveer 2 hectare. De verschillende clusters blijven door een ruimte van 155 meter van elkaar gescheiden.
38
Conclusie De ontwikkeling is niet in strijd met de structuurvisie Buitengebied. 3.4.3 Agenda Toerisme 2018-2026 In de 'Agenda toerisme 2018-2026' heeft de gemeente aangegeven waar ze de komende jaren aan wil werken om het toeristische product op topniveau te houden. De agenda laat zien welke doelen de gemeente wil bereiken, welke keuzes ze daarvoor wil maken en waarom. Voor de ontwikkeling van Landschapscamping Kijkuit is het thema “voortdurend vernieuwen“ van belang.
De gemeente streeft er naar in de Groen Blauwe Oase de belangrijke omgevingskwaliteiten te behouden en versterken en worden meer bijzondere en gedifferentieerde vormen van verblijfsrecreatie in een natuurlijke omgeving gestimuleerd. Het toeristische product moet beter afgestemd worden op het profiel van de gast en kwaliteit moet leidend zijn. Hier zijn een aantal regels aan gekoppeld die zijn vervat in de Regelgeving agenda toerisme 2018-2026.
In de regelgeving agenda toerisme 2018-2026 is de regelgeving omtrent de ontwikkeling van verblijfsrecreatie opgenomen. Bij een planologische procedure tot herstructurering en/of omvorming dan wel plaatsing van eenheden, moet een recreatieterrein op termijn volledig voldoen aan het Ontwikkelkader Verblijfsrecreatief Gebied, inclusief het maximum percentage van 13% voor invulling verblijfsrecreatie. Een beperkte uitbreiding van bestaande verblijfsrecreatieve bedrijven is mogelijk indien: er sprake is van een (integrale) kwaliteitsimpuls van het bestaande en het toekomstige recreatiebedrijf; er sprake is van maximaal 15% uitbreiding van het bestaande aantal eenheden (eenmalig).
Maatwerk is mogelijk in overleg en op advies van het Adviesteam Toerisme op basis van het uitgangspunt om te komen tot Zeeuwse kustkwaliteit (bijvoorbeeld hoger percentage invulling verblijfsrecreatie gekoppeld aan extra landschapscompensatie); bovenop de 15% uitbreiding zoals hiervoor genoemd kan, in overleg met en op advies van het Adviesteam Toerisme, op basis van het uitgangspunt om te komen tot een energie-neutraal eiland maximaal 15% uitbreiding van het bestaande aantal eenheden (eenmalig) worden toegekend (hoger percentage invulling verblijfsrecreatie gekoppeld aan extra energie-neutraliteit en circulair bouwen); totaal kan op basis van bovenstaande maximaal 30% uitbreiding van het bestaande aantal eenheden (eenmalig) worden toegekend. Onder het begrip 'integrale kwaliteitsimpuls' wordt het in samenhang met de omgeving creëren van toegevoegde waarde van een verblijfsrecreatief terrein voor de samenleving, gekoppeld aan de uitgangspunten van het Ontwikkelkader Verblijfsrecreatief Gebied verstaan.
Aanvullend op de hiervoor in paragraaf 3.3 Provinciaal beleid getoetste aspecten van het Ontwikkelkader Verblijfsrecreatief Gebied dient volgens de 'Regelgeving agenda toerisme 2018-2026' ook voldaan te worden aan de volgende aspecten.
A. Ruimtelijke kwaliteit:
39
Een beperkte uitbreiding van eenheden is mogelijk indien: en er sprake is van een maximale invulling ten behoeve van verblijfsrecreatie op het totale terrein van 13% (exclusief centrale voorzieningen en inclusief sanitair en bergingen bij eenheden); en er maximaal sprake is van 15% uitbreiding van eenheden die daadwerkelijk op het terrein in exploitatie zijn. Ruimte voor maatwerkoplossingen is mogelijk als een specifieke situatie daarom vraagt. Hierbij geldt als principe dat bovengenoemde uitgangspunten communicerende vaten zijn. Een hoger percentage landschapsontwikkeling kan bijvoorbeeld gepaard gaan met een hoger percentage uitbreidingsoppervlakte. Het Adviesteam Toerisme adviseert over maatwerk in specifieke situaties.
Uitvoeringsregeling duurzaamheidsstaffel Agenda Toerisme 2019-2026 In een amendement dat de gemeenteraar op 25 oktober 2018 heeft aangenomen is een toevoeging van de uitvoeringsregeling voor mogelijkheid om een uitbreiding van maximaal 15% van het bestaande aantal eenheden toe te kennen op basis va het uitgangspunt om te komen tot een energie-neutraal eiland. In deze toevoeging is opgenomen dat deze regeling niet van toepassing is op recreatiebedrijven in de kustzone, met uitzondering van de aandachtsgebieden (zoals opgenomen in de Zeeuwse Kustvisie). Ook zijn toetsingscriteria opgenomen: Energieneutraal: indien nieuwbouw voldoet aan: 1. Een EPC-eis van maximaal 0,6; én 2. Compensatie plaatsvindt van het gebruiksgebonden deel van de energieconsumptie binnen het bedrijf zodat het totale energieverbruik zoveel mogelijk naar nul gaat. Dit betreft een individuele beoordeling die vastgelegd wordt in het ruimtelijk besluit. Indien er voldaan wordt aan deze eisen bedraagt het extra percentage uitbreiding invulling verblijfsrecreatie maximaal 10% van het bestaande aantal eenheden (eenmalig). Indien bestaande bebouwing (nog) niet (volledig) kan worden benut voor de opwekking van duurzame energie, dan heeft initiatiefnemer een inspanningsverplichting om anderszins en aantoonbaar duurzame energie op te wekken. In het kader van maatwerk wordt beoordeeld welke compensatie mogelijk is.
Circulariteit: indien, naast bovenstaande eisen voor energieneutraal, nieuwbouw ook voldoet aan de volgende voorwaarden: 1. Minimaal 50% van de gebruikte bouwproducten valt in milieuklasse 1 (1a, 1b of 1c) volgens de LCA (LevensCyclusAnalyse) van het Nibe; 2. De overige gebruikte bouwproducten vallen minimaal in milieuklassen 4; 3. Er wordt een materialenpaspoort opgesteld. Dan bedraagt het extra percentage uitbreiding invulling verblijfsrecreatie maximaal 15% van het bestaande aantal eenheden (eenmalig)
Toetsing De ontwikkeling van Landschapscamping Kijkuit naar een camping met optimale verweving tussen verblijfsrecreatie en landbouw is een integrale kwaliteitsimpuls. Het unieke concept met als pijler duurzaamheid is sterk verbonden aan de agrarische gronden en het 'weten waar je eten vandaan komt'. Er is sprake van de uitbreiding van de huidige 85 eenheden (plus twee recreatiewoningen) naar 111 eenheden (plus twee recreatiewoningen). Dit betekent een uitbreiding van 30%. Hiervan is 15% uitbreiding van aantal eenheden toegestaan op basis van de integrale kwaliteitsimpuls. Daarbovenop is
40
een extra uitbreiding van maximaal 15% toegestaan op basis van de duurzaamheidsmaatregelen die getroffen worden. In paragraaf 2.4 is beschreven hoe duurzaamheid verweven is in het concept van de uitbreiding. Hierna worden de in de Agenda Toerisme genoemde criteria getoetst:
Energieneutraal: De nieuwe recreatieverblijven zullen voor wat betreft de energetische kwaliteit maximaal voldoen aan de EPC eis van 0,6. Hoe hier aan voldaan wordt, wordt aangetoond bij de uitwerking van de plannen voor de nieuwbouw. Er wordt een energie neutrale exploitatie nagestreefd. Gezien de reeds aanwezige overproductie van zonne-energie, de reeds geïnstalleerde warmtepanelen en de ruimte die er nog is voor nieuwe zonnepanelen zal naar verwachting de energiebalans ook in de toekomst uitmonden in een energieoverschot. Circulariteit: Momenteel wordt onderzoek gedaan naar het te kiezen type accommodatie (zie ook paragraaf 2.7), deze zal ook gefaseerd worden gerealiseerd. Er wordt er naar gestreefd om ruimschoots te voldoen aan de eis dat minimaal 50 % van de gebruikte bouwproducten in milieuklasse 1 (1a,1b of 1c) valt en de overige bouwproducten minimaal in milieuklasse 4. Begripsbepaling en oppervlakten (Regelgeving bij beleidskeuze 8. Thema 4 'Voortdurend Vernieuwen') Op kampeerbedrijven: 1.
Standplaatsen: a. Permanente standplaatsen: kampeermiddel staat jaarrond (c.q. mag jaarrond staan): De oppervlakte van een stacaravan is maximaal 55 m2, inclusief een berging van 13 m2 = 68m2. Aantal slaapplaatsen is gemiddeld vier. Vier slaapplaatsen is 1 eenheid (1,3 parkeerplaats en 5,2 verkeersbewegingen per eenheid) De oppervlakte van een kampeerhuis is maximaal 75 m2 (inhoud maximaal 250 m3), inclusief een berging van 13 m2 = 88 m2. Aantal slaapplaatsen is gemiddeld vier tot zes. Vier tot zes slaapplaatsen is 1 eenheid (2 parkeerplaatsen en 8 verkeersbewegingen per eenheid) De oppervlakte van een kampeerlodge is maximaal 30 m2 (inhoud maximaal 130 m3), inclusief een berging van 9 m2 = 39 m2 . Aantal slaapplaatsen is gemiddeld twee. Vier slaapplaatsen is 1 eenheid (1,3 parkeerplaats en 5,2 verkeersbewegingen per eenheid) De oppervlakte van een trekkershut(+) is maximaal 20 m2 , inclusief een berging van 9m2 = 29 m2. Aantal slaapplaatsen is gemiddeld twee. Vier slaapplaatsen is 1 eenheid (1,3 parkeerplaats en 5,2 verkeersbewegingen per eenheid) b. Toeristische standplaatsen: kampeermiddelen staan er een seizoen en kunnen in principe per dag wisselen (tenten, vouwwagens, caravans, campers). Aantal slaapplaatsen is gemiddeld vier.
Vier slaapplaatsen is 1 eenheid (1,3 parkeerplaats en 5,2 verkeersbewegingen per eenheid) Toerplaats = 40 m2, inclusief privé sanitair van 6 m2 = 46 m2 Het is toegestaan om 3 kleine tentjes op een standplaats te zetten Het is toegestaan om een caravan met een bijzettentje te plaatsen 2. Logies- c.q. logeergebouw: Omvang varieert in oppervlakte. Aantal slaapplaatsen is gemiddeld 12-16. Vier slaapplaatsen is 1 eenheid (1,3 parkeerplaats en 5,2 verkeersbewegingen per eenheid) 3. Recreatiewoning: Oppervlakte is in basis 75 m². Aantal slaapplaatsen is gemiddeld vier tot zes. Vier tot zes slaapplaatsen is 1 eenheid (2 parkeerplaatsen en 8 verkeersbewegingen per eenheid) Groter mag indien bijv. 3 generatie woningen. Voor gemiddeld aantal slaapplaatsen wordt de
41
regeling voor logies- c.q. logeergebouw gehanteerd 4. Campinghotel: aantal slaapplaatsen is gemiddeld 2 tot 4 per (hotel)kamer. Twee tot vier slaapplaatsen is 1 eenheid (1,3 parkeerplaats en 5,2 verkeersbewegingen per eenheid) Het terrein heeft een oppervlakte van 20,4 ha. Bij een maximaal bebouwingpercentage van 13% geeft dat geeft dat 26.520 m2 (2,6 ha). Op grond van de maximale omvang van eenheden hebben de eenheden een maximale oppervlakte van 8.208 m2. Dit blijft dus ver onder het criterium van 13%.
standplaats
type
permanente standplaats stacaravan
maatvoering 55 m2 + 13 m2 berging
aantal 78
kampeerhuis 75 m2 + 13 m2 berging 33 2 2 kampeerlodge 30 m + 9 m berging 0 2 Toeristische standplaats toerplaats 40 m 0 Totaal 111 Tabel 2 Maximale bebouwing bij een volledige ontwikkeling met accommodaties
oppervlakte bebouwing m2 5.304 2.904
8.208
3.4.4 Nota Kamperen 2013 Op 30 juni 2011 heeft de raad de (gewijzigde) Nota Kamperen vastgesteld. Het lange termijn doel van de Nota luidt: 'Schouwen-Duiveland heeft in 2018 kwalitatief hoogwaardige, innoverende en gezonde kampeerbedrijven, waar gasten zoveel mogelijk jaarrond veilig en vraaggericht in een gedifferentieerd kwaliteitsproduct kunnen recreëren'.
Om deze doelstelling in de praktijk gestalte te geven, wordt exploitanten van kampeerterreinen meer ruimte geboden om hun terrein naar eigen inzicht in te richten. In dit kader is exploitanten de mogelijkheid geboden om initiatieven in te dienen om één of meer wijzigingen door te voeren op hun terrein. De uitgangspunten uit deze nota zijn overgenomen in de Nota Kamperen 2013.
Voor kampeerhuisjes, privésanitair, landschappelijke inpassing en standplaatsen zijn specifieke uitgangspunten opgenomen. Daarnaast zijn o.a. uitgangspunten opgenomen specifiek voor de wijziging van een het aantal standplaatsen en wijziging voor het plaatsen van kampeerhuisjes. .
Toetsing en conclusie De bepalingen uit de Nota Kamperen 2013 zullen in het nog op te stellen bestemmingsplan voor de camping worden opgenomen. Daarmee wordt voldaan aan de uitgangspunten uit de Nota Kamperen. Hierna wordt getoetst aan de voorwaarden voor de wijzigingsbevoegdheden standplaatsen en kampeerhuisjes.
Wijzigingsbevoegdheid standplaatsen Bij een verzoek tot uitbreiding of omvorming van een bestaand kampeerterrein, gelden in ieder geval de
42
volgende voorwaarden: a. De standplaatsgrootte voor een permanente standplaats bedraagt minimaal 150 m². De standplaatsgrootte van de standplaatsen is ongeveer 300 m², er wordt aan deze voorwaarde voldaan. b. De standplaatsgrootte voor een niet-permanente standplaats bedraagt minimaal 100 m². De standplaatsgrootte van de standplaatsen is ongeveer 300 m², er wordt aan deze voorwaarde voldaan. c. Het maximum aantal standplaatsen per hectare bedraagt gemiddeld 33. Het terrein is 17,4 ha groot en biedt ruimte aan maximaal 113 eenheden (111 standplaatsen, waarvan max 33 met kampeerhuis, en 2 recreatiewoningen). Dit geeft 6,5 eenheid per hectare. Er wordt dan ook ruimschoots aan deze voorwaarde voldaan. d. Het aantal permanente standplaatsen mag 100% van het totaal aantal standplaatsen op een kampeerterrein bedragen. Er wordt aan deze voorwaarde voldaan. e. Van de totale oppervlakte van een kampeerterrein wordt minimaal 2% benut ten behoeve van sporten spelvoorzieningen. Bij een oppervlakte van 17,4 hectare betekent dit 3.480m² ten behoeve van sport- en spel voorzieningen. Op het terrein is ruim voldoende open terrein beschikbaar om aan deze voorwaarde te voldoen. f. Adequate landschappelijke inpassing, inclusief privaatrechtelijke overeenkomst. Voor de ontwikkeling wordt een landschappelijke inpassing ontworpen en deze wordt zowel privaatrechtelijk als planologisch vastgelegd. g.
Voldoende parkeerruimte op eigen terrein (per standplaats 1,2 parkeerplaatsen, waarvan 0,2 op een centraal gelegen parkeerterrein) Deze norm is achterhaald door de Agenda Toerisme. Daarin wordt uitgegaan van 1 parkeerplaats per 3 slaapplaatsen. Voor de toekomstige situatie is dat (4 x 113 = 452: 3 = ) 150 parkeerplaatsen. Circa 42 standplaatsen kunnen op de eigen kavel parkeren. Daarnaast zijn er op een aantal centrale plaatsen parkeerterreinen beschikbaar waar ruimte is voor 93 (bestaand) en 15 (nieuwe) parkeerplaatsen (zie figuur 4.6.1 in paragraaf 4.6). Er wordt aan deze voorwaarde voldaan.
Wijzigingsbevoegdheid kampeerhuisje Bij een verzoek tot de plaatsing van kampeerhuisjes gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:
a. De minimale verhouding tussen de oppervlakte kampeerhuisje en oppervlakte standplaats is 1:4. De oppervlakte van een kampeerhuisje is maximaal 75 m². De oppervlakte van bijbehorende standplaats dient derhalve 300 m². De standplaatsen waar kampeerhuisjes zijn voorzien, hebben een oppervlakte van 300 - 450 m² en wordt aan deze voorwaarde voldaan. b. Op maximaal 30 procent van het totale aantal permanente standplaatsen mogen kampeerhuisjes worden geplaatst, met een maximum van 100. Er zijn 111 standplaatsen, op maximaal 33 standplaatsen zal een kampeerhuisje worden gerealiseerd. Daarmee wordt aan deze voorwaarde voldaan c. Van de totale oppervlakte van een kampeerterrein wordt minimaal 2% benut ten behoeve van sporten spelvoorzieningen. Bij een oppervlakte van 17,4 hectare betekent dit 3.480m² ten behoeve van sport- en spel voorzieningen. Op het terrein is ruim voldoende open terrein beschikbaar om aan deze voorwaarde te voldoen. d. Adequate landschappelijke inpassing, inclusief privaatrechtelijke overeenkomst. Voor de ontwikkeling wordt een landschappelijke inpassing ontworpen en deze wordt zowel
43
privaatrechtelijk als planologisch vastgelegd. e. Voldoende parkeerruimte op eigen terrein (per standplaats 1,2 parkeerplaatsen, waarvan 0,2 op een centraal gelegen parkeerterrein). Zie vorige paragraaf. Er wordt dan ook ruim aan deze voorwaarde voldaan.
3.4.5 Welstandsnota Welstandsnota 2012 (2012) In de strategische visie “Tij van de Toekomst'' heeft de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland de volgende keuze geformuleerd: 'We gaan zorgvuldig om met landschap, natuur, cultuur en milieu en investeren ook in het verbeteren van deze kwaliteiten'. Met deze welstands-/monumentennota geeft de gemeente vorm en inhoud aan deze keuze. Deze nota stelt de kaders vast waaraan ruimtelijke initiatieven in de gemeente Schouwen-Duiveland worden getoetst. De modernisering van de monumentenzorg (MoMo) is vanaf 1 januari 2012 verankerd in de ruimtelijke wetgeving. De MoMo kent drie pijlers: cultuurhistorische belangen meewegen in ruimtelijke ordening, vervolgens krachtiger en eenvoudiger regelgeving en als derde het bevorderen van herbestemmingen. In de gemeentelijke Welstandsnota wordt nadrukkelijk aangesloten bij de 2e pijler. Duidelijke voorschriften maken het mogelijk om bij de eenvoudige (kortere) procedures cultuurhistorie onderdeel te laten zijn van een integrale afweging. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebieds- en objectgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria kunnen worden gebruikt voor de vergunningsplichtige bouwplannen. De objectgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor bouwplannen van rijks- en gemeentelijke monumenten.
Gebaseerd op de ruimtelijke opbouw is Schouwen-Duiveland onderverdeeld in verschillende gebiedscategorieën, namelijk: steden en dorpskernen; planmatige uitbreidingen; bedrijfs- en haventerreinen; sport en recreatie; buitengebied. Voor monumenten en alle gebieden is op basis van de aanwezige kwaliteit het gewenste welstandsniveau vastgesteld. Er is onderscheid gemaakt in een viertal welstandsniveaus: de beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten (extra bescherming gericht op consolidatie van historische context); de bijzondere welstandsgebieden (extra inspanning tot voordeel van de bestaande of gewenste ruimtelijke kwaliteit); de reguliere welstandsgebieden (normale inspanning gericht op het handhaven van de basiskwaliteit); de welstandsvrije gebieden (geen welstandstoetsing). Relevantie voor het plangebied Recreatieparken vallen onder welstandsniveau 3; regulier welstandsgebied. Voor de binnenterreinen van de recreatieparken geldt een uitzondering, deze zijn welstandsvrij. Alle aanvragen om een omgevingsvergunning met de activiteit bouwen, dienen te worden getoetst aan de geldende welstandscriteria die van toepassing zijn per afzonderlijk welstandsniveau.
44
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Bodemkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Onderzoek en conclusies De betreffende gronden zijn altijd landbouwkundig in gebruik geweest. Er hebben geen ophogingen plaatsgevonden en het agrarisch gebruik was akkerbouw. Op basis van de boomgaarderkaart (figuur 4.1.1) blijkt dat er op de gronden van de beoogde uitbreiding geen boomgaard aanwezig is geweest tussen 1936 en 1984. Verontreinigingen zijn dan ook niet te verwachten. De kwaliteit van de grond is voldoende voor de beoogde functie.
45
Figuur 4.1.1 Boomgaardenkaart (bron: Bodemvenster, Provincie Zeeland)
4.2
Niet gesprongen explosieven
Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Schouwen-Duiveland heeft tijdens de oorlog zwaar geleden onder het oorlogsgeweld. Verspreid over het eiland hebben bombardementen en artilleriebeschietingen plaatsgevonden, hebben er vele verdedigingsstellingen en mijnenvelden gelegen en zijn verschillende vliegtuigen en bommen neergekomen. Deze en andere gebeurtenissen hebben er toe geleid dat er een kans bestaat dat conventionele explosieven (CE) in de bodem zijn achtergebleven. Om inzicht te geven in de acties die nodig zijn met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) is de 'Beleidsnota conventionele explosieven' opgesteld.
Onderzoek en conclusie Op basis van de beleidskaart is er ter plaatse van de beoogde uitbreiding en werkzaamheden een lage kans op aantreffen van CE. In deze gebieden worden geen extra maatregelen getroffen. Wel dient gewerkt te worden volgens het protocol “Toevalstreffer CE uit de Tweede Wereldoorlog” Er zijn geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
46
Figuur 4.2.1 Beleidskaart CE Schouwen-Duiveland (bron: Beleidsnota conventionele explosieven )
4.3
Archeologie
Toetsingskader Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.
Archeologiebeleid Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente beschikt over een vastgesteld beleidsplan archeologie. Dit archeologiebeleid is voorzien van een gedetailleerde beleidskaart, die een overzicht geeft van gekende en te onderzoeken waarden. Zo zijn de gekende waarden onderverdeeld in: terrein van zeer hoge archeologische waarde, terrein van hoge archeologische waarde en terrein van archeologische waarde. In de te onderzoeken waarden is een onderscheid gemaakt in onderzoeksgebied A en B. De beleidskaart is gedetailleerder dan de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW).
Toetsing
47
Een deel van de bestaande landschapscamping heeft de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologisch Onderzoeks Gebied B' (zie figuur 4.3.1). Bij bouw- en grondwerkzaamheden groter dan 5.000 m² en dieper dan 50 cm is een archeologisch onderzoek verplicht. Binnen dit deel van de landschapscamping zijn geen bodemingrepen groter dan 5.000 m² voorzien. De waterpartijen worden op gronden uitgevoerd waar deze dubbelbestemming niet geldt en waar geen archeologische verwachtingswaarde is. In het bestemmingsplan is een archeologische dubbelbestemming opgenomen corresponderend met de archeologische beleidskaart van de gemeente.
Figuur 4.3.1 Uitsnede archeologische waardenkaart Schouwen Duiveland
Conclusie Het aspect archeologie staat de ontwikkeling niet in de weg
4.4
Cultuurhistorie
Toetsingskader Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met cultuurhistorie. Hierin is opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging.
48
Onderzoek en conclusie Op de uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland, zie figuur 4.4.1, is te zien het boeren erf met woonhuis en landbouwschuur zijn aangewezen als historische boerderij. In de nabije omgeving van het plangebied zijn verder een aantal historische objecten (boerderijen) gelegen. Daarnaast zijn ook de kreekrestanten aangewezen als historisch landschap evenals de aan de randen van het plangebied gelegen Zeedijk en Dwarsdijk. Het beleid van de provincie Zeeland is erop gericht dat deze karakteristieke bebouwing, het kreekrestant en de dijk behouden blijven, omdat ze een belangrijk onderdeel vormen van de Zeeuwse geschiedenis en daarmee de identiteit van Zeeland. De beoogde herinrichting en uitbreiding vormen geen belemmering voor cultuurhistorische waarden, omdat deze geen invloed hebben op de nabij gelegen cultuurhistorische objecten. De kreekrestanten en bebouwing blijven behouden en aan de dijken worden geen werkzaamheden verricht.
Figuur 4.4.1 Fragment cultuurhistorische waardenkaart (bron: Provincie Zeeland)
Conclusie Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Waterhuishouding
Toetsingskader Voor ruimtelijke plannen dient met een watertoets aangetoond te worden dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hieruit moet blijken of de beoogde functiewijziging strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. De waterbeheerder is het waterschap Scheldestromen. Deze instantie is verantwoordelijk
49
voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer binnen het plangebied en de omgeving daarvan. Het waterschap zal het wateradvies geven in het kader van het vooroverleg.
Om na te gaan of het voorliggend plan niet in strijd is met duurzaam waterbeheer, voldoet aan de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen, is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de criteria uit de Zeeuwse Handreiking Watertoets. Deze criteria zijn bijeengezet in de watertoetstabel die door het Waterschap wordt gehanteerd.
Toetsing De watertoets is voor de beoogde ontwikkeling ingevuld (bijlage 7). De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van verhard oppervlak. Met de aanleg van een tweetal zoetwater buffers en waterberging kan ruimschoots in de waterbergingsopgave worden voorzien.
4.6
Verkeersaspecten
Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het plangebied wordt ontsloten door de Rietdijk en de Kijkuitsedijk. Beide zijn smalle erftoegangswegen waar een maximum snelheid van 60 km/uur geldt. In westelijke richting leidt de Kijkuitsedijk naar de provinciale wegen N653 en N654. Tevens ligt hier de kern Brouwershaven. De Rietdijk leidt in zuidelijke richting naar de N654 en het centrum van Zonnemaire. Vanaf de provinciale wegen is het hoofdwegennet bereikbaar.
Langzaam verkeer Op de Rietdijk en de Kijkuitsedijk zijn geen voorzieningen voor fietsers aanwezig. Zij delen de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. De N-wegen in het gebied beschikken wel over fietsvoorzieningen in de vorm van fietsstroken (N653) en een vrij liggend fietspad (N654).
Openbaar vervoer Het plangebied is slecht bereikbaar per openbaar vervoer. Buslijn 134 halteert bij haltes in Zonnemaire en Brouwershaven, beide gelegen op circa 30 minuten loopafstand van het plangebied. Verkeersgeneratie In de huidige situatie zijn er op de landschapscamping 87 recreatie-eenheden aanwezig. Daarvan zijn er twee recreatiewoningen, 25 eenheden op de minicamping en 60 eenheden op de landschapscamping. Met de herinrichting van de landschapscamping wordt dit aantal uitgebreid tot totaal 113 eenheden. Dat betekent een toename van 26 eenheden.
Per eenheid wordt uitgegaan van vier slaapplaatsen. In de memo 'Toetsing kengetallen Agenda Toerisme (Juust, 20-05-2020)' wordt geadviseerd de verkeersgeneratie te bepalen door het aantal slaapplaatsen te nemen en te rekenen met 1 parkeerplaats per 3 slaapplaatsen. Vervolgens wordt er een kencijfer van 2,2 verkeersbewegingen per etmaal per parkeerplaats geadviseerd. Voor alle verschillende typen verblijfsrecreatie geldt hetzelfde uitgangspunt (m.u.v. hotels).
50
Met de herinrichting van de landschapscamping neemt het aantal slaapplaatsen toe met 104 (26 eenheden * 4 slaapplaatsen). Voor deze 104 slaapplaatsen dienen 35 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd (104 slaapplaatsen / 3). Deze zorgen voor een verkeersgeneratie van 77 voertuigbewegingen per etmaal (35 parkeerplaatsen * 2,2 per parkeerplaats). De herinrichting van de landschapscamping zorgt er daarmee dus voor dat de omliggende wegen een verkeerstoename van 77 mvt/etmaal dienen af te wikkelen. Daarvan is de aanname dat 2/3 van dit verkeer (52 mvt/etmaal) afwikkelt over de Kijkuitsedijk en 1/3 over de Rietdijk (26 mvt/etmaal).
Om de verkeerskundige gevolgen van de ontwikkeling te onderzoeken is een notitie opgesteld waarin beoordeeld wordt of de ontsluitingswegen voldoende capaciteiten bieden om de verkeerstoename op een goede en verkeersveilige manier af te wikkelen, deze notitie is opgenomen in bijlage 8. De wegcapaciteit van de Kijkuitsedijk en Rietdijk kan op piekdagen (in de zomermaanden) op basis van de berekende I/C-verhouding worden overschreden. Ook in de autonome situatie is er al sprake van het bereiken van de maximum capaciteit. Gelet op de omstandigheden is het niet de verwachting dat de ontwikkeling leidt tot extra bermschade, knelpunten in de doorstroming of verkeersonveilige situaties. Het Waterschap zal wel doorgroeistenen aanbrengen langs de Kijkuitsedijk. Bij de Rietdijk zijn deze waar nodig al aanwezig. Het moment van uitvoering hangt mede af van hoe de conditie van de weg zich ontwikkelt. Dit wordt door het Waterschap gemonitord. Ook de afwikkelingskwaliteit voor recreatief fietsverkeer blijft met de beoogde ontwikkeling op beide wegen gewaarborgd. De berekende parkeerbehoefte wordt op eigen terrein opgevangen, hier is voldoende ruimte voor aanwezig
Parkeren Met de herinrichting van de landschapscamping wordt het aantal recreatie-eenheden uitgebreid tot totaal 113 eenheden, waarvan 2 recreatiewoningen en 111 kampeerstandplaatsen. Per standplaats wordt uitgegaan van 4 slaapplaatsen en per recreatiewoning 6 slaapplaatsen. In de toekomstige situatie betekent dat totaal 450 slaapplaatsen.
In de memo 'Toetsing kengetallen Agenda Toerisme (Juust, 20-05-2020)' wordt een parkeernorm van 1 parkeerplaats per 3 slaapplaatsen gegeven. Voor alle verschillende typen verblijfsrecreatie geldt hetzelfde uitgangspunt (m.u.v. hotels). Dat betekent een parkeerbehoefte van 150 parkeerplaatsen (450 slaapplaatsen / 3). De berekende parkeerbehoefte wordt op eigen terrein opgevangen, hier is voldoende ruimte voor binnen de plangrenzen. Bij de verblijfseenheden kan geparkeerd worden, evenals op apart gelegen parkeerterreinen verspreid over de landschapscamping.
51
Figuur 4.6.1 Parkeervoorzieningen
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren staan de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.
4.7
Wegverkeerslawaai
Beleid en normstelling Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal
52
toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning).
Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB.
Onderzoek en conclusie Voor verblijfsrecreatie wordt in de gemeente Schouwen-Duiveland hetzelfde beleid gehanteerd als voor reguliere woningen. De verblijfsfunctie van het terrein ligt binnen de geluidzone van de Rietdijk en de Kijkuitsedijk. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd waarin is berekend wat de geluidbelasting is ten gevolge van deze wegen (bijlage 9). Uit dit akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd blijkt dat de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB, nergens in het plangebied wordt overschreden ten gevolgde van het wegverkeer op de Rietdijk en de Kijkuitsedijk. De uitbreiding van ‘Landschapscamping Kijkuit’ kan in een goed akoestisch woon- en leefklimaat gerealiseerd worden.
Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling nemen verkeersbewegingen toe. Voor toetsing van het uitstralingseffect bestaat geen wettelijk kader. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat bij een toename van de verkeersomvang met meer dan 40% sprake is van een geluidstoename van meer dan 1,5 dB (wat voor het menselijk oor hoorbaar is). In de maand juli 2019 is de intensiteit op de Kijkuitsedijk en Rietdijk als laatste gemeten. Op de Kijkuitsedijk is sprake een intensiteit van 332 mvt/etmaal en op de Rietdijk 388 mvt/etmaal. De toename van 52 mvt/etmaal op de Kijkuitsedijk bedraagt 16% van de totale verkeersintensiteit. De toename van 52 mvt/etmaal op de Rietdijk bedraagt 7% van de totale verkeersintensiteit. Op beide wegen is ruimschoots onder de 40%. Relevante negatieve uitstralingseffecten naar de woningen in de omgeving zijn dan ook uitgesloten.
4.8
Milieuhinder en bedrijven
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of visa versa:
een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. Op grond van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering dienen voor verschillende bedrijfsactiviteiten richtafstanden aangehouden te worden.
53
Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de categorie op van 1 tot en met 5, met bijbehorende minimale afstanden tot de woongebieden. In de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: Categorie 1 grootste afstanden 0 en 10 meter; Categorie 2 grootste afstand 30 meter; Categorie 3 grootste afstanden 50 en 100 meter; Categorie 4 grootste afstanden 200 en 300 meter; Categorie 5 grootste afstanden 500, 700 en 1000 meter. De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de gevel van een woning. De afstanden in bovengenoemde uitgaven moeten als indicatief worden gezien. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken, kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer.
Beleid gemeente Schouwen-Duiveland De gemeente Schouwen-Duiveland heeft zoneringsbeleid opgenomen in de notitie ‘Omgaan met zoneringen bij ruimtelijke ontwikkelingen’ (2012). In deze notitie is aangegeven dat de gemeente de richtlijnen uit VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ als uitgangspunt hanteert. Waar afgeweken wordt, is dat in de notitie aangegeven. De gemeente wijkt onder meer af van de VNG-richtlijn ten aanzien van verblijfsrecreatie. In veel gevallen biedt de VNG-richtlijn een goed handvat en is er weinig aanleiding tot afwijken. Echter bij verschillende recreatieve inrichtingen is de wens er wel omdat de gehanteerde richtafstand onnodig groot is. In het gemeentelijk beleid wordt onderscheid gemaakt in verblijfseenheden en voorzieningen die erop zijn gericht om de recreant te verpozen. Voorzieningen trekken mensen aan en veroorzaken meer dan gemiddeld geluid. In dat geval is de richtlijn van de VNG juist. Wanneer het echter gaat om een zomerhuisje of een ligplaats in een jachthaven, dan zal daar in de regel niet veel meer geluid vrijkomen dan in een bebouwde kom. In dat geval kan één stap terug worden gegaan op de lijst van richtafstanden en kan een afstand van 30 meter gehanteerd worden. Dit geldt niet voor chalets en caravans of tenten, aangezien hier meer 'buiten' wordt geleefd en er meer geluid vrijkomt dan bij huisjes of jachten.
Ook de afstand tussen recreatie-inrichtingen onderling hoeft niet 50 meter te zijn, omdat beide inrichtingen meer 'hinder gewend zijn' dan bij woningen het geval is. Daarom is bepaald dat de inrichtingen geen onderlinge tussenafstand behoeven te hebben. Hotels, pensions en conferentieoorden liggen vaak al in de bebouwde kom. Daarbij wordt niet meer overlast verwacht dan verkeersaantrekkende werking. Hier is een afstand van 10 meter tussen deze inrichtingen en woningen voldoende.
Toetsing Gevoelige functies in de omgeving Voor kampeerterreinen met keuken geldt een richtafstand van 50 meter voor geluid en 30 meter voor geur. De dichtsbijzijnde woningen liggen aan de Rietdijk op een afstand van tenminste 50 meter van de recreatiebestemming en op een afstand van meer dan 200 meter van gemeenschappelijke voorzieningen.
54
Aan de richtafstand tot gevoelige functies wordt dan ook voldaan.
Milieuhinderlijke functies in de omgeving Ten zuiden van de beoogde uitbreiding van de landschapscamping is een andere landschapscamping aanwezig. Binnen de richtafstand van 50 meter zullen worden geen kampeerplaatsen mogelijk gemaakt.
Omliggende gronden zijn in gebruik als agrarische gronden. Bij de inrichting van de camping is rekening gehouden met de bestaande spuit(vrije)zones van 50 meter. Zoals in figuur 4.8.1 is te zien wordt de spuitvrije zone op aangrenzende gronden niet groter ten opzichte van de huidige situatie. Er is en ook geen sprake van een belemmering van de bedrijfsmogelijkheden ten opzichte van de huidige planologische situatie. Voor wat betreft de gronden met een agrarische bestemming ten zuiden van het kampeerterrein zullen deze gebruikt worden als waterberging en pluktuinen en zijn deze in eigen bezit en beheer van de landschapscamping. Hier zal geen gebruik gemaakt worden van bestrijdingsmiddelen die een belemmering kunnen zijn voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatste van het kampeerterrein.
55
Figuur 4.8.1 Vergelijking spuit vrije zone van 50 meter huidige (blauw) en toekomstige (rood) situatie bestemmingsplan.
Conclusie Er is en blijft sprake van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect milieuhinder bestaan er daarmee geen belemmeringen voor onderliggend bestemmingsplan.
4.9
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit onderdeel van de Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en
56
stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 2.4 weergegeven.
Tabel 2.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van grenswaarde stikstofdioxide (NO2)1) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ 1. De toetsing van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 is niet relevant aangezien er pas meer overschrijdingsuren dan het toegestane aantal van 18 per jaar zullen optreden als de jaargemiddelde concentratie NO2 de waarde van 82 µg/m³ overschrijdt. Dit is nergens in Nederland het geval. 2. Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek Ten gevolge van de ontwikkeling zal de verkeersgeneratie met 77 mvt/etmaal toenemen. Hierbij is uitgegaan van een vrachtverkeerpercentage van maximaal 2%. Met behulp van de NIBM-tool is onderzoek gedaan of de verkeersgeneratie mogelijk een in betekende mate bijdrage levert aan de luchtkwaliteit. Uit dit onderzoek blijkt dat het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Daarom is nader onderzoek niet noodzakelijk. In figuur 4.9.1 zijn de rekenresultaten uit de nibm-tool weergegeven.
57
Figuur 4.9.1 Nibm Tool
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat zowel in 2020 als in 2030 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 2.4. Met behulp van deze monitoringstool kunnen de rekenpunten worden geselecteerd voor de exacte rekenresultaten. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de provinciale weg N59. Het maximale gehalte stikstofdioxide in het jaar 2020 bedraagt minder dan 35,0 µg/m³ ten gevolge van de N59, voor fijnstof bedraagt dit eveneens minder dan 35,0 µg/m³ en het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt minder dan 35 dagen per jaar.
Conclusie De ontwikkeling van camping draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Uit de resultaten van de monitoringstool blijkt verder dat ter plaatse van de ontwikkeling de luchtkwaliteit ruimschoots aan de normen conform de Wm voldoet. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.10
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als
58
rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of een nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het in werking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en in nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6-waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.
Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb, 2011) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Bevi zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
59
Toetsing en conclusie In de nabije omgeving van het projectgebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Rondom het projectgebied vindt tevens geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.11
Ecologie
Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.
Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. In de provincie Zeeland heten deze gebieden dan ook NNZ (Natuurnetwerk Zeeland). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
60
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Onderzoek Soortenbescherming Er is een Quickscan ecologie uitgevoerd, zie bijlage 11. De conclusies en aanbevelingen uit deze quickscan worden hierna weergegeven:
Conclusies Uit het verrichte bureau- en veldonderzoek blijken er beschermde soort(groep)en te verwachten voor de projectlocatie: Kleine marterachtigen Algemene broedvogels Huismus
61
Konijn en haas Vleermuizen Daarnaast is het waarschijnlijk dat er twee categorie 5 soorten aanwezig zijn in het projectgebied: Spechten Boerenzwaluw Voor het onderdeel soortenbescherming is geen aanvullend onderzoek benodigd, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan: Werkzaamheden vinden plaats buiten het broedseizoen (ongeveer 15 maart tot 15 juli) De werkzaamheden blijven buiten het leefgebied van de aanwezige huismus en boerenzwaluw Konijnenholen niet worden verstoord Er wordt voldaan aan de zorgplicht voor algemene soorten Ruigten en dicht struweel langs de randen van het plangebied blijven volledig onaangetast Voor het aspect gebiedsbescherming is geen nader onderzoek benodigd om significant negatieve effecten uit te kunnen sluiten. Wel moet worden uitgesloten of er geen mogelijke effecten van stikstofdepositie zijn. Als niet aan de aangegeven voorwaarden kan worden voldaan, is vervolgonderzoek (en mogelijk ook ontheffing van de Wnb) voor de volgende soort noodzakelijk: Kleine marterachtigen (hagen langs het projectgebied) Konijn en haas Het inrichtingsplan en bestemmingsplan bieden voldoende mogelijkheden om aan de gestelde voorwaarden te voldoen. Mocht in de uitvoering blijken dat dit niet zo is, zal eerst nader onderzoek gedaan worden alvorens deze werkzaamheden plaatsvinden.