2026.134 Bijlage 4 - Motivering uitbreiding bedrijventerrein Zierikzee (1684060)
Tekst van het document
Voor de uitvoering van het plan wordt een waterhuishoudkundig plan opgesteld, inclusief rioleringsplan. De rapportage van Haskoning is besproken met het Waterschap Scheldestromen. Het waterschap heeft ingestemd met de inhoud hiervan. Conclusie Het aspect weging van het waterbelang vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
33/66
4.2.2
Soortenbescherming
Het aspect natuur omvat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet, indien negatieve effecten op mogelijke beschermde soorten op voorhand niet uitgesloten kunnen worden, onderzocht worden of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven. Nieuwe ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde soorten (dieren en planten). Door Waardenburg is een quickscan soorten- en gebiedenbescherming uitgevoerd (bijlage 7, rapportage 2 februari 2026). Het plangebied (exclusief bebouwing) heeft mogelijk een functie voor haas en konijn. In het plangebied kunnen op diverse plaatsen vogels tot broeden komen waarvan de nestplaats niet jaarrond beschermd is. De haag aan de westzijde van het plangebied heeft betekenis als verbindend element voor kleine marterachtigen. Tenslotte komen in het plangebied algemene amfibieën en zoogdieren voor. In verband met de broedvogels kunnen maatregelen worden genomen om schadelijke handelingen te voorkomen.
Voor het kappen van de haag is een vergunning nodig en dienen maatregelen getroffen te worden vanwege kleine marterachtigen. Effecten voor grondgebonden zoogdieren kunnen met maatregelen worden voorkomen. Naar het voorkomen van haas en konijn is nader onderzoek nodig. Ook is naar vleermuizen in de bebouwing en opstallen nader onderzoek nodig zodra deze gesloopt moeten worden. Verder is geadviseerd om bij de ontwikkeling van bedrijventerrein verblijfsvoorzieningen voor vleermuizen en vogels te realiseren in bedrijfsgebouwen. Bij de gronduitgifte wordt dit gestimuleerd. Het project geeft kansen voor het bevorderen van de biodiversiteit. In het ontwikkelkader landschap (bijlage 2) Is hieraan aandacht gegeven. Dit wordt nader uitgewerkt richting de uitvoering. Conclusie Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan. Wel is nog nader onderzoek naar konijn en haas nodig. Dit onderzoek wordt opgestart.
4.2.3
Gebiedsbescherming
Het aspect natuur omvat zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. Het Rijk en de Provincie zijn in eerste plaats verantwoordelijk voor gebiedsbescherming. Toebedeelde functies moeten beoordeeld worden op mogelijk nadelige gevolgen voor Natura 2000gebieden en getoetst moet worden aan de instructieregels uit de omgevingsverordening ten aanzien van Natuurnetwerk Nederlandgebieden. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een natuurgebied, natuurnetwerk en Natura-2000 gebieden. In de quickscan van Waardenburg
34/66
(bijlage 7) wordt geconcludeerd dat het is uitgesloten dat de voorgenomen ingrepen leiden tot aantasting van relevante soorten en vegetaties in Natura 2000-gebieden. Ook zijn effecten op het Natuurnetwerk en bijzondere nationale natuurgebieden of landschappen uitgesloten. Voor dit plan is naast de quickscan voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000gebieden berekend (bijlage 8, Nox Advies, rapportage 17 maart 2026). De uitkomst is dat er een depositieresultaat is van maximaal 0,02 mol N/ha/jaar. De toename wordt berekend op habitattypen in Natura 2000-gebiedne ‘Grevelingen’ en ‘Oosterschelde’. Voor deze toename wordt een ecologische voortoets uitgevoerd in het planspoor. Op basis van Aerius Monitor wordt voorspeld dat anno 2040 respectievelijk circa 99,8% en 100% van de oppervlakte van Oosterschelde en Grevelingen voldoet aan de kritische depositiewaarde en derhalve niet meer overbelaste habitattypen omvat. Om die reden is de verwachting dat een permanente toename aan depositie ecologisch te onderbouwen valt. Gedurende de realisatiefase zal tot oplevering van het gehele bedrijventerrein ieder jaar een tijdelijke toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar optreden. Omdat de toename zeer beperkt is, is niet de verwachting dat dit de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden in gevaar brengt.
Een ecologische voortoets wordt uitgevoerd om deze onderbouwing te kunnen leveren. Op hexagonen met een hersteldoel of buitenlandse Natura 2000gebieden worden geen depositietoenames berekend. Significante stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden zijn daarom, mits de ecologische voortoets uitwijst dat de depositietoenames niet leiden tot belemmeringen voor de instandhoudingsdoelstellingen, als gevolg van dit plan uit te sluiten. In dat geval zijn er geen belemmeringen voor het omgevingsplan. Het plan wordt daarom uitvoerbaar geacht binnen de kaders van de Omgevingswet. PM voor vaststelling omgevingsplan resultaten ecologische voortoets opnemen.
Conclusie Het aspect gebiedsbescherming vormt naar verwachting geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
35/66
4.3
Mobiliteit en bereikbaarheid
Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot verkeersproblemen op de omliggende wegen. Er moeten ook voldoende parkeerplaatsen voor auto's en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie, het type functie en gemeentelijk beleid. Mobiliteit is geen doel op zich, maar een belangrijke randvoorwaarde voor onder meer de woningbouwopgave en de regionale economie. Gemeenten kennen een breed takenpakket op het gebied van mobiliteit. Het gaat niet alleen om het beheer en onderhoud van lokale wegen, maar ook over de mobiliteitstransitie, verkeersveiligheid en toegankelijkheid. Om mobiliteit toekomstbestendig te maken moeten al deze aspecten in onderlinge samenhang beschouwd worden. Gemeenten hebben daarnaast een eigen verantwoordelijkheid om locaties binnen de gemeente goed bereikbaar te houden. Voor het voorliggende plan is een mobiliteitstoets uitgevoerd (bijlage 9, Sweco, rapportage 16 maart 2026). Daarin is de toekomstige situatie beoordeeld aan de hand van het beleidskader en gehanteerde uitgangspunten. In de mobiliteitstoets is ingegaan op de inrichting van het bedrijventerrein, de verkeersstructuur, het opvangen van parkeren bij bedrijven, de verkeersgeneratie van het plan en de afwikkeling op het wegennet. De conclusie is dat aan de verschillende mobiliteitsaspecten wordt voldaan.
Hoewel de afwikkeling op het kruispunt Julianastraat/N256 als voldoende is beschouwd zijn maatregelen voor een betere verkeersafwikkeling wenselijk. Dit betreft een bespreekpunt met de provincie Zeeland in het kader van het toekomstbeeld Midden Zeeland Route. In het omgevingsplan is in de planregels een parkeerregeling opgenomen voor het parkeren bij bedrijven. Het parkeren wordt op eigen terrein opgevangen. Ook voor fietsparkeren is een norm opgenomen. Conclusie Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
36/66
4.4
Energie en duurzame inrichting
Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van en het voorzien in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Duurzaam omgaan met de ruimte betekent onder meer rekening houden met de huidige gebruiksfuncties en de mogelijkheid voor toekomstige generaties om functies aan een gebied te geven. Bij duurzame gebiedsontwikkeling gaat het om duurzaam gebruik van materialen, energie, natuur en mobiliteit. Omdat duurzaamheid veel facetten heeft, is een integrale benadering noodzakelijk. Algemeen Op dit moment zijn er een aantal transities die onder het begrip duurzaamheid vallen. Deze zijn: •
de energietransitie: het terugbrengen van de CO2 uitstoot door van fossiele energie over te gaan op hernieuwbare en duurzame energie; • klimaatadaptatie: het aanpassen van de openbare ruimte om de negatieve effecten van de klimaatverandering te verkleinen of zelfs weg te nemen; • de overgang naar kringloopeconomie: gericht op het hoogwaardig hergebruiken van producten en grondstoffen; • Verbeteren van de biodiversiteit: door behoud en versterking van natuur en diersoorten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen worden aan deze ontwikkelingen getoetst en indien mogelijk zal op deze ontwikkelingen geanticipeerd moeten worden.
4.4.1
Energietransitie
Het elektriciteitsnet van Schouwen-Duiveland is momenteel niet toereikend. De gemeente Schouwen-Duiveland heeft sinds 2019 netcongestie op teruglevering en sinds 2023 netcongestie op afname. Dit betekent dat nieuwe grootverbruiksaansluitingen op een wachtlijst komen. Dit probleem wordt pas structureel opgelost met het realiseren van het 150 kV/20 kV station ten zuiden van het plangebied. Realisering is gepland voor 2030 en 2031 (op basis van investeringsplannen Stedin en Tennet). Om deze reden wordt er momenteel een energievisie voor het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein opgesteld. Deze visie moet inzicht geven in de mogelijkheden voor een energieneutraal en/of netneutraal bedrijventerrein, rekening houdend met de huidige netcongestie, toekomstige bedrijven en de geplande bouw van het 150kV hoogspanningsstation in 2030-2031. Uitgangspunt van de energievisie is de Trias Energetica. Dit is een drie stappen strategie om een energiezuinig ontwerp te maken. Deze drie stappen zijn: 1. Beperk het energieverbruik door verspilling tegen te gaan; bijvoorbeeld een compacte gebouwvorm of door isolatie van de buitenschil (gevels, daken en vloeren). 2. Maak maximaal gebruik van energie uit duurzame bronnen; bijvoorbeeld door dak geschikt maken voor zonnepanelen (oriëntatie, constructie en dakvorm) 3.
Maak zo efficiënt mogelijk gebruik van (fossiele) energiebronnen om in de resterende energiebehoefte te voorzien; bijvoorbeeld door lage temperatuurverwarming, het beperken van leidinglengten van
37/66
warmteleidingen en leidingweerstand van verwarmings- en ventilatiesystemen of het gebruik maken van een warmtepomp. De energievisie bevat een analyse van de energievraag en netcapaciteit, mogelijkheden voor duurzame energieopwekking en alternatieven voor aardgas en de mogelijkheden voor governance en samenwerking. Voor de individuele bedrijven geldt het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) dat eisen stelt aan energiezuinigheid en duurzame energieopwekking van nieuwe bedrijfsgebouwen. Vergunningsaanvragen voor nieuwbouw moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De richtlijn Energy Performance of Buildings Directive (EPBD III) verplicht om laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen aan te leggen bij nieuwbouw, bij ingrijpende renovaties of bij bestaande grotere gebouwen. Nederland heeft deze vastgelegd in het Besluit Bouwerken Leefomgeving (BBL). Nieuwe bedrijfspanden met >10 parkeerplaatsen moeten min. 1 laadpunt + leidingen voor 20% van de plekken (voorbereiding).
4.4.2
Circulaire economie
Om de duurzaamheid van het nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein meetbaar te maken wordt de het instrument GPR (gemeentelijke praktijk richtlijn) – gebied toegepast. De berekening geeft een totaalbeeld van de duurzaamheid van een gebouw op vijf thema's: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Een goede score zit gemiddeld boven de 8. Een hele goede score heeft op elk hoofdstuk een 8 of hoger. Het streven voor de nieuwe ontwikkeling is een gemiddelde score van 8. Belangrijke uitgangspunten voor circulaire ontwerpprincipes voor de individuele bedrijven zijn: • • • • • • •
4.4.3
Bedenk of het echt noodzakelijk is om het gebouw te bouwen of dat het probleem met bijvoorbeeld betere doorstroom al op te lossen valt. Bouw kleiner en passender met minder inhoud, materiaal en ruimtegebruik. Benut bestaande materialen uit sloop van andere bouwwerken. Gebruik materialen met een zo laag mogelijke milieu-impact, zoals hernieuwbare of biobased materialen. Zorg dat een gebouw aan te passen is als het van functie verandert, door bijvoorbeeld modulair te bouwen. Zorg dat een gebouw lang mee kan: neem esthetische zaken mee, maar ook langdurig en circulair onderhoud. Zorg dat de materialen uit een gebouw hergebruikt kunnen worden. Losmaakbaarheid geeft aan in hoeverre producten aan elkaar bevestigd zijn, zoek bijvoorbeeld alternatieven voor kit en lijm en maak een materialenpaspoort.
Klimaatadaptatie
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten bijdragen aan de klimaatbestendigheid en waterrobuustheid van Schouwen-Duiveland en moeten wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingen voorkomen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen wordt de Landelijke Maatlat Klimaatadaptatie toegepast met normen en richtlijnen voor Nieuwbouw. De voorkeursvolgorde voor wateroverlast en droogte vanuit de Landelijke Maatlat is: benutten en besparen, vasthouden en infiltreren,
38/66
bergen, afvoeren. De voorkeursvolgorde voor hittestress is: koele omgeving, warmte weren, passief koelen, actief koelen. Naast de landelijke maatlat is er ook een atlas met klimaatlabels waarin te zien is hoe de situatie precies is per locatie. Ambities zijn: • • • •
Voorkomen van wateroverlast: Voldoende ruimte voor wateropvang; toepassen van weinig verharding; watertoets; Voorkomen van droogte: Opvang en hergebruik van hemelwater; percentage tuin wat verhard mag worden; vergroenen en ontharden; brandveiligheid. Voorkomen van hittestress: Plaatsen van een overstek of beplanting; toevoegen van groen Voorkomen van overstromingen: Niet buitendijks bouwen; zorgen voor vluchtroutes bij overstromingen.
Met de realisatie van het bedrijventerrein wordt voorzien in de benodigde watercompensatie. Er wordt niet buitendijks gebouwd. De ontsluiting is in de richting van hoger gelegen gebied. In het plan is veel ruimte voor groen en water. In het ontwikkelkader landschap (bijlage 2) is aandacht gegeven aan een klimaatadaptieve inrichting.
4.4.4
Biodiversiteit
Hoofddoelstelling is dat Schouwen-Duiveland in 2040 een robuust ecosysteem heeft met een eigen herkenbare landschappelijke identiteit. Specifieke doelstellingen zijn het verbinden van groenstructuren, ontwikkelen van soorten en het beschermen van de natuur. Nieuwe ontwikkelingen moeten dan ook bijdragen aan bestaande groen/blauwstructuren, biodiversiteit en landschappelijke identiteit en instandhoudingsdoelstellingen van natura 2000 gebieden en NNN gebieden.
Ambities zijn: -
Realiseren van 30% groen en water bij nieuwe ontwikkelingen (van totaal oppervlak) - Realiseren klimaatbestendige beplanting - Natuur inclusief bouwen wat betekent dat er o.a. onderzocht wordt of er extra nestgelegenheid voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen kan worden gecreëerd. Door Waardenburg Ecology is een ontwikkelkader Landschap voor (de omgeving van) het plangebied opgesteld (bijlage 2). Daarin is de ambitie vertaald naar concrete maatregelen die bijdragen aan het bevorderen van de biodiversiteit. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
39/66
4.5
Gezonde leefomgeving
Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de kaders van Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. Het aspect gezondheid is veelomvattend en zeer divers. Aan de meeste milieuaspecten (o.a. luchtkwaliteit, geluid en geur) zijn in meer of mindere mate immers gezondheidsaspecten verbonden. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn.
4.5.1
Bewegen
Conform de gebiedsvisie wordt bewegen in het plangebied gestimuleerd. Enerzijds door mogelijkheden te bieden om te recreëren/wandelen in de landschapszone, anderzijds door een goede fietsinfrastructuur te realiseren. In het stedenbouwkundig plan is invulling gegeven aan goede fietsverbindingen. Ook is in de regels een norm voor fietsparkeren opgenomen, waardoor bedrijven ook werkelijk deze voorzieningen moeten treffen bij hun bedrijf. Conclusie Het aspect bewegen vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
4.5.2
Groen
Visie op hoofdlijnen
Afbeelding 13 | Deelgebieden met een eigen karakter
40/66
De basis voor een prettig werk- en leefklimaat in het nieuwe bedrijventerrein ligt in het realiseren van een robuuste groenstructuur. De openbare ruimte vormt een eenheid maar heeft ook verschillende deelgebieden met steeds een eigen nuance in karakter en sfeer. Het karakter wordt mede bepaalt door de locatie, de historische context of de omgeving. Er wordt ingezet op drie landschappelijke structuurdragers. Deze noord-zuid verbindingen (groene inprikkers) vormen grote structuren die een groene corridor zijn tussen Zierikzee en het ommeland. Groen en water wordt zoveel mogelijk geconcentreerd in de drie inprikkers. Elke deelgebied krijgt een eigen herkenbaar karakter. De landschappelijke ambities en de deelgebieden worden verder omschreven in bijlage 2, ontwikkelkader landschap opgesteld door Waardenburg Ecology. Hieronder stippen we in het kort de hoofdlijnen per deelgebied aan. Historische Meeldijk Op de plek waar vroeger de Meeldijk lag wordt opnieuw een dijklichaam gemaakt. Deze historische lijn in het landschap met lommerrijke bomenrijen is een belangrijke dragende structuur waarlangs ook hoofdverbindingen liggen (wegen, kabels en leidingen en water) liggen Groene entree de Straalweg De Straalweg is een historische weg vanuit het buitengebied naar de stad. De weg had oorspronkelijk een grillig verloop.
In de toekomstige inrichting van de parkzone aan de oostzijde van deze weg, wordt het speelse verloop weer opgepakt en versterkt door een afwisseling in groen, water en paden. De zichtlijnen veranderen daardoor steeds en de beleving van het park wordt daardoor versterkt. De bestaande waterlopen aan de oostzijde van de Straalweg wordt in het ontwerp van de parkzone meegenomen en verbreed (ook vanwege de wateropgave in het gebied) Gouwepark Het Gouwepark (eerder landschapszone genoemd) is de grootste groene ruimte in het plangebied. Centraal ligt een grote waterpartij die is geïnspireerd op het historische geulenlandschap van de Gouwe. Dit deelgebied fungeert als een landschapspark met landschappelijke elementen zoals glooiingen, water met rietkragen en extensief grasland. Door het gebied liggen aantrekkelijke wandelpaden en fietsroutes. Karrevelden Een karreveld is een typisch landschappelijk element wat vooral voorkomt in de inlagen aan de zuidwestzijde van Zierikzee. Deze landschappelijke vormentaal is inspiratie voor de karrevelden binnen het plangebied. Ten noorden van het KV-station is gekozen voor het inpassen van een waterberging in de vorm van karrevelden. Dit deelgebied is tevens de verbinding tussen de groene inprikkers en het Gouwepark Gouwepoort De hoofdontsluiting van het bedrijventerrein aan de noordzijde heeft een consequent profiel met een groene middenberm.
Deze as is herkenbaar en heeft allure die past bij de grootschalige functies die eraan liggen. Mogelijk komt er een rotonde in deze hoofdroute ter hoogte van de Meeldijk. Het consequent doorzetten van dit profiel is het uitgangspunt. Uitgangspunt is om kansen voor
41/66
vergroening en het toevoegen van hagen en natuurvriendelijke oevers te benutten. Groenbeleving De hoofdgroenstructuur van het bedrijventerrein wordt gekoppeld aan aantrekkelijke verbindingen voor wandelaars en fietsers. Op die manier is het groen niet alleen belangrijk voor de biodiversiteit maar levert het ook een bijdrage aan de aantrekkelijkheid van het totale bedrijventerrein. De groene inprikkers worden gecombineerd met vrij liggende fietspaden. De overige ontsluitingswegen hebben ruimte in het profiel voor bomen aan één zijde van de weg en struinpaden (onverhard) door de brede bermen. De combinatie met brede waterlopen zorgt voor een afwisselend beeld. Er wordt zoveel mogelijk gewerkt met flauwe gradiënten in de taluds voor een bredere soortenvariatie. Vanwege de zilte bodem- en klimaatomstandigheden moet bij de soortkeuze rekening gehouden worden met zouttolerante beplanting en natuur. Conclusie De ontwikkeling vindt plaats in een ruim opgezette landschappelijke structuur waarbij groenbeleving steeds gecombineerd wordt met wandel- en fietsverbindingen. Het aspect landschap en groen biedt kansen voor het verhogen van belevingswaarde en verhogen van de biodiversiteit binnen het plangebied en vormt geen belemmering voor wijzigen van het omgevingsplan.
4.5.3
Milieuzonering
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ervoor zorgen dat voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten voorkomen wordt. Sommige activiteiten die vanuit een planologisch perspectief mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Om de afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies te bepalen, wordt gebruik gemaakt van de VNG publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering’. Het reguleren van de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering. De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Er is inwaarts gezoneerd. Woningen die om het plangebied heen liggen zijn bepalend voor de milieugebruiksruimte van de bedrijvigheid.
Geluid (industrielawaai) Bedrijven mogen maximaal 50dB tussen 7.00u en 19.00u, 45dB(A) tussen 19.00u en 23.00u en 40dB(A) tussen 23.00u en 07.00u geluid produceren op 50 meter afstand van de grens van een locatie waar de activiteit wordt verricht. Als er binnen 50 meter een (bedrijfs) woning is gerealiseerd, dan geldt de geluidnorm op de gevel van die woning (geluidgevoelig gebouw). Dit is
42/66
vastgelegd in de planregels. Zie voor een nadere motivering van dit aspect paragraaf 4.5.4. Geur Voor geur door een milieuhinderlijke activiteit wordt ook een basiswaarde in de planregels opgenomen op 50 meter van de grens van een locatie waar de activiteit wordt verricht. Dit betreft 0,5ouE/m³ als 98 percentiel en 2ouE/m³ als 99,9 percentiel. Dit is geregeld in de planregels. Door de beperking van de geurruimte tot 50 meter vanaf de terreingrens wordt mogelijke cumulatie beperkt. Hoe groter de afstand tot de woonomgeving hoe minder een bedrijf bijdraagt aan de cumulatieve geur op de woonomgeving. De dichtstbijgelegen woning betreft de bedrijfswoning Groene Weegje 12. Deze ligt op een afstand van ruim 140 meter tot de bedrijfskavels. Gewasbescherming Ten aanzien van gewasbescherming geldt vanuit de jurisprudentie een minimale afstand van 50 meter tot gevoelige functies. Dit betreffen vooral functies waar mensen regelmatig verblijven, zoals woningen met tuinen, kinderdagverblijven en kantoren. Deze functies zijn gevoelig voor de mogelijke gezondheidseffecten met drift. Bedrijfslocaties worden daarbij niet in de eerste plaats genoemd, maar hierin kunnen zich ook kantoren bevinden en kunnen mensen regelmatig verblijven. Aan de oostzijde van het plan wordt een brede landschapszone voorzien.
Aan de zuidzijde grenzen de bedrijven aan het kVstation en de energiegebonden bedrijvigheid. Bij de energiegebonden bedrijvigheid is langdurig verblijf door personen niet aannemelijk. Aan de westzijde zijn geen agrarische gronden gelegen. De spuitzone zou uitsluitend relevantie kunnen hebben aan de noordzijde van het plangebied, daar waar een deel van de gronden uit de gebiedsvisie vooralsnog niet worden meegenomen in de planontwikkeling. Daar blijft agrarisch grondgebruik mogelijk. De afstand tot de reguliere nieuwe bedrijvenzone is daar korter dan 50 meter. De oriëntatie van bedrijven aan die zijde vindt plaats van de agrarische percelen af. Aannemelijk is dat functies waar langdurig verbleven wordt, zoals kantoren, aan de voorzijde van het pand gesitueerd zijn, op een afstand groter dan 50 meter. Er is op een bedrijventerrein daarnaast geen sprake van tuinen waar langdurig wordt verbleven. In combinatie met de heersende windrichting (zuidwest) is het risico op blootstelling beperkt. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
43/66
4.5.4
Geluid
Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Omgevingswet bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een aandachtsgebied van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. Geluid van activiteiten Op grond van artikel 5.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet in het omgevingsplan rekening worden gehouden met de cumulatie van geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Het geluidniveau ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen moet, in cumulatie van bronnen, als aanvaardbaar kunnen worden beschouwd. In de planregels is het geluid van bedrijven daarom gemaximeerd.
Voor geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen) gelden de volgende grenswaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (L_Ar,LT): • maximaal 50 dB(A) in de dagperiode (07.00–19.00 uur); • maximaal 45 dB(A) in de avondperiode (19.00–23.00 uur); • maximaal 40 dB(A) in de nachtperiode (23.00–07.00 uur). Deze normen gelden op een afstand van 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. Indien zich binnen 50 meter een (bedrijfs)woning bevindt, geldt de geluidnorm op de gevel van die woning, als geluidgevoelig gebouw. De regeling in de planregels zorgt er daarmee voor dat het geluid van afzonderlijke bedrijven al op bron- en omgevingsniveau wordt beperkt en dat de cumulatieve geluidbelasting beheerst blijft. In de voorliggende situatie ligt de dichtstbijzijnde woning op een afstand van minimaal circa 140 meter tot de grens van de bedrijfsbestemming. Op die afstand treedt een verdere afname van het geluidniveau op ten opzichte van de normafstand van 50 meter, zodat de werkelijke geluidbelasting op de gevel van de woning ruim onder de toegestane grenswaarden zal blijven. Dit betekent dat de bijdrage van één bedrijf op de dichtstbijzijnde woning beperkt is. Daarnaast is het aantal bedrijven in de eerste lijn (bezien vanaf de woningen) ruimtelijk begrensd door de in het omgevingsplan vastgelegde maximale breedte van de bedrijfsfunctie.
Door deze begrenzing kan het aantal geluidproducerende activiteiten dicht bij de woningen niet onbeperkt toenemen. De bebouwing in de eerste lijn fungeert bovendien als een afschermend scherm voor bedrijfsactiviteiten die daarachter en op grotere afstand plaatsvinden. Hierdoor wordt het geluid van achterliggende bedrijven richting de woningen verder gereduceerd. Door deze combinatie van:
44/66
1. strikte geluidnormen per bedrijf, passend bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; 2. ruime afstand tussen bedrijven en de dichtstbijzijnde woningen (minimaal 140 m); 3. ruimtelijke begrenzing van het aantal bedrijven in de eerste lijn; en 4. afscherming van achterliggende activiteiten door de voorste bebouwing, kan worden geconcludeerd dat de cumulatieve geluidbelasting op de dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouwen beperkt en aanvaardbaar is in de zin van artikel 5.59 Bkl. Een verdergaande kwantitatieve onderbouwing (bijvoorbeeld in de vorm van een uitgebreid cumulatieonderzoek) is, gelet op de ruime afstanden en de normstelling in de planregels, niet noodzakelijk. Wegverkeerslawaai Vanwege de realisatie van het bedrijventerrein moet een herinrichting van het kruispunt Groene Weegje/Gouwepoort en de bocht van de Groene Weegje naar de Straalweg plaatsvinden. De verkeersintensiteit neemt toe. Hiervoor is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd door Kraaij Akoestisch Adviesbureau (bijlage 10, rapportage 16 maart 2026). Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat er sprake is van een toename van het geluid met maximaal 1,4 dB. Dit is het geval bij één woning. Op de overige toetspunten is sprake van een toename van 0,3-0,8 dB of een afname van het geluid van 01-0,8 dB.
Voor de toetspunten waar het geluid lager is dan of gelijk is aan de standaardwaarde van 53 dB, geldt op grond van artikel 5.78n lid 1 van het Bkl dat er geen maatregelen hoeven te worden getroffen. Er wordt immers voldaan aan de voorwaarde om aan de hoogste van de twee waarden (53 dB of heersende waarde) te voldoen. Omdat het geluid op de gevels van een aantal woningen toeneemt en de standaardwaarde van 53 dB wordt overschreden, is onderzocht welke maatregelen kunnen worden getroffen om de toename van het geluid ongedaan te maken. Hierbij is de meest voor de hand liggende maatregel het toepassen van een geluidreducerend wegdek. Geadviseerd is om SMA NL 8G+ toe te passen op de in de rapportage aangegeven wegvakken. Aangezien bij de toepassing van SMA NL 8 G+ het geluid juist afneemt bij de kritisch gelegen woningen met een geluidbelasting op de gevel van meer dan 53 dB, is een beoordeling van het gezamenlijk/ gecumuleerd geluid achterwege gelaten. Het advies om ander wegdektype toe te passen op de aangegeven locaties wordt in de voorbereiding van de uitvoering meegenomen.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
45/66
4.5.5
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De doelstelling van omgevingsveiligheid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Omgevingsveiligheid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving. De instructieregels van paragraaf 5.1.2 zijn erop gericht gebouwen en locaties te beschermen waar personen gedurende een periode verblijven. In het omgevingsplan wordt de vestiging van risicovolle inrichtingen in zijn algemeenheid uitgesloten.
Ter plaatse van de locatie voor energiegebonden bedrijvigheid worden duurzame energie-opslagsystemen, een waterstoftankstation en laadinfrastructuur toegestaan. Voor zover hierbij sprake is van een risicovolle activiteit worden deze uitgesloten. Als vestiging van energiegebonden bedrijvigheid risicovol is, dan is hiervoor een buitenplanse omgevingsvergunning nodig waarbij door onderzoek is aangetoond dat de effecten van een omgevingsveiligheidsincident niet leiden of kunnen leiden tot een omgevingsveiligheidsramp of omgevingsveiligheidscrisis met significant nadelige gevolgen voor een veilige fysieke leefomgeving en alle redelijkerwijs te nemen maatregelen en voorzieningen zijn getroffen om de effecten van een omgevingsveiligheidsincident te voorkomen en te beperken. Het college kan hieraan dan nadere voorwaarden stellen. Deze activiteiten worden dus niet rechtstreeks toegelaten.
Bluswater en bereikbaarheid De nieuw te realiseren infrastructuur in het plangebied zal voldoen aan de eisen met betrekking tot de bereikbaarheid van brandweervoertuigen uit de interregionale adviesleidraad bluswater en bereikbaarheid. Dit betekent ook dat er extra voorzieningen voor bluswater gerealiseerd moeten worden. De uitgangspunten voor de vereiste bluswatervoorzieningen zijn afhankelijk van de bedrijfstypen die in het gebied worden voorzien (bijv. Industrie, batterij-opslag, groothandel, logistiek). Zodra bekend is welke bedrijven zich zullen vestigen zal in overleg met de Veiligheidsregio Zeeland worden bepaald welke bluswatervoorzieningen er in het plangebied exact nodig zijn. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
46/66
4.5.6
Lichthinder
Op Schouwen-Duiveland kun je nog echte duisternis ervaren. Duisternis is een gebiedskwaliteit die behouden moet blijven en zelfs versterkt moet worden. Schouwen-Duiveland is trots op haar donkere, landelijke gebieden. Zorgvuldigheid is geboden. Te veel verlichting heeft negatieve effecten op het landschap, de biodiversiteit en de gezondheid. Schouwen-Duiveland hanteert de richtlijn lichthinder om nieuwe ruimtelijke plannen te beoordelen op lichtverspreiding. Dit gaat uit van het principe: 1. niet verlichten; 2. dynamisch verlichten (alleen verlichten wanneer dat nodig is); 3. gericht verlichten (alleen verlichten waar dit nodig is); 4. bewust verlichten (niet overbodig veel licht verspreiden). Lichtreclame en kunstverlichting worden zoveel mogelijk beperkt en er wordt zorgvuldig omgegaan met openbare verlichting. Aan de andere kant moet de openbare verlichting de verkeersveiligheid en sociale veiligheid wel kunnen waarborgen. Bij de nadere technische uitwerking van de buitenruimte wordt rekening gehouden met het beleidsplan openbare verlichting die is vastgesteld en waarin rekening is gehouden met de richtlijn lichthinder. Daarnaast wordt in het uitgiftekader voor bedrijfsgronden het principe van de richtlijn lichthinder voor bedrijven opgenomen. Aanvullend is in het beeldkwaliteitsplan vastgelegd dat (reclame)lichtbakken niet zijn toegestaan.
Het verlichten van reclame-uitingen is toegestaan mits er geen sprake is van repeterende verlichting en dat het licht niet verblindend is. Conclusie Het aspect lichthinder vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
4.5.7
Luchtkwaliteit
Bij het toelaten van activiteiten moeten, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, de gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Als sprake is van een zeer beperkte bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10 is geen beoordeling nodig of aan de omgevingswaarde wordt voldaan. Er is sprake van een 'niet in betekenende mate bijdrage’ wanneer de toename van de concentratie NO 2 en PM10 in de buitenlucht niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2. Daarnaast is een aantal categorieën aangewezen die in elk geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Bij activiteiten en werken die binnen deze categorieën vallen hoeft verder niet door middel van berekeningen of op een andere manier aangetoond te worden dat de toename van de concentraties niet de van toepassing zijnde grens voor NIBM overschrijdt. Zierikzee is niet gelegen in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit dient buiten aandachtsgebieden alleen beoordeeld te worden bij
47/66
een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of als het omgevingsplan iets regelt over een wegtunnel of de aanleg van een autoweg of autosnelweg. Daarvan is in dit geval geen sprake. Onderzoek naar luchtkwaliteit is niet nodig. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
4.5.8
Trillingen
Bij ruimtelijke planvorming moet trillinghinder of -schade aan gebouwen zoveel mogelijk worden voorkomen. Sommige functies zijn extra gevoelig voor trillingen. Bij het aspect trillingen in het ruimtelijk spoor gaat het meestal om bescherming tegen trillinghinder bij personen. Daarnaast kan er ook sprake zijn van verstoring van activiteiten door trillingen. In het besluit Kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen over trillingen door activiteiten. In een omgevingsplan moet daarmee rekening worden gehouden. Trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen moeten aanvaardbaar zijn. Trillingen zijn aanvaardbaar als de standaardwaarden uit de artikelen 5.87 en 5.87a van het Bkl worden gerespecteerd. Dit betreffen standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen. In dit geval worden activiteiten die veel hinder kunnen veroorzaken in de planregels reeds uitgesloten. Voor activiteiten die in aanzienlijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken of vergunningplichtige bedrijven die deel zijn van een mer-plichtig project, IPPC installaties en risicovolle inrichtingen geldt een verbod. Daarnaast zijn woningen op ruime afstand (meer dan 50 meter) van nieuwe bedrijven aanwezig. Daarmee is het niet te verwachten dat er trillingshinder vanuit de bedrijfspercelen kan ontstaan.
Het opnemen van waarden in het omgevingsplan, waarmee een extra onderzoekslast voor nieuwe bedrijven zou ontstaan is dan ook niet nodig. Ook trillingen door wegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen. In dit geval is in de nabijheid van de nabijgelegen woningen aan ’s Heer Lauwendorp / Groene Weegje geen sprake van een oneffen wegdek. De rijbanen van de Straalweg, Groene Weegje en ook de interne nieuwe wegen worden uitgevoerd in asfalt. In de nabijheid van bestaande woningen is er reeds sprake van vrachtverkeer. Er worden geen onaanvaardbare trillingen vanwege het extra wegverkeer verwacht. Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
48/66
4.5.9
Milieueffectrapportage
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Het aanleggen, wijzigen of uitbreiding van een industrieterrein of stedelijk ontwikkelingsproject is op basis van bijlage V van het Omgevingsbesluit m.e.r.beoordelingsplichtig. Daarbij moet een zogenaamde ‘mededeling’ van het voornemen voor de planontwikkeling worden gedaan. Er moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is bijgevoegd (bijlage 11). Of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten is mede afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling en de relatie met andere plannen, projecten of activiteiten en de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. In de m.e.r.-beoordeling is hierop nader ingegaan. Conclusie Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.
49/66
5
Conclusie
5.1
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
Om een omgevingsplan te kunnen vaststellen moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) aanvaardbaar wordt geacht, volgens artikel 4.2 lid 1 van de Omgevingswet in combinatie met artikel 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarbij moet ook voldaan worden aan de instructieregels en instructies van zowel de provincie als het Rijk In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het geldende beleid en zijn de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd. Hieronder is aangegeven of aan een aspect voldaan wordt, niet wordt voldaan of onder voorwaarden kan worden voldaan. Kan aan aspect worden voldaan
V
Kan onder voorwaarden worden voldaan
~
Kan niet aan aspect worden voldaan
X
Ondergrond en cultuurhistorie Archeologie
V
Bodemkwaliteit
V
Niet Gesprongen Conventionele Explosieven
V
Cultuurhistorische waarden
V
Natuur en water Weging van het waterbelang
V
Soortenbescherming
~
Gebiedsbescherming
~
Mobiliteit en bereikbaarheid Parkeren
V
Verkeersgeneratie en ontsluiting
V
Vervoersmodaliteit
V
Duurzaamheid Energietransitie
V
Circulaire economie
V
Klimaatadaptatie
V
Biodiversiteit
V
50/66
Gezonde leefomgeving Bewegen
V
Groen
V
Milieuzonering
V
Geluid
~
Omgevingsveiligheid
V
Geur
V
Lichthinder
V
Luchtkwaliteit
V
Trillingen
V
Milieueffectrapportage
V
5.2
Belangenafweging
Alle thema’s zijn afzonderlijk beoordeeld en waar nodig in samenhang met elkaar. Daarbij is geconstateerd dat nader onderzoek nodig is naar natuuraspecten: zowel qua soorten als een ecologische voortoets in verband met stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Deze nadere onderzoeken worden uitgevoerd. Daarnaast zijn maatregelen nodig in het kader van geluid. Door het toepassen van ander type asfalt op bepaalde wegvakken blijft er een acceptabele akoestische situatie voor woningen in de nabijheid van het plangebied. Met deze maatregelen en eventueel aanvullende maatregelen indien deze blijken uit de nadere onderzoeken is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen reden om op voorhand aan te nemen dat de onderzoeken zouden leiden tot een evident onuitvoerbare situatie.
51/66
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
De intentie van de gemeente is om het plan volledig zelf te ontwikkelen en uit te geven. Hiervoor is een grondexploitatie gemaakt. Voor de betrokken percelen geldt grotendeels een voorkeursrecht, gevestigd op basis van de op het moment van vestiging geldende Wet voorkeursrecht gemeenten (nu hoofdstuk 9 Omgevingswet). Met dit voorkeursrecht heeft de gemeente het eerste recht van koop als een eigenaar tot verkoop wil overgaan. De gemeente kan daarmee sturing geven aan de gewenste gebiedsontwikkeling. Het voorkeursrecht is geen garantie dat de gemeente de gronden ook daadwerkelijk kan verwerven. Uiteindelijk kan de gemeente tot onteigening overgaan, echter gaat de voorkeur ernaar uit om tot minnelijke verwerving te komen. Bij het vaststellen van een wijziging omgevingsplan voor aangewezen bouwplannen is kostenverhaal verplicht. De realisatie van een bedrijventerrein met bebouwingsmogelijkheden valt onder de aangewezen bouwplannen. Omdat er nog geen absolute zekerheid is over het verwerven van de gronden dient het kostenverhaal gewaarborgd te worden. Kostenverhaal kan zowel privaatrechtelijk als publiekrechtelijk worden geregeld. Omdat de gronden in het plangebied nog niet volledig zijn verworden is er geen mogelijkheid om privaatrechtelijk via de grondexploitatie het kostenverhaal volledig af te dekken.
Daarom dient publiekrechtelijk, in het omgevingsplan, een kostenverhaalsregeling opgenomen te worden. Daarmee wordt gewaarborgd dat als een eigenaar de gronden niet zou verkopen en zelf zou willen ontwikkelen er zondermeer een betalingsverplichting aanwezig is om bij te dragen aan de kosten in het gehele plan. Zonder het voldoen van de betaling geldt er een verbod om activiteiten te verrichten (artikel 13.12 Omgevingswet). De kostenverhaalsregels voor dit bedrijventerrein zijn opgenomen in afdeling 23.7 van het omgevingsplan Schouwen-Duiveland. Er is een kostenverhaalsgebied bepaald waarbinnen kosten worden toegerekend aan de aanvrager. Dit vindt plaats bij een afzonderlijke kostenverhaalsbeschikking. In de regels is aangegeven hoe een eindafrekening plaatsvindt. De gemeente is zelf verantwoordelijk voor het betalen van eventuele nadeelcompensatie. Hiermee is in de grondexploitatie rekening gehouden.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Participatie
Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. De gemeente heeft recent een participatiebeleid vastgesteld. Vooruitlopend daarop is een participatieplan gemaakt. In het kader van de vaststelling van de gebiedsvisie Zuidoostflank heeft ook reeds participatie met de omgeving plaatsgevonden. De participatie ziet daarom vooral op de uitwerking van het plan en niet meer op het feit dat hier uitbreiding van het bedrijventerrein is voorzien. Dit ligt vast. Op 12 november 2025 heeft een informatiebijeenkomst plaatsgevonden op het gemeentehuis, waar het plan is gepresenteerd. Hiervoor waren zowel omwonenden, bedrijven en belangenorganisaties uitgenodigd. Er was gelegenheid om reactie te geven aan verschillende thematafels. Het
52/66
participatieverslag met een reactie op de ingebrachte onderwerpen is terug te vinden in bijlage 12. Tijdens een bijeenkomst van de omgevingstafel hebben de ketenpartners de gelegenheid gehad input te leveren. Het verslag van die bijeenkomst maakt deel uit van het participatieverslag in bijlage 12. Conclusie Met de ingebrachte input is zoveel als mogelijk rekening gehouden in de wijziging van het omgevingsplan. Op onderdelen is nog nader overleg nodig met diverse partijen. Dit overleg wordt de komende periode gevoerd. Voor de vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan wordt deze paragraaf nader aangevuld. Gelet op de noodzakelijke vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan in september wordt het ontwerp van de wijziging omgevingsplan wel alvast ter inzage gelegd.
53/66
Bijlagen
54/66
Bijlage 1 Stedenbouwkundig plan
55/66
klk
klk
ri
K
M
klk
DDD D
HD DD
klk
K
vb
D
vb
LMLD H MM M DDD DD MD
D ri
ri
MM
vb vb
LD
K
DL
MM
vb
K
vb
vb
vb
ri ri
ri
D
klk
P
klk
ri
ri ri
DDH
ri
K
LD
K
D
K
K
ri
H
bk
klk
5
M
ri
kast ri
H
K
ri
L
M M
DM
ri
bk
Ruigendijkweg
DDLT
klk
Ruigendijkweg
K
ri
ri
ri
hm
H
ri
K
vb
bk
M LD ML TM D M D D M ri
12
DL
MM
LD
DDLkast D
klk
ri
K
LD
D
M D
MM D
K
klk
MM H
M
D
bk DDMM
H
klk
klk
klk
LD
vb
D
raat
ri
vb
vb
vb
K H
Deltastraat
MM
K M
Deltast
K
ri
M
M
Gouwepoort
M
klk
L
MD
ri
vb
M
P PKK
8
2:T ri
ri
DD
18
ri klk
D
klk
M
T ri
vb
vb
MM
KK
klk
MM
12
MD D DL M
ri
K
K
K
vb
vb
ri
ri
M
K
K
K
M
bk DM bk
Gouwepoort
D
4
klk
H
vb
vb
ri
ri
ri
bk
M
L
H
vb
L
DD
DHD MDMD
K
D M
vb
klk
klk
20
K
K K
K
klk
ri
straat
D
H
LD M
M vb
Straalweg
4
ri
klk
ri
K
K
ri
D
D
vb
ri
M MM DD M H D DDL L M D M MM M DD DD DH D DDDD DD M M D
DD
vb
ri
Straal weg
klk
vb
je
DDDD
K
ri
klk
klk
raat
Weegje
H
12:T
Deltastraat
Weeg
ri
K
ri
klk
Deltast
Groene
ri
ri
H
DDD D
ri
ri
hm
L
K
D
ri
klk
Groene
vb
ri
D
D
bk
DMM MM
T
D
K
K
ri
ri
vb
vb
M
LD
D
K
klk
D
D
ri
PP
klk
T
hm
3
LD
K
6
8
klk
H D
M
K
ri
klk
klk
M
ri
bk
L
DD LM MM L D DD D DD MD D D D D
K
D
bk M
M
bk
ri
1
ri
21
ri
klk
T DD DD M DD
DDDD
ri
ri
klk
ri
L
ri
M DM MM
D
vb
klk
ri
L DD DD
K
K
ri
D
M
ri
MM M D M DDDD DD M
H
gas
HH DD D D D D
ri
MT kast
K
vb
vb
DD
vb
M
DDDD DD M
vb
vb
ri
vb
DDL DD
vb
K
DD
K
klk
ri
DD
DDM
vb
M
DD
DD D
K
MM M D MH
vb
klk
D
M DLD L DD
klk
M
K
K
klk
ri
D
Havenstraat
klk
klk
klk
P
M HL M L
ri
Havens traat
klk
ri
D
D
K
Roompotstraat
cai
14
klk
klk
vb
M DD DD D
klk
klk
L
D DD
klk
ri
DL
Roompo tstraat
klk
klk
ri
klk
ri
K
K
M DD
D
klk
MHM L M DDD kast D M DMMH
klk
L
M
ri
D
T 2-2/0005
klk
K
L
klk
D
vb
klk
klk
HHD D D
LDD
klk
klk
ri
D
klk vb
33
K
K
L
MMMM
31
klk
ri
ri
DD D M M M D M DM DD M M D D DD D M DMM D D
M
19
vb
L
ri
klk
klk
D D D DM
klk
klk
29 klk
DD DDD
klk
klk
klk
D
MMM M M MM
D
klk
klk
vb
klk
D
D
klk
klk
klk
klk
D
kast
LMDM LD
klk
M
klk
vb
M LM
ri
klk
M DDD DH D M DM DM M
K
vb
klk
DMM M
klk
klk
L
ri
DD
klk
vb
D
DD
K
vb klk
5
3
L
K
ri
27
TD D bk DD kast
M
D
P
ri
3
HH
Straalweg
K
L
K
28
klk
klk
26
K
D D
K
K
H de Val Weg naar
de Val
Weg naa r
K
K
D
K
K
K
D
K
K
HH M
K
klk
klk
klk
klk
klk
L
K
klk
K
HH
M M
K
H M D LD L D
g riewe Indust
30
klk
M K
32
klk
Deelgebieden
MM
Industrieweg
klk
K
klk
KL
K
M
klk
D
D
DD
P
LD
K H DD klk
klk
46
LL
K
K
hm
M
K
48:0001-48:0006
K
Ruigendijkweg
ri
Ruigendijkweg
klk
K
H
K
K
MD M L D
M
K
L
ri
ri
K
bk
ri
K
ri
ri
klk
ri
K MM
K
K
1a
klk
klk
H
ri
H
ri
klk
H
K
klk
klk
H
K L
7
ri
ri
ri
M M
eweg Industrieweg
Industri klk
K
ri
L
klk
L
H
H
ri
klk
9
D
Gouweveerseweg
Straal weg
DD
K
HDM M DL
K
13
K
hm
bk bk
ri
ri
Gouwev eersew eg
MDM M L
klk
klk
L D
H
H
K
ri
MM
klk
L L
ri
D
klk
D
D D
H
D
M
ri
ri
K
ri
L
klk
L D
ri
ri
M
ri
klk
T
H
L
ri
klk
H
K
klk
K
klk
klk
K
K
Industrieweg
M
triew eg
PDHM M
Indus
ri
klk
bk
K
ri
klk
klk
1
bk
klk
klk
L
ri
H
K
H
D
D L DD L
K
M ri
M
klk
DL
ML M M L
klk
klk
H
10
Representatieve bedrijven
Indust
ri
K MD L
klk
ri
klk
klk
36:0007
D
klk
klk
klk
T HL
klk
ri
elen
T
D
klk
klk
36/0016
Wand
K
klk
klk
(min.
2)
klk
Fiets
ri
DD
H
klk
36/0015
klk
klk
klk
36:0006
klk
M
ri
klk
klk klk
klk
(min. 1
D
ri klk
klk
ri
klk klk
ri
klk
klk
ri
klk
ri
klk klk klk
ri
klk
klk
klk
klk
klk
klk
klk klk klk
klk ri
Wand
elen
klk
klk
39:0002
(min.
3)
klk
klk
LDL
ri
klk
K klk
klk
klk
klk
M
klk
ri
K klk
klk
31
klk
eg
klk
M
et
klk
klk
klk
L
1
D
DD T
klk
klk klk
ri
29
K
lweg
klk
LM
klk
Technie
klk
D
Techniekweg
LLD
kweg
D
klk
klk
L
MM
T
Go
klk
Rooilijn
Fietspad
Bebouwing
Fietspad indicatief
Hoekaccent
Middengeleider
Kabels en leidingen strook
Perceel
Reservering toekomstige rijbaan
Gras
Bestaande boom
Gras op talud
Boom
Water
Ontsluiting van percelen (indicatief)
Perceelsgrens
Slagboom
MM
K
K
M H
KD
M
D
K K
DD D
K
K H
L
M
Verplichte gevellijn
Rijbaan
M
klk
klk
K ew ers Gouweveerseweg
eve
K K
klk
bk
K uw
klk
klk
klk
PD
klk
M
K
Lbk
D
K K
klk
klk
klk
MM
LD
K
klk
D
klk
MM hm
K
K
klk
klk klk
M
D
klk
klk
Legenda
D
D
klk
H
klk
K D PD LD K
klk
klk
M DD
klk
klk
D
klk
K
K
klk
D
K K
klk
M H
klk
K
K
klk
D
K
2
eg
M
klk
klk
M
K
Straa
Straalweg
K
K
M H
M
K
klk
klk
K
K
K
H
D
L MM D DD D
M
K
M
klk
klk
K
P klk
L
klk
14
D
K KD K K
M
MM
K
10
klk
klk
Groene entree Straalweg
8
M
D
K
K
hm
M H
MM
klk
K M
K
klk
Historische as, Meeldijk
M
Techniekweg
K klk
D
K
P D
kweg
K
klk
K
K
K
K
K
K
klk
Technie
klk
H
ri
K
triew Industrieweg
K
Indus
K
klk
klk
klk
D D
klk
MLDL
M
klk
ri
ri
MM
klk
klk
klk
K
K
Karrevelden
klk
DD
35
klk
klk
M L
klk
K
klk
ri
klk
klk
K
bk
37
M H
klk
K
K
klk
klk
L
klk
eg
Industrieweg
P
Indus triew
klk
M M L
klk
ri
K Gouwpoort/Landschappelijke dijk
K
klk
3)
K
K
Straa
M
ri klk
(max.
D D
ri
M
KDD P
klk
klk
M
klk
klk
fiets
H
klk
klk
D
DD
DD L
klk
Gouwepark hm
D
M
Straalweg
klk
klk
GV &
K
D
lweg
klk
MM
klk
K
)
klk
klk
Agrarisch bedrijf - toekomstig bedrijventerrein
K
klk
ri
(min. 1
K
klk
L
Fiets
K
klk
2) M
klk
(max.
L
M LM
klk
klk
M
fiets
H
klk
L
17
klk
K
K
K
klk
PDD
klk
21
klk
DD
D
36/0012
36/0011
36:0001
Maximale bouwhoogte van 10 meter (Oppervlakte: 131.054m2)
M
KL
klk
D
klk
klk
ri
klk
K
klk
klk
klk
36/0003
GV &
DD
K
36/0013
M
klk
MM
K
klk
36:0004
D
3
klk
ri
KV station
L
klk
ri
36:0014
Reguliere bedrijven
M
K
klk
hm
K
ri
)
T
T
klk
klk
K
Maximale bouwhoogte van 10 meter (Oppervlakte: 102.690m2)
K
HL D D
klk
klk
2)
K
g riewe
klk
iets ( max.
LL
K
M DDL D
klk
Industrieweg
36:0008
riewe g
Industrieweg
K
klk
Indust
K
ri
ri
klk
HH
klk
klk
DD
bkD
klk
klk
K
K
klk
klk
36:0009
K
Straa lweg Straalweg
36/0019
36:0017-36:0018
K
HD DM L L D klk
M
22
klk
klk
MM
GV & f
klk
ri
K
24
ri
klk
KL
K
ri
klk
D
klk
klk
klk
36:0010
D
klk
klk
36:0020
KK
P
klk
ri
K K
klk
ri
klk
M
ri
HH
M DD
klk
K
D
klk
klk
K
D
L L D
P
1
DD
H
hm
K
KMM
K K
K
H
K
K
D
klk
P
klk
klk
D
klk
Technie
klk
Techniekweg
kweg
klk
bk
L
klk
D
D
klk
klk
H
klk
MM
Straalweg
Str aa lw
ax. 1) H
klk
D
klk
K
PD K
klk
K
GV (m
eg
klk
K
DD L L D
D
klk
K K
K
K PD
D
klk
klk
T
M D
K
K
K
L
K K
D
PD DD
K
K
K
MM
21
K
KV station
H
23-23/0014
K K
K
23a-23a/0014
hm
KH
klk
K
K
K
K
Maximale bouwhoogte van 9 meter (Oppervlakte: 39.320m2)
klk
D
klk
K
D D D
klk
D M
D
LDbk
K
K
klk
D
L
klk
klk
K
K
K
D
K
Plangrens Gou
K
D
M
eers ew Gouweveerseweg
eg
K
K
weg
K
K
wev
Straalweg
Straal
K
D
H
L
80m
N
D
K
M D
D
K
Zierikzee Gemeente Schouwen-Duiveland
K
K
H
K
K
K
K
H
K
KMM
K
D
H
DD DL
60
Bedrijventerrein Zuidoostflank
MM
K PM D L K
40
K
hm
3
K
D D
K
K
H
K
hm
MM
K
Datum: Tekeningnummer: Papierformaat: Schaal:
K
DL
Stedenbouwkundig plan K
K
DL
DD
K
K
20
K
K
ri
0
K
D
M
K
DD
K
K
K K
K
K
K K
K
P MD L DD D K
hm
K
K
Omdat morgen mooier mag
M
H
D
MD
H
K
13-03-2026 001897_T1-11 A1 594x841mm 1:2000
Part of Sweco
Bijlage 2 Ontwikkelkader landschap
56/66
Ontwikkelkader Landschap Bedrijventerrein Zierikzee Zuidoost 25 maart 2026
we consult nature.
Ontwikkelkader Landschap Bedrijventerrein Zierikzee Zuidoost
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
3
2. Visie op hoofdlijnen
5
3. Ontwikkelkader landschappelijke schakels
10
4. Hoofdlijnen overige groene deelgebieden
22
5. Kansen voor verdere optimalisatie natuur
26
6. Dwarsprofielen
28
7. Informatiepagina
31
2
Ontwikkelkader Landschap Bedrijventerrein Zierikzee Zuidoost
1.
Inleiding
Gemeente Schouwen-Duiveland faciliteert de ontwikkeling
‘groene stroken’, ofwel onbebouwde openbare gebieden waar
groene en herkenbare openbare ruimte hoeft niet persé duur
van een bedrijventerrein ten zuiden van Zierikzee. De
diverse ondersteunende functies voor het bedrijventerrein
te zijn. De gemeente streeft voor het bedrijventerrein Zuid-
ontwikkeltijd van dit bedrijventerrein zal meer dan 10 jaar zijn;
een plek krijgen. Naast een aantrekkelijk ommetje voor de
oostflank naar een goede kwaliteit van de openbare ruimte,
het gebied groeit door de jaren heen richting een eindbeeld.
werknemers, moeten de groene ruimtes ook plaats bieden
waarin alle benodigde (neven)functies een plek hebben. Er
Het plan dat dit bedrijventerrein juridisch mogelijk maakt,
aan waterberging, kabels en leidingen, veiligheidszones,
zijn drie noord-zuid georiënteerde landschappelijke schakels
biedt ruimte voor nadere uitwerking van achtereenvolgende
beheerstroken, biodiversiteit enzovoort. Om al die functies
tussen stad en ommeland gedefinieerd, die fungeren als
deelgebieden, zodat ingespeeld kan worden op kansen en
op een kwalitatief hoogwaardige manier te combineren,
ruimtelijke kwaliteitsdragers voor de Zuidoostflank. Daarnaast
actuele ontwikkelingen in de markt. Deze vrijheid zorgt voor
is een integrale visie nodig met daaruit voortvloeiende
wordt er ook op enkele andere plekken openbare ruimte met
een groter belang van ruimtelijke kaders, zodat de gewenste
heldere kaders. Op die manier is de gemeente in staat
een groen karakter ontwikkeld.
ruimtelijke kwaliteit daadwerkelijk behaald kan worden.
om de vele raakvlakken goed te managen. Het gewenste eindbeeld wordt realistisch als in alle ontwikkelfases rekening
Het is belangrijk dat er in alle ontwikkelfases al sprake is van
Een ontwikkelkader voor de openbare ruimte is een
wordt gehouden met de integrale visie op het eindbeeld
ruimtelijke kwaliteit* en dat een deel van de functies van de
strategisch plan dat op hoofdlijnen de visie, uitgangspunten
en elke deelontwikkeling plaatsvindt binnen de uit de visie
groene openbare ruimte reeds vervuld worden.
en randvoorwaarden voor de herinrichting of ontwikkeling
voortkomende kaders. Zo kan bijvoorbeeld voorkomen
van het gebied of de gebieden vastlegt. Het bepaalt hoe de
worden dat er een leiding in de grond wordt gelegd, waardoor
*Wat verstaan we onder ruimtelijke kwaliteit?
omgeving wordt ingericht, wat haalbaar is en wat belangrijk
de op die plaats gewenste bomen onmogelijk worden
De integrale waarde van onze leefomgeving, balans tussen
is, en fungeert als toetsingskader voor stedenbouwkundige
gemaakt, of dat er te weinig ruimte voor water overblijft
tussen functionaliteit, belevingswaarde (esthetiek) en
en landschappelijke inrichtingsplannen. Het plan geeft een
waardoor wateroverlast bij de nieuwe bedrijven ontstaat.
duurzaamheid.
Ambitieniveau
Status
Het ambitieniveau is een ‘functioneel bedrijventerrein’, wat
Vanzelfsprekend gaat de groene inrichting van het
Integrale puzzel
betekent dat er in de exploitatie geen mogelijkheid is om heel
bedrijventerrein een ruimtelijke relatie aan met de bebouwing,
In het stedebouwkundig plan voor bedrijventerrein Zuid-
dure of bijzonder luxe onderdelen toe te passen, noch om
waarvan de kaders zijn vastgelegd in het Beeldkwaliteitsplan
oostflank Zierikzee is rekening gehouden met meerdere
jaarlijks heel intensief beheer te voeren. Maar een prettige,
Bedrijventerrein Zuidoost. De beide plannen zijn in onderlinge
richting aan voor de inrichting, in plaats van een gedetailleerd ontwerp.
3
Ontwikkelkader Landschap Bedrijventerrein Zierikzee Zuidoost
afstemming tot stand gekomen. Zij zijn complementair aan
•
Diverse mogelijkheden voor het lopen van lange en korte
ruimte worden aangestipt. Daarna komen in hoofdstuk 3 de
ommetjes in een aantrekkelijke groene omgeving.
landschappelijke schakels als afzonderlijke deelgebieden aan
Voldoende ruimte in de ondergrond voor benodigde
bod. Hier wordt ingegaan op hun landschappelijke essentie,
kabels en leidingen, zonder dat groeiende bomen en
karakteristieke elementen en dimensies en de kaders voor
struiken het functioneren kunnen belemmeren.
hun ontwikkeling. Dit zijn geen kant en klare ontwerpen, maar
•
Robuuste en toekomstbestendige beplantingen.
de wenselijke ontwikkelingsrichting voor elk deelgebied is hier
•
Leefgebied voor diverse algemeen voorkomende dier-
geschetst. In hoofdstuk 4 komen de ruimtelijke hoofdkeuzes
Een plek zoeken voor meerdere functies
en plantsoorten (passend bij de plek op de overgang
aan bod voor de overige groenstructuren in de Zuidoostflank
Hier volgt een opsomming van alles wat er in de openbare
tussen stad en agrarisch gebied), ook wel benoemd als
en in hoofdstuk 5 zijn enkele aanbevelingen opgenomen om
ruimte op het bedrijventerrein een plek moet krijgen en welke
biodiversiteit.
biodiversiteit te versterken. Hoofdstuk 6 tenslotte, omvat
Stroken vrij van houtige gewassen zodat het groenbeheer
de (minimale) afmetingen van de infrastructuur & groen-
met (zoveel mogelijk) standaard materieel kan
profielen, die moeten worden aangehouden bij verdere
plaatsvinden.
uitwerking van de plannen.
elkaar en zijn beiden van toepassing bij de ontwikkeling van bedrijventerrein Zierikzee Zuidoost.
•
Voorliggend landschappelijk kader is als bijlage opgenomen bij het Omgevingsplan bedrijventerrein Zierikzee Zuidoost.
functies de groenstructuur als geheel moet vervullen.
•
Belangrijke bijdrage aan de algehele ruimtelijke kwaliteit van de Zuidoostflank.
•
•
•
Verbeteren van het verblijfsklimaat door o.a. het bieden
Verbindende schakels tussen stad en ommeland en
van verkoeling tijdens hete dagen, het bijdragen aan
indien mogelijk een verrijking binnen de landschappelijk-
luchtzuivering en een goede bodemstructuur (die
ecologische structuur van de omgeving.
weer van belang is voor de opname van neerslag en
•
Oriëntatie en herkenning binnen het bedrijventerrein.
biodiversiteit).
•
Decor voor de representatieve bedrijven.
•
Aantrekkelijk en veilig kader voor doorfietsroute met
Leeswijzer
recreatief en functioneel karakter tussen Zeelandbrug en
In hoofdstuk 2 komt de visie op hoofdlijnen in beeld. Deze
binnenstad Zierikzee.
is gerelateerd aan een grotere landschappelijke context
Voldoende ruimte voor oppervlaktewater, inclusief de
en geeft richting aan een bij de plek passende inrichting.
opvang van water bij piekbuien.
Verschillende thema’s die belangrijk zijn voor de openbare
•
4
Ontwikkelkader Landschap Bedrijventerrein Zierikzee Zuidoost
2.
Visie op hoofdlijnen
De basis voor een prettig leefklimaat in het nieuwe
zones of langs smallere straten. Het vormt hierdoor een
tussen het ommeland en de stad. Ze zijn een scheg in het
bedrijventerrein ligt in het realiseren van een robuuste groene
eenheid, maar heeft ook verschillende deelgebieden met
stedelijk weefsel en worden ook wel de ‘Landschappelijke
openbare ruimte. Een aantrekkelijke omgeving met heldere
steeds een eigen nuances in karakter of sfeer (zie: Figuur
schakels’ genoemd (zie: Figuur 1.2 op pagina 7). Door
en herkenbare structuur die ruimte biedt aan de mens, flora
1.1 op pagina 5). Het karakter wordt mede bepaald door
groen- en water zoveel mogelijk te concentreren in de vier
en fauna. Door de biodiversiteit te bevorderen ontstaat er
de locatie, de historische context of de omgeving. Met de
Landschappelijke schakels, krijgen deze vier plekken een maat
een gezonde en klimaatadaptieve omgeving. Om te komen
inrichting wordt de ruimtelijke kwaliteit en het karakter van
waar landschappelijke en natuurlijke waarden daadwerkelijk
tot ruimtelijke kwaliteit moet rekening worden gehouden
elk element versterkt.
een kans krijgen. Robuuste groene ruimte kan tegen een
met veel verschillende thema’s en functies. In dit hoofdstuk
stootje en omvat vele (neven)functies. Elke Landschappelijke
worden de belangrijkste uitgangspunten per thema of functie
schakel krijgt een eigen herkenbaar karakter en speelt zijn
toegelicht.
eigen rol binnen het totale bedrijventerrein.
Locatie •
Overgangslandschap: Aan de rand van de historische stad met zicht op het open landschap.
•
Momenteel een agrarische functie met weinig diversiteit.
•
Nieuwe functies: Bedrijventerrein met grote bouwblokken en een hoogspanningsstation.
•
Vanzelfsprekende zichtlijnen over het open landschap verdwijnen. Daarom zoeken naar kansen om plaatselijk een zichtlijn vanuit de omgeving richting de stad, en andersom te realiseren in het ontwerp.
Figuur 1.1
Deelgebieden met eigen karakter
Er wordt ingezet op het ontwikkelen van drie ruimtelijk
Deelgebieden
krachtige structuurdragers. Deze noord-zuid verbindingen
De openbare ruimte is overal verbonden: via grote groene