CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

2025.470 Bijlage 5 Motivering omgevingsplanwijziging Kloosterweg 8 Noordgouwe & Dillingsweg Sirjansland (1518180)

Gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken19.384 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De beoogde functiewijziging naar een woonfunctie op een voormalige agrarische bedrijfslocatie en het in samenhang daarmee in beperkte mate uitbreiden van de aanwezige glasopstanden binnen het bouwvlak van een bestaand lokaal tuinbouwbedrijf, past binnen de omgevingskarakteristiek en is niet strijdig met de doelstellingen uit het cultuurhistorische beleid van provincie en gemeente.

Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

27

4.3

Akoestiek

De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van (geluidgevoelige) gebouwen. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn direct werkende regels opgenomen voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In paragraaf 22.3.4 van het omgevingsplan zijn regels opgenomen over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw welke wordt toegelaten door een omgevingsplan of door een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn de bijbehorende waarden vastgelegd (zie artikel 22.57 bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: -

Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);

-

Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidsbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente ter beoordeling van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Beoordeling Dillingsweg De planlocatie ligt buiten de begrenzing van de bebouwde kom in het buitengebied. Zowel een bedrijfswoning als een reguliere woning worden gezien als een geluidgevoelig object. Met het beoogde hergebruik van de bedrijfswoning als reguliere woonfunctie verandert de mate van geluidgevoeligheid van de woning niet.

Het gebruiken van een bedrijfswoning als reguliere woonfunctie, heeft geen invloed op de geluidbelasting op de gevel. Er zijn geen akoestische belemmeringen te verwachten voor de gebruikers van de woning. Beoordeling Kloosterweg In de uitgangssituatie is ter plaatse een lokaal glastuinbouwbedrijf aanwezig. Met de uitbreiding van bedrijfsbebouwing neemt de verkeersintensiteit ter plaatse niet sterk toe. De binnen het bedrijf werkzame arbeidskrachten worden binnen het perceel gehuisvest. Zie tevens paragraaf 4.5. Een glastuinbouwbedrijf is geen bedrijfstype met installaties waarvan een grote geluidsuitstraling uitgaat. Binnen het bedrijfsperceel staan een aantal condensorunits opgesteld waarvan enige geluidsuitstraling uitgaat. De beoogde uitbreiding vindt plaats op basis van de bestaande condensorunits. Tevens vinden er verkeersbewegingen plaats waarvan geluidsuitstraling uitgaat. Vóór de condensorunits worden tijdelijke wooneenheden voor werknemers opgesteld. Ten aanzien van de vergunningaanvraag voor deze wooneenheden is door Vliex Akoestiek BV in november 2024 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat ter hoogte van de wooneenheden een geluidsbelasting optreedt van maximaal 50 dB(A) etmaalwaarde. De condensorunits veroorzaken geen onevenredige geluidsuitstraling.

Eveneens worden de Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

28

standaardwaarden door wegverkeer ter hoogte van de wooneenheden niet overschreden. Ten aanzien van de vestiging van tijdelijke werknemers is reeds een separate planologische procedure gevolgd. De akoestische rapportage is opgenomen in bijlage 10. De laad-, en losactiviteiten van het bedrijf vinden ook in de nieuwe situatie plaats ter hoogte van de huidige inrit. Als gevolg van de extra glasopstanden zal het verkeer ter plaatse niet sterk toenemen (zie tevens paragraaf 4.5). De afstand tussen het laad- en losgedeelte en de woning aan de Kloosterweg 7 verandert niet als gevolg van de nieuwe situatie. Het terrein vóór de nieuwe glasopstanden wordt groen ingepast. De aanleg en instandhouding van deze landschapselementen wordt planologisch geborgd. In november 2025 is door Vliex Akoestiek BV de invloed van de beoogde uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf en de daarmee samenhangende verkeersbewegingen op het akoestisch woon-, en leefklimaat ter hoogte van de tijdelijke verblijfeenheden en op omliggende woningen berekend. Het gezamenlijk geluid van wegverkeer (Lden) op de gevels van de tijdelijke wooneenheden voldoet ook in de beoogde situatie aan de standaardwaarde.

De toename aan geluidbelasting (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau) door bedrijfsactiviteiten binnen het bedrijfsperceel op de gevels van omliggende woningen, waaronder de woning aan de Kloosterweg 7, als gevolg van de bedrijfsuitbreiding is minimaal en leidt niet tot een verslechtering van het woon-, en leefklimaat. Het maximale geluidniveau neemt slecht in beperkte mate toe. als gevolg van de beoogde bedrijfsuitbreiding is er geen sprake van een significante toename van geluid van wegen of bedrijfsactiviteiten. De rapportage is opgenomen in bijlage 12. Conclusie Wat betreft het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4

Flora en fauna

De Wet natuurbescherming (Wnb) is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet door middel van de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. De uitgangspunten van de Wet natuurbescherming waaronder het normenkader, de instrumenten en de verdeling van bevoegdheden zijn hierbij onveranderd gebleven. Op basis van het aanvullingsspoor natuur worden aan het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een beoordelingskader voor activiteiten toe die invloed kunnen hebben op Natura 2000-gebieden, beschermde flora en fauna en houtopstanden voor de beoordeling van vergunningaanvragen zijn in het Bkl beoordelingsregels opgenomen. Op basis van artikel 5.1 eerste lid van de Omgevingswet dienen projecten met mogelijk significante gevolgen voor een natuurgebied op voorhand worden getoetst. In de Omgevingswet is opgenomen dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een toename van stikstofdepositie op gevoelige natuur. Voor de formele toetsing aan de natuurwetgeving is de Provincie bevoegd gezag. Binnen de BOPA- onderbouwing dient wel gemotiveerd te worden dat er geen sprake is van een ‘evident onuitvoerbaar plan’. Bescherming natuurgebieden Ruimtelijke ontwikkelingen dienen in het kader van de bescherming van de Europese Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden aan te tonen dat ze geen significant negatieve effecten veroorzaken.

Deze plantoets geldt ook voor ruimtelijke ingrepen die plaatsvinden in de omgeving van een Natura 2000-gebied. Tevens dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen te worden onderzocht of er sprake is van een effect op het nationaal beschermde Natuur Netwerk Zeeland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

29

nieuwe natuurgebieden. Binnen het NNN zijn in principe geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die de kernkwaliteiten negatief kunnen beïnvloeden. Een uitzondering kan worden gemaakt voor ontwikkelingen waarvoor geen reëel alternatief bestaat en er sprake is van een groot openbaar belang. Voor dergelijke ontwikkelingen geldt de ‘nee- tenzij’ toets. Indien schade ontstaat, moet deze worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Bescherming soorten Een ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk te maken of er door het plan mogelijke negatieve effecten kunnen optreden op, in en om het plangebied aanwezige, beschermde soorten. Activiteiten die een schadelijk effect kunnen hebben op beschermde soorten zijn in principe verboden. In hoofdstuk 11 in het Bal zijn een viertal groepen handelingen aangewezen die mogelijk schadelijke gevolgen voor beschermde soorten kunnen hebben. Dit betreffen: 1. Handelingen die betrekking hebben op vogels en handelingen die op grond van de Vogelrichtlijn in beginsel zijn verboden; 2. Handelingen die betrekking hebben op andere dieren en planten van soorten die op grond van de Habitatrichtlijn in beginsel zijn verboden; 3. Handelingen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor niet-richtlijn soorten (‘nationale soorten’) en die niet onder het strikte soortenbeschermingsregime van de Habitatrichtlijn vallen; 4.

Enkele specifiek benoemde vergunningplichtige flora- en fauna-activiteiten, waaronder het uitzetten van dieren. Voor veel voorkomende handelingen waarvoor een gedragscode opgesteld is, geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. Door te handelen volgens de gedragscode kan worden verzekerd dat wezenlijke schade aan soorten wordt voorkomen. De goedgekeurde gedragscodes worden aangewezen in de Omgevingsregeling. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn beoordelingsregels opgenomen voor de vier categorieën aan flora- en fauna-activiteiten. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing. Schade aan flora en fauna dient, op basis van deze zorgplicht, in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen. De zorgplicht geldt met name ten aanzien van broedgevallen van alle vogelsoorten. Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen (van ongeveer maart tot half juli) leiden tot een overtreding. Waarbij wordt opgemerkt dat er geen vaste periode in het jaar voor het broedseizoen kan worden aangegeven. Zorgplicht Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing. Schade aan flora en fauna dient op basis van deze zorgplicht in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen.

Beoordeling Dillingsweg Het dichtstbijzijnde Natura 2000- gebied betreft het Vogel- en habitatrichtlijngebied de ‘Grevelingen’ op een afstand van circa 75 m ten noorden van de planlocatie. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient tevens te worden onderzocht of er sprake is van een effect op het nationaal beschermde Natuur Netwerk Zeeland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De ecologische verbindingszones in de omgeving (Natuurnetwerk Zeeland) vallen voor een groot deel samen met de dijkstructuren in het gebied. Het meest nabij gelegen onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland is de Noorddijk langs de Grevelingen op een afstand van circa 30 meter ten noorden van het plangebied. Deze gebieden zijn in de omgevingsverordening Zeeland aangemerkt als bestaande natuur. Beoordeling Kloosterweg Het dichtstbijzijnde Natura 2000- gebied betreft het Vogel- en habitatrichtlijngebied ‘Oosterschelde’ op een afstand van circa 4 km ten zuiden van de besluitlocatie. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient tevens te worden onderzocht of er sprake is van een effect op het nationaal beschermde Natuur Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

30

Netwerk Zeeland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De ecologische verbindingszones in de omgeving (Natuurnetwerk Zeeland) vallen voor een groot deel samen met de dijkstructuren in het gebied. Het meest nabij gelegen onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland zijn de houtopstanden in en om Schuddebeurs op een afstand van circa 300 meter ten zuiden van het besluitgebied en de dijkstructuur van de Schouwsedijk op een afstand van circa 1 kilometer ten westen van het besluitgebied. Deze gebieden zijn in de omgevingsverordening Zeeland aangemerkt als bestaande natuur. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen de kenmerken en natuurwaarden binnen natuurgebieden niet aantasten. Hiertoe behoren ook de toekomstige natuurdoelen en de samenhang tussen de verschillende natuurgebieden.

Figuur 13

Uitsnede Provinciale Omgevingsverordening: bestaande natuur Kloosterweg

Figuur 14

Uitsnede Provinciale Omgevingsverordening: bestaande natuur Dillingsweg

Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

31

Het beoogde gebruik van de bedrijfswoning aan de Dillingsweg als reguliere woonfunctie wordt gerealiseerd buiten de begrenzing van beschermde natuurgebieden. Het gebruiken van een agrarische bedrijfswoning als reguliere woonfunctie leidt niet tot een intensivering van het gebruik ter plaatse en heeft geen invloed op de inrichting of het functioneren van de natuurlijke waarden in de omgeving. In de beoogde situatie worden voor de lange termijn de bouwmogelijkheden van bedrijfsmatige activiteiten teruggebracht. Gezien de aard en de beperkte schaal van de ontwikkeling zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van onder meer versnippering, verstoring en licht- en geluidseffecten uitgesloten. Voor de beoogde uitbreiding aan de Kloosterweg is in oktober 2025 door S&W Bouwkundig Ingenieurs BV een stikstofdepositieberekening opgesteld. Uit de berekening blijkt dat er bij het gebruik van Adblue geen sprake is van stikstofdepositie op omliggende voor stikstof gevoelige, beschermde natuurgebieden. De rapportage is opgenomen in bijlage 5. De bijlagen bij de stikstofdepositieberekening zijn opgenomen in bijlage 5a en 5b. Binnen de bedrijfsvoering wordt geen gebruik gemaakt van teeltverlichting. De beoogde uitbreiding van bedrijfsbebouwing leidt niet tot extra lichtuitstraling naar natuurgebieden in de omgeving.

De beoogde uitbreiding wordt gerealiseerd buiten de begrenzing van beschermde natuurgebieden. Het projectgebied staat niet in directe verbinding met een natuurgebied. Het uitbreiden van glasopstanden van een bestaand glastuinbouwbedrijf leidt niet tot een sterke intensivering van het gebruik ter plaatse en heeft geen invloed op de inrichting of het functioneren van de natuurlijke waarden in de omgeving. De nieuwe bebouwing wordt landschappelijk ingepast door de aanleg van nieuwe afschermende beplanting en een grondwal. De aan te leggen beplanting is opgenomen in een landschappelijk inrichtingsplan. Deze is opgenomen in bijlage 3. Aanleg en instandhouding worden planologisch geborgd. Op basis van de aard en schaal van de ontwikkeling worden er geen effecten op beschermde soorten of gebieden verwacht. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van onder meer versnippering, verstoring en licht- en geluidseffecten zijn uitgesloten. Ten aller tijden geldt de algemene zorgplicht. Schade aan flora en fauna dient zoveel mogelijk voorkomen te worden. In het algemeen geldt dat de uitvoering van werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats dient te vinden (circa half maart tot circa half juli). Conclusie Er zijn op voorhand geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor beschermde soorten of natuurgebieden in de omgeving te verwachten.

Wat betreft het aspect flora en fauna is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5 De

Mobiliteit en parkeren

verkeersveiligheid

is

primair

geregeld

in

de

weg-

en

verkeerswetgeving

(o.a.

de

Wegenverkeerswet). Deze regeling maakt geen onderdeel uit van de Omgevingswet. De omgevingsvisie van de gemeente bevat een visie op verkeer en vervoer. Een uitbreiding aan bedrijfsmatige activiteiten leidt ook tot een toename aan verkeersbewegingen. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt daarom aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Hierin wordt ook de extra parkeerbehoefte in kaart gebracht. Een nieuwe activiteit mag niet tot verkeersoverlast of parkeeroverlast leiden. De gemeente SchouwenDuiveland heeft in 2018 het Parapluplan parkeernormen Schouwen- Duiveland vastgesteld. Middels het parapluplan is bij het vestigen van een nieuwe functie de parkeernormering uit de nota ‘Parkeerbeleid 2017-2020’ van toepassing. De Nota biedt voornamelijk actuele handvaten om de Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

32

verkeerssituatie in Zierikzee en de Westhoek te verbeteren. Voor alle overige ruimtelijke ontwikkelingen wordt in paragraaf 5.5 van de nota verwezen naar de landelijke CROW- richtlijnen (publicatie 317, inmiddels publicatie 381). Voor de hele gemeente wordt uitgegaan van een ‘weinig stedelijk gebied’ en voor de besluitlocatie geldt de gebiedstypering ‘buitengebied’. Op basis van bovenstaande nota dient bij een nieuwe ontwikkeling aangetoond te worden dat invulling gegeven kan worden aan de extra parkeervraag. Beoordeling Dillingsweg In de beoogde situatie wordt een agrarische bedrijfswoning hergebruikt voor reguliere woondoeleinden. Het dagelijks gebruik en de daarmee samenhangende verkeersbewegingen en parkeerbehoefte veranderen niet als gevolg van de functiewijziging. Op eigen perceel is voldoende ruimte voor het parkeren van 3 voertuigen. De planlocatie wordt ontsloten via de Dillingsweg. Dit is een lokale weg tussen Bruinisse en Sirjansland. De weg heeft een lokale ontsluitende functie en is verkeersluw. De Dillingsweg gaat in oostelijke richting over in de Hageweg en de Oudendijk richting Bruinisse. In westelijke richting gaat de weg over in de Noorddijk en de Zuiddijkweg richting Dreischor en Schuddebeurs. Met het in planologisch opzicht beëindigen van een deel van de bedrijfsmatige bouwmogelijkheden wordt het aantal verkeersbewegingen voor de lange termijn verminderd.

Beoordeling Kloosterweg Binnen het bedrijf zijn arbeidskrachten werkzaam die zijn gevestigd in een 12-tal verblijfseenheden binnen het bedrijfsperceel. Binnen het perceel zijn 24 parkeerplaatsen voor werknemers aangelegd. Zie tevens bijlage 3. Hiermee wordt binnen eigen perceel invulling gegeven aan de parkeerbehoefte. De locatie ligt buiten de verkeerskundige begrenzing van de bebouwde kom in het buitengebied. Het bedrijfsperceel wordt reeds ontsloten via een tweetal uitritten op de Kloosterweg. Dit blijft ook in de nieuwe situatie het geval. Dit is een provinciale weg tussen Schuddebeurs en Noordgouwe. De weg bestaat ter hoogte van het besluitgebied uit een geasfalteerde dubbele rijbaan met een gescheiden dubbelbaans fietspad gelegen aan de zijde van het besluitgebied. De Kloosterweg gaat in zuidelijke richting over in de Lange Blokweg richting Zierikzee. In noordelijke richting gaat de weg over in de Zuidweg richting Zonnemaire. Binnen het bedrijf zijn tijdelijke arbeidskrachten werkzaam die binnen het bedrijfsperceel zijn gevestigd. Er is geen sprake van dagelijks woon- werkverkeer van arbeidskrachten. Als gevolg van de extra glasopstanden zal het verkeer ter plaatse niet sterk toenemen.

In de beoogde situatie zullen naar verwachting circa 14 verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden waaronder 8 bewegingen als gevolg van licht verkeer en 6 bewegingen als gevolg van zwaar verkeer. De capaciteit van de aanliggende wegen kan het extra verkeer probleemloos verwerken.

Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

33

Figuur 15

Ontsluiting plangebied: Kloosterweg

Figuur 16

Ontsluiting plangebied: Dillingsweg

Conclusie De parkeerbehoefte wordt reeds op eigen terrein opgevangen. De verkeersbewegingen zijn minimaal en zijn goed inpasbaar in het heersende verkeersbeeld.

4.6

Luchtkwaliteit

Via de wet worden mensen tegen negatieve gevolgen van luchtverontreiniging beschermd. Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen moeten aan luchtkwaliteitsnormen voldoen. Binnen de kaders van de Omgevingswet werken Rijk, provincies en gemeenten samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren door middel van de gebiedsgerichte benadering van het Schone Lucht Akkoord (SLA). Met de aanpak wordt gestreefd naar een gezondheidswinst van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van het referentiejaar 2016. De partijen uit het Schone Lucht Akkoord werken toe naar het bereiken van de WHO-advieswaarden in 2030. Het SLA richt zich op de door de Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

34

Gezondheidsraad aanbevolen luchtverontreinigende stoffen zoals fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide. Het SLA richt zich hierdoor op een permanente verbetering van de luchtkwaliteit waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor 2030. De periodieke monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). De overheid monitort de luchtkwaliteit binnen aangewezen aandachtsgebieden. Van de aandachtsgebieden gaat een externe werking uit. Ook activiteiten die kunnen leiden tot een verhoging van de omgevingswaarden in aandachtsgebieden moeten worden beoordeeld. In dergelijke gebieden is sprake van een hogere concentratie aan stikstofdioxide (CO2) of fijnstof (PM10). Als de gemeente een activiteit toelaat met een verkeersaantrekkende werking of waarvoor beoordelingsregels staan opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), dan moet op basis van artikel 5.51 van het Bkl worden getoetst of deze voldoet aan de omgevingswaarden. De beoordelingsregels voor luchtkwaliteit zijn opgenomen in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor bepaalde projecten is vastgesteld dat deze Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging.

Wanneer een project minder dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) uitstoot, mag het zonder verdere toetsing aan de grenswaarden worden uitgevoerd. De 3% grens komt overeen met 1,2 µg/ m3 voor zowel PM10 als NO2. Beoordeling Dillingsweg Als gevolg van de beoogde planologische beëindiging van een deel van de glastuinbouwactiviteiten is er geen sprake van een negatief effect op de luchtkwaliteit ter plaatse. Er is geen sprake van een toename van het aantal dagelijkse verkeersbewegingen als gevolg van het gebruik van een bedrijfswoning als reguliere woonfunctie. Ter hoogte van de verblijfseenheden dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de monitoringstool van het CIMLK zijn geen gegevens opgenomen voor de gemeente Schouwen-Duiveland. De regio is niet aangemerkt als aandachtsgebied. Uit landelijke metingen zoals weergegeven in de Atlas Leefomgeving blijkt dat ter hoogte van het plangebied in het meetjaar 2023 de jaargemiddelde concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 met respectievelijk 9,4 mg/ m3, 13,5 mg/ m3 en 6,4 mg/ m3 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. De concentraties liggen dicht tegen de WHO-advieswaarde van respectievelijk 10, 15 en 5 microgram per kubieke meter lucht.

Beoordeling Kloosterweg Voor de locatie is door middel van de NIBM-tool via een eenvoudige berekening en op basis van een worstcasescenario inzichtelijk gemaakt wat het te verwachten effect op de luchtkwaliteit van de omgeving is. Uit de resultaten blijkt dat de verkeersbewegingen niet in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging. Uit landelijke metingen zoals weergegeven in de Atlas Leefomgeving blijkt dat ter hoogte van het besluitgebied in het meetjaar 2023 de jaargemiddelde concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 met respectievelijk 9,3 mg/ m3, 13,6 mg/ m3 en 6,4 mg/ m3 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. De concentraties liggen dicht tegen de WHOadvieswaarde van respectievelijk 10, 15 en 5 microgram per kubieke meter lucht.

Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

35

Tabel 1 Worstcase scenario op basis NIBM-tool

Conclusie De beoogde functiewijziging naar wonen en de beoogde uitbreiding van bedrijfsbebouwing leidt niet tot een overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en NO2. Voor de beoogde bewoners en gebruikers is sprake van een goed leefklimaat. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

4.7

Bedrijven en milieuzonering

Nieuwe activiteiten mogen geen belemmering vormen voor andere activiteiten in de omgeving. De instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl worden door de gemeente vertaald naar milieuwaarden en regels in het omgevingsplan. Om de invloed van een nieuwe activiteit op omliggende (milieugevoelige) functies te kunnen inschatten kan aansluiting gezocht worden bij de richtafstanden voor functiescheiding uit de VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ uit 2024. Deze handreiking vervangt de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In de nieuwe systematiek wordt geen gebruik meer gemaakt van richtafstanden, maar van milieugebruiksruimte van milieuhinderlijke activiteiten. Tabel 2: Richtafstandentabel VNG milieu-categorieën

Milieucategorie

Richtafstand in meters tot gevoelige bestemmingen Rustige woonwijk

Gemengd gebied

1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

In het geldende bestemmingsplan is een ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten’ opgenomen waarin op basis van de richtafstandentabel van de VNG voor een groot aantal bedrijfsactiviteiten binnen de gemeente de bijbehorende milieucategorie is vermeld. De bedrijfsactiviteiten die in de tabel worden genoemd, zijn toegestaan binnen de reikwijdte van het geldende omgevingsplan. Voor een aantal bedrijven zijn maatwerkaanduidingen opgenomen. In de uitgangssituatie is voor individuele bedrijven geen milieugebruiksruimte vastgelegd in het omgevingsplan. Deze richtafstanden geven een algemene indicatie van de te verwachten milieubelasting per bedrijfscategorie. De richtafstanden geven een indicatie van de milieubelasting. Indien aan de richtafstand kan worden voldaan, kan op voorhand worden aangenomen dat er geen onaanvaardbare milieuhinder zal optreden. De richtafstanden uit de VNG- handreiking zijn Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

36

gebaseerd op de omgevingskwaliteit die vergelijkbaar is met een rustige woonwijk. De indicatieve afstanden moeten worden aangehouden ten opzichte van de gevels van omliggende gevoelige objecten. In de te bepalen afstand wordt ook de maximale planologische ruimte meegenomen. Voor gevoelige functies in een gemengd gebied kan de richtafstand met één niveau worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Beoordeling Dillingsweg Het plangebied maakt onderdeel uit van het buitengebied van Sirjansland, ten noordwesten van het grootschalige verblijfsrecreatiegebied aan de Grevelingen tussen Bruinisse en Sirjansland. In de directe omgeving bevinden zich hoofdzakelijk grondgebonden agrarische bedrijven, glastuinbouwbedrijven, voormalige agrarische bedrijfswoningen en (woon)functies behorende bij de kern Sirjansland. Ten noorden van de besluitlocatie ligt het natuur-, en recreatiegebied de Grevelingen. Om de planlocatie liggen agrarische productiepercelen waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden ingezet. Het omgevingstype kan door de ligging in het agrarische buitengebied, worden aangemerkt als een rustig buitengebied met enige menging van functies.

In de beoogde situatie worden na het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten van het glastuinbouwbedrijf ook een deel van de planologische rechten voor het oprichten van glasopstanden van het perceel behorende bij de Dillingsweg 20 en 24 verwijderd. De bedrijfswoning wordt herbestemd als reguliere woning en krijgt de functie ‘Wonen’. In samenhang met het verwijderen van een deel van de bouwrechten voor glasopstanden, worden de kassen aan de Kloosterweg 8 in Noordgouwe evenredig uitgebreid. Er dient in het kader van een evenwichtige toedeling van functies ook in de beoogde situatie sprake te zijn van een acceptabel verblijfsklimaat voor de toekomstige gebruikers van de woning. Een woning betreft geen milieuhinderlijke activiteit. Wel is er sprake van een milieugevoelige activiteit waar omliggende bedrijfsmatige activiteiten rekening mee moeten houden. In de uitgangssituatie is reeds sprake van een milieugevoelige activiteit in de vorm van een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf. De milieugevoelige status van een bedrijfswoning voor bedrijfsactiviteiten van derden, verandert niet in de beoogde situatie. Iedere woning van derden betreft een milieugevoelig object. In de beoogde situatie blijft het dagelijks gebruik van de woning ongewijzigd. Ook blijft de woning een milieugevoelig object ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten van omliggende glastuinbouwbedrijven.

Ook in de beoogde situatie dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon-, en leefklimaat voor de bewoners. Tevens mogen omliggende bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsvoering. Een (glas)tuinbouwbedrijf wordt op basis van de richtafstandentabel van de VNG aangemerkt als een activiteit onder milieucategorie 2. Voor deze bedrijfsactiviteiten is een richtafstand van toepassing van 30 meter ten aanzien van het milieuaspect geluid, gemeten vanaf de bedrijfsgebouwen en op basis van de gebiedskenmerken van een rustige woonwijk. De richtafstanden vormen een indicatie van de te verwachten milieuhinder voor een gemiddelde bedrijfsvoering. De werkelijke situatie is leidend en kan afwijken van de richtafstanden. Tussen de glasopstanden en de bedrijfsactiviteiten behorende bij het naastgelegen bedrijf aan de Dillingsweg 24a en de gevel van de woning bestaat meer dan 30 meter afstand. Deze afstand is in principe voldoende om geluidsoverlast in de uitgangssituatie te voorkomen. De nieuwe planologische situatie mag niet leiden tot een verslechtering van het woon-, en leefklimaat. Een bedrijfswoning van derden is reeds een milieugevoelige functie en vormt reeds een belemmering voor de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende bedrijven.

De nieuwe planologische status van de bedrijfswoning als reguliere woning heeft geen aanvullende belemmerende werking voor de huidige omliggende bedrijfsactiviteiten. Ook in de beoogde situatie bestaat er voldoende afstand tussen de Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

37

gevel van de woning en omliggende bedrijfsmatige activiteiten om een aanvaardbaar woonklimaat te kunnen garanderen. In de beoogde situatie worden de gronden behorende bij het huidige glastuinbouwbedrijf aan de Dillingsweg 24 overgedragen aan derden. Bij het uitbreiden van het huidige areaal aan glasopstanden in de richting van de woning aan de Dillingsweg 24 zal voldoende afstand tot de woning aangehouden moeten worden om ook in de toekomstige situatie een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Beoordeling Kloosterweg Het projectgebied maakt onderdeel uit van het buitengebied van Noordgouwe en ligt in het kernrandgebied van het buurtschap Schuddebeurs. In de directe omgeving bevinden zich hoofdzakelijk grondgebonden agrarische bedrijven en (woon)functies behorende bij Schuddebeurs. Het omgevingstype kan door de ligging in het agrarische buitengebied, aan de regionale weg de Kloosterweg worden aangemerkt als een gemengd buitengebied. In de beoogde situatie wordt de vorm van een bestaand bouwvlak van een glastuinbouwbedrijf gewijzigd en wordt binnen het nieuwe bouwvlak nieuwe bedrijfsbebouwing mogelijk gemaakt. De nieuwe glasopstanden worden aansluitend aan de bestaande glasopstanden gerealiseerd. Als gevolg van de vormverandering van het bouwvlak neemt de netto oppervlakte niet toe.

Als gevolg van de nieuwe situering van het bouwvlak, neemt de afstand tussen de woonfuncties aan de Hanenweg en de bedrijfsbebouwing toe. Een (glas)tuinbouwbedrijf wordt op basis van de richtafstandentabel van de VNG aangemerkt als een activiteit onder milieucategorie 2. Voor deze bedrijfsactiviteiten is een richtafstand van toepassing van 10 meter ten aanzien van het milieuaspect geluid, gemeten vanaf de bedrijfsgebouwen en op basis van een gemengd gebied. In de directe omgeving van de planlocatie zijn een aantal woonfuncties gelegen. De meest nabij gelegen woning betreft de bedrijfswoning aan de Kloosterweg 7. Deze woning bevindt zich aan de overzijde van de Kloosterweg ter hoogte van de beoogde glasopstanden. Tussen de nieuwe glasopstanden en de gevel van de woning zal meer dan 80 meter afstand bestaan. In de beoogde situatie wordt voldaan aan de richtafstand voor milieuzonering ten opzichte van de woningen aan de Kloosterweg 7, 9 en 11. Binnen het bedrijfsterrein is in de huidige en in de beoogde situatie geen installatie aanwezig waarvan een grote geluiduitstraling uitgaat. De geluiduitstraling van de binnen het terrein aanwezige condensorunits is in 2024 berekend. De geluidsuitstraling als gevolg van de beoogde uitbreiding van bedrijfsactiviteiten is in november 2025 berekend. Deze geluiduitstraling is beperkt en leidt niet tot geluidhinder voor omliggende woningen.

Er is als gevolg van de uitbreiding van glasopstanden geen sprake van een grote toename van de geluidsuitstraling (zie tevens paragraaf 4.3). De ontwikkeling leidt niet tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. Gebruik van bestrijdingsmiddelen In de woning aan de Dillingsweg zullen mensen voor een langere periode verblijven. In de omgeving van het besluitgebied vindt grondgebonden agrarische productie plaats waarbij gebruik gemaakt wordt van bestrijdingsmiddelen. Op locaties waar mensen langdurig verblijven neemt de kans op blootstelling aan bestrijdingsmiddelen door drift toe. Drift (spuitnevel) neemt af naarmate de afstand toeneemt. Er is geen wettelijke bepaling op basis waarvan een minimum aan te houden afstand kan worden gebaseerd tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen of verblijfsrecreatie. De minimaal aan te houden afstand dient echter zorg te dragen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Op basis van vaste jurisprudentie wordt 50 meter afstand tussen gewas en gevoelige bestemming zonder gebruik van drift-reducerende technieken als een aanvaardbare richtafstand beschouwd. Indien een kortere afstand wordt gehanteerd dient hieraan Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

38

een deugdelijke motivering ten grondslag te liggen. Voor de planologische situatie dient uitgegaan te worden van het worstcasescenario. De woning binnen het plangebied is al in de uitgangssituatie als bedrijfswoning van derden aangemerkt als milieugevoelig object voor omliggende bedrijven. De woning wordt op basis van de geldende milieuwetgeving beschermd tegen drift van bestrijdingsmiddelen. Met het nieuwe gebruik als reguliere woning verandert de status van de woning als gevoelig object niet. Evenmin wordt de afstand tot omliggende productiepercelen korter. De afstand tussen omliggende agrarische percelen en de woning is minder dan de standaard afstand van 50 meter die in jurisprudentie als aanvaardbaar wordt beschouwd. De 50 meter richtafstand is gebaseerd op een worstcasescenario op basis van de meest toxische middelen en op basis van een opwaartse spuittechniek die vooral wordt ingezet binnen de fruitteelt. Op basis van de regels van het geldende omgevingsplan is het realiseren van fruitteelt binnen een afstand van 50 meter van woningen en verblijfsrecreatie aangemerkt als strijdig gebruik. De te verwachten drift bij een neerwaartse spuittechniek en de bijbehorende blootstelling door drift is aanzienlijk lager dan het worstcasescenario.

Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op aanliggende percelen werd in de uitgangssituatie al beperkt door de aanwezigheid van de agrarische bedrijfswoning en de voorschriften in het geldende bestemmingsplan. Spuitzonering vormt geen onevenredige belemmering voor het gebruik van omliggende agrarische percelen ten opzichte van de uitgangssituatie. Ter bescherming van het woon- en leefklimaat wordt op de perceelsgrens een groenblijvende haag van minimaal 3 meter breed en 2 meter hoog aangeplant. Met de haag kan drift afkomstig van omliggende percelen worden afgevangen. De aanleg en instandhouding van de haag worden geborgd in het omgevingsplan en op basis van een anterieure overeenkomst. Conclusie Gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot omliggende bedrijven, is nader onderzoek niet nodig. Aangenomen kan worden dat er voor de beoogde gebruikers sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en omliggende activiteiten niet worden belemmerd.

4.8

Omgevingsveiligheid

Het uitgangspunt van het externe veiligheidsbeleid is het ruimtelijk scheiden van risicobronnen en kwetsbare objecten. Bij nieuwe activiteiten dient de gemeente te beoordelen of er sprake is van een nieuwe risicobron of van een veiligheidsrisico ten opzichte van een bestaande risicobron. In afdeling 5.1.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen. In het omgevingsplan kan de gemeente ervoor kiezen om ruimte te reserveren voor aandachtsgebieden. Door middel van het aanwijzen van een aandachtsgebied, kunnen de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen worden begrensd. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die een risicobron vormen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen categorieën van activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen via het Basisnet, buisleidingen met gevaarlijke stoffen en windturbines. Ook zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor onder meer de volgende milieubelastende activiteiten uit het Bal: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk; -

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik; Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven;

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik. Het plaatsgebonden risico, afgekort met PR, geeft de kans aan dat iemand die zich een jaar lang onafgebroken en onbeschermd op een plek bevindt, overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR heeft geen relatie met de omgeving. Gemeenten dienen in het omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico op te nemen. De waarde van het plaatsgebonden risico Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

39

wordt ruimtelijke vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. Binnen de contour van het plaatsgebonden risico zijn geen nieuwe (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties toegestaan. De hoogte van het groepsrisico hangt af van de kans op een ongeval, het effect van het ongeval, het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft en de mate waarin personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het gebied waarin in het kader van een nieuwe activiteit een andere afweging van het groepsrisico dient te worden gemaakt is ruimtelijk weergegeven door het toekennen van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden gelden van rechtswege en worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Op basis van Bijlage VII onderdeel C zijn activiteiten opgenomen met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico. Voor een brandaandachtsgebied geldt een vaste risicoafstand van 30 meter, voor een explosieaandachtsgebied geldt een vaste risicoafstand 200m ten opzichte van weg. Beoordeling Kloosterweg Het gebruiken van bedrijfsbebouwing van een glastuinbouwbedrijf is geen risicovolle activiteit. De bedrijfsbebouwing betreft geen kwetsbaar object. Gebruikers zijn slechts gedurende een deel van de dag in de bebouwing aanwezig.

In de directe omgeving van het bedrijf bevinden zich volgens het Register Externe Veiligheid (Atlas Leefomgeving) geen buisleidingen waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt. De projectlocatie bevindt zich buiten de persoonsgebonden risicocontour PR 10-6 van wegen waarover frequent vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die zijn opgenomen in het Basisnet. De afstand van het besluitgebied tot de omliggende transportroutes voor gevaarlijke stoffen is voldoende groot. Volgens de Risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het besluitgebied geen andere inrichtingen met een extern veiligheidsrisico. In de omgeving van het besluitgebied bevinden zich een aantal inrichtingen met bovengrondse propaantanks waarvoor een veiligheidszone is vastgesteld. Voor de tanks geldt op basis van algemene regels een vaste veiligheidsafstand ten opzichte van het vulpunt, de tank en de opstelplaats voor de tankauto. De afstand ten opzichte van de besluitlocatie is voldoende groot. Met het uitbreiden van de bebouwing van een bestaand glastuinbouwbedrijf is sprake van een ontwikkeling met een beperkte invloed op de omgeving. Er is geen aanleiding om te verwachten dat de oriëntatiewaarde als gevolg van de ontwikkeling zal worden overschreden. De beoogde ontwikkeling zal geen invloed hebben op de hoogte van het groepsrisico.

Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

40

Figuur 17

Uitsnede Atlas leefomgeving: omliggende risicovolle activiteiten: Kloosterweg

Figuur 18

Uitsnede Atlas leefomgeving: omliggende risicovolle activiteiten: Dillingsweg

Beoordeling Dillingsweg Het hergebruiken van een bedrijfswoning voor reguliere woondoeleinden is geen risicovolle activiteit. Een woonfunctie kan worden aangemerkt als een kwetsbaar object. In de directe omgeving van het bedrijf bevinden zich volgens het Register Externe Veiligheid (Atlas Leefomgeving) geen buisleidingen waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt. De planlocatie bevindt zich buiten de persoonsgebonden risicocontour PR 10-6 van wegen waarover frequent vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die zijn opgenomen in het Basisnet. De afstand van het plangebied tot de omliggende transportroutes voor gevaarlijke stoffen is voldoende groot. Volgens de Risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen andere inrichtingen met een extern veiligheidsrisico.

Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

41

In de omgeving van het plangebied bevinden zich een aantal inrichtingen met bovengrondse propaantanks waarvoor een veiligheidszone is vastgesteld. Voor de tanks geldt op basis van algemene regels een vaste veiligheidsafstand ten opzichte van het vulpunt, de tank en de opstelplaats voor de tankauto. De afstand ten opzichte van de planlocatie is voldoende groot. Met het hergebruiken van een bedrijfswoning voor reguliere woondoeleinden is sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Er is geen aanleiding om te verwachten dat de oriëntatiewaarde als gevolg van de ontwikkeling zal worden overschreden. De beoogde ontwikkeling zal geen invloed hebben op de hoogte van het groepsrisico. Brandveiligheid De gemeente stemt bij ruimtelijke ontwikkelingen een aantal brandveiligheidsaspecten vroegtijdig af met de Veiligheidsregio. De brandveiligheidsaspecten betreffen met name de bereikbaarheid door de brandweer via de openbare weg, de brandweerzorgnorm, de primaire bluswatervoorziening op de openbare weg en de secundaire bluswatervoorziening. Ten aanzien van het gebruik van de bedrijfsbebouwing aan de Kloosterweg en de woonfunctie aan de Dillingsweg kan worden volstaan met het standaard advies waarbij de mate van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wordt beschouwd. Binnen het terrein van zullen op basis van de geldende regelgeving voldoende blusmiddelen en rookmelders aanwezig zijn.

De beoogde bedrijfsbebouwing en de beoogde woonfunctie zullen voldoen aan alle actuele veiligheidsvoorschriften. In de bebouwing worden blusvoorzieningen geïnstalleerd en zijn brandwerende voorzieningen getroffen conform de geldende regelgeving. Gebruikers en bewoners kunnen als voldoende zelfredzaam worden gezien om in geval van een calamiteit de bebouwing zelfstandig te kunnen verlaten. Het besluitgebied is in geval van een calamiteit bereikbaar voor hulpdiensten via de aanliggende wegen. Over het beoogde gebruik en de beschikbaarheid van voldoende bluswater wordt aanvullend advies van de veiligheidsregio gevraagd. Hiermee is de veiligheid van de nieuwe gebruikers voldoende gewaarborgd. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik. De afstand tot objecten waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt, is voldoende groot. Voor de beoordeling van de beschikbaarheid van voldoende bluswater en de aanrijtijd voor hulpdiensten wordt aanvullend advies gevraagd aan de veiligheidsregio.

4.9

Water

4.9.1

Toetsingskader

Onder de Omgevingswet krijgt elk waterschap van rechtswege een Waterschapsverordening. In het tijdelijke deel van de Waterschapsverordening staat onder meer de regels uit de Legger over de beschermingszones van waterstaatswerken, regels uit de Keur en de aansluitverordening (artikel 4.7 invoeringswet). De regels over onderhoud vallen niet onder de Waterschapsverordening, maar blijven op basis van de Waterschapswet gelden. In artikel 5.37 Bkl is opgenomen dat er in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersysteem. Naast de specifieke regels in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem, zijn ook de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening en de Waterschapsverordening van toepassing. In artikel 5.38 tot n met 5.49 Bkl zijn rijksregels opgenomen met betrekking tot: Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; Het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

42

-

Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

De gemeente heeft beleidsvrijheid in het invullen van de watertoets. De omgevingswaarden met een provinciaal belang zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. De provincie coördineert de gebiedsgerichte uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen (artikel 2.18 lid 1a Omgevingswet). In het regionale waterprogramma kan de provincie aangeven welke gebieden kwetsbaar zijn voor wateroverlast en welke maatregelen nodig zijn om wateroverlast te voorkomen. In de omgevingsverordening staan omgevingswaarden voor de veiligheid van aangewezen waterkeringen en de gemiddelde overstromingskans per jaar bij aangewezen gebieden met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren berekend moeten zijn (2.13 Omgevingswet). Gemeenten kunnen in het omgevingsplan eigen omgevingswaarden vaststellen op basis van de Omgevingsvisie door middel van een uitvoeringsgericht programma. In dit geval dient bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook aan deze waarden te worden getoetst. Onder deze regels vallen onder meer regels over watercompensatie voor een toename aan verhard oppervlak en een rioleringsprogramma. 4.9.2 Belangen Waterschap Het besluitgebied bevindt zich binnen het beheergebied van het Waterschap Scheldestromen.

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vertaalt de wet- en regelgeving naar concrete beleidsdoelstellingen voor het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewatersysteem en de afvalwaterketen. In het waterbeheerprogramma wordt invulling gegeven aan de ambities uit de Visie Waterbeheer 2050. Met het programma wordt tevens invulling gegeven aan de doelstellingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn water (KRW) wat betreft het bereiken van een Goed Ecologisch potentieel. Hoofddoelstellingen voor het duurzaam omgaan met water zijn: • Waarborgen van waterveiligheid; • Zorgen voor mooi en schoon water; • Beperken van de effecten van klimaatverandering/ klimaatadaptatie; • Bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving; • Verduurzaming van het watergebruik; • Onderhoud van waterschapswegen. Het waterschap toetst in het kader van het vooroverleg of het plan past binnen de waterdoelstellingen. Op basis van de Waterschapsverordening wordt bepaald of er voor bouwwerken of activiteiten een watervergunning noodzakelijk is. Ook wordt er binnen de Waterschapsverordening aangegeven voor welke ontwikkelingen er binnen een beschermingszone kan worden voldaan aan algemene regels waardoor er geen watervergunning aangevraagd hoeft te worden.

Veiligheid waterkeringen Ten noorden van het perceel aan de Dillingsweg bevindt zich volgens de Waterschapsverordening een primaire waterkering met een bijbehorende beschermingszone. De woning bevindt zich binnen de begrenzing van de beschermingszone B van de waterkering. Deze buitenbeschermingszone heeft hoofdzakelijk een attentiefunctie en beschermt de dijkstructuur tegen grootschalige grondbewerkingen. Het beoogde hergebruik van de bedrijfswoning voor reguliere woondoeleinden vindt plaats binnen bestaande bebouwing en heeft geen effect op de waterveiligheid. Ter hoogte van de planlocatie aan de Kloosterweg is op basis van de Waterschapsverordening geen beschermingszone van een waterkering aanwezig. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid.

Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

43

Voorkomen van overlast door oppervlaktewater Volgens de Waterschapsverordening bevindt zich aan de noordoostzijde van het perceel aan de Dillingsweg een kavelsloot met een secundair belang voor het watersysteem. Voor de watergang is een beperkingengebied van 5 meter ten opzichte van de insteek van de watergang van toepassing. Ten noordwesten van de woning bevindt zich een watergang met een tertiair belang voor het watersysteem met eveneens een beperkingengebied van 5 meter. Op basis van de Waterschapsverordening van Waterschap Scheldestromen zijn binnen het werkingsgebied van de watergang en het bijbehorende beperkingengebied aanvullende regels van toepassing voor onder meer het dempen, versmallen of verondiepen van een waterlichaam en voor het ophogen of gedeeltelijk ophogen van een bergingsgebied. De beoogde ontwikkeling vindt plaats op basis van bestaande bebouwing. De woning bevindt zich op voldoende afstand van de watergangen en de bijbehorende beperkingengebieden. Het beoogde gebruik heeft geen invloed op de werking of het onderhoud van de watergangen. Er verdwijnt geen open water door de ontwikkeling. Ter hoogte van de planlocatie aan de Kloosterweg zijn parallel aan de Kloosterweg kavelsloten aanwezig met een secundair belang voor het watersysteem.

De beoogde bebouwing wordt buiten de beschermingszone van de watergangen gerealiseerd en heeft geen invloed op de werking van het watersysteem of op het onderhoud van de watergangen. Voorkomen van overlast door hemel- en afvalwater Binnen het plangebied aan de Dillingsweg 20 en 24 is in de uitgangssituatie een bedrijfswoning bij een voormalig glastuinbouwbedrijf aanwezig, welke sinds het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten in de praktijk wordt gebruikt als reguliere woning. De glasopstanden en ondersteunende voorzieningen van het glastuinbouwbedrijf zijn reeds gesloopt. De gronden aan de Dillingsweg 20 blijven in de toekomst in agrarisch gebruik ten behoeve van glastuinbouwactiviteiten. In de beoogde situatie wordt de planologische regeling aangepast conform het huidige feitelijke gebruik. De bebouwingsoppervlakte en het netto areaal verhard oppervlak nemen als gevolg van de nieuwe ontwikkeling niet toe ten opzichte van de bestaande situatie. Als gevolg van de nieuwe planologische regeling kan een oppervlakte van 13.905 m2 van het planologisch toegestane areaal aan glasopstanden ook in de toekomst niet meer worden opgericht. De bouwrechten voor het oprichten van glasopstanden worden overgedragen naar de bedrijfslocatie aan de Kloosterweg 8, zodat het areaal glasopstanden binnen dit perceel met circa 9.152 m2 kan uitbreiden.

Als gevolg van de beoogde functiewijziging wordt er geen open water gedempt. In de huidige situatie infiltreert het overtollige hemelwater ter plaatse of vloeit het af naar de kavelsloten aangrenzend aan het perceel. In de directe omgeving van de planlocatie is geen gemeentelijk riool aanwezig. Huishoudelijk afvalwater afkomstig van de bestaande woning aan de Dillingsweg wordt verwerkt op basis van een IBA. Dit blijft in de beoogde situatie onveranderd. Hergebruik van hemelwater ter plaatse is in beperkte mate mogelijk door middel van de opvang van hemelwater in regentonnen. Er is sprake van een hydrologisch positieve ontwikkeling. Ten aanzien van de realisatie van glasopstanden aan de Kloosterweg heeft afstemming plaatsgevonden met het waterschap. Ook voor de locatie aan de Kloosterweg geldt dat er geen sprake is van een onevenredige invloed op het watersysteem. Het overtollige hemelwater wordt opgevangen in silo’s. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Zie tevens onder 4.9.3. Grondwaterkwantiteit en verdroging De planlocatie aan de Kloosterweg is gelegen binnen gebied dat kwetsbaar is voor verdroging. Er is in de nieuwe situatie geen sprake van het onttrekken van grondwater. De bestaande bebouwing is reeds aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Het overtollige regenwater infiltreert of stroomt af Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

44

zoals in de bestaande situatie het geval is. Er is geen sprake van een activiteit met potentiële effecten op het grondwater. Grondwaterkwaliteit De planlocatie aan de Kloosterweg is gelegen binnen gebied met zoet water in de ondergrond. Er is geen sprake van grondwaterontrekking als gevolg van de ontwikkeling. Het nieuwe gebruik heeft geen effect op de grondwaterkwaliteit ter plaatse. Oppervlaktewaterkwaliteit De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit. Volksgezondheid De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de volksgezondheid. Bodemdaling Als gevolg van de ontwikkeling vindt er geen wijziging plaats van het waterpeil. Het plan heeft geen bodemdaling tot gevolg. Natte natuur Er zijn geen effecten op natte natuur als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Onderhoud oppervlaktewater In de omgeving van de Kloosterweg en de Dillingsweg bevinden zich watergangen die worden beschermd op grond van de Waterschapsverordening. De watergang aan de noordzijde van het perceel aan de Dillingsweg betreft een B-watergang met een secundair belang en een C- watergang met een tertiair belang voor het watersysteem. Langs de Kloosterweg bevindt zich een B- watergang met een secundair belang voor het watersysteem. Het onderhoud van de watergangen wordt uitgevoerd door de eigenaren van de aangrenzende percelen.

De leggerwatergangen hebben een beschermingszone van 5 meter gemeten vanaf de insteek. De bestaande woning en de nieuw op te richten bedrijfsbebouwing bevinden zich buiten de beschermingszones. Het beoogde gebruik heeft geen effecten op de onderhoudswerkzaamheden voor de in de Waterschapsverordening opgenomen kavelsloten. Ter hoogte van het plangebied is in de Waterverordening een beschermingszone voor een gemaal aanwezig. De beoogde glasopstanden worden voor een gedeelte binnen deze beschermingszone aangelegd. Voor de aanleg van bouwwerken binnen de beschermingszone van een gemaal is een watervergunningaanvraag noodzakelijk. Ook na realisatie van de beoogde glasopstanden blijft het gemaal voor periodiek onderhoud goed bereikbaar met groot materieel. De beoogde ontwikkeling heeft geen onevenredige invloed op de werking van of op het onderhoud aan het gemaal. Belangen waterbeheerder De planlocatie aan de Dillingsweg in Sirjansland wordt ontsloten via de Dillingsweg. Deze weg is in beheer bij het waterschap. Het voortzetten van het gebruik van een bedrijfswoning als reguliere woonfunctie heeft geen grote verkeersaantrekkende werking. Als gevolg van het planologisch beëindigen van de activiteiten van een glastuinbouwbedrijf neemt de milieubelasting ter plaatse, waaronder de bedrijfsmatige verkeersbewegingen voor de lange termijn af.

Als gevolg van de realisatie van nieuwe glasopstanden aan de Kloosterweg neemt het aantal verkeersbewegingen in beperkte mate toe. De regionale weg de Kloosterweg is niet in beheer bij het waterschap. Zie tevens paragraaf 4.5.

Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

45

De beoogde situatie leidt niet tot een onevenredige toename van verkeersbewegingen over waterschapswegen. Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen effecten op de werking van omliggende objecten, terreinen of (vaar) wegen die voor het waterbeheer van belang zijn.

Figuur 19

Uitsnede Werkingsgebieden Waterschapsverordening 2025: Wateren Dillingsweg (bron:

Waterschap Scheldestromen)

Figuur 20

Uitsnede Werkingsgebieden Waterschapsverordening 2025: Waterkeringen Dillingsweg (bron:

Waterschap Scheldestromen)

Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

46

Figuur 21

Uitsnede Werkingsgebieden Waterschapsverordening 2025: Wateren Kloosterweg (bron:

Waterschap Scheldestromen)

Figuur 22

Uitsnede Werkingsgebieden Waterschapsverordening 2025: Kloosterweg (bron: Waterschap

Scheldestromen)

4.9.3

Overige waterbelangen

De gemeente is in principe verantwoordelijk voor de omgang met hemelwater, maar legt wel meer verantwoordelijkheid bij de perceeleigenaar. Pas wanneer men zich niet redelijkerwijs van het hemelwater kan ontdoen is de gemeente gehouden aan het treffen van maatregelen. De gemeente zal beoordelen wat zij in dit verband redelijkerwijs van de perceeleigenaar mag vragen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de gewenste voorkeursvolgorde voor de omgang met hemelwater. Afstromend schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk vertraagd zodat het ter plaatse kan infiltreren in de bodem en daarmee in perioden van droogte een buffer vormt. Voor de afvoer van hemelwater geldt de trits: schoonhouden, scheiden en zuiveren (waterkwaliteit) en vasthouden, bergen en afvoeren (waterkwantiteit). In de uitgangssituatie is aan de Dillingsweg 24 een bedrijfswoning aanwezig welke, na het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten ter plaatse, in de praktijk in gebruik is als een reguliere woning. In de beoogde situatie wordt de planologische regeling in overeenstemming gebracht met het huidige gebruik. Het areaal aan verhard oppervlak is in de beoogde situatie gelijk aan de uitgangssituatie.

Op basis van de nieuwe regeling worden de bouwrechten voor het oprichten van bedrijfsmatige bebouwing, waaronder glasopstanden, voor de lange termijn van het perceel Motivering – Kloosterweg 8 Noordgouwe en Dillingsweg 20 en 24 Sirjansland

47

verwijderd. De bebouwingsoppervlakte en het netto areaal verhard oppervlak nemen niet toe als gevolg van het nieuwe gebruik. In de huidige situatie infiltreert het hemelwater ter plaatse. Het overtollige hemelwater vloeit af naar de kavelsloten aan de noordzijde van het perceel. Hergebruik van hemelwater ter plaatse is in beperkte mate mogelijk door middel van de opvang van hemelwater als gietwater in regentonnen. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Ter compensatie van de beoogde toename van het oppervlak aan bebouwing aan de Kloosterweg wordt compenserende waterberging gerealiseerd. Ook op de locatie aan de Kloosterweg zal geen sprake zijn van onevenredige gevolgen voor het watersysteem. Over de beoogde watercompensatie aan de Kloosterweg heeft in november 2023 reeds afstemming plaatsgevonden met het waterschap. Zie tevens bijlage 7. Het concept omgevingsplan zal in het kader van het vooroverleg ter beoordeling worden voorgelegd aan het waterschap. Conclusie Het beoogde hergebruik van een bedrijfswoning als reguliere woonfunctie, het verplaatsen van kasrechten en het in samenhang hiermee uitbreiden van glasopstanden binnen een bouwvlak heeft geen effecten op de waterhuishouding. De ontwikkeling heeft geen invloed op de omliggende watergangen of het watersysteem ter plaatse. Er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.

Ten aanzien van de realisatie van bebouwing binnen de beschermingszone van een gemaal wordt een watervergunning aangevraagd. De beoogde ontwikkeling is inpasbaar binnen de waterdoelstellingen. De voor de ontwikkeling uitgevoerde watertoets is voor advies voorgelegd aan Waterschap Scheldestromen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16409333/1