2025.436 Bijlage 2 Investeringsplan Stedin 2026 (1633412)
Tekst van het document
Wanneer verschillende projecten in dezelfde risicocategorie vallen met een gelijke opleverdatum geeft de pMIEK-status de doorslag.
4.2.5. pMIEK 2.0 algemene bevindingen Alle provincies binnen ons verzorgingsgebied hebben een pMIEK opgesteld. Landelijk verschilt de invulling hiervan sterk per provincie. Sommige provincies richten zich met name op uitbreidingen van bestaande stations, terwijl andere juist de nadruk leggen op nieuwe infrastructuur, zoals nieuwbouw van stations of tracés. De pMIEK’s bevatten zowel concrete projecten die zich in de planuitwerkings- of realisatiefase bevinden als verkenningen waarin de exacte locatie of energievraag nog niet is uitgewerkt. Alleen de projecten die zich in de planuitwerkings- of realisatiefase bevinden, wegen we mee in de prioritering. De doorslag van pMIEK projecten is gelijk aan de methodiek uit pMIEK 1.0. Over de minder ver uitgewerkte projecten blijven we in nauw overleg met provincies, om te zorgen dat deze in toekomstige planrondes voldoende concreet kunnen worden uitgewerkt. Zo kunnen we ze dan alsnog meenemen.
26 Prioritering en maakbaarheid
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
Wij zijn positief over de verbeteringen in het prioriteren van investeringsprojecten ten opzichte van het pMIEK 1.0; in alle provincies is het aantal pMIEK-projecten nu bewust beperkt.
4.2.6. nMIEK Naast pMIEK-projecten zijn er ook nationale MIEK-projecten. Deze nMIEK-projecten betreffen onder andere projecten ten behoeve van de verduurzaming van de grote industrieclusters, zoals de Rotterdamse haven en de Zeeuwse industrieclusters rondom Vlissingen en Terneuzen. Iedere twee jaar wordt er voor deze clusters een CES (Cluster Energie Strategie) opgesteld, waarin infrastructuurprojecten worden voorgedragen voor de nMIEK-status. Tot 2024 werd de nMIEK-status alleen toegekend aan projecten van landelijke netbeheerders. In het eindrapport CES 3.0 voor het industriecluster Rotterdam-Moerdijk (september 2024) is geadviseerd om in het nMIEKproject “verzwaring elektriciteitsnet Rotterdam” ook projecten van Stedin op te nemen. Belangrijkste reden is dat alleen het opnemen van TenneT- en Gasunieprojecten onvoldoende is om de verduurzaming van de industrie in het gebied volledig te faciliteren. Dit voorstel is in eerste instantie niet door de stuurgroep MIEK overgenomen (april 2025), waarna Stedin een voorstel heeft gedaan alsnog de voorgestelde Stedin-projecten de nMIEK-status te geven. Eind september 2025 is dit voorstel door de stuurgroep MIEK overgenomen. Vanwege de timing van de uiteindelijke beslissing hebben we de nMIEK-status van deze projecten niet meegenomen in de priortering van dit IP-proces.
4.3. Maakbaarheid van het werkpakket Het prioriteren van investeringen zegt vooral iets over de volgorde waarin we projecten uitvoeren. De prioritering beantwoordt nog niet de vraag of er voldoende capaciteit en middelen beschikbaar zijn om het volledige werkpakket daadwerkelijk uit te voeren. Maakbaarheid gaat over de vertaalslag van strategische prioriteiten naar een werkpakket dat binnen de bestaande mogelijkheden uitvoerbaar is. Daarbij zetten we de totale investeringsvraag af tegen het beschikbare aanbod. Dit aanbod omvat interne en externe arbeidscapaciteit en materialen. Waar relevant gaat het ook om beschikbaarheid van fysieke ruimte, beschikbaarheid van ruimte op het hoogspanningsnet van TenneT. Omdat de totale vraag het beschikbare aanbod overstijgt, is het noodzakelijk om keuzes te maken over welke werkzaamheden we uitvoeren en welke we uitstellen. Deze afweging vindt plaats via een gestructureerde analyse, waarin we vraag en aanbod systematisch vergelijken en optimaliseren. Daarbij kijken we ook naar onderlinge afhankelijkheden tussen investeringen en naar de verdeling van gedeelde capaciteit. Het resultaat van dit proces is het maakbare investeringsportfolio: een realistisch werkpakket voor de komende jaren, waarin strategische keuzes en praktische uitvoerbaarheid in balans zijn.
In het volgende onderdeel ‘Systematiek voor het bepalen van de maakbaarheid’ gaan we dieper in op de wijze waarop we onze analyse maken.
4.3.1. Systematiek voor het bepalen van de maakbaarheid Het bepalen van de maakbaarheid van het ongelimiteerde investeringsportfolio verloopt in verschillende stappen. Samen zorgen die voor een realistische vertaling van strategische keuzes naar een uitvoerbaar en maakbaar werkpakket. Stap 1: Vaststellen van de maakbaarheid per spanningsniveau De verwachte investeringsbehoefte toetsen we per type investering en spanningsniveau aan het actuele aanbod. Door deze vergelijking maken we zichtbaar welk deel van het werkpakket binnen de huidige uitvoeringsmogelijkheden past en waar tekorten ontstaan. Bijvoorbeeld door beperkte beschikbaarheid van gespecialiseerd personeel. De uitkomsten per spanningsniveau en type werkzaamheden brengen we samen in een overzicht. Dit overzicht laat zien welk deel van het totale werkpakket maakbaar is en welk deel niet. Waar mogelijk laten we dit zien in de vorm van concrete projecten en anders in euro’s.
Prioritering en maakbaarheid
27
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
Stap 2: Prioriteren en herverdelen van kritische resources In deze fase onderzoeken we of we nog effectiever gebruik kunnen maken van kritische resources door ze uit te wisselen over spanningsniveaus heen. Aan de hand van de inzichten uit stap 1 maken we strategische keuzes om schaarse middelen, zoals gespecialiseerd personeel of specifieke materialen, slim in te zetten. Waar mogelijk en nuttig kiezen we voor een herverdeling van deze schaarse resources, op basis van de in dit hoofdstuk toegelichte prioriteringssystematiek. Het herverdelen van resources is complex. Zo kan een monteur die LS-werkzaamheden uitvoert bijvoorbeeld niet zomaar aan de slag op de spanningsniveaus MS en HS. Daarnaast is een medewerker die in Zeeland werkt minder makkelijk in te zetten bij werkzaamheden in de regio Utrecht dan een medewerker die daar in de buurt woont. Ook speelt de afweging tussen korte en lange termijn een belangrijke rol bij het maken van keuzes. Als we op korte termijn tekorten verwachten op het LSspanningsniveau, zouden we de hoeveelheid opleidingsuren van LS-medewerkers kunnen verminderen. Op die manier zijn er op korte termijn meer productieve uren beschikbaar om het werk uit te voeren. Dat heeft wel invloed op de doorontwikkeling en daarmee ook op de doorstroom van LS-medewerkers naar bijvoorbeeld MS- en HS-werk. Er kunnen dan op de lange termijn grotere tekorten ontstaan.
Dit proces vraagt om weloverwogen keuzes met oog voor nu en de toekomst. Het resultaat van dit proces is een set portfolio’s per spanningsniveau. Op basis van prioritering en beschikbare capaciteit hebben we vastgelegd welk deel van het werkpakket daadwerkelijk realiseerbaar is.
4.3.2. De consequenties van beperkte maakbaarheid Uitstel van (planbare) investeringsmaatregelen en werkzaamheden heeft altijd consequenties. Belangrijke voorbeelden: onvoldoende beschikbare netcapaciteit en daardoor congestie, meer storingen en daarmee meer herstelwerkzaamheden, of langere wachttijden voor klanten en minder snel inzicht in netten door vertraagde uitrol van sensoren voor netbesturing. Door onze prioriteringsmethodiek gaat een groter deel van de beschikbare arbeidscapaciteit naar uitbreidingsprojecten toe. Hierdoor is er relatief minder capaciteit beschikbaar voor kwaliteitsvervangingen en regulier assetbeheer. Op dit moment zetten we stappen om de consequenties van tekorten beter (kwantitatief) in kaart te brengen. Een recent initiatief is erop gericht te begrijpen welke effecten de nadruk op netverzwaring en het uitstellen van kwaliteitsvervangingen en beheer hebben. Zoals een mogelijke toename van storingen of verminderde betrouwbaarheid. Daarbij kijken we wat dit betekent voor toekomstige investeringen: leidt uitstel tot besparingen, of juist tot hogere totale kosten doordat later ingrijpender maatregelen nodig zijn? Zo willen we voorkomen dat het tijdelijk vrijspelen van capaciteit voor uitbreidingswerk leidt tot grotere problemen en hogere kosten op de langere termijn. 4.3.2.1.
Maakbaarheid 2026-2028 Uit de maakbaarheidstoets blijkt dat het ongelimiteerde investeringsportfolio met een werkpakket van in totaal €7,4 miljard in de komende 3 jaar niet volledig maakbaar is. Dit leidt tot een maakbaar investeringsportfolio met een werkpakket van in totaal €5,0 miljard. In tabel 4.3.2.1 staat voor de komende 3 jaar voor elektriciteit- als gasinvesteringen aangegeven hoe groot het ongelimiteerde werkpakket is voor capaciteit en kwaliteit. Daarnaast staat ook in de tabel weergegeven of de werkpakketten maakbaar zijn. In hoofdstuk 9 staat de maakbaarheid uitgewerkt voor het totale investeringswerkpakket van elektriciteit (dat is inclusief klant en meters). Het werkpakket capaciteit bestaat onder andere uit het realiseren van netuitbreidingen en klantaansluitingen. De investeringen in capaciteit bespreken we in hoofdstuk 6. Het is gebaseerd op de verwachte klantvraag, in dit geval volgens het scenario Koersvaste Middenweg (zie hoofdstuk 5). In de maakbaarheidstoets nemen wij een inschatting van de groei van onze eigen uitvoeringscapaciteit mee, evenals die van de aannemers. Daarnaast nemen we mogelijke efficiëntieslagen in werkzaamheden mee.
28 Prioritering en maakbaarheid
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
Het werkpakket kwaliteit bestaat onder andere uit vervangingsinvesteringen voor kwaliteits- of veiligheidsknelpunten. Vervangingsinvesteringen zijn nodig voor het vervangen van bestaande netten, aansluitingen en meters. De investeringen gerelateerd aan kwaliteit bespreken we in hoofdstuk 7. Werkpakket in miljoenen euro Capaciteit Elektriciteit Kwaliteit
Capaciteit Gas Kwaliteit
Elektriciteit en Gas
Capaciteit en Kwaliteit
2026
2027
2028
Ongelimiteerd
1.080
1.727
1.900
Maakbaar
555
817
1.090
Ongelimiteerd
254
230
221
Maakbaar
218
189
160
Ongelimiteerd
6
7
8
Maakbaar
6
7
8
Ongelimiteerd
202
209
190
Maakbaar
202
209
190
Ongelimiteerd
1.542
2.173
2.318
Maakbaar
980
1.221
1.448
Tabel 4.3.2.1 Maakbaarheid 2026-2028
Tabel 4.3.2.1 toont voor zowel gasvervangingen als -uitbreidingen dat het totale werkpakket van het ongelimiteerde investeringsportfolio te realiseren is. Voor het elektriciteitsnet (zowel capaciteit als kwaliteit ligt dat anders: uit de maakbaarheidstoets blijkt dat gemiddeld 41% van de werkpakketten niet maakbaar is. Dit heeft impact op de reguliere en majeure elektriciteitsinvesteringen. 4.3.2.2. Maakbaarheid tot 2035 We hebben voor de aankomende tien jaar ook globaler gekeken naar de maakbaarheid volgens het scenario Koersvaste Middenweg. De resultaten hiervan staan weergegeven in tabel 4.3.2.2 dit is het werkpakket voor elektriciteit- en gasinvesteringen voor capaciteit en kwaliteit. Dat is exclusief het werkpakket voor elektriciteit en gas ten behoeve van klant en meters. Het is duidelijk dat de vraag naar netcapaciteit jaarlijks harder blijft groeien dan wij als organisatie kunnen bijbouwen. Dit leidt tot een maakbaarheidsgat: het verschil tussen de snelheid waarmee investeringen gevraagd worden en wat wij daadwerkelijk kunnen realiseren. De onderstaande grafiek laat zien dat we beginnen met inhalen van het maakbaarheidsgat vanaf 2029. Op de y-as staat het percentage van de cumulatieve ongelimiteerde vraag dat niet maakbaar is. Vanaf 2030 gaan we de achterstand inlopen.
Zoals in hoofdstuk 4 beschreven is, krijgt een groot deel van het capaciteitswerkpakket voorrang op nieturgent kwaliteitswerk. Vanaf 2033 kunnen we ook het maakbaarheidsgat voor het minder urgente kwaliteitswerk dichten. Voor elektriciteit (capaciteit- en kwaliteitsinvesteringen) daalt het maakbaarheidsgat in 10 jaar naar 4,5%.
Prioritering en maakbaarheid
29
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
2027
2028
2029
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
60
50
GAP%
40
30
20
10
0 2026
Elektriciteit Capaciteit
Elektriciteit Kwaliteit
2030
2031
2032
2033
Elektriciteit en Gas (Excl. Klant en Meters)
2034
2035
Gas
Grafiek 4.3.2.2 Ontwikkeling maakbaarheidsgat werkpakket elektriciteit en gas, scenario KM De maakbaarheidsproblematiek speelt in Nederland ook bij de andere netbeheerders. De maakbaarheidscijfers die elke netbeheerder in zijn IP publiceert, zijn niet eenvoudig één op één te vergelijken, vanwege verschillende bedrijfseigen uitgangspunten, modellen en systemen. 4.3.2.3. Verbetering maakbaarheid Onze twee belangrijkste prioriteiten blijven het realiseren van voldoende netcapaciteit (Eerder Beginnen, Sneller Bouwen en Optimaal Benutten) en het hoog houden van de prestaties van het gas- en elektriciteitsnet (Goed Beheren). We zien dat we sneller kunnen starten met bouwen dankzij een verbeterde samenwerking met gemeenten. We bouwen ook efficiënter door hogere product- en proceskwaliteit, en we benutten ons net beter door digitalisering. We doen dit samen met onze omgeving, waarbij we vanaf 2026 regie gaan voeren op de knelpunten in het net. Het is duidelijk dat de vraag naar netcapaciteit harder blijft groeien dan wij als organisatie kunnen bijbouwen. Dit leidt tot een maakbaarheidsgat: het verschil tussen de snelheid waarmee investeringen nodig zijn en wat wij daadwerkelijk kunnen realiseren. Om dat gat zo klein mogelijk te houden, blijft het essentieel dat we beschikken over voldoende vakbekwame medewerkers.
De afgelopen jaren hebben we een succesvolle aanpak ontwikkeld voor het werven en opleiden van nieuwe collega’s. Tegelijkertijd zien we dat het vergroten van onze capaciteit alleen niet voldoende is. We zetten daarom in op het slimmer en effectiever inzetten van onze capaciteit met behulp van digitalisering en innovatie. Dit stelt ons in staat om meer werk te verzetten met hetzelfde aantal mensen. Regie op knelpunten Knelpunten in het elektriciteitsnet kunnen leiden tot storingen en overbelasting. We pakken knelpunten aan door sneller te bouwen. Daarnaast verzachten we knelpunten via capaciteitsmanagement om zo het bestaande net optimaal te benutten. De uitdaging is dat elk knelpunt een unieke combinatie van lokale klantvraagprognoses, technische staat van de assets en investeringsplanningen kent. Ieder knelpunt is dus anders en vereist daarom een unieke set aan maatregelen om het op te lossen: een mix van bouwen, benutten en beheren. De samenwerking met klanten en stakeholders is hierbij cruciaal. Zo hebben we voor het bouwen van stations grond en medewerking van overheden en grondeigenaren nodig, terwijl we voor het optimaal benutten klanten nodig hebben die hun piekbelasting willen beperken of verschuiven. Vandaar de focus op regie op knelpunten in samenwerking met onze omgeving.
We doen dit door de volgende punten op te pakken: • Sturen op het oplossen en beheersen van knelpunten
30 Prioritering en maakbaarheid
Inhoudsopgave
• • • •
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
Professionaliseren regionaal stakeholdermanagement Transparantie: inzicht voor onze omgeving Ontwikkeling prioriteringssystematiek voor allocatie schaarse resources Samen versneld ruimte realiseren
Sneller bouwen De bouwopgave is verdrievoudigd. Dat betekent drie keer zoveel kabels, drie keer zoveel stations, en drie keer zoveel druk op onze organisatie. We groeien niet lineair, maar sprongsgewijs. Dat vraagt om een andere mindset én andere middelen. Want met alleen meer bouwen en meer mensen komen we er niet. De versnelling vraagt om een focus op knelpunten, betere benutting van onze assets en een flexibelere omgang met beschikbare energie. Om dat mogelijk te maken, versnellen we langs drie assen: het opschalen van ons eigen personeel, het vergroten van de capaciteit bij aannemers, en het verhogen van onze productiviteit. Zo kunnen we de snel toenemende klantvraag beter faciliteren en knelpunten en onderbrekingen zo veel mogelijk voorkomen. We doen dit door de volgende punten op te pakken: • • • • •
Gericht toevoegen meer vermogen en samenwerken met de aannemerij Samenwerking met de aannemerij Flow in de keten Innovatie als versneller Ruimtelijke inpasbaarheid: kleiner en modulair bouwen
Optimaal benutten Terwijl opwek en verbruik steeds grilliger worden en de piekbelasting toeneemt, is verzwaring niet altijd de oplossing voor het oplossen van een knelpunt in het net. Flexibiliteitsmaatregelen leveren daarbij tot dusver nog onvoldoende op om echt het verschil te maken. We werken daarom per regio samen met klanten en stakeholders aan oplossingen om het net zo efficiënt mogelijk in te zetten. We focussen hierbij op de knelpunten in het net, waarbij netbewuste keuzes in combinatie met flexibele oplossingen cruciaal zijn. Onderdeel van optimaal benutten zijn: • • • • • • • •
Regiogericht koppelen van flexpotentie en flexbehoefte Op schaal doorrekenen van flexcontracten en netbewust bouwen Bieden van handelingsperspectief aan klanten op de wachtlijst Analyseren netsituatie op basis van actuele en voorspelde energiestromen Realiseren van technische maatregelen voor extra transportcapaciteit Inzetten op verdere netdigitalisering Beheren van assetdata voor actueel inzicht in onze netten Het net optimaal benutten door innovatie
Prioritering en maakbaarheid
31
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
32 Ontwikkeling en scenario's voor IP2026
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
5. Ontwikkeling en scenario's voor IP2026 5.1. Inleiding De netbeheerders brengen periodiek met gezamenlijke toekomstscenario's in beeld hoe het energiesysteem zich, op weg naar 2050, kan ontwikkelen in Nederland. De Netbeheer Nederland Scenario’s Editie 2025 geven meer inzicht in de relevante veranderingen en daarmee in de omvang en richting van de opgave voor de infrastructuur. Door scenario’s op te stellen en deze met stakeholders te bespreken en te toetsen, kunnen we rekening houden met belangrijke onzekerheden en wordt het risico op over- of onderinvesteringen in de toekomst beperkt. Een periodieke update van deze scenario’s is noodzakelijk, omdat vraag en aanbod van energie de komende decennia sterk veranderen. Deze scenario's voor het IP2026 zijn een doorontwikkeling van de scenario’s voor de IP2024, met een uitgebreide update op basis van de meest recente inzichten op het vlak van energie- en klimaatbeleid en verder geconcretiseerde sectorale plannen. Sinds de publicatie van de scenario’s voor het IP2024 zijn er belangrijke veranderingen: de publicatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), toegenomen geopolitieke onzekerheid en wijzigingen in het tempo van verduurzaming.
Daarnaast is feedback op de vorige scenario’s verwerkt en zijn relevante cijfers geüpdatet op basis van recente markt- en technologiestudies, sectorale energietrajecten, politieke beleidsdocumenten en andere bronnen. 1
Gedurende het scenariotraject is met een brede groep stakeholders gesproken over de verhaallijnen van de scenario’s, de (concept)resultaten en de belangrijkste onzekerheden. Met deze inbreng zijn de scenarioverhaallijnen en transitiepaden aangescherpt. De uitwerking van de gezamenlijke scenario’s onder de vlag van Netbeheer Nederland heeft geleid tot een uitgebreide rapportage, die op 13 mei 2025 is gepubliceerd op de website van Netbeheer Nederland: “Netbeheer Nederland Scenario’s Editie 2025”. Het proces om tot scenario’s te komen en de gebruikte bronnen, parameters en aannames zijn in dit rapport opgenomen. 2
5.2. Eisen aan de scenario's Voor het doel van investeringsplanning moeten de scenario’s actueel, relevant en realistisch zijn. Voor de ontwikkeling van dergelijke toekomstscenario’s nemen we de relatief zekere ontwikkelingen mee in alle scenario’s en de minder zekere ontwikkelingen in minimaal een van de scenario’s (voor zover ze relevant, realistisch en voorstelbaar zijn voor de planning van infrastructuurontwikkeling). Voor het tijdsvenster dat we in de scenario’s uitwerken, is het van belang om zowel te kijken naar de infrastructuurmaatregelen in IP2026 (tien jaar vooruit), als naar de verdere ontwikkeling van het energiesysteem in de periode daarna. De Netbeheer Nederland Scenario’s Editie 2025 (de scenariorapportage) beschrijven mogelijke ontwikkelpaden van 2025 tot 2050. De tussenjaren 2030, 2035 en 2040 zijn expliciet uitgewerkt. De ACM vraagt Stedin om onderstaande informatie wat scenario’s betreft. Deze is terug te vinden in de rapportage van de Netbeheer Nederland Scenario’s Editie 2025 en in dit IP: 1. Een beschrijving van het proces om tot de scenario’s te komen. Uit deze beschrijving moet duidelijk worden hoe samenhang is gecreëerd tussen de scenario’s van regionale en landelijke netbeheerders. Zie hoofdstuk 2.1 en hoofdstuk 5 van de scenariorapportage. 2. De tijdshorizon van de scenario's. Zie hoofdstuk 3.1 van de scenariorapportage.
1
Nationaal Plan Enegiesysteem, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/12/01/nationaal-plan-energiesysteem.
2
Netbeheer Nederland Scenario’s Editie 2025, https://www.netbeheernederland.nl/publicatie/netbeheer-nederland-scenarios-editie-2025.
Ontwikkeling en scenario's voor IP2026
33
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
3. Voor elk van de scenario’s een overzicht van de gebruikte parameters. Per scenario wordt duidelijk gemaakt wat de waardes zijn die voor elk van deze parameters zijn gekozen. Zie hoofdstuk 3 en in verder detail hoofdstuk 4 van de scenariorapportage. 4. Per scenario een verwijzing naar de informatiebronnen die gebruikt zijn om de waardes van de bij het vorige punt genoemde parameters te kiezen. Zie hoofdstuk 4 van de scenariorapportage. 5. Een expliciete beschrijving van de wijze waarop de scenario’s rekening houden met de Nederlandse klimaatdoelen, zowel op korte als op lange termijn (2050), en zowel op regionaal als op nationaal niveau. Zie hoofdstuk 2.1 van de scenariorapportage en onderstaande toelichting bij de regionalisatie van Stedin wat betreft het gebruik van regionale energiestrategieën en cluster energiestrategieën. Het (provinciaal) Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat wordt gebruikt in de prioritering van de investeringen. Zie hoofdstuk 4.2.4. 6. Een overzicht van de gebruikte bronnen, aannames en/of verdeelsleutels, een beschrijving van de wijze waarop deze verdeelsleutels tot stand zijn gekomen. Zie hoofdstuk 4 van de scenariorapportage. Zie hoofdstuk 2 van de scenariorapportage voor het gebruik van het Nationaal planenergiesysteem (NPE) in de scenario’s.
Naast het NPE is ook de Klimaat- en energieverkenning (KEV, 2024) van PBL (Planbureau voor de Leefomgeving) gebruikt bij het opstellen van de scenario’s. Beide vormen ook de bronnen voor het Integrale Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK). Het Interdepartementaal Beleidsonderzoek bekostiging elektriciteitsinfrastructuur (IBO) is niet direct als input gebruikt bij het opstellen van de scenario’s. Waar beleid of ambities al in lijn lagen met aanbevelingen van dit onderzoek zijn deze opgenomen; waar beleid nog geconcretiseerd moet worden nog niet. 7. Een beschrijving van de wijze waarop deze bronnen, aannames en/of verdeelsleutels leiden tot de regionalisatie van de landelijke scenario’s naar het niveau van de netbeheerder. Zie hoofdstuk 4 van de Netbeheer Nederland Scenario’s Editie 2025. 8. Een beschrijving van de wijze waarop congestie en de bestaande aanvragen van marktpartijen zijn verwerkt in de regionale scenario’s. Zie hoofdstuk 2.1 en hoofdstuk 5.4 van de scenariorapportage en onderstaande toelichting bij onze regionalisatie over de inpassing van bestaande aanvragen van marktpartijen.
5.3. Samenvatting van de scenariorapportage 5.3.1. Totstandkoming van de scenario's Vraag en aanbod van energie veranderen de komende jaren ingrijpend in elke sector, gedreven door de energietransitie, veranderende geopolitieke verhoudingen en maatschappelijke opgaven. Om te komen tot de Netbeheer Nederland Scenario’s Editie 2025 is gewerkt met een PESTEL-analyse: een methodologie die politieke, economische, sociale, technische, ecologische en wettelijke trends, risico’s, dilemma’s en onzekerheden in kaart brengt. Uit de PESTEL-analyse volgt dat de volgende onzekerheden grote invloed hebben op hoe de energietransitie zich kan ontwikkelen: • De politieke wind op het wereldtoneel, in de Europese Unie en in Nederland. Internationale verhoudingen staan onder druk, tegelijkertijd verandert de Europese koers en maakt de nationale politiek haar eigen concrete keuzes. Voor de energietransitie moet nog veel beleid gevormd worden. Belangrijke vragen daarbij: welk deel van de overheid heeft de regie en hoe komt de sturing tot stand? • Economische factoren, zoals energieprijzen, subsidies, belastingheffingen en de handel in (beschikbare) grondstoffen bepalen de economische haalbaarheid van de transitie en het toekomstig verdienvermogen van Nederland. • De energietransitie is ook een sociale transitie en vraagt om een breed maatschappelijk draagvlak.
De mate van gedragsverandering, eerlijke kostenverdeling, en in hoeverre burgers, bedrijven en overheden samen verantwoordelijkheid nemen zijn zeer bepalend voor het succes van de transitie. Bij beperkt draagvlak voor duurzame energieprojecten in Nederland blijft er mogelijk een grotere afhankelijkheid van import. • Ook technologische ontwikkelingen spelen een cruciale rol: de snelheid en schaalbaarheid van innovaties zoals waterstofelektrolyse, batterijopslag en CO2-afvang zijn onzeker, net als de toekomstige rol van energieopslag en digitalisering. Voor leveringszekerheid is een nauwkeurige afstemming van vraag en aanbod op internationaal, nationaal en regionaal niveau noodzakelijk, waarbij CO2-vrij regelbaar vermogen een grote rol speelt.
34 Ontwikkeling en scenario's voor IP2026
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
• Grote onzekerheden rondom klimaat en milieu zijn de mate van het gebruik van fossiele energie en grondstoffen, en de impact op de leefomgeving die wij als samenleving accepteren. Bijvoorbeeld bij de maatschappelijke acceptatie van wind-opland of opslag van CO2 onder de grond en het perspectief voor het gebruik van fossiele energie en grondstoffen. • De mate van consistentie van beleid en regelgeving hebben invloed op de slagingskans van grote transities en projecten. Daarnaast heeft onzekerheid rondom vergunningsverlening invloed op de mate waarin grote projecten doorgang kunnen vinden. Naast deze uitgangspunten zijn de volgende belangrijke onzekerheden in alle scenario’s gelijkwaardig opgenomen: • De doelstellingen voor emissiereductie worden volgens plan gehaald. De scenario’s laten daarmee zien wat er nodig is om de doelen te halen, welke keuzes daarin nog gemaakt kunnen worden en - via de netimpactanalyses - welke infrastructuur daarvoor nodig is. • De huidige netcapaciteit is zonder aanvullende maatregelen ontoereikend voor de grootschalige elektrificatie die nodig is in de komende jaren. Dit vraagt om aanzienlijke investeringen in de elektriciteitsnetten. De scenario’s nemen aan dat energieinfrastructuur op tijd beschikbaar is. De onzekerheid in de ontwikkeling van de energie-infrastructuur volgt uit de netimpactanalyses voor de investeringsplannen.
• De thema’s klimaat en milieu spelen ook een belangrijke rol in de transitie, waarbij veranderingen in het weer – zoals warmer weer en variabele windcondities een rol spelen, maar ook extreem weer - en investeringen voor klimaatadaptatie een effect hebben op de ontwikkeling van het energiesysteem. De scenario’s variëren niet onderling in de mate van weersverandering. • De scenario’s hanteren een gemiddelde demografische ontwikkeling, bevolkingsgroei en samenstelling van huishoudens. De scenario’s voorspellen de ongelimiteerde klantvraag. De scenario's houden niet op voorhand rekening met congestie en/of beperkingen van de infrastructuur.
5.3.2. Scenario's en verhaallijnen Uit deze inventarisatie van trends en onzekerheden is een veelvoud aan mogelijke scenario’s opgesteld. Via een crossimpactanalyse is hieraan een score toegekend en zijn deze teruggebracht tot vier scenario's die relevant zijn voor de energieinfrastructuur. Door de verschillende mogelijke ontwikkelingen op deze thema’s te vatten in logisch samenhangende verhalen en ze te kwantificeren, ontstaan de volgende vier scenario’s: Koersvaste Middenweg (KM), Eigen Vermogen (EV), Gezamenlijke Balans (GB) en Horizon Aanvoer (HA) (zie figuur 5.3.2).
Ontwikkeling en scenario's voor IP2026
35
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
Figuur 5.3.2 De vier scenario's van de Netbeheer Nederland Scenario's Editie 2025
• Eigen Vermogen (EV) beschrijft een toekomst waarin Nederland qua politiek, beleid en markt sterk inzet op energieautonomie en een hoge mate van zelfvoorziening. Het scenario combineert elementen uit de scenario’s Nationale Drijfveren uit IP2024 en Nationaal Leiderschap uit II3050-2e editie, aangevuld met kenmerken uit Decentrale Initiatieven uit II3050-2e editie. De opwek van duurzame elektriciteit groeit sterk, met een nadruk op zon- en windenergie. Er wordt maximaal ingezet op flexibiliteit, grootschalige warmtenetten en het gebruik van groene waterstof. Er is sprake van een snelle elektrificatie van de industrie, mobiliteit en gebouwde omgeving, wat leidt tot een grote impact op de elektriciteitsinfrastructuur. • Koersvaste Middenweg (KM) schetst de verwachte koers van de energietransitie in lijn met de wettelijke klimaatdoelen en op basis van actuele trends, aangevuld met beleidsambities uit onder meer het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), beleidsnota’s en provinciale energievisies. Deze bronnen zijn samengebracht tot een consistent scenario, dat voortbouwt op het scenario Klimaatambitie uit IP2024. Het scenario kenmerkt zich door een sterke en snelle elektrificatie van het eindverbruik, waarbij het totale energieverbruik in balans wordt gehouden door aanvullend gebruik van andere energiedragers zoals warmte, methaan en waterstof.
• Horizon Aanvoer (HA) bouwt voort op de scenario’s Internationale Ambitie uit IP2024 en Internationale Handel uit II3050-2e editie en gaat uit van een wereld waarin duurzame energie op grote schaal internationaal beschikbaar is. Nederland richt zich sterk op de import van energie en industriële halffabricaten, waardoor de energie-intensieve industrie deels verplaatst naar het buitenland en het finaal energieverbruik in Nederland laag blijft. Door deze importoriëntatie is de eigen productie van duurzame elektriciteit beperkt, en ligt de nadruk op internationale energieketens. • Gezamenlijke Balans (GB) schetst een toekomst waarin samenwerking en afstemming binnen Europa centraal staan, en is mede gebaseerd op de uitgangspunten van de scenario’s Internationale Ambitie uit IP2024 en Europese Integratie uit II3050-2e editie. De verduurzaming van vraagsectoren gebeurt via een hybride aanpak, met een belangrijke rol voor zowel elektrificatie als gas. De gasinfrastructuur blijft daarbij van groot belang, mede door de inzet van aardgas, groen gas, biobrandstoffen en blauwe waterstof. Het scenario kent daarnaast een hoge energiedoorvoer naar het buitenland, zodat ook buurlanden kunnen profiteren van de duurzame energie die via Nederlandse import beschikbaar komt.
5.3.3. Kwantitatieve uitwerking van de scenario's Op basis van de verhaallijnen zijn vervolgens kwantitatieve scenario’s uitgewerkt, waaruit zowel de energievraag per energiedrager (figuur 5.3.3.1) en sector (figuur 5.3.3.2) volgen als het energieaanbod (figuur 5.3.3.3). Daarnaast zijn ook opgestelde vermogens invoeding van en flexibiliteit uitgewerkt. Verdere kwantificatie is terug te vinden in het scenariorapport Netbeheer Nederland Scenario’s Editie 2025, en in het Energietransitiemodel (ETM).
36 Ontwikkeling en scenario's voor IP2026
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
Figuur 5.3.3.1 Finale energievraag in TWh per energiebron
Figuur 5.3.3.2 Finale energievraag in TWh per sector
Figuur 5.3.3.3 Primair energieaanbod voor binnenlandse vraag (exclusief doorvoer en export)
Ontwikkeling en scenario's voor IP2026
37
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Scenario Koersvaste Middenweg (KM) Eigen Vermogen (EV) Gezamenlijke Balans (GB) Horizon Aanvoer (HA)
Methodiek
Prioritering
2025
Scenario's
Capaciteit
2030 2030 2030 2030
Kwaliteit
Overige knelpunten
ETM scenario links 2035 2035 2035 2035
2040 2040 2040 2040
Totale investeringen
Bijlage
2050 2050 2050 2050
Tabel 5.3.3 Links naar de kwantificering van de scenario's in het Energietransitiemodel, per scenario en steekjaar
5.4. Regionalisatie van de scenario's De scenario’s zoals die in het voorgaande deel van dit hoofdstuk zijn gepresenteerd, bevatten de kwantificering voor de ontwikkeling van het energiesysteem en de energiemarkt voor heel Nederland. Om de doorwerking hiervan op de energieinfrastructuur in kaart te brengen, regionaliseren we de nationale kwantificatie. Dit betekent dat we de locaties van energiebronnen, -vraag en flexibiliteit bepalen. De regionalisatie die is uitgevoerd bestaat uit twee stappen. De eerste stap is de regionalisatie van de nationale kwantificatie naar de verdeling over de verzorgingsgebieden van de verschillende netbeheerders (zowel regionale als nationale). Hiermee wordt duidelijk met welke informatie de verschillende netbeheerders rekening dienen te houden over het totaal van het werkpakket voor hun verzorgingsgebied. De tweede stap is de regionalisatie binnen het verzorgingsgebied van de netbeheerder tot en met het voor de netimpact modellering relevante niveau. Dit is een fijnmaziger niveau, waarbij het detailniveau afhangt van het stuk net dat moet worden geanalyseerd. Voor de hogere netvlakken en drukniveaus volstaat een regionalisering op buurtniveau. Voor de lagere netvlakken en drukniveaus wordt de regionalisering op buurtniveau verder uitgesplitst tot kabel- en leidingniveau, deze verdeling vindt plaats op basis van de achterliggende aansluitingen.
De eerste stap is gezamenlijk via de NBNL scenariowerkgroep uitgevoerd. Deze stap is gebaseerd op databronnen die ook in dat werkproces zijn gebruikt en die voor sommige onderwerpen zijn aangevuld met de actuele (klant-/markt-)ontwikkelingen bij de verschillende netbeheerders. Zo zien we bijvoorbeeld relatief veel datacenters direct aangesloten bij TenneT als ook in het Liander-verzorgingsgebied, relatief veel zon-PV-projecten in het Enexis-verzorgingsgebied en veel industrie in het Stedinverzorgingsgebied. Een deel van de gehanteerde bronnen is al bottom-up opgebouwd vanuit hetzelfde detailniveau dat de netbeheerders gebruiken. Voor de verdeling over de netbeheerders is deze bottom-up opbouw dan ook weer gehanteerd. De toewijzing aan de netbeheerder is dan de sommatie van de bottom-up opgebouwde aantallen. Welke methodes en bronnen voor de regionalisering per techniek zijn gebruikt, is verder beschreven in het scenariorapport. Categorie Zon op land Zon op dak Wind op land Groen gas Warmtetransitie gebouwde omgeving Mobiliteit Nieuwbouw-woningen Industrie Glastuinbouw Datacenters
Toelichting regionalisatie Verdeling Tennet en regionale netbeheerders op basis van prognoses Tennet. Voor regionale netbeheerders wordt de regionalisatie voor 2030 gedaan op basis van NPRES-monitor/geodataset en voor 2050 wordt gekeken naar het landoppervlak. Daken van bestaande bouw is geregionaliseerd op dak potentieel. Voor nieuwbouw is de Primos-prognose gebruikt voor regionalisatie. Regionalisatie op basis van opgesteld vermogen per netbeheerder. Aansluiting deels bij TenneT, deels bij regionale netbeheerders. Gebaseerd op CE Delft Scenariostudie groengasproductie rond 2030. Verdeling via scenariospecifieke verdeelsleutels op basis van nieuwe productielocaties. Grote installaties op GTS-net, kleinere op regionale netten. Warmtenetten: Voor 2030 zijn deze geregionaliseerd naar bestaande warmtenet aansluitingen, voor 2050 op basis van de startanalyse 2020. Woningen zonder warmtenet: over resterende aansluitingen per regionale netbeheerder is eenzelfde verhouding voor de overige warmteoplossingen toegepast. Regionalisatie op basis van locatiemodellen van ElaadNL Outlooks, voor personenauto’s, bestelauto’s, trucks, OV-bussen, binnenvaart en mobiele werktuigen. Gebaseerd op Primos-prognose op gemeenteniveau. Regionalisatie op basis van huidige locatie van bedrijven. Bij een grote schaalsprong: aansluiting op landelijk net.
Op basis van glastuinbouwareaal per netbeheerder (CBS). Warmteoplossingen verdeeld volgens deze sleutel, behalve voor oplossingen die locatie afhankelijk zijn zoals geothermie. Regionalisatie op basis van bestaande klanten en bekende aanvragen en groeiprognoses bij netbeheerders.
Tabel 5.4.1 Toelichting regionalisatie
38 Ontwikkeling en scenario's voor IP2026
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
De tweede stap is uitgevoerd door Stedin op basis van klant-informatie en regionaliseringsmodellen of datasets. Deze is gevalideerd en bijgesteld op basis van interne gebiedskennis. Zie onderstaande bronnen en bijlage 10.1. Voor de gebouwde omgeving gebruiken wij de Primos-prognose (ABF) als basis voor de ontwikkeling van nieuwbouw op buurtniveau per jaar. Deze algemene prognose vullen we aan met zekere en onzekere projectdata van Database plannen woningbouw (Locatus) of door direct aangeleverde projectdata van een gemeente op buurtniveau per jaar. Voor de invulling van de warmte in woningen, zoals (hybride) warmtepompen en warmtenetten, maken we voor de regionalisatie gebruik van ons regionalisatiemodel. Concrete en voor 2030 uit te voeren Transitievisies Warmte (TVW) en Wijkuitvoeringsplannen (WUP) van de gemeenten zijn daarvoor het startpunt. Deze zijn aangevuld met een inschatting van de meest waarschijnlijke techniek per buurt op basis van het Openingsbod (Stedin). Vervolgens valideren we de regionalisatie met de gebiedsverantwoordelijken op basis van hun lokale kennis. Waar nodig stellen we de aantallen en vermogens op locaties bij. Regionalisatie van de elektriciteitsbehoefte van gebouwen is gebaseerd op huidige klantdata en vertaald naar klantniveau per jaar.
Voor de regionalisatie van ontwikkelingen in de sector mobiliteit baseren we ons op de Elaad NL Outlooks (Elaad), gebruikmakend van de bijbehorende data op buurtniveau per jaar. Voor de sectoren industrie en landbouw zijn de zekere en onzekere klantprojecten en hun locaties meegenomen tot 2031. Deze data is verder aangevuld op basis van de CES (DataSafeHouse). Voor klanten waarvan we niet over specifieke klantinformatie beschikken, is het algemene verduurzamingspad aangenomen vanuit de Netbeheer Nederland scenario’s. Voor regionalisatie van duurzame opwek is gebruikt gemaakt van een Machine Learning-model voor zon op dak van huishoudens, dat getraind is in het berekenen op basis van historische data en woningkenmerken. Om de zon op dak van gebouwen, zonneweides en wind op land te regionaliseren op aansluitingsniveau per jaar zijn zekere en onzekere klantprojecten opgevoerd, aangevuld met de SDE (RVO). De Regionale Energiestrategieën (NPRES) zijn gebruikt. 2024* Sector
Eenheid
Referentie KM
Huishoudens
Hybride WP
aantal x 1000
37
44
165
All-E WP
aantal x 1000
93
96
363
Huishoudens
omgeving Nieuwbouw
Warmtenet All-E WP Warmtenet Woningen
Gebouwen
Mobiliteit
Industrie en Landbouw
Hernieuwbare opwek
2030
Techniek
Bestaande bouw Gebouwde
2025
Subsector
Duurzame mobiliteit
Glastuinbouw Industrie en nieuwe bedrijven Zon op land
Elektrificatie
HA
KM
89
229
229
417
122
123
174
189
370
465
580
377
n.v.t.
18
186
214
n.v.t.
4
46
53
aantal x 1000
n.v.t.
22
232
x 1000 aantal x 1000 aansluitingen x 1000
EV
2040 EV
GB
HA
KM
EV
GB
HA
224
590
646
555
313
1085
1116
247
285
254
280
421
494
304
335
359
612
835
413
385
746
1017
452
403
165
165
254
297
224
223
295
349
259
258
41
41
64
74
56
56
74
87
65
65
267
207
206
318
371
280
279
369
436
324
323
MW
n.v.t.
44
208
257
157
157
243
303
184
184
243
303
184
184
EV auto’s
aantal x1000
147
184
513
659
398
398
1234
1584
856
856
2013
2386
1540
1540
EV bestelvoertuigen
aantal x1000
9
12
62
82
39
39
145
176
94
94
219
241
166
166
EV bussen
aantal
865
979
1280
1280
1280
1280
1289
1289
1289
1289
1836
1836
1836
1836
EV trucks
aantal x1000
0,5
0,8
5,4
6,6
2,4
2,4
13,4
18,1
8,3
8,3
22,2
28,9
18,4
18,4
EV binnenvaart
aantal
1
1
9
28
6
6
58
122
14
14
58
122
14
14
E-boilers
MW
n.v.t.
45
173
256
104
104
229
339
123
123
256
367
145
145
Elektricatie en groei
MW
n.v.t.
165
1437
1557
1328
1328
1642
1804
1486
1486
1706
1920
1522
1522
Dak Huishoudens
GW
2,2
2,7
4,2
5,1
3,4
3,4
5,3
6,7
4,0
4,0
6,1
7,6
4,4
4,4
Dak gebouwen
GW
1,4
1,6
3,5
4,8
3,3
2,7
5,0
7,2
4,6
3,5
6,4
9,5
6,0
4,3
Zonneweides
GW
0,9
1,0
1,4
1,4
1,4
1,4
1,6
3,0
2,1
1,5
2,6
4,7
3,1
2,1
GW
1,1
1,1
1,6
1,6
1,6
1,6
1,6
1,7
1,6
1,6
1,6
1,8
1,6
1,6
0,02
0,07
0,16
0,16
0,16
0,08
0,18
0,18
0,20
0,14
0,18
0,18
0,20
0,20
vermogen
Wind op land Duurzame gassen
2035 GB
aansluitingen
KM
Groen gas (vergisting) mlrd m3
Tabel 5.4.2 Regionalisatie van scenario's naar Stedin verzorgingsgebied
Ontwikkeling en scenario's voor IP2026
39
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
Vergelijk scenario’s IP2024 – IP2026 In vergelijking met het IP2024 zien we dat de energietransitie voor belangrijke sectoren vertraagt in onze IP2026-prognoses. De inpassing van warmtepompen in de bestaande bouw blijft tot 2035 achter ten opzichte van de scenario’s gehanteerd in IP2024, met name gedreven door het niet invoeren van normering voor de duurzaamheid van de warmtevoorziening. Voor warmtenetten zien we dat tot 2030 de invoering van de nieuwe wet WCW leidt tot onzekerheid en vertraging, en daarmee lagere verwachtingen in IP2026 ten opzichte van IP2024. Na 2030 verwachten we veel meer groei in warmtenetten, gedreven door de hoge ambities in het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) die er liggen om meer warmtenetten te ontwikkelen. De nieuwbouwprognose ligt hoger dan in IP2024, gedreven door de nationale ambities en de lokale plannen die daarvoor worden gemaakt. Voor mobiliteit zien we een vertraging in adoptie van elektrische personenvoertuigen tot 2030, gestoeld op afbouw van stimuleringsmaatregelen en onduidelijkheid rondom nieuw beleid in Nederland. Na 2030 zijn de prognoses naar boven bijgesteld door een sterke koers op EV’s vanuit Europa en te verwachten kostendalingen. Voor trucks en bussen blijven de verwachtingen nagenoeg gelijk.
Voor binnenvaart wordt na 2035 meer elektrificatie verwacht op basis van nieuwe onderzoeken naar de route voor verduurzaming van de scheepvaart. De impact van elektrificatie voor de glastuinbouw is naar boven bijgesteld op basis van de nieuwste klantprojecten en nieuwe verwachtingen van en over de sector, zoals het KEV en het NPE. De verwachtingen van elektrificatie van de industrie zijn naar boven bijgesteld voor 2030 op basis van actualisatie van de klantvraag en gebruik van de CES. Na 2030 zien we dat de meer gedetailleerde en specifiekere informatie van de CES leidt tot een lagere verwachting van de elektrificatie van de industrie dan verwacht in IP2024. Ondanks de huidige stagnatie van de groei van zon op dak, zijn trends zoals kostendaling en elektrificatie nog steeds positief voor zon-pv. De scenario’s gaan daarnaast uit van nieuw stimulerend beleid voor zon op dak bij huishoudens. Voor zon op dak bij gebouwen zien we een soortgelijk beeld, maar vormt Europees beleid een blijvende stimulans. Beperkingen voor zon op land leiden tot een lagere verwachting in de categorie zonneweides. Op basis van de voorkeursvolgorde zon en de ambities voor een CO2-vrij elektriciteitssysteem is de verwachting voor zon op dak omhoog bijgesteld. Voor de ontwikkelingen van wind op land is de pijplijn van projecten gelijk gebleven tot 2030.
Na 2030 zien we een vertraging in ambities en een verslechtering in het maatschappelijk draagvlak voor wind op land-projecten. Gebruik scenario’s Voor ons Investeringsplan hebben we ervoor gekozen om drie scenario’s te hanteren: Koersvaste Middenweg, Eigen Vermogen en Gezamenlijke Balans. Deze keuze is gemaakt om relevante verschillen voor ons verzorgingsgebied te laten zien. Voor ons als regionale netbeheerder is scenario Horizon Aanvoer niet onderscheidend ten opzichte van Gezamenlijke Balans (in tegenstelling tot de impact voor Gasunie als landelijke netbeheerder van de gasnetten). Daarom hebben we ervoor gekozen om scenario Horizon Aanvoer niet in ons Investeringsplan op te nemen.
40 Ontwikkeling en scenario's voor IP2026
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Capaciteitsknelpunten en uitbreidingsinvesteringen
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
41
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
6. Capaciteitsknelpunten en uitbreidingsinvesteringen Bij een capaciteitsknelpunt is er sprake van een netsituatie waarin de transportcapaciteit onvoldoende is. Als er een capaciteitsknelpunt optreedt, komt onze wettelijke taak voor het transporteren van elektriciteit en gas in het geding. Om een capaciteitsknelpunt op te lossen, doen we uitbereidingsinvesteringen. Onder een uitbreidingsinvesteringen verstaan we: • • • •
Het uitbreiden van het aantal aansluitingen en meters kabel of leiding. Het verzwaren van aansluitingen vanuit een klant- en capaciteitsvraag/ knelpunt. Het uitbreiden van de netten door de aanleg van nieuwe kabels/leidingen, transformatoren en stations. Het verzwaren van kabels/leidingen, transformatoren en stations, waarbij de aanleiding voor de vervanging voortkomt uit een capaciteitsknelpunt.
In paragraaf 6.1 beschrijven we uitgebreid de knelpunten in het elektriciteitsnetwerk, gevolgd door de bijbehorende uitbreidingen in paragraaf 6.2. In de paragrafen 6.3 en 6.4 beschrijven we de knelpunten en uitbreidingen voor het gasnetwerk, gevolgd door flexibiliteit en congestiemanagement in het elektriciteitsnetwerk in paragraaf 6.5.
6.1. Capaciteitsknelpunten elektriciteit In hoofdstuk 3 is de methodiek beschreven waarmee we de investeringen voor capaciteitsknelpunten bepalen. De verschillende scenario’s, met hun gevraagde netcapaciteit, toetsen we aan de huidige netcapaciteit van ons verzorgingsgebied. De gevraagde netcapaciteit kan per hoogspanningsstation verschillen. Om capaciteitsknelpunten te identificeren, toetsen we de hoogspanningsstations afzonderlijk aan de verschillende scenario’s. De transformatoren van een hoogspanningsstation kunnen zowel door afname als door opwekking maximaal belast worden. De maximale belasting door afname resulteert in de afnamepiek, terwijl de maximale belasting door opwekking leidt tot de opwekpiek. Bij het identificeren van capaciteitsknelpunten maken we onderscheid tussen majeure en reguliere knelpunten. Majeure knelpunten zijn knelpunten van assets op een netvlak met een spanningsniveau groter of gelijk aan 25 kV en reguliere knelpunten zijn knelpunten van assets met een netvlak kleiner dan 25 kV. Toename verbruik en opwek De scenario’s die in hoofdstuk 5 zijn beschreven, leiden tot een prognose voor de ontwikkeling van de transportcapaciteit in ons gehele verzorgingsgebied. Grafieken 6.1.1 en 6.1.2 tonen de verwachte groei van de piekbelasting voor afname en opwek in de verschillende scenario’s.
We verwachten een aanzienlijke stijging in afname en opwek die zich vertaalt naar een piekbelasting. Deze stijging leidt tot een toename van de belasting van onze hoogspanningsstations. In grafieken 6.1.3 en 6.1.4 is de gemiddelde stijging van de belasting weergegeven voor afname en opwek, uitgedrukt in procentpunt.
42 Capaciteitsknelpunten en uitbreidingsinvesteringen
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
MW
10.000
5.000
0 2024
2030
2035
Koersvaste Middenweg (KM) Eigen Vermogen (EV) Gezamenlijke Balans (GB)
Grafiek 6.1.1 Maximale belasting in MW per jaar voor Stedin verzorgingsgebied op koppelpuntniveau ten opzichte van 2024
MW
0
-5.000
-10.000 2024
2030
2035
Koersvaste Middenweg (KM) Eigen Vermogen (EV) Gezamenlijke Balans (GB)
Grafiek 6.1.2 Minimale belasting in MW per jaar voor Stedin verzorgingsgebied op koppelpuntniveau ten opzichte van 2024
Capaciteitsknelpunten en uitbreidingsinvesteringen
43
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
75
%
50
25
0 2030
2035
Koersvaste Middenweg (KM) Eigen Vermogen (EV) Gezamenlijke Balans (GB)
Grafiek 6.1.3 Groei verbruik piekbelasting ten opzichte van 2024 in %
%
100
50
0 2030
2035
Koersvaste Middenweg (KM) Eigen Vermogen (EV) Gezamenlijke Balans (GB)
Grafiek 6.1.4 Groei opwek piekbelasting ten opzichte van 2024 in % In grafieken 6.1.3 en 6.1.4 is te zien dat de verwachte belasting van de transformatorstations voor afname voor het EV-scenario 68% hoger ligt in 2035 ten opzichte van 2024. Bij het KM-scenario gaat het om een stijging van 53% en bij het GB-scenario om 41%. Voor opwek is te zien dat de gemiddelde belasting stijgt met 88% in het EV-scenario ten opzichte van 2024. Bij het KMscenario gaat het om 50% en bij het GB-scenario om 41%.
6.1.1. Reguliere capaciteitsknelpunten De groeiende piekvraag en -opwek leiden ook in de laagspanningsnetten (LS-netten) tot knelpunten. Deze knelpunten splitsen we uit in overbelaste componenten en spanningsproblemen bij klanten. Om deze knelpunten op te lossen, breiden we onze LSnetten uit. Dit doen we primair via twee verschillende werkstromen. • Buurtaanpak: De Buurtaanpak is de primaire werkstroom voor het uitbreiden van onze LS-netten. In de Buurtaanpak breiden we onze LS-netten op een planmatige, geclusterde manier uit op basis van de CBS-buurtindeling. Het doel van de Buurtaanpak is om onze LS-netten op een efficiënte manier toekomstvast uit te breiden. Dit houdt in dat we in het ontwerp rekening houden met de elektrificatie van de warmtevoorziening en van het vervoer, tenzij anders bekend (zoals een collectieve warmteoplossing).
44 Capaciteitsknelpunten en uitbreidingsinvesteringen
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
• Kleinschalige (reactieve) aanpak: In LS-netten waar al een knelpunt ontstaat, maar de buurt als geheel nog niet geprioriteerd is voor de Buurtaanpak, lossen we het knelpunt op met een kleinschaligere aanpak. Hoe meer we met de Buurtaanpak kunnen oplossen, hoe kleiner deze werkstroom is. Door deze kleinschalige aanpak naast onze Buurtaanpak op te zetten, verwachten we het risico op storingen te verkleinen. Voor de Buurtaanpak vindt de prioritering plaats op basis van het risiconiveau in een buurt, wat afhankelijk is van de verschillende knelpunten. Omdat de toekomst veranderlijk is en een buurt relatief klein qua schaal, herijken we de prioritering periodiek met de laatste inzichten. In de praktische uitwerking van het prioriteringskader zijn capaciteitsknelpunten op basis van de overbelasting van assets grotendeels leidend. De potentiële gevolgen van overbelaste assets zijn namelijk groter dan van veel spanningsknelpunten, omdat overbelaste assets kunnen leiden tot uitval van gehele netten en schade aan het elektriciteitsnet. Met de netuitbreidingen die we doen, lossen we op die plekken ook spanningsproblemen op. We zien dat het niet haalbaar is om alle knelpunten op onze laagspanningsnetten tijdig op te lossen via deze werkstromen. De komende jaren blijven we onze aanpak voor het oplossen van knelpunten in de LS-netten verbeteren.
Zo onderzoeken we nieuwe oplossingen, zoals een spanningsregeling voor onze HS/MS-transformatoren, waarmee we spanningsproblemen kunnen oplossen zonder dat dit extra netinvesteringen vergt. Daarnaast blijven we onze investeringsprogramma's zoals de Buurtaanpak evalueren om die te optimaliseren. Ontwikkeling knelpunten laagspanningsnetten (voor investeringen) De cijfers in deze paragraaf geven knelpunten weer die ontstaan als we geen investeringen uitvoeren. We verwachten dat het aantal capaciteitsknelpunten in onze MS/LS -transformatoren toeneemt tot >4.700 in 2035, wat neerkomt op ongeveer 20% van onze MS/LS-transformatoren. Richting 2035 stijgt het aantal kabelknelpunten tot >1.300 hoofdkabels. Specifiek voor kabels zien we het risico dat we het aantal knelpunten in de prognoses onderschatten, doordat elektrisch vervoer en warmtepompen een groter effect hebben op de belasting van onze kabels dan nu is voorspeld. Hoe lager in het net, hoe lastiger belastingen te voorspellen zijn. Doordat we kabelknelpunten oplossen in de Buurtaanpak en deze vaak samenvallen met transformatorknelpunten verwachten we niet dat dit tot onbeheersbare risico's leidt. Door ook in te zetten op een reactieve aanpak zorgen we er daarbij voor dat we onvoorziene knelpunten, of die nu op kabel- of op transformatorniveau plaatsvinden, zo goed mogelijk aanpakken.
Wat spanningsproblemen betreft schatten we in dat op dit moment ongeveer 70.000 klanten met enige regelmaat getroffen worden door een te hoge of lage spanning. Volgens onze prognoses kan het aantal klanten dat spanningsproblemen ervaart tot 2030 oplopen tot ongeveer 225.000. Dit is te zien in grafiek 6.1.1.1.
#spanningsknelpunten
250.000
200.000
150.000
100.000
50.000 2027
2028
2029
2030
2031
2032
2033
2034
2035
87818
Grafiek 6.1.1.1 Ontwikkeling (cumulatief) aantal spanningsknelpunten LS
Capaciteitsknelpunten en uitbreidingsinvesteringen
45
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
#knelpunten
6.000
4.000
2.000
0 2026
2027
2028
MS/LS transformatorknelpunten
2029
2030
2031
2032
2033
2034
2035
LS kabelknelpunten
Grafiek 6.1.1.2 Ontwikkeling (cumulatief) aantal capaciteitsknelpunten LS Benodigde investeringen in de laagspanningsnetten In tabel 6.1.1.1 staat het aantal knelpunten dat we per jaar moeten oplossen om onze doelstellingen te behalen. Hierbij nemen we aan dat we de achterstand in bestaande knelpunten in de komende 5 jaar wegwerken.
MS/LS tranformatoren LS-kabel Klanten met spanningsproblemen
Eenheid Knelpunten Knelpunten Knelpunten
2026 281 150 25561
2027 426 70 32754
2028 466 80 34739
Tabel 6.1.1.1 Aantal op te lossen knelpunten per jaar naar type (ongelimiteerd)
In tabel 6.1.1.2 is te zien dat we, om al deze knelpunten op te lossen, de komende jaren tot 350 zogenoemde ‘referentiebuurten’ per jaar moeten aanpakken. Buurten variëren sterk qua grootte en werkpakket; daarom vertalen we het werk naar referentiebuurten. Dit is het werkpakket in een gemiddelde buurt. Daarnaast komt er nog een relatief klein werkpakket aan kleinschalige oplossingen per jaar bij voor de gebieden met kleinere knelpunten. Hiervoor geven we aan in hoeveel LS-netten we met deze aanpak aan het werk moeten gaan.
Buurtaanpak Reactief kleinschalige aanpak
Eenheid Buurten LS-netten
2026 145 29
2027 303 24
2028 353 15
Tabel 6.1.1.2 Werkpakket buurtaanpak en kleinschalige aanpak per jaar (ongelimiteerd)
Opgeloste knelpunten laagspanningsnetten Tabel 6.1.1.3 laat vervolgens zien hoeveel knelpunten we per jaar met het maakbare werkpakket kunnen oplossen, per type knelpunt. De tabel laat zien dat niet alles maakbaar is, waardoor het aantal knelpunten in de LS-netten de komende jaren toeneemt. Dit brengt een verhoogd risico op storingen met zich mee, waar we rekening mee moeten houden in onze storingsorganisatie. Met de kleinschalige aanpak zetten we zo effectief mogelijk in op het oplossen van de meest kritieke knelpunten voordat er storingen ontstaan. Al zullen we ook daarmee uitval door overbelasting niet altijd kunnen voorkomen.
MS/LS tranformatoren LS-kabel Klanten met spanningsproblemen
Eenheid Knelpunten Knelpunten Knelpunten
Tabel 6.1.1.3 Opgelost aantal knelpunten per jaar naar type (maakbaar)
46 Capaciteitsknelpunten en uitbreidingsinvesteringen
2026 150 4 2181
2027 180 43 4627
2028 327 52 6444
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
Maakbare investeringen laagspanningsnetten In tabel 6.1.1.4 is te zien hoeveel buurten en netten we verwachten aan te pakken de komende jaren. Het kleinschalige werkpakket is groter dan te zien in tabel 6.1.1.2, doordat we minder met de Buurtaanpak kunnen oppakken dan we zouden willen. Hierdoor blijven er meer urgente knelpunten over die we via de kleinschalige aanpak oplossen. Eenheid Buurten LS-netten
Buurtaanpak Kleinschalige aanpak
2026 66 101
2027 140 59
2028 195 41
Tabel 6.1.1.4 Werkpakket buurtaanpak en kleinschalige aanpak per jaar (maakbaar)
6.1.2. Majeure capaciteitsknelpunten Majeure capaciteitsknelpunten betreffen onder andere de koppelpunten met TenneT, als ook onze 66-, 50-, 30- en 25kV transportnetten.
#knelpunten
300
200
100
0 2026
2027
Koersvaste Middenweg (KM)
2028
2029
2030
Eigen Vermogen (EV)
2031
2032
Gezamenlijke Balans (GB)
2033
2034
2035
Investeringslijn IP2026
Grafiek 6.1.2.1 Knelpunten per scenario (cumulatief) en investeringslijn IP2026 Grafiek 6.1.2.1 toont de toename van majeure knelpunten over de periode 2026-2035 voor de verschillende scenario’s. In het IP2024 verwachtten we een groei van tussen de 144 en 162 capaciteitsknelpunten; bij de huidige doorrekening komen er tussen de 195 en 250 knelpunten naar voren. De toename in knelpunten komt overeen met de steeds sterker toenemende vraag aan transportcapaciteit in Nederland. De grafiek toont ook de investeringslijn van het IP2026. Hierbij is te zien dat het niveau van investeren minimaal tot 2035 achterloopt op de ontwikkelingen van de knelpunten. Hierom is er in een groot deel van ons verzorgingsgebied congestie afgekondigd. Op de lange termijn is een duidelijke versnelling in de investeringen zichtbaar, maar het lukt ons nog niet om de achterstand volledig in te halen binnen de zichtperiode van dit IP.
Capaciteitsknelpunten en uitbreidingsinvesteringen
47
Inhoudsopgave
Inleiding
Profiel
Methodiek
Prioritering
Scenario's
Capaciteit
Kwaliteit
Overige knelpunten
Totale investeringen
Bijlage
2034
2035
#knelpunten
75
50
25
0 2026
2027
Koersvaste Middenweg (KM)
2028
2029
2030
Eigen Vermogen (EV)
2031
2032
2033
Gezamenlijke Balans (GB)
Grafiek 6.1.2.2 Knelpunten per scenario per jaar Grafiek 6.1.2.2 geeft een globaal beeld van de ontwikkelingen per scenario. De specifieke knelpunten, inclusief het jaar dat ze optraden, zijn per scenario omschreven in bijlage 10.6 en 10.7. Hierin staat per knelpunt ook welke maatregel we nemen om het op te lossen.
6.1.3. Tijdig oplossen majeure capaciteitsknelpunten elektriciteit Naast de verwachte capaciteitsknelpunten is onze investeringslijn van het IP2026 in grafiek 6.1.2.1 afgebeeld. Het maakbaarheidsgat heeft congestie tot gevolg in ons verzorgingsgebied (zie Congestie | Stedin voor een actueel overzicht). Er zijn verschillende oorzaken waardoor we capaciteitsknelpunten niet tijdig kunnen oplossen. Dit zijn volgens ons de belangrijkste oorzaken: • • • •
Beperkte uitvoeringscapaciteit/beschikbaarheid van voldoende technisch personeel. Beschikbaarheid van fysieke ruimte en doorlooptijd van bestemmings- en vergunningsprocedures. Schaarste aan strategische materialen en grondstoffen. Noodzakelijke aanpassing van het landelijke hoogspanningsnet is nog niet gereed. Dit soort aanpassingen zijn omvangrijk en kennen daardoor een lange doorlooptijd. • Externe ontwikkelingen zorgen ervoor dat we onze eigen planning moeten aanpassen om op de lange termijn de juiste oplossing te vinden. Bijvoorbeeld wijzigende wet- en regelgeving, zoals het stikstofbeleid. Beperkte uitvoeringscapaciteit: Ondanks wervingscampagnes en eigen opleidingsvoorzieningen kampen we, net als veel andere technische bedrijven, met een tekort aan technisch personeel. We proberen met gerichte campagnes de juiste werknemers aan te trekken. Hierbij ligt er ook een focus op het opleiden van eigen personeel. Omdat het werk bij een netbeheerder specifiek van aard is, kan het opleidings- en inwerktraject voor technisch personeel meerdere jaren duren. Naast het opleiden en aannemen van nieuwe werknemers richten wij ons ook op efficiënter werken en andere oplossingen waarmee de druk op menselijke uitvoeringscapaciteit verlaagd wordt. We zijn continu bezig met het optimaliseren van uitvoeringsprocessen om onze efficiëntie zo hoog mogelijk te krijgen.