CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

2024 54 Bijlage 2 PlanMER-NPLG-december 2023

Gemeenteraad 28 maart 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken39.386 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Toelichting sociaaleconomische effecten in de gebiedsprogramma’s Inzicht in de verwachte sociaaleconomische effecten van het gebiedsprogramma is nodig, om zicht te krijgen op de bredere effecten van de transitie in het landelijk gebied. Provincies moeten daarom een sociaaleconomische effectenanalyse opnemen in hun gebiedsprogramma. Wat de sociaaleconomische effecten van een programma zijn, zal verschillen per regio. Provincies maken de sociaaleconomische effectenanalyse omdat juist zij gebruik kunnen maken van de praktijkkennis en expertise binnen de provincie zelf. Resultaten van de analyse kunnen door provincies gebruikt worden voor het afwegen van maatregelen, bij het maken van keuzes in de manier waarop de doelen worden bereikt, en welk eventueel flankerend beleid passend is. De sociaaleconomische effecten zoals door de provincies aangeleverd worden meegewogen in de integrale beoordeling van de gebiedsprogramma’s door het Rijk. Het kabinet zal deze analyses in samenhang bezien en benutten voor een nadere afweging, als ook om te bepalen of er aanvullend beleid nodig is.

64

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Het Rad van de Leefomgeving ten behoeve van het NPLG

PlanMER

Figuur 4‑2: Rad van de Leefomgeving ten behoeve van het NPLG

Het Rad van de Leefomgeving ten behoeve van het NPLG

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

65

PlanMER

4.1.2 Beoordelingskader ten behoeve van het NPLG Indicatoren De indicatoren worden gezien als een goede weerspiegeling van de factoren waarop het NPLG effecten zal hebben in het landelijk gebied. Er wordt per indicator naar de huidige situatie en naar de fysieke trends en ontwikkeling van de afgelopen decennia gekeken en deze worden vervolgens, waar mogelijk, doorgetrokken naar de toekomst.

Voor het beschrijven van de referentiesituatie en de effecten is gekozen voor drie hoofdthema’s; Economische omgeving (zie Tabel 4‑1), Veilige en gezonde leefomgeving (zie Tabel 4‑2) en Goede omgevingskwaliteit (zie Tabel 4‑3). De opgaven voor het landelijk gebied zijn groot en de ruimte beperkt. Het NPLG, zijnde het beleidsvoornemen, is een set aan ruimtelijke principes (de structurerende keuzes) waarmee expliciet op de ruimtelijke inrichting van het landelijk gebied wordt gestuurd. Vandaar dat Economische omgeving als hoofdthema is meegenomen in de beoordeling. Verwacht wordt dat de structurerende keuzes direct effect gaan hebben op de ruimtelijke indeling van het landelijk gebied. De thema’s Landelijk gebied, Natuur en Landbouw zijn daarom gekoppeld aan het hoofdthema Economische omgeving. Het thema Landelijk gebied kijkt naar de indicator Oppervlakte landelijk gebied. Het thema Natuur valt uiteen in de indicatoren Oppervlakte natuurgrond en Oppervlakte agrarisch natuurbeheer. Voor het thema Landbouw wordt gekeken naar de indicator Oppervlakte landbouw en wordt een beeld gevormd op basis van de indicatoren Aantal agrariërs en Inschatting verdienvermogen agrariërs. Onder het hoofdthema Veilige en gezonde leefomgeving vallen de thema’s Milieukwaliteit en gezondheid en Klimaat.

Het thema Milieukwaliteit en gezondheid bestaat uit de indicator Milieugezondheidsrisico’s die gaan over geurhinder, fijnstof, dierziekten en zoönosen en volksgezondheid. Hier zijn in het NPLG geen doelen voor geformuleerd. Verwacht wordt wel dat met het uitwerken van de structurerende keuzes rekening gehouden wordt met deze indicatoren. Deze indicatoren zijn gekozen omdat deze een duidelijke relatie hebben met de landbouw en deze gekoppeld zijn aan de maatschappelijke discussie over het landelijk gebied. Klimaat als thema is afgeleid uit de doelen van het NPLG. Hieronder worden de indicatoren Emissie broeikasgassen en Vastlegging koolstof meegenomen. Onder het hoofdthema Goede omgevingskwaliteit vallen de thema’s Natuur, Water, Bodem en Landschap en ruimtelijke kwaliteit. De eerste drie thema’s hebben samenhang met de doelen van het NPLG. Onder het thema Natuur vallen de indicatoren Emissie stikstof, Biodiversiteit, Abiotische omstandigheden, Areaal natuurgebieden, Connectiviteit natuurgebieden en Hydrologische condities Natura 2000-gebieden. Onder het thema Water vallen de thema’s Ecologische kwaliteit oppervlaktewater en Chemische kwaliteit oppervlaktewater. Onder het thema Bodem vallen de indicatoren Kwalitatieve toestand grondwaterlichamen, Kwantitatieve toestand grondwaterlichamen en Bodemdaling landelijk gebied.

Onder het thema Landschap en ruimtelijke kwaliteit vallen de indicatoren Belevingswaarde, Gebruikswaarde en Toekomstwaarde. Voor de indicatoren vallend onder Landschap en ruimtelijke kwaliteit zijn in het NPLG geen aparte doelen geformuleerd, maar het raakt wel direct de opgaven van het NPLG, namelijk het toekomstbestendig ontwikkelen van het landelijk gebied en het beschermen en bevorderen van een vitaal landelijk gebied. Dit planMER beschrijft niet alleen de effecten van het NPLG, maar geeft daarmee ook aandachtspunten mee voor de uitwerking op provinciaal niveau.

Hoofdthema Economische omgeving Tabel 4‑1: Beoordelingskader van het NPLG voor het hoofdthema Economische Omgeving

Thema

Indicator

Nadere uitwerking t.b.v. effectbepaling

Landelijk gebied

Oppervlakte landelijk gebied

Verandering in oppervlakte

Oppervlakte natuurgrond

Verandering in oppervlakte

Oppervlakte agrarisch natuurbeheer

Verandering in oppervlakte

Oppervlakte landbouw

Verandering in oppervlakte landbouw

Aantallen agrariërs

Verandering in het aantal agrariërs

Verdienvermogen van agrariërs

Verandering in het verdienvermogen

Natuur

Landbouw

66

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Beoordelingskader ten behoeve van het NPLG

PlanMER

Hoofdthema Veilige en gezonde leefomgeving Tabel 4‑2: Beoordelingskader van het NPLG voor het hoofdthema Veilige en gezonde leefomgeving

Thema

Indicator

Nadere uitwerking t.b.v. effectbepaling

Milieukwaliteit en gezondheid

Milieugezondheidsrisico’s

Verandering in omvang van het milieugezondheidsrisico’s (volksgezondheid, geurhinder, fijnstof, dierziekten en zoönosen)

Emissie broeikasgassen

Verandering in emissie van broeikasgassen (CO2, N2O en CH4)

Vastlegging koolstof

Verandering in vastlegging van koolstof

Klimaat

Hoofdthema Goede omgevingskwaliteit Tabel 4‑3: Beoordelingskader van het NPLG voor het hoofdthema Goede omgevingskwaliteit

Thema

Indicator

Nadere uitwerking t.b.v. effectbepaling

Emissie stikstof

Verandering in de uitstoot van de hoeveelheid stikstof (ammoniak en stikstofoxiden)

Biodiversiteit

Verandering in de biodiversiteit

Abiotische omstandigheden

Verandering in de belasting (verzuring, verdroging en stikstofdepositie) op abiotische omstandigheden t.b.v. het duurzaam in stand houden van soorten en habitats

Areaal natuurgebieden

Verandering in het areaal van natuurgebieden

Connectiviteit natuurgebieden

Verandering in de ruimtelijke condities van natuurgebieden

Natuur

Hydrologische condities Natura Verandering in de hydrologische condities N2000-gebieden 2000-gebieden Ecologische kwaliteit oppervlaktewater

Verandering in ecologische kwaliteit oppervlaktewater (o.a. door nutriënten)

Chemische kwaliteit oppervlaktewater

Verandering chemische kwaliteit oppervlaktewater (o.a. door gewasbeschermingsmiddelen)

Kwalitatieve toestand grondwaterlichamen

Verandering in kwaliteit grondwaterlichamen (o.a. door P en N en gewasbeschermingsmiddelen)

Kwantitatieve toestand grondwaterlichamen

Verandering in kwantiteit grondwaterlichamen

Bodemdaling landelijk gebied

Verandering in bodemdaling landelijk gebied

Belevingswaarde

Verandering in belevingswaarde (bebouwing, landgebruik, openheid, opgaand groen en historische lijnelementen)

Gebruikswaarde

Verandering in mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik

Toekomstwaarde

Verandering in aanpasbaarheid van ruimtegebruik

Herkomstwaarde

Verandering in herkomstwaarde

Water

Bodem

Landschap en ruimtelijke kwaliteit

Beoordelingskader ten behoeve van het NPLG

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

67

PlanMER

Notie over stikstof In de doelstellingen van het NPLG is aangegeven dat stikstofdepositie op N2000-gebieden moet worden teruggedrongen. Een belangrijk deel van de betreffende stikstofverbindingen, met name ammoniak, is afkomstig van de landbouw. Idealiter, als er sprake is van een gesloten kringloop, komt er uit de landbouw geen onbenut stikstof vrij. In dat geval is sprake van een gesloten kringloop, zonder verliesposten. De emissie van stikstof naar de lucht kan worden beschouwd als een verliespost uit de stikstofkringloop. Maar naast de emissie van stikstof naar de lucht is er nog een verliespost, die in omvang zelfs nog groter is, namelijk het verlies via de bodem. Het totale stikstofverlies wordt veroorzaakt doordat er posten zijn die stikstof aan het systeem toevoegen. Deze posten zijn bijvoorbeeld krachtvoer gebruik in de veehouderij en kunstmest gebruik. De effecten van stikstofemissie naar lucht komen in de effectbeoordeling aan de orde in de Indicator ‘Emissie stikstof’ onder het Thema ‘Natuur’. De effecten van emissie naar de bodem komen terug in de Indicator ‘Kwalitatieve toestand grondwaterlichamen (waaronder concentraties stikstof) onder het Thema ‘Bodem’ en in de Indicator ‘Ecologische waterkwaliteit’ onder het Thema Water.

Toegevoegde nutriënten (dus naast stikstof ook fosfaat) die niet door gewassen worden opgenomen komen immers terecht in het grondwater of via oppervlakkige afstroming in het oppervlaktewater. Om de verliezen van stikstof te verminderen is het nodig om de aanvoer van stikstof ook te verlagen, en goed af te stemmen met de gewasgroei. Dat betekent minder gebruik van krachtvoer én minder en efficiënter gebruik van kunstmest. Als de bedrijfsvoering van een veehouderij wordt gestopt betekent dat onder andere een vermindering van de emissie van stikstof naar de lucht en heeft dat, met name wanneer de veehouderij is gelegen in de nabijheid van een N2000-gebied, positieve effecten op de natuur. Als er voor de veehouderij bijvoorbeeld een intensief akkerbouw- of tuinbouwbedrijf in de plaats komt kan dat weer negatieve effecten hebben op grondwater- en oppervlaktewaterkwaliteit. Daarom moet er bij de transitie van het landgebruik voor worden gewaakt dat de winst die wordt geboekt met het wegnemen van de ene belastende vorm van landbouw niet wordt verruild voor een andere belastende vorm van landbouw.

4.2 Beoordeling referentiesituatie en trends Omdat de begrippen huidige situatie, autonome ontwikkeling, trends en ontwikkelingen en referentiesituatie nog wel eens tot onduidelijkheden leiden is hieronder een kader opgenomen dat aangeeft hoe hier in het planMER mee om is gegaan.

Huidige situatie De huidige situatie beschrijft de situatie in 2023 (gebaseerd op de meest recente kentallen). Trends Meestal wordt er in een planMER gekeken naar de autonome ontwikkelingen, de situatie zoals die te verwachten is op de te hanteren tijdshorizon zonder dat het voornemen wordt uitgevoerd. Er wordt dan gekeken naar de besluiten die vast liggen. Het gaat dan om trends en ontwikkelingen die verwacht worden als het voornemen niet wordt uitgevoerd. Voor het NPLG is er gekozen om te kijken naar de trends die te zien zijn op basis van data van de afgelopen jaren, waarbij gebruik gemaakt is van bronnen zoals het PBL of CLO. De jaren waarnaar gekeken is, is afhankelijk van de beschikbare informatie. Referentiesituatie De referentiesituatie (ook wel het nulalternatief genoemd) is de situatie als er geen NPLG komt. De referentiesituatie is gebaseerd op het doortrekken van de beschreven trends op de huidige situatie. De vergelijking tussen de situatie zoals verwacht met het NPLG en de referentiesituatie laat de effecten van het NPLG zien.

68

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Beoordeling referentiesituatie en trends

PlanMER

Als vertrekpunt voor de effectbeschrijving is de huidige staat van de leefomgeving (huidige situatie) en referentiesituatie voor de belangrijkste thema’s per indicator in beeld gebracht. Zowel de huidige situatie als de referentiesituatie is kwalitatief beschreven en gewaardeerd met een score. Dit is gedaan op basis van recente literatuur en van expert judgement. De resultaten van deze exercitie vormen tezamen de referentiesituatie en zijn samengevat in een cirkeldiagram (zie onderstaande Figuur 4‑3). Vervolgens worden de effecten van het voornemen vergeleken met deze referentiesituatie.

Figuur 4‑3: Beoordeling huidige en referentiesituatie

Onder een indicator kunnen meerdere onderdelen worden bekeken. Zo vallen er onder de indicator Emissie broeikasgassen verschillende gassen. Er wordt geen afweging in zwaarte gemaakt tussen de verschillende onderdelen in de beoordeling van de huidige staat en de trends. De uiteindelijke score is een expert oordeel en daarmee een indicatie van de algemene huidige staat en de trends. Voor de indicatoren die vallen onder het hoofdthema Economische omgeving wordt geen beoordeling van de referentiesituatie en trends gegeven. Dit is niet gedaan, omdat er geen objectief afwegingskader is in het beleid waaraan een oordeel getoetst kan worden. De score voor huidige situatie en de trends per indicator is in een tabel weergegeven. De huidige situatie en trends zijn gelijk voor elk van de structurerende keuzes.

Omgang met indicatoren waarvan (meet)gegevens niet of onvoldoende voorhanden zijn Het kan zijn dat voor indicatoren onvoldoende gegevens beschikbaar zijn of dat bijvoorbeeld de meetmethode ondertussen is gewijzigd. Dit betekent dat voor indicatoren mogelijk niet of weinig informatie beschikbaar is over de huidige staat en mogelijke trend. Waar relevant (als geen uitspraken over effecten gedaan kunnen worden in het planMER) zal dit worden aangegeven.

Beoordeling referentiesituatie en trends

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

69

PlanMER

4.3 Beoordeling voornemen Op basis van de informatie uit in paragraaf 'De doelen van het NPLG' is voor elk van de structurerende keuzes per indicator gekeken welk effecten kunnen worden verwacht. Voor de waardering van effecten is een driepuntsschaal gehanteerd (zie Tabel 4‑4). Tabel 4‑4: Schaal voor de waardering van effecten t.o.v. de referentiesituatie

Waardering

Toelichting

↑ groene pijl omhoog

Kans op positief effect

• donkerblauwe stip

Geen of nagenoeg geen gevolgen

↓ rode pijl omlaag

Kans op negatief effect

n.t.b.

Niet te beoordelen

Voor de waardering van de effecten ten opzichte van de referentiesituatie is de volgende redenering gevolgd: • Vaak is niet meteen te zeggen of het optreden van een effect aannemelijk is. In veel gevallen is dan wel in te schatten of een kans op optreden van effecten verwacht mag worden. Kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten zijn in geval van een positief effect weergegeven met een groene pijl omhoog (↑) en in geval van de kans op negatief effect met een rode pijl omlaag (↓). Per indicator kunnen zich zowel kansen als risico’s voordoen. Meerdere pijlen per indicator behoort dan ook tot de mogelijkheid. • Als er nauwelijks of geen effect verwacht wordt dan wordt dit met een donkerblauwe stip (•) weergegeven. • Ook is het in sommige gevallen mogelijk dat een eenduidige beoordeling niet te geven is. Dit is aangegeven door de waardering ‘niet te beoordelen’ (n.t.b.). Een rede voor het geven van deze score is dat de effecten van een bepaalde structurerende keuze nog niet in te schatten zijn, of dat het niet mogelijk is op basis van de huidige gegevens en informatief. Voor elk van de structurerende keuzes is een aparte tabel opgesteld met daarin per indicator de beoordeling zoals hierboven beschreven.

De indicatoren voor Economische omgeving worden niet beoordeeld, omdat hierover geen objectief waardeoordeel kan worden toegekend op grond van bestaande beleidskaders. Wel worden het effect op de oppervlakte landbouwgrond en het verdienvermogen van agrariërs beschreven.

Boordeling van de variaties op de structurerende keuzes Voor een aantal van de structurerende keuzes zijn variaties geformuleerd. De effecten van de variaties worden globaal beoordeeld ten opzichte van het voornemen.

Effectbepaling op basis van expert judgement Aansluitend op het strategische karakter van het NPLG zijn effecten alleen globaal en op basis van expert judgement in beeld gebracht. Er bestaat onzekerheid over de wijze waarop het beleid uiteindelijk wordt uitgevoerd (welke maatregelen waar zullen worden genomen) én onzekerheid over de implicaties die het beleid op lange termijn dan zal hebben voor de fysieke leefomgeving. Er worden daarom alleen kwalitatieve effectbeoordelingen gedaan. Bij het opstellen van een planMER voor de provinciale programma’s, indien daar door de provincie voor wordt gekozen, kunnen indicatoren alsnog waar mogelijk kwantitatief worden beoordeeld. Bij het beschouwen en beschrijven van effecten wordt pragmatisch omgegaan met overlap en relaties tussen indicatoren; sommige indicatoren kennen onderlinge relaties en kunnen onder meerdere perspectieven of aspecten worden beschouwd. Uitgangspunt is dat effecten maar op één plek worden beschouwd en dat daarbij op die plek ook wordt ingegaan op eventuele relaties met andere indicatoren en indirecte effecten.

70

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Beoordeling voornemen

PlanMER

5 Referentiesituatie In dit hoofdstuk worden de huidige situatie en de trends voor het landelijk gebied beschreven per hoofdthema en onderliggende thema’s voor alle indicatoren. De referentiesituatie is voor een belangrijk deel gebaseerd op beschikbare relevante literatuur. Waar dit het geval is zijn bronvermeldingen toegevoegd. Waar bronvermeldingen ontbreken is uitgegaan van expert judgement.

5.1 Economische omgeving Voor het hoofdthema Economische omgeving worden drie thema’s besproken: Landelijk gebied, Natuur en Landbouw. Voor het thema Landelijk gebied wordt de indicator Oppervlakte landelijk gebied gebruikt. Voor het thema Natuur worden de indicatoren Oppervlakte natuurgrond en Oppervlakte agrarisch natuurbeheer gebruikt. Voor het thema Landbouw worden de indicatoren Oppervlakte landbouw, Aantallen agrariërs en Inschatting verdienvermogen agrariërs gebruikt. In onderstaand kader wordt eerst aangegeven waarom deze indicatoren gekozen zijn voor dit hoofdthema. Daarna wordt de ruimtelijke indeling van Nederland beschreven, waarna voor elke indicator de huidige situatie en de trends worden beschreven.

Waarom deze indicatoren? Ruimte in het landelijk gebied van Nederland is schaars. Naast de wens voor meer ruimte voor natuur is er vanuit de agrarische sector de roep om meer ‘vierkante meters’ c.q. areaal om aan hun maatschappelijke ‘extensiveringsopdracht’ te kunnen voldoen steeds groter. Ook voor bedrijfsontwikkeling is de toegang tot voldoende grond zeer belangrijk. Dan hebben we het natuurlijk over de ‘grondgebonden landbouwsectoren’. Dus enerzijds vanuit maatschappelijke wensen en anderzijds vanuit bedrijfsontwikkeling is grond/areaal een cruciale factor. Vandaar dat Oppervlakte landbouw als belangrijke indicator wordt beschouwd. Echter zijn ook sociaaleconomische factoren van belang; vandaar dat ook aandacht wordt besteed aan het aantal agrariërs en het verdienvermogen. Duidelijk zal zijn dat het verdienvermogen zowel uit economisch oogpunt van belang is voor de ondernemer zelf, maar in bredere zin ook voor de lokale gemeenschap. Dit is met name het geval in sommige plattelandsgemeentes (en zeker op dorpsniveau) waar de ‘agrofoodsector’ een economische factor van belang is. Hier is de agrarische sector soms de grootste sector in de gemeente. Uit sociale optiek is eveneens het aantal agrariërs van belang. In veel plattelandsgemeentes zijn zij vaak al decennialang een belangrijke factor in de sociale structuur en zijn zij hecht verbonden met de gemeenschap.

Denk hierbij ook aan nieuwe diensten die de laatste jaren door agrariërs worden ingevuld: ‘dorpswinkel’, kinderopvang en als zorgboerderij. Ook kan worden gedacht aan het stallen van de ‘carnavalswagens’ of de praalwagens voor vele optochten.

De totale oppervlakte van Nederland is 4,15 miljoen hectare (41.530 km²), inclusief binnen- en buitenwater (zie Figuur 5‑1) (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023a). In 2017 werd meer dan de helft hiervan gebruikt voor de agrarische sector. Ongeveer een derde was natuur, water of in gebruik voor recreatie. Natuur bestaat uit bos en open natuur (moerassen, wetlands, duinen en heide) en bedekte 12,1% van het landoppervlak. Een relatief klein deel van het grondgebied van Nederland is bestemd voor bebouwing en wegen. In de afgelopen 20 jaar is het landgebruik in Nederland iets veranderd. Ruimte voor de landbouw is wat teruggelopen en de ruimte voor natuur, (binnen) water en recreatie wat opgelopen. Verder is er meer bebouwing gekomen in Nederland.

Referentiesituatie

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

71

PlanMER

Figuur 5‑1: Overzicht landgebruik in Nederland in 2017 en 1996 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023a)

72

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Economische omgeving

PlanMER

5.1.1 Landelijk gebied Onder dit thema wordt gekeken naar de huidige situatie en de trend voor de indicator Oppervlakte landelijk gebied.

Oppervlakte landelijk gebied Huidige situatie Landbouw vormt een belangrijke maar zeker niet de enige gebruiksvorm van het landelijk gebied. Er wordt gewoond en gerecreëerd, natuur beheerd, energie geproduceerd en geld aan toerisme verdiend. Welk oppervlakte het landelijk gebied in Nederland heeft, hangt af van de definitie die hiervoor gehanteerd wordt. Het NPLG definieert het landelijk gebied als het oppervlak van Nederland, exclusief het stedelijk gebied en de grote wateren. Het stedelijk gebied is de grond die wordt gebruikt voor een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen. Aan deze definitie is in het NPLG geen oppervlakte gekoppeld. Omdat de oppervlakte van het landelijk gebied afhangt van de definitie, is er geen eenduidig oppervlakte te geven. Op basis van data over de indeling van de ruimte van het Centraal Bureau van de Statistiek (2023a), is het wel een minimale inschatting te doen.

Als de oppervlakte van het agrarisch terrein, natuur en binnenwateren (exclusief de grote wateren) wordt genomen, is het landelijk gebied minimaal 2,9 miljoen hectare (ongeveer 70% van de totale oppervlakte van Nederland). Op meer dan drie kwart hiervan vindt agrarisch landgebruik plaats. In deze oppervlakte ontbreken de bebouwing, voorzieningen en infrastructuur in het landelijk gebied.

Trends Het minimale oppervlakte van het landelijk gebied lijkt tussen 1996 en 2017 iets te zijn teruggelopen (zie Tabel 5‑1). Een duidelijke trend kan hier niet worden beschreven, omdat er geen data bestaat over de oppervlakte van het landelijk gebied. Wel kan worden gezegd dat het oppervlakte voor landbouw iets is teruggelopen (zie ook paragraaf 'Landelijk gebied - indicator Oppervlakte landelijk gebied') en de oppervlakte voor bos en open natuurlijk terrein iets is toegenomen (zie ook paragraaf 'Natuur - indicator Oppervlakte natuurgrond'). Ook de oppervlakte van binnenwater is toegenomen in deze twintig jaar. Het grootste deel van het landelijk gebied wordt nog steeds gebruikt voor de landbouw. Tabel 5‑1: Overzicht minimale oppervlakte landelijk gebied in 2017 en 1996 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023a)

2017

1996

Verandering

Totale oppervlakte Nederland

ha

4.154.302

4.152.618

0,0%

Minimale oppervlakte landelijk gebied

ha

2.905.215 (69,9%)

2.992.487 (72,1%)

-2,9%

Totaal agrarisch terrein

ha

2.230.446 (76,8%)

2.360.381 (78,9%)

-5,5%

Totaal bos en open natuurlijk terrein

ha

501.461 (17,3%)

478.396 (16,0%)

4,8%

Totaal binnenwater (exclusief grote wateren)

ha

173.308 (6,0%)

153.710 (5,1%)

12,7%

Landelijk gebied

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

73

PlanMER

5.1.2 Natuur Onder dit thema wordt gekeken naar de huidige situatie en de trend voor de indicatoren Oppervlakte natuurgrond en Oppervlakte agrarisch natuurbeheer.

Oppervlakte natuurgrond Huidige situatie Oppervlakte natuurgrond is onder te verdelen in N2000/NNN-gebieden en de oppervlakte landnatuur buiten deze gebieden. Op dit moment bedekken de N2000-gebieden in Nederland meer dan 2 miljoen hectare, waarvan 85% bestaat uit open water, inclusief de kustwateren, Klaverbank, Friese Front, Doggersbank en Bruine Bank (zie Figuur 5‑2) (CLO, 2020a). Op het land is ongeveer 309.000 hectare aangewezen als N2000-gebied. Als de binnenwateren zoals rivieren, plassen, meren (waaronder het IJsselmeer) worden meegerekend, komt dit uit 570.000 hectare. De NNN-gebieden (exclusief de Rijkswateren) kennen een totale oppervlakte van 700.000 hectare (zie Figuur 5‑3). Dit betreft zowel landnatuur als binnenwateren. Vrijwel alle N2000-gebieden maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het oppervlakte landnatuur buiten deze gebieden bedraagt bijna 43.000 hectare (IPO & LNV, 2021). Landnatuur buiten de N2000- en NNN-gebieden worden ingedeeld volgens de beheertypen uit de Index Natuur en Landschap. Provincies stellen hier natuurbeheerplannen voor op.

Figuur 5‑3: De ligging van het Natuurnetwerk Nederland op het land in 2020, de N2000-gebieden op het land en de natuur buiten het NNN en de N2000 op het land (IPO & LNV, 2021)

Figuur 5‑2: N2000-gebieden (groene vlakken) in Nederland in 2023 (Natura 2000, 2023)

Een andere meer gebruikelijke onderverdeling is een onderverdeling in open natuur en bos. Het oppervlak aan natuur en bosgebieden in Nederland bedroeg in 2017 ruim 500.000 hectare (IPO & LNV, 2021). Meer dan 340.000 hectare (68%) hiervan was bos. Bijna 94.000 hectare (19%) was droge open natuur en meer dan 67.000 hectare (13%) was natte open natuur.

Trends De oppervlakte in km2 van N2000-gebieden in Nederland zijn te zien in Figuur 5‑4. Het oppervlak op land in vierkante kilometers is redelijk constant gebleven van 2011 tot 2021 (CLO, 2022b). Wel is te zien dat het oppervlak in mariene gebieden is gestegen. Hierbij is sprake van een positieve trend.

74

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Natuur

PlanMER

Figuur 5‑4: Oppervlakte N2000-gebieden in Nederland (CLO, 2022b)

Bij de introductie van het NNN in 1990, omvatte de bestaande natuur in het NNN volgens het Rijk een oppervlakte van 450.000 hectare (CLO, 2022b). Het doel was om dit oppervlakte in 2018 uitgebreid te hebben met ongeveer 250.000 hectare door de aanleg van nieuwe natuur (100.000 hectare reservaten en 50.000 hectare natuurontwikkeling) en agrarisch natuurbeheer (100.000 hectare). In 2013 hebben het Rijk en de provincies in het Natuurpact hun ambities vastgelegd om natuur in Nederland te behouden en te verbeteren t/m 2027. Het doel van het Natuurpact was om tussen 2011 en 2027 het oppervlakte van NNN-gebieden op land verder uit te breiden met 80.000 hectare tot een totaal van 769.000 hectare. Sinds de Natuurpact is het oppervlakte NNN gestaag gegroeid, maar dit gaat niet hard genoeg om het doel voor 2027 te behalen. Als de realisatie doorgaat in het tempo van de laatste vier jaar, zal de beoogde 80.000 hectare pas in 2030 zijn gerealiseerd (zie Figuur 5‑5). Bovendien hebben de provincies aangegeven dat de verwerving en functiewijziging van gronden voor nieuwe natuur in de komende jaren lastig zal zijn vanwege de afhankelijkheid van de medewerking van grondeigenaren. Het is daarom onwaarschijnlijk dat het gemiddelde tempo zonder extra inzet kan worden vastgehouden. Een deel van het begrensde NNN zal niet worden ontwikkeld tot natuurgebied.

Een klein gedeelte van het gebied wordt momenteel nog beschouwd als zoekgebied voor nieuwe natuur, terwijl een ander klein gedeelte zal worden gerealiseerd met agrarisch natuurbeheer of andere vormen van natuurinclusieve landbouw. De verwachte minimale oppervlakte natuur op land binnen het Natuurnetwerk is eind 2027 ongeveer 734.000 ha.

Natuur

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

75

PlanMER

Figuur 5‑5: Uitbereiding areaal Natuurnetwerk Nederland sinds 2011 (CLO, 2022b)

De oppervlakte bos en open natuur in Nederland is sinds 1996 toegenomen met 23.000 hectare (5%) (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023a). Het oppervlakte bos nam iets af (1%), maar de oppervlakte droge en natte open natuur nam toe met 10.000 (12%) en 16.000 hectare (32%) respectievelijk.

Oppervlakte agrarisch natuurgebied Huidige situatie Agrarisch natuurbeheer is een concept waarbij agrarische ondernemers verschillende maatregelen nemen op en rond hun bedrijf ten gunste van natuur en landschap (Wageningen University & Research, 2023). Het doel is om de omgeving van dieren te beschermen en verbeteren, de waterkwaliteit te verbeteren en de klimaatdoelen te halen. Veel soorten flora en fauna zijn afhankelijk van agrarische grond voor hun voortbestaan, maar ook de landbouw is afhankelijk van de aanwezigheid van flora en fauna, bijvoorbeeld voor plagenbestrijding. In 2020 was de oppervlakte agrarisch natuurbeheer in Nederland ruim 100.000 hectare (IPO & LNV, 2021). Dit is ruim 5% van het agrarisch areaal dat door middel van agrarisch natuurbeheer werd uitgevoerd. Daarbij moet wel de kanttekening worden geplaatst dat agrarisch natuurbeheer een grote variatie bevat aan maatregelen, met een grotere natuurwaarde bij zwaardere maatregelen als plas-dras percelen of landschapselementen en een lagere natuurwaarde bij bijvoorbeeld legselbeheer. In 2022 ontvingen 11.426 boeren subsidie voor agrarisch natuurbeheer op hun land (BoerenNatuur, 2022).

Trends Voor agrarisch natuurbeheer is er nog geen duidelijke trend zichtbaar omdat dit pas sinds een korte tijd wordt gemonitord (IPO & LNV, 2021). Wel nam het agrarisch natuurbeheer tussen 2019 en 2020 toe met 4.300 hectare, waardoor er een voorzichtige positieve trend te zien is. Het aantal boeren dat subsidie ontving voor agrarisch natuurbeheer is tussen 2016 en 2022 gestegen van 6.656 naar 11.426 (BoerenNatuur, 2022).

76

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Natuur

PlanMER

5.1.3 Landbouw Onder dit thema wordt gekeken naar de huidige situatie en de trend voor de indicatoren Oppervlakte landbouw, Aantallen agrariërs en Verdienvermogen van agrariërs.

Oppervlakte landbouw Huidige situatie Landbouw of agricultuur is het geheel van economische activiteiten waarbij de bodem wordt gebruikt voor de productie van planten en dieren, ten behoeve van de menselijke economie. Het kan hierbij gaan om de productie van voedings- en genotsmiddelen, om de productie van veevoeder, van grondstoffen en van siergewassen. Hoewel een scherpe indeling niet altijd gemaakt kan worden, deelt men de landbouw gewoonlijk op in akkerbouw, (niet-) grondgebonden veehouderij, en tuinbouw. De laatste categorie wordt weer onderverdeeld in open grond tuinbouw en glastuinbouw. Onder landbouw valt ook agrarisch natuurbeheer: beheer waarbij rekening wordt gehouden met natuur en landschap en waarvoor een kostendekkende vergoeding wordt ontvangen. In 2020 werd zo’n 2.000.000 hectare van Nederland gebruikt als landbouwgrond. Dit is ruim 60% van de totale oppervlakte van Nederland. Het grootste deel hiervan, zo’n 60%, was bestemd voor grasland en groenvoerdergewassen. Akkerbouw nam ongeveer 27% van de landbouwgrond in, open grond tuinbouw zo’n 5%, onder glas tuinbouw 1% en overige tuinbouw (waaronder bollenbroei, paddenstoelenteelt en witloftrek) de overige 8%.

Figuur 5‑6: Spreiding land- en tuinbouwbedrijven naar hoofdbedrijfstype in 2021 (CLO, 2022l)

Landbouw

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

77

PlanMER

De indeling van het agrarisch landgebruik in Nederland is gerelateerd aan de grondsoort. Op zware kleigrond komt relatief het meeste grasland voor, omdat zware klei moeilijk doorwortelbaar is en gras goed groeit onder die omstandigheden. Zavel- en lichte kleigrond wordt voornamelijk gebruikt voor bouwland, omdat dit goed doorwortelbaar is en vocht vasthoudt. Zandgronden zijn van nature minder geschikt voor landbouw omdat ze voedselarm zijn en grondwater er snel in wegtrekt. Door bemesting is landbouw mogelijk op zandgronden. Eeuwenlang deden boeren op zandgronden zowel aan akkerbouw als veeteelt. Tegenwoordig zijn de boeren op de zandgronden in het algemeen vooral gespecialiseerd in grondgebonden intensieve veeteelt. Veenweidegebieden worden met name gebruikt voor veeteelt en dan met name de melkveehouderij. De bodemeigenschappen binnen de veenweidegebieden zijn bepalend voor de geschiktheid voor melkveehouderij. Met name de beperkte mate van berijdbaarheid maakt het ongunstig voor reguliere weidebouw (slechte draagkracht), maar door een hogere voedingstoestand en een hoger organische-stofgehalte juist gunstig voor biologische weidebouw. Informatie over landbouw onderverdeeld naar kleigebieden, zandgebieden en veenweidegebieden is niet voorhanden en daarom in het kader van NPLG niet gespecificeerd.

Dit betekent dat er dan ook geen informatie is van het totaal aantal hectares landbouw op klei, zand en veenweidegebied en dus ook geen trend is aan te geven.

Trends De oppervlakte van Nederland die gebruikt wordt voor de landbouw is sinds 2000 gestaag afgenomen (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023b). In 20 jaar is er ongeveer 9% aan oppervlakte verdwenen. De snelste daling was bij de akkerbouw, waar ongeveer 17% verdween in 20 jaar. Grasland en tuinbouw onder glas namen beide ongeveer 5% af. Tuinbouw op open grond nam over de 20 jaar juist toe met 15%.

Figuur 5‑7: Ontwikkeling oppervlakte landbouw per type tussen 2000 en 2020 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023b)

Aantallen agrariërs Huidige situatie In Nederland waren er in 2022 50.980 agrarische bedrijven (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023b). Veel van deze bedrijven houden zich met meer dan één type landbouw bezig. Ongeveer 80% van de bedrijven is bezig met grasland en groenvoedergewassen. Meer dan 50% van de bedrijven heeft graasdieren (rundvee, schapen, geiten en paarden en pony’s) en ongeveer 10% heeft hokdieren (varkens, kippen, kalkoenen, slachteenden, overig pluimvee, konijnen en edelpelsdieren). Bijna 40% van de bedrijven is bezig met akkerbouw en bijna 20% met open grond tuinbouw. Daarnaast heeft ongeveer 7% van de bedrijven tuinbouw onder glas.

78

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Landbouw

PlanMER

Trends Over de afgelopen 20 jaar is het aantal agrarische bedrijven bijna gehalveerd, van 97.390 in 2000 naar 50.980 in 2022, een daling van 48% (zie Figuur 5‑8) (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023b). Het areaal cultuurgrond is in diezelfde tijd met 9% verminderd van 1.975.500 hectare naar 1.804.400 hectare, wat betekent dat het aantal hectares per bedrijf is toegenomen (van gemiddeld 20 ha per bedrijf in 2000 naar 35 ha per bedrijf in 2022, een stijging van 74%). Het aantal bedrijven met hokdieren daalde het hardst, met bijna 75%. Ook het aantal bedrijven met tuinbouw onder glas kromp met bijna 70%. Het aantal bedrijven met tuinbouw op open grond en het aantal bedrijven met grasland en groenvoedergewassen daalde het lichtst met beide ongeveer 40%.

Figuur 5‑8: Aantal agrarische bedrijven in Nederland tussen 2000 en 2022 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023b)

Verdienvermogen van agrariërs Huidige situatie In 2022 was het gemiddelde inkomen voor agrarische bedrijven €100.000 per onbetaalde arbeidsjaareenheid (zie Figuur 5‑9) (Wageningen University & Research, 2022). Omdat het inkomen van agrariërs jaarlijks fluctueert, bijvoorbeeld door vogelgriep en varkenspest of verlies van oogsten door droogte, is er gekeken naar het gemiddelde van de afgelopen vijf jaar. Er zaten grote verschillen tussen het verdienvermogen van agrarische bedrijven in verschillende sectoren. Groentebedrijven hadden het hoogste gemiddelde inkomen van €289.000 per onbetaalde arbeidsjaareenheid. Ook glastuinbouwbedrijven hadden een hoog inkomen met €203.000 per onbetaalde arbeidsjaareenheid. Fruitbedrijven hadden daarentegen het laagste gemiddelde inkomen met €35.000. Ook de verschillende typen varkensbedrijven en melkveelbedrijven hadden een lager gemiddeld inkomen. Gemiddeld ontvingen agrarische bedrijven €71.000 per onbetaalde arbeidsjaareenheid.

Landbouw

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

79

PlanMER

Figuur 5‑9: Gemiddeld inkomen uit bedrijf per onbetaalde arbeidsjaareenheid tussen 2018 en 2022 (Wageningen University & Research, 2022)

Trends Als wordt gekeken hoe het gemiddelde inkomen van agrariërs per onbetaalde arbeidsjaareenheid zich over de jaren ontwikkelt, is te zien dat dit sterk fluctueert, per jaar (zoals hierboven beschreven) en per type bedrijf. Als wordt gekeken naar gemiddelden over vijf jaar, is een positieve trend te zien voor de gehele land- en tuinbouwsector (zie Figuur 5‑10). Zo hadden zetmeelaardappelbedrijven tussen 2010 en 2015 een hoger inkomen, dat daarna weer af nam. Bij akkerbouwbedrijven is dezelfde trend te zien, behalve dat het gemiddelde inkomen weer stijgt in recente jaren. Voor fruitbedrijven was een stijgende trend te zien, maar deze is de laatste jaren ook aan het dalen. Toch kan over het algemeen worden gesteld dat er een positieve trend is voor het gemiddelde nominaal inkomen van agrariërs per onbetaalde arbeidsjaareenheid.

Figuur 5‑10: Gemiddeld inkomen uit bedrijf per onbetaalde arbeidsjaareenheid tussen 2001 en 2022 (gemiddelde over 5 jaar) (Wageningen University & Research, 2022)

80

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Landbouw

PlanMER

5.2 Veilige en gezonde leefomgeving Voor het hoofdthema Veilige en gezonde leefomgeving worden twee thema’s besproken: Milieukwaliteit en gezondheid en Klimaat. Voor het thema Milieukwaliteit en gezondheid wordt de indicator Milieugezondheidsrisico’s gebruikt. Voor het thema Klimaat worden de indicatoren Emissie broeikasgassen en Vastlegging koolstof gebruikt.

5.2.1 Milieukwaliteit en gezondheid Onder dit thema wordt gekeken naar de huidige situatie en de trend voor de indicator Milieugezondheidsrisico's. In onderstaand kader wordt eerst aangegeven waarom deze indicatoren gekozen zijn voor dit thema. Daarna wordt voor de indicator de huidige situatie en de trends beschreven.

Waarom deze indicator? Geurhinder, fijnstof, dierziekten en zoönosen en volksgezondheid zijn nauw verbonden met de veehouderij als geheel, maar is extra relevant bij de niet-grondgebonden landbouw, onder andere doordat de vee dichtheid binnen deze sector vaak relatief hoog is. Geurhinder kan voorkomen voor werknemers en omwonenden van veehouderijen en overschrijdingen van fijnstofconcentraties komen voor rond veehouderijen. Dierziekten en zoönosen kunnen een bedreiging vormen en ook zijn er risico’s voor gezondheid bekend voor omwonenden van veehouderijen.

Milieugezondheidsrisico's Huidige situatie Volksgezondheid Er bestaan in de maatschappij veel zorgen over de gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van veehouderijen (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2022). Uit onderzoek blijkt dat mensen die in de buurt van veehouderijen wonen vaker luchtwegproblemen hebben, maar het is niet duidelijk wat daar de oorzaak van is. Recente onderzoekgegevens bevestigen eerdere bevindingen dat mensen die in de buurt van veehouderijen wonen vaker een verminderde longfunctie hebben en een verhoogd risico op longontsteking. Maar het is nog steeds niet duidelijk of er sprake is van een oorzakelijk verband. Daarvoor is het aantal kwalitatief goede onderzoeken te beperkt.

Dierziekten en zoönosen Onder dierziekten worden alle besmettelijke ziekten die in eerste instantie door dieren gedragen worden verstaan. Een zoönosen is een infectieziekte die van dier op mens kan overgaan. In Nederland voorkomende zoönosen zijn COVID-19, de ziekte van Lyme, Q-koorts, toxoplasmose, salmonellose en vogelgriep. Deze voorbeelden tonen aan dat sommige dierziekten een serieuze bedreiging vormen voor de menselijke gezondheid. Er bestaan een onderlinge samenhang tussen humane gezondheid, diergezondheid en een gezond ecosysteem op wereldwijde schaal. Bij zoönosen gaat het ook om het type agrarische bedrijfsvoering en de locatie van bedrijven ten opzichte van mensen. Ruimtelijke aspecten, zoals concentraties dieren, diversiteit aan dieren en de mate waarin dier-dier en dier-mens contact plaatsvindt, hebben invloed op risico van zoönoseontwikkeling en -verspreiding. Vanwege het hoge abstractieniveau van het NPLG zijn dierziekten en zoönosen samen beschouwd en is er geen onderscheid gemaakt tussen de twee in de effectbeoordeling. In de afgelopen 25 jaar zijn een aantal grote dierziekte uitbraken voorgekomen. In 1997 betrof het een uitbraak van klassieke varkenspest. Drie jaar later brak mond- en klauwzeer uit. Later volgde de gekkekoeienziekte. In 2003 was er een grote uitbraak van vogelgriep.

In de daaropvolgende jaren brak de ziekte regelmatig uit en ook in 2022 en 2023 nog kampte Nederland met vogelgriepuitbraken. Daarnaast was er de Q-koortsepidemie in 2008 en was er in 2020 een COVID-19 uitbraak bij nertsen.

Geurhinder en fijnstof In 2021 had 2,5 % van de mensen in Nederland ernstige geurhinder door agrarische bedrijven en mest uitrijden en 0,6% had ernstige geurhinder door stallen met vee (CLO, 2023f).

Veilige en gezonde leefomgeving

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

81

PlanMER

Fijnstof, de emissie van zwevende stofdeeltjes naar de lucht, kan leiden tot schadelijke effecten op de gezondheid. Bij fijnstof wordt onderscheid gemaakt in PM10 fijnstof en in PM2,5 fijnstof, dit is de fijnere fractie. Er is een sterke relatie tussen fijnstof en het landelijk gebied (CLO, 2023c). In landelijke gebieden vinden namelijk veel activiteiten plaats die kunnen bijdragen aan de uitstoot van fijnstof, zoals landbouw, veeteelt en verkeer. Zo kan het gebruik van mest en bestrijdingsmiddelen in de landbouw bijdragen aan de uitstoot van fijnstof, net als het verkeer op landelijke wegen. Daarnaast kan fijnstof in landelijke gebieden een extra gevaar vormen voor de gezondheid, omdat de concentraties vaak hoger zijn dan in stedelijke gebieden. Dit komt doordat de lucht in landelijke gebieden vaak stilstaand is en er minder vermenging is om het fijnstof te verdunnen (Informatiepunt Leefomgeving, 2023). Dit kan leiden tot gezondheidsproblemen, zoals luchtwegaandoeningen en hart- en vaatziekten.

Trends Volksgezondheid Er wordt in Nederland gewerkt aan een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om zo te komen tot een verdere vermindering van de gezondheidsrisico’s als gevolg van luchtverontreiniging. De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat heeft het initiatief genomen voor het opstellen van het ‘Schone Lucht Akkoord’ met de andere overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke partijen dat in het voorjaar van 2019 aan de Tweede Kamer is aangeboden (Kamerstuk 30 175, nr. 292). In 2018 is door de Gezondheidsraad advies uitgebracht ten aanzien van Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) dat door het kabinet is overgenomen (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2018). De inzet van het kabinet voor de emissies uit de veehouderij is gericht op het generiek verminderen van de emissies van fijnstof en ammoniak om zo gezondheidswinst in brede zin te boeken. De effecten van veehouderijen op de gezondheid en leefomgeving moeten de komende jaren verder worden verbeterd door een integrale aanpak van schadelijke emissies (ammoniak, fijnstof, geur) uit stallen. In 2018 zijn vervolgonderzoeken (VGO) gestart om te achterhalen waarom mensen die wonen in de buurt van geitenhouderijen vaker een longontsteking hebben (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2022).

Alle vervolgonderzoeken hebben ernstig vertraging opgelopen door de COVID-19 pandemie. Sommige deelstudies zijn uitgesteld. Naar verwachting kunnen de resultaten in 2024 worden gepubliceerd.

Dierziekten en zoönosen Naast het NPLG zijn er op dit moment verschillende (autonome) ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op het verlagen van het risico op uitbraken met en verspreiding van (zoönotische) ziekteverwekkers, zoals landelijke opkoopregelingen en de ontwikkeling van het intensiveringsplan vogelgriep (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, et al., 2023). Ook deze ontwikkelingen kunnen invloed hebben op bijvoorbeeld de verlaging van de bedrijfs- en dierdichtheid, maar het is niet mogelijk om precies aan te geven waar en hoeveel.

Geurhinder Ernstige geurhinder door agrarische bedrijven en mest uitrijden is tussen 2019 en 2021 opgelopen van 2,1% naar 2,5% (zie Figuur 5‑11) (CLO, 2023f). Ernstige geurhinder vanuit stallen met vee is tussen 2019 en 2021 gedaald van 1,0% naar 0,6%. In 2020 was er juist een piek naar 1,4% van mensen die ernstige geurhinder ervaarden door stallen met vee.

82

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Milieukwaliteit en gezondheid

PlanMER

Figuur 5‑11: Ernstige hinder door geurbronnen in percentages van 2019 t/m 2021 (Poll, R. van & S. Simon, 2022)

Ernstige geurhinder door veebedrijven en het uitrijden van mest kwam in 2016 het meest voorin Groningen (5,5%), Friesland (4,8%) en Drenthe (4,1%). Landelijk gezien is ernstige geurhinder door deze bronnen gedaald van 5% in 1993 naar 2,5% in 2016. De cijfers komen uit de zevende Inventarisatie Verstoringen 2016 (RIVM, 2018). Deze inventarisaties worden ongeveer eens in de zes jaar uitvoeren over de beleving van de woonomgeving. Dit keer namen ruim 8.000 inwoners van Nederland van 16 jaar en ouder deel. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) voerden het onderzoek uit.

Figuur 5‑12: Geurhinder van veestallen en/of mest uitrijden per provincie (Atlas Leefomgeving, 2023)

Fijnstof De gemiddelde concentratie fijnstof in Nederland neemt al jaren af (CLO, 2021b). In de periode 2008-2015 nam de jaargemiddelde concentratie gemiddeld 0,9 µg/m³ per jaar af. Er zijn echter wel forse verschillen van jaar op jaar door meteorologische fluctuaties. De daling in de PM10-concentraties door de jaren heen komt vooral door emissiebeperkende maatregelen bij verkeer, industrie en de energiesector. Ook zijn emissiebeperkende maatregelen getroffen in de veehouderijsector. Deze maatregelen beïnvloeden voornamelijk de concentraties in het landelijke gebied.

Milieukwaliteit en gezondheid

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

83

PlanMER

Sinds 1990 is de uitstoot van PM2,5 met 75% afgenomen, van 57,1 kton in 1990 tot 14,2 kton in 2021, zoals weergegeven in Figuur 5‑13 (CLO, 2023c). De vermindering van de uitstoot van PM2,5 is vooral te danken aan maatregelen bij bedrijven en (weg)verkeer. Bedrijven (zoals de industrie, energiesector en raffinaderijen) hebben voornamelijk geacteerd op milieuregelgeving, zoals het Besluit Emissie-Eisen Stookinstallaties (BEES) en de Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht (NER). Voor de periode 2020-2029 heeft Nederland zichzelf een reductiedoelstelling opgelegd van 37% voor PM2,5 in vergelijking met het jaar 2005. De uitstoot van PM2,5 is sinds 2005 met 51% gedaald en voldoet dus aan deze reductiedoelstelling voor de huidige periode. Voor de periode na 2030 is er een nieuwe reductiedoelstelling van 45%, waarbij de huidige uitstoot van PM2,5 al aan deze doelstelling voldoet.

Figuur 5‑13: Emissie fijnstof (PM2,5) per sector van 1990 tot 2021 (CLO, 2023c)

De fijnstofdeken in Nederland is voor circa 6% afkomstig van de Nederlandse veehouderij (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2018). Fijnstof wordt onderscheiden in ‘primair fijnstof’ en ‘secundair fijnstof’. Primair fijnstof uit veehouderijen slaat dicht bij de bron neer en is vooral afkomstig van pluimveehouderijen. De uitstoot van ammoniak door de Nederlandse veehouderij draagt bij aan de vorming van secundair fijnstof en levert daarmee volgens de Gezondheidsraad een belangrijke bijdrage aan de totale concentratie fijnstof in Nederland en naburige landen. Omdat secundair fijnstof zich pas na enige tijd vormt en zich dan reeds over grotere afstanden heeft verspreid, is het niet te verwachten dat omwonenden van veehouderijen grotere gezondheidsrisico’s lopen als gevolg van secundair fijnstof. De gezondheidseffecten van secundair fijnstof doen zich over grotere afstanden van de bronnen voor. De Gezondheidsraad beveelt een verdere reductie van de uitstoot van fijnstof en ammoniak aan om de gezondheidsrisico’s van de veehouderij te verminderen. Van de fijnstofemissie (PM10) in Nederland is 19% in 2020 afkomstig uit de land- en tuinbouw. Tussen 2019 en 2020 is het aandeel van de landbouw toegenomen van 18 naar 19%, dat komt omdat door de corona de fijnstof emissies van industrie, verkeer en consumenten zijn gedaald en die van de landbouw gelijk zijn gebleven.

De totale fijnstofemissie uit de landbouw is gedaald van 6.200 ton in 2015 naar 5.400 ton in 2020. De pluimveesector is met een aandeel van 64% de belangrijkste bron van fijnstof in de land- en tuinbouw, de varkenshouderij staat met 15% op de tweede plek. In gebieden met veel pluimveebedrijven zoals de Gelderse Vallei, De Meijerij, het Peelgebied, en delen van Twente is daarom de concentratie van fijnstof relatief hoog. In de pluimveehouderij verdubbelde de fijnstofemissie tussen 1995 en 2015 als gevolg van de overgang van batterijhuisvesting naar grond- en volièrehuisvesting. Vanaf 2012 is er in de EU een verbod op het houden van leghennen in traditionele kooihuisvesting. Door de omschakeling van kooi- naar grondhuisvestingsystemen in de leghennenhouderij, is het

84

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Milieukwaliteit en gezondheid

PlanMER

aantal strooiselstallen toegenomen (vleeskuikenhouderij in kooien kwam/komt niet voor). Omdat strooiselstallen relatief stofrijk zijn, nam hierdoor de fijnstofuitstoot toe. De daling tussen 2015 en 2020 van de fijnstofemissie met 800 ton in de landbouw is vrijwel volledig toe te schrijven aan de pluimveehouderij. Dit is onder andere het gevolg van investeringen in technieken om de uitstoot te verminderen. Voorbeelden daarvan zijn droogtunnels en biofilters. In de rundveehouderij is de fijnstofemissie tussen 1990 en 2005 met bijna 30% gedaald, vooral dankzij een afname van het aantal dieren en van beweiding. Tussen 2005 en 2015 steeg de emissie met 10% door een toename van het aantal dieren. Deze stijging is tussen 2016 en 2020 grotendeels weer ongedaan gemaakt doordat het aantal dieren opnieuw afnam. De fijnstofemissie is daardoor in 2020 8% lager dan in 2015. In de varkenshouderij daalde de fijnstofemissie in de periode 1990-2015 met bijna 40%. Deze daling vond vooral na 2005 plaats. De belangrijkste reden is een toename van het gebruik van luchtwassers in varkensstallen. Door meer luchtwassers zet de daling in de varkenshouderij na 2015 door. In 2020 is de fijnstofemissie 15% lager dan in 2015. De fijnstofemissies van overige bronnen uit de landbouw zijn vrijwel constant.

Het betreft voornamelijk emissies die plaatsvinden bij het lossen, laden en aanwenden van kunstmest, het lossen van krachtvoer en het toedienen van gewasbeschermingsmiddelen. De fijnstofemissie bij het oogsten van hooi en akkerbouwgewassen is sinds 1990 met 16% gedaald doordat er minder wordt gehooid (WUR, 2023b). Meer informatie over fijnstof in de veehouderij is onder andere te vinden op de website van Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid.

Conclusie Onder de indicator Milieugezondheidsrisico’s is in dit hoofdstuk aandacht besteedt aan gezondheid voor omwonenden, dierziekten en zoönosen, geur en fijnstof. Deze onderwerpen zijn aan elkaar gerelateerd. Uit de informatie blijkt dat risico’s bestaan maar dat er ook nog veel onzeker is. Daarom vindt op meerdere plaatsen ook onderzoek plaats. De inschatting van de huidige situatie is hierdoor lastig. Er kan niet gezegd worden dat het over de hele linie in Nederland slecht is maar er zijn knelpunten. Ten aanzien van de trends kan geconstateerd worden dat er gewerkt wordt aan verbetering. Duidelijk informatie over het optreden van die verbeteringen voor gezondheid voor omwonenden, dierziekten en zoönosen, geur en fijnstof zijn echter onvoldoende voorhanden. Om die reden wordt voor de indicator Milieugezondheidsrisico’s voor de referentiesituatie aangegeven dat de situatie vergelijkbaar wordt gezien als in de huidige situatie.

Figuur 5‑14: Scoring huidige en referentiesituatie

Milieukwaliteit en gezondheid

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

85

PlanMER

5.2.2 Klimaat Onder dit thema wordt gekeken naar de huidige situatie en de trend voor de indicatoren Emissie broeikasgassen en Vastlegging koolstof. In onderstaand kader wordt eerst aangegeven waarom deze indicatoren gekozen zijn voor dit thema. Daarna wordt voor de indicator de huidige situatie en de trends beschreven.

Waarom deze indicatoren? Voor het thema Klimaat zijn, in relatie tot landgebruik en landbouw, met name de emissies van CO2, CH4 en N2O relevante indicatoren. Emissie van deze broeikasgassen zijn, zoals hieronder aangestipt, gerelateerd aan processen in bodem en vegetatie of aan veehouderij, één van de activiteiten in het landelijk gebied. Er worden in relatie tot landgebruik en landschapsbeheer geen andere broeikasgassen geëmitteerd. Emissies van CO2 uit landschap hangen vooral samen met verandering in de hoeveelheid koolstof die (netto) is vastgelegd in bodems (waaronder veen) en vegetatie. Koolstofvastlegging in (niet-organische) bodem en vegetatie is een indicator voor het effect van een maatregel en al dan niet veranderende inrichting van het landschap. Additionele vastlegging, bijvoorbeeld door aanplant van landschapselementen en bos, extensivering van bodembewerking op agrarisch land en verhoging van de gift aan organische meststoffen wordt in een broeikasgasbalans een negatieve CO2-emissie. Afname van voorraden door landgebruiksveranderingen betekent een positieve CO2-emissie. Emissie van CH4- wordt veroorzaakt door dieren als rundvee, schapen en geiten methaanemissies. Daarnaast zijn CH4-emissies uit landschap verbonden aan veenbodems. Bij een grondwaterpeil van 20 cm onder maaiveld of hoger neemt de kans op CH4 -emissie toe.

Emissie van N2O hangt onder andere af van mate van bemesting en de aard van de mestgift. Daarnaast spelen factoren als temperatuur, zuurstofgehalte in de bodem en zuurgraad een rol. en N2O-emissies zijn zowel direct (directe emissie vanaf het land), als indirect (nitrificatie/denitrificatie van geëmitteerde NH3, nitraat). Daarnaast komt N2O vrij bij afbraak van bodemorganische stof en veenbodems.

Emissie broeikasgassen Huidige situatie In 2021 werd er 167,6 Mton CO2-equivalent broeikasgassen uitgestoten (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023d). Het gaat hier voornamelijk om koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), lachgas (N2O) en F-gassen (gefluoreerde broeikasgassen) 1 . De landbouw was in 2021 verantwoordelijk voor 16% van de uitstoot van broeikasgassen. Dit werd voornamelijk veroorzaakt door aardgasverbruik en fermentatie. Verder spelen stal en mestopslag en mestaanwending een belangrijke rol in de uitstoot van broeikasgassen.

1

86

F-gassen worden vaak onder één noemer geschaard met N2O en CH4. F-gassen zijn voornamelijk afkomstig uit koelcycli en transformatoren maar hebben geen directe relatie met landgebruik. In de effectbeschrijving wordt hier dan ook geen aandacht aan besteed.

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Klimaat

PlanMER

Er zit een belangrijk verschil tussen CO2 en N2O en de andere broeikasgassen. CO2 en N2O zijn langdurige broeikasgassen (Long-Lived Climate Pollutant, LLCP) en blijven een lange tijd in de atmosfeer (ongeveer 100 jaar en 109 jaar respectievelijk) (IPCC, 2022). CH4 en sommige F-gassen zijn juist kortdurige broeikasgassen (Short-Lived Climate Pollutant, SLCP). Deze blijven een relatief korte tijd in de atmosfeer (11,8 en ongeveer 15 jaar (afhankelijk van de soort F-gas) respectievelijk). Naast de tijd in de atmosfeer is ook het effect op het broeikaseffect een belangrijke factor. Er wordt voor de verschillende broeikasgassen berekend hoe groot het effect is in GWP (Global Warming Potential) (IPCC, 2022). Het GWP wordt berekend als het opwarmingsvermogen over een bepaalde periode van 1 kg van een gas in verhouding tot 1 kg CO2 over een periode van 100 jaar. Het zijn de kortdurende broeikasgassen (SLCP) die een groot effect hebben op het klimaat (een hoog GWP) hebben. CH4 is 27 keer schadelijker dan CO2 en F-gassen zelfs 164 tot 25.184 keer. N2O is 298 keer schadelijker dan CO2. Het GWP wordt gebruikt om de zogenoemde CO2-equivalent van een gas te berekenen over een specifieke termijn (vaak 25 of 100 jaar). Hierbij wordt het GWP vermenigvuldigd met de massa van een bepaald gas.

Hiermee wordt duidelijk hoeveel massa CO2 dezelfde schade aan het milieu aanbrengt als de massa van het gas. Zo wordt het mogelijk een vergelijking te maken tussen de verschillende broeikasgassen.

De veenbodems in Nederland zijn verantwoordelijk voor de emissie van zo’n 4% van de totale emissie CO2 in Nederland (De Aquanoom, 2023). Dit komt neer op gemiddeld 22,6 ton CO2 per hectare per jaar. Zodra veen wordt ontwaterd, dringt zuurstof de grond in, waardoor bacteriën actief worden en het veen gaat oxideren. Hierbij komen broeikasgassen als CO2, en N2O vrij en ontstaat bodemdaling. CH4 komt daarentegen vrij als de veenbodems onder water komen te staan.

Trends Het verloop van de emissies van broeikasgassen tussen 1990 en 2021, en tussen 2020 en 2021, is in Tabel 5‑2 samengevat (CLO, 2023e). In totaal zijn broeikasgassen in Nederland met 24,9% afgenomen tussen 1990 en 2021. Dit betekent dat het Urgendadoel van een afname van 25% ten opzichte van 1990 niet gehaald is in 2021 (in 2020 werd deze wel gehaald, maar de uitstoot steeg met 1,8% tussen 2020 en 2021). De exacte afname in emissies is sterk afhankelijk van de berekeningsmethode voor het omrekenen van de uitstoot van CH4, N2O en Fgassen naar het CO2-equivalent. Tabel 5‑2: Verloop emissies van broeikasgassen (in CO2-eq.) tussen 1990 en 2021 en 2020 en 2021 (CLO, 2023e)

Verschil uitstoot tussen 1990 en 2021 (Mton)

Verschil uitstoot tussen 2020 en 2021 (Mton)

-31,8 (-53,9%)

-0,4 (-1,6%)

CO2

-25,1 (-14,8%)

+3,5 (+2,5)

Totaal broeikasgassen

-56,9 (-24,9%)

+3,1 (+1,8)

Overige broeikasgassen (CH4, N2O en de F-gassen)

Van 1990 tot 2017 werd de daling in broeikasgassen voornamelijk gerealiseerd door een afname van de overige broeikasgassen (CH4, N2O en de F-gassen) met 53,9%. De CO2-emissies bleven in deze periode min of meer constant en begonnen pas na 2016 te dalen, wat leidde tot een versnelling van de totale emissiereductie over de periode 1990-2020 vanaf 2018. In 2021 zijn de CO2-emissies echter weer gestegen ten opzichte van 2020, waardoor de netto daling van CO2 14,8% bedroeg. Als wordt gekeken naar de uitstoot van CO2 in de landbouw in deze periode, is deze nagenoeg gelijk gebleven (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023e). De uitstoot van stationaire bronnen, zoals stallen, is iets afgenomen van 8.000 miljoen kilogram in 1990 naar 7.800 miljoen kilogram in 2021, een afname van 2,5%. De uitstoot van mobiele bronnen, zoals landbouwtrekkers, nam daarentegen toe van 1.100 miljoen kilogram in 1990 naar 1.300 miljoen kilogram in 2021, een toename van meer dan 18%. In deze data is de glastuinbouwsector meegerekend onder de landbouwsector. In het NPLG wordt de glastuinbouwsector niet meegenomen.

Klimaat

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

87

PlanMER

De uitstoot van CH4 is in 2021 ten opzichte van 1990 met 47,6% afgenomen, voornamelijk als gevolg van de afname van emissies uit stortplaatsen. Daarnaast hebben ook de landbouw- en energiesector bijgedragen aan de daling van CH4-uitstoot. De afname in de landbouwsector wordt vooral veroorzaakt door een afname van dieraantallen en mestproductie. CH4 komt in de landbouw met name vrij bij stationaire bronnen. De uitstoot van stationaire bronnen is iets afgenomen van 584 miljoen kilogram in 1990 naar 508 miljoen kilogram in 2021, een afname van 13%. De uitstoot van mobiele bronnen nam af van 0,20 miljoen kilogram in 1990 naar 0,06 miljoen kilogram in 2021, een afname van ongeveer 70%. De uitstoot van N2O is in 2021 ten opzichte van 1990 met 55,5% gedaald. Deze afname is vooral te danken aan reductiemaatregelen in de chemische industrie en de landbouwsector. In de landbouwsector is de afname met name te danken is aan een afname van dieraantallen, minder gebruik van kunstmest en dierlijke mest, en een lager N-gehalte in het voer. N2O komt in de landbouw met name vrij bij stationaire bronnen. De uitstoot van stationaire bronnen is afgenomen van 32,1 miljoen kilogram in 1990 naar 18,1 miljoen kilogram in 2021, een afname van bijna 44%. De uitstoot van mobiele bronnen bleef over deze tijd ongeveer 0,01 miljoen kilogram.

De totale uitstoot van F-gassen is in 2021 ten opzichte van 1990 met 80,8% gedaald, voornamelijk als gevolg van reductiemaatregelen in het kader van het Reductieplan Overige Broeikasgassen en een EU-richtlijn uit 2014 die de inzet van koudemiddelen met hoge GWP's verminderde. Deze afname heeft ook bijgedragen aan de daling van de emissies in Mton CO2-equivalenten als gevolg van lekkage. Over de hele periode 1990-2021 vertonen de broeikasgasemissies van de landbouwsector weinig fluctuaties (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023d).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13857580/1