2024 54 Bijlage 2 PlanMER-NPLG-december 2023
Tekst van het document
Veilige en gezonde leefomgeving
BI8226-MI-RP-231031-1427 |
45
PlanMER
Milieukwaliteit & gezondheid Tabel 3‑3: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Milieukwaliteit & gezondheid onder het hoofdthema Veilige en gezonde leefomgeving
Onder het thema Milieukwaliteit en gezondheid valt de indicator Milieugezondheidsrisico’s. Deze indicator omvat de onderwerpen volksgezondheid, geurhinder, fijnstof, dierziekten en zoönosen. Zie paragraaf 'Milieukwaliteit en gezondheid' voor een nadere toelichting op de referentiesituatie en het hoofdstuk 'Effecten van de structurerende keuzes' voor een nadere toelichting op de effectbeoordeling. De huidige situatie in Nederland wordt beoordeeld als redelijk, maar er zijn knelpunten. Er lopen op dit moment onderzoeken gericht op verbetering. Toch is onvoldoende informatie voorhanden om te zeggen dat er daadwerkelijk sprake is van een positieve trend. Hierdoor is ook in de toekomst de staat als redelijk beoordeeld. Als gekeken wordt naar het voornemen dan is voor de structurerende keuzes 1, 2, 3, 5, 9 en 11 de kans op een positief effect aannemelijk. Dit komt omdat deze structurerende keuzes kunnen ingrijpen op de bedrijfsvoering (extensivering), bedrijfsdichtheden en op de afstand tot gevoelige bestemmingen.
Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren (keuze 4) en Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden (keuze 6) Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden (keuze 7), Verhogen grondwaterpeilen op hoge zandgronden (keuze 8) en Beperken grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden op hoge zandgronden (keuze 10) hebben nagenoeg geen effecten op Milieugezondheidsrisico's. Deze keuzes bieden namelijk zeer beperkt of geen kansen voor ruimtelijke beslissingen die kunnen leiden tot het laten afnemen van bedrijfs- en dierdichtheden door het vergroten van afstanden tussen bedrijven of tussen bedrijven en gevoelige bestemmingen of die kunnen leiden tot extensivering.
Klimaat Tabel 3‑4: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Klimaat onder het hoofdthema Veilige en gezonde leefomgeving
46
| BI8226-MI-RP-231031-1427
Veilige en gezonde leefomgeving
PlanMER
Onder het thema Klimaat vallen de indicatoren Emissie Broeikasgassen, en Vastleggen koolstof. Bij Emissie Broeikasgassen is gekeken naar de stoffen CO2 (koolstofdioxide), N2O (lachgas) en CH4 (methaan). Bij Vastleggen koolstof wordt vastlegging van koolstof in vegetatie en bodem in beeld gebracht. Zie paragraaf 'Klimaat' voor een nadere toelichting op de referentiesituatie en het hoofdstuk 'Effecten van de structurerende keuzes' voor een nadere toelichting op de effectbeoordeling. Emissie broeikasgassen. De huidige staat wordt overal als slecht beoordeeld, er zijn overal knelpunten. De trend laat een lichte verbetering van de situatie zien, dit geldt echter niet voor het landelijke gebied in het algemeen en voor de landbouw in het bijzonder waardoor deze als neutraal wordt beoordeeld. Bij Overgangsgebieden (keuze 1) en Inpassing areaal agrarische natuur/nieuwe natuur (keuze 2) is een kans op een positief effect aannemelijk vanwege functieverandering en extensivering en een daarmee samenhangende verwachte vermindering van ammoniakemissies en een reductie in N-meststoffen. Bij keuze 1 geldt er ook een kans op een negatief effect vanwege een risico op een toename van N2O-emissies door de opbouw van bodemorganisch materiaal. Bij Invulling 10% groenblauwe dooradering (keuze 3) en Peilopzet veenweide (keuze 5) zijn er kansen op een positief effect.
In het geval van de GBDA is bij de aanleg van landschapselementen een kans op een positief effect voor N2O-emissies omdat dit ten koste gaat van areaal landbouw. Bij Peilopzet veenweide (keuze 5) kunnen de effecten van vernatting op de emissie van lachgas en methaan tegengesteld zijn. Ze kennen een grote mate van grote onzekerheid. De verwachting is echter een positief netto-effect op emissies van broeikasgassen. De structurerende keuzes Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren (keuze 4) en Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden (keuze 6) zijn niet te beoordelen. Voor keuze 4, Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren, geldt dat het niet te beoordelen is welke netto-effecten vernatting, zoals in de vorm van aanleg en gebruik van een waterberging, heeft qua eventuele verandering van broeikasgasemissies. Voor keuze 6, Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden, zijn de effecten van het toestaan van tijdelijke verzilting op broeikasgasemissies zonder verdere specificering van de huidige situatie en de verwachte effecten van verzilting op vegetatie en landgebruik moeilijk te beoordelen. Voor Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden (keuze 7), Verhogen grondwaterpeilen op hoge zandgronden (keuze 8) en Beperken grondwateronttrekkingen rond Natura 2000gebieden op hoge zandgronden (keuze 10) is er een kans op een positief effect.
Door water langer vast te houden, het waterpeil te verhogen of grondwateronttrekkingen te beperken, neemt het risico op langdurige droogte en daarmee de kans op vegetatie sterfte, bosbrand en op emissie van CO2 af. Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden (keuze 9) en Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgronden (keuze 11)) zorgen door een reductie van N-meststoffen voor een afname van CH4- en N2O-emissies waardoor een er een kans op een positief effect is. In geval van het zorgvuldig omgaan met landbouwgronden zal voor gebieden met grote uitdagingen voor de landbouw een mate van extensivering verwacht worden. In die gebieden bestaan kansen op een positief effect. Vastleggen koolstof. De huidige staat wordt als slecht beoordeeld, vooral vanwege de CO2- en N2O-emissies uit veengebieden. De trend laat een onveranderde situatie zien. Voor alle structurerende keuzes, met uitzondering van keuze 4 en 6 is er een kans op een positief effect. Bij de keuzes 1, 2, 3, 5, 9 en 11 is er sprake van extensivering van grondbewerking waardoor afbraak van bodemorganische stof wordt gereduceerd, dan wel dat er bos en andere biotopen worden aangelegd die zorgen voor een netto vastlegging van koolstof in de bodem en vegetatie. De structurerende keuzes 4 en 6 zijn niet te beoordelen.
Voor keuze 4, Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren, geldt dat het nog nader te bepalen is welke netto-effecten vernatting, zoals in de vorm van aanleg en gebruik van een waterberging, heeft qua eventuele verandering van vastlegging koolstof. Voor keuze 6, Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden, zijn de effecten van het toestaan van tijdelijke verzilting op vastlegging koolstof zonder verdere specificering van de huidige situatie en de verwachte effecten van verzilting op vegetatie en landgebruik niet te beoordelen. Voor Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden (keuze 7), Verhogen grondwaterpeilen op hoge zandgronden (keuze 8) en Beperken grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden op hoge zandgronden (keuze 10) is er kans op een positief effect voor de vastlegging van koolstof in bodems. Door water langer vast te houden, het waterpeil te verhogen of grondwateronttrekkingen te beperken zullen droogteverschijnselen minder snel plaatsvinden waardoor sterfte of groeibeperking wordt voorkomen. Ook neemt de kans op natuurbranden af.
3.2.3 Goede omgevingskwaliteit Het hoofdthema Goede omgevingskwaliteit valt uiteen in de thema’s Natuur, Water, Bodem en Landschap & ruimtelijke kwaliteit.
Goede omgevingskwaliteit
BI8226-MI-RP-231031-1427 |
47
PlanMER
Natuur Tabel 3‑5: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Natuur onder het hoofdthema Goede omgevingskwaliteit
Onder het thema Natuur worden de effecten in beeld gebracht voor de indicatoren Emissie stikstof, Biodiversiteit, Abiotische omstandigheden, Areaal Natuurgebieden, Connectiviteit natuurgebieden en Hydrologische condities Natura 2000-gebieden. De indicator Abiotische omstandigheden beschrijft de verandering in de belasting (verzuring, verdroging en stikstofdepositie) op abiotische omstandigheden ten behoeve van het duurzaam in stand houden van soorten en habitats (leefgebieden). Zie paragraaf 'Natuur' voor een nadere toelichting op de referentiesituatie en het hoofdstuk 'Effecten van de structurerende keuzes' voor een nadere toelichting op de effectbeoordeling. Emissie stikstof. De huidige staat wordt overal als slecht beoordeeld. De trend laat een verbetering van de situatie zien. De keuzes 1, 2, 3, 5, 9 en 11 (in gebieden met zware uitdagingen voor de landbouw) zorgen voor kans op een positief effect voor emissie stokstof, Dit komt omdat al deze keuzes samenhangen met minder intensief gebruik van bestaande landbouwgronden of met functieverandering van de huidige landbouwgronden naar natuur, natuurinclusieve landbouw, bufferzones, overgangsgebieden en/ of GBDA. Bij Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden (keuze 6) zal het tijdelijk toestaan van verzilting eveneens leiden tot minder intensieve landbouw.
Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren (keuze 4) heeft geen of nagenoeg geen gevolgen. Door meer oppervlaktewater te creëren kan dit bij geringe waterkwaliteit bijdragen aan extra broeikasgassen, waaronder lachgas. Echter zal de waterberging maar beperkt worden ingezet en is de verwachting dat dit effect dan ook zeer beperkt zal optreden. Peilopzet veenweide (keuze 5) heeft geen direct effect op de stikstofemissie mits dit niet leidt tot meer oppervlaktewater met zuurstofloze waterbodems (tenzij ook hier sprake is van extensivering). Ook Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden (keuze 7), Verhogen grondwaterpeilen op hoge zandgronden (keuze 8) en Beperken grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden op hoge zandgronden (keuze 10) hebben geen effect op de hoeveelheid stikstofemissie.
48
| BI8226-MI-RP-231031-1427
Goede omgevingskwaliteit
PlanMER
Biodiversiteit. De huidige staat wordt overal slecht beoordeeld, want er zijn overal knelpunten. De trend laat een verslechtering van de huidige situatie zien. Voor alle structurerende keuzes is een kans op een positief effect aannemelijk behoudens de keuze Zorgvuldig omgaan met landbouwgrond (keuze 11). De kans op een positief effect kan zich voordoen doordat bij de keuzes 1 t/m 10 veelal gekeken kan worden naar de inrichting van het gebied voor specifieke diersoorten en geleidelijke overgangen. Bij de landbouwgronden met weinig uitdagingen (keuze 11) is de inschatting dat de huidige afnemende trend in biodiversiteit niet zal stoppen , waardoor er ten opzichte van de referentiesituatie sprake is van geen of nagenoeg geen gevolgen. Abiotische omstandigheden. De huidige staat wordt overal slecht beoordeeld. Verzuring, verdroging en stikstofdepositie zorgen op veel gebieden nog steeds voor problemen voor flora- en faunasoorten. De trend is over het algemeen stabiel. Uitzonderingen daarop zijn dat in de toekomst een risico op verzuring voor sommige gebieden bestaat. Daarnaast is er door verdroging, voor een aantal natuurtypen, een negatieve trend zichtbaar. Keuzes 1, 2, 3, 7, 9, 10 en 11 (in geval van landbouwgronden met zware uitdagingen) hebben een kans op een positief effect op de abiotische omstandigheden.
Er worden kansen gecreëerd voor herstel van de bodem en het watersysteem waardoor er een kwaliteitsimpuls van de bodem- en watercondities plaatsvindt. De structurerende keuzes Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren (keuze 4) en Peilopzet veenweide (keuze 5) zijn niet te beoordelen. Bij vernatting van veenweidegebieden kunnen namelijk processen optreden die sterk van elkaar kunnen afwijken, wat een effect heeft op de beoordeling. Tevens is bij waterberging het effect op de abiotische omstandigheden sterk afhankelijk van de uitgangssituatie van de bodem, de waterkwaliteit en de duur en frequentie van inundatie. Ook dit heeft een effect op de beoordeling. Bij keuze 6, Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden, is er een kans op een negatief effect omdat het abiotisch ecosysteem drastisch kan worden verstoord. De saliniteit kan bijvoorbeeld van invloed zijn op bepaalde soortgroepen. Bij keuze 11 (in geval van landbouwgronden met weinig uitdagingen) zal de landbouwtransitie niet of nauwelijks vorm krijgen. Enige verdere uitholling van de abiotische factoren voor natuur is dan te verwachten, wat een kans op een negatief effect geeft. In het geval van keuze 8, Verhoging van grondwaterpeilen op hoge zandgronden, is er geen effect te verwachten omdat een hogere grondwaterstand vooral zorgt voor een betere waterbeschikbaarheid.
De abiotische omstandigheden ten behoeve van het duurzaam in stand houden van leefgebieden op de hogere zandgronden blijven echter gelijk. Areaal natuurgebieden. De huidige staat in Nederland is redelijk en er is een positieve trend te zien. Keuzes 4, 5, 6, 7, 8 en 11 hebben geen effect op de hoeveelheid natuur. Door vernatting ontstaat niet meer areaal natuur en tijdelijke verzilte omstandigheden hebben geen invloed op het areaal aan natuur. Zorgvuldig omgaan met landbouwgronden (keuze 11) zorgt niet direct voor meer areaal N2000, NNN of GBDA. Alle andere keuzes (keuzes 1, 2, 3 en 9) kunnen in meer of mindere mate zorgen voor een uitbreiding van natuurgebieden (mits natuur hier de boventoon voert) en hebben daarmee een kans op een positief effect. Connectiviteit natuurgebieden. De huidige staat in Nederland wordt als redelijk beoordeeld en er is een positieve trend te zien. Keuzes die leiden tot meer natuur (keuze 1, 2, 3 en 9) of keuzes waarbij gezocht kan worden naar andere vormen van landgebruik, waar dan gekeken kan worden welke elementen bijdragen aan verbinding/ connectiviteit (keuze 11, in gebieden met zware uitdagingen) hebben een kans op een positief effect.
De ingrepen die samenhangen met keuze 4, 5, 6, 7, 8, 10 en 11 (in gebieden met weinig uitdagingen) hebben geen of nagenoeg geen gevolgen voor de connectiviteit omdat ze mogelijk leiden tot een ander evenwicht in de bodem, ze tijdelijk van aard zijn of slechts relevant zijn voor specifieke soorten maar niet dienst kunnen doen als ecologische stapsteen. In het geval van keuze 11 (in gebieden met weinig uitdagingen) zal het landgebruik min of meer gelijk blijven. Hydrologische condities Natura 2000-gebieden. De huidige staat wordt overal als slecht beoordeeld, er zijn overal knelpunten. De trend laat een verslechtering van de situatie zien. Keuzes 1, 5, 7, 8, 10 en 11 (in gebieden met zware uitdagingen) kunnen daadwerkelijk herstel van het watersysteem bewerkstelligen waardoor ze een kans op een positief effect hebben. De grondwaterstand neemt toe waardoor de natuurgebieden beter droogte kunnen verdragen. Keuzes 2, 3, 4, 6, 9 en 11 (in gebieden met weinig uitdagingen), zorgen op zichzelf niet voor een hydrologisch systeemherstel in N2000-gebieden. De maatregelen die met deze keuzes samenhangen zijn te gering voor een merkbaar effect.
Goede omgevingskwaliteit
BI8226-MI-RP-231031-1427 |
49
PlanMER
Water Tabel 3‑6: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Water onder het hoofdthema Goede omgevingskwaliteit
Het thema Water brengt met behulp van de indicatoren ecologische en chemische kwaliteit de effecten op dit thema in beeld. Daar waar relevant is onderscheid gemaakt tussen korte en lange termijneffecten. Zie paragraaf 'Water' voor een nadere toelichting op de referentiesituatie en het hoofdstuk 'Effecten van de structurerende keuzes' voor een nadere toelichting op de effectbeoordeling. Ecologische kwaliteit oppervlaktewater. De huidige staat in Nederland wordt beoordeeld als redelijk. Er is een positieve trend te zien. Op korte termijn is door een hogere fosfaatbelasting uit de opgeladen landbouwbodem een kans op een negatief effect voor Peilopzet veenweide (keuze 5). Op lange termijn zorgt structurerende keuze 5 voor een kans op een positief effect als er bij peilopzet sprake is van een lagere bemesting. Voor structurerende keuze 6, Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden, is er sprake van een kans op een negatief effect doordat waarschijnlijk voor de betreffende wateren normen voor chloride worden overschreden. Als in het kader van Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden (keuze 6) intensieve landbouw wordt getransformeerd tot mindere belastende gebruiksvormen geeft dat een kans op een positief effect op de ecologische waterkwaliteit. Voor de keuzes 1, 2, 3, 4, 9, 10 en 11 is er sprake van een kans op een positief effect.
Deze keuzes zorgen voor minder (intensieve) landbouw en voor nieuwe natuurgebieden, daarmee komen er minder emissies vanuit landbouw via grondwater, oppervlaktewater en lucht in de natuurgebieden terecht. Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden (keuze 7) en Verhogen grondwaterpeilen op hoge zandgronden (keuze 8) hebben zowel positieve als negatieve effecten. Deze keuzes hebben als gevolg dat waterlopen stromend blijven, maar kunnen ook leiden tot uitspoeling van fosfaat uit landbouwgebieden. Hiermee worden deze keuzes 7 en 8 met kans op zowel positieve als negatieve effecten beoordeeld. Op de lange termijn hebben keuzes 7 en 8 geen of nagenoeg geen gevolgen. Chemische kwaliteit oppervlaktewater. De huidige staat wordt redelijk beoordeeld. De trend laat een verbetering van de situatie zien. Voor keuze Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden (keuze 7) en Verhogen grondwaterpeilen op hoge zandgronden (keuze 8) is er een kans op een negatief effect omdat een hogere waterstand tot een toename van verontreinigde stoffen uit landbouwgebieden kan leiden. Voor Peilopzet veenweide (keuze 5) en Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden (keuze 6) is de score neutraal. Peilopzet heeft geen effect op de chemische waterkwaliteit, op de chemische waterkwaliteit heeft acceptatie van regionale verzilting eveneens geen wezenlijke invloed.
Voor Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren (keuze 4) is er kans op een positief effect omdat de toename van de hoeveelheid water zorgt voor verdunning van (schadelijke) stoffen in het water en daarmee verbetering van de kwaliteit. Ook zorgt het in droge tijden dat droogte minder invloed heeft op de waterkwaliteit. Hierbij dient wel voorkomen te worden dat er verontreinigde stoffen uit opgeladen landbouwgebieden vrijkomen. De overige structurerende keuzes (1, 2, 3, 9, 10 en 11) laten een kans op een positief effect zien. Landbouwgebieden worden bij deze keuzes geheel of gedeeltelijk getransformeerd tot natuurgebieden waardoor dit zal leiden tot een vermindering van het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen. Door keuze 10, Beperken grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden op hoge zandgronden, zullen kwelstromen kunnen toenemen en dit heeft plaatselijk een positief effect op de waterkwaliteit. Voor keuze 11, Zorgvuldig omgaan met areaal landbouw, zal voor de gebieden met matige of grote uitdagingen kansen op verbetering bestaan daar waar extensievere landbouw ontstaat.
50
| BI8226-MI-RP-231031-1427
Goede omgevingskwaliteit
PlanMER
Bodem Tabel 3‑7: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Bodem onder het hoofdthema Goede omgevingskwaliteit
Onder het thema Bodem vallen de indicatoren kwalitatieve en kwantitatieve toestand grondwaterlichamen en bodemdaling. Zie paragraaf 'Bodem' voor een nadere toelichting op de referentiesituatie en het hoofdstuk 'Effecten van de structurerende keuzes' voor een nadere toelichting op de effectbeoordeling. Kwalitatieve toestand grondwaterlichamen. De huidige staat in Nederland is redelijk. Er is echter een negatieve trend te zien. Alle structurerende keuzes, met uitzondering van keuze 2, laten op korte termijn geen effect zien op de kwalitatieve toestand van grondwaterlichamen. Voor de KRW-doelstelling in 2027 is er nog geen effect te verwachten. Effecten op de grondwaterkwaliteit op 10 tot 25 meter diepte zijn pas op veel langere termijn merkbaar. Uitzondering hierop is structurerende keuze 2. In nieuwe arealen natuur of natuurinclusieve landbouw zal geen of minder landbouwactiviteit plaatsvinden. Dit kan de grondwaterkwaliteit verbeteren vanwege een daling in gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen die in de landbouw worden gebruikt, mits er geen andere schadelijke activiteiten in de plaats komen voor de landbouwactiviteiten. Als je rond de natuurgebieden nieuwe natuur aanlegt, kan de grondwaterkwaliteit al op korte termijn positief beïnvloed worden. Vandaar dat er bij keuze 2, Inpassing areaal agrarische natuur/nieuwe natuur, sprake is van een kans op positief effect.
Kwantitatieve toestand grondwaterlichamen. De huidige situatie (staat) in Nederland wordt als redelijk beoordeeld, verspreid zijn er knelpunten. Ook in de toekomst is de staat redelijk te noemen. Bij structurerende keuzes 1, 5, 7, 8, 9 en 10 bestaat er een kans op een positief effect. Bij keuze 1 is er sprake van minder intensieve inrichting van de gebieden en mogelijk een stijging van het grondwaterpeil. Keuze 5, Peilopzet veenweide, geeft een kans op een positief effect op de verdroogde N2000-gebieden. Keuze 7, 8 en 10 zorgen voor een verbetering van het grondwatersysteem en hebben daarmee eveneens een kans op een positief effect op de kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen. Bij keuze 9 heeft de overstroming in brede beekdalen met oppervlaktewater en het verwijderen van drainage een verhoging van grondwaterstanden tot gevolg. De overige structurerende keuzes (2, 3, 4, 6 en 11) hebben geen direct effect op de kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen. Bodemdaling. De huidige staat is overal slecht beoordeeld, er zijn overal knelpunten, behoudens op de zandgronden. De trend laat een verslechtering van de situatie zien. Voor structurerende keuze 1, 2, 5 is er een kans op positief effect voor de indicator bodemdaling.
Als in een Overgangsgebieden (keuze 1) of bij Inpassing areaal agrarische natuur/nieuwe natuur (keuze 2) het grondwaterpeil wordt verhoogd, zal dit leiden tot minder bodemdaling in relatie tot de referentiesituatie. Peilopzet in veenweidegebieden (5) heeft onder meer als doel om bodemdaling tegen te gaan. Het is aannemelijk dat bodemdaling zal vertragen. Bij de keuzes 3, 4 en 6 t/m 11 is er geen effect op bodemdaling te verwachten. Hierbij geldt dat de structurerende keuze geen of nagenoeg geen gevolgen hebben voor de bodemdaling, of dat de keuze op, of nabij, zandgronden plaatsvindt. Zandgronden zijn weinig gevoelig voor bodemdaling waardoor het effect van de keuze minimaal is
Goede omgevingskwaliteit
BI8226-MI-RP-231031-1427 |
51
PlanMER
Landschap & ruimtelijke kwaliteit Tabel 3‑8: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Landschap & ruimtelijke kwaliteit onder het hoofdthema Goede omgevingskwaliteit
Het thema Landschap en Ruimtelijke kwaliteit beschrijft de effecten op de indicatoren Belevingswaarde, Gebruikswaarde, Toekomstwaarde en Herkomstwaarde. Het centraal stellen van de identiteit van gebieden komt nadrukkelijk naar voren in belevingswaarde, meervoudig ruimtegebruik is onderdeel van de gebruikswaarde, en niet afwentelen is vergelijkbaar met toekomstwaarde. Het aspect cultuurhistorie wordt beoordeeld onder het begrip herkomstwaarde. Dit begrip wordt geoperationaliseerd door de aanwezigheid van historische landschappelijke structuren te beoordelen. Zie paragraaf 'Landschap en Ruimtelijke kwaliteit' voor een nadere toelichting op de referentiesituatie en het hoofdstuk 'Effecten van de structurerende keuzes' voor een nadere toelichting op de effectbeoordeling. Belevingswaarde. Ondanks dat de beleving sterk verschilt per landschapstype wordt in de huidige situatie de belevingswaarde als goed gezien. Hierbij moet wel vermeld worden dat niet gesteld kan worden dat een toename van openheid, of juist van opgaand groen, gewenst is om de belevingswaarde te verhogen. Dit moet aansluiten bij de gewenste beleving van het landschap. Wel kan gesteld worden dat er sprake is van een negatieve trend doordat de bebouwing in en aan de rand van het landelijk gebied gestaag toeneemt wat zijn weerslag heeft op de belevingswaarde.
Behoudens Invulling 10% groenblauwe dooradering (keuze 3) heeft geen van de structurerende keuzes invloed op de belevingswaarde. Alle andere keuzes zijn sterk aan nadere uitwerking onderhevig waardoor niet vast te stellen is of ze kans op positieve of negatieve effecten zullen hebben. Vandaar dat een neutrale score is toegekend. De toevoeging van GBDA biedt grote kansen op het gebied van opgaand groen en van structuurdragers en daarmee kansen op verbetering van de belevingswaarde. Tegelijkertijd zijn er geen nadrukkelijke negatieve effecten voor openheid, bebouwing of landgebruik. Gebruikswaarde. De huidige situatie (staat) in Nederland is als goed beoordeeld, er is vaak sprake van meervoudig ruimtegebruik in het Nederlandse landschap. Ook is er een positieve trend te zien. In het geval van de structurerende keuzes 1, 2, 3, 4, 5 en 9 is er een kans op een positief effect. Bij deze keuzes wordt bewust gezocht naar een koppeling tussen opgaven of het biedt kansen ervoor, waardoor het aannemelijk is dat meervoudig ruimtegebruik toegepast gaat worden. Keuze 11 heeft een kans op een negatief effect. Bij deze keuze is het risico aanwezig dat meervoudig ruimtegebruik voor een groot areaal ontmoedigd wordt. Keuze 6, 7, 8 en 10, hebben geen of nagenoeg geen effect op gebruikswaarde. Mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik zijn er niet of ze zijn te onzeker.
52
| BI8226-MI-RP-231031-1427
Goede omgevingskwaliteit
PlanMER
Toekomstwaarde. De huidige situatie (staat) in Nederland is redelijk, verspreid zijn er knelpunten. Omdat aanpasbaarheid een steeds belangrijker doel wordt, bijvoorbeeld in het kader van bijvoorbeeld de BREEAMduurzaamheidscertificering (waar aanpasbaarheid een onderdeel is), kan aangenomen worden dat in de toekomst steeds meer grond in Nederland aanpasbaar wordt ingericht waardoor er sprake is van een positieve trend. Bij keuzes 1 t/m 9 is er een kans op een positief effect omdat deze keuzes kansen bieden om de betreffende gebieden, zones op een andere wijze en daarmee ook op een aanpasbare manier in te richten. Keuze 10, Beperken grondwaterstand heeft geen effect op Toekomstwaarde. Hoewel dit belangrijk is voor het voortbestaan van de natuurgebieden, heeft dit geen gevolgen voor de aanpasbaarheid. Bij keuze 11 is er een kans op een negatief effect, omdat bij deze keuze het risico bestaat dat het vergroten van de aanpasbaarheid ontmoedigd wordt. Herkomstwaarde. De huidige staat (situatie) in Nederland is als slecht beoordeeld. Het aantal herkenbare structuurdragers in Nederland is sterk afgenomen ondanks dat er met jonge ontginningen ook enkele nieuwe structuurdragers zijn toegevoegd. Verwachting is dat ook in de toekomst het aantal structuurdragers sterk onder druk blijven en licht zullen (blijven) afnemen.
Invulling 10% groenblauwe dooradering (keuze 3) en Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden (keuze 9) hebben kans op een positief effect op Herkomstwaarde. GBDA biedt kansen voor het terugbrengen en beter herkenbaar maken van structuurdragers. Ook Beekdalherstel biedt kansen om structuurdragers beter zichtbaar te maken. Bij de overige structurerende keuzes zijn de effecten op de herkomstwaarde aan nadere uitwerking onderhevig zijn, waardoor niet vast te stellen is of er positieve of negatieve effecten zullen optreden.
3.3 Beschouwing op de effectbeoordeling Deze paragraaf geeft een beschouwing op de resultaten van de effectbeoordeling zoals in de vorige paragrafen beschreven. Ten eerste worden de resultaten van de effectbeoordeling meer in algemene zin geduid. Ten tweede wordt ingegaan op hoe de effectbeoordeling van de structurerende keuzes uit het NPLG gezien moeten worden in de tijd en ten aanzien van de zichtjaren. Ten derde wordt met het inzicht uit de effectbeoordeling ingegaan op de beoogde samenhangende aanpak van het NPLG. Ten vierde wordt ingegaan op de relatie tussen de structurerende keuzes met het oog op arealen/gebieden. Tot slot wordt een beschouwing gegeven van het sociaaleconomisch perspectief in de effectbeoordeling.
3.3.1 Algemeen In paragraaf 'Het Nationaal Programma Landelijk Gebied' is aangegeven dat het NPLG moet zorgen voor een samenhangende, gebiedsgerichte benadering om de problemen in het landelijk gebied aan te pakken. Zoals in Figuur 2‑1 is weergegeven, richten de structurerende keuzes zich op het halen van doelstellingen op het gebied van natuur, water, klimaat en GBDA. De effecten die verwacht worden bij het toepassen van deze structurerende keuzes zijn op hoofdlijnen beschreven in paragraaf 'Beoordeling effecten van structurerende keuzes' en uitgewerkt in het hoofdstuk 'Effecten van de structurerende keuzes'. Omdat het NPLG is gericht op het verbeteren van onder andere natuur, water en klimaat is het logisch om te zien dat de scores voor de milieu-indicatoren in Tabel 3‑3 t/m Tabel 3‑8 over het algemeen een kans op een positief effect geven. Ook is bij vrijwel alle structurerende keuzes een kans op een negatief effect op het areaal landbouwgrond en daarmee op het verdienvermogen van agrariërs aanwezig (zie Tabel 3‑2). Van belang is hierbij dat nieuwe ontwikkelrichtingen voor de landbouw, bijvoorbeeld de vergoeding van groenblauwe diensten of systeemveranderingen in de keten buiten het NPLG worden ontwikkeld. Meer in het algemeen zijn er verschillende regelingen voor agrarische ondernemers die keuzes bevatten voor innoveren, extensiveren, verplaatsen en stoppen.
Voorbeelden hiervan zijn de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderij (LBV, LBV+), de Maatregel gerichte aankoop en beëindiging veehouderijen (MGA) en de subsidieregeling brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen. De effecten daarvan zijn niet in deze beoordeling meegenomen. Sommige structurerende keuzes hebben op bepaalde indicatoren geen duidelijk positief of negatief effect en scoren daarom neutraal. Slechts in een paar gevallen kunnen structurerende keuzes naast positieve effecten op milieu-indicatoren gelijktijdig ook op 1 of 2 indicatoren een kans op negatieve effecten geven. Zo kan bij Overgangsgebieden (keuze 1) door het stimuleren van biodiversiteit door aangepast beheer een risico op toename N2O-emissies optreden door opbouw bodemorganisch materiaal. Kans op negatieve effecten, onder andere vanwege fosfaatuitspoeling wordt slechts bij een aantal indicatoren vermeld voor de structurerende keuzes Peilopzet veenweide (keuze 5), Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden (keuze 6), Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden (keuze 7), Verhogen grondwaterpeilen op hoge zandgronden (keuze 8) en Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond (keuze 11). Bij de keuze van maatregelen kan daar indien nodig rekening mee worden gehouden.
Beschouwing op de effectbeoordeling
BI8226-MI-RP-231031-1427 |
53
PlanMER
Naast de beoordeling is voor de verschillende structurerende keuzes ook gekeken naar variaties binnen de structurerende keuze. Door meer nadruk te leggen op bepaalde doelen of door met meer nadruk vanuit bepaalde belangen te kijken (bijvoorbeeld landbouw of natuur) zullen de effecten van de structurerende keuzes in bepaalde gevallen een sterker effect laten zien. Bij de keuze van de maatregelen kan daarmee rekening worden gehouden. In paragraaf 'Gevoeligheidsanalyse' wordt hier nader op ingegaan.
3.3.2 Zichtjaren Om de effecten van alternatieven in een milieueffectrapport te beoordelen wordt normaliter getoetst aan een specifiek referentiejaar of zichtjaar. Voor het beoordelen van effecten van het NPLG is het niet mogelijk om een specifiek jaartal te duiden. Een aantal concrete doelen zijn gekoppeld aan verschillende zicht-/ referentiejaren voor de kortere termijn, andere voor de middellange of lange termijn. In de gebiedsuitwerking moet al rekening gehouden worden met de langere termijn doorkijk. De structurerende keuzes die in dit planMER beoordeeld zijn op effecten geven richting aan het nemen van gebiedsgerichte maatregelen door provincies. Hoe die maatregelen uitpakken voor het halen van doelen zal in de provinciale programma’s beoordeeld moeten worden. Gebiedsuitwerkingen kosten tijd, realisatie van herinrichting kost tijd, effect van aangepast beheer of grondgebruik in kwaliteit van water, bodem, natuur kost ook tijd. Hoe snel die processen in de praktijk doorlopen worden of kunnen worden is op voorhand lastig te bepalen. Doordat het nog niet bekend is welke gebiedsgerichte maatregelen genomen gaan worden, kan het planMER nog geen goed inzicht geven in de korte termijn effecten van de structurerende keuzes. De effectbeoordeling in de tabel betreft daarom vooral beoordelingen voor de middellange en lange termijn.
3.3.3 Samenhang opgaven en samenhang structurerende keuzes Uitgangspunt voor het ontwerp-NPLG is dat doelstellingen in samenhang worden bezien en als zodanig bijdragen aan het noodzakelijk natuurherstel en -behoud evenals de klimaat- en waterverplichtingen. In de overzichtstabellen Tabel 3‑2 t/m Tabel 3‑8 zijn de effectbeoordelingen weergegeven per structurerende keuze. Dat structurerende keuzes kunnen samengaan is logisch en ligt zelfs voor de hand. Zo kunnen Overgangsgebieden, Inpassing areaal agrarische natuur/nieuwe natuur, Inpassing 10% groenblauwe dooradering, Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden en Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren in elkaars nabijheid worden gesitueerd, waardoor een versterkend effect kan optreden. Een overgangsgebied, een strook GBDA en een areaal nieuwe natuur kunnen samen in principe meer dan gemiddeld bijdragen aan connectiviteit natuurgebieden of aan biodiversiteit en daarmee aan het doel natuur (en mogelijk het doel integraal GBDA). Het is ook mogelijk dat structurerende keuzes elkaar overlappen. Of en waar die mogelijke overlapping kan optreden hangt af van de regionale keuzes die worden gemaakt. Provincies kunnen bij hun uitwerking daarin, binnen onder andere de ruimtelijke mogelijkheden, zoeken naar optimalisatie.
Het feit dat vanuit verschillende structurerende keuzes maatregelen in een gebied worden genomen wil echter niet automatisch zeggen dat er ook sprake is van synergie. Als bij het realiseren van nieuwe natuur overlappend ook invulling wordt gegeven aan GBDA, betekent dit waarschijnlijk dat minder areaal natuur gecreëerd wordt dan wanneer beide structurerende keuzes zonder overlap worden ingevuld. In paragraaf 'Arealen en gebieden' wordt daar ook nog op ingegaan. De samenhang van de structurerende keuzes waar het gaat om het realiseren van de opgaven is weergegeven in paragraaf 'De structurerende keuzes van het NPLG' en is in Figuur 3‑3 nog eens opgenomen.
54
| BI8226-MI-RP-231031-1427
Zichtjaren
PlanMER
Figuur 3‑3: Relatie tussen NPLG-doelen en structurerende keuzes
3.3.4 Arealen en gebieden In paragraaf 'Samenhang opgaven en samenhang structurerende keuzes' werd gekeken naar samenhang tussen structurerende keuzes zonder een duidelijke koppeling aan arealen of specifieke gebieden. Deze paragraaf beschrijft hoe de resultaten uit het planMER gezien kunnen worden in relatie met het gebied waar of het areaal waarover keuzes gemaakt worden, vooral in relatie tot de landbouw. De structurerende keuzes kunnen verdeeld over Nederland worden toegepast. Een aantal structurerende keuzes zijn verbonden met specifieke gebieden zoals bij Peilopzet veenweidegebieden, bij Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden of bij Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden in de kustregio’s.
Figuur 3-4: Grondsoortenkaart
Daarnaast is het logisch om te veronderstellen dat voor zand, veen en klei voor de hand liggende combinaties zullen worden gevormd. Bijvoorbeeld: • Voor zand passen onder andere Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden door het creëren van bufferzones, Beperken grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden op hoge zandgronden, Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren van water en Invulling 10% groenblauwe dooradering bij elkaar; • Voor veen zijn Peilopzet veenweide en Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren van water logisch; • Voor klei kun je denken aan Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden, Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond en Inpassing areaal agrarische natuur/nieuwe natuur.
Arealen en gebieden
BI8226-MI-RP-231031-1427 |
55
PlanMER
Veelal zal de ruimte die nodig is voor het vormgeven van de structurerende keuzes, landbouwgrond betreffen. Dan wel in de vorm van functiewijziging of in de vorm van extensivering van landbouw. De ruimtelijke uitwerking van de structurerende keuzes beperkt zich echter niet enkel tot landbouwgronden. Het kan bijvoorbeeld bij GBDA ook gaan om wegbermen of watergangen van waterschappen. De omvang van structurerende keuze 3 (Invulling 10% groenblauwe dooradering) is nog niet in hectare te kwantificeren. Provincies brengen als onderdeel van de provinciale gebiedsprogramma’s het huidige oppervlakte van GBDA in kaart. Daarbij is het benodigde oppervlak GBDA niet alleen aan landbouwgrond toe te kennen, omdat GBDA niet alleen gerealiseerd zal worden op landbouwgrond, maar bijvoorbeeld ook in bermen van wegen. In sommige gebieden is al meer GBDA aanwezig (bijvoorbeeld in Twente, de Achterhoek en delen van Drenthe). De opgave voor de GBDA zal dus per gebied kunnen verschillen. Voor de andere structurerende keuzes is het lastiger een inschatting van afname hectares landbouwgrond of extensivering te maken zonder de verdere provinciale uitwerking te kennen. Wel kan gesteld worden dat een aantal structurerende keuzes in principe toegepast kunnen worden op dezelfde arealen. Dit komt al grotendeels voort uit structurerende keuze 11, Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond.
Daarin wordt gesteld dat areaal met ‘zware toekomstige uitdagingen’ bij voorkeur bekeken moet worden voor het realiseren van andere doelen. Deze gebieden grenzen bijvoorbeeld aan gevoelige N2000-gebieden. Daarmee zijn deze gebieden (grotendeels) dezelfde gebieden als de overgangsgebieden uit structurerende keuze 1. Op dezelfde manier kunnen arealen natuur en agrarische natuur uit structurerende keuze 2 overlappen met overgangsgebieden of gebieden met ‘zware toekomstige uitdagingen’. Provincies kunnen er ook voor kiezen om hun GBDA op deze percelen in te vullen. Hoewel veel van de structurerende keuzes leiden tot een mate van extensivering of daling van het totaal areaal landbouwgrond, telt deze afname niet één-op-één op. De inzet van deze landbouwgrond kan meerdere keuzes dienen. Daarmee is het areaal waar maatregelen betrekking op zullen hebben mogelijk minder dan valt af te leiden uit de optelling van de individuele NPLG doelen. Dit zal moeten blijken uit de regionale programma’s en kan leiden tot bijstelling van het NPLG. Door provincies zal daarbij goed gekeken moeten worden wat eventuele overlap van maatregelen (gekoppeld aan verschillende structurerende keuzes) betekent voor het halen van doelen die met de individuele structurerende keuzes beoogd worden.
Structurerende keuze 11 ‘Zorgvuldig omgaan met landbouwgrond’ leidt er toe dat areaal met ‘weinig toekomstige uitdagingen’ zoveel mogelijk gericht blijft op landbouw en daarmee voor een deel buiten invloedssfeer van de maatregelen blijft. In relatie tot de landbouw is daarom ook relevant dat in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, 2020) wordt aangegeven dat naast het NPLG ook het Uitvoeringsprogramma Bodem en Ondergrond (met als doel het duurzaam beheer en gebruik van bodem, ondergrond en grondwater te bevorderen), het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw (waarin wordt verduidelijkt hoe de landbouwsector zich kan voorbereiden op extreem weer en andere risico’s van klimaatverandering) en het Nationaal Programma Landbouwbodems (NPL) (dat stuurt op het bereiken van duurzaam beheer van alle Nederlandse landbouwbodems in 2030) van belang zijn. Dit voor een betere bodemvruchtbaarheid, klimaatbestendigheid, schoner oppervlakte- en grondwater, een hogere biodiversiteit en het vastleggen van koolstof). De programma’s gezamenlijk (en de maatregelen die daaruit voortvloeien) dragen bij aan de verbetering van landbouwgebieden (bodems) in Nederland. In paragraaf 'De relatie tussen het NPLG en andere programma's' wordt een breder overzicht gegeven van de relatie met andere beleidsnota’s en programma’s.
56
| BI8226-MI-RP-231031-1427
Arealen en gebieden
PlanMER
3.3.5 Sociaaleconomisch De structurerende keuzes in het NPLG richten zich vooral op het realiseren en halen van de doelen rond natuur, water, klimaat en GBDA. Ondanks dat daarmee in algemene zin verbetering van het landelijk gebied wordt bewerkstelligd zijn de structurerende keuzes niet direct gericht op vitalisering van het landelijk gebied in sociaaleconomische zin. De structurerende keuzes brengen natuurlijk wel sociaaleconomische effecten met zich mee. In dit planMER is aangegeven dat sociaaleconomische effecten aan bod zullen komen in de provinciale uitwerking van het NPLG omdat in die uitwerkingen maatregelen worden benoemd voor regio’s waarmee de sociaaleconomische consequenties beter in beeld kunnen worden gebracht. Op hoofdlijnen is in dit planMER ingegaan op de effecten die de structurerende keuzes zullen hebben op het areaal landbouwgrond en op het verdienvermogen van agrariërs. Het is lastig om daar een beoordeling aan te geven. Als gekeken wordt naar de effecten van de structurerende keuzes sec, dan kan geoordeeld worden dat landbouwgrond in een bepaalde mate zal afnemen of dat daar alleen nog extensieve landbouw mogelijk is. In principe zal dit dan leiden tot een sterkere afname van het verdienvermogen en hoogstwaarschijnlijk ook van het aantal agrariërs dan autonoom het geval zou zijn.
In de basis is er dan sprake van het risico op negatieve sociaaleconomische effecten. Hierbij moet wel betrokken worden dat bij deze transitie door de overheid in overleg met de sector gekeken wordt naar mogelijkheden van alternatieve inkomstenbronnen, zoals natuurbeheer en recreatie. Daarnaast bestaan er inmiddels een aantal stimuleringsregelingen om de transitie vorm te geven die negatieve sociaaleconomische effecten moeten tegengaan. Hoewel voor individuele agrariërs sprake kan zijn van negatieve sociale en (bedrijfs)economische effecten, kan het NPLG voor Nederland als geheel een kans op positieve sociaaleconomische effecten geven doordat het realiseren van de doelen bijdraagt aan welvaart en welzijn in Nederland, bijvoorbeeld via gezonde ecosysteemdiensten 1 . In Figuur 3‑5 zijn voorbeelden van ecosysteemdiensten in Nederland gegeven (PBL, 2014). Onder andere bij het kijken naar alternatieve inkomstenbronnen zullen ecosysteemdiensten een bouwsteen kunnen zijn.
1
Ecosystemen zijn de drager van het menselijk bestaan. Productiediensten zorgen voor bijvoorbeeld voedsel, water en hout. Regulerende diensten bepalen mede de omstandigheden waarin de mens leeft door bijvoorbeeld CO2-vastlegging en waterveiligheid. Culturele diensten dragen in belangrijke mate bij aan ons welbevinden door de schoonheid van de natuur en de identiteit die ze culturen verschaffen. Mogelijk speelt de mondiale achteruitgang van ecosysteemdiensten een rol bij actuele crises zoals klimaatopwarming, voedselproblematiek, overstromingen en droogte, verwoestijning, armoede, conflict en migratiestromen. Zie verder: https://www.pbl.nl/ecosysteemdiensten-0
Sociaaleconomisch
BI8226-MI-RP-231031-1427 |
57
PlanMER
Figuur 3‑5: Voorbeelden van ecosysteemdiensten in Nederland
58
| BI8226-MI-RP-231031-1427
Sociaaleconomisch
PlanMER
3.4 Gevoeligheidsanalyse 3.4.1 Meer sturing vanuit de rijksoverheid Ten aanzien van de structurerende keuzes zijn inhoudelijke variaties per structurerende keuze mogelijk. Daar wordt hierna op ingegaan. Er is ook gekeken of de mate van sturing door het Rijk bij kan dragen aan het bereiken van de doelen. Hieraan ligt de redenering ten grondslag dat concrete en precieze sturing op structurerende keuzes vanuit het Rijk leidt tot meer zekerheid over de ruimtelijke inrichting die gebiedsprogramma’s hanteren om tot maatregelen te komen die leiden tot doelbereik. Voor de volgende structurerende keuzes wordt ingeschat dat een sterke sturing vanuit het Rijk bij kan dragen aan het doelbereik: • • • • • •
Structurerende keuze 1: Overgangsgebieden Structurerende keuze 2: Inpassing areaal agrarische natuur / nieuwe natuur Structurerende keuze 5: Peilopzet veenweide Structurerende keuze 8: Verhogen van grondwaterpeilen op hoge zandgronden Structurerende keuze 9: Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden Structurerende keuze 10: Beperken grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden op hoge zandgronden • Structurerende keuze 11: Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond In algemene zin wordt geconstateerd dat deze sterker sturende variatie in potentie kan leiden tot het sneller, efficiënter of in hogere mate halen van de doelstellingen. Dit gaat tegelijkertijd wel ten koste van het gebiedsgerichte maatwerk dat centraal staat in de NPLG aanpak.
3.4.2 Variaties per structurerende keuze Voor alle structurerende keuzes zijn meerdere variaties in beschouwing genomen. Deze laten in sommige gevallen een verbetering van de beschreven effecten zien. Doordat gefocust wordt op bepaalde thema's (cultuurhistorie) of bepaalde doelen (bijvoorbeeld op de klimaatdoelen of op natuurdoelstellingen) of doordat specifieke indicatoren sturend worden gemaakt zal er vooral voor de indicatoren die daarmee samenhangen een positiever effect kunnen optreden. Variaties waarbij natuur de primair sturende functie is (overgangsgebieden en GBDA) of waarbij inpassing optimaal bijdraagt aan het realiseren van het betreffende natuurdoeltype (inpassing areaal agrarische natuur/ nieuwe natuur) zullen voor de thema’s Milieugezondheidsrisico’s, Klimaat, Natuur, Water en Bodem de effecten positiever kunnen zijn dan voor het voornemen. Voor variaties waarbij landbouw primair de sturende functie is (overgangsgebieden) of waar de invulling het meest optimaal is voor de agrarische functie (inpassing areaal agrarische natuur/ nieuwe natuur) zullen de effecten op de thema’s Milieugezondheidsrisico’s, Natuur, Klimaat, Water en Bodem minder positief zijn dan op het voornemen. Variaties waarbij sprake is van multifunctioneel ruimtegebruik (overgangsgebieden) scoren op de thema's Klimaat, Water en Bodem minder goed dan in het geval van het voornemen.
Voor de indicator gebruikswaarde scoort deze variatie positief, dit is immers het doel voor deze variatie. In algemene zin zal in het geval van variaties in de tijd (peilopzet veenweidegebied) of in de grootte van het gebied (beekdalherstel en ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren van water) waarin de betreffende structurerende keuze wordt toegepast de effectiviteit van de betreffende structurerende keuze worden beïnvloed. Dit kan negatief of positief uitpakken, afhankelijk van de toepassing van de variatie. Het onderscheiden van groene-groene en groen-rode functiecombinaties bij zorgvuldig omgaan met landbouwareaal zal geen grote wijziging van effecten ten opzichte van de structurerende keuze tot gevolg hebben. De verwachting is dat er in lijn met het afwegingskader wordt gehandeld. Groen-groen functiecombinaties (bijvoorbeeld natuurinclusieve landbouw waarbij agrarische productie gecombineerd wordt met het creëren van natuurwaarde) zullen vooral plaats vinden in gebieden met veel tot matige uitdagingen voor de landbouw en groen-rode functiecombinatie vooral in gebieden met weinig uitdagingen voor de landbouw.
Meer sturing vanuit de rijksoverheid
BI8226-MI-RP-231031-1427 |
59
PlanMER
3.5 Onzekerheden en leemten in kennis Het ontwerp-NPLG heeft een sturend karakter en kent een hoog schaal- en abstractieniveau. Dit planMER heeft dientengevolge ook een hoog schaal- en abstractieniveau. Een effectbeoordeling met dit karakter en bovendien gericht op effecten die zich op de middellange en lange termijn voordoen, is per definitie omgeven met de nodige onzekerheden en kennisleemten. Bij de effectbeoordeling in dit planMER kunnen twee typen leemten in kennis worden aangeduid. Ten eerste bestaat er onduidelijkheid over de daadwerkelijke uitwerking van de voorgestelde keuzes, aangezien de te nemen maatregelen nog niet bekend zijn en de concrete uitwerking hiervan afhankelijk is van nog te nemen vervolgstappen. Ten tweede ontbreekt in veel gevallen kennis en informatie over de situatie in de toekomst, waardoor de inschatting van effecten op dit moment in sommige gevallen lastig is. Bij de besluitvorming rond het NPLG is het daarom van belang om bewust te zijn dat er leemten in kennis bestaan. Hieronder wordt globaal aangegeven welke leemten geconstateerd worden. Bij het onderwerp monitoring en evaluatie is aangegeven dat een monitoringsprogramma ook op deze leemten gericht kan zijn. Geconstateerde leemten in kennis: • Oppervlakte landelijk gebied: er is wel een definitie van het landelijk gebied beschikbaar binnen het NPLG, maar hier is geen data aan gekoppeld.
Verschillende bronnen beschrijven het landelijk gebied op verschillende manieren, dus het was niet mogelijk om de oppervlakte van het landelijk gebied (en de trends) te berekenen met de beschikbare informatie. • Oppervlakte agrarisch gebied: dit wordt pas sinds een korte tijd gemonitord, dus het is niet mogelijk een goede trend hiervan te bepalen. Ook is de beschikbaar informatie beperkt. • Oppervlakte landbouwgrond per bodemtype: het onderscheid van de landbouw per bodemtype (zand, klei en veen) is niet te maken bij het schetsen van de huidige situatie en de trends, omdat hier geen volledige landsdekkende data (eenduidige geverifieerde bronnen) over is. Daarnaast is het lastig om een inschatting te maken van de afname in hectares landbouwgrond zonder de verdere provinciale uitwerking. 1. Milieugezondheidsrisico’s: in verschillende onderzoeken wordt geconstateerd dat er aanwijzingen zijn dat veehouderij gezondheidsrisico’s voor omwonenden kan meebrengen. Bijvoorbeeld ten aanzien van fijnstof maar ook waar het gaat om zoönosen. Voor het leggen van causale verbanden of voor het verkrijgen van meer informatie en helderheid op dit gebied is meer onderzoek nodig.
Er lopen momenteel vervolgonderzoeken ten aanzien van Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) maar ook bijvoorbeeld op gebied van dierziekten en zoönosen of ten aanzien van de werking van maatregelen voor de verkleining van milieugezondheidsrisico’s is nader onderzoek voor de hand liggend. 2. Emissies broeikasgassen: Voor N2O-emissies is een kans op positieve invloed bij aanleg van landschapselementen. Het effect is onzeker bij ecologisch beheer van slootkanten en afhankelijk van de mate van hergebruik van (gecomposteerd) maaisel in kleine of grote kringloop. Daarnaast is het nader te bepalen hoe de emissies uit oppervlaktewater zich verhoudt tot emissies van hetzelfde areaal wanneer dit niet wordt gebruikt als waterberging. Het netto-effect zal afhangen van de bodem (veen of minerale bodem), perioden per jaar met waterbedekking, eventuele verandering in vegetatie. Tot slot zijn de effecten van het toestaan van tijdelijke verzilting op broeikasgassen zonder verdere specificering van de huidige situatie en de verwachte effecten van verzilting op vegetatie en landgebruik moeilijk te beoordelen. 3. Vastlegging koolstof: voor koolstofvastlegging wordt verwacht dat een toename van 0,03%-punt in organisch stofgehalte gemiddeld over alle minerale landbouwbodems gerealiseerd kan worden.
De kleinste verandering in het organisch stofgehalte die in de bodems kan worden waargenomen met de huidige meetmethoden is echter gemiddeld 0,14%-punt. Er is daarom veel onzekerheid rond wat er gerealiseerd kan worden en, in de toekomst, wat er gerealiseerd is. Zoals ook is aangegeven hierboven bij emissies broeikasgassen is nog nader te bepalen welke netto-effecten vernatting heeft qua eventuele verandering van koolstofvoorraden. De effecten van toestaan van tijdelijke verzilting op koolstofvoorraden is zonder verdere specificering van de huidige situatie en de verwachte effecten van verzilting op vegetatie en landgebruik moeilijk te beoordelen. 4. Abiotiek: Bij vernatting, onderdeel van structurerende keuze 6, is het niet mogelijk om het effect van de structurerende keuze op abiotiek te bepalen. Bij vernatting is het samenspel van calcium, ijzer en fosfaat zeer complex. Onderlinge verhoudingen van deze stoffen in de bodem en het grond- of oppervlaktewater zijn zeer bepalend voor de heersende processen en de uiteindelijke beschikbaarheid van fosfaat. Daarnaast oefenen de redoxtoestand, de pH, het type bodem, de degradatie van de bodem en de aanwezigheid van andere
60
| BI8226-MI-RP-231031-1427
Onzekerheden en leemten in kennis
PlanMER
stoffen (zoals sulfaat) hier nog een essentiële invloed op uit. Hierdoor is ieder vernattingsproject anders waardoor het niet mogelijk is om hier een eenduidige beoordeling op te geven. Ook is er geen eenduidige voorspelling te geven wat waterberging doet met de abiotiek in het gebied en is sterk afhankelijk van de uitgangssituatie van de bodem, de waterkwaliteit en de duur en frequentie van inundatie. Dit maakt het beoordelen van structurerende keuze 4, Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren, niet mogelijk. 5. Chemische kwaliteit oppervlaktewater: voor de algehele grondwaterkwaliteit zijn geen trendanalyses uitgevoerd voor bestrijdingsmiddelen, geneesmiddelen, PFAS en overige microverontreinigingen. 6. Landschap en ruimtelijke kwaliteit: In veel gevallen zullen de structurerende keuzes effect hebben op het landgebruik. Echter is het niet te zeggen of dat een positief dan wel negatief zal zijn. Hiervoor is een nadere, gebiedsspecifieke uitwerking vereist. In de gebiedsspecifieke uitwerking kan pas bekeken worden wat het effect is op de landschappelijk- en ruimtelijke elementen.
3.6 Monitoring en evaluatie Als onderdeel van het planMER wordt ook een aanzet gedaan voor monitoring en evaluatie (zie ook hoofdstuk 5 in het ontwerp-NPLG). Het ontwerp-NPLG omvat een verzameling van nationale doelen en daar waar mogelijk een regionale verdeling per doel. Daarnaast benoemt het een set aan structurerende keuzes die op basis van de planm.e.r.-procedure en de uitkomsten van het planMER (variaties op de structurerende keuzes) zijn aangescherpt. Met een combinatie van generieke en gebiedsgerichte maatregelen werken Rijk en provincies aan het bereiken van de NPLG-doelen. Provincies werken de structurerende keuzes en doelen uit via provinciale gebiedsprogramma's en dienen maatregelpakketten in voor financiering. Om tussentijds doelbereik van gerealiseerde en voorgenomen maatregelen te evalueren zal een evaluatie van doelbereik NPLG-doelen voor natuur, water en klimaat centraal staan in de Monitoring en evaluatie. De monitoring op alle NPLG-doelen op nationaal en provinciaal niveaus is echter een groeipad. Daarnaast is doelbereik van het NPLG niet het enige waarop wordt gemonitord. Ook wordt als onderdeel van het groeipad verkend hoe sociaaleconomische effecten gemonitord kunnen worden en welke data- en informatievoorziening hiertoe ontwikkeld moet worden.
Aanvullend op het groeipad voor monitoring op doelbereik is er monitoring op maatregelen gefinancierd vanuit het Transitiefonds en een kwalitatieve Lerende Evaluatie Er zullen na vaststelling van het NPLG nog veel vervolgbesluiten genomen of verder uitgewerkt moeten worden. Waar nodig zal flexibel ingespeeld moeten worden op veranderende omstandigheden en mate van realiseerbaarheid van de doelen. Dat kan leiden tot periodieke herijking van het nationale programma en de provinciale programma's. Monitoring en evaluatie is een van de belangrijkste input voor deze periodieke herijking.
Aanzet monitoringsprogramma vanuit het planMER NPLG Na vaststelling van een m.e.r.-plichtig plan moet het betreffende bevoegd gezag de daadwerkelijke milieugevolgen van de uitvoering van de voorgenomen activiteit onderzoeken (art. 7.39 lid 1 Wm). Als het voornemen is opgenomen in een plan en pas kan worden uitgevoerd nadat hier een op het plan volgend besluit over is genomen, berust de verantwoordelijkheid van de monitoring bij het bevoegd gezag dat dit besluit neemt (art. 7.39 lid 2 Wm). In het geval van het NPLG zullen de concrete maatregelen door de provincies worden genomen. In dit planMER worden al een aantal suggesties gedaan voor het uiteindelijk monitoringsprogramma. Mogelijke monitoringsopties zijn 1 : • Het monitoren van de natuur- en milieukwaliteit; • Het monitoren van het halen van de internationale afspraken ten aanzien van waterkwaliteit, klimaat en natuur, zoals: ◦ Het monitoren van de instandhoudingsdoelstellingen in N2000-gebieden; ◦ Het monitoren van het halen van de doelstellingen uit de KRW. • Het monitoren van de mate van implementatie van de maatregelen op provinciaal niveau met daarbij aandacht voor, bijvoorbeeld: ◦ Veranderingen in hectares voor landbouw, natuur of natuurinclusieve landbouw; ◦ Veranderingen in bedrijf- en dierdichtheden en/of veranderingen in vee-eenheden; ◦ Veranderingen ten aanzien van de mate van biodiversiteit.
• Het evalueren van samenwerking tussen verschillende ministeries, tussen ministeries en provincies en tussen provincies onderling (hier wordt reeds op ingegaan in de Lerende Evaluatie (zie NPLG) om zo de samenhangende aanpak verder te bevorderen. 1
In het ‘Technical Handbook on the Monitoring and Evaluation Framework of the Common Agricultural Policy 2014-2020 worden in tabel 9 een aantal mogelijk indicatoren genoemd die bij het opzetten van een monitoringsprogramma relevant kunnen zijn.
Monitoring en evaluatie
BI8226-MI-RP-231031-1427 |
61
Deel B: Onderbouwing van de beoordeling
PlanMER
4 Methodiek In dit hoofdstuk wordt beschreven welke beoordelingsmethodiek is gehanteerd in de effectanalyse van de structurerende keuzes. Daarnaast wordt beschreven hoe de referentiesituatie wordt beoordeeld en hoe het voornemen wordt beoordeeld.
4.1 Beoordelingsmethodiek 4.1.1 Het Rad van de Leefomgeving ten behoeve van het NPLG Voor het beoordelingskader wordt het Rad van de Leefomgeving als basis gebruikt (zie Figuur 4‑1). Dit Rad is ook gehanteerd in de m.e.r. voor de NOVI. Het Rad geeft de mogelijkheid de beoordeling van de effecten voor de fysieke leefomgeving breed en integraal te benaderen. Voor de beoordeling van zowel de referentiesituatie als het voornemen wordt het Rad gehanteerd. Het Rad sluit goed aan bij de doelstelling van de Omgevingswet, namelijk: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” [Omgevingswet, artikel 1.3]
Figuur 4‑1: Binnenste schil van het Rad van de Leefomgeving
Het Rad van de Leefomgeving zoals weergeven in Figuur 4‑2, is een aangepaste versie ten behoeve van het NPLG. Over het algemeen geldt dat de beoordelingen in het planMER NPLG hoofdzakelijk gericht zijn op de bovenste helft van het Rad (Veilige en gezonde leefomgeving en Goede omgevingskwaliteit). Hier zijn een aantal reden voor: 1. Het bovenste deel van het Rad wordt gebruikt, omdat de doelen van het NPLG: natuur, water, klimaat en GBDA, met name gericht zijn op het beschermen van de fysieke leefomgeving; 2. De uitwerking van de structurerende keuzes kan effecten hebben op de onderste deel van het Rad, maar de benodigde (milieu-)informatie voor het nemen van een besluit over de inhoud van het NPLG is voornamelijk opgenomen in de bovenste helft van het Rad. 3. De sociaaleconomische effecten van het NPLG hangen in sterke mate af van de precieze invulling van de gebiedsprogramma's. Dit betekent dat de sociaaleconomische effecten slechts beperkt onderzoekbaar zijn binnen dit planMER voor het NPLG. Onderzoek naar de sociaaleconomische effecten vindt daarom plaats in het kader van de uitwerking van de gebiedsprogramma's. Daarnaast wordt aan de hand van de provinciale gebiedsprogramma’s een toets uitgevoerd op de totale bijdrage aan het doelbereik en effectiviteit van de maatregelen.
Methodiek
BI8226-MI-RP-231031-1427 |
63
PlanMER
Op het uitsluiten van de sociaaleconomische effecten in dit planMER wordt één uitzondering gemaakt voor het thema Landbouw. Voor dit thema wordt op zeer globaal niveau beschreven op welke wijze de structurerende keuzes invloed hebben de oppervlakte aan landbouwgrond, op de aantallen agrariërs en op hun verdienvermogen.