CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

2024 54 Bijlage 2 PlanMER-NPLG-december 2023

Gemeenteraad 28 maart 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken39.386 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Figuur 5‑15: Emissie broeikasgassen naar sector (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023d)

Ook als wordt gekeken naar de bronnen binnen de landbouw is te zien dat aardgasverbruik erg schommelt over de jaren heen, maar dat er geen dalende trend te zien is (zie Figuur 5‑16). Dit is vooral gerelateerd aan kassen, die in koude jaren harden moeten worden warm gestookt. Voor fermentatie, gerelateerd aan de CH4 die wordt uitgestoten door met name runderen, geldt ook in mindere mate een schommelende trend. Mestaanwending en stal en mestopslag laten beide een licht dalende trend zien, maar in het afgelopen decennium is dit gestagneerd. De overige bronnen, waarbij het met name om N2O-emissie gaat, lieten een licht dalende trend zien, maar in het afgelopen decennium is dit weer toegenomen.

88

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Klimaat

PlanMER

Figuur 5‑16: Emissie broeikasgassen door de landbouw per bron (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023d)

Door de Rijksoverheid (2023) is er een inschatting gedaan van hoe de emissie van broeikasgassen zich gaat ontwikkelen (zie Figuur 5‑17). In deze inschatting is landgebruik als bron toegevoegd, maar dit wordt samen beschouwd met de landbouw. Als wordt gekeken naar het beleid voor het terugdringen van broeikasgassen dat op 1 mei 2022 openbaar was, is het streven de emissie van broeikasgassen terug te dringen naar 114-139 Mton CO2-equivalent in 2030. Als hierbij ook nog beleid wordt meegenomen dat geagendeerd is, wordt dat 108-133 Mton CO2-equivalent in 2030. Dit is niet genoeg om het doel van 102 Mton CO2-equivalent in 2030 te behalen.

Figuur 5‑17: Ontwikkeling broeikasgasemissie in Nederland (in Mton CO2-eq.) (Rijksoverheid, 2023)

Conclusie De huidige situatie wat betreft de indicator Emissie broeikasgassen krijgt een rode score. De meest recente doelstelling voor broeikasgassen zijn namelijk niet gehaald.

Klimaat

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

89

PlanMER

De trend voor de indicator Emissie broeikasgassen krijgt echter een neutrale score. Sinds 1990 zijn de emissies van de broeikasgassen CH4, N2O en de F-gassen sterk afgenomen, maar voor de landbouw geldt dat dit maar in beperkte mate gebeurd is en dat dit het laatste decennium gestagneerd is. De doelen op het gebied van broeikasemissies worden voor 2030 ook niet gehaald met het huidige beleid.

Figuur 5‑18: Scoring huidige en referentiesituatie

Vastlegging koolstof Huidige situatie Ecosystemen spelen een belangrijke rol bij het vastleggen van broeikasgassen, zoals koolstofdioxide (CO2), in de bodem en begroeiing (Atlas Natuurlijk Kapitaal, 2023). CO2 wordt in de bodem vastgelegd als koolstof. Door het reguleren van de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer dragen ecosystemen bij aan een meer stabiel klimaat. De exacte potentie van de vastlegging van koolstof is moeilijk in te schatten, want er zijn veel factoren die invloed hebben op de netto koolstofvastlegging: het weer (temperatuur, neerslag), bodemverdichting, gewaskeuze, landgebruik, bemesting, bouwplan, bodembeheer, bodemkarakteristieken, grondwaterstand, geomorfologie, gehalte aan organische stof, grondbewerking, gebied (eutroof, oligotroof) en tijd (klimaatverandering). Vastlegging is mogelijk in landbouwbodems mits deze duurzaam beheerd worden. Uit een Europese studie gebleken dat een reductie van grondbewerking een positief effect heeft op de vastlegging van koolstof in biologische landbouwsystemen (Beter Bodembeheer, 2021). Op basis van de landelijke steekproef naar de koolstofvoorraad in de Nederlandse landbouwbodems (2018), blijkt dat de voorraad in de laag 0-30 cm ongeveer 154 Mton C is. In de diepere laag (30-100 cm) is dit 169 Mton C (Van Tol-Leenders, D., et al., 2019). Bossen leggen de meeste CO2 vast doordat zij CO2 als koolstof opslaan in het hout.

Hiermee bouwen bomen een meerjarige voorraad op. Het Nederlandse bos legt jaarlijks 2,7 megaton CO2 vast, wat 1,3% is van de totale uitstoot door onder andere het verkeer, huishoudens en de industrie. Vochtige bossen hebben de grootste koolstofvoorraad per hectare. Daarnaast kan koolstof in de bodem worden vastgelegd, bijvoorbeeld onder natuurlijke schraalgraslanden en rietmoeras. De potentie voor koolstofvastlegging wordt niet alleen bepaald door verschillen in bodemtype, maar ook de zuurtegraad van de bodem, het type bodembeheer, het klimaat en het gewastype (Verdonk, L., et al., 2022). De potentie voor koolstofvastlegging is hoger in kleibodems dan in zandbodems. Voor de meeste natuurtypen (behalve in bossen) is de koolstofvoorraad in de bodem (dode biomassa) vele malen hoger dan de voorraad bovengronds in bomen en planten, afhankelijk van het natuurtype. In het verleden hebben veengebieden een grote hoeveelheid koolstof vastgelegd. Sinds de middeleeuwen zijn veengebieden ontgonnen en drooggelegd om ruimte te creëren voor de landbouw. Tegenwoordig worden de grondwaterpeilen nog steeds actief verlaagd voor landbouwdoeleinden. Hierdoor oxideert het veen, waarbij veel CO2 vrijkomt. Dit levert een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse CO2-uitstoot, namelijk 4,2 megaton CO2 per jaar, wat meer is dan wat de bossen vastleggen.

Naast CO2 komt er ook een kleine hoeveelheid lachgas (N2O) vrij (Provincie Zuid-Holland, 2019). Bij de bemesting van grond loopt, afhankelijk van het type bemesting, de hoeveelheid vrijkomend N2O op (Slier & Velthof, 2021). N2O komt ook vrij bij beweiding, uit veengronden, bij het scheuren van grasland, bij het achterlaten van gewasresten, mestopslag en -bewerking. Veenoxidatie kan worden voorkomen door het veen te vernatten. Dit zorgt ervoor dat het oxidatieproces geremd wordt en er minder CO2 en N2O vrijkomen. Het nadeel daarbij is dat er bij het vernatten van het veen methaan (CH4) vrijkomt, waarbij de hoeveelheid afhangt van het grondwaterpeil. De effecten van vernatting op de emissie van N2O en CH4 zijn tegengesteld en heffen elkaar deels op (Provincie Zuid-Holland, 2019). Er is een hoop onzekerheid rond het exacte effect.

90

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Klimaat

PlanMER

Op basis van de landelijke steekproef naar de koolstofvoorraad in veengronden blijkt dat de voorraad in de laag 0-30 cm ongeveer 267 Mton C is (Verdonk, L., et al., 2022). In de diepere laag (30-100 cm) is dit 348 Mton C. Gecorrigeerd voor landbouwbodems in veengronden is dit 113 en 179 Mton C, respectievelijk, voor natuurgronden in veen.

Figuur 5‑19: Gemiddelde koolstofvoorraad in de Nederlandse bodems in de laag 0 – 30 cm (links) en 30 – 100 cm (rechts) (Verdonk, L., et al., 2022)

Trends Het NPL heeft als doel gesteld om vanaf 2030 jaarlijks een extra hoeveelheid van 0,5 Mton CO2-eq. in minerale landbouwbodems vast te leggen (Verdonk, L., et al., 2022). Dit zou een absolute toename van bijna 0,03%-punt in organisch stofgehalte gemiddeld over alle minerale landbouwbodems betekenen. De kleinste verandering in het organisch stofgehalte die in de bodems kan worden waargenomen met de huidige meetmethoden is gemiddeld 0,14%-punt. De beoogde toename in de bodems zelf valt in de onzekerheidsmarge. Modelberekeningen (Slier, et al., 2022) laten zien dat een additionele vastlegging van 0,9 Mton per jaar in potentie haalbaar is als alle mogelijke maatregelen worden genomen (maximale implementatiegraad). Hiervoor wordt uitgegaan van een breed pakket aan maatregelen die bijdragen aan duurzaam bodembeheer. De daadwerkelijke vastlegging van koolstof in landbouwbodems is mede afhankelijke van de mate waarin maatregelen voor duurzaam bodembeheer en koolstofvastlegging in de praktijk door boeren duurzaam worden toegepast en waarin stimulatie van deze maatregelen via onder andere het GLB/Ecoregeling plaatsvindt. Hoewel het klimaatdoel dus haalbaar is, kan het lastig zijn om deze toename jaarlijks te bewijzen.

Maatregelen die het meest zullen bijdragen aan koolstofvastlegging in Nederlandse minerale landbouwbodems zijn onder andere het niet scheuren van grasland, verbeterde gewasrotaties, dierlijke mest en compost, het gebruik van groenbemesters en meer blijvend grasland. Hoewel er geen reden is om aan te nemen dat de additionele vastlegging niet mogelijk is, zijn er factoren die de uiteindelijke hoeveelheid koolstofvastlegging kunnen beïnvloeden. Een belangrijke factor is het aantal boeren dat daadwerkelijk maatregelen neemt om koolstofvastlegging te bevorderen. Een andere factor is de mogelijke toename van lachgasemissies als gevolg van een verhoogd organisch stofgehalte in de bodem. Lachgasemissies kunnen toenemen wanneer het bodemkoolstofgehalte toeneemt, doordat de organische stof waarin de koolstof zit, een energiebron is voor denitrificerende bacteriën. Deze bacteriën zijn verantwoordelijk voor lachgasemissies. Het verlagen van het overschot aan stikstof en nitraat in de bodem helpt bij het verlagen van de lachgasemissie. Beperking van mestgift kan bijvoorbeeld een maatregel zijn om lachgasemissie te verkleinen. Lachgasemissies zijn van nature zeer variabel door o.a. het vochtgehalte en weersinvloeden, wat het bepalen van de gemiddelde lachgasemissie

Klimaat

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

91

PlanMER

lastig maakt. Binnen het programma Slim Landgebruik, opgezet met als doel om de benodigde kennis te leveren om te komen tot een additionele vastlegging van 0,5 Mton CO2-eq. per jaar aan de Nederlandse minerale landbouwbodems, wordt om deze reden onderzoek uitgevoerd naar het effect van lachgasemissie en maatregelen om dit te minimaliseren. Tot slot bestaat het risico dat de extra opgebouwde organische stof na het stoppen van de maatregelen niet op lange termijn in de bodem blijft. Voor bomen, bossen en natuur is in het NPL het doel gesteld om vanaf 2030 jaarlijks een extra hoeveelheid van 0,4-0,8 Mton CO2-eq. vast te leggen. Voor veenweiden is het doel om vanaf 2030 jaarlijks een emissiereductie van 1 Mton CO2-eq. aan broeikasgassen in veenweidegebieden te bewerkstelligen.

Conclusie De huidige staat van de indicator Vastlegging koolstof is rood, omdat er jaarlijks te veel CO2 en N2O vrijkomt door de oxidatie van veengebieden. Het is onduidelijk hoeveel koolstof er jaarlijks wordt vastgelegd in landbouwbodems en bomen, bossen en natuur. De trend van de indicator Vastlegging koolstof scoort neutraal. Het koolstofdoel is in potentie haalbaar, afhankelijk van de implementatie van maatregelen die bijdragen aan duurzaam bodembeheer en koolstofvastlegging in de praktijk. De daadwerkelijke toename in de bodem is alleen lastig meetbaar omdat het procentueel om een lage toename gaat ten opzichte van de standaard meetfout. Daarom ligt de focus ook op de wetenschappelijke onderbouwing van de koolstofvastlegging van een pakket aan maatregelen voor duurzaam bodembeheer, onder meer via lange-termijn experimenten.

Figuur 5‑20: Scoring huidige en referentiesituatie

5.3 Goede omgevingskwaliteit Voor het hoofdthema Goede omgevingskwaliteit worden vier thema’s besproken: Natuur, Water, Bodem en Landschap en ruimtelijke kwaliteit. Voor het thema Natuur worden de indicatoren Emissie stikstof, Biodiversiteit, Abiotische omstandigheden, Areaal natuurgebieden, Connectiviteit natuurgebieden en Hydrologische condities Natura 2000-gebieden gebruikt. Voor het thema water worden de indicatoren Ecologische kwaliteit oppervlaktewater en Chemische kwaliteit oppervlaktewater gebruikt. Voor het thema Bodem worden de indicatoren Kwalitatieve toestand grondwaterlichamen, Kwantitatieve toestand grondwaterlichamen en Bodemdaling landelijk gebied gebruikt. Voor het thema Landschap en ruimtelijke kwaliteit worden de indicatoren Belevingswaarde, Gebruikswaarde en Toekomstwaarde gebruikt.

92

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Goede omgevingskwaliteit

PlanMER

5.3.1 Natuur Onder dit thema wordt gekeken naar de huidige situatie en de trend voor de indicatoren Emissie stikstof, Biodiversiteit, Abiotische omstandigheden, Areaal natuurgebieden, Connectiviteit natuurgebieden en Hydrologische condities Natura 2000-gebieden. Uiteraard hangt het één met het ander samen; de hoeveelheid stikstof is bepalend voor de diversiteit van plant- en diersoorten en de grootte van een natuurgebied en de mate van verbondenheid zal van invloed zijn op de kwaliteit en weerbaarheid van kwetsbare natuur. Indicatoren waar het NPLG geen directe invloed op heeft (zoals het voorkomen van exoten) zijn niet meegenomen in de effectbepaling. In onderstaand kader wordt eerst aangegeven waarom deze indicatoren gekozen zijn voor dit thema. Daarna wordt per de indicator de huidige situatie en de trends beschreven.

Waarom deze indicatoren? Voor de beoordeling van het aspect Natuur, wordt gekeken naar de volgende zes indicatoren: • Emissie stikstof (ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx)): • Biodiversiteit: een maat voor soortenrijkdom in een bepaald gebied (oppervlak) van al het leven dat er aanwezig is. Deze indicator gaat over de genetische variatie van een soort, de soortenvariatie in het gebied en het functioneren op ecosysteemniveau. • Abiotische omstandigheden: dit zijn factoren in die van invloed zijn op het leven op aarde. Temperatuur, pH, zoutgehalte, zonlicht/schaduw zijn voorbeelden van abiotische factoren die van invloed zijn of soorten er wel of niet voorkomen. • Areaal natuurgebieden: deze indicator gaat in op het oppervlak aan natuur • Connectiviteit natuurgebieden: deze indicator gaat in op de aaneen geslotenheid van de natuurgebieden. De verbondenheid draagt bij aan de genetische uitwisseling tussen populaties van verschillende gebieden die verbonden zijn door een corridor/stapsteen. Ook bij plaatselijke calamiteiten die leiden tot lokale sterfte kan eenvoudiger worden geherkoloniseerd indien gebieden verbonden zijn. Dit zijn allemaal factoren waardoor de soort minder kwetsbaar wordt. • Hydrologische condities in Natura 2000-gebieden.

Deze indicatoren passen bij het abstractieniveau van het NPLG en sluiten zoveel als mogelijk aan bij het planMER van de NOVI: biodiversiteit, areaal natuurgebieden, verbondenheid/ connectiviteit en soorten & habitats.

Emissie stikstof Huidige situatie Wanneer er over stikstofemissies wordt gesproken, gaat dit voornamelijk over de uitstoot van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023c). In 2021 bestond de totale stikstofemissie naar de lucht in Nederland uit 122 miljoen kilogram ammoniak en 178 miljoen kilogram stikstofoxiden. Omgerekend naar elementaire stikstof (N) bedraagt dit in totaal 155 miljoen kilogram stikstof, waarvan 101 miljoen kilogram uit ammoniak (65 procent) en 54 miljoen kilogram uit stikstofoxiden (35 procent). De hoeveelheid stikstof heeft direct invloed op onze natuur (Marra, et al., 2022). Door een overschot aan stikstof kan bepaalde vegetatie verdwijnen. Dit heeft een effect op de biodiversiteit in ons land. Het doel van de Nederlandse overheid is om de kwaliteit van natuur te verbeteren door onder andere de stikstofdepositie in natuurgebieden te verlagen. N2000-gebieden krijgen daarbij extra aandacht, omdat deze zijn aangewezen als kwetsbare natuur die beschermd moet worden. Hiervoor is in 2021 de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering ingevoerd, met doelen voor 2025, 2030 en 2035. Ammoniakemissie ontstaat onder andere wanneer ureum uit de urine van landbouwdieren in zogeheten drijfmest reageert met het enzym urease uit de uitwerpselen van het vee (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023c).

Dit gebeurt voornamelijk in stallen of bij het uitrijden van mest op landbouwgrond. Daarnaast zorgt kunstmest voor ammoniakemissies De belangrijkste veroorzakers van ammoniakemissie is daarmee de agrarische sector (zie Figuur 5‑21). De agrarische sector was in 2021 voor 86,0% verantwoordelijk voor de ammoniakemissie.

Natuur

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

93

PlanMER

Figuur 5‑21: Emissie van ammoniak (NH3) naar bron in 2021 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023c)

Emissie van stikstofoxiden ontstaat bij verbrandingsprocessen, wanneer zuurstof (O2) reageert met stikstof (N2). In de agrarische sector ontstaat de emissie van stikstofoxiden bij het verwarmen van kassen en de inzet van mobiele werktuigen. De agrarische sector was in 2021 voor 8,4% verantwoordelijk voor de stikstofemissies via stikstofoxiden. Het merendeel van de NOx-uitstoot (ca. 85%) in de landbouw is afkomstig van zogeheten procesemissies in de veeteelt en akkerbouw. Het gaat dan hoofdzakelijk om de aanwending van dierlijke mest en kunstmest op landbouwbodems en emissies uit landbouwbodems zelf, waarbij stikstof naast NH3 ook in de vorm van NOx vervluchtigt.

94

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Natuur

PlanMER

Figuur 5‑22: Emissie van stikstofoxiden (NOx) naar bron in 2021 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023c)

In totaal was de agrarische sector in 2021 verantwoordelijk voor de emissie van 91,4 miljoen kilogram stikstof, wat 59% van de totale stikstofemissie was.

Stikstofstromen in de landbouw Figuur 5‑23 geeft de stikstofstromen in de landbouw weer. In het stroomschema komt tweemaal ‘verlies’ voor: verlies van stikstof naar de lucht en direct verlies naar de bodem (CLO, 2023h). Het verlies van stikstof naar de lucht is 87 miljoen kilogram. Het directe verlies naar de grond is ruim twee keer zo hoog.

Natuur

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

95

PlanMER

Figuur 5‑23: Stikstofbalans voor de landbouw in 2021 (CLO, 2023h)

Trends De agrarische sector was in 1990 ook al de belangrijkste veroorzakers van ammoniakemissie (zie Figuur 5‑24) (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2022b). In de jaren 90 is de ammoniakemissie in de agrarische sector gedaald van 350 miljoen kilogram per jaar naar 150 miljoen kilogram per jaar. Sinds 2000 is de snelheid waarmee de emissie per jaar afnam sterk gedaald, waardoor de emissie nu gemiddeld bijna niet meer afneemt. De ammoniakemissie, uitgestoten door de totale Nederlandse economie is ongeveer in hetzelfde patroon afgenomen.

96

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Natuur

PlanMER

Figuur 5‑24: Emissie van ammoniak (NH3) tussen 1990 en 2021 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2022b)

Sinds 1990 is de emissie van stikstofoxiden door de agrarische sector gehalveerd, van ongeveer 100 miljoen kilogram per jaar naar ongeveer 50 miljoen kilogram per jaar (zie Figuur 5‑25). Tot 2000 was de jaarlijkse emissie van stikstofoxiden ongeveer constant, maar na 2000 is deze afgenomen. Ook voor de totale Nederlandse economie is de emissie van stikstofoxiden gedaald sinds 1990. Dit ging in sneller tempo dan de afname in de agrarische sector (een afname van 55%).

Figuur 5‑25: Emissie van stikstofoxiden (NOx) tussen 1990 en 2021 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2022b)

Verwacht wordt dat de stikstofuitstoot in Nederland verder zal afnemen (CLO, 2023c). Dit is vooral te danken aan een daling van de uitstoot van stikstofoxiden, vanwege schonere voertuigen en strengere uitstootnormen voor mobiele machines en binnenvaartschepen. Ook zal de hoeveelheid ammoniak geleidelijk afnemen door lagere dieraantallen rundvee, pluimvee en varkens en een lagere N-excretie bij met name melkvee als gevolg van lagere eiwitgehalten in het voer.

Conclusie Hoewel de emissie van zowel ammoniak als stikstofoxiden is gedaald in de afgelopen decennia, blijft er een overschot van de emissie van stikstof in Nederland. Met name stikstofgevoelige vegetatie en N20000-gebieden worden hierdoor aangetast. De huidige staat van de indicator Emissie stikstof is daarom rood. Wel is er een positieve trend te zien voor de afname van de emissie stikstofoxiden. Ook de emissie van ammoniak laat een geleidelijke afname zien. De afgelopen jaren neemt de ammoniak emissies gemiddeld bijna niet meer af en blijft het nagenoeg gelijk. De trend voor de indicator Emissie stikstof is (licht) positief.

Natuur

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

97

PlanMER

Figuur 5‑26: Scoring huidige en referentiesituatie

Biodiversiteit Huidige situatie Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese richtlijn bepaalt welke soorten en habitattypen in Europa beschermd worden. Het gaat hierbij om de Habitatrichtlijn (HR) en de Vogelrichtlijn (VR). Samen worden deze de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) genoemd. In Nederland zijn er 81 Habitatrichtlijnsoorten aanwezig, waaronder diverse vlindersoorten, planten, zoogdieren, amfibieën en reptielen, waarvan de instandhoudingsstatus gerapporteerd wordt aan de EU (CLO, 2022a). De Vogelrichtlijn omvat meer dan 200 soorten broedvogels en ongeveer 240 niet-broedvogels. Het einddoel van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) is om alle soorten en habitattypen onder de VHR in een gunstige staat te brengen en de vogelpopulaties te verbeteren (CLO, 2021d). Daarnaast is de doelstelling voor de korte termijn, dat soorten en habitattypen niet mogen verslechteren. Voor de VHR-gebieden zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd, de zogeheten N2000-doelstellingen. Elk N2000gebied heeft specifieke beschermde habitattypen en -soorten die bijdragen aan de selectie van dat gebied (CLO, 2020a). Het N2000-netwerk is daarmee van essentieel belang voor het behoud van de biodiversiteit in Europa. Elk gebied is geselecteerd vanwege de aanwezigheid van soorten en habitattypen die bescherming behoeven op Europees niveau. Voor alle N2000-gebieden is een beheerplan opgesteld.

Bovendien worden de gebieden gemonitord op basis van de doelstellingen. Voor habitattypen en -richtlijnsoorten wordt er onder de Habitatrichtlijn gestreefd naar een gunstige staat van instandhouding. Voor vogels is door SOVON Vogelonderzoek Nederland ook een gunstige staat van instandhouding bepaald. De staat van instandhouding is de maat voor de duurzaamheid van het voorkomen van een habitattype of soort op landelijk niveau. In Nederland heeft ongeveer 90% van de habitattypen landelijk een ongunstige staat van instandhouding. Dit betekent dat 6 habitattypen (12%) landelijk een gunstige staat van instandhouding hebben. De belangrijkste drukfactoren op habitattypen zijn: vermesting, verdroging en verzuring mede veroorzaakt door de landbouw, de natuurlijke successie, invasieve exoten en het ontbreken van of inadequaat beheer. Ongeveer 75% van de Habitatrichtlijnsoorten verkeert landelijk in een ongunstige staat van instandhouding. 21 soorten (26%) verkeren landelijk in een gunstige staat van instandhouding. De belangrijkste drukfactoren op habitatrichtlijnsoorten zijn stedelijke ontwikkeling en infrastructuur, het overmatig gebruik van meststoffen en pesticiden in de landbouw, inadequaat beheer en verdroging.

De belangrijkste drukfactoren op habitatrichtlijnsoorten zijn stedelijke ontwikkeling en infrastructuur, het overmatig gebruik van meststoffen en pesticiden in de landbouw, inadequaat beheer en verdroging.

Natuurwaarde van landbouwgrond De natuurwaarde van landbouwgrond kan gelegen zijn in functies als foerageergebied, corridor of broedhabitat voor een aantal soorten. De huidige natuurwaarde van landbouwgrond is laag door de huidige inrichting van weidegraslanden en staat bovendien onder druk door het huidige beleid (Donal, et al., 2001). Er zijn een aantal subsidiestromen gericht op het meer biodivers maken van landbouwgronden en de bescherming van Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten. Dit wordt via de Agrarische Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb)-regeling gedaan. De laatste periode richt deze regeling zich op zogeheten kerngebieden, wat in de praktijk betekent dat vooral weidevogels hiermee worden ondersteund. De ANLb geeft echter een onvoldoende positief effect om de teloorgang van de biodiversiteit op het platteland een halt toe te roepen.

Trends Vogel- en Habitatrichtlijn Van circa 30% van de habitattypen is de trend positief of is de gunstige staat van instandhouding reeds bereikt (zie Figuur 5‑27) (CLO, 2021d). Daar staat tegenover dat voor ruim 20% van de habitattypen de staat van instandhouding ongunstig is en verder afneemt. Klimaatverandering zorgt ervoor dat in de toekomst de staat van instandhouding van habitattypen verslechtert.

98

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Natuur

PlanMER

Figuur 5‑27: Trend van staat van instandhouding van Habitatrichtlijn, 2013-2018

Onder de Habitatrichtlijn worden de trends voor de 81 habitatrichtlijnsoorten bepaald. De trendbeoordelingen zijn gecombineerd en weergegeven in Figuur 5‑28. De trend vanaf 1990 en de trend voor de meest recente twaalf jaar waarvoor data beschikbaar waren op het moment van de actualisatie van deze indicator (2009-2020) zijn te zien. Het merendeel van deze soorten laat een toenemende of stabiele trend zien, terwijl een kleinere groep achteruitgaat. Van sommige soorten is de trend nog onbekend.

Figuur 5‑28: Trends van soorten van Habitatrichtlijn (CLO, 2022a)

Natuur

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

99

PlanMER

In Nederland wordt de trend van 190 broedvogelsoorten gerapporteerd aan de EU onder de Vogelrichtlijn. De trendbeoordelingen van deze soorten zijn gecombineerd en weergegeven in Figuur 5‑29 (links). Deze beoordelingen zijn gebaseerd op trends vanaf 1990 en de meest recente twaalf jaar waarvoor data beschikbaar waren op het moment van de actualisatie van deze indicator (2009-2020). Het aantal broedvogels met een toenemende trend (zowel op lange als korte termijn) is iets hoger dan het aantal trendmatig afnemende soorten. Dit geldt ook voor de 81 trekvogels die in Nederland overwinteren of doortrekken en waarover wordt gerapporteerd (zie Figuur 5‑29, rechts). Voor sommige niet-broedvogels zijn er onvoldoende gegevens beschikbaar om een betrouwbare trendberekening te maken.

Figuur 5‑29: Trends van soorten van Vogelrichtlijn (CLO, 2022a)

Voor broedvogels die veel voorkomen op landbouwgrond (weidevogels, akkervogels, vogels van erf en struweel) is in de afgelopen eeuw een negatieve trend te zien (zie Figuur 5‑30) (CLO, 2023g). In de afgelopen zes decennia zijn de populaties van soorten uit deze groep met gemiddeld meer dan 70% afgenomen. De diversiteit in soorten op landbouwgrond neemt daardoor af.

100

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Natuur

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13857580/1