CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

2024 54 Bijlage 2 PlanMER-NPLG-december 2023

Gemeenteraad 28 maart 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken39.386 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Betrokken partijen

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

23

PlanMER

1.5.2 Beleidskaders voor het NPLG Het NPLG is een uitvoeringsprogramma onder de NOVI. Het beleidskader voor het NPLG wordt gevormd door de NOVI, het programma Nationale Omgevingsvisie Extra (NOVEX) en de nieuwe Nota Ruimte. De NOVI is de Nationale Omgevingsvisie, waarin het Rijk een langetermijnvisie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitvoering van de NOVI richt zich, met het programma NOVEX, op de inpassing en ordening van alle nationale opgaven in Nederland. Het is daarmee de koepel over en integrator van alle nationale ruimtelijke opgaven en hun programma’s. Het programma NPLG levert een belangrijke bijdrage aan één van de prioriteiten van de NOVI: het toekomstbestendig ontwikkelen van het landelijk gebied. Ondertussen is de voorbereiding gestart voor de actualisatie van de NOVI in een nieuwe Nota Ruimte. Uitvoering van programma NOVEX gebeurt via twee sporen: • Provincies maken voor hun hele gehele grondgebied een ruimtelijk voorstel voor de inpassing/ordening van nationale opgaven. • Voor 16 zogenoemde NOVEX-gebieden maken Rijk en regio ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelperspectieven maken weer deel uit van de provinciale ruimtelijke voorstellen. Op basis van de provinciale ruimtelijke voorstellen sluiten Rijk en provincies twaalf ruimtelijke arrangementen af met bestuurlijk wederkerige afspraken.

De gebiedsprogramma’s NPLG vormen belangrijke bouwstenen voor de ruimtelijke voorstellen van de provincies. De gebiedsprogramma’s NPLG worden in de ruimtelijke voorstellen in relatie bezien tot andere ruimtelijke opgaven en zullen ook op die wijze doorwerken in de afspraken in de ruimtelijke arrangementen tussen Rijk en provincies. Er is daarmee een grote wisselwerking tussen NOVEX en NPLG: beiden werken aan (afspraken over) uitvoering van ruimtelijke opgaven. Beiden zullen ook met een cyclisch proces de plannen en afspraken bijstellen. Waar NPLG zich daarbij vooral richt op lokalisering, programmering en uitvoering van maatregelen voor natuur/stikstof, water en klimaat, is NOVEX primair gericht op ruimtelijke keuzes en toekomstige ontwikkelingen. De afspraken die hieruit voortvloeien en met provincies worden gemaakt zullen uiteindelijk worden verwerkt in de nieuwe Nota Ruimte. Met de NOVI en de Kamerbrief over nationale regie in de ruimtelijke ordening is het Rijk een actievere rol gaan spelen in de ruimtelijke ordening. In het regeerakkoord zijn de ambities verhoogd en is de regie op de ruimtelijke ordening weer meer bij het Rijk gelegd.

1.5.3 Nevengeschikte plannen en programma’s Op 25 november 2022 is de Kamerbrief Water en Bodem Sturend gepubliceerd, waarin het kabinet aangeeft water en de bodem in Nederland bepalend te willen maken voor de ruimtelijke indeling van het land. Deze kamerbrief is belangrijke voeding geweest voor het NPLG. De structurerende keuzes uit deze brief zijn – voor zover binnen scope NPLG – onverkort van toepassing voor de gebiedsprogramma’s. Om invulling te geven aan het NPLG is het nodig om alle partijen, zoals ondernemers, boeren en burgers, een duidelijke rol te geven bij de stappen die nodig zijn voor de toekomstige ontwikkeling van de landbouw en het landelijk gebied. De agrarische sector is in dit verhaal onmisbaar vanuit zijn rol als voedselproducent, beheerder van (agrarische) natuur, groenblauwe dooradering (GBDA) en vanuit sociaal-cultureel economisch perspectief. Het is daarnaast de sector met het grootste ruimtebeslag. De uitwerking van het NPLG hangt daarom nauw samen met de brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) over de toekomst van de landbouw (Kamerbrief Toekomst Landbouw van 25 november 2022). Veel van de structurerende keuzes in de Kamerbrief Water en Bodem Sturend hebben het karakter van: ‘pas toe of leg uit’.

Dit betekent dat wanneer wordt afgeweken, dit expliciet uitlegbaar en toetsbaar moet zijn en dat doelen nog steeds wel gehaald worden. Alle structurerende keuzes uit de Kamerbrief Water en Bodem Sturend gelden ook voor het NPLG, maar een aantal worden uitgelicht (zie paragraaf 4.2.4 in het ontwerp-NPLG).

24

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Beleidskaders voor het NPLG

PlanMER

1.5.4 De relatie tussen het NPLG en andere programma’s Het NPLG is niet het enige programma dat invulling geeft aan de opgaven voor het landelijk gebied uit de NOVI. Er zijn momenteel verschillende andere langlopende rijksprogramma’s die inhoudelijke raakvlakken hebben met het NPLG, waarbij interbestuurlijke samenwerking met provincies en waterschappen een belangrijke rol speelt en die ook werken met een meerjarige cyclus van programmeren en budgetteren. Daarnaast zijn er nog diverse programma’s die het landelijk gebied of het NPLG op verschillende manieren raken. Hieronder worden de belangrijkste beleidsvisies en rijksprogramma’s genoemd. Bij de relatie tussen het NPLG en andere beleidsvisies en rijksprogramma’s kan er onderscheid gemaakt worden tussen: 1. Het ruimtelijk kader: NOVI, NOVEX en de nieuwe Nota Ruimte. 2. De directe buren: programma’s en beleid die in de provinciale gebiedsuitwerkingen samenkomen. Het gaat om: Brief Water en Bodem Sturend, Programma Natuur, Agenda Natuurinclusief, Bossenstrategie, Veenplan, Programmatische Aanpak Grote Wateren, Programma integraal Riviermanagement, Deltaprogramma Zoetwater en Nationaal Strategisch Plan/GLB (pijler 2). 3. Mooier en beter: ondersteunende programma’s die kennis, ontwerpkracht en ondersteuning bieden.

Het gaat onder andere om: Programma Mooi Nederland, Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie, Kennisprogramma zeespiegelstijging en Nationaal Programma Landbouwbodems (NPL). De opbrengsten en inzichten van deze programma’s zullen waar dat relevant is, de komende jaren actief worden gedeeld met provincies en andere betrokkenen partijen. 4. De goede vrienden: programma’s met effecten in het landelijk gebied, die iets verder van het NPLG af staan. Het gaat onder andere om: Programma Energiehoofdstructuur, Nationaal Programma Regionale Energie Strategieën, Programma Werklocaties, Nationaal Programma Milieu, Programma Gezonde Groene Leefomgeving, Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie, Schone Lucht Akkoord en Mobiliteitsprogramma’s (Toekomstbeeld Openbaar Vervoer 2040, Schets mobiliteit 2040, Toekomstperspectief Automobiliteit, Nationaal toekomstbeeld Fiets, Goederenvervoeragenda, Strategisch Plan verkeersveiligheid). Dit gaat om programma’s die allemaal een onderdeel zijn van de ruimtelijke puzzel in Nederland.

Voor programma’s en beleid die in de provinciale gebiedsuitwerkingen samenkomen zijn, met het oog op doelbereik en uitvoerbaarheid van de programma's, tussen ministerie en provincies de volgende afspraken gemaakt: • De opgaven in het gebied staan centraal, de programma’s ondersteunen; • Periodiek wisselen de programma’s informatie uit over lopende aanvragen, kennisvragen en relevante inzichten, monitoring en gebiedsprocessen; • De programma’ s zetten in op transitie wanneer die nodig is en optimalisatie waar dat kan; • Waar de programma’s elkaar in een gebied tegenkomen wordt ingezet op netwerksturing om de juiste verbindingen te leggen op alle niveaus en zo kansen op synergie te benutten en afwenteling te voorkomen; • Een focus op een samenhangende aanpak betekent niet dat iedereen op elkaar gaat wachten, of dat nietvolledige informatie een reden is om noodzakelijke beslissingen door te schuiven: waar nodig worden op deelonderwerpen keuzes gemaakt, en; • De rijksprogramma’s zorgen dat voor medeoverheden inzichtelijk wordt welk type maatregelen via welk programma/financieringsbron wel/niet te financieren zijn.

1.6 Leeswijzer Dit planMER is opgedeeld in een deel A en een deel B. In deel A komen de hoofdlijnen uit de bevindingen van het planMER voor besluitvorming aan de orde. In deel B wordt de onderbouwing van de beoordeling van de huidige situatie en trends en de effecten van de structurerende keuzes uitgewerkt.

De relatie tussen het NPLG en andere programma’s

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

25

PlanMER

1.7 Verantwoording Het planMER is opgesteld door Royal HaskoningDHV in samenwerking met Aequator, Wing, Buck Consultants International en de opdrachtgever het ministerie LNV. Bij het opstellen van het planMER is informatie ingebracht door de projectgroep planMER van LNV, het Programmateam NPLG, een begeleidingscommissie bestaande uit andere ministeries en de provincie en een expertteam met experts uit verschillende departementen van de ministeries. Dit betreft onder andere het voornemen (de structurerende keuzes en variaties) en de positionering van het NPLG. De beschrijving van de referentiesituatie, de effectbeschrijving en -beoordeling is opgesteld door Royal HaskoningDHV en het expertteam van Royal HaskoningDHV en samenwerkende partijen.

26

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Verantwoording

Deel A: Hoofdlijnen voor besluitvorming

PlanMER

2 De oplossingsrichtingen voor het landelijk gebied In dit hoofdstuk wordt de kern van het NPLG beschreven. Eerst wordt er gekeken naar welke doelen het NPLG wil behalen tussen nu en 2050. Dan wordt er beschreven welke structurerende keuzes het NPLG zal meegeven aan de provincies om deze doelen te halen. Dit zal de basis vormen voor het planMER.

2.1 De doelen van het NPLG Met het NPLG zorgt het Rijk voor een samenhangende aanpak voor het bereiken van de internationale en nationale doelen voor natuur (waaronder stikstof), water (en bodem) en klimaat en voor een toekomstbestendige landbouw in het landelijk gebied. Aan deze internationale verplichtingen wordt vervolgens invulling gegeven binnen het NPLG door het stellen van nationale en provinciale doelen, voor natuur (inclusief stikstof), water en klimaat (zie Tabel 2‑1). De doelen zijn gespecificeerd in het ontwerp-NPLG.

28

| BI8226-MI-RP-231031-1427

De oplossingsrichtingen voor het landelijk gebied

PlanMER

Tabel 2‑1: Samenvattend overzicht NPLG-doelen Rijk-Provincie voor natuur, water en klimaat

Thema

Natuur

Programma

Doelen

Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)

• 2030: maatregelen treffen zodat voor ten minste 30% van alle VHR-soorten en habitattypen met een ongunstige staat van instandhouding (svi), een landelijk gunstige svi wordt bereikt, dan wel een sterk positieve trend in gang gezet. • 2030: (zoveel mogelijk) stoppen van landelijk negatieve trends per VHR-soort en habitattype • 2030: maatregelen treffen voor 30% van het in goede conditie te brengen areaal • 2030: maatregelen treffen voor 30% van het nog te ontwikkelen areaal

Natura 2000

• 2025: 40% areaal van stikstofgevoelige habitats in 2025 in Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde • 2030: 50% areaal van stikstofgevoelige habitats in 2030 in Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde • 2035: 74% areaal van stikstofgevoelige habitats in 2035 in Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde • 2027: alle Natura 2000-gebieden voldoen aan hydrologische condities vanuit ecologische vereisten

Bossenstrategie en Natuurnetwerk Nederland (NNN)

• 2027: realisatie van 80.000 ha nieuwe natuur conform NNN, waarvan realisatie van 15.000 ha nieuw bos binnen NNN (als onderdeel Bossenstrategie). Opgave is onderverdeeld per provincie • 2030: 37.400 ha areaal realisatie van nieuw bos tussen 2021 en 2030. • 2030: 14.000 ha bos met natuurfunctie realiseren. Dit kan gerealiseerd worden als onderdeel van 37.400 ha door aanleggen van nieuw bos of door omzetten van multifunctioneel bos naar natuurfunctie. • 2030: het bestaande bos waar nodig te revitaliseren

Kaderrichtlijn Water (KRW)

• 2027: concentraties nutriënten (P & N) in grond- en oppervlaktewaterlichamen voldoen aan wettelijke normen • 2027: concentraties gewasbeschermingsmiddelen in grond- en oppervlaktewaterlichamen conform de KRW voldoen aan wettelijke normen • 2027: grondwaterlichamen voldoen aan de norm voor een goede kwantitatieve toestand, conform Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), en in de stroomgebiedbeheerplannen, en geldt per grondwaterlichaam • 2027: voor oppervlaktewaterlichamen waar mogelijk maatregelen nemen om een meer natuurlijke toestand te bereiken, bestaande uit de maatregelen in de stroomgebiedbeheerplannen aangevuld met grootschalig herstel van het beekdal

Adaptatie

• 2050: beleid, inrichting en beheer aangepast aan het veranderende klimaat. Schade en ontwrichting door weersextremen zoveel mogelijk beperken

Landgebruik

• 2030: landelijke emissie-reductieopgave broeikasgassen van 1 Mton CO₂-equivalent (eq.) in veenweide (onderverdeeld voor 6 provincies) • 2030: landelijke koolstof-vastlegging in bomen/bos/natuur van 0,4 – 0,8 Mton CO₂-eq. extra t.o.v. emissies basispad KEV 2021 • 2030: landelijke koolstofvastlegging in minerale landbouwbodems van 0,5 Mton CO₂-eq. extra t.o.v. basispad KEV 2021

Landbouw

• 2030: landelijke emissie-reductieopgave broeikasgassen voor de veehouderij en akkerbouw (mestaanwending in de akkerbouw) van 5 Mton CO₂ eq. Met een provinciale verdeling van de opgave Emissiereductieopgave is t.o.v. basispad KEV 2021 • 2030: landelijke methaan-emissie-reductieopgave voor de veehouderij en akkerbouw van 3,82 Mton CO₂eq. Als onderdeel van de reductieopgave broeikasgassen

Water

Klimaat

OnderGroenblauwe-dooradering steunend (GBDA)

• 2030: 50% van opgave gerealiseerd voor het gehele landelijk gebied per provincie, exclusief het NNN. De opgave is hierbij het verschil tussen huidig % GBDA en doel van 10% GBDA in 2050 • 2030: minimaal 10% GBDA in alle prioritaire gebieden (veenweide, beekdalen en overgangsgebieden), exclusief het NNN • 2035: 65% van de opgave gerealiseerd voor het gehele landelijk gebied per provincie • 2050: 10% GBDA in landelijk gebied per provincie, exclusief het NNN

Hardheid en tijdspad in doelen De doelen van het NPLG hebben niet allemaal dezelfde karakteristieken en gewicht. Er is verschil als het gaat om de hardheid van de internationale verplichting, de juridische consequenties van het niet nakomen van een verplichting en de termijn waarop aan de verplichting moet zijn voldaan. In het ontwerp-NPLG is aangegeven dat de doelen met het grootste gewicht en de kortste tijdshorizon de grootste urgentie verdienen bij de uitwerking in maatregelen.

De doelen van het NPLG

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

29

PlanMER

Doelen die rechtstreeks voortkomen uit internationale verplichtingen hebben de hoogste prioriteit, zeker wanneer die verplichting inhoudt dat een bepaalde kwaliteit of toestand van de leefomgeving nu of binnenkort gerealiseerd moet zijn of behouden moet blijven. Rond de instandhouding van N2000-gebieden is de situatie zeer urgent: onvoldoende realiseren van N2000-doelen leidt tot juridische beperkingen in relatie tot stikstofuitstoot. Daarom hebben natuurherstel en de stikstofreductie een zeer hoge prioriteit. Gelijk in urgentie zijn de internationale verplichtingen Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen (2027) en de klimaatdoelen (2030). Bij de klimaatdoelen gaat het om zowel de opgave voor reductie en additionele vastlegging van broeikasgassen en om de opgave specifiek voor methaanreductie. Voor internationale verplichtingen met een langere tijdshorizon is er meer ruimte voor het behalen van de doelen: VHR-doelen op termijn en klimaatneutraal als land in 2050. Dat neemt niet weg dat deze opgaven zeer omvangrijk zijn, van groot belang zijn. Bij het uitwerken van doelen in de gebiedsprogramma’s het van groot belang is rekenschap te geven van de opgave voorbij de termijn van de individuele NPLG-doelen. Het NPLG richt zich ook op doelen die direct bijdragen aan de internationale verplichtingen voor VHR-, KRW- en klimaatdoelen.

Ze zijn geformuleerd als doel, en leveren ook een directe bijdrage aan de realisatie van de internationale verplichtingen. Dit geldt met name voor een aantal natuurdoelen. De uitvoering van de Bossenstrategie en realisatie van NNN zijn daarvan goede voorbeelden. Er is overlap tussen deze areaalopgave en de areaaluitbreiding voor VHR-doelbereik en deze areaaluitbreiding kan bijdragen aan een gunstige staat van instandhouding. Aanleg van natuurarealen in beekdalen en andere waterlichamen kan uitspoeling verminderen en bijdragen aan KRW-doelen. Als laatste kan aanleg van nieuw natuurareaal leiden tot een hogere koolstofvastlegging en een directe bijdrage leveren aan de klimaatopgave. Uiteindelijk zal de mate van synergie en samenhang tussen de doelen bepaald worden door keuzes in de uitvoering voor type natuur en de locatie. De mate waarin een doel cruciaal is voor het bereiken van de hoofddoelen is van belang bij het bepalen van het relatieve gewicht ervan. GBDA is daarbij expliciet benoemd als ondersteunend doel. Het is opgenomen als eigenstandig doel, maar dient in de eerste plaats als ondersteunend middel voor meervoudige doelrealisatie van de verschillende hoofddoelen uit het NPLG.

Groenblauwe-dooradering draagt bij aan landschappelijke kwaliteit, zorgt voor samenhang door bij de goede keuzes in uitvoering direct bij te dragen aan alle drie de doelen en kan met een beperkt ruimtebeslag bijdragen aan de NPLG-doelen. Wanneer een gebiedsprogramma op een overtuigende manier invulling geeft aan de VHR-doelen voor 2030, maar dat doet zonder geheel te voldoen aan de GBDA-doelstelling dan staat dat een positieve beoordeling niet in de weg. Als laatste zijn er meerdere doelen die uit te splitsen zijn naar afgeleide doelen. Een voorbeeld hiervan is het restemissiedoel landgebruik. Hierbij is het nationale doel voor landgebruik leidend. Dit doel kan uitgewerkt worden met drie afgeleide doelen: door middel van emissiereductie in veenweide, maatregelen voor koolstofopslag in minerale landbouwbodems, en koolstofopslag in Bomen, Bossen en Natuur. Hierbij is de doelstelling voor de afgeleide doelen richtinggevend, en het restemissiedoel voor landgebruik leidend.

30

| BI8226-MI-RP-231031-1427

De doelen van het NPLG

PlanMER

2.2 De structurerende keuzes van het NPLG In het NPLG zijn de doelen op het gebied van natuur, water en klimaat door het Rijk uitgewerkt. Provincies beschrijven in hun gebiedsprogramma’s hoe zij deze doelen (‘het wat’) denken te gaan halen. Realisatie van de doelen in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied vraagt om verandering in de omgang met de (schaarse) ruimte. Het NPLG geeft de provincies richting aan de ruimtelijke kant van deze ontwikkeling door middel van de ‘structurerende keuzes’. Structurerende keuzes zijn door het Rijk gemaakte keuzes voor de ruimtelijke inrichting, in de vorm van algemene inrichtingsprincipes. Zij geven richting aan de ruimtelijke uitwerking van de gebiedsprogramma’s en beogen aldus bij te dragen aan de doelen op het gebied van natuur, water en klimaat (zie Figuur 2‑1). 1

Figuur 2‑1: Relatie tussen NPLG-doelen en structurerende keuzes (gekleurde bolletjes verwijzen naar de doelen aangegeven in de corresponderende gekleurde ovalen)

Via structurerende keuzes helpt het NPLG alle benodigde veranderingen in (het ruimtegebruik in) het landelijk gebied zoveel mogelijk in samenhang vorm te geven, met het bodem- en watersysteem als vertrekpunt. Daarbij maken de leefbaarheid en vitaliteit van het landelijk gebied, perspectief voor de landbouw en het realiseren van een goede omgevingskwaliteit integraal onderdeel uit van de afwegingen. De set van structurerende keuzes zijn rijksbeleidskeuzes, volgend uit de doelen, die de kaders en de bandbreedte bepalen waarmee provincies zelf kunnen uitwerken wat waar wel en niet kan.

Wat zijn structurerende keuzes in het NPLG? Structurerende keuzes in het NPLG zijn door het Rijk gemaakte keuzes voor de ruimtelijke inrichting. De keuzes van het NPLG zijn algemene inrichtingsprincipes, die ingaan op de (on)wenselijkheid van (nieuwe) activiteiten in het landelijk gebied. Met de structurerende keuzes geeft het NPLG richting aan de ruimtelijke uitwerking van de gebiedsprogramma’s door de provincies.

1

De structurerende keuzes borgen niet het doelbereik van het NPLG. Daarmee zijn de keuzes dus niet ‘het middel’ om ‘het doel van het NPLG’ te bereiken. Om het doelbereik te bepalen is de uitwerking van de provincies nodig.

De structurerende keuzes van het NPLG

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

31

PlanMER

Het vertrekpunt bij de ontwikkeling van de structurerende keuzes van het NPLG is de NOVI. Het NPLG draagt bij aan de uitvoering van de vier beleidskeuzes die de NOVI maakt voor de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied: 1. In het landelijk gebied verbeteren we de balans tussen het landgebruik en de kwaliteit van landschap, bodem, water en lucht; 2. De biodiversiteit wordt beschermd en versterkt en het natuurlijk kapitaal duurzaam benut; 3. Er wordt een duurzaam en vitaal landbouw- en voedselsysteem mogelijk gemaakt, gebaseerd op kringlopen en natuurinclusiviteit, en; 4. Unieke landschappelijke kwaliteiten worden versterkt en beschermd. Nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied voegen landschapskwaliteit toe. Omgevingsbeleid wordt landschap inclusief. De structurerende keuzes van het NPLG zorgen ervoor dat de aanpak van het NPLG samenhangt met deze vier beleidskeuzes en bijdraagt aan het achterliggende doel van de NOVI om de omgevingskwaliteit te bevorderen. De structurerende keuzes vormen daarbij ook een verdere uitwerking van de drie algemene afwegingsprincipes die de NOVI hanteert voor ruimtelijke planvorming: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en; 3. Afwentelen wordt voorkomen.

In de Ruimtelijke ordeningsbrief van 17 mei 2022 zijn de NOVI afwegingsprincipes verder geconcretiseerd tot nationale structurerende keuzes over verschillende beleidsterreinen, waaronder de toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De meeste structurerende keuzes van het NPLG vinden hun herkomst in deze brief. Binnen het NPLG zijn de keuzes doorontwikkeld. Het NPLG heeft daarnaast verschillende nieuwe keuzes toegevoegd die bijdragen aan de aanpak van het NPLG. De drie NOVI afwegingsprincipes vormen zo de basis van de structurerende keuzes van het NPLG, die de principes op verschillende onderwerpen verder uitwerken. De geselecteerde set van structurerende keuzes van het NPLG vormt het voornemen dat onderzocht gaat worden in het planMER. Het planMER beschouwt de doelen van het NPLG niet als onderdeel van het voornemen, en het voornemen toetst evenmin het doelbereik op nationaal dan wel provinciaal niveau. Dit zal wel onderzocht worden in het kader van monitoring en evaluatie.

2.2.1 Alternatieven en variaties In een planMER wordt over het algemeen niet alleen onderzocht wat de milieueffecten zijn van een voorgenomen besluit, maar ook welke reële alternatieven daarvoor denkbaar zijn. Het is namelijk voorgeschreven in de Wet milieubeheer (en per 1 januari 2024 in de Omgevingswet als rechtsopvolger van de Wet milieubeheer) dat een planMER alle redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven moet beschrijven. Door het iteratieve proces van het NPLG en de samenhang tussen andere rijksprogramma’s en -partijen, is er naast het voornemen en de referentiesituatie echter geen ander integraal alternatief te zetten dat een realistisch beleidsalternatief kan vormen. Er is daarom de keuze gemaakt om geen alternatieven op te nemen, maar variaties op de structurerende keuzes te onderzoeken. In het onderzoek voor het planMER is zo wel op onderdelen gekeken wat de gevolgen zijn van de invulling van bepaalde (zie paragraaf 'Uitwerking per structurerende keuze') structurerende keuzes vanuit een wat andere invalshoek. Door aldus te variëren wordt waar relevant de gevoeligheid van het nemen van keuzes in beeld gebracht. Hierdoor krijgt men een beter beeld ten aanzien van te maken keuzes en mogelijke bandbreedte daarbij.

Een variatie van een structurerende keuze, of van een onderdeel van een structurerende keuze, moet zo een breder inzicht in de effecten van die structurerende keuze geven. De NRD heeft meerdere typen variaties op structurerende keuzes benoemd waarop onderzoek mogelijk is. Zo kan er gevarieerd worden op inhoud binnen structurerende keuzes. Dat kan bijvoorbeeld gedaan worden door te kijken naar de effecten van het aanpassen van het grondwaterpeil tot een grondwaterstand tussen de 20 en de 40 centimeter of de effecten van een grondwaterstand boven de 40 centimeter. Ook kan er gevarieerd worden op sturing. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden door het beleid sturend te maken op basis van overwegingen uit de landbouw, natuur of een combinatie in een type gebied. Ook kan er gevarieerd worden in een sterk sturende Rijksoverheid tegenover minder sturing vanuit de Rijksoverheid.

32

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Alternatieven en variaties

PlanMER

2.2.2 Uitwerking per structurerende keuze In deze paragraaf worden de structurerende keuzes en de variaties erop beknopt weergegeven. Bijlage 1 geeft een uitgebreidere weergave van de structurerende keuzes 1 tot 12, inclusief de mogelijke onderlinge relaties. Aan het einde van de paragraaf worden de onderwerpen die meegekoppeld worden met de structurerende keuzes, gezondheid omwonenden, fijnstof, geurhinder en dierziekten en zoönosen, besproken.

Structurerende keuze 1: Overgangsgebieden De structurerende keuze overgangsgebieden is erop gericht om het landgebruik en de activiteiten in de directe omgeving van N2000-gebeiden af te stemmen op de condities die nodig zijn voor het realiseren van de instandhoudingsdoelen binnen een N2000-gebied. Veel gronden rond N2000-gebieden worden op dit moment gebruikt voor de landbouw. In deze gebieden is duurzame bedrijfsvoering daarom nog belangrijker, maar kan ook betekenen dat bedrijven moeten stoppen, een (gedeeltelijke) aanpassing van het areaal naar natuur, etc. Het is dus noodzaak om opgaven voor natuur, water en klimaat hier in samenhang met de landbouw uit te werken, zodat systeemherstel van het betreffende N2000-gebied gerealiseerd wordt. Uitgangspunten bij de gebiedsaanpak voor overgangsgebieden: • De aanpak is integraal: systeemherstel in samenhang met opgaven voor klimaat, water, bodem en landbouw. • Ondersteun en faciliteer langjarig het ontwikkelen van een toekomstperspectief voor de boeren die blijven en voor boeren die komen. Een duurzaam agrarisch verdienmodel is hierin essentieel. • Zoek naar koppelingen met andere opgaven zoals wonen, energie, recreatie, klimaatadaptatie, vitaliteit platteland en cultuurhistorie, mits het bijdraagt aan de realisatie van de centrale opgave. • Realiseer waardevolle combinaties tussen landbouw en natuur.

In de overgangsgebieden zijn landbouw en natuur geïntegreerd met elkaar, zoals natuurinclusieve landbouw. • De opgave en de doelen liggen vast en kennen een duidelijk tijdpad. Streef binnen de randvoorwaarden van doelen en tijdspad naar vrijwilligheid. Ruimte voor evaluatie en bijstelling is mogelijk, maar laat ten alle tijden de uitvoering niet vrijblijvend zijn.

Figuur 2‑2: Voorbeeld overgangsgebieden uit ontwerp-NPLG

Het voornemen is om maatregelen in het overgangsgebied primair gericht te laten zijn op de gunstige staat van instandhouding van het aangrenzend N2000-gebied. Hierop zijn drie inhoudelijke variaties gedefinieerd: • Variatie 1: Ga bij maatregelen die in het overgangsgebied worden genomen (t.b.v. natuurherstel van het aangrenzende N2000-gebied) uit van multifunctioneel ruimtegebruik als de primair sturende functie. Veranderingen in bijvoorbeeld de ruimtelijke inrichting van het gebied zijn er bij deze variatie op gericht om naast het bijdragen aan instandhoudingsdoelen voor het N2000-gebied ook zoveel mogelijk multifunctioneel ruimtegebruik mogelijk te maken. • Variatie 2: Ga bij maatregelen die in het overgangsgebied worden genomen (t.b.v. natuurherstel van het aangrenzende N2000-gebied) uit van landbouw als de primair sturende functie. Veranderingen in bijvoorbeeld de ruimtelijke inrichting van het gebied zijn er bij deze variatie op gericht om naast het bijdragen aan instandhoudingsdoelen voor het N2000-gebied ook zoveel mogelijk agrarisch gebruik te behouden.

Uitwerking per structurerende keuze

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

33

PlanMER

• Variatie 3: Ga bij maatregelen die in het overgangsgebied worden genomen (t.b.v. natuurherstel van het aangrenzende N2000-gebied) uit van natuur als de primair sturende functie. Veranderingen in bijvoorbeeld de ruimtelijke inrichting van het gebied zijn er bij deze variatie op gericht om naast bijdrage aan de instandhoudingsdoelen voor het N2000-gebied zoveel mogelijk bij te dragen aan de natuurfunctie van het gehele gebied. Daarnaast zijn 2 variaties gedefinieerd op sturingskracht: • Variatie S1: Sterker sturende variatie gericht op VHR-instandhoudingsdoelen N2000-gebieden. Het rijk bepaalt de locatie en omvang van overgangsgebieden en de mogelijkheden en beperkingen die hier gelden. Hiervoor zijn een aantal uitgangspunten geformuleerd (zie bijlage 1). • Variatie S2: Sterker sturende variatie door het Rijk gericht op zekerheid over ontwikkeling van overgangsgebieden als gebied waarin landbouw en natuur gecombineerd worden. Hiervoor zijn een aantal uitgangspunten geformuleerd (zie bijlage 1).

Structurerende keuze 2: Inpassing areaal agrarische natuur/nieuwe natuur Deze structurerende keuze ziet erop toe dat nieuwe natuurgebieden en nieuwe arealen natuurinclusieve landbouw ontwikkeld worden op locaties die optimaal aansluiten bij de omstandigheden die nodig zijn om het beoogde natuurtype te realiseren. Voor de inpassing van nieuwe natuur en natuurinclusieve landbouw geldt dat uit de profielen voor VHR-natuurdoeltypes blijkt aan welke kaders voldaan moet worden om aan de natuurdoelen te voldoen. Als er suboptimale omstandigheden zijn in een gebied, is er waarschijnlijk meer ruimte nodig om aan de natuurdoelen te voldoen.

Figuur 2‑3: Voorbeeld inpassing natuur en natuurinclusieve landbouw uit ontwerp-NPLG

Het voornemen is de inpassing van arealen natuur en natuur inclusieve landbouw in gebieden die hiervan uit fysisch-geografisch, ecologisch en hydrologisch perspectief geschikt voor zijn en uitgaan van elders in provinciaal beleid gekozen natuurdoeltype. Hierop zijn drie inhoudelijke variaties gedefinieerd: • Variatie 1: De inpassing van nieuwe arealen natuur en natuurinclusieve landbouw is gericht op een inpassing die optimaal bijdraagt aan realiseren van het betreffende natuurdoeltype.

34

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Uitwerking per structurerende keuze

PlanMER

• Variatie 2: De inpassing van nieuwe arealen natuur en natuurinclusieve landbouw is gericht op een inpassing die optimaal is voor de agrarische functie. • Variatie 3: De inpassing van nieuwe arealen natuur en natuurinclusieve landbouw koppelt zoveel mogelijk mee met andere doelen. Daarnaast is er één variatie gedefinieerd op sturingskracht: • Variatie S1: Sterker sturende variatie. Om de arealen natuur en agrarische natuur zo effectief mogelijk in te zetten wijst het Rijk in overleg met provincies gebieden aan waar de arealen moeten worden gerealiseerd. Daarbij houdt het Rijk rekening met aanpalende opgaven, het beperken van randzones en ecologische analyses over kansenrijkheid natuur. Provincies moeten hieraan voldoen of toelichten waarom hier toch vanaf wordt geweken. Bij afwijking geldt dat aannemelijk gemaakt wordt dat eenzelfde bijdrage aan VHRdoelbereik gerealiseerd wordt.

Structurerende keuze 3: Invulling 10% groenblauwe dooradering Deze structurerende keuze gaat over GBDA in het landelijk gebied. Het doel is om het landelijk gebied in 2050 voor 10% uit GBDA te laten bestaan. Dit is een eigenstandig doel, maar het dient in de eerste plaats als ondersteunend middel voor meervoudige doelrealisatie van de verschillende hoofddoelen uit het NPLG, zoals de VHR, de KRW en de klimaatdoelen. GBDA bestaat bij voorkeur uit hoofdzakelijk lijnvormige elementen. Daarnaast kunnen solitaire, losse elementen en vlakken ook onderdeel uitmaken van GBDA, waarbij voor vlakken een indicatieve omvang van enkele hectaren geldt. Landschapselementen zijn ook de dragers van het landschap met grote cultuurhistorische waarde doordat zij kenmerkend zijn voor specifieke gebieden. Ze versterken daarmee de landschappelijke identiteit en dragen bovendien bij aan de belevingswaarde van een gebied.

Figuur 2‑4: Voorbeeld GBDA (overwegend groen en overwegend blauw) uit ontwerp-NPLG

Uitwerking per structurerende keuze

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

35

PlanMER

Het voornemen is dat de doelstelling 10% GBDA in 2050 als ondersteunend middel dient voor meervoudige doelrealisatie van de verschillende hoofddoelen uit het NPLG. Hierop zijn drie inhoudelijke variaties gedefinieerd: • Variatie 1: De GBDA wordt vooral ingevuld vanuit de klimaatdoelen. • Variatie 2: De GBDA wordt met name ingevuld vanuit ecologische basiskwaliteit. • Variatie 3: De GBDA wordt met name ingevuld vanuit cultuurhistorisch perspectief en draagt optimaal bij aan de identiteit van het landschap.

Structurerende keuze 4: Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren Deze structurerende keuze komt uit de Kamerbrief Water en Bodem Sturend en geldt onverkort voor het NPLG. Uitgegaan wordt van het creëren van ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren bij de ruimtelijke inrichting, landgebruik en landbeheer. Hiermee wordt de veerkracht vergroot van zowel het hoofdwatersysteem als regionale watersystemen. Dit wordt door het Rijk, de waterschappen, provincies en gemeenten uitgewerkt en in de gebiedsprogramma’s opgenomen. Het voornemen is om ruimte te creëren voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Hierop zijn drie inhoudelijke variaties gedefinieerd: • Variatie 1: Zet in op het vasthouden en bergen van water op een groter oppervlak met een minder grote opzet / diepte van de berging. • Variatie 2: Zet in op het vasthouden en bergen van water op een zo klein mogelijk oppervlak, waarbij gewerkt wordt met een grotere opzet. • Variatie 3: Zet in op het vasthouden en bergen van water waarbij bepaalde specifieke soorten landgebruik (bijvoorbeeld landbouw) worden uitgezonderd. Daarbij wordt dan dus gewerkt met een grotere opzet bij andere vormen van landgebruik.

Structurerende keuze 5: Peilopzet veenweide Deze gebiedsspecifieke structurerende keuze komt uit de Kamerbrief Water en Bodem Sturend en gaat over de peilopzet in veenweidegebieden. Er wordt toegewerkt naar vernatting van veenweidegebieden om broeikasgasemissies en bodemdaling te beperken. Het voornemen is het vernatten van de veenweidegebieden om bodemdaling en CO2-uitstoot te voorkomen door middel van een peilopzet tot 20 tot 40 cm onder maaiveld. Hierop zijn twee sturingsvariaties gedefinieerd: • Variatie S1: Een sterker sturende variatie waarbij de structurerende keuze ‘Peilopzet veenweide’ verplicht is (in plaats van ‘voldoen of uitleggen waarom wordt afgeweken’). Voor laagveengebieden is de inzet, overeenkomstig met de Veenweide strategie, gericht op een reductie van de CO2-uitstoot van 1 Mton CO2-eq. in 2030, verdere reductie van CO2-eq. uitstoot richting 2050 conform het Klimaatakkoord en op minimalisatie van bodemdaling. • Variatie S2: Minder sturende variatie waarbij eveneens voor laagveengebieden de inzet is, overeenkomstig met de Veenweide strategie, gericht op een reductie van de CO2-uitstoot van 1 Mton CO2-eq. in 2030, verdere reductie van CO2-eq. uitstoot richting 2050 conform het Klimaatakkoord en op minimalisatie van bodemdaling. Bij deze variatie bepalen de provincies en waterschappen hoe die reductie in het veenweidengebied bereikt zal worden.

Structurerende keuze 6: Waterbeschikbaarheid verziltende gebieden Deze gebiedsspecifieke structurerende keuze komt uit de Kamerbrief Water en Bodem Sturend en gaat over het omgaan met verminderde beschikbaarheid van zoet water in verziltende gebieden in de kustprovincies. Er wordt gestuurd op de acceptatie van een tijdelijke toename in de regionale verzilting en de aanpassing van het landgebruik hierop. Alle watergebruikers wordt gevraagd rekening te houden met en zelf maatregelen te nemen om beter bestand te zijn tegen periodes van extreme droogte, watertekorten en verzilting. Het voornemen is de keuze voor tijdelijke acceptatie van verzilting en het aanpassen van het landgebruik daarop.

36

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Uitwerking per structurerende keuze

PlanMER

Hierop is één variatie gedefinieerd: • Variatie 1: Maak voor maatregelen onderscheid in de verziltingsgevoeligheid van gebieden en waarbij landgebruik in sterk gevoelige gebieden versneld aangepast wordt om zo minder gevoelige gebieden langer te vrijwaren.

Structurerende keuze 7: Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden Deze gebiedsspecifieke structurerende keuze komt uit de Kamerbrief Water en Bodem Sturend. De structurerende keuze gaat over het langer vasthouden en minder snel afvoeren van water op hoge zandgronden. Daarmee wordt de sponswerking van de bodem hersteld en een robuuster grondwatersysteem bereikt. Hierop zijn drie inhoudelijke variaties gedefinieerd: • Variatie 1: We houden water langer vast en voeren het minder snel af. Daarbij concentreren we ons op het vasthouden van water op natuurgronden en zonderen we landbouwbodems zoveel mogelijk uit. We herstellen daarmee de sponswerking van de bodem en bereiken een robuuster grondwatersysteem. • Variatie 2: Een variatie kan inzetten op een zo groot mogelijk oppervlak om water in vast te houden. Enkel variëren op oppervlakte, niet op ambitieniveau (herstellen van sponswerking en bereiken van robuust grondwatersysteem). • Variatie 3: Een variatie kan inzetten op een zo klein mogelijk oppervlak om water in vast te houden. Enkel variëren op oppervlakte, niet op ambitieniveau.

Structurerende keuze 8: Verhogen grondwaterpeilen op hoge zandgronden Deze gebiedsspecifieke structurerende keuze komt uit de Kamerbrief Water en Bodem Sturend. In deze structurerende keuze worden de grondwaterpeilen verhoogd met mogelijk 10 cm tot 50 cm. Daardoor wordt op de hoge zandgronden verdroging bestreden. Hierop zijn twee inhoudelijke variaties gedefinieerd: • Variatie 1: Ga uit van een uniforme verhoging van het grondwaterpeil met 10 cm, waarna pas bij eventuele verdere stijging rekening wordt gehouden met de behoeften van de functies in het gebied. • Variatie 2: Ga uit van spreiding in de aanpassing van het grondwaterpeil waarbij, binnen de gestelde doelen en afhankelijk van de functies ter plaatse, versneld of vertraagd wordt toegewerkt naar een grondwaterpeil van 10 cm tot 50 cm. Daarnaast zijn er twee variaties gedefinieerd op sturingskracht: • Variatie S1: Sterker sturende variatie. We verhogen grondwaterpeil op de hoge zandgronden tussen de 30 en 50 cm. Geen comply or explain maar verplichtend. • Variatie S2: Minder sturende variatie. We verhogen grondwaterpeil op de hoge zandgronden met 50 cm tenzij aannemelijk gemaakt kan worden dat een lagere grondwaterstand mogelijk is zonder dat verdroging plaatsvindt. Een grondwaterpeilverhoging van 10 cm geldt hierbij als minimale ondergrens.

Structurerende keuze 9: Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden Deze gebiedsspecifieke structurerende keuze komt uit de Kamerbrief Water en Bodem Sturend en gaat over beekdalherstel op hoge zandgronden. Voor de verbetering van de waterkwaliteit worden ruime bufferstroken in beekdalen op zandgronden gerealiseerd, tevens bijdragend aan de infiltratie van grondwater. In de gebiedsprocessen wordt ingezet op grootschalig herstel van beekdalen op zandgronden voor het verbeteren van de waterkwaliteit. Het uitgangspunt hierbij is de ontwikkeling van bufferstroken van 100 tot 250 meter aan beide zijden van de beek. Dit draagt bij aan het behalen van de doelen voor de waterkwaliteit (vanuit de KRW en de Nitraatrichtlijn) als ook het realiseren van andere doelstelling (zoals natuur, GBDA en waterberging). Het voornemen is om ruime bufferstroken in beekdalen op hoge zandgronden te creëren.

Uitwerking per structurerende keuze

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

37

PlanMER

Hierop zijn drie inhoudelijke variaties gedefinieerd: • Variatie 1: Aan grootschalig beekherstel wordt gewerkt in een smallere zone die enkel gericht is op beekdalherstel en waarbij (landbouw)activiteiten die kunnen plaatsvinden in de zone sterk gelimiteerd zijn. • Variatie 2: Aan grootschalig beekherstel wordt gewerkt in een bredere zone die niet alleen gericht is op beekdalherstel en waarbij minder beperkingen gelden voor (landbouw)activiteiten. • Variatie 3: Aan grootschalig beekherstel wordt gewerkt in deelgebieden van de beek waarbij andere deelgebieden ongemoeid worden gelaten. Doelen voor waterkwaliteit worden gehaald en er wordt ook gewerkt aan het realiseren van andere doelstellingen (zoals natuur, GBDA en waterberging). Daarnaast zijn er drie variaties gedefinieerd op sturingskracht: • Variatie S1: Sterker sturen op breedte. Bufferstroken zijn door het hele beekdal heen tussen de 100 en 250 meter breed. Hierbij geldt dat de zones in principe 250 meter breed zijn en alleen smaller kunnen zijn – met een ondergrens van 100 meter breed – als dat onderbouwd is. • Variatie S2: Sterker sturen op landgebruik. Voor het landgebruik in deze bufferstroken geldt : natuur of natuur inclusief grasland met een uitmijnregime; geen omzetting van grasland naar akkerbouw of tuinbouw; een veebezetting voor alle diersoorten van gemiddeld 1 GVE/ha gehanteerd op alle landbouwgronden.

• Variatie S3: Minder sturend. Er worden maatregelen getroffen voor het grootschalig herstel van beekdalen op zandgronden voor het verbeteren van de waterkwaliteit. Maatregelen waarvoor geldt dat de effectiviteit afneemt naarmate de afstand tot de betreffende beek toeneemt dienen bij voorkeur in de directe nabijheid van de beek worden genomen. Hiermee worden de condities geschapen om de doelen voor de waterkwaliteit (vanuit de KRW en Nitraatrichtlijn) te halen.

Structurerende keuze 10: Beperken grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden op hoge zandgronden Deze gebiedsspecifieke structurerende keuze komt uit de Kamerbrief Water en Bodem Sturend. In deze structurerende keuze worden de grondwateronttrekkingen rond N2000-gebieden op hoge zandgronden beperkt. Daarmee wordt verdroging van deze gebieden voorkomen. Dit wordt in de gebiedsprocessen uitgewerkt. Hierop zijn twee inhoudelijke variaties gedefinieerd: • Variatie 1: Zet in op een zo groot mogelijke beperking in een zo klein mogelijk gebied rond Natura-2000 om verdroging te voorkomen. • Variatie 2: Zet in op een zo klein mogelijke beperking in een groter gebied rond Natura-2000 om verdroging te voorkomen. Daarnaast zijn er twee variaties gedefinieerd op sturingskracht: • Variatie S1: Sterker sturende variatie. Geen comply or explain maar verplichtend. Grondwateronttrekkingen rond verdrogingsgevoelige N2000-gebieden worden zoveel beperkt als nodig is voor het voorkomen van verdroging van nabijgelegen N2000-gebieden. In gevallen waar dit vraagt om afwegingen tussen het behoud van onttrekkingen voor drinkwater of andere water-onttrekkende activiteiten, worden onttrekkingen voor drinkwater zoveel mogelijk in stand gehouden. • Variatie S2: Minder sturende variatie.

Rondom verdrogingsgevoelige N2000-gebieden nemen we, indien nodig, maatregelen om verdroging van de N2000-gebieden te voorkomen.

Structurerende keuze 11: Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond Bij het vormgeven van gebiedsprogramma’s wordt bij beoogde functieverandering van agrarische grond een zorgvuldige afweging gemaakt. Eventuele functiewijzigingen van landbouwgrond worden gemotiveerd aan de hand van het afwegingskader zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond. Het afwegingskader zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond is gebaseerd op de volgende principes: • Functieverandering alleen wanneer dit echt nodig is; • Verschillen in kenmerken tussen landbouwgebieden kunnen leiden tot verschillende keuzes. De beste voor voedselproductie en voedselzekerheid geschikte landbouwgronden worden in principe zoveel mogelijk ontzien van functiecombinaties en functiewijzigingen; • Functiecombinaties en -wijzigingen hebben bij voorkeur meerwaarde voor het transitiepad;

38

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Uitwerking per structurerende keuze

PlanMER

• Afwenteling op landbouw moet worden voorkomen, en; • Het afwegingsproces moet eenduidig en transparant zijn. Toepassing van het kader vergt een indeling op provinciaal niveau van de drie gebiedstypen die het afwegingskader zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond hanteert: gebieden met weinig (toekomstige) uitdagingen voor de landbouw, beperkte gebieden met matige (toekomstige) uitdagingen voor de landbouw en gevoelige gebieden met zware (toekomstige) uitdagingen voor de landbouw. Het voornemen is om bij het vormgeven van de gebiedsprogramma’s zorgvuldig om te gaan met het areaal landbouwgrond. Bij deze structurerende keuze is één inhoudelijke variatie en één sturingsvariatie geformuleerd. • Variatie 1: Maak onderscheid tussen groen-rode functiecombinaties en groen-groene functiecombinaties. Neem als uitgangspunt dat in gebieden met weinig uitdagingen voor de landbouw er wel ruimte blijft voor ‘rode’-functiecombinaties waaronder bijvoorbeeld energievoorziening. • Variatie S1: Het Rijk wijst gebieden aan die zoveel mogelijk bewaard moeten blijven voor de landbouw. Een eerder ontwikkelde kaart 1 kan hierbij richting geven. Als provincies hiervan afwijken wordt dat gemotiveerd aan de hand van het afwegingskader zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond.

Structurerende keuze 12: Tegengaan van bodemverstoring door ontgraving Deze structurerende keuze is onderdeel van de Kamerbrief Water en Bodem Sturend en richt zich op het tegengaan van bodemverstoring door ontgraving en op het hoogwaardig hergebruik van grond. Dit met het doel om gezonde en vitale bodems te behouden. Het voornemen is om bodemverstoring door ontgraving tegen te gaan. Hierop zijn twee inhoudelijke variaties gedefinieerd door de initiatiefnemer: • Variatie 1: We vermijden bodemverstoring door ontgraving van landbouwbodems en in N2000-gebieden en NNN-gebieden zoveel mogelijk. • Variatie 2: We gaan bodemverstoring door ontgraving tegen en hergebruiken grond hoogwaardig. Daarmee behouden we gezonde en vitale bodems en bewaren we cultureel erfgoed in de bodem. Deze structurerende keuze kent een afwijkend karakter ten opzichte van de overige structurerende keuzes. Het gaat hier niet om het scheppen van het kader voor het nemen van gebiedsgerichte maatregelen met betrekking tot het landelijk gebied, maar om het stellen van randvoorwaarden die meer zijn gericht op projectniveau. Kijkend naar het nationaal programma op landelijke schaal dan is er geen specifieke huidige situatie of trend te beschrijven waar op landelijke schaal problematiek aangegeven kan worden.

Ook het beschrijven van effecten op basis van een set randvoorwaarden zonder een duidelijke referentie is niet mogelijk voor dit onderwerp. Derhalve worden deze structurerende keuze en de variaties in het planMER niet beoordeeld.

Meekoppelen met structurerende keuzes: Gezondheid omwonenden, fijnstof, geurhinder en dierziekten en zoönosen Er zijn onderwerpen die meegekoppeld worden met structurerende keuzes geformuleerd voor gezondheid omwonenden, fijnstof, geurhinder en dierziekten en zoönosen. Het doel daarvan is, om de effecten van de aanpak van het NPLG op volksgezondheid en het risico op dierziekten mee te wegen in de gebiedsprogramma's. De adviezen voor deze onderwerpen zijn opgenomen in de update van de Handreiking voor de gebiedsprogramma’s NPLG (d.d. 17 maart 2023). De onderwerpen betreffen: • Verminderen risico’s voor de gezondheid van omwonenden: De adviezen voor volksgezondheid zien op het hanteren van afstandscriteria. Het doel daarvan is om de risico’s voor de volksgezondheid voor omwonenden van veehouderijbedrijven in de nabije omgeving van woonkernen en gevoelige bestemmingen zoals (zorg)instellingen of scholen, te beperken/verminderen. Het gaat dan bijvoorbeeld om risico’s door fijnstof, geur, zoönosen, endotoxines en ammoniak en andere mogelijke negatieve effecten, zoals bijvoorbeeld een toegenomen risico op resistente micro-organismen (bacteriën en schimmels) door uitspoel vanuit veehouderij(producten). 1

Zie kaart 4 van de Startnotitie NPLG, 10 juni 2022

Uitwerking per structurerende keuze

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

39

PlanMER

• Verminderen van risico’s op uitbraken met, en de verspreiding van (zoönotische) ziekteverwekkers: Om het risico op uitbraken met en de verspreiding van (zoönotische) ziekteverwekkers te verminderen, wordt decentrale overheden aangeraden de bedrijfs- en dierdichtheid te laten afnemen in gevallen waarbij veehouderijen willen uitbreiden (dieraantal), nieuwbouwen of verplaatsen, willen omschakelen van diersoort of wanneer een veehouderij wil stoppen. Deze adviezen zijn gericht op de veehouderij, maar het risico op uitbraken met en verspreiding van dierziekten en zoönosen kan ook beïnvloed worden door keuzes die worden gemaakt bij de natuurontwikkeling. Er zal daarom voor dierziekten en zoönosen rekening moeten worden gehouden met de wederkerigheid tussen natuur en veehouderij, door ook bij natuurontwikkeling rekening te houden met nabijgelegen veehouderijen. • Geurhinder en fijnstof: Bij de transitie van het landelijk gebied is het uitgangspunt dat geurhinder en fijnstof dusdanig worden verminderd dat er geen (lokale) verslechtering in leefbaarheid (waaronder geurhinder) en luchtkwaliteit (waaronder fijnstof) meer plaatsvindt, er geen extreem- of zeer slechte milieugezondheidskwaliteit meer voorkomt en er geen overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor fijnstof meer plaatsvinden.

In de Handreiking voor de gebiedsprogramma’s NPLG zijn hiervoor nog geen concrete adviezen opgenomen. Aangezien deze onderwerpen als onderdeel van het ‘meekoppelen van andere opgaven’ als adviezen in de Handreiking voor de gebiedsprogramma’s NPLG zijn opgenomen, worden de structurerende keuzes niet als onderdeel van het voornemen en de alternatieven meegenomen in het planMER. Deze adviezen kunnen worden meegewogen in de provincies in gevallen van bedrijfsbeëindiging (bijvoorbeeld als gevolg van de opkoopregeling) of bij vergunningssituaties. Wel wordt in het beoordelingskader Milieugezondheidsrisico’s als indicator meegenomen, waarbij waar relevant op gezondheid, dierziekten en zoönosen, geurhinder en fijnstof wordt ingegaan.

40

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Uitwerking per structurerende keuze

PlanMER

3 Resultaten In het planMER is vanuit een brede benadering gekeken naar de mogelijke effecten van het voornemen op het milieu, met name de effecten op de fysieke leefomgeving. Dit gebeurt op strategisch, globaal niveau, zoals past bij het abstractieniveau van de uitspraken in het NPLG. Gezien het strategische karakter en het abstractieniveau van het NPLG, is de effecttoetsing in het planMER een kwalitatieve beschouwing van kansen op een positief dan wel negatief effect. Deze kansen op effecten zijn ‘gewaardeerd’ op basis van expert judgement, met gebruik van reeds beschikbare informatie. De kansen op effecten zijn beschreven en vervolgens gewaardeerd ten opzichte van de referentiesituatie (voor de definitie daarvan zie paragraaf 'Beoordeling referentiesituatie en trends'). De referentiesituatie levert de basis waartegen de effecten van het voornemen zijn afgezet. In het planMER is per thema van het Rad van de Leefomgeving aangegeven wat de huidige situatie is, welke trends er spelen en wat de waardering van de huidige situatie en trend is ten opzichte van de bestaande doelen/normen. Daarnaast zijn de effecten van de structurerende keuzes (zijnde het voornemen) op de milieuthema’s in beeld gebracht. Tenslotte is er een globale beschouwing van effecten gedaan in de vorm van een gevoeligheidsanalyse voor de variaties op de structurerende keuzes.

Ingeschat wordt of en zo ja in welke mate de effecten reageren op deze (kleine) variaties.

3.1 Het Rad van de Leefomgeving Het Rad van de Leefomgeving vormt de basis voor de huidige situatie, trends en effectbeschouwing. In dit planMER wordt voornamelijk gekeken naar het bovenste deel van het rad, gericht op leefomgeving en omgevingskwaliteit. In dit planMER wordt beperkt ingegaan op het onderste deel van het Rad. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 'Het Rad van de Leefomgeving ten behoeve van het NPLG'. Onder het hoofdthema Veilige en Gezonde Leefomgeving worden de thema’s Milieukwaliteit en Gezondheid en Klimaat behandeld. Onder het hoofdthema Goede omgevingskwaliteit worden de thema’s Natuur, Water, Bodem en Landschap en Openbare Ruimte beschreven. Onder het hoofdthema Economische Omgeving wordt aandacht besteed aan het thema Landbouw.

Resultaten

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

41

PlanMER

Figuur 3‑1: Rad van de Leefomgeving ten behoeve van het NPLG

42

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Het Rad van de Leefomgeving

PlanMER

3.2 Beoordeling effecten van structurerende keuzes In Tabel 3‑2 t/m Tabel 3‑8 zijn de huidige situatie (staat) en trend (autonome ontwikkeling) per indicator aangegeven. Vervolgens zijn de effecten van de structurerende keuzes per indicator aangegeven in de vorm van kansen op een positief of negatief effect. Per indicator is het mogelijk dat zich zowel positieve als negatieve effecten voordoen voor een structurerende keuze. Het kan ook zijn dat een structurerende keuze geen of nagenoeg geen gevolgen heeft. Als voor een indicator niet te zeggen is wat het effect gaat zijn, bijvoorbeeld door meerdere effectwaarderingen, dan krijgt dit de beoordeling ‘niet te beoordelen’ (n.t.b.). In Tabel 3‑1 en Figuur 3-2 is een toelichting gegeven hoe de beoordelingen in Tabel 3‑2 t/m Tabel 3‑8 gelezen moeten worden. In het hoofdstuk 'Methodiek' is meer informatie over de beoordelingsmethodiek te vinden. De beoordelingstabellen worden elk, per indicator, toegelicht. Voor een nadere toelichting van de effecten van de structurerende keuzes wordt verwezen naar het hoofdstuk 'Effecten van de structurerende keuzes' in deel B van het planMER.

Tabel 3‑2 t/m Tabel 3‑8 kunnen alleen goed beoordeeld worden in samenhang met de toelichting in het hoofdstuk 'Referentiesituatie' en het hoofdstuk 'Effecten van de structurerende keuzes', de conclusies vanuit verschillende invalshoeken, de gevoeligheidsanalyse, en de leemten in kennis.

Figuur 3-2: Toelichting huidige situatie en trends

Tabel 3‑1: Toelichting beoordelingstabel

Waardering

Toelichting

↑ groene pijl omhoog

Kans op positief effect

• donkerblauwe stip

Geen of nagenoeg geen gevolgen

↓ rode pijl omlaag

Kans op negatief effect

n.t.b.

Niet te beoordelen

Beoordeling effecten van structurerende keuzes

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

43

PlanMER

Afkortingen in de tabellen • • • •

WU = Weinig toekomstige uitgangingen 1 voor de landbouw ZU = Zware toekomstige uitdagingen voor de landbouw KT = Korte termijn LT = Lange termijn

Omdat sommige namen van de structurerende keuzes te lang zijn voor de tabellen, is er voor gekozen om de volgende namen af te korten: • • • • • • • •

Structurerende keuze 2: Inpassing areaal agrarische natuur/nieuwe natuur > Inpassing areaal natuur Structurerende keuze 4: Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren > Ruimte voor vasthouden Structurerende keuze 6: Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden > Verzilte gebieden Structurerende keuze 7: Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden > Water vasthouden en minder snel afvoeren Structurerende keuze 8: Verhogen grondwaterpeilen op hoge zandgronden > Verhogen grondwaterpeilen Structurerende keuze 9: Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden > Grootschalig beekdalherstel Structurerende keuze 10: Beperken grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden op hoge zandgronden > Beperken grondwateronttrekkingen Structurerende keuze 11: Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond > Zorgvuldig omgaan met landbouwgrond

3.2.1 Economische omgeving Het hoofdthema Economische omgeving valt uiteen in de thema’s Landelijk gebied, Natuur en Landbouw. Voor de indicatoren vallend onder het thema Landbouw, wordt aangegeven welke invloed de verschillende structurerende keuzes hebben. Oppervlakte landelijk gebied wordt niet behandeld, uitgaand van het feit dat de transitie van functies binnen het huidige/ toekomstige oppervlakte landelijk gebied plaatsvindt. Oppervlakte natuurgrond en agrarisch natuurbeheer worden behandeld onder het thema Natuur. Ook de indicator ‘aantal agrariërs’ wordt niet beoordeeld omdat het voor dit onderwerp niet goed mogelijk is om aan te geven of een effect positief dan wel negatief is. Het effect van de structurerende keuzes op de indicator ‘aantal agrariërs’ wordt daarentegen wel besproken in het hoofdstuk 'Effecten van de structurerende keuzes', er wordt alleen geen waardeoordeel gegeven. Naast afname van oppervlakte landbouwgrond zorgt ook schaalvergroting in de sector voor afname van het aantal agrariërs.

1

44

Het begrip ‘uitdagingen’ betekent in deze context ‘belemmeringen voor een optimale landbouw’ als gevolg van gebiedskenmerken.

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Economische omgeving

PlanMER

Landbouw Tabel 3‑2: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Landbouw onder het hoofdthema Economische omgeving

Onder het thema Landbouw vallen de indicatoren Oppervlakte landbouw, Aantal agrariërs en Verdienvermogen van agrariërs. De indicator ‘aantal agrariërs’ wordt niet beoordeeld omdat het voor dit onderwerp niet goed mogelijk is om aan te geven of een effect positief dan wel negatief is. Zie paragraaf 'Landbouw' voor een nadere toelichting op de referentiesituatie en het hoofdstuk 'Effecten van de structurerende keuzes' voor een nadere toelichting op de effectbeoordeling. Oppervlakte landbouw: In 2020 werd zo’n 2.000.000 hectare van Nederland gebruikt als landbouwgrond. De oppervlakte die voor de landbouw gebruikt wordt is sinds 2000 wel gestaag afgenomen. In 20 jaar tijd is ongeveer 8% van de landbouwgrond verdwenen, waardoor er sprake is van een negatieve trend. Keuze 1, Overgangsgebieden, is niet te beoordelen doordat het effect van de overgangsgebieden op het oppervlakte landbouw erg afhangt van de verdere uitwerking of invulling van de gebieden, zowel wat betreft functie als formaat. Keuze 2, 3, 4, 5, 9 en 11 (in gebieden met zware uitdagingen) geven een kans op een negatief effect. Deze keuzes betekenen veelal een extensivering voor landbouwkundig gebruik waarbij het landbouwareaal kan verminderen en minder intensief kan worden ingezet.

Voor keuze 11, Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond, zal in gebieden met weinig uitdagingen het totaaloppervlakte landbouwgrond zich niet heel anders ontwikkelen ten opzichte van de referentiesituatie. Ook in het geval van keuze 6, Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden, 7, Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden, 8, Verhogen grondwaterpeilen en 10, Beperken grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden op hoge zandgronden, zal het oppervlakte landbouw niet afnemen in kwantiteit, waardoor er geen of nagenoeg geen gevolgen zijn. Verdienvermogen van agrariërs: In 2021 was het gemiddelde inkomen voor agrarische bedrijven € 100.000 per onbetaalde arbeidsjaareenheid (Wageningen University & Research, 2022). Als wordt gekeken hoe het gemiddelde inkomen van agrariërs per onbetaalde arbeidsjaareenheid zich over de jaren ontwikkelt, is te zien dat dit sterk fluctueert, per jaar en per type bedrijf. Als wordt gekeken naar gemiddeldes over vijf jaar, is een positieve trend te zien voor de gehele land- en tuinbouwsector. Keuzes 1 t/m 11 (in gebieden met zware uitdagingen) geven een kans op een negatief effect. Deze keuzes betekenen veelal een extensivering voor landbouwkundig gebruik waarbij het landbouwareaal minder intensief kan worden ingezet.

Voor deze keuzes geldt dat bij intensieve melkveehouderij, hokdieren en graasdieren een sterkere beperking van de voor hen gangbare vorm van landbouw en daarmee een sterkere daling van het verdienvermogen verwacht wordt. Voor extensievere vormen van veehouderij of akkerbouw zal de daling minder groot zijn. Voor keuze 11, Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond in gebieden met weinig uitdagingen, is het aannemelijk dat er geen of nagenoeg geen gevolgen zullen zijn, vanwege het afwegingskader zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond zal het areaal landbouwgrond met weinig uitdagingen gelijk blijft aan de referentiesituatie.

3.2.2 Veilige en gezonde leefomgeving Het hoofdthema Veilige en gezonde leefomgeving valt uiteen in de thema’s Milieukwaliteit & gezondheid en Klimaat

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13857580/1