CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

2024 54 Bijlage 2 PlanMER-NPLG-december 2023

Gemeenteraad 28 maart 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken39.386 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

PlanMER Voor het Nationaal Programma Landelijk Gebied

Inhoudsopgave

2

Samenvatting

4

1 Inleiding

18

1.1 Het Nationaal Programma Landelijk Gebied 1.2 Het instrument milieueffectrapportage 1.3 Proces en procedure 1.4 Betrokken partijen 1.5 NPLG in relatie tot andere plannen en initiatieven 1.6 Leeswijzer 1.7 Verantwoording

18 20 22 23 23 25 26

Deel A: Hoofdlijnen voor besluitvorming

27

2 De oplossingsrichtingen voor het landelijk gebied

28

2.1 De doelen van het NPLG 2.2 De structurerende keuzes van het NPLG

28 31

3 Resultaten

41

3.1 Het Rad van de Leefomgeving 3.2 Beoordeling effecten van structurerende keuzes 3.3 Beschouwing op de effectbeoordeling 3.4 Gevoeligheidsanalyse 3.5 Onzekerheden en leemten in kennis 3.6 Monitoring en evaluatie

41 43 53 59 60 61

Deel B: Onderbouwing van de beoordeling

62

4 Methodiek

63

4.1 Beoordelingsmethodiek 4.2 Beoordeling referentiesituatie en trends 4.3 Beoordeling voornemen

63 68 70

5 Referentiesituatie

71

5.1 Economische omgeving 5.2 Veilige en gezonde leefomgeving 5.3 Goede omgevingskwaliteit

71 81 92

6 Effecten van de structurerende keuzes

132

6.1 Structurerende keuze 1: Overgangsgebieden 6.2 Structurerende keuze 2: Inpassing areaal agrarisch natuur/nieuwe natuur 6.3 Structurerende keuze 3: Invulling 10% groenblauwe dooradering

134 141 149

| BI8226-MI-RP-231031-1427

6.4 Structurerende keuze 4: Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren 156 6.5 Structurerende keuze 5: Peilopzet veenweide 163 6.6 Structurerende keuze 6: Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden 170 6.7 Structurerende keuze 7: Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden177 6.8 Structurerende keuze 8: Verhogen grondwaterpeilen op hoge zandgronden 185 6.9 Structurerende keuze 9: Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden 193 6.10 Structurerende keuze 10: Beperken grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden op hoge zandgronden 200 6.11 Structurerende keuze 11: Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond 207 6.12 Grensoverschrijdende effecten 214

Bronnen

217

Bijlage 1: Structurerende keuzes 1-12

223

Bijlage 2: Verklarende woordenlijst

231

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

3

Samenvatting Inleiding Onderstaand kader bevat de essentie van het planMER. In deze samenvatting bij het planMER wordt de inhoud van het planMER op hoofdlijn beschreven. Het planMER is opgesteld door Royal HaskoningDHV in samenwerking met partners en de opdrachtgever het ministerie van LNV. Het voornemen (de structurerende keuzes en variaties) en de positionering van het NPLG is ingebracht door het ministerie. De beschrijving van de referentiesituatie, de effectbeschrijving en -beoordeling is opgesteld door Royal HaskoningDHV en het expertteam van Royal HaskoningDHV en samenwerkende partijen.

Wat zijn de belangrijkste bevindingen? Voor natuur, klimaatverandering en water zijn keuzes in en ten behoeve van het landelijk gebied nodig gericht op de kwaliteit van de leefomgeving en het milieu. Daar gaat het NPLG over. In het planMER zijn de structurerende keuzes die uitgewerkt kunnen worden in gebiedsprogramma's op milieueffecten onderzocht. Daarvoor zijn een aantal indicatoren gebruikt. Uit het planMER komt naar voren dat de structurerende keuzes ten aanzien van natuur, klimaat en water vooral kansen op positieve effecten laten zien. Bij sommige indicatoren en bij bepaalde structurerende keuzes kan ook een kans op een negatief effect ontstaan. Kijkend naar de agrarische sector (areaal landbouwgrond en verdienvermogen) komt naar voren dat de meeste structurerende keuzes een afname van areaal (of extensivering) laten zien. Hierdoor komt ook het verdienvermogen van agrariërs onder druk. De verschillende compensatieregelingen die momenteel gelden zijn niet in de effectbeoordeling meegenomen. Deze regelingen zijn onder meer bedoeld om genoemde effecten voor de agrarische sector te minimaliseren of weg te nemen. De structurerende keuze "Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond" draagt bij om de kansrijke gebieden voor de landbouw zoveel mogelijk te behouden en te beschermen voor de landbouw. Tenslotte, het NPLG stuurt op samenhang.

Effecten van afzonderlijke structurerende keuzes kunnen niet zomaar bij elkaar opgeteld als het gaat om ruimtebeslag of gevolgen voor areaal. Sommige structurerende keuzes kunnen in combinatie ingezet worden om optimaal resultaat te behalen. Los of (deels) op dezelfde arealen, afhankelijk van gebiedstype en omstandigheden. Uiteindelijk zullen de doelstellingen via maatregelen in gebieden (overlappend dan wel los) wel gehaald moeten worden. In de gebiedsuitwerkingen van de provincies zal in een later stadium moeten blijken of de gemaakte keuzes en geformuleerde maatregelen zullen leiden tot het halen van de doelstellingen.

Waarom een Nationaal Programma Landelijk Gebied? Door klimaatverandering neemt de druk toe op de vitaliteit van het platteland en de kwaliteit van de leefomgeving en het milieu in het landelijk gebied. Daarnaast spelen in het landelijk gebied de negatieve effecten van stikstofdepositie, uitstoot van broeikasgassen, watertekorten én perioden van wateroverlast, biodiversiteitsverlies, bodemdaling, tekortschietende waterkwaliteit en verzilting een rol. Met maatregelen kan voldaan worden aan internationale verplichtingen zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn, de Kaderrichtlijn Water en de klimaatdoelstellingen. Hierdoor verbeteren de condities voor natuur, milieu en gezondheid. Dit draagt bij aan vitaliteit en kwaliteit van de leefomgeving en het milieu in het landelijk gebied. Het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) moet zorgen voor een samenhangende, gebiedsgerichte en toekomstbestendige benadering om bovengenoemde problemen in het landelijk gebied aan te pakken.

Waarover gaat het NPLG? Het NPLG is de basis voor de ruimtelijke uitwerking en maatregelen in provinciale gebiedsprogramma’s. Hiermee worden doelen voor de transitie van het landelijk gebied zoveel mogelijk in samenhang bereikt. Mede gestuurd door keuzes uit het NPLG werken provincies aan een pakket van maatregelen aangepast aan de ecologische, sociaaleconomische en cultuurhistorische kenmerken van gebieden. Een gezamenlijke aanpak moet er voor zorgen dat toekomstige ingrepen in de inrichting, het beheer en het gebruik van het landelijk gebied bijdragen aan een gezonde en leefbare fysieke leefomgeving voor de volgende generaties.

4

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Samenvatting

Samenhang met andere plannen en programma’s Het beleidskader voor het NPLG wordt bepaald door de Nationale Omgevingsvisie (NOVI), het programma Nationale Omgevingsvisie Extra (NOVEX) en de nieuwe Nota Ruimte. Er is wisselwerking tussen het NOVEX en het NPLG. Beide werken aan (afspraken over) uitvoering van ruimtelijke opgaven. Het NPLG richt zich vooral op lokalisering, programmering en uitvoering van maatregelen voor natuur/stikstof, water en klimaat. De NOVEX is vooral gericht op ruimtelijke keuzes en toekomstige ontwikkelingen. De afspraken die hieruit komen en met provincies worden gemaakt zullen uiteindelijk worden verwerkt in de nieuwe Nota Ruimte. Het NPLG is niet het enige uitvoeringsprogramma dat invulling geeft aan de opgaven voor het landelijk gebied uit de NOVI. Er zijn momenteel diverse andere langlopende rijksprogramma’s die inhoudelijke raakvlakken hebben met het NPLG. Hieronder vallen onder meer de Agenda Natuurinclusief, de Bossenstrategie, en de Programmatische Aanpak Grote Wateren. Daarbij is samenwerking met provincies en waterschappen belangrijk. Daarnaast zijn er nog diverse programma’s die op verschillende manieren te maken hebben met het landelijk gebied of het NPLG, zoals het Nationaal Milieuprogramma en het Programma Gezonde Groene Leefomgeving.

Wat is het doel van het NPLG? Het NPLG draagt bij aan het toekomstbestendig ontwikkelen van het landelijk gebied. Het zorgt er voor dat er keuzes worden gemaakt over bovenregionale vragen over verdeling en kwaliteit in het landelijk gebied. Daarnaast beschermt en verbetert het een vitaal landelijk gebied. Ook draagt het NPLG bij aan een lerende aanpak van samenwerking tussen bestuurders met inzet van het rijk. Het NPLG doet dit door het aanbieden van kaders voor de provinciale gebiedsprogramma’s. Hierin wordt een gebiedsgerichte uitwerking van de NPLG doelen en van zogenaamde structurerende keuzes opgesteld. De gebiedsprogramma’s spelen op deze manier ook een belangrijk rol bij het uitwerken van het toekomstperspectief voor de landbouw.

Wat zijn structurerende keuzes? Structurerende keuzes in het NPLG zijn door het Rijk gemaakte keuzes voor de ruimtelijke inrichting. De keuzes van het NPLG zijn algemene inrichtingsprincipes, die ingaan op de (on)wenselijkheid van (nieuwe) activiteiten in het landelijk gebied. Met de structurerende keuzes geeft het NPLG richting aan de ruimtelijke uitwerking van de gebiedsprogramma’s door de provincies.

Rol van m.e.r. bij de totstandkoming van het ontwerp-NPLG? Het NPLG is een m.e.r.-plichtig programma. Het instrument m.e.r. is bedoeld om het belang van de leefomgeving, mens en natuur, vroegtijdig en volwaardig mee te wegen in de besluitvorming. De resultaten van het onderzoek naar de milieueffecten worden beschreven in een rapport: het planMER. Het instrument m.e.r. heeft bijgedragen aan de visievorming en besluitvorming over het NPLG.

Wat wordt er in het MER getoetst? In het planMER zijn elf geselecteerde structurerende keuzes onderzocht op effecten. Deze elf structurerende keuzes van het NPLG vormen de kern van het voornemen. Het planMER onderzoekt de (milieu-)effecten van de structurerende keuzes, maar beoordeelt niet of de doelen van het NPLG hiermee worden gehaald. Omdat het halen van de doelen af zal hangen van de maatregelen die provincies zullen nemen in de gebiedsuitwerkingen. Voor de verschillende structurerende keuzes is ook gekeken naar variaties van deze keuzes. Dat kan gaan om variaties op inhoud en in sommige gevallen ook op de mate van sturing door het Rijk. Met de variaties is gekeken of effecten meer of minder sterk zullen optreden.

Samenvatting

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

5

Tabel 1: Overzicht van de structurerende keuzes

1: Overgangsgebieden Overgangsgebieden zijn gebieden grenzend aan Natura 2000-gebieden waarbinnen de activiteiten en het landgebruik zijn afgestemd op de instandhoudingsdoelen van het aangrenzende Natura 2000-gebied. Opgaven voor natuur, water en klimaat zijn hier in samenhang met de landbouw uitgewerkt zodat systeemherstel van het betreffende Natura 2000-gebied gerealiseerd wordt. Er is in het planMER gekeken naar variaties op inhoud en sturing. 2: Inpassing areaal agrarische natuur/nieuwe natuur Nieuwe natuur en agrarische natuur wordt gepland op locaties die op fysisch-geografische, hydrologische en ecologische aspecten optimaal geschikt zijn voor het realiseren van het betreffende natuurdoeltype. Daarbij wordt rekening gehouden met: • De ruimtelijke natuur- en agrarische natuuropgave na 2030; • Het beperken van randzones, en; • De mogelijkheden om ook bij te dragen aan aanpalende beleidsdoelen (bijvoorbeeld extensivering ten bate van natuur- en stikstofdoelen in overgangsgebieden). Er is in het planMER gekeken naar variaties op inhoud en sturing. 3: Invulling 10% groenblauwe dooradering Groenblauwe-dooradering sluit optimaal aan op de bestaande fysische, geografische, hydrologische en ecologische omstandigheden van het gebied.

Daarnaast voorziet het waar mogelijk in verbindingen tussen punt-, lijn- en vlakelementen, om een ecologische en landschappelijke basiskwaliteit in het landelijk gebied te creëren, verbindingen tussen bestaande natuurgebieden van het Natuur Netwerk Nederland, en verbindingen met het groenblauwe netwerk in stedelijk gebied. Er is hierbij in het planMER gekeken naar variaties op inhoud. 4: Ruimte voor vasthouden, bergen, afvoeren We creëren ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in onze ruimtelijke inrichting, landgebruik en landbeheer. Hiermee vergroten we de veerkracht van zowel het hoofdwatersysteem als regionale watersystemen. Er is hierbij in het planMER gekeken naar variaties op inhoud. 5: Peilopzet veenweide In laagveengebieden werken we toe naar vernatting van veenweidegebieden om CO₂ emissie en bodemdaling te beperken. We bewegen naar een grondwaterstand van 20 cm tot 40 cm onder maaiveld toe, afhankelijk van de bodemcompositie, omstandigheden van het watersysteem en de behoeften van het gebied. Het gaat hier om een grondwaterstand van 20 cm tot 40 cm onder maaiveld dat jaarrond moet worden gehandhaafd. Er is hierbij in het planMER gekeken naar variaties op inhoud.

6: Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden We vragen alle watergebruikers rekening te houden met en zelf maatregelen te nemen om beter bestand te zijn tegen periodes van extreme droogte, watertekorten en verzilting. Er is hierbij in het planMER gekeken naar variaties op inhoud. 7: Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden Op hoge zandgronden houden we water langer vast en voeren het minder snel af. We herstellen daarmee de sponswerking van de bodem en bereiken een robuust grondwatersysteem. Er is hierbij in het planMER gekeken naar variaties op inhoud. 8: Verhogen grondwaterpeilen op hoge zandgronden We verhogen de grondwaterpeilen met mogelijk 10 cm tot 50 cm. Daardoor wordt op de hoge zandgronden verdroging bestreden. Er is in het planMER gekeken naar variaties op inhoud en sturing. 9: Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden Voor waterkwaliteit worden ruime bufferstroken in beekdalen op zandgronden gerealiseerd, tevens bijdragend aan infiltratie grondwater. In de gebiedsprocessen zetten we in op grootschalig herstel van beekdalen op zandgronden voor het verbeteren van de waterkwaliteit. Het uitgangspunt hierbij is de ontwikkeling van bufferstroken van 100 tot 250 meter aan beide zijden van de beek. Gevarieerd wordt op inhoud en sturing.

10: Beperken grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden op hoge zandgronden Op hoge zandgronden beperken we de grondwateronttrekkingen rond Natura 2000-gebieden. Daarmee voorkomen we verdroging van deze gebieden. Er is in het planMER gekeken naar variaties op inhoud en sturing. 11: Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond Bij het vormgeven van gebiedsprogramma’s wordt bij beoogde functieverandering van agrarische grond een zorgvuldige afweging gemaakt. Eventuele functiewijzigingen van landbouwgrond worden gemotiveerd aan de hand van het afwegingskader. Toepassing van het kader vergt een indeling op provinciaal niveau van de drie gebiedstypen die het afwegingskader hanteert. Er is in het planMER gekeken naar variaties op inhoud en sturing.

6

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Samenvatting

Hoe wordt er in het MER getoetst? Bij het beoordelen van de keuzes is gebruik gemaakt van het Rad van de Leefomgeving.

Figuur 1: Rad van de Leefomgeving

De beoordeling in het planMER is met name gericht op het bovenste deel van het Rad, de effecten op de fysieke leefomgeving. Wel is er voor gekozen om ook effecten op landbouw, als onderdeel van de economische omgeving apart te beschrijven. De thema’s in het rad hebben een directe relatie met de doelen van het NPLG. Aan elk thema zijn verschillende indicatoren verbonden.

Samenvatting

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

7

Wat zijn indicatoren? De indicatoren worden gezien als een goede weerspiegeling van de factoren waarop het NPLG effecten zal hebben in het landelijk gebied. Er wordt per indicator naar de huidige situatie en de fysieke trends en ontwikkeling van de afgelopen decennia gekeken en deze worden vervolgens, waar mogelijk, doorgetrokken naar de toekomst.

Hoofdthema Economische omgeving Er is gekozen om bij het hoofdthema ‘Economische omgeving’ alleen het thema Landbouw mee te nemen in de effectbeoordeling van de structurerende keuzes en de variaties. Voor de indicator Oppervlakte landelijk gebied is alleen inzicht gegeven in huidige situatie en trend en is niet gekeken naar de effecten. Dit omdat het uitgangspunt is dat de transitie van functies altijd binnen het huidige/ toekomstige oppervlakte van het landelijk gebied plaatsvindt. De indicatoren Oppervlakte natuur en Agrarisch natuurbeheer worden behandeld onder het thema Natuur. Het ‘aantal agrariërs’ wordt wel beschreven bij de huidige situatie en trend maar is niet beoordeeld.

Wat zijn de verwachte milieueffecten van het NPLG? In dit planMER voor het NPLG zijn de huidige situatie en trends beschreven en is een inschatting gemaakt van de effecten die verwacht worden bij het uitwerken van de structurerende keuzes. Omdat het nog niet duidelijk is welke gebiedsgerichte maatregelen provincies zullen nemen is de effectbeoordeling op een hoog abstractieniveau. Er is gewerkt met een driepuntsschaal: kans op een positief effect, geen duidelijk effect (neutraal) of een kans op een negatief effect.

Figuur 2: Toelichting huidige situatie en trends

Tabel 2: Toelichting beoordelingstabel

Waardering

Toelichting

↑ groene pijl omhoog

Kans op positief effect

• donkerblauwe stip

Geen of nagenoeg geen gevolgen

↓ rode pijl omlaag

Kans op negatief effect

n.t.b.

8

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Niet te beoordelen

Samenvatting

Afkortingen in de tabellen • • • •

WU = Weinig toekomstige uitdagingen 1 voor de landbouw ZU = Zware toekomstige uitdagingen voor de landbouw KT = Korte termijn LT = Lange termijn

Landbouw Op dit moment is bijna twee miljoen hectare van Nederland in gebruik als landbouwgrond. De trend is dat het oppervlakte aan landbouwgrond langzaam afneemt. Het gemiddeld nominaal inkomen per agrariër nam de afgelopen jaren juist toe. Alle structurerende keuzes gaan afhankelijk van extensivering of functiewijziging min of meer ten koste van het areaal landbouw. Er is kans op een negatief effect op de oppervlakte landbouwgrond en op het verdienvermogen van agrariërs door ruimteclaims voor andere functies (natuur, groenblauwe dooradering) of door een verandering in het gebruik van de landbouwgronden (natuurinclusieve landbouw, vernatten van veenweidegebieden etc.). De structurerende keuze Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond (keuze 11) heeft voor gebieden met weinig uitdagingen voor de landbouw geen duidelijk effect op het oppervlakte en het verdienvermogen wat ook beoogd wordt met deze structurerende keuze. Tabel 3: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Landbouw

Milieukwaliteit en gezondheid Onder de milieugezondheidsrisico’s worden de onderwerpen gezondheid voor omwonenden, dierziekten en zoönosen, geur en fijnstof geschaard. De huidige situatie in Nederland laat verschillende knelpunten zien. Er wordt wel gewerkt aan verbetering maar duidelijk resultaten blijven vooralsnog uit. De structurerende keuzes die direct samenhangen met herinrichting van gebieden geven een kans op een positief effect. Andere keuzes hebben geen direct effect op milieugezondheidsrisico’s.

1

Het begrip ‘uitdagingen’ betekent in deze context ‘belemmeringen voor een optimale landbouw’ als gevolg van gebiedskenmerken.

Samenvatting

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

9

Tabel 4: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Milieukwaliteit & gezondheid

Klimaat Klimaatdoelstellingen voor emissies van broeikasgassen (CH4, N2O en CO2) worden in de huidige situatie niet gehaald. De verwachting is dat dit zonder het NPLG ook in 2030 het geval zal zijn. De meeste structurerende keuzes hebben een kans op een positief effect waardoor ze bijdragen aan het halen van de klimaatdoelen. Bij Overgangsgebieden (keuze 1) is er echter een kans op een negatief effect. Door onderlinge verbinding van ecosystemen in het landschap en het stimuleren van biodiversiteit door aangepast beheer geldt hier een risico op toename N2O-emissies door opbouw bodemorganisch materiaal. Alle structurerende keuzes hebben een kans op een positief effect bij vastleggen koolstof. Door extensivering van grondbewerking (zoals uitstel maaibeheer en stoppelvelden) wordt de afbraak van bodemorganische stof gereduceerd. Tabel 5: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Klimaat

10

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Samenvatting

Natuur De huidige situatie is voor indicatoren die onder het thema natuur vallen momenteel slecht of redelijk. Voor sommige indicatoren is als gevolg van bestaand beleid een positieve trend zichtbaar. Maar bij biodiversiteit en de hydraulische condities Natura 2000-gebieden is dat nog niet zo. Een belangrijk deel van de indicatoren laat door toepassing van de structurerende keuzes een kans op een positief effect zien. Dat is ook logisch aangezien natuur onderdeel uitmaakt van de doelen van het NPLG. Alleen bij de structurerende keuze Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden (keuze 6) bestaat een kans op een negatief effect omdat het abiotisch systeem verstoord kan worden. Bij keuze 11 (in geval van landbouwgronden met weinig uitdagingen) zal de landbouwtransitie in bepaalde gebieden niet of nauwelijks vorm krijgen. Enige verdere uitholling van de abiotische factoren voor natuur is dan te verwachten, wat een kans op een negatief effect geeft. Tabel 6: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Natuur

Water In Nederland is de huidige staat van oppervlaktewater redelijk. Voor zowel de ecologische kwaliteit als de chemische kwaliteit is er onder het huidige beleid een positieve trend te verwachten. De meeste structurerende keuzes versterken deze trend. Mogelijke regionale verzilting (keuze 6) kent afhankelijk van de chloridenormen/ nutriëntennormen die men is overeengekomen zowel positieve als negatieve effecten. Ook voor de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater laten de keuzes die toegepast worden op hoge zandgronden, met name Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden (keuze 7) en Verhogen grondwaterpeilen op hoge

Samenvatting

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

11

zandgronden (keuze 8), een iets genuanceerder beeld zien. Hier kan sprake zijn van een tijdelijke verbetering dan wel verslechtering. Deze keuzes zorgen er namelijk voor dat waterlopen stromend blijven maar ze kunnen ook leiden tot (tijdelijke) uitspoeling van fosfaat uit landbouwgebieden. Op langere termijn is echter geen blijvend effect te verwachten. Voor de chemische kwaliteit van oppervlaktewater is er in het geval van structurerende 7 en 8 door uitspoeling van verontreinigde stoffen sprake van een kans op een negatief effect. Tabel 7: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Water

Bodem De kwalitatieve en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen in Nederland is redelijk. In de toekomst is hierin echter geen verbetering te verwachten. De meeste structurerende keuze zorgen niet voor een verbetering in de kwaliteit maar wel voor een verbetering in de kwantiteit van grondwater. Alleen bij inpassing van nieuwe arealen natuur of natuurinclusieve landbouw met oog voor kenmerken van het gebied is er voor de kwaliteit kans op een positief effect omdat er een daling in het gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen wordt verwacht. Een verbetering van de kwantitatieve toestand wordt met name bereikt door de structurerende keuzes die specifiek toegepast worden op hoge zandgronden (keuze 7, 8, 9 en 10) en door toepassing van Overgangsgebieden en Peilopzet veenweide. Met bodemdaling in het landelijk gebied is het slecht gesteld. Ook de trend is negatief. Alleen in het geval van de structurerende keuzes Overgangsgebieden, Inpassing areaal agrarische natuur/nieuwe natuur en Peilopzet veenweide wordt de kans op negatieve trend minder.

12

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Samenvatting

Tabel 8: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Bodem

Landschap en ruimtelijke kwaliteit De bebouwing in het landelijk gebied neemt gestaag toe. Op grond hiervan wordt gesteld dat er een negatieve trend is op het gebied van belevingswaarde van het landschap. De meeste van de structurerende keuzes beïnvloeden deze trend niet of nauwelijks. Alleen Invulling 10% groenblauwe dooradering (keuze 3) zorgt voor kans op een positief effect. Voor herkomstwaarde is eveneens een negatieve trend te zien. Het aantal structuurdragers (landschapselementen zoals waterlopen, verkavelingspatronen, bomenrijen, landschapselementen, bewoningspatronen en wegen in het landelijk gebied) in het landelijk gebied neemt langzaam af. De structurerende keuzes Invulling 10% groenblauwe dooradering (keuze 3) en Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden (keuze 9) zorgen er voor dat deze trend minder negatieve wordt. Het overgrote deel van de structurerende keuzes zorgt voor meer kansen voor de gebruikswaarde van gronden. Dit is ook bij toekomstwaarde het geval. Uitzondering hierop is de structurerende keuze Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond (keuze 11). Bij deze keuze is er een kans aanwezig dat meervoudig ruimtegebruik voor agrarische gronden wordt ontmoedigd. Ook het wijzigen van de huidige functie waardoor de aanpasbaarheid kan worden vergroot wordt met deze keuze niet gestimuleerd.

Samenvatting

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

13

Tabel 9: Beoordelingstabel van het NPLG voor het thema Landschap & ruimtelijke kwaliteit

Variaties op inhoud Voor de meeste structurerende keuzes zijn naar meerdere variaties gekeken. De variaties kunnen gezien worden als een gevoeligheidsanalyse: wat gebeurt er als we een structurerende keuze op bepaalde punten meer aanscherpen of juist wat afzwakken? De variaties laten in sommige gevallen een verbetering van de beschreven effecten zien. Omdat gefocust wordt op bepaalde thema's (cultuurhistorie) of bepaalde doelen (bijvoorbeeld op de klimaatdoelen of op natuurdoelstellingen) of doordat specifieke indicatoren sturend worden gemaakt, zal er vooral voor de indicatoren die daarmee samenhangen een positiever effect kunnen optreden. Variaties waarbij natuur de primair sturende functie is (Overgangsgebieden en Invulling 10% groenblauwe dooradering) of waarbij inpassing optimaal bijdraagt aan het realiseren van het betreffende natuurdoeltype (Inpassing areaal agrarische natuur/nieuwe natuur) zullen voor de thema’s Milieugezondheidsrisico’s, Klimaat, Natuur, Water en Bodem de effecten positiever kunnen zijn dan voor het voornemen. Voor variaties waarbij landbouw primair de sturende functie is (Overgangsgebieden) of waar de invulling het meest optimaal is voor de agrarische functie (Inpassing areaal agrarische natuur/nieuwe natuur) zullen de effecten op de thema’s Milieugezondheidsrisico’s, Natuur, Klimaat, Water en Bodem minder positief zijn dan op het voornemen.

Voor variaties waarbij sprake is van multifunctioneel ruimtegebruik (Overgangsgebieden) scoren op de thema's Klimaat, Water en Bodem minder goed dan in het geval van het voornemen. Voor de indicator Gebruikswaarde scoort deze variatie positief, dit is immers het doel voor deze variatie. In algemene zin zal in het geval van variaties in de tijd (Peilopzet veenweide) of in de grootte van het gebied (Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden en Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren) waarin de betreffende structurerende keuze wordt toegepast de effectiviteit van de betreffende structurerende keuze worden beïnvloed. Dit kan negatief of positief uitpakken, afhankelijk van variatie waar het om gaat.

14

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Samenvatting

Het onderscheiden van groene-groene en groen-rode functiecombinaties bij zorgvuldig omgaan met landbouwareaal zal doorgaans geen grote wijziging van effecten ten opzichte van de structurerende keuze tot gevolg hebben. De verwachting is dat er in lijn met het afwegingskader zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond wordt gehandeld. Groen-groen functiecombinaties zullen vooral plaats vinden in gebieden met veel tot matige uitdagingen voor de landbouw en groen-rode functiecombinatie vooral in gebieden met weinig uitdagingen voor de landbouw.

Variaties op sturing Er is gekeken of de mate van sturing door het Rijk bij kan dragen aan het bereiken van de doelen. De redenering hierachter is dat concrete en precieze sturing op structurerende keuzes vanuit het Rijk leidt tot meer zekerheid over de ruimtelijke inrichting die gebiedsprogramma’s hanteren om tot maatregelen te komen die leiden tot doelbereik. In algemene zin wordt geconstateerd dat een sterker sturende variatie kan leiden tot het sneller, efficiënter of in hogere mate halen van de doelstellingen. Dit gaat tegelijkertijd wel ten koste van het gebiedsgerichte maatwerk dat centraal staat in de NPLG-aanpak.

Grensoverschrijdende effecten In het planMER zijn de mogelijke effecten van de structurerende keuzes in beeld gebracht. Effecten houden niet op bij onze grenzen. Afhankelijk van de toepassing van de structurerende keuze (waar, hoe en in welke mate) kunnen effecten grensoverschrijdend zijn. In het algemeen kan gesteld worden dat er vanuit de structurerende keuzes enige kansen liggen voor positieve effecten die voornamelijk in de grensstreek soms tot (lokaal) positieve grensoverschrijdende effecten kunnen leiden. De mate waarin dit het geval zal zijn is op dit moment niet aan te geven. Daar waar (tijdelijke) negatieve effecten zijn te verwachten, bijvoorbeeld het effect van Water vasthouden en minder snel afvoeren op hoge zandgronden op chemische waterkwaliteit door uitspoeling van verontreinigde stoffen uit landbouwgebieden, zullen internationale afspraken gemaakt moeten worden.

Beschouwing op de effectbeoordeling Hierna wordt een beschouwing gegeven op de resultaten van de effectbeoordeling. Naast algemene bevindingen wordt kort ingegaan op zichtjaren, samenhang tussen opgaven, bij structurerende keuzes en ten aanzien van gebieden. Daarnaast wordt kort ingegaan op het sociaaleconomische aspect.

Algemeen Omdat het NPLG is gericht op het verbeteren van onder andere natuur, water en klimaat is het logisch om te zien dat de scores voor de milieu-indicatoren in de tabellen over het algemeen een kans op een positief effect geven. Ook is het begrijpelijk dat vrijwel alle structurerende keuzes behalve Zorgvuldig omgaan met areaal landbouwgrond (keuze 11) een kans op een negatief effect hebben op het areaal landbouwgrond en daarmee op het verdienvermogen van agrariërs. Er zijn verschillende regelingen voor agrarische ondernemers die keuzes bevatten voor innoveren, extensiveren, verplaatsen en stoppen. De effecten daarvan zijn niet in deze beoordeling meegenomen.

Zichtjaren Om de effecten van alternatieven in een milieueffectrapport te beoordelen wordt normaliter getoetst aan een specifiek referentiejaar. De structurerende keuzes die in dit planMER beoordeeld zijn op effecten geven richting aan het nemen van gebiedsgerichte maatregelen door provincies. Hoe die maatregelen uitpakken voor het halen van doelen zal in de provinciale programma’s beoordeeld moeten worden. Gebiedsuitwerkingen kosten tijd, realisatie van herinrichting kost tijd, effect van aangepast beheer of grondgebruik in kwaliteit van water, bodem, natuur kost ook tijd. Hoe snel die processen in de praktijk doorlopen worden of kunnen worden is op voorhand lastig te bepalen. Doordat het nog niet bekend is welke gebiedsgerichte maatregelen genomen gaan worden, kan het planMER nog geen goed inzicht geven in de korte termijn effecten van de structurerende keuzes. De effectbeoordelingen zijn daarom vooral beoordelingen voor de middellange en lange termijn.

Samenhang opgaven, structurerende keuzes en gebieden Uitgangspunt voor het ontwerp-NPLG is dat doelstellingen in samenhang worden bezien en bijdragen aan het noodzakelijk natuurherstel en -behoud evenals de klimaat- en waterverplichtingen. Dat structurerende keuzes kunnen samengaan is logisch en ligt zelfs voor de hand. Overgangsgebieden, Inpassing areaal agrarische natuur/ nieuwe natuur, Invulling 10% groenblauw dooradering, Grootschalig beekdalherstel op hoge zandgronden en Ruimte voor vasthouden, bergen en afvoeren kunnen dicht bij elkaar worden gesitueerd waardoor een versterkend effect kan optreden. Zo kunnen bijvoorbeeld een overgangsgebied, een strook GBDA en een areaal nieuwe natuur in elkaars nabijheid meer dan gemiddeld bijdragen aan connectiviteit natuurgebieden of aan biodiversiteit en daarmee aan het doel natuur (en mogelijk het doel integraal groenblauwe dooradering). Ook is het mogelijk dat structurerende keuzes elkaar overlappen. Of en waar die mogelijke overlapping kan optreden hangt af van de regionale keuzes die worden gemaakt. Provincies kunnen bij hun uitwerking daarin, binnen onder

Samenvatting

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

15

andere de ruimtelijke mogelijkheden zoeken naar optimalisatie. Het feit dat vanuit verschillende structurerende keuzes maatregelen in een gebied worden genomen wil echter niet automatisch zeggen dat er ook sprake is van synergie. Als bij het realiseren van nieuwe natuur overlappend ook invulling wordt gegeven aan GBDA, betekent dit waarschijnlijk dat minder areaal natuur gecreëerd wordt dan wanneer beide structurerende keuzes zonder overlap worden ingevuld. De structurerende keuzes kunnen verdeeld over Nederland worden toegepast. Een aantal structurerende keuzes zijn verbonden met specifieke gebieden zoals bij Peilopzet veenweidegebieden, bij Beekdalherstel op hoge zandgronden of bij Waterbeschikbaarheid verzilte gebieden in de kustregio’s. Daarnaast is het logisch om te veronderstellen dat voor zand, veen en klei voor de hand liggende combinaties zullen worden gevormd. Veelal zal ruimte die nodig is voor het vormgeven van de structurerende keuze landbouwgrond betreffen. Dan wel in de vorm van functiewijziging of in de vorm van extensivering van landbouw. De ruimtelijke uitwerking van de structurerende keuzes beperkt zich echter niet enkel tot landbouwgronden. Het kan bijvoorbeeld bij GBDA ook gaan om wegbermen of watergangen van waterschappen.

Figuur 3: Grondsoortenkaart

Hoewel veel van de structurerende keuzes leiden tot een mate van extensivering of daling van het totaal areaal landbouwgrond, telt deze afname niet één op één op. De inzet van deze landbouwgrond kan meerdere keuzes dienen. Daarmee is het areaal waar maatregelen betrekking op zullen hebben mogelijk minder dan valt af te leiden uit de optelling van de individuele NPLG doelen. Hoeveel zal moeten blijken uit de regionale programma’s en kan leiden tot een bijstelling van het NPLG. Goed zal daarbij door provincies gekeken moeten worden wat eventuele overlap van maatregelen (gekoppeld aan verschillende structurerende keuzes) betekent voor het halen van doelen die met de individuele structurerende keuzes beoogd worden.

Figuur 4: Voorbeelden van ecosysteemdiensten in Nederland

Structurerende keuze 11 leidt er toe dat areaal met ‘weinig toekomstige uitdagingen’ zoveel mogelijk gericht blijft op landbouw en daarmee voor een belangrijke deel buiten invloedssfeer van de maatregelen blijft. In relatie tot de landbouw is daarom ook relevant dat in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt aangegeven dat er nog een aantal op de landbouw gerichte programma’s bestaan. Deze programma’s (en de maatregelen die daaruit voortvloeien) gezamenlijk dragen bij aan de verbetering van landbouwgebieden (bodems) in Nederland.

16

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Samenvatting

Sociaaleconomisch De structurerende keuzes in het NPLG richten zich vooral op het realiseren en halen van de doelen rond natuur, water, klimaat en GBDA. Ondanks dat daarmee in algemene zin verbetering van het landelijk gebied wordt bewerkstelligd zijn de structurerende keuzes niet direct gericht op vitalisering van het landelijk gebied in sociaaleconomische zin. In het planMER is aangegeven dat sociaaleconomische effecten aan bod zullen komen in de provinciale uitwerking van het NPLG omdat in die uitwerkingen maatregelen worden benoemd voor regio’s waarmee de sociaaleconomische consequenties beter in beeld kunnen worden gebracht. Op hoofdlijnen is in dit planMER ingegaan op de effecten die de structurerende keuzes zullen hebben op het areaal landbouwgrond en op het verdienvermogen van agrariërs. Het is lastig om daar een beoordeling aan te geven. Als gekeken wordt naar de effecten van de structurerende keuzes sec, dan kan geoordeeld worden dat landbouwgrond in een bepaalde mate zal afnemen of dat daar alleen nog extensieve landbouw mogelijk is. In principe zal dit dan leiden tot een sterkere afname van het verdienvermogen en hoogstwaarschijnlijk ook van het aantal agrariërs dan autonoom het geval zou zijn. In de basis is er dan sprake van het risico op negatieve sociaaleconomische effecten.

Hierbij moet wel betrokken worden dat bij deze transitie door de overheid in overleg met de sector gekeken wordt naar mogelijkheden van alternatieve inkomstenbronnen, zoals natuurbeheer en recreatie. Daarnaast bestaan er inmiddels een aantal stimuleringsregelingen om de transitie vorm te geven die negatieve sociaaleconomische effecten moeten tegengaan. Hoewel voor individuele agrariërs sprake kan zijn van negatieve sociale en (bedrijfs)economische effecten, kan het NPLG voor Nederland als geheel een kans op positieve sociaaleconomische effecten geven doordat het realiseren van de doelen bijdraagt aan welvaart en welzijn in Nederland, bijvoorbeeld via gezonde ecosysteemdiensten.

Monitoring en Evaluatie Na vaststelling van een m.e.r.-plichtig plan moet het betreffende bevoegd gezag de daadwerkelijke milieugevolgen van de uitvoering van de voorgenomen activiteit onderzoeken. In het planMER worden al een aantal suggesties gedaan voor het uiteindelijk monitoringsprogramma. Het gaat daarbij onder andere om: • Het monitoren van de natuur- en milieukwaliteit. • Het monitoren van het halen van de internationale afspraken ten aanzien van waterkwaliteit, klimaat en natuur, zoals: Het monitoren van de instandhoudingsdoelstellingen in N2000-gebieden; Het monitoren van het halen van de doelstellingen uit de KRW. • Het monitoren van de mate van implementatie van de maatregelen op provinciaal niveau met daarbij aandacht voor, bijvoorbeeld: Veranderingen in hectares voor landbouw, natuur of natuurinclusieve landbouw; Veranderingen in bedrijf- en dierdichtheden en/of veranderingen in vee-eenheden; Veranderingen ten aanzien van de mate van biodiversiteit.

Hoe verder na publicatie MER en ontwerp-NPLG? Het ontwerp-NPLG wordt, samen met het planMER, ter inzage gelegd. Iedereen heeft gedurende zes weken de gelegenheid om een zienswijze in te dienen op het ontwerp-NPLG en het planMER. Gedurende deze periode worden bijeenkomsten georganiseerd voor maatschappelijke organisaties en medeoverheden om ze te informeren over de inhoud van de documenten die ter inzage liggen en over het proces van zienswijzen. De zienswijze periode loopt van 12 december tot en met 22 januari. De ingediende zienswijzen zullen beoordeeld en beantwoord worden en kunnen mogelijk leiden tot aanpassingen in het definitieve NPLG. In de Nota van Antwoord die opgesteld wordt is terug te lezen hoe de zienswijzen zijn meegenomen. Samen met maatschappelijke organisaties wordt er een participatieplan opgesteld voor het vervolg van het NPLG.

Samenvatting

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

17

PlanMER

1 Inleiding 1.1 Het Nationaal Programma Landelijk Gebied Door klimaatverandering is er toenemende druk op de vitaliteit van het platteland en de kwaliteit van de leefomgeving en het milieu in het landelijk gebied. Daarnaast spelen in het landelijk gebied de negatieve effecten van stikstofdepositie, uitstoot van broeikasgassen, watertekorten én perioden van wateroverlast, biodiversiteitsverlies, bodemdaling, tekortschietende waterkwaliteit, verzilting en gezondheidsrisico’s een rol. Dit zorgt ervoor dat er nu en in de toekomst zonder ingrijpende maatregelen aan verschillende internationaal verplichte doelstellingen, zoals onder andere vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn, de Kaderrichtlijn Water en de klimaatdoelstellingen, niet wordt voldaan. Het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) moet zorgen voor een samenhangende, gebiedsgerichte en toekomstbestendige benadering om deze problemen in het landelijk gebied aan te pakken. De aanpak is samenhangend omdat het NPLG stuurt op de ruimtelijke uitwerking en maatregelen in gebiedsprogramma’s waarmee doelen voor de transitie van het landelijk gebied zoveel mogelijk in samenhang worden bereikt. De aanpak is gebiedsgericht, omdat het Rijk samenwerkt met provincies aan maatregelpakketten en maatregelen aangepast aan de fysieke en ecologische, sociaaleconomische en cultuurhistorische kenmerken van deelgebieden.

De aanpak is toekomstbestendig door in de komende jaren de ingrepen in de inrichting, het beheer en het gebruik van het landelijk gebied te zorgen voor een gezonde en leefbare fysieke leefomgeving voor de volgende generaties. Het NPLG is een uitvoeringsprogramma onder de Omgevingswet waarmee het Rijk uitvoering geeft aan de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) voor transitie in het landelijk gebied. Het NPLG wordt door het kabinet vastgesteld. Onder het NPLG valt ook de gebiedsgerichte uitwerking van het programma door provincies. Dit is een interbestuurlijk proces en vereist samenwerking tussen gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk. Daarnaast is het NPLG zelfbindend, wat betekent dat het Rijk bij zijn besluiten rekening moet houden met het NPLG. In het NPLG zijn internationale en nationale doelen voor natuur en stikstof, water en bodem en klimaat bijeengebracht en waar nodig is een regionale verdeling van de opgave bepaald. Het NPLG legt een aantal structurerende keuzes vast waarmee het Rijk richting geeft aan de ruimtelijke invulling van de opgaven. Provincies geven aan de doelen en structurerende keuzes een gebiedsgerichte uitwerking in een provinciaal gebiedsprogramma. Met deze provinciale gebiedsprogramma’s wordt het toekomstperspectief voor de landbouw uitgewerkt.

Ze vormen de basis voor de programmering van maatregelen die tezamen met maatregelen van het Rijk de NPLG-doelen bereiken. De gebiedsprogramma’s bieden de kaders voor gebiedsprocessen waarin overheden, ondernemers, maatschappelijke organisaties en burgers per gebied een aanpak uitwerken om de opgaven voor natuur (waaronder stikstof), water en klimaat in samenhang te realiseren. In het NPLG en daarmee in dit planMER staan de structurerende keuzes van het Rijk centraal. Die keuzes beogen een bijdrage te leveren aan doelbereik. Maar het is goed om te beseffen het behalen van deze doelen een variëteit aan aanvullend beleid, instrumenten en maatregelen vergt. Zo worden regelingen voor agrarische ondernemers beschikbaar gesteld om zo een bijdrage te leven aan het NPLG-doelbereik. Deze regelingen bevatten keuzes voor innoveren, extensiveren, verplaatsen en stoppen. Voorbeelden hiervan zijn de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderij (LVB en LVB+), de Maatregel Gerichte Aankoop (MGA) en de subsidieregeling brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen. Verder zal een breed spectrum aan wet- en regelgeving worden ingezet om de transitie mede vorm te geven. Daarnaast wordt beleid voor de transitie van de landbouw doorontwikkeld en wordt er breed nagedacht over de verdere inzet van normeren, beprijzen en belonen.

Met de structurerende keuzes wordt in dit NPLG en bijbehorend planMER beoogd om de inhoud van de provinciale gebiedsprogramma’s een zet in een goede richting te geven. Ze zijn geenszins het instrument voor doelbereik van de NPLG-doelen.

18

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Inleiding

PlanMER

Het NPLG komt voort uit de NOVI en is opgenomen in het coalitieakkoord. Voor de afbakening van het landelijk gebied is aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving van het begrip stedelijk gebied 1 in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het landelijk gebied is daarom de oppervlakte van Nederland, exclusief het stedelijk gebied en de grote wateren. Binnendijkse gebieden en overgangsgebieden langs grote wateren behoren wel tot de reikwijdte van het NPLG. In het NPLG worden keuzes gemaakt en doelen vastgelegd en toegelicht. Naast het NPLG is er een handreiking voor de gebiedsprogramma's opgesteld. Deze handreiking heeft tot doel provincies te helpen om deze doelen en keuzes in samenhang uit te werken.

1.1.1 De besluiten in het NPLG Het NPLG vormt een kader voor de provinciale gebiedsprogramma’s en wordt begeleid door een handreiking voor de provincies. Het NPLG besluit over twee zaken, te weten: 1. De (regionale verdeling van de) doelen voor het NPLG. Voor klimaat en stikstof wordt gewerkt met een verdeling van de reductieopgaven over de provincies. Voor bijvoorbeeld het Natuurnetwerk Nederland wordt de hectare/opgave op provinciaal niveau ruimtelijk verdeeld. Andere doelen leiden niet tot provinciale verdelingsvragen, maar bevatten kwaliteitsopgaven die voor heel Nederland gerealiseerd moeten worden, bijvoorbeeld op het gebied van de waterkwaliteit, die per waterlichaam worden verdeeld. 2. De structurerende keuzes. Deze bevatten ordenende principes, die richting geven aan hoe, in ruimtelijke zin, naar de doelen wordt toegewerkt. Daarbij is veel ruimte voor maatwerk in de gebieden. Hiermee beschrijft het NPLG de kaders en de bandbreedte waarbinnen provincies zelf kunnen uitwerken wat waar wel en niet kan. Het NPLG als nationaal programma bevat geen concrete gebiedsgerichte maatregelen. Deze worden onderdeel van de gebiedsprogramma's. Het NPLG biedt de kaders voor de uitwerking van deze gebiedsprogramma's. Het NPLG zelf bindt alleen het Rijk. Provincies zijn als gebiedsregisseur binnen het NPLG eindverantwoordelijk voor het opstellen van gebiedsprogramma’s.

De provinciale programma’s binden alleen de provincies en andere partijen die deze vaststellen. De doorwerking van het NPLG naar provincies en andere overheden verloopt langs de volgende lijnen: • De middelen uit het Transitiefonds: gebiedsprogramma’s worden beoordeeld aan de doelen en structurerende keuzes uit het NPLG en de daaruit vertaalde technische vereisten in de handreiking gebiedsprogramma’s. Met het vaststellen van een gebiedsprogramma committeren de provincies zichzelf aan het behalen van de doelen en structurerende keuzes. • Provincies hebben onder de Omgevingswet de plicht om de uitwerking van de landelijke omgevingswaarde en het Programma Stikstofreductie en Natuurverbetering gebiedsgericht uit te werken. Deze plicht maakt onderdeel uit van het gebiedsprogramma. • Hier bovenop geldt voor een aantal doelen dat al wettelijk is vastgelegd dat medeoverheden (mede-) verantwoordelijk zijn voor het behalen van een aantal doelen of dat dit direct uit hun wettelijke taak kan worden afgeleid. Voor een aantal andere doelen geldt dat provincies zich bestuurlijk hieraan hebben gecommitteerd. • Voor een aantal structurerende keuzes wordt daarnaast onderzocht of juridische verankering van de keuze wenselijk is, met het oog op het onontkoombaar realiseren van de doelen.

De doelstellingen van het NPLG en de tijdhorizon (2050) reiken verder dan het werkveld en de looptijd van het Transitiefonds. Voor realisatie van het NPLG zullen daarom ook andere financieringsbronnen – van Rijk én regio – worden aangewend. Dit omvat eerdere toegezegde én nog te beschikken rijksbijdragen zoals voor de structurele aanpak stikstof, de Natuurpact-afspraken, het Programma Natuur en het Klimaatakkoord.

1

Stedelijk gebied: op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen (Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I, Begripsbepalingen).

De besluiten in het NPLG

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

19

PlanMER

1.1.2 De opgaven van het NPLG Het NPLG moet ervoor zorgen dat Nederland toewerkt naar het behalen van haar internationale en nationale verplichtingen op het gebied van natuur, water en klimaat. Dit komt voort uit de noodzaak om te gaan met een veranderend klimaat. Voor een samenhangende aanpak worden de opgaven op het gebied van natuur, water en klimaat bijeengebracht in het NPLG, samen met een toekomstbestendige landbouw in het landelijk gebied. Het NPLG brengt daarmee een gebiedsgerichte aanpak voor de transitie van het landelijk gebied op gang. Uiteindelijk moeten de internationale doelstellingen voor natuur (waaronder stikstof), water en bodem en klimaat vertaald worden naar nationale en regionale doelen. Het NPLG biedt zo de kaders voor de provinciale gebiedsprogramma’s, waarin een gebiedsgerichte uitwerking van de NPLG-doelen en van de structurerende keuzes wordt opgesteld. Op basis hiervan kan ook het toekomstperspectief voor de landbouw uitgewerkt worden. Het NPLG draag bij aan een viertal opgaven: 1. Toekomstbestendig ontwikkelen van het landelijk gebied. Mede met het oog op het voldoen aan internationale verplichtingen op het gebied van natuur, klimaat en water moet de draagkracht van het water- en bodemsysteem leidend worden voor het landgebruik in het landelijk gebied. 2.

Zorgen dat er keuzes worden gemaakt over bovenregionale verdelings- en kwaliteitsvragen in het landelijk gebied, met oog op de lange termijn. Hiervoor vindt nadere invulling en duiding plaats van de drie NOVIafwegingsprincipes: a. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; b. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; c. Afwentelen wordt voorkomen. 3. Beschermen en bevorderen van een vitaal landelijk gebied, waar je prettig, gezond en veilig kunt wonen, werken, ondernemen en recreëren. Met een levend en aantrekkelijk landschap, waarin ruimte is voor vitale landbouw, veerkrachtige natuur en overige functies. Sociaaleconomische doelen goed borgen in de gebiedsprogramma’s. 4. Een lerende aanpak van interbestuurlijke samenwerking met samenhangende rijksinzet voor het landelijk gebied en gebiedsgericht werken voor het realiseren van deze genoemde opgaven. Niet alle opgaven zijn voor het planMER relevant. Opgaven 1 en 2 worden beïnvloed door de keuzes uit het NPLG, die in dit planMER op effecten beoordeeld worden. Opgave 3 heeft ook relatie met de Nota Ruimte die in 2024 wordt gepubliceerd. Opgave 4 heeft geen directe relatie met de inhoud maar kan in het kader van het planMER bij monitoring en evaluatie wel een rol spelen.

1.2 Het instrument milieueffectrapportage Verschil m.e.r. en MER De afkorting m.e.r. staat voor de procedure, terwijl met de afkorting MER het uiteindelijke milieueffectrapport, waar de onderzoeksresultaten in staan, wordt bedoeld.

Voor het NPLG is gekozen voor de benadering dat er sprake is van een m.e.r.-plichtig programma volgens een zogenaamde uitgebreide procedure, omdat het een programma betreft (generieke aanwijzing vanuit art. 16.34 Ow) dat mogelijk kaderstellend is voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (art. 16.36 Ow). Het instrument m.e.r. is bedoeld om het belang van de leefomgeving, mens en natuur, vroegtijdig en volwaardig mee te kunnen wegen bij belangrijke en strategische besluiten. Een m.e.r. is een procedure, waarbij een onderzoek naar de milieueffecten wordt uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek worden beschreven in een rapport: het planMER. Het planMER geeft inzicht in de effecten van de mogelijke oplossingen om de doelen van het beleid te halen. Op deze wijze kan het planMER bijdragen aan de leefomgeving in de plan- en besluitvorming.

20

| BI8226-MI-RP-231031-1427

De opgaven van het NPLG

PlanMER

1.2.1 M.e.r. en de Passende Beoordeling Onder de Omgevingswet geldt op grond van artikel 10.24 van Besluit kwaliteit leefomgeving juncto artikel 16.53c, eerste lid van de Omgevingswet de verplichting voor het bestuursorgaan dat een plan vaststelt als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, een passende beoordeling van de gevolgen voor Natura 2000-gebieden te maken. Het plan wordt alleen vastgesteld als uit de betreffende passende beoordeling blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet zal aantasten. Tot 31 december 2023 is deze verplichting opgenomen in artikel 2.7, eerste lid in samenhang met artikel 2.8, eerste lid van de Wet natuurbescherming. Voor het NPLG was aanvankelijk geoordeeld dat er geen aanleiding was tot het opstellen van een passende beoordeling omdat het NPLG tot doel heeft de natuur te verbeteren en bovendien het NPLG nog dermate abstract zou zijn dat het geen belangrijke invloed zou hebben op concrete beslissingen voor projecten. Bij het opstellen van het NPLG zijn bepaalde componenten uit het NPLG toch meer uitgewerkt en heeft het NPLG mogelijk directere gevolgen dan tevoren voorzien. Daarnaast is er op enkele onderdelen in het planMER een kans op een negatief effect op natuur geconstateerd.

Dat heeft ertoe geleid dat, om er zeker van te kunnen zijn dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten, alsnog een beoordeling van de ecologische effecten voor Natura 2000 in lijn met passende beoordelingen voor plannen zal worden opgesteld. Deze is nog niet gereed ten tijde van het afronden van het planMER.

1.2.2 M.e.r. en participatie Voor een m.e.r.-plichtig plan, programma of besluit is een aantal procedurele stappen (facultatief) voorgeschreven. In het geval het NPLG is ervoor gekozen dat men zowel op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) als op het planMER en ontwerpbesluit zienswijzen mag indienen. Daarnaast zijn ook de wettelijke adviseurs, betrokken bestuursorganen en de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) gevraagd om hun advies te geven. Hiermee krijgt eenieder de kans om input te leveren en zijn belangen uit te spreken, waardoor de maatschappij betrokken wordt bij de besluitvorming.

M.e.r. en de Passende Beoordeling

BI8226-MI-RP-231031-1427 |

21

PlanMER

1.3 Proces en procedure Het planMER is gekoppeld aan het ontwerp-NPLG waardoor beide totstandkomingsprocessen elkaar raken (zie Figuur 1‑1). Heter-proces heeft bijgedragen aan de visievorming en besluitvorming over het ontwerp-NPLG. Het planMER wordt samen met het ontwerp-NPLG ter inzage gelegd en aangeboden aan de Tweede Kamer.

Figuur 1‑1 Proces bij het opstellen van het planMER en het NPLG

Fase 1: Notitie Reikwijdte en detailniveau Tussen oktober 2022 en maart 2023 is de NRD voor het planMER van het NPLG opgesteld. Deze is halverwege maart 2023 door de ministerraad middels een kabinetsbesluit vrijgegeven. De NRD is tussen 16 maart 2023 en 26 april 2023 ter inzage gelegd. Hierop zijn meerdere zienswijzen binnengekomen. De Commissie m.e.r. heeft advies afgegeven op basis van de NRD. De Commissie m.e.r. is een onafhankelijke commissie die de overheid adviseert over de inhoud en kwaliteit van milieueffectrapporten (MER). Dit advies is meegenomen in de rest van het proces. Na participatie en tervisielegging is door de minister voor Natuur en Stikstof op 30 juni 2023, op basis van de NRD en de Nota van Antwoord, de uiteindelijke scope van het planMER vastgelegd.

Fase 2: PlanMER Op basis van de NRD, het advies van de Commissie m.e.r. en de Nota van Antwoord naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen is het planMER opgesteld. Het ontwerp-NPLG en het planMER worden gelijktijdig ter inzage gelegd.

Fase 3: Besluitvorming Het ontwerp-NPLG en het planMER zijn in het najaar van 2023 door de minister voor Natuur en Stikstof vastgesteld ten behoeve van de tervisielegging. Ook het ontwerp-NPLG is naar de Tweede Kamer verzonden. Deze documenten liggen samen ter visie van 11 december tot 22 januari. In dezelfde periode brengt de Commissie m.e.r. advies uit over het PlanMER. Na analyse van de zienswijzen op het ontwerp-NPLG en planMER en het advies van de Commissie m.e.r. over het planMER kunnen het definitieve NPLG en de Nota van Antwoord worden opgesteld. Deze worden besproken in de ministerraad en worden vastgesteld door de minister voor Natuur en Stikstof, in overeenstemming met de andere ministers. Daarna wordt het NPLG besproken in de Tweede Kamer.

22

| BI8226-MI-RP-231031-1427

Proces en procedure

PlanMER

1.4 Betrokken partijen Het besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld is het besluit over het ontwerp-NPLG. Het bevoegd gezag voor het besluit is de minister voor Natuur en Stikstof, in overeenstemming met de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) en de minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Besluitvorming op het NPLG vindt uiteindelijk plaats in de ministerraad. Initiatiefnemer is de Directeur-generaal Landelijk Gebied & Stikstof (DG LGS). Met alle betrokken overheidsinstanties vindt continue afstemming plaats over de voortgang van het NPLG en de provinciale gebiedsprogramma’s. Daarnaast wordt er feedback gevraagd van de overheidsinstanties op het ontwerp-NPLG. Naast de genoemde ministeries zijn ook de wettelijke adviseurs, betrokken bestuursorganen en de Commissie m.e.r. bij het opstellen van het NPLG en/of planMER betrokken geweest. Voor het besluit over het NPLG kan daarmee gelden: • Indien geen wezenlijke inhoudelijk wijziging is ten opzichte eerder vastgestelde kaders, dan kan de minister als bevoegd gezag besluiten. Ambtelijk wordt dat bepaald door de DG LGS als formele initiatiefnemer en wordt afstemming verzorgd in het opdrachtgeversoverleg (OGO met directeuren van LNV, IenW en BZK/VRO) en borgen opdrachtgevers in eigen organisatie ambtelijke en bestuurlijke goedkeuring.

• Indien er wezenlijke wijzigingen of beleidsontwikkelingen in het programma worden doorgevoerd brengt de minister het aangepaste programma in de raad voor de fysieke leefomgeving en de ministerraad. Voorafgaand aan besluitvorming over de startnotitie en het ontwikkeldocument en het ontwerp-NPLG is met de organisaties die zich verenigd hebben in het versnellingsakkoord (Natuurmonumenten, Natuur en Milieu, LTO Nederland, Bouwend Nederland, VNO-NCW, MKB Nederland en Cumela) inhoudelijk gesproken over de documenten. De feedback van deze gesprekken is (deels) mee genomen in definitieve besluitvorming. Na publicatie van de startnotitie en het ontwikkeldocument is beide keren een informerend Webinar voor maatschappelijke organisaties georganiseerd voor het Maatschappelijk platform landelijk gebied en stikstof. De vragen die hier gesteld werden en het gesprek dat gevoerd is met deze organisaties heeft bij gedragen aan de verdere beleidsontwikkeling van het ontwerp NPLG. Het ontwerp-NPLG zelf is besproken met agrarische partners (LTO, Agractie en Farmers Defence Force).

1.5 NPLG in relatie tot andere plannen en initiatieven 1.5.1 NPLG als start van iteratief proces Er wordt waarde aan gehecht om de vervolgstappen op het NPLG in nauwe samenwerking met provincies, waterschappen, gemeenten, sectoren en ondernemers en burgers in de gebieden in te zetten. Elk van deze partijen heeft daarbij zijn eigen verantwoordelijkheden, kennis en expertise. De provincies hebben als gebiedsautoriteit voor het landelijk gebied een belangrijke rol om in de gebiedsprocessen samen met de medeoverheden en gebiedspartners de maatregelen uit te werken om de NPLG-doelen te realiseren. Daarom wordt het NPLG als uitvoeringsprogramma ontwikkeld door het Rijk, samen met provincies, waterschappen en gemeenten. Sector- en ketenpartijen, financiële partijen, ondernemers en burgers zijn nadrukkelijk onderdeel van de transitie van het landelijk gebied. Betrokken gebiedspartijen moeten gelijkwaardig aan tafel kunnen zitten. Het Rijk en de provincies hebben als verantwoordelijkheid om te zorgen voor de juiste ondersteuning. De opgaven uit het NPLG vormen een integraal onderdeel van de ‘ruimtelijke puzzel’ die landelijk moet worden gelegd om in de gebieden ontwikkelruimte te geven aan alle doelstellingen en ambities op rijksniveau, zoals ook gedaan wordt in de NOVI en de Nota Ruimte. Het leveren van een bijdrage aan de opgaven in de gebieden is een iteratief proces.

Dat betekent dat niet alles in één keer af hoeft te zijn en dat een lerende aanpak passend is. Bij de ontwikkeling van de gebiedsprogramma’s zullen de regionale doelen en keuzes per gebied steeds verder verfijnd en bijgesteld worden. Belangrijke randvoorwaarde is dat er de zekerheid moet zijn dat de ambities van het NPLG worden gerealiseerd. Na toetsing van de provinciale gebiedsprogramma’s door het Rijk, worden de definitieve regionale doelen in de gebiedsprogramma’s en in bestuurlijke afspraken met provincies vastgelegd. Mede op basis van het eerste gebiedsprogramma die in juli 2023 bekend zijn geworden neemt het Rijk de regionale doelen randvoorwaardelijk op in het NPLG. Via de handreiking wordt aan provincies gevraagd deze over te nemen in hun gebiedsprogramma's. De doelen worden op deze manier zelfbindend voor provincies.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13857580/1