CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

2024 54 Bijlage 1 Ontwerp NPLG

Gemeenteraad 28 maart 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken44.819 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Bijvoorbeeld omdat de wateraanvoer op termijn afneemt, er verzilting optreedt of omdat er op een bepaalde plek op de langere termijn meer ruimte voor natuurinclusieve landbouw nodig is voor de gSvI van een habitat. In de uitwerking van de doelen en maatregelen is het belangrijk om niet alleen te kijken naar de termijnen voor doelbereik (vaak 2027 of 2030) maar ook rekening te houden met de termijn voorbij 2030 voor klimaatmitigatie, de gSvI voor VHR en een duurzame transitie van het landelijk gebied. Ook zijn er internationale verplichtingen met een tijdshorizon voorbij 2030. Voor internationale verplichtingen met een langere tijdshorizon is meer ruimte: VHR-doelen op termijn, klimaatneutraal als land in 2050. Dat neemt niet weg dat deze opgaven zeer omvangrijk zijn. Daarom stelt het NPLG-doelen voor 2030 voor VHR-doelen en de klimaatopgave. Bij het uitwerken van doelen in de gebiedsprogramma’s is het van groot belang rekenschap te geven van de opgave voorbij de termijn van de individuele NPLG-doelen. Dat sluit ook aan bij de toekomstbestendige aanpak van het NPLG. Belangrijk is dat wordt toegewerkt naar een robuust natuursysteem waarvan de milieukwaliteit op orde is, dat voldoende leefruimte biedt voor planten en dieren, dat aansluit bij het water- en bodemsysteem en waarmee de gunstige staat van instandhouding wordt gerealiseerd.

Bovendien is het ook belangrijk om te kijken naar de Nederlandse natuur van de toekomst, passend bij het klimaat van de toekomst en qua functie passend binnen het omvangrijkere Europese natuursysteem. In het zoeken naar uitbreiding van natuur is het dus belangrijk daar aansluiting bij te zoeken én te zoeken naar combinaties met maatregelen voor onder meer herstel en toekomstbestendig maken van het water- en bodemsysteem. Dit kan betekenen dat wanneer we naar de toekomst kijken we veel specifieker moeten gaan kijken op basis van de kenmerken van gebieden: vanuit het water- en bodemsysteem, van combinatiekansen met andere opgaven en vanuit verspreiding en behoud van specifieke planten en dieren. Dit kan voor verschillende gebieden verschillende strategieën opleveren. Bovenstaande noties zijn van belang, omdat ze medebepalend zijn voor de dynamiek in de ontwikkeling van de gebiedsprogramma’s. Het kabinet kiest ervoor om provincies te vragen voor de meest urgente doelen met concrete maatregelen voor specifieke locaties te komen. Terwijl voor doelen en gebieden met een lagere urgentie provincies de opgaven moeten doorgronden en een aantal grote strategische keuzes moeten maken. Zo kan handelen op de korte termijn gecombineerd worden met de strategie voor langere termijn. Dit geeft flexibiliteit om de aanpak en gebiedsprogramma’s door te ontwikkelen na de eerste versie.

Op basis van analyses, keuzes en gebiedsprocessen kan zo stap voor stap concreter invulling gegeven worden aan alle doelen van het NPLG. 22

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

2.1

Natuur Zoals in de inleiding beschreven, zetten we als Nederland breed in op het herstel en behoud van natuur. Dit doen we bijvoorbeeld door het beschermen van waardevolle gebieden, het bestendigen van een robuust natuurnetwerk, te investeren in groen in de stad en stappen te maken naar een natuurinclusieve samenleving. Het NPLG richt zich voor natuur in de eerste plaats op het behoud en herstel van de biodiversiteit. Daarmee wordt voldaan aan de Europese afspraken die hierover zijn gemaakt. De doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) staan hierbij centraal. De Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992) zijn opgesteld om de biodiversiteit in Europa te beschermen. In deze richtlijnen wordt aangegeven welke vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en welke dier- en plantensoorten (Habitatrichtlijn) in hun natuurlijke habitats beschermd moeten worden. Voor habitattypen en een deel van deze dier- en plantensoorten zijn speciale beschermingszones aangewezen, beter bekend als Natura 2000-gebieden. Voor VHR-soorten en -habitattypen wordt toegewerkt naar het behalen en behouden van een gunstige staat van instandhouding (gSvI) in Nederland. Die gunstige staat van instandhouding is een situatie waarin de natuur floreert (zie ook box 3.1). Natuurgebieden leveren een belangrijke bijdrage aan het behoud en verbetering van de VHR-soorten en -habitattypen.

Het netwerk van 162 Natura 2000-gebieden in Nederland is daarbij specifiek aangewezen voor de bescherming en verbetering van VHR-soorten en -habitattypen. De natuurgebieden bieden ruimte voor een veelheid aan soorten en waar mogelijk zijn natuurgebieden en de landschappen daaromheen zo ingericht om ook specifiek te voldoen aan condities voor VHR-soorten en -habitattypen. Alle stukjes samen, Natura 2000-gebieden (N2000), andere beschermde natuurgebieden, agrarisch gebieden tot aan de stad, zijn nodig voor het behalen van de gSvI in Nederland. Veel soorten beperken zich niet tot natuurgebieden. Zij foerageren, schuilen en broeden ook daarbuiten. Verder zijn er VHR-soorten (zoals de grutto of de rosse vleermuis) die hun leefgebied juist vooral vinden in het stedelijk en agrarisch gebied. Om verslechtering van de natuur tegen te gaan, en de natuur te herstellen is het daarom noodzakelijk om naast natuurbehoud in natuurgebieden ook in te zetten op natuurinclusieve ontwikkelingen daarbuiten, zodat daar door het bereiken van basiskwaliteit natuur ook meer ruimte komt voor biodiversiteit. Door ook buiten Natura 2000-gebieden aan natuurverbetering te werken, neemt bovendien de milieudruk op natuurgebieden af6.

Alleen met een brede aanpak voor natuurherstel in het landelijk gebied, en het toewerken naar een bredere duurzamere transitie naar een natuurinclusieve samenleving is het op den duur mogelijk om de VHR-doelstellingen te realiseren. Natuurherstel binnen en buiten natuurgebieden draagt ook bij aan andere doelen; schoner water, klimaatadaptatie, een gezonde bodem en een duurzame natuur-inclusieve landbouw. Daarmee biedt natuurherstel ook een oplossing voor andere opgaven in het landelijke gebied.

6

23

—

Doelen

Zie ook rapport Natuurverkenning 2050 van PBL en WUR.

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

Het NPLG stelt doelen voor VHR-doelbereik in Nederland voor 2030. Concreet zijn hier vier VHR-doelen voor opgenomen, gericht op de landelijke gunstige staat van instandhouding door kwaliteitsherstel van natuur, uitbreiding van natuur en het tegengaan van verslechtering (zie onder 2.1.1). Om de VHR-doelen te bereiken zijn ook andere NPLG-doelen van belang, die bijdragen aan dit natuurherstel: • Stikstofopgave als deelaspect van natuurherstel Natura 2000-gebieden • Voldoen aan hydrologische condities in en rond Natura 2000-gebieden (2027), als deelaspect van natuurherstel • Aanleggen van nieuw bos, conform de Bossenstrategie (2027) met een bijdrage aan natuur-, water- en klimaatdoelen • Aanleggen van de resterende hectares natuur conform het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (2027), met een bijdrage aan natuur-, water- en klimaatdoelen • Realiseren van groenblauwe-dooradering (GBDA) van het landelijk gebied, als ondersteunend doel van natuur-, water- en klimaatdoelen Met de invulling van deze (deel)opgaven geeft het NPLG-invulling aan de VHR-doelen voor 2030. Provincies werken deze natuurdoelen verder uit in de gebiedsprogramma’s. Hieronder wordt ingegaan op deze verschillende onderdelen van het natuurbeleid, die onderdeel zijn van het NPLG. 2.1.1

Vogel- en Habitatrichtlijn Breed natuurherstel in Nederland is er voor de VHR op gericht om op termijn een gSvI te realiseren voor VHR-soorten en habitattypen. Vanwege de urgentie van natuurherstel concretiseert het NPLG deze algemene doelstelling met VHR-doelen voor 2030. Uit de rapportage voor VHR-doelbereik 7 blijkt dat in Nederland 89% van de habitattypen in een ongunstige SvI (oSvI) verkeert. Hetzelfde geldt voor 69% van de planten- en diersoorten. Voor vogelsoorten is de situatie iets beter: meer dan de helft laat een positieve of stabiele ontwikkeling zien. Het verschil met de op termijn beoogde gSvI is de totale opgave voor VHR-doelbereik op termijn. Het NPLG-doel richt zich op doelen voor 2030 waarbij in 2030 de maatregelen moeten zijn getroffen om 30% van deze opgave te overbruggen.

7

24

—

Doelen

Zie: rapportage voor VHR-doelbereik (2019)

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

Toelichting op VHR-doelen en gunstige staat van instandhouding Voor de VHR wordt per soort en habitattype landelijk de staat van instandhouding (SvI) gerapporteerd. Dit is een maat voor de duurzaamheid van de biodiversiteit en het voorkomen van de specifieke VHR-soorten en -habitattypen. Er kan hierbij sprake zijn van een (matig/zeer) ongunstige (oSvI) of gunstige (gSvI) staat van instandhouding. Bij de habitattypen wordt de SvI – op landelijk niveau – bepaald op basis van de verspreiding van het habitattype, de oppervlakte van het habitattype (areaal) en de kwaliteit van het bestaande areaal (structuur en functie en typische soorten). Hierbij wordt gekeken naar de huidige situatie en de verandering over de tijd (de trend). Daarnaast wordt als onderdeel van de SvI ook gekeken naar het toekomstperspectief van het habitattype, deels op basis van de trends van andere indicatoren. Bij de soorten wordt de SvI – op landelijk niveau – bepaald op basis van de verspreiding van een soort, de populatieomvang, de omvang en de kwaliteit van het leefgebied en de trends daarin. Ook voor soorten wordt naast de huidige status gekeken naar het toekomstperspectief. Voor meer informatie wordt verwezen naar de VHR-rapportage van 2019. Voor de Vogelrichtlijn en de condities voor bepalen van de huidige SvI (peiljaar 2019) wordt verwezen naar de rapportage van Sovon.

De SvI wordt dus bepaald aan de hand van meerdere criteria. Hierbij geldt dat het minst presterende aspect doorslaggevend is voor de totaalbeoordeling. De doelen richten zich op het verbeteren van de aspecten die een oSvI aanduiden. Veelal is dat de omvang en kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten. De verspreiding wordt vaak als gunstig beoordeeld. De VHR-doelen van het NPLG gelden voor alle VHR-soorten en -habitattypen, terwijl maatregelen binnen het NPLG zich beperken tot het landelijk gebied. Voor maritieme en stedelijke soorten is dus flankerend beleid buiten het NPLG nodig in andere programma’s om VHR-doelbereik te realiseren. Maatregelen in het landelijk gebied kunnen wel positieve effecten hebben op de SvI van soorten die ook in stedelijke of maritieme omgeving voorkomen.

Dit doel is nader gespecificeerd in vier samenhangende VHR-doelen die ingaan op de specifieke condities voor het realiseren van VHR-doelbereik, en tezamen invulling geven aan de 30%-opgave: 1. Uiterlijk in 2030 moeten maatregelen getroffen zijn zodat voor ten minste 30% van de in 2019 in een ongunstige Staat van Instandhouding (oSvI) verkerende VHR-soorten en -habitattypen een landelijk gunstige Staat van Instandhouding (gSvI) wordt bereikt, dan wel een sterk positieve trend in gang gezet wordt. 2. Uiterlijk in 2030 moeten de landelijke negatieve trends van alle VHR-soorten en -habitattypen zoveel mogelijk stoppen. 3. Uiterlijk in 2030 moeten maatregelen getroffen zijn om 30% van het totale areaal van habitattypen en van de leefgebieden van soorten dat niet in goede conditie is in goede conditie te brengen (peiljaar 2019). 4. Uiterlijk in 2030 moeten maatregelen getroffen zijn om 30% van het te ontwikkelen areaal dat noodzakelijk is voor een gSvI van de habitattypen en van de leefgebieden van soorten te realiseren (peiljaar 2019). Tot 2030 dient er 25.200 ha8 extra natuur gerealiseerd te worden, en 181.200 ha agrarische natuur. Bovenstaande doelen zijn niet los van elkaar te zien en moeten in samenhang worden gerealiseerd.

Bij de uitwerking van de doelen mogen provincies VHR-doel 3 (verbetering kwaliteit) en 4 (areaaluitbreiding) uitwerken op het geaggregeerde niveau van natuurtypen. Voor doelrealisatie voor alle VHR-soorten en -habitattypen is het nodig op termijn voor alle natuurtypen en alle typen agrarische natuur uitbreiding te realiseren. Hierbij wordt

8

25

—

Doelen

Dit betreft 9.000 ha omvorming van bestaande NNN en 16.000 ha extra areaal buiten bestaande natuur

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

een forse inzet verwacht op agrarische natuur.9 Voor verbetering van condities wordt ingezet op een combinatie van beheer in de N2000-gebieden en een verbetering van de omgevingscondities (zie doelen voor stikstof en hydrologische condities). Voor de uitwerking van VHR-doel 1 t/m 4 zijn de concretiseringen uitgewerkt per habitattype en soort, en samengevat in te realiseren arealen per natuurtype van voldoende kwaliteit. Vervolgens moeten de instandhoudingsdoelstellingen per Natura 2000-gebied concreet worden uitgewerkt in omvang en tijd, zodat de optimale bijdrage van elk Natura 2000-gebied aan het bereiken van een gunstige staat van instandhouding uiterlijk 1 juli 2025 helder is, in samenhang met de bijdrage buiten deze gebieden. Het streven is deze geconcretiseerde doelen vervolgens op natuurlijke momenten in bestaande cycli te integreren. Naast het nemen van maatregelen voor VHR-doelbereik binnen de N2000-gebieden, zal ook in de directe omgeving van N2000-gebieden gezocht moeten worden naar locaties om doelen zoals areaaluitbreiding en kwaliteitsverbetering te halen. Overgangsgebieden, beekdalen en verbindingszones zijn daartoe, vanwege mogelijkheden tot doelstapeling, bijzonder geschikt. Ook na 2030 liggen er opgaven om toe te werken naar het op termijn realiseren van een gSvI van alle beschermde VHR-soorten en -habitattypen.

Provincies wordt in de uitwerking gevraagd ook rekening te houden met de opgave na 2030. Hierbij zijn er lange-termijnvoordelen bij het realiseren van natuurherstel. Het toewerken naar breed natuurherstel door het op orde brengen van omgevingscondities (stikstof, hydrologie) en het realiseren van natuur buiten Natura 2000-gebieden (NNN, Bossenstrategie, GBDA) werkt in synergie met de areaalopgave voor VHR-doelbereik. Het bereiken van de doelen tot 2030 en het nemen van de juiste maatregelen voor breed natuurherstel tot 2030 kan daarbij leiden tot een kleinere areaalopgave na 2030. VHR-doel 1: landelijke gunstige staat van instandhouding Bij de uitwerking van bovenstaande doelen wordt gekeken naar de te verbeteren kwaliteit en het te ontwikkelen areaal voor VHR-soorten en -habitattypen samen. Daarmee streeft het kabinet ernaar om de landelijke Staat van Instandhouding (SvI) van soorten en habitattypen te verbeteren. Op peildatum 2019 verkeerde een groot aantal van de VHR-soorten en -habitattypen in een ongunstige Staat van Instandhouding (89% van de habitattypen verkeerde in een oSvI en 69% van de planten- en diersoorten uit de Habitatrichtlijn). Het doel voor 2030 is om voor 30% van VHR-soorten en habitattypen met een oSvI in 2019 een gSvI te realiseren, dan wel om een sterk positieve trend in gang te zetten.

Een hypothetisch voorbeeld ter illustratie, wanneer in 2019 100 VHR-soorten en habitattypen een oSvI hebben dienen in 2030 nog slechts 70 soorten een oSvI hebben. Sommige soorten hebben specifieke eisen. Daarnaast hebben bepaalde soorten en habitattypen specifieke aandacht of maatregelen nodig om ervoor te zorgen dat tenminste 30% van de soorten in een ongunstige situatie een sterk positieve trend laten zien. De soorten en habitattypen die extra aandacht nodig hebben bij de uitwerking van maatregelen in het NPLG om achteruitgang te stoppen, zijn aangeven in de NPLG-inputtabel (15 habitattypen en 24 soorten, peiljaar 2022)10. De SvI per VHR-soort en habitattype is gedefinieerd in de HR-rapportage uit 2019, en in het SOVON-rapport voor Vogelrichtlijnsoorten.

9

Agrarische natuur is een verzamelnaam voor natuurtypen waarbij de agrarische functie behouden blijft. Wat dit vraagt van de agrarische bedrijfsvoering binnen een gebied hangt niet alleen af van het soort onderneming (bijv. akkerbouw of veeteelt), maar ook van de eigenschappen van een gebied (bijv. bodemsoort en waterhuishouding) en de doelsoort(en) waarvoor het gebied wordt ingericht. In veel gevallen vraagt agrarische natuur om agrarisch natuurbeheer. Daarbij kan het gaan om maatregelen zoals uitgesteld maaibeheer, stoppelvelden, plas-dras percelen, aanleg en onderhoud groenblauwe-dooradering, etc. Het hangt af van de doelsoort(en) waarvoor het gebied wordt ingericht welke maatregelen nodig zijn en of toepassing nodig is in het hele gebied of alleen op een aantal percelen.

10 Zie: NPLG-inputtabel

26

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

VHR-doel 2: landelijke negatieve trends Voor iedere VHR-soort en -habitattype wordt de trend in SvI gerapporteerd. Populatietrends van HR-soorten staan in de VHR-rapportage uit 2019. Dit is een combinatie van verandering in verspreiding, oppervlakte, en kwaliteit over de tijd. Het verbeteren van de kwaliteit van bestaand areaal (VHR-doel 3) – waaronder het beperken van drukfactoren zoals stikstofdepositie – én het ontwikkelen van nieuw areaal (VHR-doel 4) moet voor veel VHR-soorten en -habitattypen leiden tot het zoveel mogelijk stoppen van landelijk negatieve trends. In de uitwerking is de samenhang tussen de doelen dus cruciaal. Voor specifieke soorten en habitattypen zullen aanvullende lokale maatregelen nodig zijn om zoveel als mogelijk de negatieve trend te stoppen. Het is hierbij belangrijk om niet alleen te kijken naar de opgave richting 2030 maar ook rekening te houden met het langetermijndoel van een gSvI voor alle VHR-soorten en -habitattypen. De overheid heeft invloed op veel drukfactoren die in de weg staan voor het bereiken van een gSvI. Tegelijkertijd kan de trend ook beïnvloed worden door factoren waar de overheid weinig tot geen invloed op heeft. Daarom is gekozen voor de formulering, zoveel als mogelijk stoppen van negatieve trends. Dit betekent dat alle nodige maatregelen die mogelijk zijn, ook moeten worden getroffen.

Dit doel sluit aan bij de doelstelling uit de EU biodiversiteitsstrategie voor 2030. Het heeft betrekking op de trends in Nederland als geheel. Dit laat onverlet dat er een bestaande verplichting is om verslechtering in elk Natura 2000-gebied te voorkomen. Toelichting VHR-doel 3: in goede conditie te brengen areaal Om de gSvI te realiseren moeten in en rondom Natura2000-gebieden maatregelen genomen worden om kwaliteit en omvang te verbeteren. Het in goede conditie brengen van habitattypen en leefgebieden is afhankelijk van meerdere factoren, zoals waterstand, zuurgraad, voedselrijkdom of landschappelijke samenhang. Veel van de maatregelen zullen zich richten op het verbeteren van deze milieucondities en per gebied verschillen. De condities kunnen verbeterd worden door een combinatie van maatregelen in en buiten natuurgebieden. Denk hierbij aan lokaal maaien of begrazen in het gebied, het verbeteren van de waterhuishouding via systeemherstel, en aan het verminderen van drukfactoren in de wijdere omgeving zoals stikstofdepositie en grondwateronttrekking. Het landelijke doel voor “in goede conditie te brengen areaal” wordt bepaald door het aandeel van het landelijke oppervlak waar de omstandigheden op orde zijn en resulteren in een goede conditie.

Voor 2030 is de doelstelling maatregelen te treffen om 30% van het areaal dat dan niet in goede conditie is (peiljaar 2019), in goede conditie te brengen.

Rekenvoorbeeld VHR-doel 3: In 2019 heeft habitattype X een areaal van 1.000 ha. Van dit areaal is 600 ha niet in goede conditie. Uiterlijk in 2030 moeten voldoende maatregelen getroffen zijn om 30% van 600 ha, dus 180 ha, in goede conditie te brengen. Omdat ecologisch herstel vaak een langjarig proces is, is de doelstelling niet om in 2030 al een goede conditie te hebben gerealiseerd. Wel moeten alle nodige maatregelen zijn getroffen voor het realiseren van een goede conditie. De verbetering van de kwaliteit moet ook zodanig zijn dat de SvI sterk verbetert (zie VHR doel 1).

De opgave voor VHR-doelbereik verschilt per habitattype en leefgebied van VHR-soorten, en is niet voor iedere soort exact bekend. Tegelijkertijd is er al veel achtergrondinformatie beschikbaar. Per habitattype is de SvI van het bestaande areaal gerapporteerd aan Europa, per Habitatrichtlijnsoort is een gecombineerde expertbeoordeling gegeven van omvang

27

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

en kwaliteit van het leefgebied11, en per vogelsoort is het leefgebied en de kwaliteit van het leefgebied voor de instandhouding van een populatie bepaald12. Dit resulteert in een landelijk totaaloppervlakte aan bestaand areaal leefgebied per soort en habitattype (peiljaar 2019) en het aandeel in goede conditie en niet-goede conditie van dit leefgebied of habitattype. In 2030 moet voor 30% van het areaaloppervlak met een niet-goede conditie maatregelen getroffen zijn voor een goede conditie. Maatregelen ter verbetering van specifieke habitattypen en leefgebieden kunnen vaak bijdragen aan verbetering en doelbereik voor meerdere VHR-soorten en -habitattypen. Daarom kunnen de opgaven in de uitwerking worden geaggregeerd per natuurtype. We stellen doelen voor soorten en habitattypen, maar sturen in de uitwerking op het realiseren van gunstige condities (ecologisch sturende factoren). De 30%-doelstelling geeft richting aan het schaalniveau van de te nemen maatregelen voor 2030 voor de ecologisch sturende factoren. Maatregelen voor systeemherstel richten zich immers niet op één of enkele afzonderlijke soorten, maar op breder systeemherstel, het herstel van ecologische processen en het creëren van gunstige condities, waarbij het water- en bodem-systeem leidend is.

Toelichting VHR-doel 4: te ontwikkelen areaal Het huidige areaal (habitattype en leefgebied) is voor meerdere VHR-soorten en -habitattypen onvoldoende voor een gSvI, en daarvoor is uitbreiding van areaal noodzakelijk. Hoeveel areaaluitbreiding hiervoor nodig is verschilt per habitattype en leefgebied. Areaaluitbreiding wordt onderverdeeld in uitbreiding van natuurtypen en uitbreiding van agrarische natuur. Tot 2030 is er een richtinggevende areaalopgave voor natuur van 25.200 ha en voor agrarische natuur van 181.200 ha. Van de areaalopgave natuur is grofweg 9.000 ha te realiseren door omvorming van bestaande NNN. De overige opgave (ca 16.000 ha) zal buiten de reeds bestaande NNN moeten worden gerealiseerd. De reeds gemaakte afspraken uit het natuurpact (realisatie restopgave NNN) en van de Bossenstrategie dragen voor een groot deel bij aan het toewerken van de natuur areaalopgave.

11

Zie: Vogel- en Habitatrichtlijnen rapportage (WUR)

12 Zie: SOVON rapport: Bouwstenen voor het Strategisch Plan Natura 2000: Factsheets van vogelsoorten die

betrokken zijn bij de instandhoudings-doelstellingen voor Natura 2000-gebieden

28

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

Tabel 2.2: Overzicht van de nationale opgave en de regionale verdeling voor areaal natuur en areaal agrarische natuur ten behoeve van de VHR-doelstellingen voor 2030. De opgave is richtinggevend voor verdere uitwerking in de PPLG’s

Areaalopgave extra natuur voor 2030 [ha]

Areaalpgave extra agrarische natuur voor 2030 [ha]

Drenthe

2.300

7.000

Flevoland

60

1.600

Friesland

2.700

35.600

Gelderland

2.200

15.300

Groningen

700

8.000

Limburg

1.300

11.100

Noord-Brabant

2.400

41.000

Noord-Holland

450

4.700

Overijssel

1.800

15.300

Utrecht

860

11.200

1.500

19.000

Zeeland

180

11.400

Nationaal

16.450

181.200

Zuid-Holland

Het uitgangspunt is dat elke provincie voor 2030 maatregelen treft voor de ingeschatte areaalopgave per natuurtype. De extra arealen zijn ingeschat ten opzichte van de huidige situatie en zijn ter ondersteuning voor de verdere uitwerking in de PPLG’s. Bij het realiseren van de opgave kunnen provincies deze opgave zoveel mogelijk vormgeven binnen de bestaande afspraken waaronder het NNN (restopgave NNN), de Bossenstrategie en 10% GBDA. Bij het bepalen van de te realiseren arealen is er zoveel mogelijk uitgegaan van het stapelen van verschillende doelen voor areaaluitbreiding. De areaalopgave natuur voor 2030 kan grotendeels door middel van bestaande afspraken uit het Natuurpact (Restopgave NNN) en de Bossenstrategie worden ingevuld. Deze opgaven zijn echter niet 1-op-1 hetzelfde. Zo kan de VHR-opgave aanvullende eisen stellen aan de uitbreiding van specifieke habitattypen en leefgebieden voor het bereiken van een gSvI voor specifieke soorten en habitattypen. Bij de ruimtelijke uitwerking van nieuwe natuur is het belangrijk de koppeling te maken met de structurerende keuzes uit het NPLG. De structurerende keuze voor de inpassing van arealen natuur en agrarische natuur heeft hierbij de meest directe koppeling (zie Hoofdstuk 4 Structurerende Keuzes).

Verder is er een belangrijke koppeling in de ruimtelijke uitwerking met de structurerende keuzes voor overgangsgebieden, groenblauwedooradering, het water- en bodemsysteem en het afwegingskader ‘zorgvuldige omgang met landbouwgrond’. Bovendien dient bij de uitbreiding van nieuwe natuur ook rekening gehouden te worden met andere ruimtelijke opgaven die een plek krijgen in het landelijk gebied, zoals de energietransitie, waterberging en -veiligheid en de woningbouwopgave. De structurerende keuzes van al deze opgaven komen samen in de nieuwe Nota Ruimte. De provinciale ruimtelijke voorstellen, die in het kader van het programma Novex worden opgesteld, vormen hier een belangrijke bouwsteen voor. Voor de praktische uitwerking is het van belang te weten welke natuur waar gerealiseerd kan worden ten behoeve van een gSvI. Ten behoeve van de uitwerking door provincies zijn de doelen voor de areaalopgave geaggregeerd op het niveau van algemenere natuurtypen. Dit is richtinggevend in de verdere uitwerking en geen afrekenbaar doel. De uitwerking van het landelijke NPLG-doel naar te realiseren natuurtypen per provincie is weergegeven in Bijlage 2.

29

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

De doelen per natuurtype zijn afgeleid van gegevens over hetgeen dat per VHR-habitattype en soort nodig is om tot een gSvI te komen. Hier zijn de geactualiseerde VHR-bouwstenen (peildatum 2019 voor VHR-habitattypen en -soorten13) voor gebruikt. De doorvertaling hiervan naar areaalopgaven is gebaseerd op een quick-scan uitgevoerd door WEnR en Sovon. Deze informatie geeft weer wat een gunstige staat van instandhouding op lange termijn ruimtelijk behelst en bij welke provincies(s) daarvoor een opgave ligt. Tevens is gebruik gemaakt van kennis en expertise uit de provincies om de opgave in bepaalde gevallen te concretiseren. Op basis van deze kennis en informatie is deze areaalopgave geformuleerd; richtinggevend en ondersteunend voor het verdere proces. Ook bij de areaalopgave is het realiseren van goede condities van belang voor een gSvI. Bij uitbreiding moeten daarom direct voldoende maatregelen genomen zijn om dat areaal in goede conditie te brengen (VHR-doel 3).

In de geaggregeerde indicatieve tabellen, gedeeld met provincies, zijn de hectaredoelen tevens voorzien van een duiding van de kwalitatieve opgave (het verminderen van drukfactoren zoals vermesting of verstoring en/of een duiding van de typen maatregelen die nodig zijn, zoals het verhogen van grondwaterpeil of beter natuurbeheer) en staat aangegeven ten behoeve van welke VHR habitattypen en -soorten de uitbreiding nodig is. Voor realisatie van agrarische natuur en het halen van de doelstelling van 30% natuurherstel is voldoende en langjarige financiering nodig. Paragraaf 6.2 biedt overzicht in de nu beschikbare instrumenten, waaronder de ecoregeling (GLB), de subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer, de subsidie groen-blauwe diensten. Ondernemers kunnen hier op vrijwillige basis aan deelnemen. Ecosysteemdiensten zijn kostbaar en de precieze bijdrage aan doelbereik moet nader worden onderzocht. Ten tijde van het verschijnen van dit ontwerp-NPLG was dit verkenningsproces nog niet afgerond. De aankomende tijd zullen de mogelijkheden voor ecosysteemdiensten verder verkend worden, inclusief de financiering van deze diensten en toetsing en borging van doelbereik op lange termijn.

Daarbij vergt de verdere uitwerking om de opgave agrarische natuur te realiseren een ook breed proces met nauwe betrokkenheid van provincies, landbouworganisaties, agrarische collectieven en natuurorganisaties. Nadere besluitvorming over ecosysteemdiensten en finale vaststelling van het NPLG is aan het volgende kabinet. 2.1.2

Doelen voor stikstof, als deelaspect natuur Sterke overbelasting door stikstof is één van de belangrijkste drukfactoren op de natuur. De depositie van stikstof is in veel Natura 2000-gebieden te hoog, waardoor VHR-doelbereik en/of het tegengaan van verslechtering van VHR-soorten en -habitattypen niet overal wordt gehaald. De totale stikstofdepositie is een optelsom van deposities uit verschillende (inter)nationale emissiebronnen in verschillende sectoren. Voor alle sectoren in Nederland geldt dat ze evenredig moeten bijdragen aan minder stikstofemissies en realisatie van de in de Omgevingswet opgenomen omgevingswaarden voor reductie van stikstofdepositie. De sectoren industrie/energie en mobiliteit stoten primair stikstofoxiden (NOx) uit. De sector landbouw stoot hoofdzakelijk ammoniak (NH3) uit. Een deel van de depositie is afkomstig van emissies van overige sectoren, zoals de bouw en huishoudens. Daarnaast komt ongeveer een derde van de stikstofdepositie vanuit buitenlandse emissiebronnen. De landbouw als sector heeft een relatief groot aandeel in de totale stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur (ca. 46% in 2020), en een groot aandeel in de totale ammoniakemissies (ca. 85% in 2019)14. Daarom moet de landbouwsector ook een significante reductie realiseren om bij te dragen aan natuurherstel en -verbetering.

Binnen het NPLG ligt de focus op reductie van het stikstofaandeel van de landbouw om 13

Zie: Inputtabel NPLG

14 Deze gegevens zijn gebaseerd op het Compendium voor de Leefomgeving 2021. Per jaarlijkse rapportage zijn

de precieze percentages aan verandering onderhevig.

30

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

de landelijke omgevingswaarden te behalen. Het landbouwaandeel is daarbij vertaald naar regionale reductiedoelen van NH3 . Op verzoek van provincies zijn de regionale doelen gericht op emissiereductie en niet in directe zin op depositie. Dit biedt de betrokken partijen meer mogelijkheden om op emissies te sturen. Het uiteindelijke doel blijft daarbij overeind: reductie van de depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Uitgangspunt van het NPLG is dat de stikstofdoelstellingen voor landbouw op nationaal en provinciaal niveau gerealiseerd worden in samenhang met de opgaven voor natuur, water en klimaat. Naast de reductie van NH3 in de landbouw gelden voor andere sectoren ook reductieopgaven. Het gaat om indicatief 38% en 25% reductie van NOx tussen 2019 en 2030 voor industrie/ energie respectievelijk mobiliteit. De bijdrage van deze sectoren is in de Kamerbrief van februari 202315 uitgewerkt. Natuurgebieden in Nederland kennen een grote verscheidenheid. Afhankelijk van de habitat, de voorkomende soorten en de bodem zijn natuurgebieden meer of minder gevoelig voor depositie van stikstof. De Kritische Depositiewaarde (KDW) is de best beschikbare wetenschappelijke indicator om de gevoeligheid van een natuurgebied voor stikstof te duiden: een overschrijding betekent dat er een risico is op aantasting van de kwaliteit van habitattypen (zie ook box 1).

In 2020 bevond zich 33% van het areaal in de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden op of onder de KDW. De verwachting is dat dit percentage op basis van het vastgestelde en voorgenomen beleid verbetert naar 43% in 203016. Er zijn dus extra maatregelen nodig om meer van de stikstofgevoelige natuur in 2030 onder de kritische depositiewaarde voor stikstof te brengen.

Onderzoek naar alternatieven voor Kritische Depositiewaarde De in de Omgevingswet opgenomen omgevingswaarden voor reductie van stikstofdepositie houden verband met de kritische depositiewaarde (KDW). Samen met landbouworganisaties, natuurorganisaties en provincies wordt, in navolging van het advies van Remkes, verkend of een alternatief voor de KDW in de wet mogelijk is. Een alternatief moet uitgaan van de staat van de natuur én juridisch houdbaar zijn. Het doel van het proces is om gezamenlijk en stap voor stap te verkennen of er een alternatief is in de wet voor de KDW als sturingsinstrument voor het toewerken naar een gSvI volgens de VHR.

Het landelijke doel voor stikstof richt zich op een depositiereductie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden17. In de Omgevingswet zijn resultaatsverplichtende omgevingswaarden opgenomen die hieraan uitvoering geven. In 2025 moet 40% van het stikstofgevoelige areaal van Natura 2000-gebieden onder de KDW zijn gebracht, 50% in 2030, en 74% in 2035. Via het NPLG worden deze doelen gerealiseerd door een combinatie van generiek en gebiedsgericht beleid. Het bereiken van dit doel levert een belangrijke bijdrage aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen die voortkomen uit de VHR. Verdere (provinciale) uitwerking van de landelijke omgevingswaarden voor stikstofreductie De landelijke omgevingswaarden voor reductie van stikstofdepositie zijn niet gedifferentieerd naar provincie of gebied. Voor het herstellen van natuur en het tegengaan van verslechtering van VHR-soorten en habitattypen is dit wel relevant. Ook is een 15 Zie: Kamerbrief over voortgang integrale aanpak landelijk gebied, waaronder het NPLG (februari 2023) 16 De gegevens voor 2020 en 2030 zijn gebaseerd op de AERIUS monitor Ontwikkeling stikstofbelasting op

17-05-2023. De precieze percentages veranderen. Dit laat onverlet dat de doelen voor reductie stikstofdepositie in 2030 niet behaald worden met het voorgenomen beleid. 17 Zie rapport BIJ12 voor een overzicht van de stikstofgevoelige habitats in Nederland (pagina 8). Een precieze

ruimtelijke uitwerking van de stikstofgevoelige natuurgebieden is te vinden in AERIUS van het RIVM.

31

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

ruimtelijke verdeling van de reductie belangrijk voor de doelmatigheid van de aanpak. De stikstofemissiereducties kunnen dan daar gereduceerd worden waar de bijdrage aan de VHR-doelen het meest relevant en effectief is. Om het landelijke depositiedoel in 2035 voor stikstof (74% onder KDW) te behalen, is berekend dat een emissiereductie van 39 Kton NH3 – gebaseerd op stal- en veldemissies in de veehouderij – nodig is. Dit komt bovenop het al vastgestelde beleid volgens het basispad, zoals uitgewerkt in de KEV 2020. Deze reductie van NH3 is per provincie in een emissiereductieopgave uitgewerkt. Het behalen van de 39 Kton NH3 reductie is daarbij geen doel op zichzelf. Uiteindelijk wordt doelbereik bepaalt op basis van de landelijke omgevingswaarden voor reductie van stikstofdepositie, ongeacht of dit behaald wordt met meer of minder emissiereductie. Het stellen van een emissiereductie is echter wel een belangrijk middel waarop provinciaal beleid ontwikkeld kan worden om de landelijke resultaatsverplichtende omgevingswaarden te realiseren. Mits deze reductie met de juiste mix aan maatregelen wordt bereikt, kan dit ook bijdragen aan het behalen van de NPLG water- en klimaatdoelen en aan het meekoppelen van de reductie van fijnstof en geurhinder. Naast de reductie van NH3 in de landbouw gelden voor andere sectoren ook reductieopgaven.

Het gaat om indicatief 38% en 25% reductie van NOx tussen 2019 en 2030 voor industrie/energie respectievelijk mobiliteit. De emissiereductieopgave per provincie is weergegeven in tabel 2.3. Zie voor meer informatie de memo Toelichting bij richtinggevende emissiereductiedoelstellingen per gebied18. Hierin staat beschreven hoe de reductie in emissies is berekend ten opzichte van het basispad KEV 2020 voor geschatte emissies in 2030, en wordt onderbouwd hoe de emissiereductie per provincie tot stand is gekomen. Tabel 2.3: Regionale verdeling van de emissiereductieopgave voor stikstof. De emissies en emissiereductie zijn gebaseerd op de stikstofemissies in de periode 2018-2030 (basispad) volgens de KEV2020. Zie voor verdere toelichting het memo van RIVM19 .

Emissietotaal (stal en Emissiereductie (stal Percentage veld) (ton NH₃) en veld) (ton NH₃) Emissiereductie Drenthe

5.702

2.450

43%

Flevoland

1.836

442

24%

Friesland

13.654

4.701

34%

Gelderland

17.710

7.511

42%

Groningen

5.775

1.447

25%

Limburg

5.855

3.039

52%

Noord-Brabant

16.763

6.957

42%

Noord-Holland

4.433

1.797

41%

Overijssel

13.961

5.738

41%

Utrecht

5.093

2.359

46%

Zeeland

1.989

631

32%

Zuid-Holland

4.794

1.951

41%

Nederland

97.566

39.023

40%

18 RIVM, Toelichting bij richtinggevende emissiereductiedoelstellingen per gebied, 10 juni 2022. Startnotitie

Nationaal Programma Landelijk Gebied | Beleidsnota | Rijksoverheid.nl 19 Zie: RIVM, Memo Toelichting bij richtinggevende emissiereductiedoelstellingen per gebied, 9 juni 2022

32

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

De provinciale opgave voor stikstofemissiereductie is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van Rijk en provincie. Het wordt ingevuld door een combinatie van rijks- en provinciaal beleid en een combinatie van generieke en gebiedsgerichte maatregelen. Om het nationale depositiedoel effectief te realiseren is het voor provincies van belang de emissiereductiedoelen in de gebiedsprocessen verder ruimtelijk uit te werken. De locatie van de reductie van stikstofemissies maakt uit voor de bijdrage aan het nationale depositiedoel. Het kabinet geeft nadrukkelijk ruimte aan de provincies om zelf in de gebiedsprogramma’s – in goed overleg met alle betrokkenen – concrete invulling te geven aan de provinciale doelen. Het uiteindelijke doel daarbij is om provinciale reductie te realiseren die op moeten tellen tot de landelijke omgevingswaarden. Ter realisatie van de omgevingswaarden voor reductie van stikstofdepositie werkt het Rijk verder aan generieke maatregelen. Onderdeel van deze uitwerking is een aanpak voor moeilijk beïnvloedbare stikstofbronnen, zoals bronnen in het buitenland en de internationale scheepvaart Naast het feit dat de landelijke omgevingswaarden voor reductie van stikstofdepositie gehaald moeten worden, moet tevens voorkomen worden dat stikstofdepositie (al dan niet lokaal) leidt tot verslechtering van de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden.

Per stikstofgevoelig N2000-gebied zijn natuurdoelanalyses uitgevoerd, die per gebied de belangrijkste problemen in kaart brengen. De natuurdoelanalyses constateren op grote schaal dat stikstofdepositie een groot probleem is, en constateren tevens dat er sprake is van een “Nee, Tenzij, [...] -oordeel” als gevolg van stikstof. Dit betekent dat er aanvullende stikstofmaatregelen nodig zijn. Tegelijkertijd zijn er meer en bredere maatregelen nodig voor natuurherstel en verbetering. Het is niet duidelijk of het reduceren van 39 Kton emissie – die moet leiden tot het behalen van de omgevingswaarde in 2030 – ook in alle gevallen leidt tot het beoogde effect: het stoppen van verslechtering door stikstofdepositie. Zo niet, dan is aanvullend natuurherstelbeleid in combinatie met een aanvullende gebiedsgerichte emissiedaling nodig en moeten dus aanvullende bronmaatregelen gedefinieerd worden. Hierbij moet per gebied bekeken worden of verdere stikstofreductie noodzakelijk is of dat andere natuurherstelmaatregelen noodzakelijk zijn. In hoofdstuk 4 wordt de cyclus van monitoring- en evaluatie nader toegelicht, en wordt ook ingegaan op de opties voor bijsturing. 2.1.3

Doelen voor hydrologische condities Natura 2000-gebieden Hydrologie is naast stikstof een van de belangrijkste factoren voor natuurherstel. Het gaat hierbij om condities van waterkwaliteit en waterkwantiteit, en het geldt voor zowel oppervlaktewater als grondwater. Er is een wisselwerking tussen de condities voor stikstof en hydrologie: stikstofeffecten zijn groter in natuurgebieden waar de hydrologische condities nog niet op orde zijn. Terwijl een goede waterhuishouding juist natuurherstel op gang kan brengen, ook als stikstofdepositie nog te hoog is. Binnen het NPLG is het doel dat in 2027 hydrologische condities voor alle Natura 2000-gebieden voldoen aan ecologische vereisten, of dat maatregelen zijn getroffen om dit doel te realiseren20. Dit is een al bestaand nationaal doel voor Natura 2000-gebieden. De precieze ecologische vereisten voor een Natura 2000-gebied ter ondersteuning van de instandhoudingsdoelstellingen verschillen per Natura 2000-gebied. Het gaat hierbij om het realiseren van hydrologische condities vanuit ecologische vereisten, die onderverdeeld kunnen worden in criteria voor de zuurgraad, vochttoestand, zoutgehalte, voedselrijkdom, overstromingstolerantie en de gemiddelde (laagste) grondwaterstanden, inclusief koppeling met kwel.

Deze condities zijn uitgewerkt op nationaal niveau per habitattype 20 Het kan jaren duren voordat maatregelen daadwerkelijk effect hebben op hydrologie en hydrologische

condities in Natura 2000-gebieden, omdat het een systeem is met een lange responstijd. Dat betekent dat niet alle maatregelen direct effect zullen resulteren voor 2027, en het doel van op orde brengen van hydrologische condities. Het is alleen voldoende om in 2027 maatregelen genomen te hebben, als kan worden aangetoond dat deze op termijn leiden tot de gestelde doelen.

33

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

in profieldocumenten21. Per Natura 2000-gebied worden deze verder uitgewerkt in natuurdoelanalyses en natuurbeheerplannen, zowel voor de stikstofgevoelige als niet-stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Het doel voor de ecologische vereisten wordt bepaald op basis van het minst presterende criterium22. De hydrologische condities zijn op orde wanneer aan alle ecologische vereisten is voldaan. Via het NPLG moet dit doel gerealiseerd worden via breder systeemherstel in en rond Natura 2000-gebieden en in samenhang met de andere opgaven van het NPLG. Verdere regionale uitwerking van hydrologische condities per Natura 2000-gebied Er is geen verdere regionale verdeling van dit doel, omdat de precieze hydrologische condities voor ecologische vereisten per Natura 2000-gebied gedefinieerd worden. Dit betekent dat provincies met meer Natura 2000-gebieden ook vaak een grotere totale opgave hebben. Samenwerking tussen provincies en tussen waterschappen is belangrijk, omdat hydrologische systemen vaak provinciegrenzen overstijgen, en maatregelen voor systeemherstel dus in het gehele stroomgebied genomen moeten worden.

2.1.4

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het totaal van bestaande en nog te realiseren natuurgebieden op het land in Nederland. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied en zorgen voor voldoende habitat en leefgebieden voor soorten. De Natura 2000-gebieden op het land zijn onderdeel van het NNN. De ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden in Nederland is de verantwoordelijkheid van provincies. Het Rijk is verantwoordelijk voor natuur in Natura 2000-gebieden in de grote wateren en het Caribisch gebied. In het Natuurpact (2013) hebben Rijk en provincies afgesproken om tussen 2011 (basisjaar) en 2027 80.000 ha nieuwe natuur in te richten, conform het NNN. Dit is een uitbreiding van 657.711 ha in 2011 naar 737.711 ha in 202723 . In totaal is tot en met 2021 45.568 hectare (57%) natuur conform het NNN door provincies gerealiseerd. Tot 2027 resteert daarmee een opgave van 34.432 hectare (43%). In de 8e Voortgangsrapportage Natuur in Nederland van IPO en LNV is geconcludeerd dat het tempo van inrichting onvoldoende is om het doel in 2027 te behalen. Daarom hebben de provincies in samenspraak met het Rijk een Taskforce versnelling inrichting voor de NNN ingesteld. Het NPLG neemt de inrichting in 2027 op van 80.000 ha nieuwe natuur, conform het NNN op land24.

Hiermee wordt gestreefd naar het in samenhang uitvoeren van deze opgave voor realisatie van nieuwe natuur, zodat realisatie van NNN bijdraagt aan de doelen voor natuur, water en klimaat. Het realiseren van deze opgave is daarbij zowel een natuurdoel, als een middel om bij te dragen aan de hoofddoelen. Bij de uitbreiding van het NNN kan de opgave voor het te ontwikkelen areaal voor een gSvI (VHR-doelbereik) zoveel mogelijk in samenhang uitgewerkt worden. Ook is er een sterke overlap met de Bossenstrategie, waarbij de uitbreiding van nieuw bos deels moet gebeuren conform het NNN. Verder dient in de provinciale uitwerking van de NNN-opgave rekening gehouden worden met de bijdrage aan koolstofopslag in vegetatie en met de effecten op waterkwaliteit en watervasthoudend vermogen (KRW). Bij het maken van ruimtelijke keuzes voor het realiseren van NNN zijn de structurerende keuzes uit het NPLG leidend. De structurerende 21 Zie: https://www.natura2000.nl/beschermde-natuur 22 Dit is gelijk aan andere KRW-doelen, waarbij voor een waterlichaam de slechtst presterende conditie bepaalt

of het waterlichaam wel of niet aan de wettelijke normen voldoet. 23 Voor achtergrondinformatie en voortgang betreffende het NNN zie de voortgangsrapportage NNN van IPO

en LNV. 24 De opgave voor grote wateren en Caribisch gebied vallen buiten de scope van het NPLG.

34

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

keuze voor inpassen arealen voor nieuwe natuur en agrarische natuur heeft hierbij de meest directe koppeling. Verder is er een belangrijke koppeling in de ruimtelijke uitwerking met de structurerende keuzes voor overgangsgebieden, groenblauwe-dooradering en het water- en bodemsysteem bij uitwerken van locaties voor uitbreiding van NNN. Verdere provinciale uitwerking van het Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de ontwikkeling en beheer van natuurgebieden (conform NNN). De provincies hebben de ambitie om meer natuur te realiseren dan is afgesproken in het Natuurpact. Opgeteld komen de provinciale ambities voor eind 2027 uit op 86.139 hectare nieuwe natuur (conform NNN), wat zorgt voor een totaal aan natuur van 743.850 ha in Nederland (conform NNN). Deze ambities moeten nog wel navolging krijgen in de realisatie van nieuwe natuur (conform NNN). De verdeling van realisatie NNN per provincie is gebaseerd op de provinciale ambities, samen optellend tot 40.571 ha nog in te richten nieuwe natuur in het NNN in de periode tot en met 2027. Ondanks deze hogere provinciale ambitie blijft de taakstelling van het Rijk echter 34.432 ha. Tabel 2.4 geeft een overzicht van de regionale verdeling voor realiseren van nieuwe natuur (conform NNN). Tabel 2.4: Regionale verdeling van doelstellingen realisatie NNN tot en met 2027

Resterende opgave nieuwe natuur conform NNN* (ha)

Totaal areaal natuur conform NNN in 2027 (ha)

Drenthe

6.856

67.934

Flevoland

105

26.376

Friesland

3.963

86.664

Gelderland

2.672

136.417

Groningen

2.723

24.122

Limburg

1.269

50.933

Noord-Brabant

8.742

128.133

Noord-Holland

4.407

56.577

Overijssel

3.679

63.224

Utrecht

2.165

33.673

Zuid-Holland

3.270

40.537

Zeeland

720

29.258

Totaal in ha

40.571

743.85025

* Deze restantopgave is gebaseerd op de 8e Voortgangsrapportage Natuur (VRN) van LNV en provincies, die de stand van zaken weergeeft op 31 december 2021. Deze verdeling van de restantopgave is gebaseerd op de ambitie voor realisatie NNN per provincie. Dit betekent dat er nog een taakstelling vanuit het Rijk voor provincies is van 34.432 ha, terwijl provincies een ambitie hebben van 40.571 ha.

2.1.5

Bossenstrategie In het Klimaatakkoord is afgesproken dat Rijk en provincies samen een Bossenstrategie opstellen. In 2020 hebben Rijk en provincies deze Bossenstrategie26 via een bestuurlijk akkoord vastgesteld en afgesproken om maatregelen te treffen die bijdragen aan biodiversiteitsherstel in het Nederlandse bos en die zorgen voor meer koolstofopslag. De Bossenstrategie draagt daardoor bij aan de wettelijke opgave uit de klimaatwet om CO2-emissie te verminderen en meer CO2 op te slaan. Uitbreiding en herstel van bossen kan daarnaast bijdragen aan ecosysteemdiensten - zoals verbeterde waterkwaliteit (KRW) en ruimte voor recreatie - en een bredere bijdrage aan de circulaire economie. Het NPLG 25 Vanwege afrondingsverschillen per provincie wijkt het totaal in ha af van de optelsom per individuele

provincie. 26 Zie: Bossenstrategie

35

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

neemt de belangrijkste ambities uit de Bossenstrategie over27. De uitvoering van de Bossenstrategie kan namelijk bijdragen aan de natuur-, water- en klimaatdoelen van het NPLG, en daarnaast aan alternatieve verdienmodellen voor de landbouw zoals biobased productie en agroforestry. De doelen vanuit de Bossenstrategie die centraal staan zijn: • 37.400 ha nieuw bos in 2030. Dit betekent van 363.800 ha bestaand bos in Nederland in 2021 naar 401.200 ha in 2030, een toename van 10% bosareaal tot 203028 • 14.000 extra ha bos met natuurfunctie in 2030. Dit kan als onderdeel van de 37.000 hectare nieuw bos, of door het omvormen van bestaand productie- en multifunctioneel bos naar bos met natuurfunctie. Het gaat hierbij om bossen met beheertype N01, N14 en N1529. In 2020 is er circa 140.000 ha bos met natuurfunctie en dit stijgt naar circa 155.000 ha bos met natuurfunctie in 2030 • In 2030 het bestaande bos waar nodig te revitaliseren. Hierbij is geen specifieke areaalopgave voor te revitaliseren bos meegegeven (zie voor nadere toelichting Bossenstrategie28) De Bossenstrategie is een doel op zichzelf, maar is ook een middel voor het realiseren van de hoofddoelen van het NPLG. Hierdoor kan werk-met-werk gemaakt worden. Hierbij is zowel de koppeling met VHR-doelen en de koppeling met de klimaatopgave cruciaal.

Maar voor de VHR-opgave is de specifieke locatie van bosherstel en het type bos/habitat belangrijker dan voor de bijdrage aan de klimaatopgave. In de ruimtelijke uitwerking en in de keuze voor types bos staat hierbij VHR-doelbereik centraal. Provincies wordt meegegeven in de gebiedsprogramma’s de opgaven voor Bossenstrategie en VHR-doelbereik zoveel mogelijk te koppelen. De nieuw te realiseren habitat voor VHR-doeleinden wordt dan waar mogelijk ingevuld met de Bossenstrategie. Er zijn meerdere kennisrapporten beschikbaar om uit te putten voor het koppelen van de Bossenstrategie met de opgave van biodiversiteitsherstel en om de mogelijke bijdrage per provincie te duiden30. De Bossenstrategie is ook onderdeel van de klimaatopgave voor bomen, bos en natuur (BBN), en daarmee onderdeel van het klimaatdoel landgebruik binnen het NPLG (zie paragraaf 2.4.4). Als laatste kunnen maatregelen in de Bossenstrategie ook bijdragen aan KRW-doelen. Ook hier geldt dat waar mogelijk provincies in gebiedsprogramma’s de koppeling vinden tussen Bossenstrategie en KRW-doelen. Bij het maken van ruimtelijke keuzes voor het realiseren van nieuw bos zijn de structurerende keuzes uit het NPLG leidend. De structurerende keuze voor inpassen arealen voor nieuwe natuur en agrarische natuur heeft hierbij de meest directe koppeling.

Verder is er een belangrijke koppeling in de ruimtelijke uitwerking met de structurerende keuzes voor overgangsgebieden, groenblauwe-dooradering en het wateren bodemsysteem bij uitwerken van locaties voor uitbreiding van bossen.

27 De Bossenstrategie en Aanvalsplan landschappen streven ook naar de realisatie van GBDA in het landelijk

gebied. Dit doel is apart opgenomen in paragraaf 2.4. 28 De Bossenstrategie uit 2020 stelt ook als doel om het areaal bos met 10% te vermeerderen. In de

Bossenstrategie is de ambitie vastgelegd om het oppervlak bos met 37.000 ha uit te breiden tot 407.000 ha in 2030. LNV neemt in haar begroting als startpunt het areaal bos in 2021, waardoor de beoogde toename van het bosareaal leidt tot ca. 401.200 ha in 2030 (zie voor meer achtergrond compendium voor de leefomgeving). 29 Zie voor de precieze definitie van beheertypen bos de Index Natuur en Landschap. Bos met natuurfunctie

kan zowel binnen als buiten het NNN aangelegd worden (zie ook subdoelen). Hoe meer koppeling er gemaakt wordt tussen deze opgaves in de uitwerking, hoe meer werk-met-werk gemaakt kan worden. 30 Bijvoorbeeld een rapport over de koppeling tussen Bossen en VHR-doelbereik, tussen Bossen en

KRW-opgave in beekdalen, en een rapportage over de voortgang van de Bossenstrategie in 2021.

36

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

Bij de uitwerking van het doel om 37.400 ha nieuw bos te realiseren moet rekening gehouden worden met de volgende subdoelen: • 15.000 ha nieuw bos (conform NNN) in 2030. Dit betekent binnen de beoogde uitbreiding van het NNN in 2027. Dit kan gerealiseerd worden door omvorming van bestaande natuur (conform NNN) óf door uitbreiding van het NNN. Deze opgave wordt primair uitgevoerd binnen de kaders van het Natuurpact, en waar mogelijk gekoppeld met de VHR-opgave voor bos. Wanneer de eisen van het specifieke habitattype niet overeenkomen met de mogelijkheden in de specifieke provincie binnen het al begrensde NNN, dan kan dit bostype ook in de PAS-compensatie of buiten het NNN ontwikkeld worden. Compensatie van bos telt niet mee voor deze doelstelling. • 3.400 ha nieuw bos ter compensatie van bos dat is verdwenen in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Het gaat hierbij om het compenseren van bosareaal dat verdwenen is in de periode vanaf 2017 tot en met de nog te kappen bossen tot 2030. Deze opgave wordt uitgevoerd en gefinancierd via het Programma Natuur. De eerste 20% van deze opgave is al verdeeld per provincie, de resterende 80% van de opgave volgt bij de tweede tranche van het Programma Natuur in 2024. Deze opgave moet zoveel mogelijk buiten het NNN gerealiseerd worden. • 19.000 ha nieuw bos buiten het bestaande en nog te realiseren NNN.

Ook hierbij is er de mogelijkheid tot koppeling met VHR-doelbereik. Deze opgave kan deels worden ingevuld met het uit te breiden areaal voor een gSvI per VHR-soort, wanneer deze betrekking hebben op bosarealen. Compensatie van bos telt niet mee voor deze doelstelling.

Agroforestry in Bossenstrategie en NPLG Agroforestry biedt kansen om koolstof vast te leggen, en daarnaast om landbouw en natuur te verbinden. In de Bossenstrategie is met provincies afgesproken om agroforestry – als innovatieve vorm van landbouw – te stimuleren. Door veehouderij, akkerbouw of groenteteelt te combineren met houtigen (bomen en struiken) kunnen verdienmodellen worden versterkt en verbreed, en kan tegelijkertijd worden bijgedragen aan een oplossing voor de verschillende opgaven in een gebied. Agroforestry kan ook een belangrijke rol spelen in het verdienmodel van agrariërs in extensieve en natuurinclusieve landbouwgebieden. In de Bossenstrategie wordt gestreefd naar het realiseren van 26.000 ha agroforestry in 2030, waarvan 1.000 ha voedselbossen. Deze streefgetallen zijn echter geen onderdeel van de NPLG-doelen.

Verdere provinciale uitwerking van de Bossenstrategie In de eerste versie van de provinciale gebiedsprogramma’s (juli 2023) hebben provincies doelen opgenomen voor bosuitbreiding als onderdeel van de 37.400 ha bosuitbreiding in de Bossenstrategie. Het totaal hiervan telt op tot 32.820 ha. Deze hectares worden als indicatief areaal opgenomen voor de verdeling van de hectares nieuw bos in het NPLG. Het resterend areaal van 4.580 ha wordt op een later moment in overleg met de provincie verdeeld. Op basis van deze plannen heeft het Rijk voor het NPLG een regionale verdeling van de Bossenstrategie gemaakt (tabel 2.5).

37

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

Tabel 2.5: Regionale verdeling Bossenstrategie

Binnen NNN

Buiten Compensatie NNN

Totaal bosuitbreiding per provincie

Opgave NPLG nationaal

15.000

19.000

3.400

37.400

Drenthe

2.000

1.700

200

3.900

Flevoland

64

600

-

664

Friesland

223

315

-

538

Gelderland

1.092

-

1.108

2.200

Groningen

75

300

-

375

Limburg

1.250

2.250

145

3.645

Noord-Brabant

8.000

4.111

811

12.922

Noord-Holland

140

1.398

60

1.598

Overijssel

500

2.000

1.400

3.900

Utrecht

724

724

52

1.500

Zeeland

205

205

4

414

Zuid-Holland

150

1.000

14

1.164

14.423

14.603

3.794

32.820

577

4.397

-394

4.580

Totaal Nationaal Nog te verdelen hectares nationaal

De realisatie van de uitbreiding van de Bossenstrategie ligt primair bij provincies. Het Rijk kan hieraan bijdragen door het beschikbaar stellen van rijksgronden voor bosuitbreiding. Het Rijk zal zich inzetten om interdepartementale afspraken te maken met grondbezittende Rijkspartijen (I&W, Rijkswaterstaat, BZK, rijksvastgoedbedrijf). De doelen voor 14.000 ha bos met natuurfunctie en het waar nodig te revitaliseren bos zijn niet provinciaal verdeeld. De 14.000 ha bos met natuurfunctie kan gerealiseerd worden als onderdeel van de 37.400 ha bosuitbreiding, en heeft een koppeling met de uitbreiding natuurarealen voor de VHR (primair de opgave voor vochtige en droge bossen).

2.2

Water en bodem Vele eeuwen geleden zijn we als land gestart met het aanpassen van ons land aan onze behoeften. We beschermden ons met dijken, we maalden de polders droog, we trokken de beken en rivieren recht en we groeven talloze sloten om het water zo snel mogelijk af te voeren. Steeds minder hadden we het te doen met de grillen van de natuurlijke omstandigheden en bleken we in staat om water en bodem grotendeels naar onze hand te zetten. Dat heeft ons land heel veel gebracht en daar zijn we terecht trots op. Het vertrouwen in de maakbaarheid van ons landschap is groot en verbonden met onze cultuur en identiteit. Maar inmiddels lopen we door klimaatverandering en het steeds intensievere landgebruik, meer en meer tegen de grenzen aan van wat het water- en bodemsysteem nog kan leveren. Bodemdaling, wateroverlast maar ook verdroging en lage waterstanden zorgen voor grote risico’s voor de voedselproductie en zijn één van de oorzaken van de verslechtering van de natuur. De natuurlijke rijkdom van onze delta ligt aan de basis van ons succes. Voor een toekomst van onze landbouw op een vruchtbare bodem, voor het voortbestaan van onze natuur en voor onze leefbaarheid in de brede zin, zijn schoon en voldoende water en een gezonde bodem dan ook absolute randvoorwaardes.

Om deze natuurlijke rijkdom ook voor de volgende generaties te behouden moeten we de ruimtelijke inrichting en het gebruik van het landelijk gebied baseren op de draagkracht van het water- en bodemsysteem. De

38

—

Doelen

Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied

stijgende zeespiegel, verzilting, het steeds extremere weer maar ook de door ons zelf in gang gezette bodemdaling dwingen ons om duurzame ruimtelijke keuzes voor de lange termijn te maken. Het NPLG richt zich primair op het realiseren van de bestaande internationale afspraken voor natuur, water en klimaat en baseert ruimtelijke keuzes op het water- en bodemsysteem in het landelijk gebied. In samenhang met de opgaves voor klimaat en natuur werkt het NPLG aan een duurzame inrichting van het landelijk gebied en de landbouwsector voor een gezond water- en bodemsysteem. Een gezonde bodem is een belangrijke basis en voorwaarde voor het realiseren van NPLG-opgaven in de landbouw. In de navolgende paragrafen specificeren we de waterdoelen die opgenomen zijn in het NPLG, en de klimaatopgave voor veenweidegebieden en minerale landbouwbodems. Daarbij richten we ons primair op opgaven voor de landbouw in het landelijk gebied vanwege de samenhang met doelen voor natuur en klimaat. Het Deltaprogramma, het Nationaal Programma Landbouwbodems en het PAGW werken allen tezamen aan een duurzame inrichting, een duurzame benutting en bescherming van het water- en bodemsysteem. In het hoofdstuk structurerende keuzes staat hoe het water- en bodemsysteem een cruciale pijler is voor de uitwerking van de NPLG-doelen en de toekomstige ruimtelijke inrichting van het landelijk gebied.

Bodems en het watersysteem verschillen van plek tot plek. Bovendien is de wijze van uitvoering van een maatregel van minimaal even groot belang als de selectie van de juiste maatregel. Wat welke bodem nodig heeft, vereist dus maatwerk. Maatwerk voor duurzaam bodembeheer betekent ook dat bij een gezonde bodem het erom gaat wat de bodem qua voeding en verzorging nodig heeft – en niet om wat de bodem aan kan – zodat de bodem ook toekomstige generaties kan voorzien van zoveel mogelijk voedsel en ecosysteemdiensten. Daarbij is het cruciaal dat provincies samenhang en gebiedsgericht invulling geven aan de NPLG-doelen vanuit het water- en bodemsysteem en rekening houdend met een veranderend klimaat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13857582/1