20230704 Raadsbrief Voortgangsbericht project Getij Grevelingen Bijlage RWS-2023 13781 Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Tekst van het document
5.4. Resultaten vergelijking van de varianten voor extra indicatoren Voor de keuze van extra indicatoren heeft Sweco in eerste instantie gekeken naar de PAGW-indicatoren, aangezien het project onderdeel is van dit programma. Daarnaast is gekeken naar eventuele overige indicatoren die van belang zijn voor het ecologisch functioneren van de Grevelingen. De beoordeling van deze indicatoren heeft indicatief plaatsgevonden op basis van de beschikbare informatie en analyse door deskundigen.
26
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
In onderstaande Tabel 5 is de indicatieve beoordeling voor de PAGW-indicatoren en aanvullende indicatoren samengevat. Uit de analyse blijkt dat de PAGW-indicator Verbindingen en de aanvullende systeemindicatoren Beggiatoa en Vissen een relevante aanvulling zouden kunnen zijn op de eerder geselecteerde indicatoren. Tabel 5: Overzicht van de vergelijking van alle varianten ten opzichte van A1 in het kader van overige indicatoren voor situatie 2030. Blauwe indicatoren betreffen indicatoren die zijn meegenomen aanvullend op de doelbereikindicatoren uit de opdracht aan de Taskforce.
Bij de meegenomen PAGW-indicator Verbindingen gaat het om het verbinden van leefgebieden binnen een waterlichaam, tussen waterlichamen, en ook tussen het water en het achterland. Sweco heeft de aanvullende systeemindicatoren Beggiatoa, Primaire productie en Vissen afgeleid aan de hand van onderstaand Schema 1. Schema 1: Overzicht van relaties tussen relevante indicatoren. In groen de eerder geselecteerde indicatoren, in geel potentiële extra indicatoren.
27
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
In Schema 1 zijn de relaties weergeven tussen de doelbereikindicatoren en andere relevante indicatoren, die op directe of indirecte wijze van invloed zijn op het beoogde verbeterde ecologische systeem. Uit dit overzicht blijkt dat Beggiatoa als negatieve indicator en Primaire productie en Vissen nog als specifieke positieve indicatoren zouden kunnen worden toegevoegd aan de bestaande indicatoren. Deze zijn deels gerelateerd aan andere indicatoren, maar zijn ook zelfstandig van betekenis voor een beter functionerend ecologisch systeem. De aanwezigheid van Beggiatoa is gerelateerd aan zuurstofloosheid in de bodem en zuurstof in de waterkolom bij de bodem. Hiermee ligt er een extra directe link tussen de zuurstofindicatoren en een beter functionerend ecologische systeem, naast de link tussen de zuurstofindicatoren en bodemdieren. Verondersteld wordt dat daar waar sprake is van een afname van de indringdiepte in de bodem de kans op Beggiatoa toeneemt en hiermee de biodiversiteit aan bodemdieren afneemt. Het is echter mogelijk, dat de toename aan bodemetende bodemdieren zorgt voor extra omwoeling van de bodem, waardoor de zuurstofindringdiepte juist toeneemt en hiermee de kans op Beggiatoa weer afneemt.
In de beoordeling is vanuit een risicobenadering uitsluitend gekeken naar de kans op Beggiatoa als gevolg van veranderingen in de indringdiepte, zonder de mogelijke positieve effecten van omwoeling van de bodem mee te wegen.
Beggiatoa bacteriën, foto Bureau Waardenburg
Beggiatoa bacteriën, foto Bureau Waardenburg
28
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
De Primaire productie is voor een goed functionerend ecologisch onderwatersysteem van groot belang, omdat deze de basis is van de gehele voedselketen in het watersysteem, die uit meer soortengroepen bestaat dan de hiervoor beoordeelde indicatoren (bijvoorbeeld vissen). De veranderingen in primaire productie zijn met name gerelateerd aan de veranderingen in concentratie van nutriënten. De toename aan nutriënten is op zijn beurt met name gerelateerd aan de mate van wateruitwisseling. Vissen zijn een belangrijke schakel in de voedselketen naar vogels en zeezoogdieren, maar dragen zelf ook direct bij aan goed functionerend ecologisch systeem en zijn hiermee een relevante extra indicator. Het voorkomen van vissen is met name afhankelijk van de aanwezige verbindingen tussen waterlichamen, het zoutgehalte en de aanwezigheid van leefgebieden. De biomassa is vooral gerelateerd aan de voedselbeschikbaarheid. Al deze factoren zijn weer gerelateerd aan de mate van wateruitwisseling. Op basis van deze factoren is de beoordeling van Vissen voor alle varianten ten opzichte van variant A1 gedaan met onderscheid naar bodemvissen en pelagische vissen (vissen die in de open zee en in kustwateren leven, veelal op enige afstand van de kust en van de (zee)bodem). 5.5.
Beoordeling van effectiviteit van varianten op basis van afwegingsindicatoren Om de effectiviteit van de varianten op een evenwichtige manier te beoordelen is het noodzakelijk om te bepalen welke indicatoren in de afweging worden meegenomen en welke onderlinge weging er aan de indicatoren wordt toegekend. Om te komen tot een evenwichtige afweging is gekozen voor een set van biotische indicatoren, waarbij de niet-biotische indicatoren zijn vertaald naar biotische factoren. De biotische indicatoren zijn daarnaast uitgebreid met aanvullende biotische indicatoren, die van belang zijn voor een beter functionerend ecologisch systeem Grevelingen. Hierbij zijn alleen die indicatoren geselecteerd die van zelfstandig belang zijn, om dubbelingen in de beoordeling te voorkomen. Op grond hiervan zijn de indicatoren Verbindingen en Primaire productie afgevallen. De indicatoren Beggiatoa (afname) en Vissen zijn toegevoegd, omdat deze belangrijk zijn voor een beter functionerend ecologisch systeem. De zuurstofindicatoren worden beschouwd als rekenindicatoren en zijn op indirecte wijze van invloed. Vissen zijn toegevoegd als extra doelbereikindicator, omdat deze van zelfstandig belang zijn en omdat hiermee ook de fysieke verbinding met de omgeving en het mogelijke effect hiervan op de biodiversiteit een rol krijgt in de beoordeling.
In onderstaande Tabel 6 is de beoordeling van de rekenindicatoren direct of indirect vertaald naar de beoordeling van effectiviteit op basis van de afwegingsindicatoren. Hierbij is de beoordeling van A0 niet weergegeven, omdat dit een referentiesituatie betreft en geen keuzevariant. De beoordeling is weergegeven in relatieve zin ten opzichte van A1 inclusief maatregelen en adaptatiestappen.
29
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Tabel 6: De onderlinge relatieve vergelijking van de varianten ten opzichte van A1 op basis van afwegingsindicatoren in de situaties 2030 en 2080. ++ = sterk positief, +/++ = positief tot sterk positief + = positief, 0/+ beperkt positief, 0 = geen wezenlijk verschil, 0/- beperkt negatief, - = negatief, -/-- = negatief tot sterk negatief, -= sterk negatief.
[De rode lijn, toegevoegd door de Taskforce, markeert de grens tussen geen verandering (0) en een lichte verbetering (0/+). Per doelbereikindicator geeft de lijn aan waar de grens ligt tussen een variant die verbetering oplevert en een variant die dat niet doet.]
5.6. Betrouwbaarheid en leemtes in kennis De effectvoorspellingen zijn opgesteld met behulp van modelsimulaties en expert inschattingen. Door Deltares en WMR is specifieke aandacht gegeven aan de betrouwbaarheid van de voorspellingen en waar leemtes in kennis deze beperken (zie referenties C3, E1 en E2). De modelsimulaties zijn door Deltares en WMR opgezet met de best beschikbare kennis. De mogelijkheden en beperkingen hiervan worden over het algemeen goed begrepen. Kalibratie en validatie van deze modellen is uitgevoerd waarbij gemeten waterbeweging, stratificatie en het verticale zuurstofprofiel goed worden gereproduceerd. Deze metingen beperken zich wel tot de diepe delen, van ondiepe delen zijn deze niet beschikbaar.
30
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
De hoofdlijn van de betrouwbaarheid is gegeven in Tabel 7:
Effecten op huidig areaal boven water (ecotopen, habitats) Bovenste deel waterkolom (boven ca. NAP -10 m) Middelste deel van de waterkolom (tussen ca. NAP -10 en -15 m) Onderste deel van de waterkolom (onder ca. NAP -15 m) Waterbodem (alle dieptes)
Betrouwbaar voor absolute vergelijking van varianten X
Betrouwbaar voor relatieve vergelijking van varianten
X X X X
Tabel 7 Betrouwbaarheid effectvoorspellingen (zie ook referentie C3, E1 en E2)
De belangrijkste geïdentificeerde kennisleemte is de interactie van de waterkolom met de waterbodem en het bodemleven in de ondiepe delen (tot NAP -10 m). Dit is de reden dat hiervoor alleen een relatieve vergelijking tussen varianten mogelijk is (beter/slechter). Een effectvoorspelling in absolute zin (voldoet wel of niet aan een criterium) is op basis van de huidige kennis niet mogelijk. Voor de vergroting van de betrouwbaarheid is als eerste een verdieping van systeemkennis van de bodemdiergemeenschap in deze ondiepe delen nodig. Naast de betrouwbaarheid van de modelsimulaties speelt ook de jaarlijkse variatie een rol. De effectvoorspellingen zijn nu uitgevoerd voor het referentiejaar 2017. Keuze voor een ander jaar zal naar verwachting in hoofdlijn vergelijkbare relatieve uitkomsten geven, maar kan in absolute zin afwijken. 5.7. Dempend effect van getij op temperatuurstijging water De ecologische effectiviteit van de varianten is bepaald zonder rekening te houden met de invloed van (lucht)temperatuurstijging als gevolg van klimaatverandering. Door klimaatverandering wordt verwacht dat milde winters en hete zomers vaker op zullen treden. Volgens de KNMI 2014 klimaatscenario’s zal in 2050 de gemiddelde temperatuur met 1 – 2 °C zijn gestegen. Ook het aantal zomerse en tropische dagen per jaar zal toenemen.
Door de temperatuurstijging zal het groeiseizoen (als de gemiddelde temperatuur boven 5°C komt) langer worden: het begint eerder in het jaar en zal in het najaar langer aanhouden. Voor de autonome ontwikkeling wordt verwacht dat tijdens de steeds hetere zomers de watertemperatuur in de oppervlaktelaag zal toenemen. Hierdoor ontstaat er een sterkere mate van stratificatie in het watersysteem waardoor het zuurstofarme areaal groter wordt. Door de temperatuurstijging kunnen deze zuurstofloze omstandigheden eerder in het jaar voorkomen en langer aanhouden. Ten opzichte van de huidige situatie wordt daarom verwacht dat de temperatuurstijging een negatief effect heeft op het zuurstofarme areaal in de Grevelingen. De temperatuur van de Noordzee zal ook reageren op de luchttemperatuurstijging. De Noordzee is vanwege zijn omvang wel minder gevoelig voor tijdelijk hogere temperaturen, zoals nu ook het geval is. De uitwisseling van water met de (minder warme) Noordzee heeft daarom een dempende werking op de temperatuurstijging
31
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
van het water in het Grevelingen. Daarmee wordt ook de toename van stratificatie en zuurstofloos areaal gedempt. Hoe groter de uitwisseling (lees: getijslag) met de Noordzee, hoe kleiner de effecten van temperatuurstijging zullen zijn. Ten opzichte van de autonome ontwikkeling hebben alle taskforce varianten dus een indirect positief effect op het zuurstofarme areaal. Voor de varianten geldt: hoe groter de getijslag, hoe groter dit positieve effect. 5.8. Eindoordeel ecologische effectiviteit De effectiviteit van de onderzochte varianten is in beeld gebracht ten opzichte van de A1 referentiesituatie, aan de hand van indicatoren die van belang zijn voor een beter functionerend ecologisch systeem Grevelingen. In hoeverre scoort een variant beter dan de referentiesituatie? Er kan geen oordeel gegeven worden over de betekenis van de verschillen in absolute zin. Daarvoor is een normenkader nodig dat (nog) niet bestaat. Op onderdelen ontbreekt ook kennis om in absolute zin effecten te kwantificeren. Wel kan op basis van een relatieve vergelijking worden aangegeven of een variant beter scoort dan de referentiesituatie. Daarbij moet rekening worden gehouden met de betrouwbaarheid van de voorspelling. Wat betreft de beoordeling wordt onderscheid gemaakt in bovenwaternatuur, getijdenatuur, onderwaternatuur en een integrale beoordeling.
Voor de bovenwaternatuur is er wat betreft overige habitattypen en soorten voor zowel 2030 als 2080 inclusief maatregelen geen winst of verlies. In dit kader scoren alle varianten gelijk. Voor broedvogels en niet-broedvogels leidt een toename in peilfluctuatie tot een groter voedselaanbod en uitbreiding van het foerageergebied. Dit is van belang voor de instandhoudingsdoelstelling Natura2000 voor deze vogelsoorten. Variant B3 scoort van de B-varianten het hoogst vanwege de grootste peilfluctuatie. Variant A3 leidt tot een onregelmatige peilfluctuatie waardoor de geschiktheid van het foerageergebied niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Ten aanzien van de getijdenatuur (zilte graslanden, pionier vegetaties en nietbroedvogels) is er voor alle varianten sprake van winst, die min of meer evenredig is met de peilfluctuatie. Variant A3 scoort voor getijdehabitats het hoogst vanwege het ontstaan van een groot nieuw areaal, maar wel ten koste van het bestaande. De B-varianten zijn onderling niet onderscheidend. De winst wordt in 2080 bij de Bvarianten ondanks de adaptatiestappen beperkt door zeespiegelstijging, omdat de zilte habitats in de getijdezones niet onbeperkt kunnen opschuiven naar boven. Bij de tweede adaptatiestap in 2066 zal dat opschuiven beperkt worden doordat de bodem hogerop humusrijker is.
Voor de onderwaternatuur (Beggiatoa, bodemdieren, vissen) variëren de effecten van negatief tot positief. De B1 variant leidt zowel in 2030 als 2080 tot een negatief effect op de zuurstofloosheid aan de bodem. Bij de B2 variant is de effectiviteit voor zuurstofloosheid in 2030 min of meer gelijk aan A1, maar is deze door de autonome verbetering van A1 in 2080 alsnog negatief. B3 is de enige variant waarbij er geen negatieve effecten optreden voor zuurstofloosheid in 2030 en 2080. De effecten op het zuurstofgehalte hebben betrekking op de diepere delen van de Grevelingen, die maar een beperkt deel van het totale areaal beslaan. Voor bodemdieren en vissen scoren alle varianten positief, de mate waarin is bij de B-varianten gerelateerd aan de grootte van de peilfluctuatie. Variant A3 scoort in dit opzicht lager dan de Bvarianten. Hiermee leveren alle varianten een positieve bijdrage aan de KRWmaatlatten macrofauna en vis.
32
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Op basis van de betrouwbaarheid van de effectvoorspellingen (zie paragraaf 5.6) is een verslechtering van de zuurstofindexscore (Tabel 3) niet aan te bevelen. Deze voorspelling is immers grotendeels in absolute zin betrouwbaar. Hierdoor vallen varianten A3 en B1 af. In samenhang met de andere indicatoren wordt een significant positief effect verwacht van minimaal variant B2, en vooral van variant B3. Het effect van temperatuurstijging bij klimaatverandering is niet meegenomen bij deze beoordeling. Op basis van een kwalitatieve beschouwing wordt verwacht dat in de autonome ontwikkeling een vergroting van het zuurstofloze areaal kan worden verwacht. Een vergroting van de getijslag heeft hierop een dempend effect vanwege de wateruitwisseling met de koelere Noordzee.
Bij de integrale beoordeling van de effectiviteit, met een gelijke weging van alle doelbereikindicatoren, scoren alle varianten positief ten opzichte van de referentievariant A1. Van alle varianten kan een dempend effect op de negatieve gevolgen van temperatuurstijging van het water worden verwacht. De variant A3, waarbij het getij vrij wordt gelaten met inzet van de bestaande doorlaatmiddelen, scoort minder goed dan de B-varianten. Bij de B-varianten onderling is de integrale effectiviteit min of meer in lijn met de toename aan peilfluctuatie: hoe groter de gerealiseerde getijslag hoe groter de effectiviteit ten opzichte van de referentie A1. Daarmee kan de rangorde in afnemende effectiviteit ten opzichte van referentievariant A1 als volgt worden beoordeeld: o B3 - B2 - B1 - A3. Varianten B1 en A3 geven op het onderdeel zuurstof in de waterkolom een verslechtering ten opzichte van referentievariant A1. Deze varianten raadt de Taskforce af.
Gezonde onderwaternatuur, voorbeeld Oosterschelde
33
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
6 Doorlaatmiddel, infrastructuurmaatregelen en natuurmaatregelen
6.1. Introductie Bij de varianten B1, B2 en B3 is sprake van een vergroting van de getijslag naar respectievelijk 20, 30 en 40cm. Daarvoor is aanleg van een nieuw doorlaatmiddel noodzakelijk, waarbij de omvang wordt bepaald door de grootte van de getijslag. Het vergroten van de getijslag vraagt om aanpassing van de peilbeheergrenzen. Beide zullen ongewenste effecten hebben op de aanwezige infrastructuur (vaarwegen, haven, oevers ed.) en de (bovenwater)natuur (broedgebieden, habitats ed.). De maatregelen om deze ongewenste effecten weg te nemen zijn per variant samengevat in de pakketten Maatregelen Infrastructuur en Maatregelen Natuur. Door de zeespiegelstijging neemt de gemiddelde getijslag in de loop van de tijd af. De afname kan worden voorkomen door via adaptatiestappen de peilbeheergrenzen stapsgewijs te verhogen. Deze adaptatiestappen hebben ook gevolgen voor de infrastructuur en natuur. In de maatregelenpakketten zijn daarom voor iedere variant de maatregelen uitgewerkt voor het scenario geen adaptatie en het scenario meestijgen, voor de zichtjaren 2030 tot en met 2080. In dit hoofdstuk worden op hoofdlijnen de omvang, het ontwerp én de kosten van zowel het nieuwe doorlaatmiddel als de maatregelenpakketten Infrastructuur en Natuur gepresenteerd op het niveau van een voorkeursalternatief (VKA).
NB: omdat er in 2020 reeds een voorkeursalternatief (VKA) is vastgesteld en daarna nog een verbeterd voorkeursalternatief (V-VKA) is uitgewerkt, is hier gekozen voor de benaming Taskforce Voorkeursalternatief, afgekort tot TF-VKA. Hiermee wordt onderscheid gemaakt tussen de eerder uitgewerkte voorkeursvarianten en de Taskforce versie van de voorkeursvariant.
Figuur 6 locatie doorlaat Brouwersdam
34
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
6.2. Doorlaatmiddel Brouwersdam Het nieuwe doorlaatmiddel in de Brouwersdam dient conform het VKA besluit gerealiseerd te worden aan de noordzijde van de Brouwersdam (binnen een zoekgebied van 800 meter, zie Figuur 6). De wateruitwisseling tussen de Noordzee en de Grevelingen vindt onder vrij verval plaats. Het waterstandsverschil aan weerszijden van het doorlaatmiddel is daarbij bepalend voor de in- en uitstroom per getijfase. Doordat het gemiddelde peil op de Grevelingen lager ligt dan het gemiddelde peil op de Noordzee, is het spuivenster richting de Noordzee beperkt: er is minder lang sprake van een vrij verval, dus zal binnen relatief korte tijd veel water het Grevelingenmeer uitgelaten moeten worden. Het benodigde doorlaatoppervlak is afhankelijk van de beoogde getijslag en bepaalt daarmee de omvang van het doorlaatmiddel. In tabel 8 worden per variant het benodigde doorlaatoppervlak, het aantal kokers (op basis van 73 m2 per opening) en de daarbij behorende breedte van de doorlaat in de (lengterichting van de) Brouwersdam vermeld. Het Taskforce voorkeursalternatief (TF-VKA) is uitgewerkt voor variant B2, waarna de kosten voor variant B1 en B3 zijn afgeleid op basis van het aantal (meer of minder) benodigde kokers. Variant
Getijslag (cm)
Doorlaat oppervlak (m2)
Aantal kokers van 73 m2
breedte doorlaat (m)
B1
20 cm
292 m2
4
Ca. 78 m
B2
30 cm
803 m2
11
Ca. 213 m
B3
40 cm
1314 m2
18
Ca. 348 m
Tabel 8 omvang van het doorlaatmiddel bij de verschillende varianten
6.2.1. Programma van Eisen In het Programma van Eisen Doorlaatmiddel zijn eisen gesteld aan zowel het in stand houden van de huidige functies van de Brouwersdam: Keren water, Faciliteren verbinding (wegverbinding en kabels en leidingen) en Faciliteren omgeving, als eisen aan de toe te voegen functies: Doorlaten water (inlaten én spuien), Faciliteren van een gereguleerd waterpeil en Verbinden watersystemen t.b.v. fauna. De eisen aan het doorlaatmiddel zijn (voornamelijk) functioneel opgesteld, er is geen type doorlaatmiddel voorgeschreven (zie referentie H12). 6.2.2. Variantenstudie met Multi-Criteria-Analyse Voorafgaand aan de uitwerking van het TF-VKA is een variantenstudie uitgevoerd. Hierbij is een vijftal varianten aan doorlaatmiddelen (o.a. type koker-, hevel- en open doorlaat) uitgewerkt op een niveau van +/- 50% bandbreedte raming (zie referentie F3). Met behulp van een Multi-Criteria-Analyse (zie referentie F4) zijn de (doorlaatmiddel)varianten gewaardeerd op prestaties (zoals nauwkeurigheid peilbeheer, onderhoudbaarheid, adaptiviteit, veiligheid e.d.) en realisatiekosten. Op basis hiervan is gekozen voor een doorlaatmiddel bestaande uit meerdere nietverdronken kokers. Getijdevariant B2 is vervolgens uitgewerkt tot het TF-VKA. 6.2.3.
TF-VKA Ontwerp (variant B2) Het TF-VKA is gebaseerd op een open spuisluis principe, waarbij het dak van de kokers voldoende hoog ligt boven de waterspiegel, zodat er sprake is van stroming met een vrije waterspiegel (niet-verdronken kokers). Het benodigde
35
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
doorlaatoppervlak voor variant B2 wordt gerealiseerd met 11 openingen met elk een breedte van 14,3 m. In totaal is de breedte van de doorlaat in de Brouwersdam 213 m. Ontwerptekeningen worden gegeven in Figuur 8 en Figuur 9 (zie referentie F12). De dwarsdoorsnede (Figuur 8) is voor variant B1, B2 en B3 hetzelfde. Bij variant B1 en B3 zijn er respectievelijk minder of meer kokers (Figuur 9, en Tabel 8). Als keermiddel in de openingen is gekozen voor dubbele hefschuiven om de waterveiligheid te waarborgen. Verdere afmetingen en ontwerpkenmerken worden gegeven in Tabel 9. Uitgangspunt is aanleg in een open bouwkuip, waarbij gedurende de bouw altijd de waterkerende functie van de Brouwersdam in stand blijft. Tijdens de bouw worden de N57 en de parallelweg tijdelijk verlegd en zal de trambaan gestremd zijn. Na aanleg van het doorlaatmiddel worden de 5 verkeersverbindingen over de Brouwersdam (de recreatieweg, het fietspad, de N57, de parallelweg en de tramverbinding) teruggebracht op het doorlaatmiddel (zie Figuur 7). Met droogzetschotten aan beide uiteindes van de koker, kan een koker droog gezet worden voor onderhoud. Regulier onderhoud aan de schuiven kan plaatsvinden vanuit het schuivenhuis. Voor groot onderhoud aan de schuiven zullen de schuiven gedemonteerd en verwijderd dienen te worden uit het schuivenhuis middels een drijvende bok.
Figuur 7 huidige ligging infrastructuur (boven) en verlegde infrastructuur over het doorlaatmiddel (onder). NB in de bovenste figuur is in het dijklichaam ook de ligging van de caissons aangegeven. Deze zijn gebruikt tijdens de aanleg van de Brouwersdam en zullen moeten worden verwijderd voor het nieuwe doorlaatmiddel.
Figuur 8 dwarsdoorsnede doorlaatmiddel TF-VKA
36
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Figuur 9 bovenaanzicht en vooraanzicht doorlaatmiddel TF-VKA
TF-VKA ontwerp (B2) Effectief doorstroom oppervlak Aantal kokers Lengte kokers Breedte doorlaatmiddel Breedte per koker (dagmaat) Bovenzijde vloer (drempel) Onderzijde plafond Keermiddel Hoogte schuivenhuis Hoogte aandrijfcilinders op schuivenhuis Bodembescherming Grevelingenzijde Bodembescherming Noordzeezijde
803 m2 11 stuks 76 m 213 m 14,3 m NAP -6,0 m NAP +3,0 m Dubbele hefschuiven, c.a. 90 ton p/stuk NAP +14,38 m NAP + 24 m (maximaal) 290 m (lengte) 240 m (lengte)
Tabel 9 afmetingen en dimensies van doorlaatmiddel
Voor de raming van het doorlaatmiddel voor de varianten B1, B2 en B3 wordt verwezen naar Paragraaf 6.5.
37
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
6.3. Maatregelen Infrastructuur Onder de Maatregelen Infrastructuur vallen maatregelen die nodig zijn om negatieve effecten van de varianten op de infrastructuur weg te nemen. De maatregelen zijn onderzocht voor de varianten A3, B1, B2 en B3 (met eventuele adaptatiestappen). Binnen de Maatregelen Infrastructuur zijn door Sweco alleen die maatregelen uitgewerkt die in de verkenningsfase een kostenindicatie van 0,5 miljoen euro of meer hadden. Hieruit volgen 6 maatregelen. Daarnaast is onderzoek gedaan om mogelijke witte vlekken te onderzoeken. Bij het bepalen van de benodigde maatregelen is als uitgangspunt gehanteerd dat de objecten blijven voldoen aan de huidige functionele eisen. Achterstallig beheer en onderhoud behoren hier niet toe. De volgende 6 maatregelen zijn uitgewerkt door Sweco (zie referentie F6): 1. Steigers Wijziging in de hoogwaterstand in de Grevelingen heeft tot gevolg dat de steigers in het meer vervangen moeten worden om dezelfde functionaliteit te bieden. Dit wordt voorzien zodra de maximum peilgrens hoger is dan de huidige peilgrens. 2. Baggeren Verlaging van de minimum peilgrenzen leidt tot een reductie in de nautisch gegarandeerde waterdiepte voor de recreatievaart en de beroepsvaart. Havens en toegangsgeulen moeten daarom gebaggerd worden om dezelfde diepgang te garanderen. 3.
Dijken en kunstwerken Extreme waterstanden (1/1000 per jaar) van NAP + 1,0 m kunnen gevolgen hebben voor de achterliggende keringen. Na gesprekken met de Waterschap Hollandse Delta en Waterschap Schelde Stromen is het duidelijk geworden dat de extreme waterstanden geen verhoogd risico op inundatie (overstroming) zal opleveren. Wel kan sprake zijn van hogere schade tijdens extreme situaties12. 4. Veerstoepen Bij een verlaging van het laagwaterpeil zullen er veerstoepen in het Grevelingen aangepast moeten worden, zodat deze weer dezelfde toegankelijkheid kunnen bieden. 5. Port Zélande Bij deze maatregel is gekeken wat de effecten zijn op het vakantiepark Port Zélande. Hierbij is gekeken naar eventuele grondwaterproblemen tijdens regulier operationeel peilbeheer en overstromingsrisico bij de extreme 1/1000 per jaar situatie. 6. Indirecte oeververdedigingen Infrastructuur Om ook bij een hoger waterpeil dezelfde functie te kunnen vervullen, zullen de indirecte oeververdedigingen (langsdammetjes van breuksteen) moeten worden verhoogd (conform de verhoging in het maximale peilbeheer). In Tabel 10 wordt voor de verschillende varianten de omvang van de benodigde maatregelen tot 2080 gepresenteerd. Voor de raming van de maatregelen infrastructuur tot 2080 wordt verwezen naar paragraaf 6.5.
De kosten voor eventuele hogere schade bij extreme situaties zijn nog niet in beeld gebracht en daarmee geen onderdeel van de raming (paragraaf 6.5). Bij een vervolg van het project zullen deze nader moeten worden uitgewerkt. 12
38
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
A3
B1/B2 (niet
B1/B2 (wel
B3 (niet
B3 (wel
meestijgen)
meestijgen)
meestijgen)
meestijgen)
8.166 m
0m
8.166 m
0m
8.166 m
152.000 m3
190.000 m3
190.000 m3
271.000 m3
271.000 m3
Veerstoepen
165 m
206 m
206 m
289 m
289 m2
Port Zélande
Geen
Overlast bij
Overlast bij
Overlast bij
Overlast bij
wateroverlast
wateroverlast
extreme
extreme
extreme
extreme
omstandigheden
omstandigheden
omstandigheden
omstandigheden
Steigers Baggervolume
2
2
2
2
Port Zélande
Waarschijnlijk
Geen
Geen
Geen
Geen
grondwater
grondwater-
grondwater-
grondwater-
grondwater-
grondwater-
probleem
probleem
probleem
probleem
probleem
47.000 m3
0 m3
26.000 m3
0 m3
26.000 m3
Indirecte oeververdediging
Tabel 10 Omvang benodigde maatregelen infrastructuur tot 2080
6.4. Maatregelen Natuur Onder de Maatregelen Natuur vallen maatregelen die nodig zijn om de negatieve effecten van de varianten op Natura2000 doelsoorten en - habitats weg te nemen. De negatieve effecten op de beschermde (bovenwater)natuur zijn bepaald op basis van de modelsimulaties van Deltares (zie referentie C3) en het ecologische effectenonderzoek van WMR (zie referentie D1). Per peilvariant is vervolgens een pakket specifieke maatregelen samengesteld waarmee deze negatieve effecten worden weggenomen. Door Sweco zijn de meest kostenbepalende maatregelen uitgewerkt naar ontwerp en kostenraming. Samen met eerdere uitwerkingen van de minder kostenbepalende maatregelen zijn de kosten per maatregel pakket bepaald (zie referentie F7 en F8). In paragraaf 6.5 zijn de kosten opgenomen van alle benodigde Maatregelen Natuur (is benodigd maatregelpakket per variant). Voor een uitgebreid overzicht van alle maatregelen wordt verwezen naar de Nota Maatregelen (zie referentie H10). Door Sweco zijn de volgende Maatregelen Natuur uitgewerkt: Maatregel aanleg groot eiland (maatregel 1) Deze maatregel is voorzien bij variant A3 waarbij er met de huidige spuimiddelen een peilverhoging (maximaal peil en gemiddelde waterstand) zal plaatsvinden door het loslaten van het peilbeheer. Hierdoor zal extra verlies optreden van areaal van de habitattypen die zich rond de waterlijn bevinden.
Om het effect hiervan op habitats en leefgebieden teniet te doen moet ca. 300 ha natuur aangelegd worden. Doel is het creëren van habitats: zilte pionierbegroeiingen (30%), zilt grasland (25%) en vochtige duinvallei (25%). Daarnaast betreft het een potentiële standplaats voor Groenknolorchis en leefgebied Noordse woelmuis. Voor de Noordse woelmuisbiotoop is hierbij gedifferentieerd beheer nodig wat ten koste kan gaan van andere habitattypen.
39
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Groenknolorchis, foto Staatsbosbeheer
Noordse woelmuis, foto Kees de Kraker
Maatregel aanleg vogeleilanden (maatregel 2) De aanleg van de vogeleilandjes is voorzien om het verlies aan broedgebied als gevolg van de peilstijging bij variant A3 te compenseren. Maatregel ophogen bestaande vogeleilanden (maatregel 4) Ophogen van bestaande broedvogeleilandjes is een maatregel om de functie te behouden t.b.v. broedvogels en wordt voorzien bij verhoging van het maximale peil. Dit is twee keer aan de orde bij variant A3 en ook bij de adaptatiestappen van de Bvarianten. Maatregel afgraven struweelbegroeiing (maatregel 15) Deze maatregel betreft het afgraven van struweelbegroeiing om daarmee de (her)ontwikkeling van het habitattype vochtige duinvallei (kalkrijk) mogelijk te maken. Deze maatregel is nodig bij eventuele veranderingen in het peilbeheer om de directe- en indirecte effecten als gevolg van verzilting en of verdroging teniet te doen. Dit is aan de orde bij alle B-varianten. Maatregel ophogen bestaande indirecte oeververdedigingen (maatregel 21) Deze maatregel betreft het ophogen van de indirecte oeververdedigingen voor het beschermen van bestaande oevers en intergetijdengebied (erosiebescherming), het behouden van oppervlaktes bovenwaternatuur. Dit is aan de orde bij variant A3 en de adaptatiestappen bij B1, B2 en B3.
Hieronder een overzicht van de maatregelen die wel geselecteerd zijn voor opname in een maatregelpakket maar vanwege de beperkte kosten niet verder zijn uitgewerkt door Sweco. Op basis van eerder uitwerkingen zijn deze maatregelen wel meegenomen in de kostenraming (zie paragraaf 6.5).
40
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Maatregel behoud natuurlijke schelpenrichels (maatregel 8) Dit betreft schelpenrichels die zich op enkele plekken langs de Grevelingen bevinden en een functie hebben als broedgebied en hoogwatervluchtplaats (HVP). Deze eroderen in de loop van de tijd en dienen als gevolg van de peilverhoging aangepast te worden bij variant A3 en de adaptatiestappen van de B-varianten. Maatregel herprofilering broedgebied Battenoord (maatregel 9) Dit betreft herprofilering van de oever bij Battenoord om de achteruitgang als gevolg van peilverhoging van de HVP functie en van de bestaande broedplaatsen voor de kluut, visdief en dwergstern tegen te gaan. Deze maatregel is aan de orde bij variant A3 en de adaptatiestappen van de B-varianten. Maatregel chopperen (maatregel 25) Deze maatregel betreft het ondiep plaggen van de vegetatie inclusief een deel van de wortelzone om verdroging als gevolg van een verlaagd middenpeil van de bestaande vochtige duinvalleien tegen te gaan. De maatregel is voorzien bij de Bvarianten voor 2030. In de onderstaande Tabel 11 wordt een samenvatting gegeven van bouwstenen (individuele maatregelen) die gestapeld zouden kunnen worden om negatieve effecten van varianten op de Natura2000 doelen teniet te doen. De donker gemarkeerde maatregelen zijn verder uitgewerkt door Sweco in ontwerp en kosten.
Bouwsteen
1
2
4
8
9
15
20
21
25
Variant A3
X
X
X
X
X
-
-
X
-
B varianten zonder adaptatie
-
-
-
X
X
X
-
X
X
B varianten met adaptatie
-
-
X
X
X
X
-
X
X
Tabel 11: samenvatting maatregelen natuur per variant
6.5. Kosten doorlaatmiddel, maatregelen infrastructuur en natuur Voor het doorlaatmiddel (zie paragraaf 6.2) en de bijbehorende maatregelen infrastructuur (zie paragraaf 6.3) en natuur (zie paragraaf 6.4) zijn door Sweco kostenramingen opgesteld (zie referentie F9). Hierbij zijn de volgende kosten bepaald voor de periode 2030 - 2080:
Realisatiekosten Onderhoudskosten LCC kosten
De kosten zijn bepaald op basis van ontwerpuitwerkingen en geraamd volgens de methodiek SSK 2018 (prijspeil 1 juli 2022 en inclusief BTW). De onzekerheidsmarge bedraagt +/-25% (VKA niveau). De ramingen zijn opgesteld volgens de normen van de kostenpool Rijkswaterstaat (zie referentie I1) en getoetst door PVP.
41
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
In Tabel 12 worden de realisatiekosten per variant per maatregel gepresenteerd13. Voor de periode tot 2080 zijn ook de geraamde kosten opgenomen van de voorziene adaptatiestappen. Voor de B-varianten zonder adaptatie is alleen de kolom 2020 2030 van toepassing. De onderhoudskosten van het doorlaatmiddel bedragen voor variant B1, B2 en B3 respectievelijk 1,8, 4,6 en 7,1 miljoen euro per jaar (prijspeil 2022, inclusief BTW). De LCC kosten zijn beschikbaar in de onderliggende rapporten maar worden hier niet gepresenteerd omdat de realisatiekosten dominant zijn. Variant A3 Doorlaatmiddel Maatregelen Infrastructuur Maatregelen Natuur Totaal B1
Doorlaatmiddel Maatregelen Infrastructuur Maatregelen Natuur Totaal
B2
Doorlaatmiddel Maatregelen Infrastructuur Maatregelen Natuur Totaal
B3
Doorlaatmiddel Maatregelen Infrastructuur Maatregelen Natuur Totaal
2020-2030 37,8 319,0
2040
2050
2060
2070
2080
-
-
9,1
-
-
356,8
-
-
9,1
-
-
247,5 15,4 15,7
-
17,8 21,6
-
2,2 22,4
-
278,6
-
39,4
-
24,6
-
530,0 15,4 15,7
-
17,8 21,6
-
2,2 22,4
-
561,1
-
39,4
-
24,6
-
804,0 18,1 15,7
-
17,8 21,6
-
2,2 22,4
-
837,8
-
39,4
-
24,6
-
Tabel 12 Realisatiekosten per variant, per maatregelsoort, met adaptatie tot 2080 (in miljoen euro, inclusief BTW, Prijspeil 2022).
De Taskforce heeft, na oplevering van de raming door Sweco, nog mogelijke optimalisatiemogelijkheden in kaart gebracht waarmee potentieel de totale realisatiekosten voor de aanleg van een doorlaatmiddel kunnen worden gereduceerd. De beschrijving van deze mogelijkheden staat in hoofdstuk 12. 6.6. Vergelijking met het taakstellende budget Het taakstellende budget voor het project Getij Grevelingen bedraagt 166 miljoen euro (inclusief BTW, prijspeil 2022). Het taakstellende budget is bedoeld voor de initiële investeringen voor de aanleg van het doorlaatmiddel en de mitigatie- en compensatiemaatregelen horend bij het wijzigen van het peilbeheer. Kosten voor beheer en onderhoud (zoals van het doorlaatmiddel en het natuurbeheer) en de kosten voor eventuele toekomstige stappen in het peilbeheer (adaptatie) vallen hier niet onder14. Deze realisatiekosten kunnen als basis worden gebruikt voor de verdere uitwerking naar een projectraming om daarmee het definitief benodigde budget te kunnen bepalen. 14 Dit in afwijking van andere projecten die deel uitmaken van de PAGW waarbij 10 jaar beheer en onderhoud onderdeel is van het projectbudget. 13
42
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Het taakstellend budget is dus exclusief:
Kosten voor de Verkenning en Planuitwerking IK-budget Rijkswaterstaat 10 jaar beheer en onderhoud van het doorlaatmiddel Monitoring en beheer en onderhoud van initiële en toekomstige (adaptatie) mitigatie- en compensatiemaatregelen Nog uit te voeren KRW en Natura2000-beheer in de Grevelingen
De initiële investeringen voor de aanleg van het doorlaatmiddel en de mitigatie- en compensatiemaatregelen horend bij het wijzigen van het peilbeheer staan in Tabel 12, in de kolom 2020-2030. De mitigatie- en compensatiemaatregelen bestaan uit de Maatregelen Infrastructuur en Maatregelen Natuur.
Geconcludeerd moet worden dat geen van de varianten binnen het taakstellende budget gerealiseerd kan worden. Ook variant B1 (met het kleinste nieuwe doorlaatmiddel) kan niet worden gerealiseerd binnen het taakstellende budget.
De belangrijke oorzaak voor het niet binnen het taakstellende budget kunnen realiseren van een variant ligt in prijsstijgingen gedurende de afgelopen jaren. In de periode januari 2021 (raming Verbeterd VKA) tot juli 2022 (raming TF-VKA) is de CBS GWW prijsindex met 20% gestegen (zie referentie H14). Deze geeft een gemiddelde aan van de prijsstijgingen. Een vergelijking op het niveau van eenheidsprijzen voor de belangrijkste bouwmaterialen en onderdelen van het doorlaatmiddel laten een stijging zien van 9 tot 144% (zie Tabel 13). De raming van het doorlaatmiddel bestaat voor 47% uit beton, 16% bewegingswerken, 12% bodembescherming en 4% ontgravingskosten (zie referentie F5). Daarmee is sprake van een kostenstijging van het doorlaatmiddel als gevolg van prijsstijgingen van 37% (in de periode jan 2021 en juli 2022)15.
V-VKA Prijspeil jan. 2021
TF-VKA Prijspeil juli 2022
Prijsstijging
Beton (incl. wapening en bekisting)
404 €/m3
645 €/m3
60%
Grondkosten ontgraven (gewogen gemiddelde)
4,34 €/m3
10,6 €/m3
144%
Schuiven (incl. bewegingswerken)
11.300 €/ton
20.722 €/ton
83%
15
De kostenstijging als gevolg van prijsstijgingen t.o.v. 2018 (raming VKA) bedraagt 50%
43
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
V-VKA Prijspeil jan. 2021 Bodembescherming (gewogen gemiddeld)
107 €/m2
TF-VKA Prijspeil juli 2022
Prijsstijging
117 €/m2
9%
Tabel 13 Vergelijking prijsniveau raming Verbeterd VKA (V-VKA) en Taskforce VKA (TF-VKA)
Andere oorzaken die een kostenverhogend effect geven zijn dat bij de berekening van de omvang van het TF-VKA doorlaatmiddel (20, 30 en 40cm getijslag) is uitgegaan van schuifinzet alleen bij omkering van de stroming en dat rekening is gehouden met onzekerheid in het peilbeheer. Het V-VKA was ontworpen voor een getijslag van 37 cm, continue schuifinzet en zonder onzekerheid in het peilbeheer. Overigens zijn er ook kostenbeperkende factoren geweest zoals het weglaten van het voorbereiden van het doorlaatmiddel voor pompturbines, het verkorten en minder diep maken van de kokers.
44
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
7
Natura2000 instandhoudingsdoelen en –maatregelen
7.1. Natura2000 instandhoudingsdoelen In 2013 is het aanwijzingsbesluit Natura2000 Grevelingen vastgesteld. Daarmee zijn de instandhoudingsdoelen voor het gebied vast komen te liggen. Vanwege het zogenaamde verslechteringsverbod mag een activiteit in het gebied geen significant negatieve invloed hebben op de instandhoudingsdoelen. Tevens mag uitvoering van een nieuwe activiteit de uitvoering van de beheeropgave niet belemmeren. Om een pakket natuurmaatregelen te kunnen opstellen bij de varianten was het daarom nodig dat de Taskforce indicatief een aantal instandhoudingsmaatregelen uitwerkte. Vervolgens is gekeken of effecten van de varianten het realiseren van de maatregelen in het kader van de beheeropgave Natura2000 in de weg staan. Het moet mogelijk zijn om beide maatregelpakketten ruimtelijk in de Grevelingen in te passen. De Taskforce heeft daarnaast bekeken, bij het uitwerken van het idee van een ecologisch masterplan (zie hoofdstuk 8), of er kansen zijn om synergie te bereiken tussen het uitvoeren van instandhoudingsmaatregelen en realisatie van een van de onderzochte peilbeheervarianten.
Natura 2000 instandhoudingsdoelen voor de Grevelingen hebben betrekking op: 8 habitattypen waaronder zowel zilte pionier begroeiingen als zoete vochtige duinvalleien; 4 habitatsoorten waaronder de Noordse Woelmuis en de Groenknolorchis; 7 broedvogelsoorten waaronder de Bruine Kiekendief en de Bontbekplevier; 26 niet-broedvogelsoorten.
Bruine Kiekendief, foto Vogelbescherming
Bontbekplevier, foto Staatsbosbeheer
45
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
7.2. Natura2000 ontwikkelingen Na de afsluiting van de Grevelingen vormden de drooggevallen gronden een aantrekkelijk broedgebied voor kustbroedvogels. Hoewel het meer zout bleef, trad wel verzoeting van de eilanden en de oevers op. Hierdoor ontstond er meer vegetatie wat ongunstig is voor deze broedgebieden, zodat het areaal aan broedgebieden voor deze vogels weer afnam. Het areaal aan zilte pionier begroeiingen en zilte graslanden en schorren is sterk afgenomen sinds de afsluiting door het begroeid raken met ruigte en bos. Deze afname heeft tussen 2013 en 2020 doorgezet en verwacht wordt dat deze verder zal gaan door erosie en verzoeting. Zoete graslanden zoals vochtige duinvalleien hebben zich na de afsluiting van de Grevelingen kunnen vestigen en zijn sindsdien sterk toegenomen. Met beheer- en inrichtingsmaatregelen worden broedgebieden zoveel mogelijk behouden. Van alle soorten broedvogels is er (nog) niet één die de gestelde doelaantallen van Natura2000 structureel haalt. Dit heeft waarschijnlijk vooral te maken met de voedselsituatie. De belangrijkste groep watervogels in de Grevelingen zijn de viseters. De trend bij de meeste viseters is negatief en het jaargemiddelde van alle soorten, uitgezonderd de aalscholver, is lager dan het Natura2000 doel. Deze aantallen lijken voedsel gerelateerd.
Daarnaast zijn er de benthoseters die hoofdzakelijk foerageren in de ondiepe wateren. Voor steltlopers is het Grevelingenmeer als foerageergebied minder van belang vanwege het geringe oppervlak foerageerhabitat. Er is immers geen noemenswaardig getijde en daarmee geen intergetijdengebied. Voor eenden zoals bergeend en brilduiker is het Grevelingenmeer wel van relatief groot belang. Voor wat betreft de planteneters komen belangrijke aantallen ganzen en eenden voor in het Grevelingenmeer. Ze foerageren op de buitendijkse graslanden en op de ondiepe oevers. Meerkoet en knobbelzwaan zijn, door afname van voedselplanten (met name zeegras), bijna helemaal verdwenen uit het Grevelingenmeer.
Middelste zaagbek, foto Staatsbosbeheer
7.3. Indicatieve maatregelen instandhouding Indien geen maatregelen worden getroffen zal de huidige neergaande trend van de bovenwaternatuur doorzetten. De instandhoudingsdoelen voor de relevante doelsoorten en habitats in het kader van Natura2000 worden daarmee moeilijker bereikbaar. Voor zover de neergaande trend samenhangt met de voedselsituatie is een grotere uitwisseling van water van belang. Verder wordt de noodzaak tot specifieke grotere maatregelen voorzien. Hoe deze maatregelen er precies uitzien moet nader bepaald worden in een nieuw op te stellen Beheerplan.
46
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Op basis van onderzoek van WMR naar de autonome ontwikkeling heeft de Taskforce een mogelijke invulling gemaakt van extra maatregelen die naar verwachting nodig zijn om de Natura2000 instandhoudingsdoelstellingen te halen. Ook andere invullingen zijn mogelijk maar die zullen qua aard en omvang (en daarmee qua kosten) waarschijnlijk vergelijkbaar zijn. Het is aan de provincies en Rijkswaterstaat als verantwoordelijke partijen voor het Natura2000 gebied om de uiteindelijke invulling van de maatregelen te bepalen. Rijkswaterstaat is de voortouwnemer voor het nieuwe Beheerplan en is verantwoordelijk voor het beheer van het water, de provincies zijn mede-bevoegd gezag voor het Beheerplan en verantwoordelijk voor de organisatie van het beheer van de oeverzone en eilanden. Maatregelen korte termijn Op korte termijn wordt uitgegaan van de aanleg van een aantal vogeleilandjes, variërend in grootte van 0,1 tot maximaal 3 ha (totaal ca. 5 ha). Doel hiervan is het creëren van geschikt broedgebied voor kustbroedvogels. De eilanden variëren in omvang en verschijningsvorm gericht op de eisen die verschillende vogels stellen. Op de oevers van de eilandjes ontstaat ook extra foerageergebied voor kustbroedvogels en wadvogels en hoogwatervluchtplaatsen voor steltlopers. Naast de aanleg van nieuwe vogeleilandjes zullen ook bestaande vogeleilanden periodiek hersteld moeten worden.
Kleinere algemene maatregelen die bedacht zijn, zijn maaien en afvoeren van vegetatie en chopperen (ondiep plaggen/maaien) waardoor de eilanden geschikt blijven als gebied voor de verschillende doelsoorten. Daarnaast zal de onderwater oeverzone van de Slikken van Flakkee als gevolg van erosie weer moeten worden aangevuld en meer geleidelijk aflopend moeten worden gemaakt. Hierdoor wordt de oeverzone vergroot die functioneel is voor zilte pioniervegetatie en fungeert als broed- en foerageergebied voor kustbroedvogels en wadvogels. Deze maatregel moet periodiek worden herhaald vanwege erosie. De maatregelen voor de korte termijn moeten worden getroffen naast en als aanvulling op reguliere Natura2000 beheermaatregelen. Met uitvoering van alle hierboven beschreven maatregelen zal het bereiken van de instandhoudingsdoelen Natura2000 voor vogels waarschijnlijk toch niet mogelijk zijn. Dat komt door een tekort aan beschikbaar voedsel in het Grevelingenmeer (zie referenties J4 en J5). Een verbetering van de kwaliteit van de onderwaternatuur is nodig om het aanbod van voedsel voor vele beschermde vogelsoorten te verbeteren en het halen van de instandhoudingsdoelen kansrijker te maken. Maatregelen langere termijn Op de langere termijn zijn er naar verwachting ook grootschaligere maatregelen nodig om de negatieve trends te compenseren. Een mogelijkheid is om een groot eiland (ca.
150 ha) aan te leggen. Deze maatregel is van belang omdat door voortgaande verzuring, verzoeting en successie het areaal voor habitattypen en specifieke soorten af zal nemen. Het eiland zorgt ervoor dat er nieuw leefgebied ontstaat voor deze soorten en habitats. Voor de realisatie wordt uitgegaan van de periode 2047-2050. Rond de periode 2066-2070 zal nog een tweede eiland aangelegd moeten worden. Ook voor de langere termijn geldt de opmerking dat het halen van de instandhoudingsdoelen Natura2000 voor vogels zonder verbetering van de beschikbaarheid aan voedsel in het meer waarschijnlijk niet mogelijk zal zijn.
47
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
7.4. Kosten maatregelen natuurbeheer Het pakket maatregelen waarmee de Natura2000 instandhoudingsdoelstellingen (grotendeels) worden bereikt zijn door Sweco uitgewerkt in ontwerpen en kostenramingen (zie referentie F8). Hierbij zijn de investeringskosten bepaald voor de periode 2020 – 2080. De kosten voor deze maatregelen natuurbeheer zijn geen onderdeel van het taakstellende budget voor het project Getij Grevelingen. De kosten die hier wel onderdeel van uitmaken zijn gepresenteerd in paragraaf 6.5. De kosten voor de maatregelen natuurbeheer zijn bepaald op ontwerpuitwerkingen en geraamd volgende de methodiek SSK 2018 (prijspeil 1 juli 2022 en inclusief BTW). De onzekerheidsmarge bedraagt +/-25% (VKA niveau). De ramingen zijn opgesteld volgens de normen van de Rijkswaterstaat Kostenpool (zie referentie I1) en getoetst via PVP. In Tabel 14 worden de realisatiekosten van de maatregelen natuurbeheer in het kader van Natura2000 gepresenteerd. Variant A1 Maatregelen Natuurbeheer
2020-2030 19,4
2040 6,2
2050 158,9
2060 6,2
2070 154,3
Tabel 14 Mogelijke realisatiekosten natuurbeheer tot (miljoen euro inclusief BTW, Prijspeil 2022).
Het halen en blijven voldoen aan de Natura2000 instandhoudingsdoelstellingen vraagt doorlopende aandacht en investeringen. In 2050 en 2080 worden grote investeringen voorzien. Deze hangen samen met de aanleg van de grote eilanden zoals bovenstaand onder Langere Termijn is omschreven.
48
2080 6,2
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
8
Ecologisch Masterplan
8.1. Inleiding Een Ecologisch Masterplan (EMP) is een nieuw instrument waarmee wordt beoogd op gebiedsniveau een overzicht te geven van maatregelen, kosten en te verwachten ecologische ontwikkeling ten opzichte van een referentiesituatie en doelstellingen. De Taskforce heeft onderzocht of dit instrument toegevoegde waarde kan hebben bij het project Getij Grevelingen (bijvoorbeeld bij besluitvorming, vergunningsproces of stakeholdercommunicatie), of bij het samenbrengen van alle beheeractiviteiten op gebiedsniveau. Daartoe heeft de Taskforce een framework EMP opgesteld voor de varianten (zie referentie F11) en een uitwerking gemaakt voor varianten B2 en B3 voor de periode 2030 – 208016 (zie bijlage 2 bij dit eindrapport). Daarbij zijn de aard, kosten en ecologische effecten van de volgende maatregelen in beeld gebracht:
Het peilbeheer en adaptatiestappen Het doorlaatmiddel Maatregelen Infrastructuur en Maatregelen Natuur Instandhoudingsmaatregelen Natura2000
Op basis van deze uitwerkingen is beoordeeld of een EMP een waardevol en haalbaar instrument is om in te zetten in een eventuele vervolgfase. 8.2. Ecologisch Masterplan variant B2 en B3 Het EMP voor de varianten B2 en B3 bestaat uit twee delen: een rapport en een bijbehorende kaarten set. Het rapport kent de volgende onderdelen:
Huidig ecologische systeem Grevelingen, beschreven aan de hand van het peilbeheer, de natuur onder en boven water en de samenhang daartussen De ecologische opgave; Zeespiegelstijging en autonome ontwikkeling; Instandhoudingsmaatregelen Natura2000; Effecten van varianten B2 en B3 (met bijbehorende maatregelen Infrastructuur en Natuur) op de ecologische ontwikkeling onder en boven water; Samenhang en mogelijke synergie tussen project en beheeropgave; Aanbevelingen en kansen.
De kaarten set is opgezet als infographic voor de autonome ontwikkeling (variant A1) en voor variant B2 en B3. Per variant wordt voor de jaren 2030, 2047 en 2066 informatie gegeven over:
Type maatregel o Instandhoudingsmaatregelen Natura2000 o Maatregelen Natuur o Maatregelen Infrastructuur Locatie van elke maatregel
Omdat het in deze fase alleen van belang is om een uitspraak te kunnen doen over het nut van een EMP als instrument is ervoor gekozen om geen uitwerking te maken van een EMP voor de varianten A3 en B1. Deze zijn wel beschouwd in het framework EMP. 16
49
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Gemiddelde getijslag Zeespiegelstijging Gemiddelde waterstand en peilbeheergrenzen Kosten per type maatregel
Met de kaarten wordt overzicht en samenhang geboden tussen de verschillende typen maatregelen en de (hoofdlijn van de) ecologische ontwikkeling. Een vergelijking van kaarten voor verschillende jaartallen of maatregelen geeft inzicht in het geheel aan maatregelen en kosten. 8.3.
Synergie tussen maatregelen Getij Grevelingen en Natura2000
8.3.1. Samenhang tussen maatregelen De Taskforce richt zich op een maximale kwaliteitsimpuls voor het ecologische systeem Grevelingen. De beschouwde varianten bestaan uit een verandering van peilbeheer, een nieuw doorlaatmiddel en samenhangende Maatregelen Natuur en Maatregelen Infrastructuur. Daarnaast bestaat de opgave om de instandhoudingsdoelstellingen Natura2000 te halen, die zoals uitgelegd in hoofdstuk 7 buiten de projectscope van de Taskforce ligt maar waarvoor wel, indicatief, maatregelen moesten worden uitgewerkt. Met de Maatregelen Natuur worden alleen de negatieve effecten van de varianten op de Natura2000 habitats en soorten weggenomen. Met instandhoudingsmaatregelen wordt beoogd de instandhoudingsdoelstellingen te halen. De maatregelen in beide maatregelpakketten zijn qua aard en omvang soms vergelijkbaar. Het realiseren van het ene maatregelpakket maakt het andere maatregelpakket echter niet overbodig, de maatregelpakketten zijn complementair. Wel blijkt er sprake van belangrijke synergie (versterking) indien het project Getij Grevelingen in samenhang met de instandhoudingsmaatregelen Natura2000 wordt uitgevoerd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen ecologische versterking en de efficiëntie bij samenhangende uitvoering. 8.3.2.
Ecologische versterking (synergie) Met ecologische synergie wordt een ecologisch positief effect bedoeld tussen instandhoudingsmaatregelen en het project Getij Grevelingen. De maatregelen voor instandhouding leveren (bij een sobere uitvoering) nagenoeg geen positieve effecten voor de onderwaternatuur omdat dan synergiekansen voor natuur onder water niet worden meegenomen. Omgekeerd blijkt dit wel het geval. Het vergroten van getij heeft gevolgen voor de natuur boven water. Dat zijn zowel positieve als negatieve effecten. De negatieve effecten worden weggenomen middels de Maatregelen Natuur (zie paragraaf 6.4). De positieve effecten op de bovenwaternatuur zijn de volgende:
Voor wadvogels wordt het foerageergebied groter, met name door toename van het oppervlak intergetijdengebied. Dit effect is afhankelijk van de grootte van de getijslag. Hoe groter de getijslag hoe groter dit effect: voor 2030 variërend van 200 ha voor variant B1, 334 ha voor variant B2 en 562 ha voor variant B3 (zie referentie E1).
Daarnaast verbetert ook de voedselsituatie voor vogels. Dit geldt voor alle varianten, maar met name voor varianten B2 en B3 (hoe groter de getijslag hoe groter dit effect). De voedselsituatie verbetert door:
50
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
o
o
een toename van vissen en andere prooidieren als gevolg van een grotere verbinding tussen waterlichamen en door toename van de primaire productie (gunstig voor visetende vogels) een toename van bodemleven door toename van de primaire productie (gunstig voor benthosetende vogels)
Voor zilte habitattypes (bijvoorbeeld zilte pionier begroeiingen (H1310A)) wordt er een positief effect verwacht. Hoewel bij variant A3 er in eerste instantie veel habitat verloren gaat ontstaat er op andere plaatsen wel een groter geschikt areaal. Bij de B-varianten is ook een licht positief effect te verwachten. Het effect is het gevolg van een verbreding van de zones waar de zilte vegetaties kunnen voorkomen. Daarnaast zorgt de getijslag ook voor een verbetering van de kwaliteit en daarmee de bestendigheid van deze vegetaties omdat successie vertraagt (zie referentie E1).
De aanleg van één of meerdere grote eilanden (zoals in variant A3, niet bij de B-varianten) zorgt ervoor dat vochtige duinvalleien zich daar weer van begin af aan kunnen ontwikkelen, waardoor deze naar verwachting decennialang in stand kunnen blijven. Door autonome ontwikkeling is bestaand habitat vochtige duinvallei na 50 jaar successie inmiddels aan het verzuren en zijn in de toekomst steeds meer beheeringrepen nodig om deze duinvalleien in stand te houden (zie referentie F8).
Met name de verbetering van de voedselsituatie voor vogels is van belang. In de autonome situatie blijkt het halen van het instandhoudingsdoel Natura2000 voor vogels waarschijnlijk niet mogelijk, juist vanwege de beperkende voedselsituatie (zie hoofdstuk 7). Met voldoende getijslag verbetert de voedselsituatie structureel waardoor het halen van het instandhoudingsdoel voor vele vogelsoorten veel waarschijnlijker wordt. 8.3.3. Efficiëntie bij samenhangende uitvoering (synergie) Als de instandhoudingsmaatregelen Natura2000 en project Getij Grevelingen in plaats en tijd gecombineerd kunnen worden kan er sprake zijn van synergie. De synergievoordelen bestaan uit een efficiëntere realisatie waardoor de totale kosten lager zijn dan wanneer de maatregelen apart worden gerealiseerd. Daarnaast kan een Natura2000 instandhoudingsmaatregel in een enkel geval vervallen doordat een maatregel voor project Getij Grevelingen de maatregel overbodig maakt. De totale besparingen zijn beperkt omdat de maatregelen zijn opgesteld voor verschillende doelen (halen instandhoudingsdoelen Natura2000 en het wegnemen van negatieve effecten van project Getij Grevelingen). Voor de varianten betreft dit de volgende besparingen (zie referentie F7 en F8):
Variant A3 Variant B1/B2/B3 Variant B1/B2/B3
6,2 mln euro besparing tot 2080 9,0 mln euro besparing tot 2080 (meestijgen) 0,6 mln euro besparing in 2030 (niet meestijgen)
Voor variant A3 zijn in 2030 en 2060 twee ophogingen van bestaande vogeleilanden (Maatregel 4) voorzien. In deze jaren is het herstel van deze vogeleilanden ook als instandhoudingsmaatregel Natura2000 voorzien. Deze laatste kunnen daarom komen te vervallen wat leidt tot de genoemde besparing tot 2080. Ook voor de B-varianten bestaat de belangrijkste besparing uit het vervallen van het herstellen van bestaande vogeleilanden in 2050 en 2070, omdat in verband met
51
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
de adaptatiestappen in deze jaren de eilanden toch al opgehoogd worden. Daarnaast worden activiteiten aan schelpenrichels en de herprofilering Battenoord uitgevoerd bij de B-varianten. Deze komen daarom als maatregel Natura2000 te vervallen. Als er geen adaptatiestappen worden genomen is de besparing gering. De Taskforce adviseert om de nadere uitwerking van maatregelen voor instandhouding Natura2000 en in het kader van project Getij Grevelingen in samenhang op te stellen. Voor de korte termijn, maar ook met het oog op mogelijke adaptatiestappen op de langere termijn. Op basis van monitoring kan de ontwikkeling worden gevolgd zodat volgende maatregelen (bijvoorbeeld bij een adaptatiestap) daarop kunnen worden ingericht. Op deze wijze kunnen steeds effectieve en doelmatige pakketten maatregelen worden bepaald en uitgevoerd. 8.4. Ecologisch Masterplan inzetten bij vervolg? Op basis van de uitwerkingen van het instrument EMP trekt de Taskforce de volgende conclusies: 1. Het concept van het EMP voor het Grevelingen wordt door vele betrokkenen enthousiast omarmd. Omdat het een nieuw instrument betreft lopen de verwachtingen wel uiteen. 2. Het ontwikkelen van een passende vorm voor het EMP is een zoektocht waarbij doel, beoogde doelgroep en de beschikbare (zich ontwikkelende) informatie in goede banen moet worden geleid. 3. In de projectcontext blijkt het EMP behulpzaam.
Het opstellen dwingt tot integraliteit en dus vergroot het de kans op het benutten van synergiemogelijkheden. Tevens brengt het overzicht en samenhang voor het project, stakeholders en opdrachtgevers. Specifiek wordt verwacht dat het EMP voor het project behulpzaam kan zijn bij: a. Communicatie met stakeholders; b. Besluitvorming; c. Vergunningenproces. 4. Los van het project Getij Grevelingen lijkt het EMP ook voor beheerders een bruikbaar instrument om overzicht en samenhang te brengen in activiteiten en maatregelen op korte en langere termijn. Met behoud van de verantwoordelijkheid van elke partij, maar met de gedeelde ambitie om de (gezamenlijke) doelstellingen te behalen.
52
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
9
Overige effecten project Getij Grevelingen
9.1. Inleiding Naast ecologische effecten kunnen bij de varianten ook andere maatschappelijk relevante omgevingseffecten worden verwacht. Deze effecten zijn in de verkenningsfase met een Maatschappelijke Kosten-Baten Analyse (MKBA) geobjectiveerd (zie referentie J1, J2 en J3). Sweco heeft op basis van deze MKBA een vereenvoudigde Kengetallen Kosten-Baten Analyse (KKBA) uitgevoerd voor de Taskforce varianten (zie referentie F15). In aanvulling op de ecologische effecten zijn hierin de volgende omgevingsaspecten beoordeeld:
Klimaatrobuustheid Landbouw Recreatie Commerciële schelpdierkweek/visserij Landschap Wonen Infrastructuur en dijken
De beoordeling is uitgevoerd voor de varianten met de grootste ecologische effectiviteit, varianten B2 en B3 (30 en 40 cm getijslag). De beoordelingsperiode is 2030 tot 2080, waarbij zowel het scenario ‘meestijgen’ als ‘niet meestijgen’ is beoordeeld. Varianten A3 en B1 zijn niet beschouwd in de KKBA, A3 omdat deze niet vergunbaar wordt geacht en B1 omdat deze maar beperkte ecologische baten kent. 9.2. Effecten op de omgeving variant B2 en B3 Het resultaat van de beoordeling van effecten op de omgeving is samengevat in Tabel 15. Omgevingsindicatoren
B2
B2 niet
B2
meestijgen
meestijgen
B3
B3 niet
B3
meestijgen
meestijgen 2080
2030
2080
2080
2030
2080
Klimaatrobuustheid
0
0/+
+
0
0/+
+
Landbouw
0/+
0/+
0/-
0/+
0/+
0/-
Recreatie
0
0
0
0
0
0
Commerciële schelpdierkweek/visserij
0
0
0
0
0
0
Landschap
0/+
0/+
0/+
0/+
0/+
0/+
Wonen
0/+
0/+
0/+
0/+
0/+
0/+
Infrastructuur en dijken 0/0/0/0/0/Tabel 15 Samenvattende beoordeling van omgevingseffecten (negatief (-), licht negatief (0/-), neutraal (0), licht positief (0/+) en positief (+)
Klimaatrobuustheid Klimaatrobuustheid is beoordeeld als (1) de mate waarin de getijslag van een variant behouden blijft bij een stijgende zeespiegel en (2) de mate waarin de waterkwaliteitseffecten van temperatuurstijging worden beperkt. Het effect van de stijgende zeespiegel is bij varianten B2 en B3 met ‘meestijgen’ als neutraal beoordeeld (0). Het peilbeheer volgt in stapjes van 10 cm de zeespiegelstijging. Bij ‘niet meestijgen’ zal het door de zeespiegelstijging steeds lastiger worden om het water onder vrij verval af te voeren naar de Noordzee. De