CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

20230704 Raadsbrief Voortgangsbericht project Getij Grevelingen Bijlage RWS-2023 13781 Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

Gemeenteraad 28 september 2023, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken25.210 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

53

0/-

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

getijslag wordt daardoor steeds kleiner. ‘Niet meestijgen’ is daarom als negatief beoordeeld (-). Voor wat betreft het dempen van de effecten van temperatuurstijging17 worden varianten B2 en B3 als positief beoordeeld. Bij ‘meestijgen’ is de demping het grootst, bij ‘niet meestijgen’ is dit minder, maar nog steeds positief ten opzichte van de autonome ontwikkeling (zie paragraaf 5.7). De totaalbeoordeling voor klimaatrobuustheid is logischerwijs neutraal voor 2030. Voor 2080 worden de varianten B2 en B3 ‘niet meestijgen’ als licht positief beoordeeld (0/+) en ‘meestijgen’ als positief (+). Hierbij is het dempende effect op de gevolgen van temperatuurstijging zwaarder gewogen dan de afname van getijslag bij zeespiegelstijging. Landbouw In de huidige situatie is de kweldruk laag door de kunstmatig lage gemiddelde waterstand in de Grevelingen (NAP -20 cm). In 2030 wordt de kweldruk door de lagere gemiddelde waterstand iets lager, wat als licht positief is beoordeeld (0/+). In het geval van ‘niet meestijgen’ blijft dit het geval tot 2080. Als wordt gekozen voor ‘meestijgen’ is de kweldruk tot 2066 iets lager dan de autonome ontwikkeling. In de periode daarna is de kweldruk bij ‘meestijgen’ iets groter dan de autonome ontwikkeling, wat voor 2080 als licht negatief is beoordeeld (0/-).

Recreatie Voor lokale recreatie rond de Brouwersdam zal een herschikking van activiteiten nodig zijn. De breedte van het doorlaatmiddel bedraagt voor variant B2 210 m en voor variant B3 360 m. Aan de zeezijde is over deze afstand geen parkeerruimte meer beschikbaar. Ook is een deel van het strand niet meer beschikbaar (660 m bij B2 en 800 m bij B3). Vanwege de hoge stroomsnelheden zal bovendien een veiligheidsmarkering worden aangebracht op 500 m afstand van het doorlaatmiddel. Dit deel van het water, en indirect een wat groter gebied, is niet meer beschikbaar voor recreatie. De totale grootte van het gebied dat niet meer beschikbaar is voor recreatie bedraagt aan de zeezijde 660x500 m2 voor variant B2 en 800x500 m2 voor variant B3.

Recreatief gebruik zeezijde Brouwersdam, foto Rijkswaterstaat

Aan de Grevelingenzijde is een vergelijkbaar gebied ook niet meer beschikbaar voor recreatie. Dit betekent dat de bestaande snelwaterbaan verplaatst moet worden.

Deze analyse is door de Taskforce aanvullend op de Sweco KKBA analyse uitgevoerd en is tevens verwerkt in Tabel 15. 17

54

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

De lokale effecten op recreatie worden als negatief beoordeeld voor variant B2 en variant B3. Speciale aandacht vraagt ook de realisatiefase waarbij niet alle overlast verhinderd kan worden door maatregelen. Op regionale recreatieve waarden wordt een licht positief effect voorzien, vanwege de toename van waterkwaliteit en de introductie van een beperkt getij. Door de grotere getijslag zal de bevaarbaarheid van ondiepe delen boven de platen afnemen, wat een negatief effect is. Op nationaal niveau (KKBA) zijn deze effecten in het algemeen niet merkbaar. Recreatie herschikt zich regionaal of nationaal waardoor er geen netto nationaal effect optreedt. Gezien het globale karakter van deze KKBA is recreatie op nationaal niveau als neutraal (0) ingeschat. Op regionaal niveau zijn er zowel positieve als negatieve effecten. Commerciële schelpdierkweek en visserij De effecten op de mogelijkheden voor visserij en schepdierenkweek zijn voor varianten B2 en B3 licht positief. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of economisch gebruik mogelijk is relatie tot de beoogde ecologische doelen. Het effect wordt daarom vooralsnog als neutraal beoordeeld (0). Landschap Met een vergroting van de getijslag zal het laag dynamische landschap van een afgesloten zeearm veranderen in een licht dynamisch getijdenlandschap.

Vanwege het herstel van de dynamiek wordt dit hoger gewaardeerd dan de huidige situatie. Dit wordt als een licht positief effect gezien (0/+). Wonen De regionale woonfuncties rondom de Grevelingen worden vanwege het aantrekkelijker landschap ook iets aantrekkelijker. Dit kan effect hebben op de WOZ-waarde van de woningen. Dit is een geringe netto maatschappelijke baat. Daarom is het effect op de regionale functie wonen voor varianten B2 en B3 als licht positief beoordeeld (0/+). Infrastructuur en dijken Tijdens de aanleg van een doorlaatmiddel is er sprake van tijdelijke hinder voor het verkeer over de Brouwersdam. Ook het omleggen van kabels en leidingen kan tijdelijk geringe overlast veroorzaken. Voor de gebruiksfase worden maatregelen genomen om functieverlies bij havens, vaargeulen en afmeervoorzieningen weg te nemen. Voor de waterkeringen speelt geen waterveiligheidsrisico, maar wel worden de dijken zwaarder belast. Dit vraagt nadere uitwerking. Ook vraagt de waterkering in Brouwershaven maatwerk. Hier speelt dat de keersluis in de laatste landelijke toetsronde in het kader van de Waterwet is afgekeurd. Waterschap Scheldestromen is voornemens de waterkering te verleggen waardoor deze over de kade komt te liggen. Hierbij zal rekening gehouden moeten worden met het effect van een doorlaatmiddel op de maatgevende waterstanden (zie referentie F6).

Als geheel hebben de varianten B2 en B3 een licht negatief effect op de infrastructuur en dijken (0/-).

55

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

9.3. Samenvatting beoordeling omgevingsaspecten De varianten B2 en B3 (respectievelijk 30 en 40 cm getijslag) zijn voor effecten op omgevingsaspecten weinig onderscheidend. De eventuele negatieve effecten op de omgeving zijn beperkt doordat maatregelen worden getroffen zoals het aanpassen van steigers, baggeren en het verstevigen van oeververdedigingen. Op klimaatrobuustheid scoren de varianten B2 en B3 bij ‘meestijgen’ positief. De getijslag blijft in stand bij zeespiegelstijging. Bovendien worden de negatieve effecten van temperatuurstijging op het Grevelingenmeer gedempt. Deze demping is weliswaar kleiner bij ‘niet meestijgen’ maar ten opzichte van de autonome ontwikkeling is dit nog steeds een licht positief effect. Voor omliggende landbouw wordt aanvankelijk een afname van de kweldruk voorzien. Bij de variant ‘niet meestijgen’ houdt dit aan tot 2080. Bij de variant ‘meestijgen’ neemt de kweldruk vanaf 2066 toe naarmate de zeespiegel stijgt en dit wordt in 2080 als licht negatief beoordeeld. Ten aanzien van recreatie hebben varianten B2 en B3 positieve gevolgen voor de recreatie op het meer maar negatieve gevolgen voor de recreatie op de Brouwersdam. Het meer wordt een iets aantrekkelijker vaargebied en recreatief belevingsgebied omdat er een attractieve getijderand ontstaat langs de oevers.

De recreatie op en langs de Brouwersdam verliest echter recreatief areaal door aanleg van het doorlaatmiddel. Het betreft hier parkeergelegenheid, strand en recreatief vaargebied. In het in- en uitstroom gebied van het doorlaatmiddel kan niet gevaren worden, hier is ook kite- en windsurfen niet mogelijk. Deze effecten worden verwacht zich lokaal of regionaal te herschikken. Op nationaal niveau (KKBA) wordt daarom geen netto effect op recreatie verwacht en wordt daarom als neutraal beoordeeld (0). Het effect op infrastructuur en dijken is als licht negatief (0/-) beoordeeld. Tijdens de aanleg is sprake van enige overlast op de Brouwersdam, met name in het recreatieseizoen. Functieverlies van havens, vaarwegen en afmeervoorzieningen zal \middels maatregelen worden voorkomen. Voor waterkeringen speelt geen veiligheidsrisico. Wel heeft aanleg van het doorlaatmiddel beperkt effect op de maatgevende hoogwaterstand. Dit vraagt nadere uitwerking en op enkele locaties maatwerk, zoals bij Brouwershaven.

56

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

10

Vergunbaarheid

10.1. Introductie Er zijn verschillende bestuursrechtelijke routes mogelijk voor de vergunbaarheid van project Getij Grevelingen, elk met voor– en nadelen. Dit betreft een risicoinschatting die mede afhankelijk is van de scope van een mogelijke variant in de planuitwerkingsfase en van de definitieve Omgevingswet (hierna: Ow), waarmee project Getij Grevelingen naar alle waarschijnlijkheid te maken krijgt. De Ow introduceert instrumenten die bijvoorbeeld het projectplan Waterwet en de vergunningen op grond van de Wet natuurbescherming vervangen. 10.2.

Vergunbaarheid varianten A3, B1, B2 en B3

Hoofdbesluiten Er is een aantal hoofdbesluiten onder de Ow nodig om het project mogelijk te maken. Deze worden hieronder besproken. De hoofdbesluiten zijn: 1. 2. 3.

Omgevingsvergunning voor het verrichten van een Beperkingengebiedactiviteit (hierna: Bga) of een Projectbesluit; Omgevingsvergunning voor een Natura2000 activiteit (hierna: Natura 2000 vergunning); Peilbesluit.

Daarnaast kan de MER-beoordelingsplicht leiden tot een MER (voor Peilbesluit en voor Bga / projectbesluit). Schematisch ziet dit er als volgt uit:

Ad 1) Omgevingsvergunning voor het verrichten van een Beperkingengebiedactiviteit (hierna: Omgevingsvergunning Bga) of een Projectbesluit Het is mogelijk om voor het project te kiezen tussen een Omgevingsvergunning Bga of een Projectbesluit. Gezien de omvang en de complexiteit van het project ligt het op dit moment voor de hand om een Projectbesluit te nemen. Bij een Projectbesluit is formele coördinatie met het Peilbesluit en incorporatie van de vergunning N2000actviteit mogelijk. Bij een Omgevingsvergunning Bga is dat niet mogelijk. Ad 2) N2000-vergunning Het project kan met de kennis van nu niet uitsluiten dat er significante effecten

zullen zijn op de instandhoudingsdoelen in de N2000 gebieden.

Schema 2: Hoofdbesluiten Omgevingswet

57

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

Voor het project is een Passende Beoordeling (PB) noodzakelijk om te kijken of er significante effecten zijn. Bij de PB mogen mitigerende maatregelen onder voorwaarden meegenomen worden. Indien blijkt dat er significante negatieve effecten op Natura2000 gebieden zijn, dan moet er een ADC-toets doorlopen worden. Voor de ADC-toets is het onder andere van belang dat er geen alternatieven met minder natuurschade zijn voor het oplossen van het probleem, het project een dwingende reden van groot openbaar belang heeft en er compensatiemaatregelen genomen worden voor de significante negatieve effecten op beschermde natuurwaarden die het project veroorzaakt. Het criterium ‘dwingend’ moet onderbouwd worden. Het is niet voldoende dat het project zorgt voor een verbetering van de bestaande situatie. Die verbetering moet ook echt aantoonbaar nodig zijn en worden afgewogen tegen de schade aan de Natura2000 gebieden. Het is voor het succesvol doorlopen van de ADC toets verder van belang dat de probleemdefinitie helder is en de aard en omvang van negatieve effecten (schade aan Natura2000 soorten) én van positieve effecten (ecologische verbetering van de waterkwaliteit én van de onder- en bovenwaternatuur) voldoende betrouwbaar kan worden bepaald.

De nut en noodzaak van het project Getij Grevelingen is gelegen in het feit dat actief ingrijpen nodig is, omdat:  bij niks doen (autonome ontwikkeling) de waterkwaliteit en de kwaliteit van de onderwaternatuur op een laag niveau zullen blijven; dit zal nader onderbouwd moeten worden met de probleemdefinitie;  de beheermaatregelen t.b.v. het behalen van de instandhoudingdoelen uit het Aanwijzingsbesluit Natura 2000 niet zorgen voor waterkwaliteitsverbetering en verbetering onderwaternatuur;  als gevolg van het project Getij Grevelingen (terugbrengen getij) er voor de waterkwaliteit en voor de onderwaternatuur -en daardoor ook voor de bovenwaternatuur- wezenlijke gunstige effecten zullen optreden, die zullen kunnen opwegen tegen de aantasting van de bestaande beschermde natuurwaarden (ishd). Deze drie redenen van de nut en noodzaak zullen in de PB en in de ADC toets van een gedegen ecologische onderbouwing moeten worden voorzien. De Taskforce neemt de aanbeveling over om bij die onderbouwing aan te sluiten bij het zogenaamde natuurwinstdenken18, zoals dat is opgenomen in het programma Life IP Deltanatuur en de PAGW. Tenslotte is van belang dat Getij Grevelingen niet onmogelijk maakt dat de instandhoudingsdoelen behaald kunnen worden (als gevolg van het doen van een aanname over instandhoudingsdoelen is dat ook niet het geval).

Voor de door de Taskforce onderzochte varianten leidt dit op dit moment tot het volgende beeld:

Onderdeel hiervan is dat verbeteringen van waterkwaliteit en natuur zoveel mogelijk gebaseerd moeten zijn op de natuurlijke werking van water- en ecologische systemen 18

58

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

Variant A3 is naar alle waarschijnlijkheid lastig vergunbaar vanwege weinig ecologische opbrengst en het feit dat er alternatieven zijn met minder negatieve effecten op de Natura2000 soorten en habitats, namelijk de Bvarianten die (initieel) een maximum peil aanhouden van NAP -10 cm. Variant B1 lijkt niet vergunbaar, vanwege onvoldoende ecologische opbrengsten. Varianten B2 en B3 lijken wel vergunbaar: ze hebben beide ecologische opbrengsten en hebben allebei vergelijkbare negatieve effecten op Natura2000. De Taskforce heeft de maatregelen om de negatieve effecten op beschermde natuurwaarden teniet te doen in kaart gebracht en concludeert met de kennis van nu, dat deze negatieve effecten beperkt in omvang zijn en de maatregelen mogelijk zelfs alleen als mitigatie kunnen worden aangemerkt.

Een Passende Beoordeling, die in de volgende fase wordt opgesteld als besloten wordt tot het vervolgen van de planuitwerking, zal moeten uitwijzen wat de daadwerkelijk te nemen mitigerende en of compenserende maatregelen zullen zijn. Het is van belang dat in de volgende fase de negatieve effecten en bijbehorende mogelijke maatregelen nog nader ecologisch en juridisch worden onderbouwd in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn (in het bijzonder artikel 6 lid 1 t/m 4), waarbij expliciet wordt wat mitigatie en compensatie is. Ten aanzien van het Peilbesluit: aangezien een vervolg in de planuitwerkingsfase gevolgen heeft voor de (onder)grenzen van het peil, is een peilbesluit door BG IenW noodzakelijk. Als besloten wordt tot een Projectbesluit (zie Schema 2 hierboven) dan wordt coördinatie van het Peilbesluit onder het Projectbesluit mogelijk. Voor zowel een Peilbesluit als een Projectbesluit zal een m.e.r.-beoordeling moeten plaatsvinden, hetgeen waarschijnlijk zal leiden tot een besluit voor het opstellen van een MER. Mocht er in het kader van de Ow gekozen worden voor een projectbesluit, dan dient er afgewogen te worden of er vrijwillig een voorkeursbeslissing in de zin van de Ow genomen gaat worden. Bij deze afweging wordt meegenomen dat bij het nemen van een voorkeursbeslissing-Ow een plan-m.e.r. doorlopen moet worden. 10.3.

Juridische bruikbaarheid van een Ecologisch Masterplan (EMP) Ook al heeft een EMP bestuursrechtelijk geen status, een EMP kan een goede basis of opmaat vormen bij de voorbereiding van de te nemen besluiten of te verlenen vergunningen. Bij deze besluiten zijn een m.e.r.-beoordeling (met als te verwachten uitkomst dat er een MER moet worden opgesteld) c.q. een passende beoordeling (PB) eventueel gevolgd door een ADC-toets nodig. Een EMP kan deze wettelijk vastgelegde instrumenten niet vervangen, maar kan wel de bouwstenen voor een MER en PB leveren. Daarbij wordt de waarde van een EMP vergroot, als het de volgende onderdelen bevat: 

op basis van welke onderzoeken gekomen is tot inzichten voor de korte en lange termijn ecologische ontwikkeling, zowel waterstaatkundig als in relatie tot zeespiegelstijging; de ecologische ontwikkeling en effecten van activiteiten langjarig in beeld worden gebracht in een samenhangend concreet plan, zoals in het EMP op

59

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

basis van de onderzoeken die door en in opdracht van de Taskforce in 2022 zijn gedaan. Bij verdere uitwerking van het EMP zal worden onderzocht in hoeverre het EMP kaderstellend is in de zin van de SMB-richtlijn. Op dit moment heeft het EMP nog te weinig handvatten om daar een definitief antwoord op te formuleren. Dit zal in de vervolgfase meegenomen worden.

60

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

11

Governance

11.1. Inleiding De Taskforce is gevraagd een werkwijze te ontwerpen waarin de rollen van opdrachtgevers, opdrachtnemers en stakeholders in het vervolg van de planstudiefase expliciet zijn vastgelegd en passen bij ieders verantwoordelijkheden en met eenduidige transparante sturings- en verantwoordingslijnen. Het was hierbij de verwachting dat een van de door de Taskforce onderzochte varianten zou passen binnen het taakstellende budget. Nu dat niet het geval blijkt, en er een meer fundamentele keuze bij de opdrachtgevers voorligt, heeft de Taskforce ervoor gekozen om de verschillende mogelijkheden voor de governance in de fase na de oplevering van het eindrapport te beschrijven. Op basis van de besluitvorming van de opdrachtgevers over het vervolg van het project, en de vraag of de huidige lokale en regionale stakeholders daaraan gaan deelnemen, kan een maatwerk governance voor de volgende projectfase worden ontworpen. De Taskforce doet hiervoor een eerste aanzet, met in gedachten de uitkomsten van de landelijke PAGW-evaluatie van de bestuurlijke samenwerking (2021): zorg voor heldere en zakelijk afgebakende rollen en taakverdeling. 11.2. Algemeen Governance is een breed gebruikt begrip en gaat altijd over besturing, bijvoorbeeld van een project, een gebied of een organisatie.

De governance duidt de specifieke verantwoordelijkheden van iedere partner, zodat duidelijk is wie waarop kan worden aangesproken. Vaak worden zulke afspraken op bestuurlijk niveau in een Bestuursovereenkomst (BOK) vastgelegd, zoals ook in de verkenningsfase bij het project Getij Grevelingen is gebeurd. 11.2.1. Diverse overlegverbanden over de Grevelingen Het Bestuurlijk Overleg Getij Grevelingen (BO GG19) adviseert de opdrachtgevers IenW en LNV over project Getij Grevelingen. Het Bestuurlijk Overleg Grevelingen (BOG) besluit sinds 2018 over beheer en ontwikkeling van de natuur- en recreatiegebieden binnen de Grevelingen met behulp van het Strategisch Ontwikkelplan- en Uitvoeringsplan Grevelingen20. De komende decennia gaat het daarbij om versterken van recreatieve watergebieden en vaarverbindingen, landschappelijke kwaliteiten en de biodiversiteit, en het vergroten van de economische, recreatieve en toeristische aantrekkingskracht. En er bestaat een Technisch Overleg Grevelingen (TOG) waarin de beheerders (Rijkswaterstaat en Staatsbosbeheer) operationele (beheer) beslissingen afstemmen. 11.2.2. Huidige governance project Getij Grevelingen Tot en met de verkenningsfase is gewerkt aan de verbetering van de onderwaternatuur en de ecologische systeemkwaliteit van het Grevelingenmeer, inclusief het langjarig, toekomstbestendig beheer van het meer na realisatie van het project.

Over de besturing van het project Getij Grevelingen is in een Bestuursovereenkomst 21 vastgelegd dat de minister van IenW zorgdraagt voor de uitwerking van het project in de afronding van de verkenningsfase en de Planuitwerkingsfase, in Deelnemers zijn de ministeries van IenW, LNV en EZK, de gemeenten Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland, de provincies Zeeland en Zuid-Holland, RWS, SBB; waterschap Hollandse Delta is agendalid. 20 Gemeenten Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland, provincie Zeeland, RWS, SBB. 21 Artikel 9 lid 2 en 3, Bestuursovereenkomst II d.d. 21 februari 2019 19

61

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

samenwerking met de deelnemende partijen. Deze partijen behouden hun eigen verantwoordelijkheid bij de uitvoering van het project. De minister van IenW is de verantwoordelijke voor het proces. De uitzondering hierop is de vergunning op grond van de Wet natuurbescherming, waarvoor de minister van LNV verantwoordelijk is. De opdrachtgevers voor de projectorganisatie Getij Grevelingen zijn de ministers van IenW en voor N&S22 vanuit hun beleidsverantwoordelijkheid voor de PAGW. Getij Grevelingen is het grootste project in het kader van de eerste tranche van de PAGW. Vanuit de PAGW komt een belangrijk deel van het huidige projectbudget en ook de uitvoeringscapaciteit via het uitvoeringsconsortium RWS, SBB en RVO. IenW geeft, mede namens het ministerie van LNV en de meebetalende regionale partijen aan RWS de opdracht om PAGW projecten, waaronder Getij Grevelingen, uit te voeren. RWS is opdrachtnemer, penvoerder en aanbestedende dienst van het project en werkt samen met PAGW- uitvoeringspartners SBB en RVO. RWS en SBB zijn daarnaast ook (eigenaar)-beheerder. RWS legt aan de opdrachtgevers IenW en LNV verantwoording af. Het project informeert het BO GG over de voorgang en via PAGW regiocoördinatoren het gebiedsoverleg ZWD. Daarnaast wordt over de voortgang van het project de landelijke PAGW-programma organisatie geïnformeerd.

Besturing van het project vindt plaats via een OG-ON-overleg tussen IenW en LNV en RWS. Bij budgetvragen die financiële consequenties kunnen hebben voor het PAGW-programma wordt ook de PAGW aansturingslijn gevolgd via de stuurgroep PAGW. 11.3. Governance in de fase na de Taskforce: 4 scenario’s De governance in de fase na de Taskforce hangt af van twee vragen: gaan de opdrachtgevende ministers besluiten om een Planuitwerkingsfase (PU fase) te vervolgen of niet? En besluiten de huidige lokale en regionale partners om in de vervolgfase mee te (blijven) doen, en zo ja met of zonder de eerder toegezegde financiële bijdragen? Er zijn op basis van de antwoorden op de twee genoemde vragen 4 scenario’s voor de fase na de Taskforce denkbaar: Scenario 1) Het project Getij Grevelingen krijgt een vervolg in de PU fase: Scenario 1a) als project met meebetalende, medeverantwoordelijke, lokale en regionale partners; Scenario 1b) als project zonder meebetalende lokale en regionale partners. Scenario 2) Het project Getij Grevelingen krijgt geen vervolg in de PU fase: Scenario 2a) het project gaat niet verder de PU fase in, maar gaat verder als studieproject (nieuwe verkenning?) of blijft on-hold in afwachting van de resultaten van extra onderzoek en of monitoring; Scenario 2b) het project wordt definitief gestopt.

scenario 1a het project krijgt een vervolg in de PU fase met meebetalende, medeverantwoordelijke, lokale en regionale partners De governance voor de PU fase van project Getij Grevelingen lijkt in dit scenario op dat wat ook voor de verkenningsfase was afgesproken. Voor de planuitwerking van een project met vastgestelde projectscope, zijnde de realisatie van een doorlaatmiddel, zijn de ministers van IenW en voor N&S opdrachtgevers, tezamen met de meebetalende lokale en regionale partijen. Door het wegvallen van de 22

Natuur & Stikstof

62

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

getijdecentrale ligt het niet meer voor de hand dat EZK in deze fase nog actief betrokken is. IenW geeft, mede namens LNV en de lokale en regionale financiers, aan RWS de formele opdracht om de planuitwerking op te starten en voor de PU fase een IPMteam te formeren. RWS is opdrachtnemer en aanbestedende dienst en verantwoordt zich aan de opdrachtgevers. Het is aan te bevelen dat RWS dit in samenwerking met de PAGW-uitvoeringspartners SBB en RVO doet. scenario 1b het project krijgt een vervolg in de PU fase zonder meebetalende lokale en regionale partners In dit scenario wordt het project volledig gefinancierd met Rijksmiddelen. De ministers van IenW en voor N&S zijn daarom de enige opdrachtgevers en RWS is als opdrachtnemer uitvoerende en aanbestedende dienst en formeert in opdracht een IPM-team. Voor de project- en financiële governance geldt de MIRT-systematiek. Het is aan te bevelen dat de PAGW-uitvoeringspartners SBB en RVO deelnemen. De afstemming vanuit het project over zaken als lokale bouwhinder en effecten op de omgeving geschiedt door RWS vanuit het reguliere omgevingsmanagement, dat in de PU fase wordt vormgegeven middels een participatieplan. Zo blijven de regiopartijen als stakeholders betrokken bij het vervolg van het project. Het adviserende BO GG verdwijnt.

Als er behoefte blijft aan bestuurlijke afstemming met de niet langer in het project deelnemende lokale en regionale partijen kan deze plaatsvinden via andere BO gremia (zoals het BO G of via het reguliere zuid westelijke Delta overleg). scenario 2a het project gaat niet verder de PU fase in maar gaat verder als studieproject (nieuwe verkenning) of blijft on-hold in afwachting van de resultaten van extra onderzoek en of monitoring In dit scenario gaat het project niet verder de PU fase in om een doorlaatmiddel aan te leggen. Toch kan een vorm van (gezamenlijke) besturing noodzakelijk zijn om in deze fase besluiten te kunnen nemen die de verantwoordelijkheid van individuele beheerders te boven gaan, of die om afstemming vragen. Het kan nodig zijn om: 

te besluiten tot (aanvullende) monitoring om de systeemkennis over de Grevelingen te vergroten of de probleemdefinitie te verhelderen. Deze aanvullende monitoring of studie moet opgedragen en aangestuurd worden; tijdelijke, lokale experimenten (zoals bijvoorbeeld met verticale pompen) uit te voeren. Deze experimenten moeten voorbereid, opgedragen en begeleid worden; besturing te behouden tussen alle bevoegde gezagen over de gezamenlijke, langjarige, duurzame instandhouding en beheer in de toekomst, zoals volgt uit het Ecologisch Masterplan-denken.

Om bovenstaande zaken te kunnen organiseren is een opdracht tot het inrichten van een klein, opdracht-gestuurd team nodig (‘skeleton crew’). Het ligt voor de hand om vervolgacties via de bestaande opdrachtgevende lijnen uit te voeren met opdrachtgevers IenW en LNV, die ook een besluit nemen over het hiervoor benodigde budget. Onderbrengen van dit team bij opdrachtnemer RWS ligt voor de hand vanwege de continuïteit en benodigde deskundigheid. Gezien de impact van deze mogelijke besluiten op de uitvoering van het regulier beheer door provincies, RWS beheer en SBB adviseert de Taskforce om het BO GG te handhaven.

63

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

scenario 2b het project wordt definitief gestopt, al dan niet na scenario 2a In dit scenario (eventueel na scenario 2a), wordt het project definitief gestopt. Gevolg hiervan is dat de verbetering van de waterkwaliteit en het gehele ecologische systeem Grevelingen niet tot stand komt. Verantwoording hierover en uitleg aan stakeholders is aan de beleidsdepartementen en de lokale en regionale bestuurders. Definitief stoppen is een zaak van alle huidige projectpartners die een verantwoordelijkheid hebben voor de uitvoering van natuurbeleid en -beheer in het gebied, zoals is vastgelegd in de bestuursovereenkomst (artikel 15 lid 2). Over de invulling van de BOK verplichting zal bestuurlijk overleg nodig zijn. Als het project stopt is er geen projectorganisatie nodig en verdwijnt het samenwerkingsverband op dit punt. De activiteiten waarvoor partijen nu ook al een verantwoordelijkheid dragen, blijven bestaan. Gezien het feit dat het project dan ruim 10 jaar heeft bestaan is een opdracht vanuit de huidige opdrachtgevers wenselijk om de opgebouwde systeemkennis over de Grevelingen te behouden en onderdeel te maken van de reguliere kennisopbouw binnen RWS ZD en SBB. Onafhankelijk van een scenariokeuze De Taskforce adviseert dat het gedachtegoed van het EMP in de fase na de Taskforce verder uitgewerkt wordt.

Als deze aanbeveling wordt overgenomen is er een vorm van gezamenlijke bestuurlijke afstemming nodig over voortgang en keuzes inzake die uitwerking. Als er besloten wordt tot een projectmatig vervolg dan is een opdracht nodig, aan RWS of aan één van de andere partijen van het PAGW uitvoeringsconsortium, om een ‘werkgroep EMP’ te formeren en daarin het gedachtegoed van het EMP, in goede samenspraak met de provincies verder uit te werken. Opdrachtgevers hiervoor kunnen uit hoofde van hun PAGW verantwoordelijkheid de ministeries van IenW en LNV zijn. Een dergelijke opdracht kan naast, en buiten de scope van de projectbesturing, in een eventuele PU fase worden uitgevoerd, maar dient daarmee wel in verbinding te blijven. De aanzet voor het EMP, dat nu vanuit de ontwikkelingen van het project Getij Grevelingen langjarig is beschreven, kan in de volgende fase worden verrijkt en compleet gemaakt met andere relevante beleidsontwikkelingen (HWBP, KRW, NPLG, programma Natuur, Beheerplan N2000), zodat er een integraal instrument voor beheer en natuurontwikkeling in de Grevelingen tot 2080 ontstaat. En het mogelijk wordt om ontwikkeling en beheer van het Grevelingenmeer langjarig ‘als waren partijen één overheid’ te besturen.

Zelfs in scenario 2b (project stoppen) is dit het advies van de Taskforce aan de partijen met een reguliere taak in de Grevelingen (RWS ZD, SBB, provincies) omdat zij volgens de Taskforce baat kunnen hebben bij een integraal, langjarig ordenend instrument EMP.

64

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

12

Optimalisatiekansen

12.1. Inleiding In de Taskforce fase is voor de referentiesituatie en een viertal varianten een uitwerking gemaakt. Vele onderzoeken hebben plaatsgevonden en er is veel kennis verzameld. Op basis van dit voortschrijdende inzicht zijn ook enkele optimalisatiekansen geïdentificeerd waarmee in een vervolgfase mogelijk voordeel kan worden behaald, bijvoorbeeld via besparing op het benodigde budget. De grootste optimalisatiekansen worden in dit hoofdstuk toegelicht. 12.2. Maatwerkkeuze peilbeheer De omvang van het doorlaatmiddel wordt bepaald door de gewenste getijslag en door de peilbeheergrenzen waarbinnen de waterstand zich kan bewegen. De maximale peilbeheergrens van NAP -10 cm is gekozen als maatregel waarmee de negatieve effecten op de beschermde natuur zo veel mogelijk beperkt blijven. De effectiviteit van deze keuze blijkt uit aard en (relatief beperkte) omvang van de Maatregelen Natuur voor de B-varianten in 2030 (zie paragraaf 6.4). Als een hogere maximale peilbeheergrens wordt gekozen kan een vergelijkbare getijslag met een kleiner doorlaatmiddel worden bereikt. Als bijvoorbeeld de maximale peilbeheergrens wordt verhoogd van NAP -10 cm naar 0 cm dan kan de omvang van het doorlaatmiddel als volgt worden verkleind (zie Tabel 16):

maximale en minimale peilbeheergrens (cm t.o.v. NAP) Aantal kokers doorlaatmiddel (-)

Variant B2 -10 -55 11

Variant B3 -10 -65 18

maximale en minimale peilbeheergrens (cm t.o.v. NAP) Aantal kokers doorlaatmiddel (-)

Variant B2opt 0 -45 (-55) 9 (7)

Variant B3opt 0 -55 13

Tabel 16 Effecten optimalisatie peilbeheergrens naar 0 cm. Voor variant B2opt zijn twee opties uitgewerkt: een minimale peilbeheergrens op NAP -45 of -55 cm. Dit leidt tot respectievelijk 9 of 7 benodigde kokers.

Met het aanpassen van peilbeheergrenzen kan de omvang van het doorlaatmiddel significant worden beperkt. Een getijslag van 30 cm (B2) kan met aangepaste peilbeheergrenzen worden bereikt met 7 kokers in plaats van 11 kokers bij een maximum peil van NAP -10 cm. Nadeel van deze optimalisatie is dat het effect op beschermde natuur ook wordt vergroot. Ook het effect op de infrastructuur wordt groter. Daardoor zijn extra maatregelen nodig om deze teniet te doen. Ruwweg kan gesteld worden dat de omvang van deze extra maatregelen vergelijkbaar is met de maatregelen uit de eerste adaptatiestap in 2047. Bij deze eerste adaptatiestap zou immers ook een peilverhoging van 10 cm plaats vinden. Qua realisatiekosten leidt deze optimalisatie tot een besparing van 40 tot 120 miljoen euro bij variant B2 (reductie van 11 tot respectievelijk 9 of 7 openingen), en tot 160 miljoen euro besparing bij variant B3 (reductie van 18 naar 13 openingen).

65

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

Deze richting kent echter ook een juridische uitdaging: aangezien het effect op beschermde natuur wordt vergroot wordt ook de vergunbaarheid risicovoller. In het geval de maatregelen in de PB als mitigatie worden gekwalificeerd lijkt de optimalisatie realistisch. In het geval de maatregelen als compensatie worden gekwalificeerd is dit niet het geval: in dat geval bestaat er immers een alternatief met minder natuurschade (varianten met een peilbeheergrens op NAP-10 cm). Cruciaal bij deze optimalisatiekans is derhalve een maatwerkkeuze voor het peilbeheer: enerzijds zodanig dat het effect op beschermde natuur zo klein mogelijk blijft en liefst met mitigatie kan worden opgevangen. Anderzijds zodanig dat de omvang van het doorlaatmiddel zo klein mogelijk kan blijven. Er zijn verschillende maatwerkkeuzes voor het peilbeheer mogelijk: 

 

Geleidelijk verhogen maximum peilbeheergrens zodat beschermde natuur kan opschuiven (eventueel in combinatie met extra maatregelen); Toevoegen van doodtij-springtij cyclus op de Grevelingen zodat een extra impuls wordt bereikt voor beschermde natuur; Peilverlaging in broedseizoen heroverwegen.

Samenvattend adviseert de Taskforce om na de getijslagkeuze tot een maatwerkkeuze voor het peilbeheer te komen. Zodanig dat het project vergunbaar blijft, en dat de realisatiekosten zo veel mogelijk worden beperkt. 12.3. Ontwerp optimalisaties doorlaatmiddel Het ontwerp van het doorlaatmiddel is uitwerkt tot een niveau dat passend is bij een ramingsbandbreedte van 25% (conform niveau VKA). Onderdeel van deze raming zijn benoemde (op basis van een risicoanalyse) en onbenoemde risico’s. De risicoreservering in de raming bedraagt circa 25%. Dit is als passend beoordeeld voor een kunstwerk van deze omvang en complexiteit op deze locatie. Gaandeweg het ontwerpproces zijn ook enkele ontwerpoptimalisaties gevonden. Mogelijk dat deze bij verdere uitwerking tot een besparing van realisatiekosten kunnen leiden: 1. Optimalisatie wanddiktes Een reductie van de wanddiktes van 5 naar 3,5 m zou een besparing van circa 34 miljoen euro (inclusief BTW) bij variant B2 kunnen oplevering (circa 6% van de realisatiekosten. Deze optimalisatie vergt nadere uitwerking met betrekking tot deurkassen en wapening. 2. Optimalisatie dubbele keermiddelen Om de waterveiligheid te waarborgen zijn in het ontwerp dubbele keermiddelen per koker opgenomen. Deze keuze is gemaakt op basis van een faalkansanalyse.

Daarin is op basis van kengetallen berekend dat per koker dubbele keermiddelen (schuiven) nodig zijn om te borgen dat de kans op een waterstand van NAP +1,0 m op de Grevelingen voor een zichtperiode van 100 jaar niet groter is dan 1/1000 per jaar. De uitkomst van de faalkansanalyse hangt direct samen met keuzes in het ontwerp, keuze van de variant (B1, B2 of B3), de wijze van aansturing en het operationeel beheer. In een vervolgfase zal dit nader moeten worden uitgewerkt, waarbij ook duidelijk wordt onder welke voorwaarden deze optimalisatie realistisch is. Enkele in plaats van dubbele keermiddelen zou een besparing van circa 5 tot 10% op de realisatiekosten betekenen.

66

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

13

Antwoord op de aan de Taskforce gestelde vragen

13.1. Inleiding In de opdracht aan de Taskforce is een aantal expliciete vragen geformuleerd. In dit hoofdstuk worden deze vragen puntsgewijs beantwoord. De antwoorden zijn bondig geformuleerd. In de voorgaande hoofdstukken is de diepgaande onderbouwing van de antwoorden gegeven zodat hier volstaan wordt met een kort antwoord. 13.2.

Antwoorden op de aan de taskforce gestelde vragen

Wat is de maximale ecologische kwaliteitsimpuls die gegeven kan worden binnen het beschikbare (en taakstellende) budget en breng de effectiviteit in beeld aan de hand van de door het expertteam voorgestelde 4 sets aan indicatoren. De Taskforce concludeert dat er geen verbetering van de waterkwaliteit en het gehele ecologische systeem Grevelingen mogelijk is zonder de herintroductie van getij. Geen van de onderzochte varianten waarmee de getijslag kan worden vergroot is realiseerbaar binnen het taakstellend budget van 166 miljoen euro. Zelfs de kleinste onderzochte variant kost circa 279 miljoen euro (prijspeil 2022, inclusief BTW). Deze variant met een doorlaatmiddel, waarbij dat een getijslag van 20 cm wordt bereikt zal niet of nauwelijks tot een verbetering van het ecologische systeem leiden. Ook de kans dat voor deze variant een vergunning kan worden verkregen is mede hierdoor uiterst klein. Daarmee is de conclusie dat er geen ecologische kwaliteitsimpuls gegeven kan worden binnen het beschikbare (en taakstellende) budget. Kan de effectiviteit worden verhoogd en zo ja tegen welke financiële inspanning. Een significante verbetering van het ecologische systeem Grevelingen wordt bereikt met de twee grotere B-varianten, met een getijslag van 30 of 40 cm. Deze varianten kosten respectievelijk 561 miljoen en 838 miljoen euro (prijspeil 2022 inclusief BTW).

Voor deze varianten wordt verwacht dat er wel een vergunning kan worden verkregen. Bij welke effectiviteit stopt de achteruitgang van de waterkwaliteit en het ecologisch systeem getoetst aan de 4 sets van indicatoren. De Taskforce heeft het omslagpunt per indicator in beeld gebracht. De rode lijnen in Tabel 3 en Tabel 6 (zie hoofdstuk 5) geven dit aan. Rechts van de rode lijn is sprake van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Wat is de effectiviteit van een variant zonder extra civieltechnische ingrepen dus met bestaande spuimiddelen Bij deze variant A3 wordt de capaciteit van de bestaande spuimiddelen (Brouwerssluis en Flakkeese Spuisluis) maximaal benut. Daarvoor wordt het gemiddeld en maximaal peil verhoogd. De ecologische effectiviteit hiervan is klein, slechts op enkele doelbereikindicatoren wordt een lichte verbetering bereikt, voor andere indicatoren een verslechtering. Groot nadeel van deze

67

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

variant is de forse aantasting van de bestaande, deels beschermde (bovenwater)natuur, rond het Grevelingenmeer. Om deze nadelige effecten teniet te doen is een omvangrijk en duur pakket aan natuurmaatregelen nodig waardoor deze variant (ook) ver boven het taakstellende budget uitkomt. Mede gezien de impact op de bestaande Natura2000 natuur wordt deze variant lastig vergunbaar23 geacht. Onderbouw voor ieder van deze opties de haalbaarheid van het uitwerken van een Ecologisch Masterplan zoals geadviseerd door het expertteam ten behoeve van de planuitwerkingsfase. De haalbaarheid van een Ecologisch Masterplan (EMP) is beoordeeld aan de hand van het opgestelde framework EMP en de EMP-uitwerkingen voor varianten B2 en B3. Geconcludeerd wordt dat voor Getij Grevelingen een EMP haalbaar en zeer behulpzaam kan zijn voor: o Communicatie met stakeholders o Besluitvorming o Vergunningenproces Onafhankelijk van de keuze over een vervolg van het project Getij Grevelingen lijkt het EMP een bruikbaar instrument voor beheerders en beleidsmakers. Uitbrengen van een advies over deze opties. De Taskforce heeft conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan in het voorliggende adviesrapport (zie hoofdstuk 2). Uitbrengen van een advies over de governance van de planuitwerking. Een advies over de governance is afhankelijk van de besluitvorming over het vervolg.

Gegeven de onzekerheid over het vervolg van het project Getij Grevelingen heeft de Taskforce ervoor gekozen om een viertal scenario’s te beschrijven voor de governance in de fase na het uitbrengen van het eindrapport van de Taskforce (zie hoofdstuk 11). Beantwoording van de aanvullende vragen op de opdracht door de regionale partijen en Staatsbosbeheer. Naar aanleiding van het advies van het expertteam in 2021 is een groot aantal vragen gesteld door de regionale partijen en Staatsbosbeheer. De meeste van deze vragen zijn beantwoord door het kernteam Project Getij Grevelingen (notitie n.a.v. BO GG d.d. 22 juli 2021). Een aantal vragen met betrekking tot de relatie tussen het project (en mogelijkheid van een EMP) en Natura 2000 verantwoordelijkheden is doorgeschoven naar de Taskforce. Waar mogelijk heeft de Taskforce de beantwoording van deze vragen meegenomen in de beoordeling van de mogelijkheid van een EMP. Daarbij geldt dat de Taskforce de bestaande juridische kaders (rond Natura2000) als uitgangspunt heeft genomen. Het beantwoorden van de vraag naar de financiële stromen met betrekking tot Natura2000 en een EMP, met als mogelijk doel te komen tot een integraal budget voor natuurbeheer, heeft de Taskforce niet mogelijk geacht.

Deze vraag, evenals de vraag hoe de Omdat er nog geen PB heeft plaatsgevonden kan formeel niet gesteld worden dat variant A3 niet vergunbaar is, maar de kans wordt miniem geacht. 23

68

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

verantwoordelijkheden tussen betrokken partijen bij een EMP het beste kunnen worden verdeeld past beter bij een vervolgfase (of dat nu een PUfase of niet betreft). De Taskforce adviseert mede hierom dat de bestaande werkgroep EMP blijft bestaan zodat met alle betrokken partijen gewerkt kan worden aan de beantwoording van de nog openstaande vragen.

69

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

14

Referentielijst

Opdracht Taskforce Getij Grevelingen B

1

Plan van Aanpak en Offerte Taskforce

1-11-2021

Plan Aanpak Taskforcefase o.b.v. opdracht gegeven aan RWS (eind 2021)

Producten Deltares C

1

Advies voor indicatoren ter beoordeling van de toekomstige ecologische waterkwaliteit van de Grevelingen

26-8-2021

Uitwerking doelbereikindicatoren cf. advies Expertteam Getij Grevelingen

C

2

Optimalisatie Getij Grevelingen peilbeheerscenario's met het 0D waterbalansmodel

17-11-2022

Simulatie van waterbeweging. Relatie tussen omvang van het doorlaatmiddel, getijslag Grevelingen en zeespiegelstijging. Randvoorwaarden voor het 3D simulatiemodel

C

3

Effect en effectiviteit van negen scenario's op de zuurstofdoelindicatoren van het Grevelingenmeer

23-11-2022

Opzet en resultaten van 3D simulatie van waterkwaliteit voor verschillende varianten. Kwantificering doelbereikindicatoren en duiding betrouwbaarheid voorspellingen. Modeluitkomst is als invoer gebruikt voor effectvoorspellingen WMR.

17-11-2022

Inschatting effecten aangepaste varianten in peilbeheer op onderwaternatuur en de N2000 instandhoudingsdoelen

Producten WMR D

1

Ecologische effecten veranderd peilbeheer Grevelingen

Producten Deltares en WMR E

1

Synthese doelindicatoren en duiding: Effect en effectiviteit van peilbeheervarianten op de waterkwaliteit en ecologie van de Grevelingen

15-11-2022

Gezamenlijke synthese en samenvatting Deltares en WMR o.b.v. onderliggende rapporten C3 en D1.

E

2

Modelbetrouwbaarheid doelindicatoren Getij Grevelingen

23-12-2022

Extra verdiepende analyses m.b.t. modelbetrouwbaarheid en effectvoorspelling. Vergelijking model en metingen voor/na opening Flakkeese Spuisluis.

70

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

Producten Sweco F

1

-

Plan van Aanpak - Variantenstudie 30-6-2022 Getij Grevelingen

Plan van Aanpak Sweco

F

2

WP1.1.a

Variantenstudie Getij Grevelingen - Uitgangspuntennotitie

3-8-2022

Uitgangspuntennotitie t.b.v. variantanalyse type doorlaatmiddel

F

3

WP1.1.b

Variantenstudie Getij Grevelingen - Variantanalyse type doorlaatmiddelen

9-12-2022

Keuze van 5 typen doorlaatmiddelen (Variant B1), en uitwerking daarvan tot schetsontwerp incl. raming (50% onzekerheidsmarge), resultaat is input voor multicriteria analyse.

F

4

WP1.1.c

Variantenstudie Getij Grevelingen - Multicriteria analyse

9-11-2022

Multicriteria analyse 5 typen doorlaatmiddel vanuit meerdere perspectieven. Keuze type doorlaatmiddel voor verdere ontwerpuitwerking (VKA ontwerp doorlaatmiddel)

F

5

WP1.1.d

Variantenstudie Getij Grevelingen - TF-VKA ontwerp doorlaatmiddel

24-1-2023

Uitwerking ontwerp doorlaatmiddel tot VKA niveau (25% onzekerheidsmarge) voor variant B2. Tevens raming voor variant B1 en B3

F

6

WP1.2

Getij Grevelingen - Maatregelen Infrastructuur

2-12-2022

Ontwerpuitwerking en raming van maatregelen Infrastructuur. Dit zijn maatregelen waarmee negatieve effecten van gewijzigde waterstanden worden gemitigeerd zodat functionaliteit gelijk blijft (bijvoorbeeld baggerwerk, drijvende i.p.v. vaste steigers etc.). Uitgewerkt voor alle varianten

F

7

WP1.3

Getij Grevelingen - Rapportage Maatregelen Natuur & Extra Maatregelen Natuurbeheer (Samen met 8)

13-1-2023

Ontwerpuitwerking en raming van maatregelen Natuur. Dit zijn maatregelen waarmee de negatieve effecten van gewijzigde waterstanden op de N2000 doelsoorten en habitats wordt gemitigeerd of gecompenseerd. Uitwerkt voor alle varianten.

F

8

WP1.4

Getij Grevelingen - Rapportage Maatregelen Natuur & Extra Maatregelen Natuurbeheer (Samen met 7)

13-1-2023

Ontwerpuitwerking en raming van de 'extra maatregelen natuurbeheer'. Dit is een uitwerking de

71

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

maatregelen waarmee in de huidige situatie aan de beheerdoelstellingen N2000 kan worden voldaan. F

9

WP1

Variantenstudie Getij Grevelingen - Rapportage Kosten

13-1-2023

Samenvatting van de kosten uit de ramingen uit WP1.1 t/m 1.4

F

10

WP2

Ecologische effectiviteit Getij Grevelingen - Beoordeling van de ecologische effectiviteit van de verschillende getijvarianten

1-2-2023

Uitwerking van ecologische effectiviteit van de varianten a.d.h.v. input van Deltares en WMR (producten onder C, D en E). Uitgedrukt in doelbereikindicatoren en aanvullende indicatoren.

F

11

WP3a

Ecologisch Masterplan Framework EMP (met variant B1)

30-11-2022

Opzet Ecologisch Masterplan o.b.v. voorlopige uitkomsten variant B1. Opzet is gebruikt om tot een keuze in vorm te komen van het EMP.

F

12

WP3b

Variantenstudie Getij Grevelingen - Samenvattende notitie 5 getijvarianten

6-2-2023

Dit werkpakket is omgevormd tot het leveren van figuren en kaarten van de varianten t.b.v. het advies van de Taskforce

F

13

WP3c

Getij Grevelingen Ecologisch Masterplan - Met beschrijving varianten: getijslag 30 cm (B2) en getijslag 40 cm (B3)

6-2-2023

O.b.v. het Framework EMP (F11) uitgewerkt EMP voor de varianten B2 en B3 (o.b.v. de resultaten van werkpakketten 1 en 2)

F

14

WP4a

Kengetallen Kosten-Baten Analyse 13-9-2022 - Uitgangspuntennotitie

Uitgangspuntennotitie Kengetallen Kosten Baten Analyse

F

15

WP4b

Kengetallen Kosten-Baten Analyse 23-2-2023

Kengetallen Kosten Baten Analyse voor variant B2 en B3 (t.o.v. autonome ontwikkeling). Hierbij worden ook andere aspecten (recreatie, visserij, landbouw etc.) op hoofdlijnen beoordeeld.

Product Van der Zee Procesmanagement & Consultancy G

1

WP5

Project Getij Grevelingen Vergunbaarheid hoofdbesluiten en bruikbaarheid Ecologisch Masterplan

12-1-2023

Analyse vergunbaarheid varianten. Vereiste besluiten en vergunningen, risicoanalyse en inschatting uitkomst doorlopen Passende Beoordeling en ADC toets.

72

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

Producten Taskforce Getij Grevelingen H

1

Opbrengst frisse blik sessies

19-1-2022

H

2

Kostenanalyse Verbeterd-VKA ontwerp

21-6-2022

H

3

H

4

Overzicht begrippen en definities, gehanteerd 25-5-2022 in de taskforcefase van project Getij Grevelingen Nota maatregelen natuur en infrastructuur 28-2-2022

H

5

Nota Zeespiegelstijging 2030 - 2080

11-3-2022

H

6

Nota peilbeheerscenario’s behorende bij de varianten

21-11-2022

H

7

Resultaten 0D-berekeningen: waterstanden, getij en adaptatiestappen

21-11-2022

H

8

Aanpassing Doorstromend Oppervlak Varianten

11-11-2022

H

9

Factsheets natuurmaatregelen

1-7-2022

H

10

Maatregelpakketten Natuur en Extra Maatregelen Natuurbeheer

1-11-2022

H

11

Toelichting en achtergronden definitie Maatregelpakketten.

19-12-2022

Resultaat van brede inventarisatie oplossingsrichtingen en kwalitatieve beoordeling effect en kosten. Op basis hiervan is variant A3 en B3 gekozen (NB variant B3 is o.b.v. tussenresultaten later gewijzigd) Analyse op de raming Verbeterd VKA ontwerp (2021). O.b.v. de grootste kostenposten is een inschatting gemaakt van ramingsgevolgen van grote ontwerpwijzingen (minder kokers, kortere kokers, geen pompturbines etc.) Definitielijst zoals gehanteerd in de Taskforce fase Uitleg achtergrond maatregelen natuur en infrastructuur tot de Taskforce fase Definitie scenario’s zeespiegelstijging zoals gebruikt in de Taskforce fase Definitie peilbeheerscenario’s (peilbeheergrenzen en adaptatiestappen) bij de varianten Taskforce fase. Gemiddelde waterstanden en gemiddelde getijslag van de varianten Taskforce fase, met en zonder adaptatiestappen tot 2080. Gebaseerd op 0D simulaties Deltares (rapport C2) Doorstromend oppervlak van varianten B1, B2 en B3 o.b.v. 0D simulaties (rapport C2 en H7). Onderbouwing keuze incl. afdekken onzekerheid Definitie van mogelijke natuurmaatregelen plus beoogde effecten (bouwstenen t.b.v. beheermaatregelen N2000 en mitigatie/compensatie effecten varianten Taskforce Maatregelpakketten instandhoudingsdoelen N2000 en mitigatie/compensatie varianten Taskforce Toelichting op de onderbouwing en achtergrond van de gekozen maatregelpakketten

73

Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen

H

12

Programma van Eisen Doorlaatmiddel

24-10-2022

H

13

Programma van Eisen Maatregelen Infrastructuur

17-5-2022

H

14

Memo vergelijking kosten Verbeterd-VKA en Taskforce-VKA

15-02-2023

Programma van Eisen doorlaatmiddel Variant B2 (t.b.v. VKA Ontwerp F5) Programma van Eisen Maatregelen Infrastructuur (t.b.v. rapport F6) Duiding achtergronden prijsstijgingen kostenramingen (buiten ontwerpaanpassingen)

Toetsproducten I

1

Eindoordeel toetsing op de ramingen Taskforce producten Sweco

6-2-2023

Resultaat toets medewerker kostenpool RWS op de ramingen in de Sweco producten

J

1

MKBA bij Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer, Stratelligence

Juli 2014

MKBA onderliggend bij Rijksstructuurvisie

J

2

Juni 2016

MKBA actualisatie

J

3

MKBA Ontwerp-Rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer; Effecten bij actualisatie. Concept Notitie Reikwijdte en detailniveau

December 2020

Concept NRD Getij Grevelingen, waarin alle beschikbare bronnen m.b.t. effecten zijn samengebracht

J

4

Natuurdoelanalyse Natura 2000. Provincie Zuid-Holland.

2022

J

5

2019 en 2022

J

6

J

7

Ecologisch effecten onderzoek veranderd peilbeheer Getij Grevelingen. Wageningen Marine Research Update statusbeschrijving Grevelingenmeer. Bureau Waardenburg Factsheet KRW - Stroomgebiedbeheerplan 2022-2027; Blz. 76 – 85. Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Overige

Sept 2019 Februari 2023

74

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12968529/1