20230704 Raadsbrief Voortgangsbericht project Getij Grevelingen Bijlage RWS-2023 13781 Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Tekst van het document
RWS BEDRIJFSVERTROUWELIJK - PERSOONSVERTROUWELIJK
Kiezen voor systeemherstel? Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Datum Versie Status
8 mei 2023 5.0 DEFINITIEF
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Colofon
Uitgegeven door Auteur Informatie Telefoon
Rijkswaterstaat Zee & Delta Taskforce Getij Grevelingen Rijkswaterstaat Zee & Delta 088-797 46 00
Datum Versie Status
8 mei 2023 5.0 DEFINITIEF
Versiebeheer 2.0 19-02-2023 3.0 4.0
09-03-2023 07-04-2023
Concept t.b.v. Klankbordgroep, PVP en ambtelijk overleg met OG Concept t.b.v. BT en Bestuurlijk Overleg 22-03-2023 Eindconcept t.b.v. akkoord lijn RWS
2
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Inhoud
1 1.1. 1.2. 1.3. 1.4.
Inleiding Aanleiding Leeswijzer Opdracht Taskforce Kwaliteitsborging
5 5 5 6 7
2 2.1. 2.2.
Conclusies en aanbevelingen Conclusie Aanbevelingen
8 8 10
3 3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.4.1. 3.4.2. 3.4.3. 3.4.4. 3.4.5. 3.5. 3.5.1. 3.5.2.
Uitwerking Taskforce Getij Grevelingen Inleiding Het Grevelingenmeer, peilbeheer en spuimiddelen Beschouwde varianten Onderzoek en (deel)producten Ecologische effectiviteit Ontwerp en kosten van maatregelen Ecologisch Masterplan Overige effecten Vergunbaarheid Kaderrichtlijn Water (KRW) Fysisch-chemische status Biologische status
13 13 13 14 16 16 16 17 17 17 17 18 18
4 4.1. 4.2. 4.3.
Varianten, zeespiegelstijging, getijslag en adaptatie Introductie Zeespiegelstijging tot 2080 Varianten, getijslag en adaptatie tot 2080
19 19 19 21
5 5.1. 5.2. 5.3. 5.3.1. 5.3.2. 5.4. 5.5. 5.6. 5.7. 5.8.
Ecologische effectiviteit Introductie Toelichting op het onderzoek Resultaten vergelijking van de varianten voor de doelbereikindicatoren Vergelijking doelbereikindicatoren door Deltares en WMR Vergelijking doelbereikindicatoren door Sweco Resultaten vergelijking van de varianten voor extra indicatoren Beoordeling van effectiviteit van varianten op basis van afwegingsindicatoren Betrouwbaarheid en leemtes in kennis Dempend effect van getij op temperatuurstijging water Eindoordeel ecologische effectiviteit
22 22 22 23 23 25 26 29 30 31 32
6 6.1. 6.2. 6.2.1. 6.2.2. 6.2.3. 6.3. 6.4. 6.5.
Doorlaatmiddel, infrastructuurmaatregelen en natuurmaatregelen Introductie Doorlaatmiddel Brouwersdam Programma van Eisen Variantenstudie met Multi-Criteria-Analyse TF-VKA Ontwerp (variant B2) Maatregelen Infrastructuur Maatregelen Natuur Kosten doorlaatmiddel, maatregelen infrastructuur en natuur
34 34 35 35 35 35 38 39 41
3
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
6.6.
Vergelijking met het taakstellende budget
42
7 7.1. 7.2. 7.3. 7.4.
Natura2000 instandhoudingsdoelen en –maatregelen Natura2000 instandhoudingsdoelen Natura2000 ontwikkelingen Indicatieve maatregelen instandhouding Kosten maatregelen natuurbeheer
45 45 46 46 48
8 8.1. 8.2. 8.3. 8.3.1. 8.3.2. 8.3.3. 8.4.
Ecologisch Masterplan Inleiding Ecologisch Masterplan variant B2 en B3 Synergie tussen maatregelen Getij Grevelingen en Natura2000 Samenhang tussen maatregelen Ecologische versterking (synergie) Efficiëntie bij samenhangende uitvoering (synergie) Ecologisch Masterplan inzetten bij vervolg?
49 49 49 50 50 50 51 52
9 9.1. 9.2. 9.3.
Overige effecten project Getij Grevelingen Inleiding Effecten op de omgeving variant B2 en B3 Samenvatting beoordeling omgevingsaspecten
53 53 53 56
10 10.1. 10.2. 10.3.
Vergunbaarheid Introductie Vergunbaarheid varianten A3, B1, B2 en B3 Juridische bruikbaarheid van een Ecologisch Masterplan (EMP)
57 57 57 59
11 11.1. 11.2. 11.2.1. 11.2.2. 11.3.
Governance Inleiding Algemeen Diverse overlegverbanden over de Grevelingen Huidige governance project Getij Grevelingen Governance in de fase na de Taskforce: 4 scenario’s
61 61 61 61 61 62
12 12.1. 12.2. 12.3.
Optimalisatiekansen Inleiding Maatwerkkeuze peilbeheer Ontwerp optimalisaties doorlaatmiddel
65 65 65 66
13 13.1. 13.2.
Antwoord op de aan de Taskforce gestelde vragen Inleiding 67 Antwoorden op de aan de taskforce gestelde vragen
67
14
Referentielijst
70
67
Bijlage 1: Advies Klankbordgroep aan Taskforce Bijlage 2: voorbeeld Ecologisch Masterplan (rapport en kaartenbijlage)
4
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
1
Inleiding
1.1. Aanleiding Met de afsluiting in 1971 van het Grevelingenmeer van de Noordzee en de grote rivieren in het kader van de Deltawerken is dit voormalig estuarium veranderd in een nagenoeg gesloten waterlichaam. Sinds 2003 is onderkend dat als gevolg van de afsluiting van de Grevelingen het meer ecologisch steeds meer onder druk komt te staan en daarmee de opgave om te voldoen aan de doelen van Natura 2000 en de Kaderrichtlijn Water toeneemt. In de Grevelingen kan geen robuust en duurzaam ecologisch systeem tot ontwikkeling komen. Sterker nog: er was zorg dat een omslag naar een meer met zuurstofloze condities zou dreigen bij niet ingrijpen met een groot verlies aan biodiversiteit en de ecologische schakelfunctie tot gevolg. De Zuidwestelijke Delta ligt op het kruispunt van twee internationale natuurcorridors: de oost-westroute in de vismigratie en de noord-zuidroute van de vogeltrek en vormt daarmee een onmisbare schakel in het internationale natuurnetwerk. In de Grevelingen gaat de waterkwaliteit achteruit en dit gaat ten koste van de onderwaternatuur en dat werkt door op de bovenwaternatuur. Niet ingrijpen leidt tot een doorgaand verlies aan biodiversiteit, verlies van de ecologische schakelfunctie en kan leiden tot een onomkeerbare omslag naar zuurstofloosheid1.
De bij het Grevelingenmeer betrokken bestuurlijke partijen2 werken sinds de onderkenning van het waterkwaliteitsprobleem samen aan een oplossing. Een uitgebreide verkenningsfase leverde de conclusie op dat de meest kansrijke oplossing de herintroductie van een beperkte getijwerking is. Hiermee wordt door in- en uitstroom van water via een nieuw doorlaatmiddel in de Brouwersdam meer zuurstofrijk water aangevoerd en komt het water in het meer in beweging. In 2020 is een Voorkeursalternatief vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij gekozen werd voor het uitwerken van een doorlaatmiddel dat een getijslag van circa 40 cm zou opleveren en waarin het opwekken van getijdeenergie door middel van pompturbines was opgenomen. Audits en nadere studie door een expertteam toonden echter aan dat deze oplossing technisch niet haalbaar was en dat de kosten ver boven het taakstellende projectbudget uitkwamen. Op advies van het expertteam werd een Taskforce Getij Grevelingen ingesteld om te bezien of er binnen het taakstellende budget een ecologisch effectieve oplossing voor de problematiek in het Grevelingenmeer mogelijk is. Het voorliggende eindrapport bevat de conclusies en aanbevelingen van de Taskforce. 1.2.
Leeswijzer Dit eindrapport is bedoeld om separaat leesbaar te zijn zonder dat de onderliggende documenten, de resultaten van een groot aantal studies en onderzoeken, volledig worden gelezen. In paragraaf 1.3 staat de opdracht zoals Rijkswaterstaat deze heeft gekregen van de opdrachtgevers, de ministeries van IenW en LNV. De antwoorden op de vragen uit de opdracht staan in hoofdstuk 13. Bron: Opdracht en considerans bij opdracht Taskforce Grevelingen, bijlage 1 bij brief IenW/BSK-2021/241508, DGWB aan RWS, d.d. 15-09-2021. NB: door de Taskforce zijn geen aanwijzingen gevonden dat een onomkeerbare omslag naar zuurstofloosheid dreigt. 2 De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Economische Zaken en Klimaat, de provincies Zeeland en Zuid-Holland, de gemeenten Schouwen Duivenland en Goeree Overflakkee, en de beheerders Rijkswaterstaat en Staatsbosbeheer 1
5
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
In hoofdstuk 2 presenteert de Taskforce haar conclusies en aanbevelingen. In hoofdstuk 3 worden de beschouwde varianten beschreven en wordt de hoofdlijn van uitwerking, doorrekening en beoordeling toegelicht. In hoofdstuk 4 en verder worden de uitkomsten inhoudelijk beschreven ten aanzien van o.a. ecologische effectiviteit, maatregelen (doorlaatmiddel, natuur- en infrastructuurmaatregelen) en kosten. Ook beschrijven we het onderzoek naar de toepasbaarheid van een nieuw instrument, het Ecologische Masterplan (EMP), waarmee meer integraal tot een aanpak (en beheer) van het Grevelingenmeer kan worden gekomen. In hoofdstuk 10 beschrijven we de vergunbaarheid van de verschillende varianten en in hoofdstuk 11 de mogelijkheden voor de governance bij een vervolg. Optimalisatiekansen worden in hoofdstuk 12 beschreven. Afsluitend worden in hoofdstuk 13 de aan de Taskforce gestelde vragen puntsgewijs beantwoord. Bij dit eindrapport horen twee bijlagen: het bevindingenrapport van de Klankbordgroep en het door de Taskforce opgestelde voorbeeld Ecologisch Masterplan. In dit eindrapport geven we de uitkomsten weer van anderhalf jaar onderzoek van Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer en RVO3 (Taskforce Getij Grevelingen) en van onze opdrachtnemers Deltares, Wageningen Marine Research, Combinatie WSP Nederland B.V., SWECO Nederland B.V. en Ingenieursbureau Westenberg B.V.
(hierna: Sweco) en juridisch adviseur Van der Zee Procesmanagement en Consultancy. De in het kader van de Taskforce door deze partijen opgeleverde documenten worden in de referentielijst (hoofdstuk 14) beschreven. 1.3.
Opdracht Taskforce
Algemeen De Taskforce Getij Grevelingen levert de beslisinformatie waarmee de opdrachtgevers, de ministers van Infrastructuur en Waterstaat en voor Natuur en Stikstof, mede op advies van de bestuurlijke regionale partners, een besluit kunnen nemen over de scope voor de planuitwerking van het project Getij Grevelingen. Deze beslisinformatie is een aanvulling op de uitgevoerde verkenningsfase en het onderzoek van het expertteam. De Taskforce is door de opdrachtgevers gevraagd een ontwerp voor een doorlaatmiddel (zonder de mogelijkheid van een getijdencentrale) in de Brouwersdam uit te werken en daarvan de ecologische effectiviteit in beeld te brengen met inachtneming van de huidige natuurwaarden en de autonome ontwikkeling ervan in het Grevelingenmeer. Het doorlaatmiddel heeft als doel om de ecologische achteruitgang in dit gebied te keren en richt zich daarom op (1) waterkwaliteitsverbetering en (2) een maximaal haalbare kwaliteitsimpuls op het gehele ecologische systeem. Specifieke vragen De vraag is hoe het probleem van de waterkwaliteit en ecologische achteruitgang kan worden gekeerd en of dit binnen het beschikbare budget past. De volgende specifieke vragen zijn door de opdrachtgevers gedefinieerd:
3
Wat is de maximale ecologische kwaliteitsimpuls die gegeven kan worden binnen het beschikbare (en taakstellende) budget en breng de effectiviteit in beeld aan de hand van de door het expertteam voorgestelde 4 sets aan indicatoren.
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
6
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Kan de effectiviteit worden verhoogd en zo ja tegen welke financiële inspanning. Bij welke effectiviteit stopt de achteruitgang van de waterkwaliteit en het ecologisch systeem, getoetst aan de 4 sets van indicatoren. Wat is de effectiviteit van een variant zonder extra civieltechnische ingrepen dus met bestaande spuimiddelen. Onderbouw voor ieder van deze opties de haalbaarheid van het uitwerken van een Ecologisch Masterplan zoals geadviseerd door het expertteam ten behoeve van de planuitwerkingsfase. Uitbrengen van een advies over deze opties. Uitbrengen van een advies over de governance van de planuitwerking. Beantwoording van de aanvullende vragen op de opdracht door de regionale partijen en Staatsbosbeheer.
1.4. Kwaliteitsborging De Taskforce heeft op verschillende wijzen de kwaliteit van ons onderzoek en voorliggende eindrapport geborgd. Aan onze opdrachtnemers, Deltares/WMR en Sweco, is gevraagd om te zorgen voor een intern kwaliteitsborgingsproces. De door hen opgeleverde conceptrapportages zijn via een reviewproces tussen de Taskforce en de opdrachtnemers beoordeeld en waar nodig aangescherpt. We hebben daarnaast de deskundigheid gebruikt van stakeholders zoals Staatsbosbeheer, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, en afgestemd met de betrokken provincies Zuid-Holland en Zeeland en de gemeenten Goeree-Overflakkee en Schouwen-Duiveland. De onderliggende documenten die in de loop van het onderzoek zijn opgesteld zijn getoetst binnen Rijkswaterstaat via het Programmabureau Verkenning en Planuitwerking (PVP). Het concept eindrapport is getoetst door de Klankbordgroep Taskforce Grevelingen, een verzameling deskundigen van binnen en buiten Rijkswaterstaat. Het advies van de Klankbordgroep is integraal bij dit eindrapport gevoegd als bijlage 1. Hierin heeft de Taskforce aangegeven hoe met de opmerkingen en suggesties is omgegaan. Een conceptversie van voorliggend eindrapport is op ambtelijk niveau gedeeld met de opdrachtgevers IenW en LNV, en op bestuurlijk niveau besproken met de betrokken provincies en gemeenten. Dit heeft de scherpte en leesbaarheid van het rapport verbeterd.
De Taskforce staat, mede gegeven de kwaliteitsborging zoals hierboven beschreven, volledig achter de conclusies en aanbevelingen zoals geformuleerd in hoofdstuk 2.
7
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
2
Conclusies en aanbevelingen
-
-
De Taskforce concludeert dat er geen verbetering mogelijk is van de kwaliteit van het ecologische systeem Grevelingen zonder de herintroductie van getijdewerking; De Taskforce constateert dat de herintroductie van getijdewerking altijd meer kost dan het beschikbaar gestelde taakstellende budget; Daarmee is het niet mogelijk binnen het taakstellende budget te komen tot een verbetering van de waterkwaliteit en het ecologische systeem Grevelingen.
2.1. Conclusie De Taskforce concludeert dat er binnen het taakstellende budget van 166 miljoen euro4 geen varianten mogelijk zijn waarbij de waterkwaliteit en het gehele ecologische systeem wordt verbeterd. Om tot een verbetering van de waterkwaliteit en het gehele ecologische systeem te komen is een herintroductie van getijdewerking noodzakelijk. Hiervoor is de aanleg van een doorlaatmiddel in de Brouwersdam nodig. De Taskforce heeft drie varianten van zo’n doorlaatmiddel uitgewerkt waarbij respectievelijk een getijslag van 20, 30 en 40 cm wordt gerealiseerd. Hoe meer getijslag moet worden bereikt, des te groter en daarmee duurder het doorlaatmiddel wordt. Binnen de gehanteerde randvoorwaarden (o.a. de maximale waterstand van het huidige peilbeheer) en met de huidige prijzen voor grondstoffen, kost de kleinste onderzochte variant circa 279 miljoen euro. Deze variant, waarbij een getijslag van 20 cm wordt bereikt, zal niet of nauwelijks tot een verbetering van het ecologische systeem leiden. Op een aantal indicatoren levert de aanleg van dit doorlaatmiddel zelfs een achteruitgang op. Met de beperkte uitwisseling van water tussen de Noordzee en het Grevelingenmeer bij deze variant is er meer zuurstof nodig om de extra binnenkomende nutriënten af te breken dan er aan zuurstof bijkomt. Er treedt dan netto een afname van het zuurstofgehalte in de waterkolom op.
De verwachting is dat voor deze variant geen vergunning kan worden verkregen. De twee grotere varianten, die respectievelijk tot een getijslag van 30 en 40 cm leiden, leveren wel een significante verbetering van het ecologische systeem op. Deze varianten zijn echter ook substantieel duurder, en kosten respectievelijk 561 miljoen en 838 miljoen euro. In deze kosten zijn naast de aanleg van het doorlaatmiddel, ook de kosten voor de benodigde maatregelen aan de infrastructuur en de maatregelen aan de natuur opgenomen. Voor deze varianten wordt verwacht dat er wel een vergunning kan worden verkregen.
4 Het taakstellende budget is opgebouwd uit het bedrag zoals nu is opgenomen in het MIRT (124 miljoen euro) aangevuld met de toegezegde regionale en lokale bijdragen (25 miljoen euro) prijspeil 2018, dit is naar prijspeil 2022 respectievelijk 138 en 28 miljoen euro, in totaal 166 miljoen euro (incl. BTW). Het taakstellende budget is bedoeld voor de initiële investeringen voor de aanleg van het doorlaatmiddel en de mitigatie- en compensatiemaatregelen horend bij het wijzigen van het peilbeheer. Kosten voor planuitwerking, beheer en onderhoud, en toekomstige adaptatiestappen vallen hier niet onder.
8
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Er is ook een variant onderzocht waarbij er, zonder de aanleg van een extra doorlaatmiddel, via de bestaande twee spuisluizen een maximale uitwisseling van water met de Noordzee en de Oosterschelde wordt gerealiseerd. Bij deze variant wordt het waterpeil in het Grevelingenmeer gelijk getrokken met het peil in de Noordzee, dat betekent een ophoging van de gemiddelde waterstand met 25 cm (van NAP -20 cm naar NAP +5 cm in 2030). Hoewel met deze variant de waterveiligheid niet in het geding komt is er wel sprake van een forse aantasting van de bestaande, deels beschermde (bovenwater)natuur rond het meer. Om de nadelige effecten hiervan teniet te doen is een omvangrijk en duur pakket aan natuurmaatregelen nodig waardoor ook deze variant ver boven het taakstellende budget uitkomt. Vanwege de beperkte ecologische effectiviteit en de impact op de bestaande natuur wordt deze variant niet vergunbaar geacht. De Taskforce concludeert op basis van de effecten van de varianten op de boven- en onderwaternatuur dat de waterkwaliteit en het gehele ecologische systeem van het Grevelingenmeer gebaat is bij de herintroductie van een getijslag van tenminste 30 cm. Echter, de kosten5 van de aanleg van het hiervoor benodigde doorlaatmiddel komen dusdanig boven het taakstellende budget uit dat een hernieuwde beleidsmatige afweging nodig is of deze uitgave als doelmatig kan worden beoordeeld.
Het ontbreekt de Taskforce aan een vastgesteld normenkader om hierover een advies uit te kunnen brengen. Er is behoefte aan een beleidskader waarin wordt beschreven welke ambitie wordt nagestreefd door IenW en LNV naast de bestaande KRW en Natura2000 opgaven. Daarbij is het van belang dat zonder getij de Natura 2000 instandhoudingsdoelen voor vogels waarschijnlijk niet behaald kunnen worden, vanwege de beperkende beschikbaarheid van voedsel en foerageergebied. Met een getijslag van tenminste 30 cm verbetert dit significant wat het behalen van deze Natura 2000 instandhoudingsdoelen kansrijker maakt (zie referenties J4 en J5). De Taskforce heeft de noodzakelijke informatie verzameld om over de effecten van de beide effectieve doorlaatmiddelen (30 en 40 cm variant) onderbouwde uitspraken te kunnen doen waarop de ministers van IenW en voor NenS hun besluit over een vervolg van het project Getij Grevelingen kunnen baseren. Er zijn daarbij ook kansen geïdentificeerd om de kosten van het doorlaatmiddel te reduceren. De meest substantiële besparing kan worden bereikt als het huidige maximale peil in het Grevelingenmeer beperkt wordt opgehoogd waardoor het doorlaatmiddel kleiner kan worden en toch een getijslag van 30 of 40 cm oplevert.
Een ophoging van het maximale peil met 10 cm kan daarbij tot een besparing van meer dan 100 miljoen euro leiden, rekening houdend met extra te treffen natuurmaatregelen. De Taskforce acht het resultaat van deze potentiële optimalisatie kansrijk. Wel vraagt het maatwerk om tot een vergunbaar plan te komen. De Taskforce benadrukt dat er bij de betrokken deskundigen geen twijfel bestaat over het feit dat er sprake is van een serieus probleem ten aanzien van de waterkwaliteit en het gehele ecologische systeem Grevelingen. De natuur boven water gaat achteruit en de natuur onderwater heeft zich na de afsluiting ontwikkeld naar een vrijwel constant laag kwaliteitsniveau6 (zie referenties C1, D1, E1, E2 en F13). De kwaliteit van het ecologische systeem zal zonder ingrepen niet verbeteren. Om tot een verbetering van het ecologische systeem te komen waarbij de De investeringsraming is door Sweco gebaseerd op de meest actuele prijzen ten tijde van het opstellen van de raming (juni 2022). Hoewel de prijzen destijds hoog waren is het niet aan de Taskforce om te speculeren op lagere prijsniveaus ten tijde van een eventuele aanbesteding. 6 De exacte omvang van het lage kwaliteitsniveau varieert jaarlijks afhankelijk van fluctuaties in meteorologische condities (o.a. temperatuur- en windkrachtverschillen). 5
9
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
waterkwaliteit en daarmee de kwaliteit van de natuur onder water omhoog gaat en de instandhoudingsdoelen Natura2000 boven water blijvend gehaald kunnen worden, zal langjarig een integrale aanpak nodig zijn waaraan alle betrokken partijen (Rijk, regio en beheerders SBB en RWS) hun bijdragen moeten leveren. 2.2. Aanbevelingen De Taskforce doet een aantal aanbevelingen aan de opdrachtgevers IenW en LNV maar daarnaast ook aan de andere betrokken organisaties, zoals de provincies Zeeland en Zuid-Holland (als betrokkenen bij het Beheerplan Natura2000), en Staatsbosbeheer en Rijkswaterstaat Zee en Delta als (eigenaar)-beheerders. De Taskforce doet een aanbeveling over het starten van de planuitwerkingsfase met één van de onderzochte varianten en beschrijft de verschillende scenario’s voor de governance van het project in de fase na het uitbrengen van het eindrapport van de Taskforce. Daarnaast bevatten de aanbevelingen een aantal acties die kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit afhankelijk is van een besluit tot uitwerking en uiteindelijk realisatie van een doorlaatmiddel. Wel of niet de planuitwerking vervolgen met een onderzochte variant Aan de Taskforce is de randvoorwaarde meegegeven om binnen het taakstellende budget te blijven. Geen van de onderzochte varianten past hier echter binnen.
Daarom kan de Taskforce niet adviseren om de planuitwerking te vervolgen met een van de onderzochte varianten. Het is aan de opdrachtgevers om op basis van de ecologische effectiviteit van de door de Taskforce onderzochte varianten, en op basis van een door hen op te stellen probleemdefinitie en normenkader, te beoordelen of de mogelijke verbetering van de waterkwaliteit en het gehele ecologische systeem de benodigde financiële investering rechtvaardigt. Dit brengt de Taskforce tot de volgende aanbevelingen: Aanscherpen van de probleemdefinitie De Taskforce heeft geconstateerd dat de probleemdefinitie voor de Grevelingen zich in de tijd heeft ontwikkeld. Hoewel er altijd sprake was van het dubbele doel: waterkwaliteit en ecologische verbetering, lag tijdens de start van het project Getij Grevelingen de focus vooral op het gebrek aan zuurstof in de diepere delen van het water. In de loop van het project is er bewust voor gekozen om naar de kwaliteit van het gehele ecologische systeem te kijken. De Taskforce onderschrijft het belang hiervan maar acht het wel nodig om bij een eventueel vervolg van de planuitwerking de probleemdefinitie voor het project scherp te formuleren. Een scherpe en heldere probleemdefinitie is cruciaal voor de beheersing van het project en voor het succesvol kunnen verkrijgen van een vergunning.
Opstellen van een normenkader voor de beleidsafweging De Taskforce heeft als uitgangspunt de zes kwantificeerbare doelindicatoren genomen die door de opdrachtgevers zijn vastgesteld aan de hand van het rapport van het expertteam: twee indicatoren voor de natuur boven water en vier indicatoren voor de natuur onder water en de waterkwaliteit. Geconstateerd is dat varianten verschillend scoren op deze indicatoren: positieve effecten op de bovenwater natuur kunnen samengaan met nadelige effecten op de onderwater natuur. Hoewel onderwaternatuur en bovenwaternatuur niet los van elkaar gezien kunnen worden, en elkaar beïnvloeden, is het om een totaaloordeel te kunnen vellen over de waarde van een variant nodig om indicatoren onderling te kunnen wegen. Of is minimaal het vaststellen van de kritische ondergrens bij een indicator noodzakelijk. Buiten de al bestaande juridische kaders die worden gegeven door de KRW en Natura2000 regelgeving bestaat zo’n normenkader nog niet. Dit door de opdrachtgevers op te stellen beleidskader kan helpen bij de afweging over de
10
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
doelmatigheid van de aanleg van een doorlaatmiddel en bij de onderbouwing van een vergunningsaanvraag. Overigens speelt de behoefte aan een dergelijk normenkader PAGW7 breed. Keuze tussen 30 cm of 40 cm doorlaatmiddel nog flexibel houden De Taskforce doet de aanbeveling om, als de opdrachtgevers kiezen voor het vervolgen van de planuitwerking, de mogelijkheid nog enige tijd open te houden om gedurende de planuitwerking te schakelen tussen de varianten met 30 of 40 cm getijslag. Beide varianten verschillen van elkaar in effectiviteit en kosten waarbij de variant met 40 cm (B3) de grootste verbetering oplevert maar ook het duurst is. De Taskforce acht het verstandig om deze keuze te maken nadat de opdrachtgevers de probleemdefinitie en het normenkader hebben vastgesteld. Acties die uitgevoerd kunnen worden zonder dat een besluit nodig is over de uitwerking en/of aanleg van een doorlaatmiddel Verder uitwerken van het instrument Ecologisch Masterplan (EMP) De Taskforce acht het instrument EMP waarbij integraal en langjarig naar het Grevelingenmeer wordt gekeken over de grenzen van beheerders heen nuttig. Op deze wijze is er een vorm van gezamenlijke afstemming mogelijk over voortgang en onderlinge samenhang van activiteiten, die nodig is om het gemeenschappelijke doel van alle betrokken partijen voor de Grevelingen te bereiken.
De eerste uitwerking van een EMP door de Taskforce, waarbij in een werkgroep alle beheerders deelnamen, leverde een overzicht op van de projectontwikkelingen en mogelijke maatregelen rond de Grevelingen in de periode 2030 – 2080. Ook in geval er niet wordt gekozen voor het uitwerken en realiseren van een doorlaatmiddel acht de Taskforce het EMP een waardevol ordenend instrument in aanvulling op het bestaande instrumentarium. De Taskforce ziet daarbij ook kansen dat partijen het EMP in de fase na de Taskforce gezamenlijk verrijken met andere beleidsmatige ambities, die zich voltrekken in en nabij de Grevelingen. Te denken valt aan het NPLG, de ecologische plus op HWBP, KRW etc. Voortvarend uitvoeren maatregelen om instandhoudingsdoelen Natura2000 te halen Het uitvoeren van maatregelen om de instandhoudingsdoelen Natura2000 te halen is geen onderdeel van het project Getij Grevelingen en daarmee ook niet van de opdracht van de Taskforce. Om te kunnen bepalen welke ruimte er bestaat voor het uitvoeren van mitigerende en eventueel compenserende natuurmaatregelen bij de aanleg van een doorlaatmiddel heeft de Taskforce wel mogelijke Natura2000 maatregelen in kaart gebracht.
Hoewel het uitvoeren van dit pakket, of een door de verantwoordelijken beter passend geacht pakket aan maatregelen, geen verbetering van de onderwater natuur zal opleveren mag een positief effect op de bovenwater natuur verwacht worden. Gezien de vraagstelling aan de Taskforce is het ecologische systeem Grevelingen er ook bij gebaat als de verantwoordelijken (o.a. provincies en Rijkswaterstaat) zo spoedig mogelijk zorgen dat de Natura2000 instandhoudingsdoelen worden gehaald. Er is overigens een grens aan de mogelijkheden van het uitvoeren van Natura2000 maatregelen zonder dat er maatregelen aan de onderwaternatuur plaatsvinden. De trend van bijvoorbeeld de meeste visetende vogels is negatief, en deze lijkt voedselgerelateerd (zie referenties J4 en J5). Geconstateerd is dat zonder verbetering van de waterkwaliteit in het meer, leidend tot een verbetering in de beschikbaarheid van voedsel, het waarschijnlijk niet mogelijk zal blijken om de Natura2000 instandhoudingsdoelen voor vogels te halen. 7
PAGW: Programmatische Aanpak Grote Wateren.
11
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Optimaliseren inzet bestaande spuimiddelen Ook zonder de aanleg van een extra doorlaatmiddel zijn er mogelijkheden om beter gebruik te maken van de bestaande spuisluizen (Brouwerssluis en Flakkeese spuisluis). Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het heroverwegen van de peilverlaging in het broedseizoen of het toelaten van de springtijcyclus buiten het broedseizoen. De Taskforce acht het zinvol om deze mogelijkheden te onderzoeken maar benadrukt dat zinvolle optimalisaties alleen mogelijk lijken als er wordt geaccepteerd dat er aanpassing van het peilbesluit plaatsvindt. Opdrachten aan onderzoeksbureaus om systeemkennis verder uit te breiden Als er besloten wordt tot het vervolgen van de planuitwerkingsfase met een van de varianten van een doorlaatmiddel, is er op een aantal terreinen nader onderzoek door onderzoeksbureaus nodig. Om de kans op een succesvolle vergunningsaanvraag te vergroten zal er tijd moeten worden besteed aan het nader uitwerken van de ecologische effecten. Maar ook als er niet gekozen wordt voor de herintroductie van getijdewerking acht de Taskforce het zinvol om de wetenschappelijke kennis over het ecologische systeem Grevelingen te verdiepen.
Gebleken is dat er verschillende relaties zijn, bijvoorbeeld tussen de hoeveelheid en samenstelling van de nutriënten in de waterkolom en de aanwezigheid van bodemdieren of de gevolgen van de stijgende temperatuur van het water, die nog niet voldoende scherp zijn. Evaluatie en bijstelling bestaand monitoringsprogramma Grevelingen De Taskforce constateert dat de bestaande monitoring van de ontwikkelingen in de Grevelingen niet geheel aansluit bij de kennisbehoefte van de beleidsmakers. Onafhankelijk van de vraag of het komt tot verdere planuitwerking acht de Taskforce het zinvol om het bestaande monitoringsprogramma te evalueren en waar nodig aan te passen. Daarbij valt te denken aan het uitbreiden van het monitoringsprogramma met specifieke metingen rond de nieuw in gebruik genomen Flakkeese Spuisluis waarmee feitelijk al wordt geëxperimenteerd met het toevoegen van een doorlaatmiddel, en daarbij dan ook de bacterie Beggiatoa te volgen. Onderzoek of zinvolle experimenten mogelijk zijn/pilots De conclusie van de Taskforce is dat een kwaliteitsverbetering van de ecologie in de Grevelingen op systeemniveau alleen mogelijk is als gekozen wordt voor de herintroductie van getijdewerking. Toch zijn er wel mogelijkheden om te experimenteren met het lokaal verbeteren van afzonderlijke aspecten van de ecologie.
Te denken valt aan het (tijdelijk) inzetten van drijvende pompen om zuurstof te brengen naar locaties waar het grootste gebrek aan zuurstof bij de bodem bestaat of de toepassing van nano-bubbels. Deze vaak genoemde ‘oplossingen’ leveren geen structurele bijdrage aan de verbetering van de kwaliteit maar zijn mogelijk wel zinvol om de ergste symptomen tijdelijk of lokaal te verzachten. Daarnaast kan er verkend worden, bijvoorbeeld in samenwerking met Ecoshape, of er andere experimenten of pilots mogelijk zijn die zinvol kunnen zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan het realiseren van een kunstmatig rif om bij te dragen aan de biomassa en biodiversiteit, of aan het realiseren van een drijvend vogeleiland. Lokaal leidt dit mogelijk tot een verbetering. Bovendien draagt dit bij aan het beter begrijpen van het systeem waarmee de kans op een succesvolle vergunningaanvraag van een getijvariant wordt vergroot.
12
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
3
Uitwerking Taskforce Getij Grevelingen
3.1. Inleiding In dit hoofdstuk wordt de hoofdlijn van de uitwerkingen van de taskforce toegelicht. Op basis van deze uitwerkingen zijn de vragen aan de taskforce beantwoord en zijn de conclusies en aanbevelingen van de Taskforce opgesteld. 3.2. Het Grevelingenmeer, peilbeheer en spuimiddelen Het Grevelingenmeer is met 140 km2 het grootste zoutwatermeer van West-Europa. De variatie van het meerpeil van de Grevelingen wordt gereguleerd door inzet van de Brouwersspuisluis en de Flakkeese Spuisluis (Figuur 1).
Figuur 1 Grevelingenmeer
De spuimiddelen worden actief bestuurd zodat de waterstand op het meer voldoet aan het Peilbesluit (2013), waarin peilbeheergrenzen zijn opgenomen (Figuur 2).
13
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Figuur 2 Het huidig peilbeheer Grevelingen cf. Peilbesluit
Binnen de peilbeheergrenzen bedraagt de huidige jaarlijks gemiddelde getijslag op het meer 6 cm, bij een gemiddeld waterpeil van ongeveer NAP -20 cm. Karakteristiek aan het peilbeheer is de maximale waterstand van NAP -10 cm, en de verlaging daarvan in het broedseizoen om ruimte te bieden voor broedvogels. Deze maximale waterstand is belangrijk voor de (beschermde) Natura2000 habitats en soorten op de oevers van de Grevelingen. De gemiddelde waterstand op zee bedroeg in 2020 NAP +4 cm en is daarmee structureel hoger dan in het meer. Het vergroten van de dynamiek en/of getijslag in de Grevelingen vraagt een aanpassing van de peilbeheergrenzen. 3.3. Beschouwde varianten Uitgaande van de resultaten van de verkenningsfase zijn door de Taskforce de volgende varianten onderzocht (Tabel 1). NAAM
VARIANT
PEILBESLUIT AANPASSEN
PEILBEHEER
NATUUR MAATREGELEN
NATUUR BEHEER
ADAPTATIE
opmerkingen
A0
Brouwerssluis
Nee
huidig
nee
huidig
geen
Referentiesituatie tot 2022
A1
+ inzet FSS
Nee
A3
+ inzet FSS, getijslag maximaal
huidig
nee
huidig / extra
geen
Referentiesituatie vanaf 2022
Ja
geen
ja
huidig / extra
meestijgen
BrS en FSS volledig open Max +25 cm, Min -50cm
B1
met nieuw doorlaatmiddel
Ja
20/-25
ja
huidig / extra
geen / meestijgen
HW -10cm, LW -45cm
B2
met nieuw doorlaatmiddel
Ja
30/-25
ja
huidig / extra
geen / meestijgen
HW -10cm, LW -45cm
B3
met nieuw doorlaatmiddel
Ja
40/-30
ja
huidig / extra
geen / meestijgen
HW -10cm, LW -55cm
Versie 08/12/2022 Tabel 1 Beschouwde varianten
14
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
De kleuren in Tabel 1 geven aan: Rood: inzet Brouwerssluis (tot 2022) Groen: inzet Brouwerssluis én de Flakkeese Spuisluis (vanaf 2022) Blauw: inzet Brouwerssluis, Flakkeese Spuisluis én nieuw doorlaatmiddel. Variant A0 betreft de situatie tot 2022 waarbij alleen de Brouwerssluis werd ingezet. Variant A1 betreft de referentiesituatie. Hierbij vindt wateruitwisseling met de Noordzee en de Oosterschelde plaats via de bestaande Brouwerssluis en Flakkeese Spuisluis binnen de huidige peilbeheergrenzen (Figuur 2 en Figuur 3). Bij variant A3 worden de bestaande spuimiddelen maximaal ingezet waarbij het peilbeheer (grotendeels) wordt losgelaten. De maximale waterstand op het Grevelingen is begrensd op NAP +25 cm. Dit betekent dat tijdens perioden van verhoogde waterstanden op zee de Brouwerssluis en Flakkeese Spuisluis worden gesloten ter bescherming van bebouwing8. Er is geen sprake van een verlaging tijdens het broedseizoen (Figuur 3). Bij variant B1 t/m B3 is er een vergroting van de getijslag naar respectievelijk 20, 30 en 40 cm. Daarvoor is aanleg van een nieuw doorlaatmiddel noodzakelijk (zie Figuur 1 voor locatie). Ter voorkoming van schade aan beschermde natuur wordt het maximum peil op NAP -10 cm gehouden, terwijl het minimum peil wordt verlaagd. Bij deze B-varianten wordt ook een verlaagd peil tijdens het broedseizoen aangehouden (Figuur 3).
Figuur 3 Peilbeheergrenzen bij varianten in 2030
8
Bijvoorbeeld bebouwing van recreatiepark Port Zélande
15
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
In hoofdstuk 4 wordt nader in gegaan op de varianten, zeespiegelstijging en adaptatiestappen in het peilbeheer in de periode tot 2080. 3.4. Onderzoek en (deel)producten Voor de genoemde varianten zijn de volgende onderwerpen onderzocht en gerapporteerd: 3.4.1. Ecologische effectiviteit De ecologische effectiviteit van de varianten wordt uitgedrukt in zes kwantificeerbare doelbereik indicatoren. Deze gaan in op de waterkwaliteit, onderwaternatuur en bovenwaternatuur. De indicatoren zijn:
Zuurstofconcentratie in de waterkolom bij de waterbodem Gemiddelde zuurstofindringdiepte in de waterbodem Geschiktheidsindex (kansenkaart) voor filtrerende bodemdieren Geschiktheidsindex (kansenkaart) voor bodemetende bodemdieren Habitatgeschiktheid vogels Natura 2000 habitattypen en soorten
Deze indicatoren zijn door Deltares en Wageningen Marine Research met numerieke modelsimulaties van het ecologische systeem Grevelingen gekwantificeerd voor de varianten voor de jaren 2030 en 2080. Sweco heeft op basis van deze gegevens een vervolganalyse gemaakt waarbij een bredere set indicatoren (kwalitatief) is gebruikt. Met deze analyses is bepaald hoe effectief de varianten zijn in het verbeteren van de waterkwaliteit en het gehele ecologische systeem Grevelingen. De aanpak en het resultaat worden gepresenteerd in hoofdstuk 5. 3.4.2. Ontwerp en kosten van maatregelen Voor varianten B1, B2 en B3 is een nieuw doorlaatmiddel noodzakelijk om de gewenste getijslag te behalen. Voor deze varianten zijn de eisen, de omvang, het ontwerp én de realisatiekosten (op VKA-niveau) van het doorlaatmiddel bepaald. Voor varianten A3, B1, B2 en B3 worden ook maatregelen infrastructuur en natuur voorzien. Met deze maatregelen worden de ongewenste effecten op infrastructuur (bijv. op vaarwegen en havens) en natuur (bijv. op broedgebieden of habitats) tenietgedaan. Voor de individuele maatregelen zijn de eisen, omvang, ontwerp én de realisatiekosten (op VKA-niveau) bepaald. De maatregelen zijn per variant gecombineerd tot maatregelpakketten. Voor alle varianten zijn daarmee de realisatiekosten voor maatregelen infrastructuur en natuur bepaald voor de periode 2030 tot 2080.
De totale realisatiekosten per variant bestaan uit kosten voor het doorlaatmiddel en voor de maatregelen infrastructuur en natuur. Deze zijn samengesteld voor 2030 en voor de periode tot 2080. De resultaten worden gepresenteerd in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 is een extra uitwerking gemaakt voor de instandhoudingsopgave Natura2000. Deze is geen onderdeel van het project en daarmee ook niet van de Taskforce. Echter, deze moet wel in samenhang met het project worden beschouwd qua ecologie, mogelijke synergievoordelen en vergunbaarheid. De instandhoudingsopgave Natura2000 is op basis van recente monitoringsgegevens bepaald voor 2020 en voorspeld tot 2080. Vervolgens zijn hiervoor indicatieve maatregelpakketten samengesteld en zijn daarvan de kosten bepaald.
16
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
3.4.3. Ecologisch Masterplan Een Ecologisch Masterplan (EMP) is een nieuw instrument waarmee wordt beoogd op gebiedsniveau een overzicht te geven van maatregelen, kosten en te verwachten ecologische ontwikkeling ten opzichte van een referentiesituatie en doelstellingen. De Taskforce heeft onderzocht of dit nieuwe instrument toegevoegde waarde kan hebben bij het project ten aanzien van besluitvorming, vergunningsproces, stakeholdercommunicatie of bij het samenbrengen van beheeractiviteiten op gebiedsniveau. De Taskforce heeft een EMP uitwerking gemaakt voor de verschillende veranderingen die door de aanleg van een nieuw doorlaatmiddel en de latere besluiten over adaptatiestappen (wijziging peilbeheer) in de periode 2030 – 2080 zijn voorzien. Daarbij zijn de aard, kosten en ecologische effecten van de volgende maatregelen samengebracht:
Het peilbeheer en adaptatiestappen Het doorlaatmiddel Maatregelen Infrastructuur en Natuur Instandhoudingsmaatregelen Natura2000
Op basis van deze uitwerking is bepaald of een EMP een waardevol en haalbaar instrument is om verder uit te werken in een vervolgfase. De resultaten worden gepresenteerd in hoofdstuk 8. 3.4.4. Overige effecten Naast ecologische effecten kunnen bij de varianten ook andere effecten worden verwacht zoals effecten op recreatie, landbouw of visserij. Deze effecten zijn, mede op basis van eerder onderzoek, in beeld gebracht en beoordeeld middels een Kengetallen Kosten Baten Analyse. De hoofdlijn van deze uitwerkingen wordt gepresenteerd in hoofdstuk 9. 3.4.5. Vergunbaarheid Realisatie van de varianten A3, B1, B2 en B3 vraagt het succesvol doorlopen van een drietal procedures onder de (nieuwe) Omgevingswet. Daarbij worden een Milieu Effecten Rapportage en een Passende Beoordeling voorzien. De vergunbaarheid van de initiële maatregelen hangt samen met de maatregelen die nodig zijn om de instandhoudingsdoelen Natura2000 te halen en is daarom uitgewerkt en beoordeeld. Tevens is beoordeeld of een EMP behulpzaam kan zijn in het vergunningenproces. De hoofdlijn van deze uitwerkingen wordt gepresenteerd in hoofdstuk 10. 3.5. Kaderrichtlijn Water (KRW) De onderzoeksaanpak is gericht op het bepalen hoe effectief de varianten zijn in het verbeteren van de waterkwaliteit en het gehele ecologische systeem Grevelingen. In deze aanpak worden ook indicatoren uit de KRW betrokken.
De KRW beoogt de bescherming en verbetering van aquatische ecosystemen. Tevens wordt op basis van monitoring over de toestand van waterlichamen gerapporteerd. Onderstaand de hoofdlijn van de meest recente KRW statusbeschrijving uit 2019, inclusief een deel van de daarbij gegeven duiding (zie referenties F13, J6 en J7). Deze is t.o.v. de eerdere beschrijving in 2013 weinig veranderd.
17
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
3.5.1. Fysisch-chemische status De fysisch-chemische status wordt beoordeeld als ‘goed’. De verschillende aspecten hierbinnen (zoals temperatuur, zuurgraad, zoutconcentratie, fosforconcentratie en doorzicht) worden alle als ‘goed’ beoordeeld. Dit geldt ook voor de zuurstofconcentratie, die alleen in de bovenste waterlaag wordt bepaald. In de diepere lagen en bij de bodem is een zuurstoftekort, dit wordt echter niet vanuit de KRW beoordeeld. Vanuit ecologisch perspectief zijn zuurstofconcentraties aan de oppervlakte meestal niet limiterend voor het ecosysteem. Problematisch voor macrofauna en vissen zijn zuurstofloze periodes bij de bodem. Bij concentraties lager dan 3 mg/L sterven vissen, en overleven schelpdieren als oesters en mosselen maximaal een paar dagen. In 2018 leken lage bodemzuurstofconcentraties vooral een rol te spelen in het oostelijk gedeelte van de Grevelingen, waar in juli de grens van 3 mg/L tot op 10 m diepte kwam. Er lijkt echter geen trend te zijn in het zuurstofloos areaal in de afgelopen tien jaar. Wel is er jaarlijks sprake van optredende zuurstofloosheid in de zomermaanden die per jaar en per maand kan verschillen. In juni 2016 was het zuurstofloos areaal het grootst in de afgelopen tien jaar (~2000 ha, ~18% van het totaal areaal), in 2017 en 2018 was het maximum zuurstofloos areaal kleiner (respectievelijk ~1000 ha en ~500 ha).
Met name dit grote zuurstofloze areaal in 2016 kan mogelijk een sterk effect gehad hebben op de macrofauna gemeenschappen in het Grevelingenmeer (referenties J5 en J6). Met een voorspelde toename van de watertemperatuur kan in de toekomst stratificatie vaker en in sterkere mate voorkomen, wat lage zuurstofconcentraties op de bodem kan veroorzaken en de zuurstofloze condities nabij de bodem verslechteren. 3.5.2. Biologische status Op de maatlatten fytoplankton en macrofauna scoort de Grevelingen ‘goed’. Desondanks kan de situatie vanuit ecologisch perspectief in het Grevelingenmeer niet als goed beoordeeld worden. Er is voor macrofauna een afname in dichtheden en biomassa aangetoond en er heeft een toename in het aantal exoten plaatsgevonden. Bij een waterdiepte van minder dan 2 meter wordt de biomassa en dichtheid waarschijnlijk beperkt door hydrodynamiek, zoals wind en golven. In de diepere delen, onder 10 meter, wordt het voorkomen van macrofauna mogelijk gelimiteerd door de temperatuurstratificatie en de zuurstofloosheid als gevolg daarvan. De waterkwaliteit op basis van de macrofauna is daarom voor het watersysteem als geheel minder gunstig. De maatlat overige waterflora wordt als ‘slecht’ beoordeeld, door de afwezigheid van zeegras.
Het visbestand wordt als ‘matig’ beoordeeld, maar dit komt vooral door de lage biomassa van zoetwatersoorten die kunnen overleven in brak water en van vissen die trekken tussen zoet en zout water. De biomassa en soortenrijkdom van de visgemeenschap en de macrobenthos zijn sinds de afsluiting van de Grevelingen (1971) sterk afgenomen, ruim voordat de KRW van toepassing werd (2000). Uit bovenstaande beschrijving valt op te maken dat de KRW-maatlatten geen adequate beschrijving geven van de huidige toestand van de onderwaternatuur.
18
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
4
Varianten, zeespiegelstijging, getijslag en adaptatie
4.1. Introductie De opdrachtgevers hebben de beoogde functionele levensduur van de verbetering van het ecologische systeem vastgesteld op 50 jaar. Daarom is beoordeeld op welke wijze zeespiegelstijging invloed heeft op het ecologische systeem Grevelingen. Aangenomen is dat een nieuw doorlaatmiddel operationeel zou kunnen zijn in 2030. De beschouwde periode van 50 jaar loopt daarom van 2030 tot 2080. In dit hoofdstuk wordt de omvang van de zeespiegelstijging en de invloed ervan op getijslag en waterstand in het Grevelingenmeer beschreven. Ook wordt het effect van adaptatiestappen, het stapsgewijs verhogen van de waterstand in het Grevelingenmeer, geduid. 4.2. Zeespiegelstijging tot 2080 Klimaatverandering door CO2-uitstoot en andere broeikasgassen zorgt ervoor dat de zeespiegel stijgt. Voor Getij Grevelingen is dit een externe factor waarmee zo goed mogelijk rekening gehouden moet worden9. Het tempo waarmee de zeespiegel stijgt is onzeker. Vanaf ongeveer het jaar 2000 is de stijging merkbaar en in 2020 was de zeespiegel circa 4 centimeter gestegen. De verwachting is dat de zeespiegelstijging in 2030 ongeveer 10 centimeter zal bedragen. Het KNMI heeft scenario’s opgesteld voor de gevolgen van klimaatverandering in de toekomst (de zogenoemde KNMI’14 scenario’s).
De scenario’s variëren voor de wereldwijde opwarming van het klimaat en de verandering van luchtstromingspatronen, waarbij voor de zeespiegelstijging de wereldwijde temperatuurstijging maatgevend is. De Taskforce hanteert voor de bepaling van de effecten scenario G (gematigd). Dit betekent een zeespiegelstijging in 2050 van circa 21 cm tot 38 cm in 2080. In scenario W (warm) zou de genoemde stijging van 38 cm al rond 2060 bereikt worden en daarna nog oplopen tot meer dan 50 cm in 2080. De zeespiegelstijging die is afgeleid uit de KNMI’14 scenario’s is weergegeven in Figuur 4 en Tabel 2.
Klimaatverandering zorgt niet alleen voor zeespiegelstijging maar o.a. ook voor stijging van de temperatuur van het water. De ecologische effecten hiervan worden in paragraaf 5.7 kwalitatief ingeschat. 9
19
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Figuur 4 Zeespiegelstijging bepaald op basis van KNMI 2014 scenario’s
Gemiddelde waterstanden
Jaartal
Noordzee en Oosterschelde (cm) t.o.v. NAP 2040
2050
2060
2070
2080
KNMI’14 – G, geïnterpoleerd
+16
+22
+27
+33
+38
KNMI’14 – W, geïnterpoleerd
+19
+28
+37
+45
+54
Trendlijn 2000 – 2030 Aanname 2030
2000
2010
2020
0
+2
+4
2030
+10
Tabel 2 Zeespiegelstijging op basis van KNMI 2014 scenario’s met aanname 2030 en geïnterpoleerd tot 2080 (de waarden voor 2030 en 2080 zijn uit de KNMI’14 scenario’s afgeleid en vervolgens is daar een rechte lijn tussen getrokken).
20
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
4.3.
Varianten, getijslag en adaptatie tot 2080
Figuur 5 Gemiddelde getijslag varianten A1, A3, B1, B2 en B3 van 2030 tot 2080 bij klimaatscenario G. Bij varianten B1, B2 en B3 is de gekleurde lijn de getijslag met adaptatiestappen; de grijze lijn geeft de getijslag zonder adaptatiestappen. De stippellijnen bij A3 en A1 geven de afname aan getijslag zonder adaptatiestappen weer.
Het effect van de zeespiegelstijging op de getijslag in het Grevelingenmeer is weergegeven in figuur 5. De wateruitwisseling tussen Noordzee, Oosterschelde en Grevelingen vindt plaats onder vrij verval (zonder gebruik van pompen). De mate van wateruitwisseling, en daarmee de getijslag, is daarom afhankelijk van eb en vloed, de zeespiegelstijging, de omvang van doorlaatmiddelen en van de peilbeheergrenzen (zie paragraaf 3.2 en Figuur 3). Hoe groter het verschil in waterpeil tussen de Noordzee en het Grevelingenmeer, hoe korter er via het doorlaatmiddel water kan worden afgevoerd naar zee om een eb te bewerkstellingen in het meer. Het wordt bij een stijgende zeespiegel moeilijker om een getijslag te handhaven. Door zeespiegelstijging neemt de gemiddelde getijslag af (Figuur 5). Waar in de huidige situatie (Variant A1) sprake is van een getijslag van 6 cm, zal deze bij ongewijzigd peilbeheer afnemen tot 4 cm in 2080. Bij de B-varianten is de afname zichtbaarder. Bij ongewijzigd peilbeheer zou de getijslag bij Variant B2 afnemen van 30 cm in 2030 naar 22 cm in 2080 (zie de grijze lijn in Figuur 5). Deze afname kan worden voorkomen door het nemen van adaptatiestappen. Dit zijn stapsgewijze verhogingen: indien de zeespiegel is gestegen met 10 cm worden de peilbeheergrenzen ook met 10 cm verhoogd10. Het verschil in waterpeil met de Noordzee blijft daarmee stabiel.
Bij de B-varianten zijn twee adaptatiestappen gemodelleerd waardoor de afname van de getijslag steeds wordt weggenomen (gekleurde lijnen in Figuur 5). Adaptatiestappen hebben wel gevolgen voor infrastructuur (bijvoorbeeld vaarwegen en havens) en natuur (bijvoorbeeld broedgebieden of habitats). Maatregelen om deze effecten weg te nemen zijn nodig en uitgewerkt in hoofdstuk 6. Dit is een keuze van de Taskforce. Andere keuzes (bijvoorbeeld het peil 1 cm per jaar verhogen) zijn mogelijk. 10
21
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
5
Ecologische effectiviteit
5.1. Introductie Om de vragen over de ecologische effectiviteit van de varianten te kunnen beantwoorden, hebben Deltares en Wageningen Marine Research (WMR) modelonderzoek uitgevoerd. Hierbij is de ontwikkeling van de ecologische effectiviteit aan de hand van zes doelbereikindicatoren berekend. Ingenieursbureau Sweco heeft vervolgens in een synthesebeschrijving de uitkomsten van het modelonderzoek samengebracht, geïnterpreteerd, aangevuld en gepresenteerd. Ook ten behoeve van het Ecologisch Masterplan. Volgens Sweco is de rangorde van de varianten in afnemende relatieve ecologische effectiviteit ten opzichte van (referentie) A1 als volgt: B3 - B2 - B1 - A3. 5.2. Toelichting op het onderzoek De ecologische effectiviteit van de varianten is in eerste instantie beoordeeld aan de hand van de door Deltares, samen met WMR, bepaalde doelbereikindicatoren (zie referentie C1): 1. Zuurstofconcentratie in de waterkolom bij de waterbodem 2. Gemiddelde zuurstofindringdiepte in de waterbodem 3. Geschiktheidsindex (kansenkaart) voor filtrerende bodemdieren 4. Geschiktheidsindex (kansenkaart) voor bodemetende bodemdieren 5. Habitatgeschiktheid vogels 6. Natura 2000 habitattypen en soorten De resultaten zijn beschreven in de rapportages van Deltares en WMR (zie referentie E1, D1 en C3).
Deze zijn gebaseerd op modelberekeningen (kwantitatief) , aangevuld met kwalitatieve analyses en relatieve vergelijkingen door deskundigen van Deltares en WMR. Voor de synthesebeschrijving (kwalitatief) van Sweco vormen deze resultaten de basis. In paragraaf 5.3.1 staat een beknopte weergave. Voor de doelbereikindicatoren heeft Sweco op basis van de resultaten van Deltares en WMR een relatieve vergelijking gemaakt tussen de varianten en de referentiesituatie (tot 2022 is de referentiesituatie variant 0, daarna variant A1). Uit deze vergelijking is de maximale ecologische kwaliteitsimpuls bepaald van de onderzochte varianten (zie referentie F10). De vergelijking is in eerste instantie gemaakt aan de hand van de kwantitatieve gegevens die volgen uit de (model)berekeningen van Deltares/WMR. Deze zijn aangevuld met kwalitatieve inschattingen op basis van analyse door deskundigen waar geen kwantificering mogelijk was. Voorts zijn de effecten van maatregelen natuur en eventuele adaptatiestappen in verband met zeespiegelstijging in de vergelijking betrokken (zie paragraaf 5.3.2). Vervolgens is gekeken naar extra indicatoren die van belang zijn voor het ecologisch functioneren van het ecologische systeem Grevelingen (zie paragraaf 5.4), waaronder die van de PAGW11 (o.a. leefgebied, verbindingen en biodiversiteit).
Tenslotte heeft Sweco een selectie gemaakt van ‘afwegingsindicatoren’ die van belang zijn voor de uiteindelijke beoordeling van effectiviteit, waarbij de relevant geachte extra indicatoren zijn geïntegreerd (zie paragraaf 5.5). Dat levert de rangorde in effectiviteit op ten opzichte van variant A1 (zie paragraaf 5.8). 11
Programmatische Aanpak Grote Wateren
22
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
5.3. Resultaten vergelijking van de varianten voor de doelbereikindicatoren 5.3.1. Vergelijking doelbereikindicatoren door Deltares en WMR Deltares en WMR hebben de verwachte ontwikkelingen in waterkwaliteit en ecologie van de Grevelingen voor de zes peilbeheervarianten op een integrale manier geduid, aan de hand van de zes doelbereikindicatoren én van expert- en systeemkennis (zie referentie E1). Bij deze duiding is geen oordeel gegeven over of een keuze gemaakt tussen de varianten. Bij de beschrijving van de verwachte ontwikkeling zijn maatregelen die negatieve effecten tenietdoen en adaptatie-stappen voor de zeespiegelstijging niet meegenomen. Tabel 3 bevat de vergelijking van de varianten door Deltares en WMR. Tabel 3: Relatieve vergelijking doelbereikindicatoren ten opzichte van de peilvariant A1 2030 als referentie (ref) op een semi-kwantitatieve schaal, waarbij een verbetering ten opzichte van de referentie is aangegeven met +, een substantiële verbetering met ++, een verslechtering met - en een substantiële verslechtering met --. De waarde 0 is ongeveer gelijk aan de referentie.
[De rode lijn, toegevoegd door de Taskforce, markeert de grens tussen geen verandering (0) en een lichte verbetering (0/+). Per doelbereikindicator geeft de lijn aan waar de grens ligt tussen een variant die verbetering oplevert en een variant die dat niet doet.]
Toelichting op Tabel 3: Tot een diepte van NAP -10 m verschilt de zuurstofconcentratie bij de bodem nauwelijks tussen de varianten en heeft zeespiegelstijging geen noemenswaardig effect. Bij de varianten B1 en B2 is de zuurstofconcentratie bij de bodem een fractie lager, als gevolg van een hogere zuurstofvraag die niet gecompenseerd wordt door aanvoer vanuit de atmosfeer en menging door hogere stroomsnelheden. Beneden
23
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
een diepte van NAP -10 m neemt de zuurstofconcentratie bij de bodem met name in de B1 variant duidelijk af en het langdurig zuurstofarm areaal toe. Bij de B2 variant is dat effect minder sterk. Bij variant B3 is er in het langdurig zuurstofarm areaal en zuurstofconcentratie bij de bodem beneden NAP -10 m duidelijk een verbetering zichtbaar. Hier is het effect van zeespiegelstijging gemengd: in varianten met weinig uitwisseling (A1) zorgt minder uitwisseling door zeespiegelstijging voor een kleine verbetering (A1 in 2080). Bij grotere uitwisseling (B2) resulteert het in een kleine verslechtering. Het kantelpunt van een negatieve zuurstofhuishouding (meer zuurstofvraag dan zuurstofaanvoer- en verversing) naar een positieve zuurstofhuishouding ten opzichte van de A1 referentie ligt waarschijnlijk ergens tussen scenario B2 en B3. De zuurstofindringdiepte in de waterbodem neemt iets af in variant A3 2030, en neemt verder af in varianten B1, B2 en B3. Door de grotere uitwisseling ten opzichte van de referentie A1 2030 neemt de import van organisch materiaal toe en neemt de nutriëntenbelasting toe met hogere primaire productie tot gevolg. De hoeveelheid organisch materiaal in de bodem neemt daardoor toe en door afbraak neemt de zuurstofindringdiepte af. Het risico op bedekking met Beggiatoa neemt daardoor toe.
Echter, de berekening is uitgevoerd onder de aanname van gelijkblijvende biologische activiteit: er wordt dus geen uitspraak gedaan over het mogelijke positieve effect van de toenemende geschiktheid voor bodemdieren. De geschiktheidsindices zijn een indicator voor de potentie voor de biomassa van respectievelijk filtrerende en bodemetende bodemdieren. De beschikbaarheid van voedsel neemt zowel voor de bodemetende als voor de filtrerende bodemdieren toe bij meer wateruitwisseling. Met het water uit de Noordzee en de Oosterschelde worden algen en nutriënten geïmporteerd die leiden tot hogere primaire productie, meer fytoplankton en een grotere sedimentatie van organisch materiaal naar de bodem. Deze toename in productiviteit heeft ook een keerzijde, namelijk een grotere zuurstofvraag. De verbeterde wateruitwisseling is niet voldoende om de toegenomen zuurstofvraag (volledig) te compenseren. De B1 variant leidt daardoor slechts tot een beperkte verbetering van de potentiële geschiktheid voor filtrerende en bodemetende bodemdieren. Bij de grotere doorlaatmiddelen (B2 en B3) is de toename groter en neemt de geschiktheid voor zowel filtrerende als bodemetende bodemdieren verder toe. De habitatgeschiktheid voor vogels is uitgedrukt in de sub-indicatoren broedgebied (voor kustbroedvogels) en foerageergebied (regelmatig overstroomd en ondiep water).
Het potentieel broedgebied is het gebied dat tijdens het broedseizoen droog komt te liggen en buiten het broedseizoen regelmatig onder water komt te staan waardoor de vegetatie zich maar beperkt kan ontwikkelen. Naast het totale areaal is ook de ligging en kwaliteit van belang omdat andere factoren (zoals verstoring, nabijheid foerageergebied, substraattype) van invloed zijn op de geschiktheid van een locatie als broedgebied. De arealen “ondiep water” en “droog in broedseizoen” kunnen gezien worden als belangrijke foerageergebieden voor visetende en benthosetende vogels. De grootste arealen “regelmatig overstroomd” komen voor bij de varianten A3, B2 en B3. Bij de variant A3 is de frequentie van droogval compleet anders. Er is sprake van een beperkt dagelijks getij, maar de perioden van droogval en inundatie zijn veel langer variërend van dagen tot maanden. Dit komt niet ten goede van de kwaliteit van het gebied voor bodemdieren en dus ook voor foeragerende vogels. Het grote areaal in combinatie met de beperkte kwaliteit leidt tot een licht positief effect. De ondiep water gebieden zijn doorgaans rijker aan organismen dan de diepere delen en daardoor interessanter voor bijvoorbeeld visetende vogels. De arealen ondiep water (tot 5 meter diepte) omvatten het grootste oppervlak in het Grevelingenmeer.
24
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Foeragerende Bonte strandloper, foto Staatsbosbeheer
In de varianten waar de bovenste peilgrens op NAP -0,10 m ligt zijn er niet of nauwelijks directe effecten op de Natura2000 habitattypen en soorten. Wat betreft de indirecte effecten zijn de verschillen groter omdat de gemiddelde waterstand sterker varieert tussen de varianten dan de bovenste peilgrens. Het middenpeil heeft effect op de grondwaterstand op de terrestrische delen. In de situatie A1 2030 is de berekende gemiddelde waterstand NAP -0,16 m, terwijl in de situatie B3 2030 de berekende gemiddelde waterstand 20 cm lager ligt op NAP -0,36 m. In variant A3 waar de bovenste peilgrens NAP +0,25 m is, worden vrijwel alle habitattypen en soorten relatief veel beïnvloed door overspoeling. Over het algemeen profiteren de zilte habitattypen van de dynamiek bij deze waterstanden. Dat is ook het geval bij variant A3 waar een groot areaal regelmatig overstroomt. Aan de onderkant van de verspreiding zal er areaalverlies van zilte vegetaties optreden maar de verwachting daarbij is dat deze habitattypen kunnen opschuiven naar hoger gelegen delen. Voor de overige habitattypen zullen variant A3 en in mindere mate de B-varianten leiden tot verlies als gevolg van het lagere middenpeil. Omdat er een verschil is in de effecten op de zilte en overige habitattypen zijn deze in de tabel apart weergegeven. 5.3.2.
Vergelijking doelbereikindicatoren door Sweco In onderstaande Tabel 4 zijn de resultaten van de beoordeling door Sweco voor de verschillende varianten ten opzichte van A1 weergegeven, voor de zes doelbereikindicatoren. In deze tabel is de doorwerking van zowel de maatregelen om negatieve effecten teniet te doen als van de adaptatiestappen wel meegenomen.
25
Eindrapport Taskforce Getij Grevelingen
Tabel 4: Vergelijkend overzicht van de beoordeling van de referenties/varianten ten opzichte van A1 in de situaties 2030 en 2080, met maatregelen en adaptatiestappen. Maatregelen hebben betrekking op het teniet doen van de negatieve effecten van het gewijzigde peilbeheer op bovenwaternatuur. ++ = sterk positief, +/++ = positief tot sterk positief + = positief, 0/+ beperkt positief, 0 = geen wezenlijk verschil, 0/- beperkt negatief, - = negatief, -/-- = negatief tot sterk negatief, -= sterk negatief.
Bovenstaande beoordeling verschilt op een aantal punten van die door Deltares en WMR:
Alle beoordelingen van Deltares en WMR zijn t.o.v. (referentie) A1 in 2030. Sweco heeft de vergelijking gemaakt voor overeenkomstige jaren en dus voor zowel 2030 als 2080 (conform de systematiek in milieueffectrapportages); Sweco heeft ook rekening gehouden met de locatie waar de verbetering of verslechtering plaatsvindt. Een verslechtering of verbetering van ecologisch minder relevante locaties weegt minder zwaar mee in de eindbeoordeling. Dit betreft de indicatoren zuurstofindringdiepte in de waterbodem, geschiktheidsindex voor filtrerende bodemdieren en geschiktheidsindex voor bodemetende bodemdieren; Voor de indicatoren habitatgeschiktheid broedvogels en habitatgeschiktheid niet-broedvogels heeft Sweco de beoordeling gebaseerd op habitatgeschiktheid van de broed- en foerageerhabitat tijdens het broedseizoen en niet op aantallen vogels zoals door WMR; Voor de indicatoren zilte habitattypen en overige habitattypen zijn er verschillen omdat Sweco de arealen ook in absolute zin heeft beoordeeld; Bij de beoordeling door Sweco zijn de effecten van maatregelen om negatieve effecten van het gewijzigde peilbeheer op bovenwaternatuur teniet te doen, en adaptatiestappen vanwege de zeespiegelstijging meegenomen.