20230207 Raadsbrief Inspraakreactie op het ontwerp pve busconcessie Zeeland 2025 Bijlage 2 Ontwerp PvE OV Zeeland 2025
Tekst van het document
3.11.3
De Concessiehouder onderbouwt voorstellen voor het wijzigen van de Dienstregeling in zijn Vervoerplan voor het betreffende Dienstregelingjaar. Het Vervoerplan bevat een gemotiveerd voorstel voor aanpassingen van lijnvoeringen (routes, (HOV-)Haltes, Knooppunten, Hubs), vertrek- en aankomsttijden, rijtijden, frequenties, Aansluitingen, Infrastructuur (in overleg met de betreffende Wegbeheerder(s)) en andere aspecten van het aanbod van Openbaar Vervoer inclusief tariefkilometers.
3.11.4
De Concessiehouder informeert de Wegbeheerders over de procedure die aan een wijziging van de Dienstregeling voorafgaat, waaronder de uiterste momenten waarop Wegbeheerders input kunnen leveren en eventueel op wijzigingsvoorstellen kunnen reageren.
3.11.5
De jaarlijkse dienstregelingwijziging gaat in op de datum dat de NS de dienstregeling van het Hoofdrailnet wijzigt, tenzij de Concessieverlener na overleg met de Concessiehouder anders besluit.
25
3.11.6
De Concessiehouder stelt ten minste jaarlijks de opgebouwde kennis over specifieke knelpunten en werkafspraken met derden ter beschikking aan de Concessieverlener. Te denken valt aan afspraken met Scholen en wegbeheerders en ervaren knelpunten bij de overgang tussen vakantiedienstregeling en normale dienstregeling.
3.11.7
Jaarlijks wordt de in Bijlage 11 opgenomen dienstregelingprocedure gevolgd om te komen tot een nieuwe Dienstregeling.
3.11.8
Het eerste reguliere dienstregelingproces betreft het Dienstregelingjaar 2026.
3.11.9
De Concessiehouder stelt in samenwerking met de Concessieverlener voor Dienstregelingjaar 2025 een projectplan op waarbij in beginsel het in lid 7 bedoelde proces wordt gevolgd. De daadwerkelijke stappen en de planning is mede afhankelijk van de datum van gunning van deze Concessie.
3.11.10 De Concessiehouder kan de Concessieverlener verzoeken om buiten de in bovenstaande
eisen genoemde wijzigingen voor eigen rekening een tussentijdse wijziging van de Dienstregeling te mogen doorvoeren om de uitvoeringskwaliteit te verbeteren. Een wijziging mag alleen worden doorgevoerd na instemming van de Concessieverlener.
3.12
Aansluitingen en afstemming
Aansluitingen en afstemming
3.13
3.12.1
De Concessiehouder biedt op voor Reizigers logische overstappunten, waaronder in ieder geval de in Bijlage 6 genoemde Hubs en Knooppunten, Aansluitingen tussen HOV-Lijnen onderling en tussen HOV-lijnen met Overige lijnen, Aansluitingen op de Trein, de Ferry en Lijnen vanuit aangrenzende concessiegebieden en vermeldt deze Aansluitingen in de Dienstregeling. Dit betreft in ieder geval de Aansluitingen tussen de laatste twee Ritten van Lijnen die tot de Concessie behoren en van de Lijnen die tot de Concessie behoren op de Trein en vice versa.
3.12.2
De Concessiehouder geeft in de Dienstregeling aan welke Aansluitingen hij garandeert, en geeft daarbij aan waaruit deze garantie bestaat.
Lijnnummering
Lijnnummering 3.13.1
De Concessiehouder kent de volgende lijnnummers aan Lijnen als volgt toe: HOV-lijnen: een driecijferig nummer, beginnend met een 4; Scholierenritten en Scholierenlijnen: een driecijferig nummer, beginnend met een 6; Buurtbuslijnen: een driecijferig nummer, beginnend met een 2; Overige Lijnen: in onderling overleg met de Concessieverlener.
3.13.2
Het is de Concessiehouder niet toegestaan om Lijnen die rijden op concessiegrensoverschrijdende verbindingen lijnnummers toe te kennen die in gebruik zijn in de desbetreffende aangrenzende concessie(s).
26
3.13.3
3.14
De kosten van wijzigingen van de lijnnummering, waaronder begrepen de eventuele kosten als gevolg van aanpassing van het OV-Betaalsysteem, zijn voor rekening en risico van de Concessiehouder.
Feestdagen
Feestdagen 3.14.1
Als feestdagen worden de dagen aangemerkt volgens de Algemene termijnenwet.
27
4.
Materieel
4.1
Algemene eisen
Reizigers willen reizen met comfortabel en schoon Materieel. Voertuigen die in de Concessie worden ingezet dienen een herkenbare uitstraling te hebben. De uitvoeringseisen zijn van toepassing op alle Lijntypen (HOV-lijnen, Scholierenlijnen, Overige Lijnen, Buurtbussen). Algemene eisen aan het Materieel
1
4.1.1
De Concessiehouder zorgt ervoor dat het Materieel voldoet aan alle eisen die bij of krachtens wet- en regelgeving op het Materieel van toepassing zijn.
4.1.2
De Concessiehouder zet voor de uitvoering van de Concessie uitsluitend de typen Voertuigen in die hij heeft opgenomen in zijn Inschrijving. Het is de Concessiehouder alleen na voorafgaande toestemming van de Concessieverlener toegestaan andere typen Voertuigen voor de uitvoering van de Concessie in te zetten, onder de voorwaarde dat deze typen Voertuigen ten minste gelijkwaardig zijn aan de typen Voertuigen die hij heeft opgenomen in zijn Inschrijving.
4.1.3
De Concessiehouder zet geen Bussen met een lengte van meer dan 18,75 meter in.
4.1.4
De Concessiehouder voorziet het Materieel van goedwerkende verkeerssystemen, waaronder begrepen KAR- en VETAG-systemen. De Concessiehouder neemt daarbij het bepaalde in de documenten Bijlage 12 ‘Concessiebijlage datasets OV’ en Bijlage 13 ‘Concessiebijlage m.b.t. gebruik Korte Afstand Radio’ of diens opvolger(s) in acht.
4.1.5
De Concessiehouder treedt blijvend met de Wegbeheerders in overleg over prioritering van het Materieel bij de afhandeling van het verkeer.
4.1.6
De Concessiehouder houdt rekening met en werkt in voorkomende gevallen zonder voorbehoud mee aan de implementatie van nieuwe technologieën ten behoeve van de prioritering van het Materieel bij verkeersregelingsinstallaties, bijvoorbeeld i-VRI. De Concessiehouder en het Materieel voldoen aan de eisen en afspraken zoals deze zijn en worden vastgelegd binnen het Partnership Talking Traffic en gepubliceerd op de website van het CROW 1. Uiterlijk twee maanden voor aanvang van de Concessie toont de Concessiehouder aan dat hij aan deze eisen voldoet.
4.1.7
De Concessiehouder voorziet het Materieel ten minste van apparatuur (hard- en software) die nodig is voor het gebruik van wettelijk vastgestelde of binnen het landelijk overleg (NOVB) overeengekomen Betaalwijzen in het Openbaar Vervoer, waaronder EMVc en Barcodes. De Concessiehouder neemt daarbij de eisen zoals gesteld in de documenten ‘Eisen aan het OV-Betaalsysteem’ en ‘Specification Document Open Architecture (SDOA)’ of diens opvolger(s) zoals opgesteld door Translink in acht.
Zie: http://www.crow.nl/thema-s/verkeersmanagement/landelijke-ivri-standaarden.
28
4.2
4.1.8
De Concessiehouder voorziet het Materieel van een druktemeter, die in staat is om de bezettingsgraad van een Voertuig per Rit aan te geven.
4.1.9
De Concessiehouder voorziet het Materieel van apparatuur waarmee het Personeel kan communiceren met de Verkeersleiding en al dan niet met tussenkomst van de Verkeersleiding met de verkeersleiding van concessiehouders van aangrenzende concessies.
4.1.10
De Concessiehouder voorziet alle Bussen die hij voor de uitvoering van de Concessie inzet van frontcamera’s.
4.1.11
De Concessiehouder is verantwoordelijk voor het onderhoud van het Materieel en zorgt dat het onderhoud plaatsvindt conform de voorschriften van de leverancier, waaronder begrepen de voorschriften voor revisies en vervanging van batterijpakketten, en de daaraan verbonden garantiebepalingen.
4.1.12
De Concessiehouder overlegt jaarlijks vóór 1 januari een inspectierapport, opgesteld door een daartoe gecertificeerde onderneming, waarin wordt verklaard dat het Materieel goed wordt beheerd en onderhouden en dat de boekwaarde overeenkomt met de te verwachten afschrijvingen op basis van de Gegarandeerde inzetperiode. In de laatste 2 jaar van de Concessie overlegt de Concessiehouder het hiervoor genoemde inspectierapport halfjaarlijks.
Milieuprestaties Materieel
De Concessieverlener heeft de ambitie om de verduurzaming van het Openbaar Vervoer voortvarend op te pakken, zoals in het bestuursakkoord ‘Zero emissie regionaal busvervoer’ is vastgelegd. In dit bestuursakkoord spreken de twaalf provincies, twee vervoerregio’s en het ministerie van Infrastructuur & Waterstaat de ambitie uit dat het regionale Openbaar Vervoer per Bus in 2030, of zoveel eerder als mogelijk, volledig emissievrij bij de uitlaat moet zijn. De Concessieverlener streeft daarbij de volgende doelstellingen na: a. Uiterlijk 2025 zijn alle nieuw instromende Bussen emissievrij aan de uitlaat (tank-to-wheel). b. Uiterlijk in 2030 is al het Materieel emissievrij. c. De nieuwe bussen maken in 2025 gebruik van 100% hernieuwbare energie of brandstof, die met het oog op economische ontwikkeling zoveel mogelijk regionaal wordt opgewekt. Als uitwerking van bovenstaande ambitie en doelstellingen eist de Concessieverlener dat de Concessie vanaf de start met Zero-Emissievoertuigen wordt uitgevoerd, met uitzondering van Voertuigen die de Concessiehouder ter beschikking stelt als Buurtbussen. Voor deze Voertuigen geldt dat de transitie naar Zero Emissie gelet op de betaalbaarheid meer tijd vraagt. Daarom is het de Concessiehouder toegestaan om de transitie met betrekking tot de Buurtbussen binnen de periode tot en met het Dienstregelingjaar 2030 door te voeren.
Milieuprestaties Materieel 4.2.1
De Concessiehouder zet voor uitvoering van de Concessie uitsluitend Zero-Emissievoertuigen in. Deze eis geldt ook voor de Voertuigen die hij inzet ten behoeve van aflossing, ondersteuning en service & veiligheid.
4.2.2
In afwijking van het bepaalde in eis 4.2.1 is het de Concessiehouder toegestaan om uiterlijk tot en met het Dienstregelingjaar 2030 voor de uitvoering van Buurtbuslijnen (zie ook paragraaf 4.7) Materieel in te zetten dat ten minste voldoet aan de Euro 6-norm.
29
4.3
Toegankelijkheid
De Concessiehouder zorgt ervoor dat het Materieel toegankelijk is, zodat zoveel mogelijk mensen van het Openbaar Vervoer gebruik kunnen maken. Toegankelijkheid
2
4.3.1
De Concessiehouder zorgt ervoor dat het Materieel op het moment van aanschaf voldoet aan: a. geldende wet- en regelgeving ten aanzien van toegankelijkheid, zoals onder meer vastgelegd in het ‘Besluit toegankelijkheid van het Openbaar Vervoer’, en b. de richtlijnen inzake de inrichting, kenmerken en toegankelijkheid zoals opgenomen in de publicaties ‘Toegankelijkheid collectief personenvervoer – Bussen’ (CROW-publicatie 219c 2) dan wel de publicatie ‘Toegankelijkheid collectief personenvervoer – Taxi’s’ (CROW-publicatie 219b) en het toegankelijkheidsakkoord van 4 oktober 2022 of diens opvolger(s).
4.3.2
Bussen die de Concessiehouder inzet voor uitvoering van de Concessie zijn Lagevloerbussen of Low-entrybussen.
4.3.3
De Concessiehouder zorgt ervoor dat in het Materieel plaats is voor ten minste één rolstoel, waarbij voorzieningen zijn getroffen om deze rolstoel vast te zetten, en dat het Personeel over de kennis beschikt hoe dit te doen. De Concessiehouder zorgt ervoor dat het Personeel erop toeziet dat een rolstoelplaats wordt vrijgemaakt op het moment dat een Reiziger in een rolstoel het Voertuig betreedt, voor zover deze rolstoelplaats niet reeds in gebruik is door een andere Reiziger in een rolstoel.
4.3.4
De Concessiehouder zorgt ervoor dat het Materieel beschikt over ten minste één zitplaats die geschikt is voor mindervalide Reizigers en als zodanig wordt aangegeven. De Concessiehouder zorgt ervoor dat het Personeel erop toeziet dat deze zitplaats wordt vrijgemaakt op het moment dat een mindervalide Reiziger het Voertuig betreedt.
4.3.5
De Concessiehouder voorziet Lagevloerbussen en Low-entrybussen van een handbediende oprijplaat voor Reizigers in een rolstoel. Concessiehouder zorgt ervoor dat het Personeel assistentie verleent bij het uitklappen van de oprijplaat indien een Reiziger daarom verzoekt.
4.3.6
De Concessiehouder voorziet Hogevloerbussen van een rolstoellift. De Concessiehouder zorgt ervoor dat het Personeel assistentie verleent bij het gebruik van de rolstoellift.
4.3.7
De Concessiehouder zorgt ervoor dat Auto’s, waaronder Buurtbussen, zijn uitgerust met een voorziening waarmee Reizigers in een rolstoel of met een kinderwagen of rollator gemakkelijk het Voertuig kunnen betreden.
4.3.8
De Concessiehouder denkt proactief mee over het realiseren van inclusieve mobiliteit in het Concessiegebied en verleent zijn medewerking aan de uitvoering van initiatieven en maatregelen op dit gebied.
https://www.crow.nl/publicaties/toegankelijkheid-collectief-personenvervoer-__-bus
30
4.4
Uiterlijk en reclame Materieel
Uiterlijk van het Materieel en reclame
4.5
4.4.1
Al het Materieel dat de Concessiehouder voor uitvoering van de Concessie inzet is herkenbaar als Openbaar Vervoer Zeeland.
4.4.2
Al het Materieel dat de Concessiehouder als HOV-lijn, Scholierenlijn, Buurtbuslijn of Overige lijn in de Concessie inzet wordt uitgevoerd in de huisstijl “Reizen door Zeeland” (zoals die nader door de Concessiehouder zal worden uitgewerkt op basis van het concept, Bijlage 17).
4.4.3
Het is de Concessiehouder toegestaan om, uitsluitend na schriftelijke toestemming van de Concessieverlener, Materieel dat de Concessiehouder uitsluitend inzet voor Vervangend Vervoer, Calamiteiten, Evenementen en voor Versterkingsritten in een afwijkende kleurstelling of huisstijl uit te voeren.
4.4.4
Het is de Concessiehouder uitsluitend na schriftelijke toestemming van de Concessieverlener toegestaan om als (tijdelijke) vervanging een Voertuig in te zetten dat is uitgevoerd in een andere kleurstelling of huisstijl dan het (tijdelijk) te vervangen Voertuig.
4.4.5
De Concessiehouder mag – wanneer er geen (reserve) Voertuigen uitgevoerd voor het betreffende Lijntype beschikbaar zijn, andere Voertuigen op Ritten van Lijnen van een ander Lijntype inzetten voor de uitvoering van Versterkingsritten of tijdelijk ter vervanging van een defect Voertuig. De Concessiehouder meldt de locatie en de duur van de inzet van afwijkende Voertuigen aan Concessieverlener.
4.4.6
Het is de Concessiehouder toegestaan reclame aan te brengen aan de buitenzijde en binnenzijde van de Voertuigen, met uitzondering van de Buurtbussen. De reclame gaat niet ten koste van de herkenbaarheid van (specifieke elementen van) de Voertuigen en de huisstijl. In de Voertuigen is het toegestaan om reclame op Displays te tonen.
4.4.7
De Concessiehouder zorgt ervoor dat de reclame voldoet aan de richtlijnen van de Stichting Reclame Code.
4.4.8
Voor Buurtbussen geldt dat uitsluitend de buurtbusverenigingen de mogelijkheid hebben om reclame aan te (laten) brengen aan de binnen- en buitenzijde van de Buurtbussen. De opbrengsten van de reclame op of in de Buurtbussen komen toe aan de betreffende buurtbusvereniging.
Lengte en leeftijdseisen van het Materieel
Leeftijd van het Materieel 4.5.1
De Concessiehouder zorgt ervoor dat hij de Concessie start met nieuw ZE-materieel en dat dit Materieel tijdens de gehele Concessieduur blijvend wordt gebruikt. Onder nieuw wordt verstaan dat de eerste afgifte van het kentekenbewijs deel 1 niet eerder heeft plaatsgevonden dan zes maanden voor de start van de Concessie. Hierbij is in geval van een in Nederland nieuw afgegeven kenteken de eerste afgifte van het kentekenbewijs deel 1 maatgevend. Indien een Voertuig eerder in het buitenland is ingezet, is de eerste toelating in het buitenland maatgevend.
31
4.5.2
Bij verlenging van de Concessie vervangt de Concessiehouder het Materieel voor de Buurtbussen voor nieuw materieel bij de start van de verlenging van de Concessie.
4.5.3
De Concessieverlener biedt een Overnameregeling zoals uitgewerkt in Model Overnameregeling Zero-Emissievoertuigen (bijlage bij de Concessiebeschikking) aan voor Zero-Emissievoertuigen en bijbehorende Laadinfrastructuur die de Concessiehouder voor de uitvoering van de Concessie inzet en die nieuw zijn op het moment dat zij voor het eerst voor de uitvoering van de Concessie worden ingezet. De Concessieverlener biedt geen Overnameregeling aan voor Voertuigen met een lengte van minder dan 9,5 meter.
4.5.4
De Overnameregeling voor het Materieel is alleen van toepassing indien de Concessie na 8 jaar niet wordt verlengd.
4.5.5
De Overnameregeling voor de Laadinfrastructuur is van toepassing indien de Concessie na 8 jaar niet wordt verlengd en bij het einde van de Concessie indien de Concessie na 8 jaar is verlengd.
4.5.6
Het door de Concessiehouder ten behoeve van de exploitatie van de Concessie in te zetten Materieel dient te voldoen aan de onderstaande voorwaarden: Type Materieel Gelede Bussen
Minimale lengte n.v.t.
Maximale lengte 19 meter
Bussen, niet zijnde Gelede Bussen
9,0 meter
15 meter
Midibussen
7,40 meter
9,6 meter
Auto’s
n.v.t.
n.v.t.
Type Materieel Gelede Bussen
HOV-lijn
Buurtbus
Toegestaan
Scholierenlijn Toegestaan
Bussen, niet zijnde Gelede Bussen
Toegestaan
Toegestaan
Niet toegestaan
Toegestaan
Midibussen
Niet toegestaan Niet toegestaan
Toegestaan
Niet toegestaan Toegestaan
Toegestaan
Auto’s
4.6
Niet toegestaan
Niet toegestaan
Overige lijnen Toegestaan
Niet toegestaan
Technische eisen aan het Materieel
Technische eisen aan het Materieel 4.6.1
De Concessiehouder registreert de gereden dienstregelingskilometers en hiervoor ingezette Dienstregelingsuren voor alle Voertuigen die hij voor de uitvoering van de Concessie inzet. Hij registreert hierbij de gereden dienstregelingskilometers en hiervoor ingezette Dienstregelingsuren per Lijntype (HOV-lijn, Scholierenlijn, Overige lijn, Buurtbus).
32
4.6.2
De Concessiehouder legt gegevens over het gebruik (in reizigersaantallen en -kilometers) en de Reizigersopbrengsten van de Ritten vast voor alle Voertuigen die hij voor de uitvoering van de Concessie inzet. Hij registreert hierbij de gegevens per Lijntype (HOV-lijn, Scholierenlijn, Overige lijn, Buurtbus).
4.6.3
De Concessiehouder voorziet alle Voertuigen die hij voor de Concessie inzet van vaste checkin/check-out- en betaalapparatuur.
4.6.4
Alle in te zetten Voertuigen zijn bij iedere deuropening voorzien van ten minste één werkende kaartlezer voor het in- en uitchecken of betalen. Tevens beschikken alle bussen over functionerende apparatuur om reisproducten in te laden (“af te halen”) op de ov-chipkaart.
4.6.5
De Concessiehouder voorziet alle Voertuigen van een functionerend Intelligent Voertuig Systeem (IVS). Op verzoek van de Concessieverlener, kan de Concessieverlener gedurende de gehele concessieduur inzage krijgen in de werking van het IVS, inclusief het voertuigvolgsysteem bij de Concessiehouder.
4.6.6
De Concessiehouder voorziet alle in te zetten Bussen van een functionerend en registratief digitaal camerasysteem, waarbij de volgende bepalingen gelden: De Concessiehouder is verantwoordelijk voor het cameratoezicht in de Bussen en beschikt over een protocol cameratoezicht. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat camera’s in de Bussen zodanig geplaatst zijn dat ze alle zit- en staanplaatsen en de instapzone direct buiten het voertuig waarnemen. De Concessiehouder draagt er zorg voor dat de beeld- en geluidsopnames van voldoende kwaliteit zijn, persoonsherkenning mogelijk maken en voldoen aan de eisen die de politie stelt om deze opnames zo nodig voor opsporing te kunnen gebruiken (met inachtneming van de toepasselijke privacywetgeving). De bewaartermijn van de camerabeelden bedraagt 72 uur. De Concessiehouder volgt bij eventuele vervanging van camerasystemen de nieuwste richtlijnen.
4.6.7
De Concessiehouder voorziet alle in te zetten Voertuigen van een functionerend dynamisch reisinformatiesysteem (Displays) voor het tonen van reisinformatie dat in elk geval de volgende informatie verschaft: a. actuele inschatting van de verwachte aankomsttijden op de eerstvolgende Haltes; b. het Eindpunt van de Rit, inclusief de verwachte aankomsttijd op het Eindpunt; c. geboden Aansluitingen op Knooppunten inclusief de actuele vertrektijden van aansluitende Lijnen (zowel op de Lijnen van de Concessiehouder zelf als op de Lijnen van concessiehouders van aangrenzende concessies en op de Trein); d. overstapmogelijkheden op de eerstvolgende Haltes op Fijnmazige mobiliteitsdiensten, waaronder de Flextaxi; e. de actuele tijd; en f. actuele informatie over tijdelijke afwijkingen ten opzichte van de Dienstregeling, waaronder in ieder geval begrepen afwijkende routes, vervallen en/of alternatieve Haltes en gewijzigde vertrektijden. Dit lid is niet van toepassing op Voertuigen die worden ingezet voor Scholierenlijnen alsmede voor Voertuigen die worden ingezet als Versterkingsrit, Calamiteiten, Evenementen en Vervangend Vervoer.
33
4.6.8
Alle Bussen hebben zowel een instapdeur als een uitstapdeur die toegang geeft tot het lagevloer gedeelte van de Bus en die in een dusdanig tempo opent dat Reizigers niet onnodig lang hoeven te wachten bij het in- en uitstappen en halteringstijden beperkt blijven. Midibussen kunnen één instap- / uitstapdeur hebben die toegang geeft tot het lage-vloer gedeelte van de Bus en die in een dusdanig tempo opent dat Reizigers niet onnodig lang hoeven te wachten bij het in- en uitstappen en halteringstijden beperkt blijven.
4.6.9
De Concessiehouder brengt in elke Bus ten minste twee functionerende Displays aan (één in de voorste helft en één in de achterste helft van de Bus), waarbij hij de Displays zodanig aanbrengt dat Reizigers de informatie op de Displays kunnen lezen zonder dat zij gehinderd worden door lichtinval van buiten. Bij Midibussen en auto’s brengt de Concessiehouder in elke Bus / auto ten minste één functionerende Display aan (in de voorste helft van de Bus / auto), waarbij hij het Display zodanig aanbrengt dat Reizigers de informatie op het Display kunnen lezen zonder dat zij gehinderd worden door lichtinval van buiten.
4.6.10
Alle in te zetten Voertuigen zijn voorzien van een gedurende de gehele dag, van ten minste een afstand van 30 meter, goed leesbare actuele lijn- en bestemmingsaanduiding aan zowel de voor- als de rechterzijde van de bus. De achterzijde van de in te zetten Voertuigen is voorzien van een gedurende de gehele dag, van ten minste een afstand van 30 meter, goed leesbare actuele lijnaanduiding.
4.6.11
Alle in te zetten Voertuigen zijn voorzien van functionerende communicatiemiddelen waarmee rechtstreeks en in geval van nood onopvallend en per direct contact mogelijk is tussen Rijdend personeel en de Centrale Verkeersleiding van de Concessiehouder.
4.6.12
Alle in te zetten Voertuigen zijn voorzien van functionerende kort verkeer communicatiemiddelen voor – indien noodzakelijk – rechtstreekse communicatie met chauffeurs op andere lijnen die binnen de Concessie vallen, bijvoorbeeld in geval van vertragingen en overstappers.
4.6.13
Alle in te zetten Voertuigen zijn voorzien van functionerende kort verkeer communicatiemiddelen voor – indien noodzakelijk – rechtstreekse communicatie met de Centrale Verkeersleiding die de Fijnmazige mobiliteitsdiensten aanstuurt waaronder de Flextaxi. Communicatie is noodzakelijk in geval van bijvoorbeeld vertragingen. Implementatie hiervan conform nader te maken afspraken tussen Concessiehouder en de MCZ na de gunning.
4.6.14
Voertuigen die worden ingezet op lijnen die de staatsgrens met België overschrijden en die gezamenlijk worden geëxploiteerd met de Belgische vervoerder hebben de mogelijkheid om te communiceren met de verkeersleiding van de Belgische vervoerder.
4.6.15
De Concessiehouder zorgt dat alle apparatuur in de Voertuigen goed werkt en test de werking van de apparatuur in ieder geval voor aanvang van de Concessie, bij instroom dan wel vervanging van Voertuigen en vervanging van apparatuur tijdens de looptijd van de Concessie en periodiek minimaal één keer per jaar.
4.6.16
Daar waar in dit artikel uitzonderingen zijn gemaakt voor Scholierenlijnen, Versterkingsritten, Vervangend vervoer bij Calamiteiten en Evenementen zorgt de Concessiehouder er onverminderd voor dat Voertuigen die onder de uitzondering vallen, beschikken over checkin/check-out apparatuur en betaalapparatuur. De Concessiehouder stelt gegevens over het gebruik (in reizigersaantallen en -kilometers) en de Reizigersopbrengsten van de Ritten uitgevoerd met deze Voertuigen aan de Concessieverlener beschikbaar (conform het bepaalde in hoofdstuk 14).
34
4.7
Comfort en netheid van het Materieel
Om te zorgen dat Reizigers een comfortabele reis hebben die bijdraagt aan een goede ritbeleving, treft de Concessiehouder ten minste de maatregelen ten aanzien van de inrichting en uitrusting van het Materieel zoals beschreven in deze paragraaf. Comfort 4.7.1
De Concessiehouder zet voor de uitvoering van de Concessie uitsluitend Materieel in dat Reizigers in elk geval een goed zitcomfort, een aangenaam verblijfsklimaat, een goed en ononderbroken zicht naar buiten en een gebruiksvriendelijke indeling biedt.
4.7.2
De Concessiehouder zorgt ervoor dat Reizigers comfortabel met het Openbaar Vervoer kunnen reizen en voldoet daarbij ten minste aan de volgende eisen: a. het Materieel is voorzien van comfortabele stoelen; b. het Materieel, niet zijnde Buurtbussen, is voorzien van voldoende beenruimte zodanig dat de Tussenruimte in coach opstelling bij 80% van de zitplaatsen ten minste 76 centimeter, en nooit minder dan 72 centimeter, bedraagt en dat de Tussenruimte in vis-à-vis opstelling nooit minder dan 130 centimeter bedraagt; c. de Bussen zijn voorzien van voldoende mogelijkheden voor staande Reizigers om zich vast te houden; d. het Materieel is voorzien van ten minste één USB-C poort per stoel, die zodanig is geplaatst dat deze zich niet boven het hoofd van Reizigers bevindt; e. het Materieel is voorzien van goede vering; f. het Materieel is voorzien van prettige verlichting die positief bijdraagt aan het gevoel van Sociale Veiligheid in het Voertuig; g. de binnen- en buitenzijde van het Materieel is schoon; h. het Materieel is voorzien van voldoende prullenbakken, een goed uitgeruste EHBO-doos en een goedgekeurde brandblusser; i. het geluiddrukniveau in het Materieel, gemeten conform de “stationary test” zoals beschreven in paragraaf 8.4.3 van NEN-ISO 5128:1990, bedraagt niet meer dan 75 dB (A); j.
de in het Materieel aanwezige geluidsinstallaties worden alleen gebruikt voor het verstrekken van reisinformatie; k. het Materieel is voorzien van goed werkende ventilatie, airconditioning en verwarming; en l. in het Materieel geldt te allen tijde een algeheel rookverbod, zowel voor Reizigers als voor het Personeel.
4.7.3
De Concessiehouder onderhoudt het Materieel zodanig dat het Materieel op de volgende beeldmeetlatten van de Kwaliteitscatalogus ov-voertuigen 2014 van CROW of diens opvolger(s) blijvend voldoet aan het kwaliteitsniveau A (‘Heel’): a. Buitenkant voertuig (aanrijdzijde en voorkant) – beschadigingen; b. Contactpunten en kleine elementen (bagagerek) – beschadigingen; c. Deur (inclusief tussendeur) – beschadigingen, volledigheid en werking; d. Rolstoel- en buggyvoorzieningen – beschadigingen en werking; e. Vloer – beschadigingen; f. Wanden en plafonds – beschadigingen (deuken, gaten en krassen); g. Zitelement – beschadigingen (deuken, gaten en krassen); h. Vloer, wanden en plafonds – dekking coating/folie; i. Zitelement – dekking coating/folie; en j. Ramen (exclusief voorruit) – krassen, sterren en barsten.
35
Indien de Concessiehouder Voertuigen met een WiFi-systeem uitrust, zorgt hij ervoor dat Reizigers gratis en zonder registratie van het WiFi-systeem gebruik kunnen maken en dat veilig gebruik van het WiFi-systeem gewaarborgd is.
4.7.4
4.8
Buurtbussen
De Concessiehouder vervult ten aanzien van Buurtbuslijnen een faciliterende rol. Dat houdt in dat hij Buurtbussen beschikbaar stelt en onderhoudt en dat hij de vrijwilligers ondersteunt bij de uitvoering van de Buurtbuslijnen. Buurtbussen De Concessiehouder stelt aan bestaande en nieuw op te richten Buurtbusverenigingen voldoende Buurtbussen beschikbaar om de Dienstregeling van de door hen verzorgde Buurtbuslijnen te kunnen uitvoeren. De Concessiehouder zorgt voor voldoende extra Buurtbussen ten behoeve van vervangende inzet vanwege technische mankementen en onderhoud.
4.8.1
4.8.2
De Concessiehouder voorziet de Buurtbussen in elk geval van: communicatieapparatuur waarmee de chauffeurs van de Buurtbussen kunnen communiceren met de Verkeersleiding, en b. apparatuur ten behoeve van het gebruik van de Betaalwijzen zoals bedoeld in eis 8.2. a.
36
5.
Uitvoeringskwaliteit
De Concessieverlener verwacht van de Concessiehouder een ‘excellente’ uitvoeringskwaliteit, met een betrouwbare uitvoering van het geplande aanbod; dat wil zeggen, weinig Rituitval, punctueel en regelmatig rijden, inzet van voldoende capaciteit afgestemd op de vraag van Reizigers. Een excellente uitvoering is cruciaal om het Openbaar Vervoer een betrouwbare basis te laten vormen van het Zeeuwse systeem van collectieve mobiliteit en Reizigers een drempelloze reis te bieden. De Concessieverlener monitort de uitvoeringskwaliteit daarom aan de hand van een aantal kernprestatieindicatoren (KPI’s), onder meer op het gebied van reizigerstevredenheid, Rituitval, punctualiteit en regelmaat en het voldoen aan de vervoerplicht (zie ook hoofdstuk 14 voor de eisen ten aanzien van het aanleveren van informatie). De Concessieverlener beschikt daarbij over meerdere sturingsinstrumenten om ervoor te zorgen dat de Concessiehouder minimaal voldoet aan de normen zoals opgenomen in dit hoofdstuk. Deze sturingsinstrumenten, waaronder een bonus-malusregeling en boetebepalingen, zijn onderdeel van de Concessiebeschikking. 5.1
Vervoerplicht, vervoercapaciteit en zitplaatskans
Voor Reizigers is het belangrijk om zekerheid te hebben dat als zij op een Halte staan ze ook met de eerstvolgende Rit mee kunnen. Vervoerplicht 5.1.1
De Concessiehouder heeft een vervoerplicht: hij vervoert alle Reizigers die bij een Halte aanwezig zijn met de eerstkomende Rit die in de Dienstregeling is opgenomen.
5.1.2
De vervoerplicht zoals genoemd in eis 5.1.1 geldt ook bij Evenementen.
5.1.3
Bij een niet te voorziene extra Vervoervraag voorkomt de Concessiehouder dat Reizigers op een Halte langer dan 30 minuten op de eerstvolgende Rit moeten wachten, zo nodig door zo spoedig mogelijk op eigen kosten Versterkingsritten in te zetten.
5.1.4
Bij een te voorziene extra Vervoervraag zet de Concessiehouder op voorhand extra capaciteit in de vorm van grotere Voertuigen of extra Ritten in om te voorkomen dat Reizigers niet meekunnen met de eerstkomende Rit.
Naast een vervoerplicht verwacht de Concessieverlener van de Concessiehouder dat hij voldoende capaciteit biedt om Reizigers comfortabel te vervoeren. Vervoerscapaciteit en zitplaatskans 5.1.5
De Concessiehouder zorgt ervoor dat Reizigers tijdens alle Ritten kunnen zitten op daarvoor bestemde zitplaatsen.
5.1.6
In afwijking van het bepaalde in eis 5.1.5 is het de Concessiehouder tijdens de Spits toegestaan dat: Reizigers maximaal 20 minuten moeten staan, en maximaal 20 reizigers per Voertuig moeten staan.
37
5.2
5.1.7
De Concessiehouder geeft jaarlijks in zijn Vervoerplan aan welke capaciteit, uitgedrukt in aantallen zit- en staanplaatsen, hij inzet om aan het bepaalde in eisen 5.1.5 en 5.1.6 te voldoen.
5.1.8
De Concessiehouder zorgt ervoor dat op iedere Rit de daadwerkelijk ingezette capaciteit niet lager is dan de geplande capaciteit zoals vermeld in het Vervoerplan.
5.1.9
In aanvulling op het bepaalde in eis 5.1.8 zorgt de Concessiehouder ervoor dat de ingezette capaciteit op iedere Lijn steeds voldoende is om aan het bepaalde in eisen 5.1.1 tot en met 5.1.6 te voldoen. Indien de Concessiehouder vaststelt dat de geplande capaciteit zoals vermeld in het Vervoerplan op een Lijn onvoldoende is (geworden) zet hij op de desbetreffende Lijn extra capaciteit in de vorm van meer geschikte Voertuigen of extra Ritten in en past hij indien nodig de Dienstregeling aan om aan het bepaalde in eisen 5.1.1 tot en met 5.1.6 te blijven voldoen.
5.1.10
De Concessieverlener kan de Concessiehouder opdragen, binnen 4 weken na een daartoe gedaan schriftelijk verzoek van de Concessieverlener, op een Lijn extra capaciteit in te zetten en daartoe zo nodig de Dienstregeling aan te passen, indien de Concessieverlener bij de Concessiehouder twijfels heeft geuit of de capaciteit die de Concessiehouder op een Lijn inzet voldoende is om steeds aan het bepaalde in eisen 5.1.1 tot en met 5.1.6 te voldoen en: i. uit actuele gegevens over het aantal Reizigers blijkt dat de geplande capaciteit op de desbetreffende Lijn zoals vermeld in het Vervoerplan inderdaad onvoldoende is om aan het bepaalde in eisen 5.1.1 tot en met 5.1.6 te voldoen, of ii. de Concessiehouder niet door middel van actuele gegevens over het aantal Reizigers kan aantonen dat de geplande capaciteit op deze Lijn zoals vermeld in het Vervoerplan steeds voldoende is om aan het bepaalde in eisen 5.1.1 tot en met 5.1.6 te voldoen.
Rituitval en Vervangend Vervoer
Voor Reizigers is het belangrijk dat zij zekerheid hebben dat hun Rit wordt uitgevoerd. Daarom verwacht de Concessieverlener dat de Concessiehouder zich maximaal inspant om Rituitval te voorkomen en om wanneer een Rit onverhoopt toch uitvalt de overlast voor Reizigers te minimaliseren. Rituitval 5.2.1
De Concessiehouder zorgt ervoor dat de Rituitval waarbij geen sprake is van Overmacht (zie eis 5.5.1) in enige kalendermaand: a. in totaal niet meer dan 0,2% van het totaal aantal in de Dienstregeling opgenomen Ritten bedraagt, en b. per Lijn niet meer dan 1,0% van het aantal in de Dienstregeling opgenomen Ritten van de betreffende Lijn bedraagt.
5.2.2
Indien een Rit geheel of gedeeltelijk uitvalt, spant de Concessiehouder zich maximaal in om de overlast voor Reizigers tot een minimum te beperken door hen te informeren over de gewijzigde vertrektijden en over het aanbod aan Vervangend Vervoer en Alternatieve Reismogelijkheden (ook buiten het Openbaar Vervoer). De Concessiehouder zorgt dat de klantenservice bereikbaar is om vragen van Reizigers hierover te beantwoorden.
5.2.3
Ingeval Reizigers bij Rituitval geen Alternatieve Reismogelijkheden met het Openbaar Vervoer hebben, zet de Concessiehouder uiterlijk 30 minuten nadat de eerste Rit is uitgevallen Vervangend Vervoer in.
38
Rituitval
5.3
5.2.4
De Concessiehouder zorgt ervoor dat het Vervangend Vervoer als zodanig herkenbaar is en voldoende capaciteit biedt zodat alle Reizigers in ieder geval naar de gewenste Halte van de betreffende Lijn kunnen reizen.
5.2.5
Indien in België gepland staat dat uit te voeren ritten van gezamenlijk geëxploiteerde Lijnen (zie Bijlage 4) door toedoen van de Belgische vervoerder uitvallen, voert de Concessiehouder alle Ritten van de bewuste Lijnen uit, waarbij hij zich bij elke Rit beperkt tot het uitvoeren van het routedeel dat ligt binnen het Concessiegebied.
Punctualiteit en Aansluitingen
Bij betrouwbaarheid gaat het niet alleen om de vraag of een Rit wordt uitgevoerd, maar ook om de vraag of de Rit op tijd vertrekt en, om Aansluitingen te kunnen halen, op tijd aankomt. Belangrijk daarbij is dat een Rit in ieder geval niet te vroeg bij Beginpunten, Knooppunten en Tijdhaltes vertrekt, zodat Reizigers die willen overstappen hun overstap kunnen halen. De Concessieverlener verwacht daarom dat de Concessiehouder de Dienstregeling punctueel uitvoert en stuurt aan de hand van de in deze paragraaf opgenomen normen. Punctualiteit 5.3.1
De Concessiehouder zorgt ervoor dat Ritten niet eerder vanaf een Beginpunt, Knooppunt en Tijdhaltes vertrekken dan is vastgelegd in de Dienstregeling.
5.3.2
De Concessiehouder zorgt ervoor dat van alle Ritten van een Lijn in iedere kalendermaand ten minste 90%: 1) binnen 300 seconden na de vertrektijd zoals vermeld in de Dienstregeling vanaf het Beginpunt, Knooppunten en Tijdhaltes van de betreffende Rit vertrekt, en 2) binnen 300 seconden na de aankomsttijd zoals vermeld in de Dienstregeling op Knooppunten, Tijdhaltes en het Eindpunt van de betreffende Rit arriveert.
5.3.3
De Concessieverlener betrekt de prestaties van de Buurtbuslijnen niet bij de bepaling of de Concessiehouder in enige kalendermaand heeft voldaan aan de normen zoals opgenomen in eisen 5.3.1 en 5.3.2. Indien de normen zoals opgenomen in eisen 5.3.1 en 5.3.2 voor een Buurtbuslijn niet haalbaar blijken te zijn, treedt de Concessiehouder met de betreffende Buurtbusvereniging in overleg om gezamenlijk te bepalen hoe de uitvoering van de Dienstregeling van de betreffende Buurtbuslijn verbeterd kan worden.
Een punctuele uitvoering van de Dienstregeling is een vereiste met het oog op de betrouwbaarheid van het Openbaar Vervoer. Dit geldt in het bijzonder voor Reizigers die een overstap op de Trein, Ferry of een aansluitende Rit willen halen of die met Fijnmazige mobiliteitsdiensten verder willen reizen.
39
Aansluitingen 5.3.4
De Concessiehouder spant zich maximaal in om alle in de Dienstregeling vastgelegde Aansluitingen te realiseren door een Voertuig te laten wachten op het Voertuig van de Rit waarop Aansluiting wordt geboden of door Vervangend Vervoer aan te bieden. Ten behoeve van een Aansluitgarantie heeft de Concessiehouder een wachttijdenregeling waarin is vastgelegd hoe lang een Voertuig wacht om een Aansluiting te bieden. De chauffeur wacht tot maximaal 5 minuten en in geval van de laatste Aansluiting van de dag maximaal 15 minuten. De Concessiehouder legt in een koppelvlakbericht als EarliestExpectedDepartureTime vast of een Voertuig wel of niet wacht op een vertraagde Rit. Chauffeurs die voorzien dat zij later dan gepland zullen aankomen – waardoor een Aansluiting in gevaar dreigt te komen – vergewissen zich ervan of zij Overstappers hebben voor de geboden Aansluitingen en melden dit aan de Centrale Verkeersleiding of – indien mogelijk – direct bij de chauffeur van de aansluitende Rit.
5.3.5
De Concessiehouder garandeert in ieder geval de laatste Aansluiting tussen twee Lijnen die tot de Concessie behoren. Indien deze Aansluiting niet wordt gerealiseerd, zet de Concessiehouder Vervangend Vervoer in en neemt daarbij het bepaalde in eis 5.2.4 in acht. De Concessiehouder mag er ook voor kiezen om tegen eigen kosten Reizigers die van de Aansluiting gebruik wilden maken thuis te (laten) brengen.
5.3.6
Na overleg met de Concessiehouder kan de Concessieverlener gedurende de looptijd van de Concessie Knooppunten en andere overstappunten op de Fijnmazige mobiliteitsdiensten toevoegen of laten vervallen.
5.3.7
De Concessiehouder ziet erop toe dat indien een Aansluitgarantie niet wordt of dreigt niet te worden gehaald het Personeel Reizigers proactief en onverwijld informeert.
5.3.8
De overstaptijd bij een Aansluiting ligt tussen tenminste 2 en ten hoogste 10 minuten. Een overstap in de Dienstregeling van 2 minuten is alleen acceptabel bij een Aansluitgarantie.
5.3.9
De Concessiehouder biedt op de NS stations Middelburg, Goes en Bergen op Zoom een Aansluitgarantie op de vanuit vervoerkundig oogpunt belangrijkste reisrelatie van de Trein. Deze Aansluitgarantie houdt in dat chauffeurs voordat zij vertrekken zich ervan vergewissen hoe laat de Trein die Aansluiting biedt op de betreffende Rit, zal aankomen. De chauffeur wacht tot maximaal 5 minuten na de eigen vertrektijd volgens de Dienstregeling en in geval van de laatste Aansluiting van de dag maximaal 15 minuten.
5.3.10
De Concessiehouder biedt in Breskens Veerhaven een Aansluitgarantie op de Ferry. Deze aansluitgarantie houdt in dat de Concessiehouder aansluiting geeft op vertraagde veerboten van de Ferry. Voor Reizigers die vanuit een vertraagde Ferry willen overstappen op de Bus, wacht een Rit tot maximaal 5 minuten na de eigen vertrektijd volgens de Dienstregeling en in geval van de laatste Aansluiting van de dag maximaal 15 minuten.
5.3.11
Alleen indien de chauffeur zich ervan heeft vergewist dat er geen Reizigers zijn die willen overstappen en dit aan hem is bevestigd, dan wel dat de vertraging langer is dan de maximale wachttijd op een Aansluiting met Aansluitgarantie, behoeft deze de Aansluiting niet af te wachten. Voor wat betreft de Aansluitgarantie op de Ferry maakt de Concessiehouder in overleg met de concessiehouder van de Ferry afspraken over hoe de Concessiehouder tijdig geïnformeerd wordt (of informatie kan inwinnen) over eventuele vertraagde Ferry’s, om onnodig wachten te voorkomen.
40
5.4
5.3.12
Het bieden van een Aansluitgarantie gaat boven het realiseren van een stipte dienstuitvoering en/of het realiseren van de reissnelheidsfactor. Het wachten op een vertraagde aansluiting wordt door de Concessiehouder vastgelegd conform de eisen zoals beschreven in de “Concessiebijlage datasets OV” of diens opvolger(s).
5.3.13
De Aansluitgarantie op Knooppunten en Overstappunten wordt door de Concessiehouder duidelijk gecommuniceerd in ten minste de Reisvoorwaarden, Dienstregeling en op de Knooppunten en Overstappunten zelf.
Afwijkingen van de Dienstregeling
De Concessiehouder zorgt ervoor dat Reizigers zo min mogelijk overlast ondervinden bij afwijkingen van de Dienstregeling, zoals wegomleidingen bij werkzaamheden of Evenementen. Afwijkingen van de Dienstregeling
5.5
5.4.1
Wanneer Ritten als gevolg van wegomleidingen bij werkzaamheden of Evenementen niet overeenkomstig de Dienstregeling uitgevoerd kunnen worden, mag de Concessiehouder deze Ritten via een alternatieve route verrichten. In voorkomende gevallen licht de Concessiehouder vooraf, of indien dit niet mogelijk is zo snel mogelijk achteraf, zijn keuze voor de alternatieve route toe aan de Concessieverlener.
5.4.2
De Concessiehouder zorgt ervoor dat Reizigers zo min mogelijk overlast ondervinden van de routewijzigingen als bedoeld in eis 5.4.1. De Concessiehouder verwerkt omleidingen die langer dan 1 week duren minimaal 5 werkdagen van tevoren in de op zijn website gepubliceerde Dienstregeling en neemt daarbij het bepaalde in eis 7.2.3 in acht.
5.4.3
Het is de Concessiehouder niet toegestaan om bij langere routes als gevolg van wegomleidingen hogere Tarieven/reiskosten bij Reizigers in rekening te brengen, tenzij de Concessieverlener hier vooraf op verzoek van de Concessiehouder mee heeft ingestemd.
5.4.4
Hogere Exploitatiekosten voor de Concessiehouder als gevolg van wegomleidingen bij wegwerkzaamheden of Evenementen die niet door de betreffende Wegbeheerder(s) worden vergoed (zie Bijlage 14) komen tijdens de eerste 2 maanden voor rekening en risico van de Concessiehouder. Indien een wegomleiding langer dan 2 maanden duurt komen de hogere Exploitatiekosten, voor zover deze niet door de betreffende Wegbeheerder(s) worden vergoed, voor rekening van de Concessieverlener vanaf de 3e maand.
Overmacht
Reizigers verwachten te allen tijde een excellente uitvoeringskwaliteit, maar soms zijn afwijkingen van de Dienstregeling niet te verwijten aan de Concessiehouder. Daarom hanteert de Concessieverlener bepalingen over Overmacht.
41
Overmacht 5.5.1
Overmacht betreft elke gebeurtenis die de Concessiehouder beperkt of hindert in de nakoming van zijn verplichtingen ingevolge de Concessie en die niet te wijten is aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het maatschappelijke verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt, zoals extreme weersomstandigheden (bijvoorbeeld ijzel en/of hevige sneeuwval waarbij het KNMI code Rood voor het Concessiegebied afgeeft), epidemieën/pandemieën met ernstige gevolgen voor het maatschappelijk verkeer, een plotselinge aanwijzing van bevoegd gezag, een natuurramp, een catastrofe of een ernstig Incident buiten de invloedssfeer van de Concessiehouder. Hieronder valt ook een afsluiting van de Westerscheldetunnel, de Oosterscheldekering en de Zeelandbrug.
5.5.2
Onder Overmacht wordt in ieder geval niet verstaan: 1) Tekort aan Personeel en/of Materieel; 2) Lokaal, regionaal of landelijk afgekondigde stakingen, niet afgekondigde stakingen en/of werkonderbrekingen van Personeel van de Concessiehouder en/of eventuele Onderaannemers; en 3) Toegenomen verkeersdrukte en structureel voorkomende files.
5.5.3
In geval van een situatie van Overmacht spant de Concessiehouder zich maximaal in om zoveel mogelijk aan dit Programma van Eisen en zijn Inschrijving te blijven voldoen en de Dienstregeling zo volledig mogelijk te blijven uitvoeren. De Concessiehouder spant zich daarnaast in, en neemt waar mogelijk maatregelen, om de negatieve gevolgen van Overmacht voor Reizigers en de Concessieverlener zoveel mogelijk te beperken, zowel in ernst als in duur. De Concessiehouder stelt de Concessieverlener onverwijld op de hoogte van een situatie van Overmacht, en toont de Concessieverlener welke maatregelen hij neemt om de negatieve gevolgen van Overmacht voor Reizigers zoveel mogelijk te beperken. De Concessiehouder treedt in overleg met de Concessieverlener over compensatie van de kosten van de maatregelen.
5.5.4
Indien er naar het oordeel van de Concessieverlener sprake is van extreme weersomstandigheden, hoeft de Concessiehouder niet te voldoen aan de eisen ten aanzien van de uitvoering van de Dienstregeling zoals opgenomen in paragrafen 5.1 tot en met 5.3. Ritten die gepland waren en al dan niet uitgevoerd zijn ten tijde van deze omstandigheden worden niet meegenomen bij de beoordeling van de realisatie van de in paragrafen 5.2 en 5.3 genoemde normen.
5.5.5
In geval van een situatie van Overmacht, uitgezonderd plaatselijke en beperkte rituitval door ongeval/aanrijding en sociale onveiligheid, meldt de Concessiehouder dit onverwijld aan de Concessieverlener en doet hij in elk geval binnen 2 werkdagen nadat de betreffende situatie zich voordeed een verslag aan de Concessieverlener toekomen dat ten minste een beschrijving omvat van: a. de aard en (verwachte) duur van de situatie van Overmacht; b. de gevolgen die de situatie van Overmacht heeft gehad voor de mogelijkheid voor de Concessiehouder om de Dienstregeling uit te voeren; c. de maatregelen die de Concessiehouder heeft genomen/zal nemen teneinde zoveel als mogelijk de situatie van Overmacht op te heffen dan wel de gevolgen daarvan voor de uitvoering van de Dienstregeling te beperken; en d. alle andere feiten en omstandigheden die redelijkerwijs van belang geacht kunnen worden in verband met de ontstane situatie van Overmacht.
42
5.6
Compensatieregeling
Indien Reizigers te maken hebben gehad met een ondermaatse uitvoeringskwaliteit, kunnen zij bij de Concessiehouder beroep doen op een Compensatieregeling. Compensatieregeling
5.7
5.6.1
De Concessiehouder hanteert overeenkomstig artikel 33 lid 3 onder sub b van het Bp2000 een Compensatieregeling. De Compensatieregeling compenseert de betreffende Reizigers (ongeacht de verwijtbaarheid van de Concessiehouder) indien: a. deze Reizigers langer dan 30 minuten op een Halte moeten wachten dan wel meer dan 30 minuten vertraging oplopen, omdat de uitvoeringskwaliteit niet voldoet aan de eisen beschreven in paragraaf 5.1 (Vervoerplicht, vervoerscapaciteit en zitplaatskans), paragraaf 5.2 (Rituitval en Vervangend Vervoer) en/of paragraaf 5.3 (Punctualiteit en Aansluitingen); b. de Concessiehouder een Aansluiting die op de laatste Rit van een Lijn of Trein geboden wordt niet realiseert en geen of onvoldoende invulling geeft aan de Aansluitgarantie als bedoeld in eis 5.3.5.
5.6.2
De Concessiehouder volgt bij het opzetten van de Compensatieregeling de geldende wet- en regelgeving en eventuele landelijke afspraken ten aanzien van een Compensatieregeling voor het Openbaar Vervoer, en draagt er zorg voor dat de Compensatieregeling hiermee niet in strijd is.
5.6.3
De Concessiehouder stelt Reizigers door middel van een gebruikersvriendelijke procedure in de gelegenheid een beroep te doen op de Compensatieregeling. De Concessiehouder legt deze procedure voor de start van de Concessie ter instemming voor aan de Concessieverlener, nadat de Concessiehouder hierover advies heeft gevraagd aan het OPOV.
5.6.4
De Concessiehouder draagt er zorg voor dat de Compensatieregeling, met inbegrip van de in eis 5.6.3 bedoelde procedure, bekend is bij Reizigers en in ieder geval gemakkelijk te vinden is op de website de Concessiehouder.
Centrale Verkeersleiding
Centrale Verkeersleiding 5.7.1
De Concessiehouder beschikt over een Centrale Verkeersleiding die over voldoende lokale kennis beschikt om, ook in geval van verstoringen, Incidenten en Calamiteiten, de uitvoering van de Dienstregeling in goede banen te kunnen leiden.
5.7.2
De Concessiehouder zorgt dat alle in te zetten Voertuigen zijn voorzien van goed functionerende communicatiemiddelen waarmee: • rechtstreeks, onopvallend en onmiddellijk contact mogelijk is tussen Rijdend Personeel en de Centrale Verkeersleiding; en • rechtstreekse, dat wil zeggen zonder tussenkomst van de Centrale Verkeersleiding, mondelinge communicatie mogelijk is, bijvoorbeeld in geval van vertragingen en overstappers, tussen het Rijdend Personeel en, voor zover de technische voorzieningen in de Voertuigen van concessiehouders van aangrenzende concessies dit toelaat, met chauffeurs op Lijnen die tot aangrenzende concessies behoren (kort verkeer).
43
•
De in lid 1 genoemde Centrale Verkeersleiding is zodanig ingericht dat deze indien noodzakelijk – bijvoorbeeld bij verstoringen van de dienstuitvoering en bij Calamiteiten – in contact kan treden met de verkeersleidingen van de concessiehouders / vervoerders in aangrenzende gebieden, NS, Ferry en met de Mobiliteitscentrale.
5.7.3
Bij het in goede banen leiden van de dienstuitvoering bij verstoringen en bij Calamiteiten – zoals bepaald in lid 5.7.1 – wordt ook verstaan het tijdig en juist informeren van alle Reizigers die op dat moment van het Openbaar Vervoer gebruik (willen) maken.
5.7.4
De Concessiehouder spant zich maximaal in om ook met de exploitant(en) van Fijnmazige mobiliteitsdiensten afspraken te maken over onderlinge communicatie inzake overstappen (indien van toepassing), waaronder de wijze waarop het Rijdend Personeel in geval van een vertraging de Mobiliteitscentrale kan informeren.
44
6.
Infrastructuur
6.1
Samenwerking Concessiehouder met partners
De Concessiehouder, de Concessieverlener en Wegbeheerders spelen een belangrijke rol als het gaat om de weginfrastructuur en Haltes waar de Concessiehouder voor de uitvoering van de Concessie gebruik van kan maken. Wegbeheerders bepalen welke weginfrastructuur en Haltes voor de uitvoering van de Concessie beschikbaar zijn en zorgen voor vervanging, vernieuwing en duurzame instandhouding van wegen en voor aanleg, beheer en onderhoud van Haltes. Tijdens de looptijd van de Concessie kan de Concessiehouder voorstellen doen voor aanpassingen van de weginfrastructuur. Een besluit tot aanpassing van de weginfrastructuur en Haltes wordt door de desbetreffende Wegbeheerder in samenspraak met de Concessiehouder en Concessieverlener genomen. De Concessieverlener verwacht dat de Concessiehouder Wegbeheerders adviseert over aanpassingen van de weginfrastructuur, waaronder wegomleidingen en wijzigingen van Haltes, die de belangen van het Openbaar Vervoer raken. Afstemming met Wegbeheerders en Concessieverlener
6.2
6.1.1
De Concessiehouder signaleert schades en onvolkomenheden aan de weginfrastructuur en Haltes naar de Wegbeheerders.
6.1.2
De Concessiehouder stelt een vertegenwoordiger aan die als contactpersoon voor de Wegbeheerders fungeert en die bevoegd is namens de Concessiehouder met de Wegbeheerders bindende afspraken te maken met betrekking tot het gebruik van de weginfrastructuur en Haltes ten behoeve van de uitvoering van de Concessie.
6.1.3
De Concessiehouder signaleert problemen met de weginfrastructuur, doorstroming en Haltes in het Concessiegebied en meldt deze bij de betreffende Wegbeheerder. De Concessiehouder meldt structurele problemen bij de Concessieverlener.
6.1.4
De Concessiehouder informeert Wegbeheerders, Gemeenten en Buurtbusverenigingen tijdig voor ingebruikname over tijdelijke en permanente aanpassingen van routes van (nieuwe) Lijnen.
6.1.5
De Concessiehouder woont op verzoek (periodieke) overleggen van Wegbeheerders bij met betrekking tot voorgenomen aanpassingen van de weginfrastructuur en/of Haltes en de gevolgen daarvan voor het Openbaar Vervoer.
6.1.6
De Concessiehouder neemt proactief deel aan overleggen met Stakeholders over grotere aanpassingen aan de weginfrastructuur.
Weginfrastructuur
De Concessiehouder maakt gebruik van de voor Openbaar Vervoer beschikbare weginfrastructuur. De Concessiehouder wordt geacht zijn Dienstregeling af te stemmen op de beschikbaarheid, capaciteit en kenmerken van de weginfrastructuur, waaronder vrije busbanen en busstations. Het beheer en onderhoud van de weginfrastructuur maakt geen deel uit van de Concessie: dit is de verantwoordelijkheid van Wegbeheerders.
45
Weginfrastructuur
6.3
6.2.1
De Concessiehouder benut alle aanwezige OV-infrastructuur, zowel bestaande als na de start van de Concessie aan te leggen, tenzij de Concessieverlener hiervoor op verzoek van de Concessiehouder een ontheffing verleent. De bestaande OV-infrastructuur is beschreven in Bijlage 15.
6.2.2
De Concessiehouder stemt zijn Dienstregeling en de inzet van Materieel af op de eigenschappen van de weg- en OV-infrastructuur, waaronder lengte, hoogte, breedte, draaicirkel, afstand tot het wegdek, toegestane aslast, aandrijving en capaciteit van Haltes.
Haltes
Haltes vervullen een belangrijke rol binnen een OV-netwerk. De Concessiehouder heeft er belang bij dat Haltes op de juiste plaats liggen en goed zijn ingericht. Tegelijkertijd leidt de mogelijkheid dat Haltes worden gewijzigd of opgeheven tot onzekerheid en daarmee onrust bij inwoners en bezoekers van het Concessiegebied. Tijdens de looptijd van de Concessie kan de Concessiehouder met voorstellen komen om Haltes aan te passen, te verplaatsen of op nieuwe plekken te realiseren. De Concessiehouder kan geen rechten aan deze voorstellen ontlenen. De kosten voor aanpassing of verplaatsing van Haltes zijn voor rekening van de desbetreffende Wegbeheerder. De Concessiehouder voorziet alle Haltes van een Haltepaal en Haltebord en informatie over het Openbaar Vervoer dat van de Haltes gebruik maakt. Te gebruiken Haltes
3
6.3.1
De Wegbeheerder is verantwoordelijk voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van Haltes. De Concessiehouder dient de Wegbeheerder indien nodig op deze verantwoordelijkheid te wijzen.
6.3.2
De Concessiehouder gebruikt voor de uitvoering van de Concessie uitsluitend Haltes die zijn vermeld in het Centraal Halte Bestand (CHB).3 De Concessiehouder gaat voor de benamingen en nummering van Haltes uit van de haltenamen en haltenummers zoals opgenomen in het Centraal Halte Bestand.
6.3.3
De Concessiehouder kan aan de Concessieverlener voorstellen doen voor het laten vervallen, toevoegen of verplaatsen van Haltes. Het toevoegen van Haltes kan alleen met voorafgaande schriftelijke toestemming van de Wegbeheerder.
6.3.4
De Concessiehouder neemt de bestaande Haltepalen en Halteborden om niet over van de huidige concessiehouder dan wel de Wegbeheerders.
6.3.5
De Concessiehouder is verantwoordelijk voor plaatsing, beheer, onderhoud en reiniging van Haltepalen en Halteborden op alle Haltes in het Concessiegebied, voor eigen rekening en risico. De Concessiehouder voert de Halteborden (L3-formaat) in de huisstijl van 'Reizen door Zeeland' uit.
Zie bijvoorbeeld https://halteviewer.ov-data.nl/ of http://data.ndovloket.nl/haltes/
46
6.4
6.3.6
De Concessiehouder plaatst op verzoek van de Concessieverlener Haltepalen en Halteborden ten behoeve van de Fijnmazige mobiliteitsdiensten in het Concessiegebied waarvoor hij, in afwijking van het bepaalde in eis 6.3.5, een vergoeding voor de gemaakte kosten aan de Concessieverlener mag vragen.
6.3.7
De Concessiehouder (ver)plaatst geen Haltepalen zonder voorafgaande schriftelijke instemming van de betreffende Wegbeheerder en meldt (ver)plaatsingen van Haltes vooraf aan de Concessieverlener.
6.3.8
De Concessiehouder zorgt er bij (ver)plaatsing van Haltepalen voor dat Reizigers, waaronder Reizigers in een rolstoel, geen hinder van de Haltepaal ondervinden en neemt hierbij de aanwijzingen van de betreffende Wegbeheerder in acht.
6.3.9
De Concessiehouder past Haltepalen en Halteborden bij Haltes in het Concessiegebied waar niet langer Lijnen van de Concessiehouder of Lijnen van concessiehouders van aangrenzende Concessies halteren aan. Concessiehouder past de Haltepalen en Halteborden op de betreffende Haltes aan, indien de Halte alleen wordt gebruikt als opstaphalte voor Fijnmazige mobiliteitsdiensten. Concessiehouder verwijdert de Haltepalen en Halteborden op de betreffende Haltes wanneer deze ook niet (meer) worden gebruikt worden als opstaphalte voor de Fijnmazige mobiliteitsdiensten.
6.3.10
De Concessiehouder draagt de Haltepalen en Halteborden aan het eind van de Concessie om niet over aan de opvolgende concessiehouder, tenzij hij met de opvolgende concessiehouder anders overeenkomt.
Stallingen, onderhoudsvoorzieningen en pauzevoorzieningen
Stallingen, onderhoudsvoorzieningen en pauzevoorzieningen
6.5
6.4.1
De Concessiehouder is verantwoordelijk voor het beschikbaar hebben van voldoende Stallingen, onderhoudsvoorzieningen en pauzevoorzieningen (zoals genoemd in eis 19, lid 6c van de cao Openbaar Vervoer) voor een betrouwbare uitvoering van de Concessie alsmede voor het beheer en onderhoud van de Stallingen, onderhoudsvoorzieningen en pauzevoorzieningen.
6.4.2
De Concessiehouder is verantwoordelijk voor de voorbereiding, de realisatie en de financiering van Stallingen die hij nodig heeft of wenst.
6.4.3
De Concessiehouder is verplicht alle Stallingen aan het einde van de Concessie ter overname aan te bieden aan de opvolgende concessiehouder, conform het bepaalde in Model Overnameregeling Zero-Emissiebussen (bijlage bij de Concessiebeschikking).
Laadinfrastructuur
De verantwoordelijkheid voor het aanleggen, beheren en onderhouden van de Laadinfrastructuur ten behoeve van Zero-Emissievoertuigen ligt bij de Concessiehouder. Hierbij schrijft de Concessieverlener geen specifieke techniek voor maar laat de keuze hiervoor aan de Inschrijver. Wel constateert de Concessieverlener dat de batterij-elektrische techniek wijdverbreid is en de realisatie van de daarvoor benodigde Laadinfrastructuur mogelijk lange doorlooptijden kent. Op het moment van schrijven kent Zeeland geen afnamecongestie op het elektriciteitsnetwerk. De Concessieverlener heeft een onderzoek gedaan in samenwerking met netbeheerder Stedin waaruit blijkt dat op de huidige stallingslocaties
47
binnen 12 maanden een voldoende grote aansluiting kan worden gerealiseerd. Ook is er door onderzoeksbureau EV-Consult gekeken naar de inpasbaarheid van laadinfrastructuur op de huidige stallingslocaties (Bijlage 16). Het staat de Concessiehouder echter vrij om andere Laadlocaties aan te bieden. Laadinfrastructuur 6.5.1
De Concessiehouder treft alle voorbereidingen en realiseert alle voorzieningen die nodig zijn om Zero-Emissievoertuigen bij (de aanvang van) de uitvoering van de Concessie in te kunnen zetten.
6.5.2
De Concessiehouder is verantwoordelijk voor de voorbereiding, de realisatie, het beheer en de financiering van Laadinfrastructuur. De Concessiehouder onderhoudt de Laadinfrastructuur conform de voorschriften van de leverancier.
6.5.3
Het is de Concessiehouder toegestaan om van openbare laadinfrastructuur gebruik te maken. Indien Concessiehouder hiervan gebruik maakt, zorgt Concessiehouder voor afspraken voor het gebruik van de openbare laadinfrastructuur met de eigenaar dan wel exploitant van de laadinfrastructuur, zodat deze voldoende beschikbaar is voor het uitvoeren van de Dienstregeling. Deze afspraken dienen overdraagbaar te zijn naar een opvolgende concessiehouder.
6.5.4
De Concessiehouder overlegt jaarlijks vóór 1 juli een inspectierapport van een daartoe gecertificeerde onderneming, dan wel, een door de Concessieverlener aan te wijzen te goeder naam en faam bekendstaande onderneming, waarin wordt verklaard dat de Laadinfrastructuur goed wordt beheerd en onderhouden.
6.5.5
De Concessiehouder stemt wijzigingen aan weginfrastructuur en/of Haltes als gevolg van aanleg van Laadinfrastructuur dan wel netaansluitingen af met de desbetreffende Wegbeheerder(s). De Concessiehouder heeft daarbij oog voor de ruimtelijke inpassing en volgt aanwijzingen van de Wegbeheerder met betrekking tot welstandseisen op.
6.5.6
De Concessiehouder verleent medewerking aan onderzoek naar medegebruik van de Laadinfrastructuur, bijvoorbeeld medegebruik door andere modaliteiten, andere concessiehouders of voor andere doeleinden dan het uitvoeren van Openbaar Vervoer.
6.5.7
De Concessiehouder is verplicht alle Laadinfrastructuur aan het einde van de Concessie ter overname aan te bieden aan de opvolgende concessiehouder, conform het bepaalde in de Overnameregeling Zero-Emissievoertuigen (bijlage bij de Concessiebeschikking).
48
7.
Reisinformatie