2023 414 Bijlage 2 Toelichting bestemmingsplan Strandpark De Zeeuwse Kust
Tekst van het document
De toeristische standplaatsen zijn tussen de 120 en 175 m² groot. 2. Het maximum aantal standplaatsen per hectare bedraagt gemiddeld 33. De huidige oppervlakte van Strandpark de Zeeuwse Kust is circa 17,5 hectare. Extra benodigde grond om het totale plan te kunnen realiseren, is ruim 15,5 hectare. De nieuwe oppervlakte wordt afgerond 33 hectare. Op het uitbreidingsterrein is de dichtheid 13,7 standplaats per hectare. De dichtheid op het totale terrein is dan 17,6 eenheden per hectare. Er wordt dan ook ruimschoots aan deze voorwaarde voldaan. 3. Het aantal permanente standplaatsen mag 100% van het totaal aantal standplaatsen op een kampeerterrein bedragen. Een groot deel van de standplaatsen bestaat uit niet-permanente standplaatsen. 4. Van de totale oppervlakte van een kampeerterrein wordt minimaal 2% benut ten behoeve van sport- en spelvoorzieningen. 2% van 33 hectare is 6.600 m². Dit oppervlakte wordt in de huidige situatie reeds overschreden, met de aanleg van een speelvijver in het uitbreidingsterrein wordt dit ruimschoots overschreden.
36/81
5. Adequate landschappelijke inpassing, inclusief privaatrechtelijke overeenkomst. De landschappelijke inpassing wordt zowel publiekrechtelijk (in het bestemmingsplan) als privaatrechtelijk vastgelegd. 6. Voldoende parkeerruimte op eigen terrein (per standplaats 1,2 parkeerplaatsen, waarvan 0,2 op een centraal gelegen parkeerterrein. Inmiddels is het parkeerbeleid voor recreatie eenheden aangepast naar een norm van per drie slaapplaatsen één parkeerplaats. Op basis hiervan is de parkeerbehoefte bepaald op 290 plaatsen (zie ook paragraaf 4.5), dit aantal wordt mogelijk gemaakt op eigen terrein. Bijzettenten Een bijzettent op een permanente of niet-permanente standplaats mag maximaal 8 m2 groot zijn. Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Dit wordt geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Privésanitair 1. Privésanitair mag op het volledige aantal niet-permanente standplaatsen worden geplaatst. Per standplaats is maximaal één unit voor privésanitair toegestaan. 2. Een unit voor privésanitair is maximaal 6 m² groot en heeft een maximale hoogte van 3.50 m, gemeten vanaf het maaiveld. 3. Meerdere units mogen geclusterd worden op het snijpunt van meerdere niet-permanente standplaatsen, met maximaal 4 gebouwen van 6 m² (24 m²). 4. Een unit voor privésanitair is omgevingsvergunningplichtig. Deze voorwaarden zijn geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.
Standplaatsen recreatiepersoneel Op een kampeerterrein (niet zijnde een kleinschalig kampeerterrein) kunnen standplaatsen worden gecreëerd voor huisvesting van op het kampeerterrein werkzaam recreatiepersoneel. Hiervoor geldt het volgende: 1. Minder dan 100 niet-permanente standplaatsen = 1 extra niet permanente standplaats. 2. Tussen 100 en 250 niet permanente standplaatsen = 2 extra niet permanente standplaatsen. 3. Meer dan 250 niet permanente standplaatsen = 3 extra niet permanente standplaatsen. Er zijn 362 niet permanente standplaatsen aanwezig. Dit betekent dat er 3 extra niet permanente standplaatsen op basis van deze regeling mogelijk zijn ten behoeve van recreatiepersoneel. In het plan zijn 8 standplaatsen ten behoeve van de huisvesting van personeel voorzien. De overige eenheden die worden ingezet voor de huisvesting van personeel zijn eenheden die over komen van camping Renesse en daar ook niet langer mogelijk worden gemaakt. 4. Meerdere kampeermiddelen moeten geclusterd geplaatst worden.
37/81
Hier wordt aan voldaan met het inrichtingsplan. De eenheden komen tezamen op één plaats op het terrein. 5. De standplaats(en) mag (mogen) zich niet bevinden op het terreingedeelte met de bestemming dienstverlening en beheer. Hier wordt aan voldaan. 6. De standplaats(en) mag (mogen) alleen gedurende het zomerseizoen worden gebruikt en alleen door op het terrein werkzaam recreatiepersoneel; De eenheden worden alleen in het zomerseizoen gebruikt door personeel van het Strandpark. 7. De standplaats(en) mag (mogen) niet voor recreatief verblijf worden verhuurd. De gebruiker(s) moet(en) in het nachtregister worden opgenomen en van iedere gebruiker moet een werkgeversverklaring kunnen worden overlegd. Bij controle moet de naam in het nachtregister hiermee overeenkomen. Hier zal aan voldaan worden. 3.3.4 Welstandsnota 2012 In de strategische visie 'Tij van de Toekomst'' heeft de gemeenteraad van Schouwen-Duiveland de volgende keuze geformuleerd: 'We gaan zorgvuldig om met landschap, natuur, cultuur en milieu en investeren ook in het verbeteren van deze kwaliteiten'. Met deze welstands-/monumentennota geeft de gemeente vorm en inhoud aan deze keuze. Deze nota stelt de kaders vast waaraan ruimtelijke initiatieven in de gemeente Schouwen-Duiveland worden getoetst. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebieds- en objectgerichte welstandsbeleid.
De gebiedsgerichte welstandscriteria kunnen worden gebruikt voor de vergunningplichtige bouwplannen. De objectgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor bouwplannen van rijks- en gemeentelijke monumenten. Gebaseerd op de ruimtelijke opbouw is Schouwen-Duiveland onderverdeeld in verschillende gebiedscategorieën, namelijk: steden en dorpskernen; planmatige uitbreidingen; bedrijfs- en haventerreinen; sport en recreatie; buitengebied. Voor monumenten en alle gebieden is op basis van de aanwezige kwaliteit het gewenste welstandsniveau vastgesteld. Er is onderscheid gemaakt in een viertal welstandsniveaus: de beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten (extra bescherming gericht op consolidatie van historische context); de bijzondere welstandsgebieden (extra inspanning tot voordeel van de bestaande of gewenste ruimtelijke kwaliteit); de reguliere welstandsgebieden (normale inspanning gericht op het handhaven van de basiskwaliteit);
38/81
de welstandsvrije gebieden (geen welstandstoetsing). Toetsing Recreatieterreinen vallen onder welstandsniveau 3, het reguliere welstandsgebied. Voor de binnenterreinen van de recreatieterreinen geldt een uitzondering, deze zijn welstandsvrij. Alle aanvragen om een omgevingsvergunning met de activiteit bouwen, dienen te worden getoetst aan de geldende welstandscriteria die van toepassing zijn per afzonderlijk welstandsniveau. 3.3.5 Gebiedsvisie Rampweg Het gebied Rampweg is in de Kustvisie en de Provinciale Omgevingsverordening 2018 aangewezen als aandachtsgebied. Met het opstellen van een gebiedsvisie voor het aandachtsgebied Rampweg is invulling gegeven aan de opgaven en afspraken die zijn vastgelegd in het Kustpact en de Zeeuwse Kustvisie. In de gebiedsvisie wordt gestreefd naar een integraal streefbeeld voor het gebied in de vorm van open ruimten, zichtlijnen, beplanting en ontwikkelzones, landen en enkele paden/wegen. Er zijn regels voor het hele plangebied en voor het zogenoemde landschap A, landschap B en verblijfsrecreatie opgesteld. Elk initiatief moet voldoen aan de eisen van: 50% van het initiatief bestaat uit landschap A; 20% van het initiatief bestaat uit landschap B; 30% van het initiatief bestaat uit verblijfsrecreatie. Waarbij landschap A een landschap is, dat zich buiten de verblijfsrecreatieve gronden bevindt.
Landschap B is verweven met de verblijfsrecreatie en is ook te zien als de hoofdgroenstructuur en landschappelijke inpassing van het bedrijf.
Figuur 3.3 Integraal streefbeeld (Gebiedsvisie Moermondse Gravelinge, BoschSlabbers 2021) met daarop geprojecteerd de drinkwatertransportleiding (Evides) en Natuurnetwerk Zeeland (NNZ, Provincie Zeeland), plangebied rood omkaderd (bron: Gebiedsvisie Rampweg) Binnen het plangebied van de gebiedsvisie dienen drie doorgaande fietsroutes aangelegd te worden, waarvan
39/81
een route door het plangebied De Zeeuwse Kust van oost naar west dient te lopen. Daarnaast zijn er informele, smalle wandelpaden, die bestaan uit schelpenverharding, zandpad of gemaaid gras en minimaal 1,5 m breed zijn. Verder zijn er regels opgenomen over toepassen van streekeigen beplanting, het hebben van een gesloten grondbalans en waterkwaliteit. Landschap A Het landschap A bestaat uit kreken, extensief beheerde weides en beplantingen. Zichtlijnen spelen hier een belangrijke rol. Hier en daar kunnen plukken groen (in de vorm van struweel) aangebracht worden, maar deze zijn nooit dominant aanwezig. In het open landschap zijn wandel- en fietspaden aanwezig, soms voorzien van laanbeplanting. Het is voor de biodiversiteit en het beeld wenselijk dat de akkerranden en (randen van) de weides een bloemrijke invulling krijgen. Verstening is hier niet toegestaan. Voor de kreken geldt dat minimaal 50% van de oevers en kreken landschappelijk en ecologisch vormgegeven dient te worden en dat een waterhuishoudkundig plan moet worden opgesteld. De zichtlijnen uit de visie moeten worden vrijgehouden van opgaande beplanting/opkomend struweel. Grenzend aan landschap A mogen bovendien uitsluitend toeristische standplaatsen worden gerealiseerd als er geen afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke kwaliteiten. Permanente standplaatsen zijn hier niet toegestaan.
Het landschap B geeft invulling aan de verweving van groen met de verblijfsrecreatie. De voor de ontwikkeling passende landschappelijke dragers (kreken en poelen, recreatieve routes, lanen, zichtlijnen, bos en struweel en (bloemrijk) grasland) worden integraal doorgezet over het terrein en creëren meerwaarde voor recreant, landschap en ecologie. Landschap B is de buffer tussen landschap A en verblijfsrecreatie, zo dient er minimaal een strook van 5 m landschap B tussen landschap A en verblijfsrecreatie bestaan. Ook geluidswallen kunnen een onderdeel zijn van landschap B. Verblijfsrecreatie De maximale oppervlakte bebouwing voor accommodaties op het terrein (13%) is geregeld in het ontwikkelkader van de Kustvisie en vormt ook een onderdeel van de Agenda Toerisme. Dit is exclusief centrale voorzieningen maar inclusief sanitair en bergingen. Het betreft het uitbreidingsterrein én de bestaande camping. Verder gelden ook de standaardregels van de gemeente zoals opgenomen in de Nota Kamperen 2013 en goot- en bouwhoogte zoals opgenomen in bestemmingsplan Kop van Schouwen. Per type recreatieve eenheid, zoals vaste standplaatsen en toeristische standplaatsen, is in de Agenda Toerisme 2018-2026 een maximale maatvoering vastgelegd. Parkeren dient op eigen terrein te worden gefaciliteerd. Toetsing Het ontwerp van het uitbreidingsterrein is afgestemd op de gebiedsvisie.
Daarbij is een verdeling van de oppervlakte in de diverse onderdelen weergegeven in Figuur 3.4. Hiermee wordt voldaan aan de 50/20/30% verhouding uit de gebiedsvisie.
40/81
Figuur 3.4 Weergave verhouding gebiedstypen In het plan is een netwerk van struinpaden en halfverharde paden aanwezig die een verbinding vormen tussen het recreatiepark, het natuurgebied en omliggende gronden. Zichtlijnen uit de gebiedsvisie worden ingevuld met open polderlandschap met graslanden om deze te behouden.
Figuur 3.5 Uitbreiding landschap Voor de inrichting met verblijfsrecreatie wordt voldaan aan de Nota Kamperen 2013 en Agenda Toerisme
41/81
2018-2026. Daarnaast bedraagt de bebouwing slechts 8,4% van het totale recreatieterrein en voldoet dus ruimschoots aan de maximale 13% bebouwing. De berekening van dit percentage is opgenomen in het kwaliteitsverbeterplan (bijlage 1). In de regels bij dit bestemmingsplan is geborgd dat het groenbeheerplan en het inrichtingsplan als zodanig worden aangelegd en in stand worden gehouden. Voor de ontwikkeling zijn de volgende plannen gemaakt: inrichtingsplan met verlichtingsplan (bijlage 2); waterhuishoudkundig plan (bijlage 3); beeldkwaliteitsplan (bijlage 4); beplantingsplan (bijlage 5); groenbeheerplan (bijlage 5); overzicht grondbalans (bijlage 3). Bij het toepassen van de tweede 15% aan eenheden (of een deel daarvan) op basis van de Uitvoeringsregeling Duurzaamheidsstaffel Agenda Toerisme, is een onderbouwing waarin uiteen is gezet waarom met de toepassing er onverminderd sprake blijft van een bijdrage aan de integrale kwaliteitsverbetering in het aandachtsgebied noodzakelijk. In het geval van de uitbreiding voor de Zeeuwse Kust wordt gebruik gemaakt van de tweede 15% uitbreiding en is deze onderbouwing dan ook noodzakelijk. De verblijfsrecreatie op het uitbreidingsterrein bevindt zich aan de noordzijde van het projectgebied en is geconcentreerd aan de zijde van het bestaande verblijfsrecreatietieve gebied.
Het landschap A vormt zich als een doorlopende buffer om het verblijfsrecreatieve terrein en sluit daarbij aan op het bestaande Natuurnetwerk Zeeland. Door ook de agrarische gronden tussen de twee als Natuurnetwerk aangewezen percelen mee te nemen in de ontwikkeling wordt een aansluitend gebied gemaakt waarin de natuurwaarden worden opgewaardeerd. Dit zorgt voor een groot leef- en ontwikkelgebied voor flora en fauna en bovendien een doorgaand gebied ten behoeve van extensieve dagrecreatie als wandelen in de vorm van landschapsbeleving. De invulling van het uitbreidingsterrein met extra eenheden gaat niet ten koste van de grootte van de standplaatsen of oppervlakte Landschap A. Dit komt omdat er geen concessie is gedaan aan de maat van de standplaatsen en omdat de verhouding van verblijfsrecreatie /landschap A/landschap B gelijk blijft. Door de extra eenheden is hierdoor de oppervlakte verblijfsrecreatie groter, waardoor (omdat de verhouding gelijk moet blijven) de oppervlakte van landschap A groter is (dan met 15% uitbreiding). Hierdoor kan deze invulling met een verbindende bufferzone dan ook gedaan worden. Conclusie Het inrichtingsplan voor het uitbreidingsplan voldoet aan de gebiedsvisie Rampweg.
42/81
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Bodemkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek en conclusie In 2022 is bodemonderzoek naar aanleiding van de eerste schetsen van het plan voor de uitbreiding (bijlage 6).
Daaruit blijkt dat het gedeelte van het ontwikkelgebied met de standplaatsen en toegangswegen van het destijds beoogde plan analytisch onverdacht blijkt en dit daarom ook kan worden aangenomen voor het gedeelte dat wordt ontwikkeld tot natuurgebied met waterpartijen. Het nu voorliggende ontwerp is grotendeels gelijk aan het ontwerp destijds voor wat betreft de locatie van de beoogde standplaatsen en wegen. Gezien voorgaande zijn er vanuit milieukundig oogpunt geen belemmeringen voor de voorgenomen de uitbreiding van het park.
4.2
Niet gesprongen explosieven
Toetsingskader Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Schouwen-Duiveland heeft tijdens de oorlog zwaar geleden onder het oorlogsgeweld. Verspreid over het eiland hebben bombardementen en artilleriebeschietingen plaatsgevonden, hebben er vele verdedigingsstellingen en mijnenvelden gelegen en zijn verschillende vliegtuigen en bommen neergekomen. Deze en andere gebeurtenissen hebben er toe geleid dat er een kans bestaat dat conventionele explosieven (CE) in de bodem zijn achtergebleven. Om inzicht te geven in de acties die nodig zijn met betrekking tot de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) is de 'Beleidsnota conventionele explosieven' opgesteld.
43/81
De potentiële aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE's) kan een bedreiging zijn bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging leiden in de planvorming en -uitvoering. De gemeente Schouwen-Duiveland heeft beleid opgesteld over de omgang met NGE's. Op basis van historisch onderzoek is een beleidskaart opgesteld. Deze kaart geeft aan in welk gebied er meer of minder risico is op het aantreffen van niet gesprongen explosieven. Per gebied gelden verschillende voorwaarden. Wanneer een gebied bestemd wordt in een risicogebied, worden ontwikkelingen in dit gebied getoetst aan het beleid.
Figuur 4.1 Aandachtsgebied niet-gesprongen explosieven, blauw omkaderd het plangebied (Bron: Gemeente Schouwen-Duiveland, bewerking Rho Adviseurs) Toetsing en conclusie Op basis van de beleidskaart die bij de beleidsnota Niet Gesprongen Explosieven hoort, is er geen reden om nader onderzoek naar dit aspect te doen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1 Archeologie Toetsingskader Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.
44/81
Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen, is gemeentelijk archeologie beleid wenselijk. De gemeente beschikt over een vastgesteld beleidsplan archeologie. Dit archeologie beleid is voorzien van een gedetailleerde beleidskaart, die een overzicht geeft van gekende en te onderzoeken waarden. Zo zijn de gekende waarden onderverdeeld in: terrein van zeer hoge archeologische waarde, terrein van hoge archeologische waarde en terrein van archeologische waarde. In de te onderzoeken waarden is een onderscheid gemaakt in onderzoeksgebied A en B. De beleidskaart is gedetailleerder dan de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Toetsing Ter plaatse van de beoogde uitbreiding geldt een dubbelbestemming ten behoeve van archeologie. Onderzoek is verplicht wanneer de werkzaamheden een oppervlakte bedragen van meer dan 2.500 m² en 50 cm diep. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt deze onderzoeksgrens overschreden. Daarom is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7.
Hieruit blijkt dat nader onderzoek door middel van proefsleuven noodzakelijk is bij graafwerkzaamheden dieper dan de geadviseerde vrijstellingsgrenzen. Dit proefsleuven onderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan de graafwerkzaamheden en aan de hand van het ontwerp. In het bestemmingsplan zijn daarom de archeologische dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 6 en Waarde - Archeologie 7 opgenomen, hieraan zijn voorwaarden voor bouwen en werkzaamheden opgenomen die de mogelijk aanwezige archeologische waarden beschermen.
45/81
Figuur 4.2 Advieskaart vrijstellingsdiepte archeologie (bron: Artefact rapport 695, 13-06-2022) Conclusie Het aspect archeologie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.
4.3.2 Cultuurhistorie Toetsingskader Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met cultuurhistorie. Hierin is opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Toetsing Op de uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland, figuur 4.3, is te zien dat in het plangebied een cultuurhistorische boerderij aanwezig is. Dit betreft de boerderij die momenteel als bedrijfswoning is aangewezen en wordt omgezet naar burgerwoning. Hiervoor worden geen wijzigingen aan de woning of bijbehorende gronden gedaan. Voor het overige zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten in het plangebied aanwezig. De ontwikkeling heeft geen effect op de twee rijksmonumenten in de directe omgeving van het plangebied.
46/81
Figuur 4.3 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Conclusie Ten aanzien van het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Waterhuishouding
Toetsingskader Voor ruimtelijke plannen dient met een watertoets aangetoond te worden dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hieruit moet blijken of de beoogde functiewijziging strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. De waterbeheerder is het waterschap Scheldestromen. Deze instantie is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer binnen het plangebied en de omgeving daarvan. Het waterschap zal het wateradvies geven in het kader van het vooroverleg. Om na te gaan of het voorliggend plan niet in strijd is met duurzaam waterbeheer, voldoet aan de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen, is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de criteria uit de Zeeuwse Handreiking Watertoets. Deze criteria zijn bijeengezet in de watertoetstabel die door het Waterschap wordt gehanteerd. Toetsing en conclusie Uit het aanmeldformulier uit bijlage 8 blijkt dat binnen het plangebied voldoende ruimte is voor de benodigde watercompensatie en dienen twee gedempte te sloten worden gecompenseerd. Hiervoor is een plan opgesteld.
Daarnaast is in samenspraak met het waterschap een peilniveau afgesproken dat tussen de peilniveaus van omliggende gronden ligt, om zodoende de waterhuishouding in de omliggende percelen niet te beïnvloeden. Voor het overige zijn er geen belangrijke aandachtspunten voor de waterhuishouding.
4.5
Verkeersaspecten
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie berekend op basis van de nota 'Kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme' van de gemeente Schouwen-Duiveland. Het plangebied ligt volgens de gebiedsindeling uit het gemeentelijke parkeernormenbeleid in het 'buitengebied'. Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van het reeds bestaande strandpark, tussen de Helleweg en de Lange
47/81
Moermondsweg en sluit aan op de Lange Moermondsweg. De Lange Moermondsweg is ingericht als een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/u. In zuidelijke richting leidt de Lange Moermondsweg naar de N652 een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 80 km/u. In zuidwestelijke richting leidt de N652 naar Renesse en Burgh-Haamstede en in noordoostelijke richting leidt de weg naar de N57, tussen Brielle en Middelburg, en leidt vervolgens verder naar de kern Scharendijke. Openbaar vervoer Het plangebied is niet gelegen in de buurt van een OV-halte. In de autonome situatie is het gebruik van het openbaar vervoer dan ook geen optie om van en naar het plangebied te gaan. Langzaam verkeer Voor het langzaam verkeer is aan de westzijde van de Helleweg een voetpad aanwezig, waarmee voetgangers gescheiden van het gemotoriseerde verkeer worden ontsloten in noordelijke richting naar de Rampweg, waar een voetpad aanwezig is aan de noordzijde van de rijbaan. Voor fietsers zijn op de Helleweg geen aparte voorzieningen aanwezig, waardoor fietsers de rijbaan moeten delen met het gemotoriseerde verkeer. Ook op de Rampweg wordt het fietsverkeer gemengd met het gemotoriseerde verkeer afgewikkeld, alhoewel de positie van de fietser op de rijbaan duidelijker wordt aangegeven met behulp van fietsstroken aan weerszijden van de rijbaan.
Op de Lange Moermondsweg zijn conform de ontwerprichtlijnen voor erftoegangswegen buiten de bebouwde kom uit het CROW Handboek wegontwerp 2013 geen voorzieningen aanwezig voor voetgangers. Ook voor fietsers zijn er geen vrijliggende voorzieningen aanwezig op de Lange Moermondsweg. In plaats daarvan wordt de positie van het fietsverkeer op de weg aangegeven met behulp van fietssuggestiestroken. Bij het kruispunt tussen de Lange Moermondsweg en de N652 is een vrijliggende oversteek aanwezig voor het fietsverkeer. Verkeersintensiteiten Om te bepalen wat de invloed van de beoogde ontwikkeling is op de verkeersdoorstroming en de verkeersveiligheid is inzage in de verkeersintensiteiten van de omliggende wegen noodzakelijk. Hierbij is gebruik gemaakt van beschikbare tellingen uit 2020 voor een seizoensdag en een jaargemiddelde weekdag. Voor de beoogde ontwikkeling wordt uitgegaan van het realisatiejaar 2024. Voor het doorrekenen van de intensiteiten uit het basisjaar (2020) naar het realisatiejaar (2024) is een autonome groei van 1% per jaar toegepast. In tabel 4.1 zijn de intensiteiten weergegeven voor de omliggende wegvakken in het basisjaar en het realisatiejaar.
Tabel 4.1 De intensiteiten op de Lange Moermondsweg in de autonome situatie Wegvak Tussen Basisjaar (2020) Realisatiejaar (2024) Jaargemiddelde Weekdag Jaargemiddelde Weekdag weekdag hoogseizoen weekdag hoogseizoen (mvt/etm) (mvt/etm) (mvt/etm) (mvt/etm) Helleweg Tussen Korte 800 1.241 833 1.291 Moermondsweg en Rampweg
48/81
Helleweg
Helleweg
Lange Moermondsweg Lange Moermondsweg N652
N652
Tussen Korte 800 Moermondsweg en Lange Moermondsweg Tussen Lange 800 Moermondsweg en Stoofweg Tussen Helleweg 1.096 en N652 Tussen 1.096 Kuijerdamseweg en Helleweg Tussen N57 en 2.885 Lange Moermondsweg Tussen Lange 3.400 Moermondsweg en
1.241
833
1.291
1.241
833
1.291
1.699
1.140
1.768
1.699
1.140
1.768
3.909
3.002
4.068
4.608
3.538
4.795
Parkeren Op basis van de gemeentelijke parkeernormen is in tabel 4.2 de parkeerbehoefte van het plangebied na realisatie van de beoogde ontwikkeling berekent. Tabel 4.2 De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling Functie Aantal Bedden per standplaats Standplaats 458 standplaatsen 4 (toeristisch en permanent) Hotel 40 kamers 4 Kampeerhuisjes 84 standplaatsen 6 Totaal
Parkeernorm 1 per 3 bedden
12,6 per 10 kamers 2 per 6 bedden
Parkeerbehoefte (pp) 610,67
48 168 827
In totaal bedraagt de parkeerbehoefte van het plangebied in de beoogde situatie 827 parkeerplaatsen. Op het terrein worden 832 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 542 parkeerplaatsen op de velden en 290 op gemeenschappelijke terreinen. Hiermee wordt binnen het plangebied voorzien in de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling. Verkeer Bestaande situatie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van het plangebied in de bestaande en beoogde situatie wordt gebruik gemaakt van het stappenplan uit de Agenda Toerisme van de gemeente Schouwen-Duiveland. De uitzondering hierbij is de verkeersgeneratie behorende bij één bedrijfswoning binnen het plangebied,
49/81
aangezien hiervoor geen kencijfers zijn opgenomen in het stappenplan van de gemeente. Daarom wordt voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de bedrijfswoning gebruik gemaakt van het kencijfer uit CROW publicatie 381 voor een 'vrijstaande koopwoning'. Hierbij wordt voor het bepalen van het te hanteren kencijfer op basis van CBS data uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van 'niet stedelijk'. De ligging van het plangebied is gedefinieerd als 'buitengebied'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit in de gemeente Schouwen-Duiveland conform het CBS per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden. In tabel 4.3 is de verkeersgeneratie van het recreatiepark in de bestaande situatie berekent.
Tabel 4.3 De verkeersgeneratie van de bestaande situatie Functie Aantal Bedden per Aantal Kencijfer Verkeersgenerati standplaats parkeerplaatsen verkeersgenerati e weekdag e Standplaats 324 4 432 pp 2,2 mvt/etmaal 950,4 mvt/etmaal (toeristisch en (1 per 3 bedden) per parkeerplaats permanent) Hotel 40 4 48 pp 3,4 mvt/etmaal 163,2 mvt/etmaal (1,2 per kamer) per parkeerplaats Kampeerhuisje 84 6 168 pp 2,2 mvt/etmaal 369,6 mvt/etmaal (1 per 3 bedden) per parkeerplaats Bedrijfswoning 1 8,2 mvt/etmaal 8,2 mvt/etmaal per woning Totaal 1.491 In totaal bedraagt de verkeersgeneratie van het recreatiepark in de bestaande situatie 1.491 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde seizoensdag. Naast de bovenstaande functies zijn binnen het recreatiepark een aantal onderhevige functies aanwezig, waaronder een zwembad en een restaurant. Deze functies staan volledig ten dienste aan de bezoekers van het recreatiepark en zijn verder niet publiek toegankelijk. Om deze reden wordt aangehouden dat de onderhevige functies geen eigen verkeer genereren losstaand van het reguliere gebruik van het recreatiepark. Beoogde ontwikkeling De beoogde ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van het park met 134 toeristische standplaatsen, waarbij uit wordt gegaan van 4 slaapplaatsen per standplaats. Daarnaast wordt één bedrijfswoning gerealiseerd.
In tabel 4.4 is de verkeersgeneratie van de beoogde uitbreiding berekent. Tabel 4.4 De verkeersgeneratie van de beoogde uitbreiding Functie Aantal Bedden per Aantal Kencijfer Verkeersgenerati standplaats parkeerplaatsen verkeersgenerati e weekdag e Standplaats 134 4 179 pp 2,2 mvt/etmaal 393,1 mvt/etmaal (1 per 3 bedden) per parkeerplaats
50/81
Bedrijfwoning Totaal
1
8,2 mvt/etmaal per woning
8,2 mvt/etmaal 401 mvt/etmaal
Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 401 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde seizoensdag. Verplaatsing Naast de bedrijfswoning en de 134 nieuwe standplaatsen voorziet de beoogde ontwikkeling ook in de verplaatsing van 79 van de bestaande standplaatsen naar de beoogde uitbreiding van het terrein. Alhoewel het verplaatsen van reeds bestaande standplaatsen niet leidt tot een verkeerstoename zorgt de verplaatsing er wel voor dat het gegenereerde verkeer via een andere route wordt ontsloten. Daarom is in tabel 4.5 de verkeersgeneratie van de te verplaatsen standplaatsen berekent. Tabel 4.5 De verkeersgeneratie van de te verplaatsen standplaatsen Functie Aantal Bedden per Aantal Kencijfer Verkeersgenerati standplaats parkeerplaatsen verkeersgenerati e weekdag e Standplaats 79 4 105 pp 2,2 mvt/etmaal 231,7 mvt/etmaal (1 per 3 bedden) per parkeerplaats Totaal 232 mvt/etmaal De verkeersgeneratie behorende bij de te verplaatsen standplaatsen bedraagt 232 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag. Verkeerstoedeling Voor het bepalen van de toedeling van het gegenereerde verkeer wordt gebruik gemaakt van de navigatietool van Google Maps. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuwe aansluiting op de Lange Moermondsweg.
Vanaf de aansluiting op de Lange Moermondsweg wordt het verkeer in zuidelijke richting ontsloten naar de N652. Vanaf de bestaande aansluiting van het recreatiepark op de Helleweg wordt het gegenereerde verkeer vervolgens ook via de Lange Moermondsweg ontsloten op de N652. In de onderstaande afbeelding is de verkeerstoedeling van het plangebied in de bestaande en beoogde situatie weergegeven, inclusief het verschil.
51/81
Figuur 4.3 De verkeerstoedeling in de beoogde situatie Beoordeling verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid Voor het beoordelen van de invloed van de beoogde ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet dient gekeken te worden naar de maatgevende periode. Wegens de toeristische karakteristieken van het omliggende gebied vindt het maatgevende moment plaats gedurende het hoogseizoen. Voor het beoordelen van de beoogde ontwikkeling zijn de gevolgen voor de Lange Moermondsweg, tussen de nieuwe aansluiting van de beoogde uitbreiding en de N652 maatgevend. Enkel op dit wegvak is namelijk sprake van een significante verkeerstoename (401 mvt/etmaal), aangezien wordt aangehouden dat de beoogde verkeerstoename opgaat in het heersende verkeersbeeld op de N652. Ten noorden van de aansluiting op de Lange Moermondsweg en op de Helleweg is zelfs sprake van een verkeersafname van 232 mvt/etmaal. Deze afname wordt veroorzaakt doordat een deel van de bestaande standplaatsen worden verplaats naar de beoogde uitbreiding van het recreatiepark, waardoor ook deze standplaatsen via de nieuwe aansluiting op de Lange Moermondsweg worden ontsloten. In tabel 4.6 zijn de verkeersintensiteiten op de Lange Moermondsweg weergegeven in de autonome situatie en na toevoeging van de planbijdrage gedurende het realisatiejaar.
Tabel 4.6 Intensiteiten Lange Moermondsweg met en zonder planbijdrage Wegvak Tussen Intensiteit autonome Planbijdrage situatie seizoensdag (mvt/etmaal) (mvt/etmaal)
52/81
Intensiteit incl. planbijdrage (mvt/etmaal)
Lange Moermondsweg Lange Moermondsweg
Helleweg en aansluiting plangebied Aansluiting plangebied en N652
1.768
-232
1.536
1.768
+401
2.169
Op basis van de verkeerstellingen bedraagt de verkeersintensiteit op de Lange Moermondsweg in de autonome situatie 1.768 mvt/etmaal. De hoogste intensiteit op de Lange Moermondsweg na toevoeging van de planbijdrage wordt voorzien tussen de aansluiting van het plangebied en de N652. Op dit wegvak bedraagt de intensiteit na planbijdrage 2.169 mvt/etmaal. De Lange Moermondsweg is ingericht als een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een rijbaanbreedte van circa 4,6 meter met aan weerszijden van de rijbaan grasbetonstenen van circa 0,5 meter breed. Een aandachtspunt betreffende de rijbaanbreedte van de Lange Moermondsweg is dat naast het recreatieverkeer ook landbouwverkeer gebruik maakt van deze weg. Conform het 'CROW Handboekwegontwerp 2013' vereisen landbouwvoertuigen bij een maximumsnelheid van 60 km/u een verkeersruimte van 3,60 meter. Met behulp van de grasbetonstenen is het mogelijk op de Lange Moermondsweg voor personenauto's om een landbouwvoertuig stapvoets te passeren. De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is echter sterk seizoensgebonden, waarbij het maatgevende moment plaatsvind gedurende het toeristische hoogseizoen. Gedurende deze periode is het aandeel landbouwverkeer aanzienlijk lager dan gedurende het oogstseizoen.
Voor het beoordelen van het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid van de weg gedurende de maatgevende periode is de invloed van het landbouwverkeer op de weg niet significant. Voor het bepalen van de capaciteit van erftoegangswegen buiten de bebouwde kom hanteert het CROW de onderstaande tabel. Tabel 4.7 Capaciteit erftoegangswegen buiten de bebouwde kom (bron: CROW, Handboek wegontwerp 2013)
Uitgaande van een rijbaanbreedte van circa 4,6 meter bedraagt de capaciteit van de Lange Moermondsweg 800 à 1.000 mvt/etmaal. Met een intensiteit van 2.169 mvt/etmaal in de toekomstige situatie wordt de capaciteit van de weg overschreden wat leidt tot bermschade. Op basis van de bovenstaande tabel is voor het verwerken van de beoogde verkeersintensiteit een rijbaanbreedte van minimaal 5,50 meter, waarmee de capaciteit van de weg stijgt naar 3.000 à 4.000 mvt/etmaal. Echter bedraagt de verkeersintensiteit op dit wegvak zonder de beoogde ontwikkeling circa 1.768 mvt/etmaal, waarmee de capaciteit van de Lange Moermondsweg in de autonome situatie wordt overschreden. Al in de autonome situatie zou een rijbaanbreedte van 5,50 meter benodigd zijn om
53/81
knelpunten in de verkeersafwikkeling te voorkomen. Hieruit wordt geconcludeerd dat alhoewel de rijbaanbreedte van de Lange Moermondsweg een knelpunt vormt op het gebied van verkeersafwikkeling, de beoogde ontwikkeling niet zorgt voor een significante verslechtering van de doorstroming ten opzichte van de autonome situatie. Langzaam verkeer Naast de verkeersdoorstroming van het gemotoriseerde verkeer dient ook gekeken te worden naar de afwikkeling van de overige weggebruikers, namelijk voetgangers en fietsers. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt voor voetgangers een vrijliggende verbinding aangelegd naar de Nieuweweg, zodat de voetgangers gescheiden van het gemotoriseerde verkeer worden ontsloten. Een aandachtspunt is nog wel de ontsluiting van het fietsverkeer. Zoals eerder beschreven worden fietsers ontsloten op de Lange Moermondsweg met behulp van fietssuggestiestroken. De huidige rijbaanbreedte van circa 4,60 meter is breed genoeg voor één personenauto om twee fietsers aan weerszijden van de rijbaan probleemloos. Indien de rijbaan wordt verbreedt naar 5,50 meter leidt dit ertoe dat fietsers en auto's elkaar nog makkelijker kunnen passeren. Het verbreden van de rijbaan maakt het echter ook makkelijker voor personenauto's om elkaar te passeren zonder af te remmen, wat ertoe leidt dat de snelheidsverschillen tussen de verschillende weggebruikers groter worden.
Aanbevolen wordt om aanvullende maatregelen toe te passen om de verkeersveiligheid van fietsers te waarborgen. Hierbij kan gedacht worden aan het aanleggen van vrijliggende fietspaden of snelheidsremmende maatregelen. Ook voor de verkeersveiligheid van de fietsers geldt dat dit ook een knelpunt is in de autonome situatie, waarbij de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een significatie verslechtering van de situatie. Conclusie Als gevolg van de beoogde ontwikkeling stijgt de parkeerbehoefte van het plangebied naar 827 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling probleemloos op te vangen. Het aspect parkeren vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 401 mvt/etmaal gedurende het maatgevende moment. De beoogde verkeerstoename wordt volledig via de Lange Moermondsweg ontsloten naar de N652. Op basis van de intensiteiten op de weg wordt de capaciteit van de weg al in de autonome situatie overschreven zonder toevoeging van de planbijdrage. Om dit knelpunt op te lossen dient de weg te worden verbreed. Daarnaast zijn aanvullende maatregelen op de Lange Moermondsweg vereist voor het waarborgen van de verkeersveiligheid van fietsers.
Aangezien er in de bestaande situatie al sprake is van een knelpunt en de beoogde ontwikkeling er niet toe leidt dat de weg verder verbreed moet worden ten opzichte van de autonome situatie, wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een significante verslechtering van de verkeersdoorstroming en verkeersveiligheid van de weg.
54/81
4.6
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit onderdeel van de Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5 weergegeven. Tabel 4.5 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van grenswaarde 1) stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ 1. De toetsing van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 is niet relevant aangezien er pas meer overschrijdingsuren dan het toegestane aantal van 18 per jaar zullen optreden als de jaargemiddelde concentratie NO2 de waarde van 82 µg/m³ overschrijdt. Dit is nergens in Nederland het geval. 2.
Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de uitoefening van de bevoegdheden/realisatie van de beoogde ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de uitoefening van de bevoegdheden/realisatie van de beoogde ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor grenswaarden zijn vastgesteld. Besluit niet in betekenende mate bijdragen In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project veroorzaakt een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg.
Toetsing De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt 401 mvt/etmaal op een middelde weekdag (zie paragraaf 4.5), worst case is uitgegaan van 5% vrachtverkeer. Uit de NIBM-tool blijkt dat de maximale bijdrage
55/81
NO2 0,41 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,07 µg/m³. Hierdoor heeft de beoogde ontwikkeling een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³). De beoogde ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld aan het toetsen aan de grenswaarden. Voldaan wordt aan de luchtkwaliteitswetgeving.
Figuur 4.7 Resultaten NIBM-tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Nieuweweg ten oosten van het plangebied. Uit het CIMLK blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2021; 11,0 µg/m3 voor NO2, 14,3 µg/m3 voor PM10 en 7,0 µg/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie De ontwikkeling draagt 'niet-in-betekenende-mate' bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en voldoet aan de luchtkwaliteitswetgeving, daarnaast is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. Het aspect luchtkwaliteit staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.
4.7
Geluid
Toetsingskader Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.
56/81
Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situatie bedraagt 63 dB. Onderzoek Voor verblijfsrecreatie wordt in de gemeente Schouwen-Duiveland hetzelfde beleid gehanteerd als voor reguliere woningen. Dat betekent dat er uitgegaan moet worden van geluidgevoelige functies en moet worden getoetst aan de normen uit de Wet geluidhinder (Wgh). Het plangebied ligt in de geluidzone van de gezoneerde wegen N652 en de Lange Moermondsweg. Daarom is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting van de verschillende wegen op het uitbreidingsterrein. De Nieuweweg is een doodlopende weg en uitsluitend bedoeld voor bestemmingsverkeer. Vanwege de lage verkeersintensiteit zal het geluid van deze weg geen relevante akoestische bijdrage leveren. Daarom is deze weg in het akoestisch onderzoek buiten beschouwing gelaten. Aan de hand van dit onderzoek zijn de 48 dB contouren bepaald.
Het ontwerp van het uitbreidingsterrein is afgestemd op deze contouren, dusdanig dat de verblijfsrecreatie buiten deze contouren is gesitueerd en ter plaatse van de verblijfsrecreatieve objecten voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. De onderzoeksresultaten zijn opgenomen in bijlage 9. Conclusie De beoogde uitbreiding van het Strandpark De Zeeuwse Kust met toeristische eenheden voldoet aan de geluidbelasting van 48 dB die vereist is op grond van het gemeentelijk geluidbeleid. Het aspect geluid van wegverkeer vormt geen belemmering.
4.8
Milieuhinder en bedrijven
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of vice versa: een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de
57/81
aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek De ontwikkeling is zowel een milieuhinderlijke als milieugevoelige functies. Er dient getoetst te worden of: de realisatie van gevoelige objecten (verblijfsrecreatie) niet leidt tot beperkingen bij omliggende bedrijven; ter plaatse van de verblijfsrecreatie en (bedrijfs-)woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; de realisatie van het recreatiepark niet leiden tot nadelige milieueffecten ter plaatse van de omliggende woningen. Het plangebied is gelegen in een gebied dat bestaat uit recreatieterreinen en (dienst)woningen en agrarische gronden. Een recreatieterrein valt volgens de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering' binnen milieucategorie 3.1. Het aspect geluid is hierbij maatgevend. De indicatieve richtafstand tussen de beoogde ontwikkeling en de woningen bedraagt 50 m. De 50 m geldt op basis van het gemeentelijk beleid ruimtelijke zoneringen vanaf de voorzieningen die het meeste geluid veroorzaken (bv. restaurant, parkeerterrein, speeltuin).
Milieuhinder op woningen in de omgeving Op het uitbreidingterrein zal een speelvoorziening komen aan de recreatieplas, daarnaast is er een centrale parkeerplaats bij de ingang aan de Lange Moermondsweg. Dit zijn voorzieningen die geluid veroorzaken. Deze nieuwe functies hebben geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van de woningen en verblijfrecreatieve functies in de omgeving. Deze liggen namelijk op geruime afstand (meer dan 300 m) van deze hinderlijke functies. Het perceel van de bedrijfswoning die wordt omgezet naar burgerwoning grenst aan de perceelsgrens van het recreatieterrein. De afstand van de perceelsgrens van het recreatieterrein tot (maximale bouwmogelijkheden van) de gevel van de woning bedraagt ruim 60 m, de afstand tot de meest dicht gelegen hinderlijke functie op het recreatieterrein, het gebouw voor dienstverlening en beheer bedraagt ruim 100 m. Aan de westzijde, aan de Helleweg, bevindt zich het parkeerterrein, dit bevindt zich op circa 45 m van het parkeerterrein. Het gaat hier om een bestaande situatie en daarnaast gaat het om recreatieterreinen onderling. De recreatieve functie heeft geen negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van de overige woningen of recreatie in de omgeving. Deze liggen namelijk op geruime afstand van het plangebied.
Beperkingen omliggende bedrijven In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen agrarische of andere bedrijven gelegen. Onderlinge toetsing tussen recreatieve verblijven is niet noodzakelijk. Zodoende is geen sprake van beperkingen voor bedrijven in de omgeving.
58/81
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat bedrijfswoning en verblijfsrecreatie Aan de noordwestzijde grenst het uitbreidingsterrein aan een agrarisch perceel. Deze percelen worden gescheiden door een sloot en een 10 m brede akkerrand. Aan deze zijde van het recreatieterrein bevindt zich de ontsluitingsroute geflankeerd door laanbeplanting (8) en afscherming in de vorm van struweel (7) en een boomgroep (1), zie ook figuur 4.8. Op deze manier wordt rekening gehouden met het tegen gaan van spuitdrift. De afstand tussen de akker en de standplaatsen bedraagt circa 20 m. Er is op naastgelegen perceel geen sprake van een boomkwekerij maar teelt van veelal tarwe, aardappelen, luzerne en/of bieten. Ook aan de zuid- en oostzijde bevinden zich agrarische percelen. Deze worden van het plangebied gescheiden door een weg. Daarnaast bevindt zich aan de oost- en zuidzijde van het nieuwe recreatieterrein een brede zone met landschapselementen waardoor de afstand tussen de agrarische percelen en de standplaatsen ruim 50 m bedraagt.
Figuur 4.8 Uitsnede beplantingsplan Conclusie Er is en blijft sprake van een goed woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect milieuhinder bestaan er daarmee geen belemmeringen voor onderliggend bestemmingsplan.
4.9
Externe veiligheid
Toetsingskader
59/81
Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of een nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het in werking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maken bij het PR onderscheid tussen bestaande en in nieuwe situaties.
Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6-waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buisleidingen
60/81
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb, 2011) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Bevi zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Op Camping Renesse, gelegen aan de westzijde van de Helleweg, is een propaantank aanwezig. Aan de propaantank is een veiligheidsafstand verbonden van maximaal 10 m. De tank is gesitueerd aan de rand van de camping, langs de Korte Moermondsweg. De afstand tot aan de beoogde uitbreiding van recreatiebedrijf Strandpark De Zeeuwse Kust is daarmee ruim voldoende. Verder is in de nabije omgeving van het projectgebied geen risicovolle inrichting aanwezig. Ten oosten van het plangebied ligt de N57, een basisnetroute waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De N57 ligt op zo'n 825 m afstand van de beoogde uitbreiding van het strandpark en op circa 1.150 m van de te ontwikkelen objecten op het huidige strandpark.
Daarmee liggen deze ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van ongevallen met giftige stoffen op de N57. Het invloedsgebied voor de maatgevende stofcategorie GF3 bedraagt 355 m. Derhalve is de ontwikkeling van de extra standplaatsen niet relevant voor de hoogte van het groepsrisico. De N57 vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Hiernaast is de beoogde ontwikkeling alsmede het bestaande vakantiepark, gelegen in een zone welke volgens de Risico Index Natuurbrand van Veiligheidsregio Zeeland als natuurbrandgevaarlijk kan worden bestempeld. Dit betreft met name de duinstrook ten noorden van het plangebied. Gezien de klimaatverandering en de steeds vaker voorkomende periodes van (extreme) droogte verdient het dan ook de aandacht om met dit risico rekening te houden bij de inrichting van het park en de beoogde landschapsontwikkeling. Rondom het projectgebied vindt verder geen relevant (bulk)vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.10 Ecologie Toetsingskader Wet natuurbescherming (Wnb) Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht tot één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming
61/81
Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied, in ieder geval voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: er zijn geen alternatieve oplossingen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Soortenbescherming In het Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldoen moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.