CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

2023 414 Bijlage 2 Toelichting bestemmingsplan Strandpark De Zeeuwse Kust

Gemeenteraad 21 december 2023, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken23.745 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage

62/81

onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. 4.10.1 Gebiedsbescherming Binnen het plangebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 50 m ten noorden van het projectgebied en betreft de Kop van Schouwen (figuur 4.9).

Grenzend aan het plangebied ligt een gedeelte van het NNN. Dit betreft het gebied De Haard/De Helle (figuur 4.10).

Figuur 4.9 Plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (bron: kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland)

63/81

Figuur 4.10 Plangebied ten opzichte van beschermde natuur NNN (bron: kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland) Effecten op het Natuurnetwerk Zeeland Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of het beleid van de provincie ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Rond de natuurgebieden van het Natuurnetwerk Zeeland geldt een zone van 100 m waarbij nieuwe ontwikkelingen moeten worden beoordeeld op de gevolgen voor de natuur. Onderzoek De beoogde uitbreiding grenst aan het NNZ, waar sprake is van de volgende natuurdoeltypen: 1. N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. 2. N14.03 Haagbeuken- en essenbos.

64/81

Figuur 4.11 Beoogde uitbreiding (rood) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (groen) (bron: Atlas van Zeeland) De ontwikkeling bestaat uit het uitbreiden van het recreatieterrein, water en (natuur)landschap. Als onderdeel van de ontwikkeling wordt een sloot, waterpartij, zwemvijver gegraven. Daarnaast wordt een watergang verbreed. Hiervoor dient ontgronding plaats te vinden. Effecten op het Natuurnetwerk Verstoring door geluid Tijdens de inrichtingswerkzaamheden wordt geluid geproduceerd. Verstoring door geluid is het best onderzocht ten aanzien van vogels. De effecten op deze groep worden daarom als maatgevend beschouwd voor dit thema. Op basis van gegevens over de bronsterkte (Lwr) van de in te zetten apparatuur (bron: www.AV-consulting.nl) kan de ligging van de 42 dB(A)-contour worden berekend. Deze contour wordt als drempelwaarde voor verstoring van vogels van besloten (bos)landschappen gehanteerd (Reijnen, 1992) en is derhalve van toepassing op het natuurdoeltype N14.03 Haagbeuken- en essenbos. Voor open leefgebieden (zoals N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland) geldt een verstoringscontour van 47 dB(A). De 42 dB(A)-contour is daarom maatgevend voor het verstoringseffect. Maatgevend voor de mate van verstoring is het heien van betonpalen.

Hei-installaties produceren vooral piekgeluiden waar vogels anders op reageren dan op het meer continue geluid van bijvoorbeeld graafmachines of vrachtwagens. De vraag is derhalve wat het verstoringseffect is van zowel continue geluiden als van piekgeluiden. Door SOVON is een handreiking opgesteld voor het beoordelen van verstoring door vogels (Foppen, R. (2020): 'Vogels en verstoringsbronnen in de Rotterdamse Haven, Handreiking voor een beoordelingskader'). In het rapport van SOVON wordt het volgende gesteld ten aanzien van verstoring door continue en piekgeluiden: Voor verstorende effecten van geluidsbronnen met een continu gelijkmatig geluidniveau worden in effectstudies standaard de drempelwaarden van 42 dB(A) en 47 dB(A) voor respectievelijk bos en open gebied

65/81

uit het onderzoek van Reijnen et al. (1991, 1992, 1995) gebruikt. Er is bijna geen literatuur te vinden over de effecten van piekgeluiden, bijvoorbeeld uit de industrie, op vogels. Ervaringen met waargenomen effecten van militaire schietoefeningen, bijvoorbeeld op de Waddeneilanden, leren dat vogels opmerkelijk weinig effect vertonen (Smit & Visser 1993). Een review van bestaande studies door Cutts et al. (2009) gericht op effecten van piekgeluid zoals heien op watervogels zoals foeragerende steltlopers geeft een indicatie van een drempelwaarde. Zij concluderen dat er geen of geringe effecten waarneembaar zijn onder de 70 dB(A) als maximumwaarde. Dit wordt bevestigd door een effectenevaluatie door RPS (2018). Voorgesteld wordt om voor gelijkmatige lawaaibronnen zoals verkeer en gelijkmatig industrielawaai voor een aantal soortgroepen met broedende vogels uit te gaan van Reijnen cs en Vegte et al. (2011) (bijlage VI). Voor ongelijkmatig industrielawaai dient vooralsnog de drempelwaarde van 70 dB(A) pieklawaai voor industrie uit Cutts et al. (2009)/RPS(2018) te worden gehanteerd. Deze drempelwaarde is bepaald voor niet-broedende kustvogels (watervogels, steltlopers en meeuwen/sterns). Tabel 4.6 laat de ligging van de geluidscontouren zien van een aantal installaties, machines en voertuigen.

Maatgevend voor de piekgeluiden in dit project is het geluid van een eventueel in te zetten heistelling. Voor de continue geluiden is het gebruik van een graafmachine maatgevend voor deze effectbeschrijving. De daarbij behorende ecologische verstoringscontouren van 42 en 70 dB(A) zijn gemarkeerd. Tabel 4.6 Geluidscontouren aanlegwerkzaamheden Activiteit Lwr Afstand tot bron (m) (dB(A) 42 dB(A) 47 dB(A) Heien stalen buispalen 140 3927 3020 Heien damwanden 130 2022 1518 Heien betonpalen 126 1615 1089 Intrillen damwanden 125 1502 1003 Intrillen buispalen 121 1060 680 Graafmachine 107 291 171 Compressor 100 221 128 Geluidarm aggregaat 93 122 70 Geluidarme pomp (elektrisch) 90 84 48 60 vrachtwagenbewegingen per uur 106 62 35 24 vrachtwagenbewegingen per uur 106 25 14

50 dB(A) 2525 1200 840 770 510 123 92 50 34 25 10

60 dB(A) 1220 450 295 280 190 56 35 15 10 <2 <2

70 dB(A) 405 140 100 95 70 20 10 4 3 -

Piekgeluid Continue geluid Beide geluidscontouren van 291 m respectievelijk 171 m overlappen geheel met de 100-meter zone binnen het NNZ. BIJ12 noemt voor N14.03 Haagbeuken- en essenbos de volgende karakteristieke broedvogels: appelvink, boomklever, boomleeuwerik, fluiter, groene specht, kleine bonte specht, middelste bonte specht, nachtegaal, wielewaal en zwarte specht. Alleen de nachtegaal en groene specht zijn als broedvogel aanwezig binnen de 100-meter zone (bron: www.waarneming.nl). Voor N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland worden slechts

66/81

karakteristieke planten en dagvlinders aangegeven; deze zijn niet geluidsgevoelig. De nachtegaal kent in Nederland de laatste 30 jaar een stabiele tot licht stijgende populatietrend, met name in de duinen. Bij de groene specht is zelfs sprake van een sterk stijgende populatietrend (bron: www.sovon.nl). Een eventueel tijdelijk verstoringseffect door bouwlawaai tijdens de aanlegfase is voor beide soorten zeer klein en verre van significant. Om de verstoring verder te reduceren kan geluidsarm materieel worden ingezet door bijvoorbeeld heipalen te schroeven of elektrische graafmachines in te zetten. Ook kan overwogen worden om de werkzaamheden nabij het NNZ uit te voeren in de wintermaanden, wanneer de nachtegaal afwezig is. Verstoring door licht Het eventueel gebruik van kunstlicht tijdens de aanlegfase dient te worden beperkt door gebruik te maken van speciale armaturen die het licht zo min mogelijk verspreiden en aan de boven- en zijkant goed zijn afgeschermd. Verstoring door recreatiedruk Het naast gelegen NNZ-gebeid is niet ontsloten door paden en ook niet toegankelijk. Een toename van het aantal recreanten dat verblijft in het plangebied leidt dus niet tot een toename van de recreatiedruk in het natuurgebied. Verdroging Waterpeilen in het plangebied Het plangebied ligt in twee peilgebieden. Aan de oostelijke en zuidelijke zijde van de camping ligt een watervoerende sloot.

ER zijn geen detail gegevens over de ligging van de bodem van deze sloot maar er ligt een duiker met b.o.k. 1.60 mNAP. Dus de bodem zal een verglijkbare ligging hebben of 0,1 m lager liggen. Het peilgebied aan de oostkant heeft een circa 0,6m hogere ligging en is droogvallend. De duikers hebben een ligging van -0.90mNAP. peilgebied GPG1267 westelijk deel l GPG1300 oostelijk deel

67/81

Zomerpeil (m NAP) -1.40 -0.80

Winterpeil (m NAP) -1.70 -1.00

watervoering Watervoerend Droogvallend

Figuur 4.12 Waterlopen in en rondom het plangebied (Legger Waterschap Scheldestromen)

Figuur 4.13 Begrenzing peilvakken (Aannemingsmaatschappij van Gelder B.V. ) Ingrepen in het watersysteem De ingrepen in het watersysteem zijn: Er worden 2 sloten gedempt (rood in figuur 4.14) Op de rand van het natuurgebied wordt een nieuwe sloot gegraven. Deze heeft een bodemligging van -1.50mNAP (talud 1:2 en bodembreedte 0,50m1). Er wordt een grote vijver gegraven waterpeil -1.20m NAP. Dit is 0,20m hoger dan het huidige zomerpeil van -1.40mNAP. De bodem ligt om -2.70mNAP. Een nieuwe korte sloot vormt de verbinding van de grote plas met de sloot langs de Recreatieverdeelweg, met een duiker bok -1.50mNAP. Er komt een vast peil voor de grote vijver. Het veel lagere winterpeil wordt dus afgeschaft De agrarische drainage wordt buitenwerking gesteld.

68/81

Figuur 4.14 Watersysteem in het plangebied (Aannemingsmaatschappij van Gelder B.V.) Effect van de ingrepen op mogelijke verdroging van het natuurgebied Gesteld kan worden dat de beoogde ingreep zeker geen negatief effect zal hebben op het natuurgebied. Dit vanwege: de verhoging van het zomerpeil met 0,2m in de grote plas en de sloot tussen de camping en het natuurgebied. Dit leidt dus tot verhoging van het grondwaterniveau. afschaffen van het veel lagere winterpeil. Dit leidt dus tot het behoud van gebiedseigen water en een hogere grondwaterstand in het natuurgebied Gesteld kan worden dat de maatregelen een positief effect zullen hebben in de vorm van minder verdroging en het beter vasthouden van gebiedseigen water. Vermesting en verzuring Met het opheffen van ruim 14 hectare gangbare akkerbouw verdwijnt ook de bemesting op dit landbouwareaal en daarmee de ammoniakemissie in de richting van het naastgelegen natuurgebied. Daardoor zullen vermesting en verzuring in het natuurgebied afnemen hetgeen de ontwikkeling van met name het hier beoogde natuurdoeltype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland kansrijker maakt. Vergiftiging Met het opheffen van ruim 14 hectare gangbare akkerbouw verdwijnt ook het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op dit landbouwareaal en daarmee de verwaaiing in de richting van het naastgelegen natuurgebied.

Daardoor zal de vergiftiging in het natuurgebied afnemen hetgeen de ontwikkeling van alle natuurdoelen kansrijker maakt. Conclusie

69/81

De ontwikkeling leidt tot licht negatieve ecologische effecten op het naastgelegen NNZ (tijdelijke verstoring door geluid maar ook tot relevante, blijvende positieve effecten (afname vermesting, verzuring en vergiftiging). Per saldo zal de ontwikkeling geen significant negatieve effecten hebben op het NNZ. Het provinciaal beleid ten aanzien van het NNZ staat derhalve de uitvoering van het plan niet in de weg. Effecten op Natura 2000 Indirecte negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen als gevolg van de geplande werkzaamheden niet op voorhand worden uitgesloten. De aanleg, bouw en het gebruik van de uitbreiding en herinrichting van het recreatieterrein kan tijdens de realisatie- en gebruiksfase mogelijk leiden tot een toename in stikstofemissie. Daarom is een stikstofberekening uitgevoerd voor deze fasen. Uit de verschilberekening in AERIUS Calculator blijkt dat er sprake zal zijn van een afname van de depositie in Natura-2000 gebied, doordat er niet langer sprake zal zijn van bemesting van de agrarische gronden. In bijlage 12 is het stikstofonderzoek opgenomen. Het projectgebied bevindt zich in de nabijheid van beschermde natuur. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op voldoende afstand op directe effecten uit te sluiten.

4.10.2 Soortenbescherming Quickscan beschermde soorten Om te onderzoeken of de herontwikkeling van het recreatiepark niet strijdig is met de Wet natuurbescherming op het onderdeel soortenbescherming is een quickscan ecologie uitgevoerd (bijlage 10). Deze quickscan is uitgevoerd in 2022 toen de plannen ook het integreren van het Natuurnetwerk Zeeland aan de noordzijde van de uitbreiding behelsde. Inmiddels zijn de percelen die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk geen onderdeel meer van de plannen. Uit de quickscan is gebleken dat aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van broedvogels, gebouwbewonende vleermuizen, huismus, glad biggenkruid, boomkikker, heikikker, rugstreeppad, levendbarende hagedis, bunzing, haas, hermelijn en de wezel noodzakelijk is om te onderzoeken wat de functie van het plangebied voor deze beschermde soorten is. Daarnaast wordt aanbevolen werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels plaats te laten vinden en de nachtelijke verlichting tijdens de werkzaamheden zo veel mogelijk te beperken op verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming te voorkomen.

Indien in de nieuwe situatie additionele nachtelijke verlichting wordt toegepast, is het wenselijk gebruik te maken van een richtarmatuur zodat strooilicht naar de omgeving wordt voorkomen, met name bij de gras- en akkerlanden en bosschages, welke in de huidige situatie onverlicht zijn. Nader onderzoek beschermde soorten Naar aanleiding van de resultaten uit de quickscan is inventariserend veldonderzoek uitgevoerd naar amfibieën, glad biggenkruid, haas, huismus, levendbarende hagedis en kleine marterachtigen (zie bijlage 11). Ook dit onderzoek is uitgevoerd toen de plannen ook het integreren van het Natuurnetwerk Zeeland aan de noordzijde van de uitbreiding behelsde. Uit dit onderzoek is gebleken dat bij het verwijderen van de groenstructuren en het dempen van watergangen respectievelijk landbiotoop en voortplantingswater van de boomkikker verloren kan gaan en daarnaast individuen van de boomkikker kunnen worden gedood.

70/81

Daarnaast kan geschikt habitat voor verblijfplaatsen van de haas en wezel in het plangebied verloren gaan, ook hier is ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk (artikel 3.10, lid 1b). Wanneer er voldoende alternatief leefgebied in de omgeving aanwezig is en bij de uitvoering van de werkzaamheden doden van individuen wordt voorkomen, kan hiervoor ontheffing worden verkregen. In het plangebied en in de directe omgeving is voldoende alternatief leefgebied aanwezig. De nestlocaties van de huismus zijn aanwezig in het animatiegebouw, werkzaamheden aan het animatiegebouw maken geen onderdeel uit van voorliggende aanvraag. In het projectgebied zijn geen individuen van de heikikker, levendbarende hagedis en de rugstreeppad waargenomen. Direct ten noorden van het projectgebied zijn individuen van de rugstreeppad waargenomen. Ondanks dat de rugstreeppad niet waargenomen is in het projectgebied, kunnen de watergangen in het projectgebied gebruikt worden als voortplantingswater van de rugstreeppad. In het projectgebied zijn geen exemplaren van het glad biggenkruid of andere beschermde vaatplanten waargenomen. Vervolg Voor de werkzaamheden is ontheffing van de Wnb noodzakelijk. Mogelijke maatregelen bestaan onder andere uit.: Bosschage onder ecologische begeleiding verwijderen in actieve periode van boomkikker.

Eventuele gevonden exemplaren overzetten naar aanliggende natuurgebieden. Buiten broedperiode van vogels werken en wanneer jongen groot genoeg zijn van marterachtigen als konijn zodat deze tijdig kunnen ontsnappen. De beste periode is dan half september-half oktober. Er blijven meer dan genoeg geschikte bosschages over op het recreatieterrein. Bovendien wordt het aanliggende natuurgebied (essentieel leefgebied voor boomkikker) niet aangetast en blijven daar de bosschages gehandhaafd. Zodat eventueel benodigde ontheffing naar verwachting kan worden verleend. Inmiddels is ontheffing van de Wnb aangevraagd bij de Provincie Zeeland. Diverse mitigerende maatregelen zijn vooruitlopend op de ontheffing al getroffend. 4.10.3 Conclusie Werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen van vogels plaats te vinden en de nachtelijke verlichting tijdens de werkzaamheden dient zo veel mogelijk beperkt te worden op verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen. Indien in de nieuwe situatie additionele nachtelijke verlichting wordt toegepast is het wenselijk gebruik te maken van een richtarmatuur. Wel dienen mitigerende maatregelen worden getroffen en ontheffing van de Wnb verleend te zijn.

4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

71/81

Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Toetsing In het projectgebied liggen geen planologisch relevante leidingen. In of in de nabijheid van het projectgebied liggen wel diverse niet-planologisch relevante leidingen, zoals rioolleidingen, leidingen voor nutsvoorzieningen en drainageleidingen. Ook ligt er een drinkwatertransportleiding van Evides op het perceel (zie figuur 4.15). Met deze leiding is rekening gehouden, op en direct langs de leiding wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt. Hier is de parkeerplaats en de toegangsweg voorzien. Hierover wordt afstemming gezocht met Evides. De nieuwe eenheden worden geplaatst conform de voorwaarden die Evides stelt aan werken nabij waterleidingen. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In het voorliggende bestemmingsplan is de dubbelbestemming Leiding - Water opgenomen, hieraan zijn voorwaarden verbonden ter bescherming van de waterleiding.

Figuur 4.15 Uitsnede gebiedsvisie met in blauw de drinkwaterleiding en in rood het plangebied Op het moment van daadwerkelijke realisering van de voorgenomen ontwikkeling zal tenminste drie werkdagen voor de aanvang van graafwerkzaamheden door degene die de graafwerkzaamheden uitvoert contact (moeten) worden opgenomen met het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC), waarbij gemeld (moet) worden waar en wanneer wordt gegraven. Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de ontwikkeling niet in de weg.

72/81

4.12 Klimaatadaptatie Toetsingskader In de Klimaatadaptatiestrategie voor Zeeland (KasZ) hebben de verschillende overheden vastgelegd hoe in Zeeland aangepast wordt aan het veranderende klimaat en de gevolgen daarvan. Denk hierbij aan wateroverlast en hitteproblematiek in bebouwd gebied, drinkwaterbeschikbaarheid, schade aan kabels en leidingen door zetting en toename van verzilting van de bodem door meer zoute kwel als gevolg van langdurige droogte en zeespiegelstijging. In de KasZ staan per doelgroep opgaven benoemd die moeten worden aangepakt. Conclusie In paragraaf 4.7 van de KasZ staan doelen benoemd ten aanzien van recreatie. In de planvorming is groen (in de vorm van hagen en bomen) als afronding per standplaats onderdeel van het kavelpaspoort. Hiermee wordt schaduwwerking op de standplaatsen bevorderd. Voor het overige worden op het terrein meerdere ruime groenstroken met bomen ingericht. Hemelwater kan vastgehouden worden en geeft verkoeling bij hitte. Ook is er voldoende ruimte voor het opvangen van buien en het zoeken van verkoeling in de zomer door de aanleg van een nieuwe en ruime (speel)vijver.

4.13 Besluit m.e.r. Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Op 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

Toetsing en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is in categorie D (sectie D 10) opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een permanent kampeer- en caravanterrein m.e.r.-beoordelingsplichtig In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 25 hectare of meer en 250.000 bezoekers of meer per jaar telt. De beoogde ontwikkeling blijft onder deze drempelwaarden. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Deze beoordeling is opgenomen in bijlage 15.

73/81

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Wettelijk kader

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de gemeentelijke standaardregels voor de bestemmingsplannen zijn van belang voor bestemmingsplannen.

5.2

Regels

Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde. In hoofdstuk 1 worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. In hoofdstuk 2 zijn de regels opgenomen van de bestemmingen, zoals die op de verbeelding voorkomen. Het gaat daarbij om regels die het toelaatbaar gebruik van gronden regelen en regels voor het bouwen. In hoofdstuk 3 bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel en de algemene bouwregels. De overgangs- en slotregels in hoofdstuk 4 geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2.3 is de beoogde ontwikkeling beschreven. Hierna wordt ingegaan op de regels van de gehanteerde bestemmingen in relatie met de beoogde ontwikkeling. Daarbij zijn de regels van het bestemmingsplan Kop van Schouwen als uitgangspunt genomen, omdat de gemeente Schouwen-Duiveland deze als standaardregels hanteert. Voor een uitgebreide uitleg van de bestemmingsregels wordt verwezen naar de toelichtingen op de bestemmingsplannen Kop van Schouwen en de 1ste herziening daarvan.

Groen (Artikel 3) Deze bestemming is opgenomen voor landschap A behorende bij het recreatieterrein, uitgezonderd het deel dat tussen het Natuurnetwerk Zeeland ligt dat de bestemming Natuur heeft gekregen. Deze bestemming regelt het behoud, herstel en ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden in de vorm van water, groen en landschapselementen en de aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende recreatieve fiets-, wandel- en ruiterpaden, zwemwater en voorzieningen. Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht, zodat er bijvoorbeeld meubilair geplaatst kan worden langs de wandelpaden. Ter bescherming van de hiervoor genoemde waarden zijn bepaalde werken en werkzaamheden alleen met een omgevingsvergunning toegestaan. Groen - Landschappelijk (Artikel 4)

74/81

Deze bestemming is opgenomen voor groene buitenranden van het bestaande deel van Strandpark De Zeeuwse Kust en regelt primair de landschappelijke afscherming van het recreatieterrein door opgaande beplanting van voornamelijk streekeigen soorten en voor geluidwerende voorzieningen, een grondwal inbegrepen. Voor de bestemming is de breedte van het geldende bestemmingsplan overgenomen, deze is ten minste 10 m. Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht. Ter bescherming van de hiervoor genoemde waarden zijn bepaalde werken en werkzaamheden alleen met een omgevingsvergunning toegestaan. Natuur (Artikel 5) Deze bestemming is opgenomen voor het perceel tussen de twee percelen Natuurnetwerk Zeeland dat nu agrarisch in gebruik is. De natuurbestemming is overgenomen uit het bestemmingsplan Kop van Schouwen. Recreatie - Kampeerterrein (Artikel 6) De gehele camping, exclusief de hiervoor vermelde groenstroken en landschapsontwikkeling, heeft deze bestemming gekregen. Binnen de bestemming Recreatie - Kampeerterrein zijn diverse specifieke functieaanduidingen opgenomen voor onder andere de bedrijfswoning, de permanente standplaatsen, het kinderhotel, de locaties voor dienstverlening en beheer en de standplaatsen voor het personeel).

De aanduidingen die het maximum aantal standplaatsen en het maximum aantal niet-permanente standplaatsen regelen, gelden voor de gehele camping. In lid 6.2 is bepaald dat gebouwen in het bouwvlak dienen te worden opgericht (gebouwd). In feite geldt dit alleen voor de hoofdgebouwen met centrale voorzieningen (zoals de receptie en horecavoorzieningen van de camping), voor de bedrijfswoning en voor het kinderhotel. Buiten het bouwvlak zijn namelijk gebouwen voor centraal sanitair en gebouwen die op een standplaats thuishoren, zoals kampeerhuisjes en bijgebouwen bij kampeermiddelen toegestaan. Op alle toeristische standplaatsen (niet-permanente standplaatsen) is privésanitair rechtstreeks mogelijk gemaakt met een maximaal oppervlak van 6 m². De maximale oppervlakte en bouwhoogte voor stacaravans en kampeerhuisjes zijn conform het geldende beleid. Voor de oppervlakte van de stacaravans bij Camping Renesse is conform de verleende omgevingsvergunning een afwijkende maat van maximaal 70 m² opgenomen. Ter plaatse van het beoogde speelhuis/vuurtoren aan de speelvijver is een afwijkende bouwhoogte van 8 m opgenomen. Binnen deze bestemming is het mogelijk lichte, ondersteunende horeca-activiteiten (categorie 1a dan wel 1b van de Staat van Horeca-activiteiten), en detailhandel te exploiteren.

Voor de Staat van Horeca-activiteiten is een andere, nieuwere staat opgenomen dan de staat die in het bestemmingsplan Kop van Schouwen wordt gebruikt. De nieuwe staat is ontleend aan de gemeentelijke horecavisie. Voor horeca geldt een maximum oppervlak van 1.500 m 2 (exclusief terras). Voor ondersteunende detailhandel is een maximum maat opgenomen van 500 m². Het maximum aantal standplaatsen en daarbinnen het maximum aantal permanente standplaatsen zijn met maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding vastgelegd. Het gaat daarbij om een maximum totaal aantal van 542 standplaatsen en een maximum van 362 niet- permanente standplaatsen en 180 permanente standplaatsen.

75/81

In de specifieke gebruiksregels zijn aanvullende regels opgenomen voor het gebruik. Om te borgen dat aan de regeling uit de gebiedsvisie wordt voldaan is opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatieterrein Rampweg' de oppervlakte die gebruikt wordt als recreatieterrein ten hoogste 46.804 m² bedraagt. Daarnaast is een een voorwaardelijke verplichting voor het gebruik als recreatieterrein opgenomen. Ter plaatse van het uitbreidingsterrein (waar de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatieterrein Rampweg' is opgenomen) is gebruik ten behoeve van verblijfsrecreatie uitsluitend toegestaan, indien het landschap als bedoeld in artikel 3 lid 3.1 is aangelegd conform bijlage 2 en vervolgens aldus in stand wordt gehouden en het natuurlandschap als bedoeld in artikel 5 lid 5.1 is aangelegd en in stand wordt gehouden. Wonen (Artikel 7) Deze bestemming is opgenomen voor de voormalige bedrijfswoning aan de noordzijde van het terrein. De woning maakt geen deel uit van de camping. De relevante regels uit het bestemmingsplan Kop van Schouwen zijn overgenomen, met als aanvulling dat het hier gaat om een cultuurhistorisch waardevolle voormalige boerderij, waarvoor een sloopbepaling is opgenomen. Daarnaast is de bestaande rijbak toegestaan door middel van een functieaanduiding 'rijbak'.

Dubbelbestemming Leiding- Water (Artikel 8 Gronden met deze bestemming zijn mede bestemd voor een strook ten behoeve van de bescherming van de waterleiding. Op grond van de regels behorend bij deze bestemming mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van deze dubbelbestemming. Daarnaast zijn voorwaarden opgenomen voor het verlenen van een vergunning voor een werk. Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 6 (Artikel 9) en Waarde - Archeologie 7 (Artikel 10) In het bestemmingsplan zijn twee archeologische dubbelbestemmingen opgenomen. De dubbelbestemmingen zijn met een arcering op de verbeelding weergegeven. De regeling heeft tot doel de bescherming en veiligstelling van het archeologisch erfgoed in de bodem. Hiervoor is het beleid zoals dat is vermeld in paragraaf 4.3.1 leidend. De regeling is gebaseerd op de standaardregels in de gemeentelijke bestemmingsplannen (waaronder ook die in het geldende bestemmingsplan Kop van Schouwen). Algemene regels Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, bepalingen. Anti-dubbeltelregel (Artikel 13) Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro verplicht voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Algemene bouwregels (Artikel 14) Dit artikel het lid Bestaande afwijkende maatvoering. Dit is een regeling voor bestaande maten die afwijken van de voorgeschreven maten in deze regels. Het artikel betreft uitsluitend een bouwbepaling en geen gebruiksbepaling. Met deze bepaling wordt voorkomen dat bestaande bouwwerken, die wat betreft

76/81

afstandsmaten of andere maten afwijken van de maatvoering zoals vastgelegd in dit bestemmingsplan, onbedoeld - geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht komen te vallen. In de bepaling is nadrukkelijk vastgelegd dat op de bedoelde bestaande afwijkingen het overgangsrecht niet van toepassing is. Daarnaast is een lid opgenomen dat verlichte reclame-uitingen geen hinderend licht naar boven mogen uitstralen en tevens skybeamers niet mogelijk maakt. Algemene gebruiksregels (Artikel 15) Dit artikel is overgenomen uit de 1ste herziening Kop van Schouwen en bevat een verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de aan de grond gegeven bestemming(en). Algemene afwijkingsregels (Artikel 16) Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplanbepalingen (de bouwregels) is een algemene afwijkingsregel opgenomen. Algemene wijzigingsregels (Artikel 17) In dit artikel (lid 17.1) is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein.

Het criterium 'van belang voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken' gaat in de meeste gevallen om de praktische uitvoering van het plan, waarbij geen belangen van derden worden geschaad. Het criterium 'in verband met de werkelijke toestand van het terrein' is vooral aan de orde in situaties waarbij een terrein of gebied een geheel nieuwe inrichting krijgt en waarbij in het veld maar weinig aanknopingspunten zijn. Bij het uitzetten van het gebied blijkt dat de afmetingen niet exact gelijk zijn aan de coördinaten op tekening/in het digitale bestand en dat de situering van de nieuwe openbare wegen en de uitgeefbare percelen iets moet worden aangepast. Gezien de nauwkeurigheid van tegenwoordig, gaat het daarbij om centimeters in plaats van meters. Overige regels (Artikel 18) Dit artikel bevat twee subleden, namelijk 'Wettelijke regelingen' en 'Parkeerregeling'. Ten aanzien van lid 18.1 wordt het volgende opgemerkt. In de regels van bestemmingsplannen wordt met enige regelmaat verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard). Ook in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wro worden gewijzigd.

Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen, is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Uit praktische overwegingen is er voor gekozen in dit hoofdstuk van de regels een artikel 'Wettelijke regelingen' op te nemen, waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het staatsblad.

77/81

Lid 18.2 is opgenomen omdat parkeerregels niet meer in een bouwverordening worden geregeld, maar tegenwoordig in een bestemmingsplan. Toelichting op de overgangs- en slotbepalingen In artikel 19 Overgangsrecht is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 19.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 19.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen.

78/81

Hoofdstuk 6 6.1

Financiële aspecten

Grondexploitatie en kostenverhaal

In de Wet ruimtelijke ordening is verplicht kostenverhaal door de gemeente opgenomen. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Van een exploitatieplan kan worden afgeweken door in het kostenverhaal anderszins te voorzien (anterieure overeenkomst met alle grondeigenaren in het plangebied of volledig grondeigendom). Er is sprake van kostenverhaal (artikelen 6.2.3. tot en met 6.2.5. Besluit ruimtelijke ordening (Bro)) als een bouwplan zoals aangegeven in artikel 6.2.1 Bro wordt mogelijk gemaakt. Volgens dit laatste artikel gaat het om a. de bouw van een of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; f. de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte.

Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is. Tussen de gemeente en initiatiefnemer is voor deze ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten waarin onder meer het kostenverhaal en eventuele planschade zijn geregeld. Een exploitatieplan is om deze reden niet noodzakelijk. Voor de aankoop, planontwikkeling en uitvoering zijn door de initiatiefnemer voldoende middelen gereserveerd.

6.2

Financiële uitvoerbaarheid

Voorliggende ontwikkeling wordt geheel bekostigd door Strandpark De Zeeuwse Kust, waaronder ook eventuele planschadeclaims. Voor de gemeente Schouwen-Duiveland zijn er ten aanzien van de uitvoering geen financieel - economische risico's aan het initiatief verbonden. Strandpark De Zeeuwse Kust heeft aannemelijk gemaakt dat de ontwikkeling financieel haalbaar is. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid gewaarborgd.

79/81

Hoofdstuk 7 7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept-ontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de volgende instanties (de wettelijke vooroverlegpartners): Provincie Zeeland. Waterschap Scheldestromen. Veiligheidsregio Zeeland. Waterschap Scheldestromen en Veiligheidsregio Zeeland hebben gereageerd. De reacties zijn hieronder samengevat en van beantwoording voorzien. Waterschap Scheldestromen Op 13 november 2023 heeft het waterschap Scheldestromen gereageerd. Waterbeheer Waterschap geeft aan dat rekening gehouden moet worden met de obstakelvrije onderhoudsstroken langs oppervlaktewater in beheer bij het waterschap. Deze onderhoudsstroken zijn ook langs de N652 5.00m1 breed. Wegbeheer Waterschap geeft aan dat ze verwachten dat de verkeersafwikkeling van de toename verkeer op met name de Lange Moermondsweg onvoldoende vlot en veilig kan gebeuren en dat dit om aanpassing van de infrastructuur vraagt. Gezien de toekomstige functie en het gebruik van deze waterschapswegen, binnen het bestaande wegennetwerk, bestaat vanuit het waterschap de nadrukkelijke behoefte om over het toekomstig wegbeheer van deze wegen in gesprek te gaan met de gemeente Schouwen-Duiveland. Daarnaast dient aan een aantal modaliteiten (fiets,voet- en landbouwverkeer) meer aandacht te worden besteed.

Waterberging Er wordt 8.639m2 water aangelegd wat ruim voldoende watercompensatie geeft voor de toename van het verharde oppervlak van 13.144m 2. Reactie Naar aanleiding van de het wateradvies is overleg geweest tussen Waterschap en gemeente, daarbij is ook de capaciteit van de weg en bestaande intensiteiten ter sprake gekomen. Vervolggesprekken worden nog gevoerd. Verder de verkeersparagraaf uitgebreid. Met de eis ten aanzien van de onderhoudsstroken is in de planvorming reeds rekening gehouden. Veiligheidsregio Zeelandd Samenvatting

80/81

Ten oosten van het plangebied ligt de N57, een basisnetroute waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De N57 ligt op zo'n 825m afstand van de beoogde uitbreiding van het strandpark en op circa 1150 meter van de te ontwikkelen objecten op het huidige strandpark. Daarmee liggen deze ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van ongevallen met giftige stoffen op de N57. Hiernaast is de beoogde ontwikkeling alsmede het bestaande vakantiepark, gelegen in een zone welke volgens de Risico Index Natuurbrand van Veiligheidsregio Zeeland als natuurbrandgevaarlijk kan worden bestempeld. Dit betreft met name de duinstrook ten noorden van het plangebied. Gezien de klimaatverandering en de steeds vaker voorkomende periodes van (extreme) droogte verdient het dan ook de aandacht om met dit risico rekening te houden bij de inrichting, bijvoorbeeld bij het aanplanten van vegetatie. Mechanische ventilatie dient handmatig te kunnen worden uitgeschakeld om te kunnen schuilen voor een toxisch scenario. Ook dienen noodplannen te worden opgesteld, veiligheidsregio adviseert dit medo op basis van het natuurbrandrisico en het toxisch scenario te doen. Voor de beoordeling van de beheersbaarheid bij een brand in het plangebied hanteert de Veiligheidsregio de Handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid 2012 van Brandweer Nederland.

Reactie In het kader van het kwaliteitsverbeteringsplan is bij de aanleg van nieuwe wegen rekening gehouden met de minimale eisen vanuit de Veiligheidsregio Zeeland. Voor opstelplaatsen is ook voldoende ruimte. Het realiseren van primaire bluswatervoorzieningen en het waar mogelijk geschikt maken van de vijver als secundaire bluswatervoorziening zal in de nadere uitwerking van de plannen vorm krijgen.

7.2

Zienswijzen

Het ontwerp van het bestemmingsplan wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd voor de vaststellingsprocedure (terinzagelegging op grond van artikelen 3.8, lid 1, en 3.30 Wet ruimtelijke ordening). Tijdens deze periode kunnen zienswijzen worden ingediend.

7.3

Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal 6 weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

81/81

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13615681/1