CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

20210914 Raadsbrief Zeeuws Deltaplan Zoet Water en externe aanvoer Schouwen-Duiveland bijlage 1

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken24.592 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Methode – gewas

Watereffectiviteit (%)

Haspel – aardappel (2019)

59

Haspel – ui (2020)

61

Bovengrondse druppelirrigatie – ui (2020)

80

Ondergrondse druppelirrigatie – ui (2020)

90

Tabel 1 geeft een overzicht van de gemiddelde watereffectiviteit van de beregeningstechnieken (Bron: DeltaDrip)

• Sub-irrigatie werkt als een ondergrondse omgekeerde drainage en de effectiviteit ervan is onder andere onderzocht in de Proeftuin Zoet Water. De techniek is tot nu toe vooral toegepast op grasland, de meerwaarde voor akkerbouw is nog onbekend. Die onbekendheid remt de investeringsbereidheid van ondernemers, ondanks dat deze techniek de zoetwatersituatie naar verwachting zal verbeteren. Bij proefboerderij Rusthoeve .

Figuur 8. Schematisatie van drie toegepaste irrigatiesystemen: ondergronds druppelen, bovengronds druppelen en sub-irrigatie (www.spaarwater.com)

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

27

wordt gericht onderzoek uitgevoerd naar de functionaliteit in de akkerbouw met daarbij ook aandacht voor het effect op de opbrengsten. In het Spaarwater-project6 is het gelukt met peilopzet en de sub-irrigatie de ondergrondse zoetwatervoorraad (de zoetwaterlens) te vergroten met 15-20 cm. Met deze systeemgerichte drainage kan het water langer worden vastgehouden in het gebied en daarmee wordt ook de nutriënten uitspoeling verkleind. Ook precisielandbouw is een middel om de watergift af te stemmen op de (zeer) lokale waterbehoefte, condities en variaties binnen een perceel. Behalve de irrigatiemethode kan ook de periode (temporeel) waarin en locaties (ruimtelijk) waarop geïrrigeerd wordt het watergebruik beïnvloeden. Vanuit het belang van de regionale watervoorraad is het wenselijk hiervoor te werken aan optimalisatie, bijvoorbeeld door te variëren met gewassen met uiteenlopende temporele waterbehoeftes. Dit is een kortetermijnmaatregel, die mogelijk voor gebieden tot effectiever watergebruik kan leiden. Samenwerking over de bedrijfsgrenzen heen kan bijdragen aan het effectief verdelen van het beschikbare water. De verschillende watergebruikers in bijvoorbeeld een polder of peilgebied kunnen hun waterbehoefte op elkaar afstemmen en daarmee het water naar behoefte verdelen, ook door bijvoorbeeld samen naar de keuzes voor de gewassen te kijken.

Het afstemmen van de teeltplannen op elkaar en op de waterbehoefte vraagt om intensieve samenwerking tussen agrariërs in een gebied.

Fruitteeltbedrijf – peilgestuurde drainage Hanko Blok, CZAV “Sinds 2017 is het behoorlijk droog en zien we de gevolgen als het grondwaterpeil te laag is. Zo ontkiemen zaden niet of pas in juni. Die groeischade is niet meer in te halen. In plaats van machteloos toekijken zoek ik liever naar oplossingen. Sinds we het waterpeil hoger zetten, zien we dat het perceel waar meer water opstaat beter presteert. We zijn begonnen met stuwtjes om het waterpeil in de sloten te laten stijgen. Vanuit daar is het idee gekomen peilgestuurde drainage in te zetten. Met peilgestuurde drainage kun je het hele jaar veel meer water vasthouden zonder waterschade. Aanvullend zouden we met dat water bassins willen vullen, daar is voldoende zoet water voor nodig. De winst van systemen als peilgestuurde drainage en zoetwaterbassins is dat we wat meer zekerheid hebben over ons bedrijfsrendement en we zijn flexibeler. Wanneer bijvoorbeeld de bovenlaag van de grond te hard is om de aardappelen te rooien, dan kunnen we als het nodig is een kleine gift water geven, zodat we het product op een goede manier kunnen oogsten. Ik geloof in een mooie toekomst voor het zuiwdwesten van Nederland, mits we een goede watervoorziening voor elkaar krijgen. We hebben hier mooie percelen, die goed ingericht zijn. Het gaat in mijn ogen enkel om de watervoorraad.

Ik vind het daarnaast mooi dat de provincie zich inzet, voor behoud van de agrarische sector en het gezamenlijk belang inziet.”

6

www.spaarwater.com Spaarwater, Acacia institute, Zuinig met zoetwater, technische rapportage, 17 januari 2019

28

Het optimaliseren van de irrigatietechnieken is een maatregel voor de korte termijn en een maatregel die op bedrijfsniveau en in samenwerkingsverbanden kan worden uitgevoerd. Alle irrigatiemethoden vragen uiteraard om een investering. De effectiviteit van de irrigatiemethodes varieert. Beregenen met een slanghaspel is de goedkoopste methode van irrigeren maar leidt wel tot waterverlies. Daarnaast kan beregenen met die methode een negatief effect hebben op de bodem. Door de grote watergift kan de bovenste grondlaag dichtslaan. Ten slotte is een praktisch belangrijk punt dat een haspel om de paar uur verplaatst moet worden, ook ‘s nachts. Beregenen vraagt dus ook vanuit dat perspectief een investering. In de voorbereiding van het Zeeuws Deltaplan Zoet Water is geconstateerd dat voldoende aandacht in het onderwijs voor de mogelijkheden en effecten van irrigeren heel belangrijk is. Ook kennis delen tussen agrarische ondernemers en intensieve samenwerking tussen bedrijven is noodzakelijk om het benutten van het beschikbare water te optimaliseren. In de verschillende proeven uit bijvoorbeeld de Proeftuin Zoet water op Schouwen-Duiveland is de aanpak gericht op kennisdeling tussen boeren onderling. De erfbetreders spelen hierbij een rol en ZLTO organiseert regelmatig kennisbijeenkomsten over diverse actuele thema’s.

De agrarische bedrijfsvoering is complex en de vele keuzes die er te maken zijn over bijvoorbeeld de teeltkeuze, het roulerende bouwplan, de grondsoort, grondbewerking en oogstwijze zorgen ervoor dat de praktische uitvoering van nieuwe methoden vaak niet eenvoudig is door te voeren. Zoals benoemd is maatwerk en het begeleiden op bedrijfsniveau belangrijk om toch zoveel mogelijk meerwaarde te bereiken.

Conclusie De behoefte aan irrigeren neemt in de landbouw toe. Zuinig watergebruik speelt bij de keuze voor beregeningsmethode nog geen grote rol. De trend ontstaat daarmee dat er meer gebruik wordt gemaakt van de beschikbare zoetwatervoorraad. Het risico neemt toe dat zonder aanpassing van de werkwijzen de zoetwatervoorraden zullen afnemen. Om die reden is het ten zeerste aan te bevelen zuinig watergebruik en optimale benutting van water te stimuleren. Het inzetten van doelmatige irrigatiemethoden is hiervoor een geijkte methode. Ingezet wordt op het voortzetten van pilots voor zuinige, effectieve irrigatiemethodes, het blijven stimuleren van kennisontwikkeling en ondersteuning voor de investeringen die boeren op dit vlak doen.

Droogte- en zoutresistentere rassen / gewassen Voor alle akkerbouwgewassen was de opbrengst in de afgelopen droge zomerperiodes (tot en met 2020) lager dan in andere jaren. De tolerantie voor droogte varieert echter sterk tussen gewassen. Voor suikerbieten is de periode van kieming bijvoorbeeld cruciaal. Als het gewas eenmaal groeit dan is het minder gevoelig voor droogte, de lange wortelpennen zoeken het water wel op. Voor uien ligt dit anders, vanwege de ondiepe beworteling (+/- 10 centimeter) en de regelmatige behoefte aan water heeft de uienteelt de afgelopen jaren flink te lijden gehad van de droogte. Aardappelen, als derde voorbeeld, hebben water nodig gedurende de zomer om volwassen knollen te vormen. De droogtegevoeligheid en de

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

behoefte aan zoet water om te irrigeren verschilt dus in ruimte en tijd: voor suikerbieten kan één regenbui volstaan voor de ontkieming, waarna de groei redelijk makkelijk doorzet, voor uien is de waterbehoefte relatief groot en verspreid over een langere periode. Zoals reeds beschreven neemt de verzilting toe. De droogte versterkt de verzilting van het oppervlaktewater en het optrekken van het zoute grondwater of zoute kwel. In dat kader is het een strategie om gewassen te overwegen die minder gevoelig zijn voor zout. In de veredeling wordt al volop gewerkt aan zouttolerantere variëteiten van gewassen, de veredeling van aardappels op zouttolerantie is bijvoorbeeld al aardig ver. De geringere zoetwaterbehoefte van dit soort gewassen is natuurlijk een extra meerwaarde. Belangrijk voor succes is de marktwerking, er dient uiteraard een afzetmarkt te zijn voor de zouttolerantere gewassen en variëteiten. Door te kiezen voor rassen en gewassen die beter tegen droogte en verzilting kunnen, kan het zoetwatergebruik mogelijk worden verminderd. Er spelen echter meerdere factoren een rol bij het samenstellen van het bouwplan voor een bedrijf. Zo zijn uien voor Zeeland een economisch belangrijk gewas. Het is hoog salderend en een aantal omstandigheden zoals de grondsoort en het milde klimaat in Zeeland is (overwegend) ideaal voor uien.

Omdat de uienteelt al decennialang een omvangrijke teelt is voor Zeeland, zijn de markt, logistiek en werkgelegenheid hierop ingericht. Toch zien we dat Zeeland hier een concurrentienadeel heeft ten opzichte van delen van Nederland waar meer zoet water voorhanden is. Dit concurrentienadeel kan tot gevolg hebben dat bijvoorbeeld de uienteelt zal verschuiven naar gebieden waar de zoetwaterbeschikbaarheid beter is. Er is in Zeeland in beeld gebracht waar het zoutgehalte in bodem en water aanleiding geeft om aandacht te geven aan meer zoutresistente rassen. Deze informatie is op kaarten verbeeld, waarvan onderstaande afbeelding een voorbeeld is. Dit kaartje geeft de gebieden weer waar bij voorkeur zouttolerante aardappelen worden geteeld. (zie figuur9) Belangrijk onderwerp is het verzamelen van kennis over de werkelijke zouttolerantie van gewassen. Wanneer de zouttolerantie in werkelijkheid groter is dan wordt gedacht, kan dit de teeltmarges uiteraard vergroten. Binnen de Proeftuin Zoet water is dit onderwerp benoemd, maar er is vanuit de stakeholders in het gebied tot op heden geen respons op gekomen.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

Figuur 9. Overzicht van gebieden waar het telen van zouttolerante aardappelen een voorkeur heeft

Conclusie Op meerdere manieren kan met de gewaskeuze worden ingespeeld op de veranderende klimatologische omstandigheden: • Het inzetten van zouttolerantere of veredelde gewassen is primair een oplossing voor de gebieden waar het zoutgehalte een beperkende factor is of in de nabije toekomst gaat worden. • Het voortzetten van onderzoek naar de werkelijke zouttolerantie van gewassen en rassen is belangrijk. • Droogtegevoelige gewassen zouden moeten worden verbouwd op de minst droogtegevoelige gronden. • Onderzoeken in hoeverre de markt inderdaad afhankelijk is van producten van Zeeuwse bodem en het (voortzetten van) onderzoeken van mogelijke alternatieven voor rassen en gewassen die in de toekomst geschikt(er) zijn. Het is in eerste instantie een keuze van de ondernemers en de agrarische sector zelf om over te stappen naar andere gewassen. Wel kan gefaciliteerd worden in het opdoen en delen van kennis en ervaringen.

29

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

30

3.3 Water langer vasthouden Waar traditioneel gezien de nadruk lag op het afvoeren van overtollig water is het vasthouden en bergen van water tegenwoordig minstens zo belangrijk. Het water in de sloten kan op het juiste peil gehouden worden met stuwen, sluizen, duikers en gemalen. Daarmee kan, op verschillende schaalniveaus, water afgevoerd, vastgehouden en op sommige plaatsen ook ingelaten worden. Ook op kavelniveau kunnen maatregelen genomen worden om water langer vast te houden. Het aanpassen van de drainage is daarvoor één van de belangrijkste mogelijkheden.

Water in de kavel houden: drainage Buisdrainage wordt van oudsher aangelegd om de ontwatering van landbouwpercelen te verbeteren. In beginsel is drainage bedoeld om water uit de bovenste bodemlaag van het perceel af te voeren. Op die manier wordt natschade aan de gewassen en percelen voorkomen en wordt de draagkracht van de bodem voor zware landbouwmachines verbeterd. Gangbare drainage wordt op een vaste diepte gelegd en voert het water op dat niveau rechtstreeks af naar de sloten. Onder alle omstandigheden wordt het water in het perceel dan ook afgevoerd tot deze drainagebasis. Een uitbreiding van het traditionele drainagesysteem is het peilgestuurde drainagesysteem7. Het afgevoerde drainwater wordt dan niet rechtstreeks op de sloot geloosd, maar stroomt eerst via een verzameldrain naar een regelput. Met de regelput kan het afvoerniveau aangepast worden zodat het waterpeil in het perceel afgestemd kan worden op de weers- en productieomstandigheden van dat moment. Op die manier is het mogelijk regenwater langer vast te houden in de percelen. Dit heeft als voordeel dat er meer bodemvocht beschikbaar is voor de gewassen. Tegelijkertijd zorgt een hogere grondwaterstand voor meer capillaire nalevering, een tegendruk aan zoute kwel en voor meer grondwateraanvulling.

Onder natte omstandigheden of in de perioden dat het land bewerkt moet worden met zware machines kan de grondwaterstand met diezelfde regelput zonodig ook verlaagd worden.

Water vasthouden in de haarvaten: het secundair & tertiair watersysteem In de haarvaten van het watersysteem, de zogenaamde tertiaire en secundaire watergangen, kan met waterconserveringsstuwen extra water vastgehouden worden. Door het waterpeil in deze watergangen te verhogen, wordt de drainagebasis van de aangrenzende percelen verhoogd. Op die manier zorgt de stuw er dus voor dat er naast extra waterberging in de watergang ook extra water in de percelen vastgehouden wordt. In feite is een waterconserveringsstuw dus een aanvulling op peilgestuurde drainage. Het voordeel is dat er dan meerdere percelen bediend kunnen worden. Dit is tegelijkertijd het nadeel, want hierdoor is de regeling van het waterpeil in de percelen iets minder nauwkeurig en er moet met meer belangen en percelen rekening gehouden worden.

Figuur10. Verbeelding werking peilgestuurde drainage Bron: website Waterschap Limburg (www.waterschaplimburg.nl)

toestemming geven voor het plaatsen en bedienen van de stuw. Het plaatsen van de stuw gebeurt in overleg met het waterschap en het waterschap houdt toezicht op de bediening van de stuw.

Primair watersysteem: peilbeheer en optimalisatie sturing Het peilbeheer is gericht op een optimale ondersteuning van de functies die aan een gebied zijn toegekend. Belangrijk is wel dat het huidige watersysteem (de waterlopen en kunstwerken) primair is ontworpen voor de afvoer van water. Hierbij wordt de laatste jaren naast het beperken van wateroverlast steeds nadrukkelijker ook ingezet op het zoveel mogelijk voorkomen van droogte en het beschikbaar houden van zoetwater. Er is al veel gedaan op dit vlak en er lopen nog diverse onderzoeken en pilots dit verder te ontwikkelen. Het waterschap houdt al enkele winters de oppervlaktewaterpeilen hoger, waardoor ook het grondwater langer op een hoger peil wordt vastgehouden. Een hoger peil kan de verdroging verminderen, van de landbouwpercelen en ook van eventuele nabijgelegen natuurterreinen. Belangrijk is te onderzoeken hoe de eventuele natschade bij een hoger peil zich verhoudt tot de droogteschade bij het behouden van de bestaande peilen. Daar waar mogelijk wordt het watersysteem geoptimaliseerd om meerdere doelen te dienen zoals waterbeschikbaarheid vergroten, klimaatadaptatie, vergroten biodiversiteit. Het is echter zeer waarschijnlijk dat wanneer er meer eisen gesteld worden aan het watersysteem dit ook een uitbreiding van het systeem vraagt, met meer ruimte voor water en mogelijk extra waterlopen en/of kunstwerken.

Tot slot is het goed te realiseren dat het aanpassen van het watersysteem in het ene gebied makkelijker zal zijn dan in het andere gebied. In sommige gebieden zullen er dan ook aanvullende afwegingen gemaakt moeten worden over ruimtegebruik en over risico’s.

Het is voor het waterschap onmogelijk in alle kleine watergangen van het watersysteem een aangepast peilbeheer op maat uit te voeren. Daarom mag een waterconserveringsstuw aangelegd en bediend worden door de gebruiker(s) van de percelen achter de stuw. Bij meerdere grondgebruikers moet iedere grondgebruiker 7

Naast peilgestuurde drainage worden ook de termen regelbare drainage en klimaatadaptieve drainage gebruikt. Ze komen allen op hetzelfde principe neer.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

Conclusie De beschreven aanpassingen aan het watersysteem zijn van een verschillend schaalniveau en daarmee verschillend van complexiteit en doorlooptijd tot en met realisatie. Inzetten op educatie en voorlichting is voor alle beschreven methodes belangrijk. De aanleg van peilgestuurde drainage is een effectieve maatregel die relatief eenvoudig te realiseren is. Zeker wanneer de bestaande drainage toe is aan vervanging is het interessant voor peilgestuurde drainage te kiezen. De aanleg van drainagesystemen is primair de verantwoordelijkheid van de agrariër. Uitgewerkt dient te worden hoe investeringen in peilgestuurde drainage kunnen worden gestimuleerd. Het aanleggen van waterconserveringsstuwen in secundaire en tertiaire watergangen is een maatregel die door de agrariërs in samenwerking met het waterschap kan worden uitgevoerd. Ook voor deze maatregel moet worden uitgewerkt hoe realisatie ervan kan worden gestimuleerd. Ingrepen in het primaire watersysteem om optimalisatie te bereiken, vereisen meer afstemming en overleg in gebiedsprocessen. Dit wordt meegenomen binnen het programma Planvorming Wateropgave (PWO) van het waterschap en in de uitvoering van de bijbehorende maatregelen. Alle drie de maatregelen zijn belangrijk om weerbaar te worden tegen zoetwatertekorten.

3.4 Water bergen Zoals beschreven, is neerslag voor Zeeland de belangrijkste bron van zoet water. Voor met name de landbouw en ook voor de inrichting van het primaire watersysteem is het lastig dat de regen overwegend valt in periodes wanneer er geen behoefte aan is en de vraag piekt in de droge periodes. Logisch dus dat bekeken wordt of het winterse overschot kan worden opgeslagen om in de zomer te benutten.

Opslag in bassins en bekkens Het opslaan van water in bovengrondse bassins is – vooral in de fruit- en kassenteelt – een bekende en doeltreffende manier om water te verzamelen voor droge periodes. De bassins worden bijvoorbeeld gevuld met water uit de landbouwwaterleiding of

31

Voldoende water van de juiste kwaliteit Voor het opslaan van water is het van belang dat er water beschikbaar is. Er zijn meerdere bronnen van zoet water denkbaar, dit wordt ook duidelijk in de eerdere en volgende paragrafen uit dit hoofdstuk. Mogelijke bronnen zijn, op volgorde van lage naar hoge kosten: • Water dat in natte perioden via het regionale watersysteem wordt afgevoerd. Dit water wordt regulier uitgeslagen naar het buitenwater. De kwaliteitseisen spelen zeer nadrukkelijk voor deze stroom. In de praktijk volstaat de kwaliteit veelal vanaf november tot maart, al naar gelang de neerslag in de betreffende periode. • Drainagewater dat met een samengesteld drainagesysteem wordt afgevangen voordat het afstroomt naar de sloot. Dit water is doorgaans zoeter dan slootwater. • Extern water, bijvoorbeeld uit de landbouwwaterleiding. In de winter wordt de aanvoercapaciteit niet benut en in die periode zou dit water kunnen worden opgeslagen. • Gezuiverd effluent van Rioolwaterzuiveringen kan in principe bronwater zijn voor opslag. Net als bij externe aanvoeroptie spelen kosten hier ook een grote rol. • De productieprijs van ontzilt zeewater is in de meeste gevallen nog aanzienlijk hoger dan bij de vorige opties. Mogelijk kan dit in de toekomst een realistische optie worden.

afstromend water van erven en daken. Dit soort bassins wordt nu vooral gebruikt bij kwetsbare en hoger salderende teelten. Ondernemers realiseren zelf bassins, vaak voor hun eigen bedrijfsvoering. Voor de toekomst zou daarnaast het aanleggen van grote, gedeelde bassins een mogelijkheid kunnen zijn, bijvoorbeeld

Droogte als ‘normaal’: ervaringen uit Zuid-Europa Droge zomers zijn in veel landen normaal, het hoort daar bij het klimaat, altijd al. Wat kunnen we van die ervaringen leren? In het rapport ‘Klimaatadaptatie: leren van binnen- en buitenland’ dat in 2020 in opdracht van Provincie Zeeland en ZAJK door CLM Onderzoek en Advies is opgesteld, zijn ervaringen voor het omgaan met droogte in Zeeland en in Spanje en Portugal bij elkaar gezet. Uit dit rapport: Om zowel de effecten van droogte als wateroverlast te mitigeren is in Spanje en Portugal vooral ingezet op water bergen. Overtollig water wordt in de winter opgeslagen in stuwmeren, zodat het in de zomer beschikbaar is voor irrigatie. Om ongelijke verdeling van water op regionaal en nationaal niveau te compenseren investeren deze landen in verbindingen tussen de bassins. Ook maken overheden bij watertekorten afspraken met telers over de verdeling van water, met voorrang voor meerjarige teelten. Voorlichtingscampagnes over waterbesparende maatregelen en besparing van water door burgers krijgt ook veel aandacht. Al op de basisschool leren kinderen het belang van zuinig zijn met water, ook voor de landbouw en voedselproductie.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

32

gecombineerd met landschaps-, natuur-, en/of recreatiedoelen. Naarmate de droogteproblematiek groter wordt, wordt de aanleg van bassins mogelijk ook rendabel voor andere teelten. Bassins leggen een beslag op de ruimte. Dit heeft landschappelijke consequenties maar ook gevolgen voor het beteelbare oppervlak dat de agrariër ter beschikking heeft. Ter indicatie: uitgaande van een beregeningsbehoefte van 100mm is er voor 10 hectare een bassin nodig van 10.000 m3. Bij een operationele diepte van 3,3 meter vraagt dit een oppervlakte van 0,3 ha, oftewel 3% van het te irrigeren oppervlak. De aanleg van bassins is in de huidige situatie aan regels gebonden. In het advies ‘Landschappelijke inpassing zoetwaterbassins’, concluderen Bosch en Slabbers dat het ruimtelijke beleid voor inpassing van bassins per gemeente verschilt. Als aanzet voor een meer uniform beleid voor de verschillende Zeeuwse gemeenten is onderzocht hoe de bassins landschappelijk kunnen worden ingepast. Daarbij is ook gekeken naar dubbelfuncties zoals zonnepanelen op de bassins, ecologische steppingstones, warmtewinning, en het benutten van bassins als bluswatervoorziening. Een algemene ambitie in dit verband is dat bassins zo mogelijk “te gast” moeten zijn in het landschap waarin ze worden geplaatst en er bij voorkeur ecologische waarde aan toevoegen.

Robuuste landschappelijke inpassing agrarisch erf en zoetwaterbassin.

Ecozone versterken door middel van inpassing zoetwaterbassin

Zoetwaterbassin als ‘stepping stone’ tussen twee natuurgebieden Figuur 11. Voorbeeld van aanjaagprincipes landschappelijke inpassing (Bosch en Slabbers 2021)

Conclusie Het inzetten van bassins voor het opslaan van zoet water om het in droge tijden te kunnen gebruiken draagt bij aan een grotere zoetwatervoorraad. Iedere extra watervoorraad is meegenomen. Bassins kunnen echter ook ongewenste neveneffecten hebben bijvoorbeeld op de landschappelijke kwaliteit en bassins leggen beslag op een deel van het landbouwareaal. Om nadelige effecten te voorkomen is het aan te bevelen aan te sturen op het realiseren van meerwaarde zoals landschappelijke inpassing, het versterken van de biodiversiteit, een combinatie met zonnepanelen en het inzetten van bassins als bluswatervoorziening. De vergunningverlening ligt primair bij gemeenten.

Opslag in de ondergrond: zoetwaterbellen De mogelijkheden voor ondergrondse wateropslag worden sterk bepaald door lokale kenmerken, zoals de hoogteligging, de afstand tot de zee, maar zeker ook die van de ondergrond. Een eerste belangrijke factor is de toplaag, de bodem. Als die veel klei bevat, kan de neerslag er niet gemakkelijk door wegzakken. Het grootste deel van de neerslag zal dan afstromen naar de sloot en via watergangen worden afgevoerd naar de zee. Naarmate een bodem meer zand bevat, zal regen er makkelijker in wegzijgen en kan het regenwater in de ondergrond een zoete bel vormen. Als zo’n plek ook nog eens relatief hoog in het landschap ligt, neemt de ondergrondse opslagcapaciteit enorm toe. In Zeeland komen dit soort gebieden voor in de vorm van duinen, kreekruggen of dekzandgronden. De van nature gevormde zoetwaterbellen worden meer en meer door boeren benut om water uit te onttrekken. De ontwikkeling daarvan neemt de afgelopen jaren in zo’n mate toe dat niet kan worden uitgesloten dat de natuurlijke voorraden afnemen. Zoals eerder beschreven kan de belvorming kunstmatig worden gestimuleerd door in dit soort gebieden het grondwaterpeil te verhogen, zoals in de Waterhouderij Walcheren is onderzocht in het zogenaamde Kreekruginfiltratiesysteem.

Nog een stapje verder is de aanpak met een zogenaamde Freshmaker, waarbij onder de zoetwaterbel zout grondwater wordt onttrokken en daarboven zoet water wordt geïnfiltreerd. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met het afvoeren van het onttrokken zoute grondwater zonder daar andere functies of gebruikers mee te belasten. Naast deze plekken die al van nature flinke ondergrondse zoetwatervoorraden bevatten, zijn er ook plekken waar de ondergrond mogelijkheden biedt voor opslag, maar waar de bodem te weinig doorlatend is om de regen door te laten. In die gevallen zijn er allerlei manieren denkbaar om de natuur een handje te helpen en water in de winter actief door de dichte toplaag de ondergrond in te werken. Daar zitten echter tal van haken en ogen aan, waarbij de beschikbaarheid van kwalitatief goed zoet water een heel voorname is. De regen is bijvoorbeeld puur zoet wanneer hij valt, maar wordt vaak snel vermengd met zout dat in de bodem of in het oppervlaktewater aanwezig is. Zeker in gebieden met kleiige bodems, waar het zout vaak nabij is. Ook de chemische waterkwaliteit is een factor, want het water mag de ondergrond niet

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

33

Bezoek Drainstore

vervuilen. Het is kortom essentieel over een goede bron van zoet water te beschikken. Een prachtige praktijkproef wat dat betreft is Drainstore waarbij drainwater wordt opvangen voordat het de sloot bereikt en vervolgens in de ondergrond wordt geïnfiltreerd. Daarnaast speelt uiteraard de structuur van de ondergrond, waar de zoete bel zijn plek moet krijgen, een rol. Het opslaan van zoet water in de ondergrond vergt maatwerk waarbij verschillende gebiedskenmerken de haalbaarheid en de meest geschikte vorm van ondergrondse wateropslag bepalen. Infiltratie wordt van oorsprong toegepast voor drinkwaterbereiding. Voor water dat opgeslagen wordt in de ondergrond gelden vanuit die oorsprong strenge kwaliteitsregels. Wanneer ondergrondse opslag technisch haalbaar blijkt, speelt vervolgens de vraag of daarmee de partij die actie onderneemt de voorraad op te bouwen, ook aanspraak kan maken op deze voorraad? Ook dat is een kwestie die aandacht vraagt bij ondergrondse zoetwateropslag. De kosten voor zoetwateronttrekking in combinatie met installaties waarbij actief water geïnfiltreerd wordt komen bij benadering uit op € 0,50 tot € 1,00 per kuub water. Enkel grondwateronttrekking, zonder actieve infiltratie, is uiteraard voordeliger. De toepasbaarheid van infiltratie en onttrekking verschilt sterk per locatie (zie voor verdere toelichting bijlage 1).

Belangrijk voordeel van ondergrondse wateropslag is dat het geen extra ruimtebeslag tot gevolg heeft.

Conclusie Opslag van zoet water in de ondergrond om het daarna te onttrekken is een kansrijke maatregel om de zoetwatersituatie te verbeteren. Het is een duurzame manier om water vast te houden en het heeft geen of weinig landschappelijke effecten. Daarbij kan ondergrondse opslag onafhankelijk van het bovengrondse gebruik worden uitgevoerd en het gaat niet ten koste van de oppervlakte landbouwgrond. De haalbaarheid ervan wordt bepaald door factoren zoals de bodemgesteldheid en de beschikbaarheid van een goede bron voor zoet water. Daarnaast zijn er obstakels te overwinnen op het gebied van wet- en regelgeving, eigendomsverhoudingen en organisatie. Hier dient tijd en aandacht aan te worden besteed in vervolgprojecten. Randvoorwaarde is het duurzaam in stand houden van de grondwatervoorraden: wat onttrokken wordt, moet ook weer worden aangevuld. Dit vraagt om uitwerking en afspraken over het in beeld brengen van de onttrekkingen en bijvoorbeeld handhaving.

Wateropslag in natuurgebieden Een andere denkbare optie om de agrarische waterbalans te versterken is waterberging in natuurgebieden. De hoofdgedachte hierbij is zoet water te bergen in de natte maanden en het geborgen zoete water gebruiken in de droge maanden. Twee randvoorwaarden zijn van toepassing; 1) opslag van zoetwater in natuurgebieden is alleen mogelijk als de aanwezige natuurwaarden niet worden aangetast, en 2) de waterkwaliteit van het te bergen

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

34

water moet zowel geschikt zijn voor de aanwezige natuur als voor landbouwkundig gebruik. Het mooie van deze optie is dat in principe zowel de natuur als de landbouw er voordeel bij kunnen hebben, al is de speelruimte vaak beperkt. De insteek is dat het geborgen zoete water verdroging van de natuur tegengaat, terwijl de ‘’schijf aan water’’ die als surplus aanwezig is, kan worden gebruikt voor irrigatie van de nabij gelegen landbouw percelen. KWR heeft een algemeen toetsingskader opgesteld met een overzicht van de belangrijkste aandachtspunten voor de haalbaarheid van zoetwateropslag in natuurgebieden (zie figuur 12). Belangrijke aandachtspunten betreffen waterbalans, waterpeildynamiek in het natuurgebied, waterkwaliteit van het water dat in het natuurgebied wordt opgeslagen, waterkwaliteit voor landbouw, randvoorwaarden van ecologie/natuurwaarden, en monitoring en beheer van waterberging. Aan de hand van dit toetsingskader zijn quick scans uitgevoerd voor twee gebieden om de haalbaarheid van zoetwaterberging te evalueren op basis van bestaande informatie en gegevens te weten de Zwaakse Weel en de inlagen ’s Gravenhoek en Oesterput aan de noordkant van Noord-Beveland.

zoet water en de levering van irrigatiewater in het vroege voorjaar en de nazomer. Daarvoor moet het winterpeil wel fors omhoog ten opzichte van het huidige peil. Het water dat wordt geborgen in de Zwaakse Weel zal vermoedelijk in de chloriderange van matig tolerante gewassen vallen en daarmee geschikt zijn voor irrigatie van een brede range gewassen. Aanpassing van de waterhuishouding voor waterberging is mogelijk met relatief geringe ingrepen (omleiding van de afvoer van polderwater, aanpassen van de stuwen) en heeft geringe nadelige neveneffecten in de vorm van vernatting. De waterberging kan worden gekoppeld aan een sterke verbetering van het oppervlaktewaterpeil in het gebied voor de natuur zelf (win-winsituatie). Belangrijke kanttekening is dat de potenties nader moeten worden onderzocht in een meer gedetailleerde vervolgstudie waarin ook uiteenlopende perioden van droogte worden geanalyseerd. Tevens dienen onzekerheden te worden weggenomen in de mogelijkheden voor het bergen van neerslagpieken in de zomer en de invloed van lokale grondwateronttrekkingen op de grond- en oppervlaktewaterstand in het natuurgebied. In een integrale hydrologische vervolgstudie kunnen deze aspecten nader worden uitgezocht.

Foto AST-Zak-ZB-Zwweel

Conclusie Voor de inlagen ’s-Gravenhoek en Oesterput worden potenties van waterberging gering geacht omdat er weinig overeenkomst is in de periode van vraag en aanbod van water (’s-Gravenhoek), er technische aandachtspunten bestaan bij het opzetten van het waterpeil (Oesterput), en de aanvoerroute van zoetwater uit de polder waarschijnlijk lang is. Sowieso kennen deze wateren nu een regenwatermodel, wat inhoudt dat ze op jaarbasis een stabiel waterpeil hebben en neerslag en verdamping in evenwicht zijn. Er is dus geen natuurlijk surplus. Om toch een schijf water te kunnen opzetten, moet polderwater, met een andere samenstelling dan het eigen water in de inlagen, worden aangevoerd (en opgepompt) om het te kunnen benutten. Dat kost energie en geld. En daarbij is het aangevoerde water waarschijnlijk vervuild met nutriënten en bestrijdigingsmiddelen wat ten koste gaat van de natuurkwaliteit. Het gebied Zwaakse Weel biedt meer potentie voor de berging van

De verschillende uitkomsten van de twee quick scans maken duidelijk dat mogelijkheden voor waterberging in natuur gebied specifiek moeten worden beoordeeld en dat uitvoering van zulke waterbergingsplannen in natuurgebieden maatwerk vraagt. Belangrijk is te beseffen dat de uitkomsten voor de twee gebieden zijn gebaseerd op quick scan-analyses. Het potentiële gunstige perspectief voor Zwaakse Weel kan met een meer gedetailleerde studie beter worden gekwantificeerd. Op basis van zo’n vervolgstudie kan vervolgens worden besloten de Zwaakse Weel te gaan gebruiken als waterbergingsgebied t.b.v. irrigatie van landbouwpercelen. Quick scan-analyses met het opgestelde toetsingskader als leidraad kunnen ook worden ingezet om de mogelijkheden voor zoetwaterberging in natuur voor andere Zeeuwse natuurgebieden te verkennen.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

35

Analyse fysieke en ecologische haalbaarheid Natuurgebied

Polder Hoeveelheid leverbaar zoet water uit polder

Hoeveelheid waterberging

Landbouw

Randvoorwaarden waterpeilregime en geohydrolologie natuur Leverbare hoeveelheid zoetwater aan landbouw

Chemische waterkwaliteit oppervlaktewater

Chemische kwaliteit polderwater

Geschiktheid waterkwaliteit

Randvoorwaarden chemische kwaliteit oppervlaktewater in natuurgebied

Oppervlakte irrigeerbaar landbouwperceel

Locatie irrigatie landbouw

Randvoorwaarden chemische kwaliteit irrigatiewater voor landbouw

Irrigatiebehoefte landbouw

Locaties met grootste irrigatiebehoefte Gewenste flexibiliteit Praktische inpasbaarheid

Lacunes in informatie & data, risico’s Advies voor monitoring nadat waterberging operationeel is geworden in relatie tot risico’s

Verzamelen aanvullende gegevens vooraf aan besluit voor waterberging

Schetsontwerp Plan met aanvoerpunt, locatie percelen, leidingen, debieten

Kosten

Beoordeling haalbaarheid Go/ no go

Monitoring en beheer Monitoring

Beheer

Overleg

Figuur 12. Stroomschema Toetsingskader waterberging in natuurgebieden

3.5 Hergebruik van water Stedelijk water Onderzocht is of overtollig stedelijk regenwater kan worden benut voor landbouw of natuur in het buitengebied. Lokaal zullen hier wellicht kansen liggen, ook dit is weer maatwerk. Om stedelijk regenwater te kunnen benutten, is allereerst een goede scheiding van regenen afvalwater nodig. Het is vaak nog onduidelijk of er in stedelijk gebied echt water over is. Mogelijk is het water juist met toenemende droogte en hitte nodig om het grondwaterpeil, het oppervlaktewater en het groen in het bebouwd gebied in stand te houden. Omdat neerslag vaak valt op momenten dat het voor agrarische gebruiksdoelen en voor de natuur niet nodig is, kan het opslaan van water ook hier de zoetwaterbeschikbaarheid vergroten. 8

In Middelburg bijvoorbeeld wordt onderzoek gedaan naar berging van regenwater in kreekruggen in en nabij het centrum van de stad8.

Hergebruik van industrieel water en water uit rioolwaterzuiveringen Onderzocht wordt ook of en onder welke voorwaarden water van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s) en afvalwaterzuiveringen van industriële complexen (AWZI’s) kan worden hergebruikt voor irrigatie. Gezuiverd afvalwater dat de zuiveringsinstallaties verlaat wordt ‘effluent’ genoemd. Van sommige zuiveringen wordt een groot deel van het effluent gebruikt voor het peilbeheer. Dit draagt op zichzelf ook bij aan droogtebestrijding. Een aanzienlijk deel van het effluent wordt echter nog niet hergebruikt.

De rapportage is hier te vinden: https://storymaps.arcgis.com/stories/ac00f2a44b1e461fa1212e2948a0b4f7

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

36

Natuurmonumenten – inlaten gebiedsvreemd water dat via de sloot met een pomp het gebied in wordt gebracht. Langdurige droogte heeft niet alleen invloed op landbouw, maar ook op natuur. Recent was er drie jaar op rij sprake van droogte. Dit heeft gevolgen voor vogels zoals kluut, tureluur, grutto, plevier en visdief. Om te voorkomen dat er een paar jaar achter elkaar geen jongen uitvliegen, besloot Natuurmonumenten in 2020 om gebiedsvreemd water in te laten in een natuurgebied bij Hoedekenskerke. “Zo’n maatregel kost veel geld en dat geeft ook aan hoe hoog de nood was” aldus Frans van Zijderveld, Natuurmonumenten. “Maar als je op zo’n moment van extreme droogte geen actie onderneemt, sterft een vogelsoort tijdelijk of misschien zelfs permanent uit in Zeeland. Voor veel soorten is Zeeland een belangrijk gebied, als het dan niet goed gaat in Zeeland, dan heeft dat impact op de populatie in heel Nederland”. Niet voor elk gebied is het inlaten van water een geschikte oplossing, Veel gebieden hebben een botanische doelstelling, daar is gebiedsvreemd en vaak vervuild water inlaten niet wenselijk. Daarom kijkt Natuurmonumenten ook naar andere, meer duurzame oplossingen. “In samenwerking met het Zeeuws Deltaplan Zoet Water gaan we onderzoeken of bijvoorbeeld het inlaten of vasthouden van extra water in een natuurgebied kan bijdragen aan een hogere waterstand.

Die hogere waterstand is dan gunstig voor de natuur zoals vochtig grasland en kreken, en kan voor een deel ook beschikbaar komen voor de omgeving. Ook onderzoeken we of we slim kunnen samenwerken met agrariërs die nabijgelegen percelen beheren. Natuur en landbouw weten elkaar steeds beter te vinden. Dat moet ook wel, want klimaatverandering gaat door. Soms zien we een peilverschil van wel 1,5 meter tussen landbouw en naastgelegen natuur. Water stroomt van hoog naar laag en daarmee dus uit het natuurgebied dat vervolgens ernstig verdroogt. Een oplossing hiervoor kan zijn een hoger peil in sloten te accepteren. Boeren zouden in dat geval wat later het land op kunnen, maar wel meer water beschikbaar hebben richting de zomer. Daarnaast is het zo dat we voor de lange termijn moeten denken. Wat vandaag makkelijk en goedkoop lijkt, kan over 10 of 25 jaar weggegooid geld zijn geweest. We moeten tijd, geld en ruimte zo duurzaam mogelijk inzetten. Dat is in het belang van ons allemaal”

Bij het hergebruiken van effluent als irrigatiewater speelt een aantal aspecten een rol: • De regelgeving, met name over de kwaliteitseisen van het water • De uitkomende kwaliteit en eventueel benodigde nazuivering • Het bereik en de distributie van het water In veel meer landen in Europa is in toenemende mate sprake van waterschaarste en verslechtering van de waterkwaliteit in droge periodes. In Europees verband is daarom onderzocht of gezuiverd stedelijk afvalwater uit RWZI’s de druk op de watervoorraden kan verminderen. In mei 2020 heeft de EU een verordening gepubliceerd over de minimumeisen voor hergebruik van gezuiverd afvalwater voor irrigatie voor de landbouw. De verordening treedt in werking met ingang van 26 juni 2023. Nederland en andere lidstaten van de EU werken aan de implementatie van de verordening. De hoofdlijn is dat voor al het effluent extra zuiveringsstappen nodig zijn om het water van geschikte kwaliteit te maken voor de landbouw. Ook is in deze verordening het opstellen van een risicobeheerplan verplicht gesteld. Er lopen op meerdere niveaus en in meerdere gebieden in Nederland onderzoeken en pilotprojecten over het hergebruik van afvalwater. Het gaat dan vaak over de benodigde en haalbare kwaliteit van het afvalwater. Behalve de complexiteit en onduidelijkheid in wet- en regelgeving speelt ook de economische haalbaarheid een rol.

Het behalen van de gewenste kwaliteitscriteria is mogelijk, maar nu nog niet rendabel. Vooral ook de distributie van het water van de plaats van zuivering naar de plaats van afname leidt tot hoge kosten. Afvalwaterzuiveringen en rioolwaterzuiveringen zijn puntbronnen: het gezuiverde water moet vanaf de installaties worden getransporteerd naar de kavels waar het water nodig is. Het gezuiverde water zou naar decentrale bassins kunnen worden getransporteerd. Ook daar is dan infrastructuur zoals buisleidingen of oppervlaktewater voor nodig. En dit zouden dan bassins moeten zijn die door meerdere boeren gedeeld worden. De hoeveelheid beschikbaar gezuiverd water is natuurlijk afhankelijk van de hoeveelheid afvalwater dat de zuivering binnenkomt. In dichtbevolkt gebied is de hoeveelheid water daardoor groter dan in Zeeland waar de bevolkingsdichtheid lager is.

Voorbeeld RWZI Om gevoel te krijgen voor de hoeveelheden water die mogelijk geleverd kunnen worden uit de RWZI’s is voor twee rioolwaterzuiveringen een globale berekening gemaakt. Voor de RWZI Walcheren (gemeenten Middelburg, Veer en Vlissingen) is berekend dat in theorie de RWZI een hoeveelheid gezuiverd water kan leveren waarmee 3.600 hectare landbouwgrond van water kan worden voorzien. Dat is 32% van de hoeveelheid landbouwgrond (gebaseerd op cijfers van CBS). De RWZI Willem Annapolder in Kapelle kan in theorie voor 2.300 hectare landbouwgrond in de gemeenten Kapelle en Borsele irrigatiewater leveren. Dat is 17% van de totale oppervlakte landbouwgrond van deze twee gemeenten. Behalve de hoeveelheid beschikbaar water is het bij het uitwerken van de mogelijkheden van belang ook de benodigde distributie en eventuele nazuivering mee te nemen.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

Voorbeeld AWZI Conservenproducent Coroos produceert zo’n 600.000 m3 effluent per jaar dat zonder extra behandeling nagenoeg beantwoordt aan de eisen voor agrarisch hergebruik. Onderzocht is hoe het effluent benut kan worden voor irrigatie- of gietwater. Geconcludeerd is dat de distributie van het water nog verder moet worden uitgewerkt en mogelijk het meest uitdagende aspect is de economische rendabiliteit. Als eerste stap wordt met een groep geïnteresseerden een pilot uitgevoerd waarbij de deelnemers bij een afnamepunt zelf water in kunnen nemen dat “per as” naar hun percelen kunnen brengen. Belangrijk is te vermelden dat de industrie zelf ook een grote waterbehoefte heeft. In Zeeuws-Vlaanderen bijvoorbeeld ligt 50% van de waterbehoefte bij Dow. De industrie streeft ernaar water zoveel mogelijk te hergebruiken, maar daarbij is wel opgemerkt dat de strenge eisen voor waterkwaliteit hergebruik soms in de weg kunnen staan. Er is daarbij een verschil tussen de food- en de non-food industrie. Waarbij die laatste makkelijker uit de voeten kan met gebruikt water dan de food industrie. De Nonfood industrie zoekt daarbij de samenwerking met bijvoorbeeld waterschap, gemeente en landbouwers om synergie te realiseren waar mogelijk. De food-industrie is vooralsnog aangewezen op drinkwater als grondstof voor hun processen en producten.

En daarbij speelt de prijs van drinkwater een belangrijke rol. Als het drinkwater duurder wordt kan dat leiden tot andere afwegingen en bijvoorbeeld de bouw van eigen waterzuiveringen.

Conclusie Om de Europese Verordening uit te werken tot een voldoende concrete implementatie, zijn tot juni 2023 nog flinke stappen te zetten. De verdeling van verantwoordelijkheden – de governance-vraag – is hierbij een belangrijk vraagstuk. Het hergebruik van afvalwater is economisch nog niet rendabel en de distributie van het water is een uitdaging. Wel biedt dit hergebruik vanuit het oogpunt van zelfvoorziening en duurzaam watergebruik absoluut een kans. Het opdoen van kennis en ervaring in pilotprojecten is noodzakelijk. Voor het effectief distribueren van het water lijkt het opzetten van samenwerkingsverbanden, bijvoorbeeld in de vorm van coöperaties noodzakelijk. Er lopen meerdere pilotprojecten en onderzoeken naar hergebruik van afvalwater. Er wordt in Zeeland en Noord-Brabant een onderzoek gestart, genaamd EffluentFit4food waarin de mogelijkheden van hergebruik van afvalwater verder worden onderzocht.

Ontzilting Het ontzilten van zout water lijkt een interessante maatregel om de beschikbaarheid van zoet water voor Zeeland te vergroten. Onderzocht is welke ontziltingstechnieken beschikbaar zijn en er is een eerste analyse gemaakt van de technieken die mogelijk toepasbaar zijn in Zeeland.

37

gen in bassins. De eerste, grove berekening laat zien dat ontzilten dan grofweg € 1,50 per kuub kost met bijbehorende investeringskosten van circa € 200.000,-. De kosten voor distributie van het water over het perceel zijn hier niet in meegenomen. Ontzilten is hiermee een dure maatregel, maar er is wel perspectief de case verder uit te werken en te onderbouwen met daarbij ook een concept voor samenwerking en financiering. Bijvoorbeeld met als proefgebied Noord-Beveland of Schouwen-Duiveland. Een nadeel van ontzilting is dat er een zoute reststroom ontstaat, ook wel brijn genoemd. Ruwweg kan gesteld worden dat de brijn een circa vier keer hogere zoutconcentratie heeft dan het uitgangswater. Het vinden van mogelijkheden om dit brijn af te voeren bepaalt voor een belangrijk deel de haalbaarheid van ontzilting vanuit een combinatie van kosten, ecologische impact en logistiek. Directe terugvoer naar de bron of sterk brak omgevingswater heeft de voorkeur, omdat dan de lokale ecologie het minst beïnvloed wordt. Het terugvoeren van het concentraat naar de bron is alleen mogelijk bij ontziltitingsinstallaties in de nabijheid van groot zout buitenwater, zoals de Westerschelde, Oosterschelde of Grevelingen. Wanneer lokale afvoer niet mogelijk is, zal de brijn via een leiding of in tankwagens naar een geschikte locatie moet worden afgevoerd, wat uiteraard de prijs verder verhoogt.

Conclusie Ontzilting is een maatregel met nog meerdere praktische, financiële en technische uitdagingen en meerdere kennisvragen die nu nog onbeantwoord zijn. Het belang en de complexiteit van de distributie, de zoute reststromen en de hoge kosten zorgen ervoor dat het nog geen algemeen toepasbare maatregel is. Ontzilting is wel een doelgerichtere oplossing dan het realiseren van een geheel nieuw wateraanvoersysteem. In jaren dat er minder of geen extra zoet water nodig is blijven de kosten bijvoorbeeld beperkt tot de afschrijvingskosten van de installatie. Ontzilting lijkt vooral een toepasbare maatregel voor noodsituaties, dus periodes met extreme droogte. Maar het kan wellicht ook een maatregel zijn voor het opvangen van droge periodes door het ontzilten van (iets zilt) water dat vervolgens in de winterperiode opgeslagen wordt in bassins of in de bodem.

3.6 Water aanvoeren Een veelbesproken onderwerp is het aanvoeren van zoet water van buiten Zeeland naar gebieden in Zeeland. Voor het Zeeuws Deltaplan Zoet Water zijn twee onderzoeken uitgevoerd. Eén onderzoek heeft betrekking op de aanvoer van zoet water met buisleidingen of een open systeem naar Schouwen-Duiveland. In het tweede onderzoek zijn de mogelijkheden voor de aanvoer van zoet water naar Zuid-Beveland, Walcheren en Noord-Beveland verkend. In deze tweede verkenning is ook de uitbreiding van de bestaande landbouwwaterleiding als optie meegenomen.

Schouwen-Duiveland Het meest kansrijk lijkt nu een decentrale oplossing waarbij verspreid over een regio meerdere vaste of mobiele units worden geplaatst die water ontzilten en waarbij het water wordt opgesla-

Voor Schouwen-Duiveland is door Witteveen + Bos de aanvoermogelijkheid van zoet water onderzocht aan de hand van drie bronlocaties voor aanvoer van het water naar het eiland en twee

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

38

distributiesystemen voor de verdeling over het eiland. Onderstaande afbeeldingen geven zowel de drie bronnen weer als de twee verschillende distributiesystemen. Bij distributiesysteem a is uitgegaan van transport van het water via buisleidingen, distributiesysteem b gaat uit van een open systeem met watergangen en sloten. De resultaten van de verkenning zijn samengevat: • Water uit de Noorder Krammer is te zout om een betrouwbare bron te zijn. Daarmee valt bron 1 af. • Bron 3, het Haringvliet, voorziet in het zoetste water, maar de kosten voor de aanvoersystemen zijn hoger dan voor bron 2 en deze optie vraagt waarschijnlijk een significant langere realisatietijd. • Het gesloten distributiesysteem, dus de aanvoer door buisleidingen scoort wat waterkwaliteit en effectiviteit betreft het hoogste. Dit gesloten systeem is wel duurder dan de open varianten. Bovendien scoort het open systeem slechter qua omgevingseffecten. • De geraamde aanlegkosten variëren van € 82 miljoen tot € 125 miljoen, de jaarlijkse gebruikskosten variëren van € 1,5 miljoen tot € 2,5 miljoen. Hierbij moet worden aangetekend dat dit indicatieve ramingen zijn passend bij het bescheiden ontwerpdetail van deze verkenning. De praktijk leert echter dat deze zogenaamde standaardsystematiek kostenraming (SSK) realistische kosten berekent.

Als vervolg op deze studie van de kosten van aanvoervarianten is bestudeerd of deze voorziening in verhouding staat tot het economisch belang ervan voor de landbouwsector. Dat blijkt niet het geval. Deze conclusie is gebaseerd op een vergelijking van de productiegegevens van akkerbouwgewassen van twintig bedrijven op Schouwen-Duiveland met twintig bedrijven uit de regio die wel over zoet water beschikken. Deze vergelijking wijst uit dat de productie in de gebieden die wel over zoet water beschikken significant hoger ligt dan in Schouwen-Duiveland. Daarnaast zal een zoetwateraanvoer naar dat eiland de producties ook daar waarschijnlijk significant laten stijgen en een derde uitkomst is dat de extra rendementen van deze extra productie niet opwegen tegen de kosten voor de zoetwateraanvoer. De conclusie luidt dat wanneer de investeringskosten en gebruikskosten tegenover de baten worden gezet, bij geen enkele variant sprake is van een positief saldo.

Bovenop deze financiële beschouwing komt dat het bronwater dat nodig is voor deze aanvoer, niet gegarandeerd beschikbaar is. Nationaal wordt momenteel bestudeerd hoe de waterverdeling efficiënter kan worden ingericht om aan de toenemende vraag te kunnen voldoen. Een extra gebied van water voorzien verhoudt zich daar slecht mee.

Conclusie Externe aanvoer van zoet water naar Schouwen-Duiveland is vooralsnog economisch niet rendabel en creëert een extra maar niet te garanderen watervraag voor het nationale hoofdwatersysteem. Om die reden is er geen actie in deze richting in het Uitvoeringsprogramma opgenomen en er is daarom ook geen verkenning uitgevoerd naar de financieringsmogelijkheden van externe aanvoer. Wel is het in dit kader goed te benoemen dat gezien de omvang van de benodigde investeringen de afweging niet alleen bij de provincie ligt. Om dit soort voorzieningen te kunnen financieren zal een beroep moeten worden gedaan op het Rijk. De politiek-bestuurlijke discussie bij provincie en waterschap over de uitkomsten van dit onderzoek vindt na het zomerreces plaats. Tegelijk vindt de communicatie met de partners uit het gebied plaats. De uitkomsten van deze discussie worden meegenomen in de update van het plan voor de behandeling door Provinciale Staten. Deze vergadering staat gepland voor november 2021.

Externe aanvoer Noord-Beveland en Walcheren Voor Noord-Beveland en Walcheren is door Witteveen + Bos de aanvoermogelijkheid van zoet water onderzocht vanuit de bronlocatie Volkerak-Zoommeer waarbij onderscheidt is gemaakt in wel en geen opslag in Walcheren en Noord-Beveland en wel en geen distributie van het water met pijpleidingen. Daarnaast is ook in drie varianten verkend wat de mogelijkheden zijn voor het uitbreiden van het bereik van de bestaande landbouwwaterleiding. In tabel 2 zijn de onderzochte varianten weergegeven. Bij de start van deze studie zijn ook Zuid-Beveland Zeeuws-Vlaanderen meegenomen. Gedurende de verkenning is de aanvoer naar deze gebieden afgevallen om de volgende redenen:

Figuur 13 a (links) en b (rechts). Overzicht van de beschouwde aanvoeropties met de bronnen (1) Noorder Krammer, (2) Eendracht en (3) Haringvliet, in combinatie met een gesloten distributieringsysteem (a) en een open doorvoersysteem (b).

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

39

Distributie binnen het ontvangende gebied via buizen

Distributie binnen het ontvangende gebied via bestaande oppervlaktewatersysteem

ja

X

X

Noord-Beveland en Walcheren

ja

X

Noord-Beveland en Walcheren

ja

X

4A. Bestaande landbouwwaterleiding (Biesbosch water) maximaal benutten door in de winter tijdelijk ondergronds op te slaan

Zuid-Beveland

nee

X

4B. Bestaande landbouwwaterleiding doortrekken naar Walcheren om in de winter water aan te voeren en tijdelijk ondergronds op te slaan

Walcheren

nieuwe leiding toevoegen aan bestaande leiding

X

4C. Bestaande landbouwwaterleiding doortrekken naar Noord-Beveland om in de winter water aan te voeren en tijdelijk ondergronds op te slaan

Noord-Beveland

nieuwe leiding toevoegen aan bestaande leiding

X

Bron

Gebied dat aanvoerwater ontvangt

Nieuwe pijpleiding voor hoofdaanvoer

1.

Volkerak-Zoommeer zonder opslag in de aanvoergebieden

Noord-Beveland en Walcheren

2.

Volkerak-Zoommeer zonder opslag in de aanvoergebieden

3.

Volkerak-Zoommeer met tijdelijke ondergrondse opslag in de aanvoergebieden, waardoor kleinere aanvoerleidingen

Tabel 2

• Een groot deel van Zuid-Beveland is relatief hoog gelegen en heeft daardoor van nature grote zoetwaterbellen in het ondiepe grondwater, die worden gevoed door het jaarlijkse neerslagoverschot. Deze natuurlijke zoetwatervoorraden worden nu al deels gebruikt door de landbouw in droge perioden, dit gebruik kan worden geoptimaliseerd. Aanvoer van water uit het Volkerak-Zoommeer met een concentratie van 400 mg Cl/l zou naar verwachting tot een ongewenste verbrakking in deze gebieden leiden. • Er is al een bestaande landbouwwaterleiding vanuit de Biesbosch-bekkens naar Zuid-Beveland, die nu in de zomer vooral de fruitteeltpercelen van zoet water voorziet. Echter, deze bestaande leiding kan ook in de winter worden gebruikt om water aan te voeren. Dat water kan ondergronds of bovengronds worden opgeslagen, en vervolgens gebruikt worden voor beregening van akkerbouwpercelen in de zomer. De inschatting is dat op deze manier voldoende zoet water van goede kwaliteit (100 mg Cl/l) kan worden geleverd om als aanvulling op de natuurlijke zoete grondwatervoorraden Zuid-Beveland van zoet water te voorzien. • Vanwege de hoogteligging zijn er in Zeeuws-Vlaanderen zoetwaterbellen aanwezig die door de landbouw kunnen worden gebruikt. Aanvoer van water leidt tot verslechtering van de waterkwaliteit.

• De kosten van externe wateraanvoer zijn hoog vanwege de grote oppervlakte van Zeeuws-Vlaanderen en de passage van de Westerschelde. Daarbij is het goed te vermelden dat er in Zeeuws-Vlaanderen reeds een bestaande aanvoerleiding is die nu wordt gebruikt voor drinkwater en door de industrie. De grootste afnemer van dit water is Dow. Dow streeft ernaar minder water af te nemen uit deze drinkwaterleiding. Als die watervraag werkelijk daalt komt er in potentie meer water beschikbaar voor de omgeving. Dit is verder niet in dit onderzoek uitgewerkt. Ook los van de waterbehoefte ligt het voor de hand in Zeeuws-Vlaanderen en ook in Walcheren en Zuid-Beveland te zoeken naar samenhang in watervraag en waterlevering van de industrie en landbouw. Naast de aanvoer van zoet water via een nieuwe buisleiding is ook onderzocht of de bestaande landbouwwaterleiding verder geoptimaliseerd kan worden Dit is variant 4 met 3 deelvarianten: 4A. Bestaande landbouwwaterleiding in Zuid-Beveland beter benutten door in de winter water ondergronds op te slaan. 4B. Bestaande landbouwwaterleiding doortrekken naar Walcheren, in de winter water ondergronds opslaan. Distributie met buisleidingen.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

40

4C. Bestaande landbouwwaterleiding doortrekken naar Noord-Beveland in de winter water ondergronds opslaan. Distributie met buisleidingen. • Varianten 1, 2 en 3 leveren voor de landbouw op Noord-Beveland en Walcheren elk per jaar maximaal 6 miljoen m3 beregeningswater, via een geheel nieuw wateraanvoersysteem. Uit deze verkenning volgt dat de investeringskosten van deze 3 varianten tot meer dan honderd miljoen euro bedragen. • De varianten 4A, 4B en 4C, dus de uitbreiding van de bestaande landbouwwaterleiding, leveren per jaar respectievelijk voor Zuid-Beveland maximaal 2,2, voor Walcheren 0,7 en voor Noord-Beveland 2,1 miljoen m3 beregeningswater voor de landbouw op. Het onderzochte systeem bestaat uit de bestaande landbouwwaterleiding, distributie via een ringleidingsysteem en ondergrondse wateropslag in zoetwaterbellen met ASR-systemen9 . • De varianten 4A, 4B en 4C zijn niet rechtstreeks vergelijkbaar met de varianten 1, 2 en 3. Uit deze verkenning volgt dat de investeringskosten van de varianten 4A, B en C tientallen miljoenen euro’s bedragen.

9

Conclusie De conclusie voor de verkenning van aanvoer van water uit het Volkerak-Zoommeer is nagenoeg gelijk aan die van de verkenning voor Schouwen-Duiveland: de realisatie van nieuwe buisleidingen voor de aanvoer van extern zoet water is vooralsnog economisch niet haalbaar. De kosten van alle varianten zijn per hectare irrigeerbare landbouwgrond even hoog. Behalve de investeringskosten betreft dit ook de jaarlijks terugkerende beheer- en onderhoudskosten. Dit zijn doorlopende kosten, die ook in minder droge jaren waarin geen externe aanvoer van water nodig is terugkomen. Ook de uitbreiding van de landbouwwaterleiding is economisch niet rendabel. Ook hier zijn de jaarlijks terugkerende kosten voor een waterbehoefte die niet jaarlijks in dezelfde omvang zal voorkomen het meest problematisch. Hierbij wordt opgemerkt dat ook voor deze gebieden de wijze van financiering nu niet is uitgewerkt. En in de bestuurlijke afweging kunnen uiteraard ook voor dit gebied andere aspecten worden meegenomen.

De rapportage is hier te vinden: https://storymaps.arcgis.com/stories/ac00f2a44b1e461fa1212e2948a0b4f7

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

3.7 Functiewijziging en accepteren van restrisico’s Werken aan een robuuste zoetwatersituatie is, zoals beschreven in de introductie in hoofdstuk 1, ook of misschien wel vooral, een maatschappelijke opgave. Maatregelen die ten goede komen aan de één kunnen ongewenste effecten hebben voor de ander. En wat als het, om welke reden dan ook, niet haalbaar is een maatregel uit te voeren? Dan zal de waterbeschikbaarheid in een gebied mogelijk verder onder druk komen te staan en zullen functies in dit gebied moeten worden aangepast aan deze werkelijkheid. De vraag is wat de aanpak is wanneer er geen handelingsperspectief meer is, voor een bedrijf, voor een gebied, voor een functie: Hoe komen we samen tot een aanpak die geen onderscheid genereert tussen winnaars en verliezers? Lastig hierbij is dat niet is te voorspellen hoe snel de veranderingen gaan plaatsvinden. Het klimaat verandert, dat is zeker, maar hoe snel de effecten functie-aanpassing noodzakelijk maken is niet bekend. Duidelijk is wel dat er gemiddelde situaties zijn en excessen. Ook voor wat betreft de zoetwaterbeschikbaarheid. Het is moeilijk hier een standaard-aanpak voor te beschrijven.

41

De situaties die zich zullen voordoen zijn nu niet bekend en de effecten van de veranderingen zullen variëren per gebied. Het uitgangspunt is hierover met elkaar in gesprek te blijven en te blijven zoeken naar de beste mogelijkheden voor Zeeland.

De onderzoeken die aan de basis liggen voor de maatregelen, zijn te vinden op https://www.zeeland.nl/water/zeeuws-deltaplan-zoet-water

42

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

43

4. Nu verder: de aanpak 4.1 Integrale en gebiedsgerichte aanpak: flexibel en adaptief De zoetwaterproblematiek is een complex, veelzijdig vraagstuk dat niet op zichzelf staat. De bodemkwaliteit, de natuuropgaven, de landbouwontwikkelingen, de waterbehoefte van de industrie, de energietransitie, veiligheid waaronder ook de behoefte aan bluswatervoorzieningen, klimaatadaptatie, onze maatschappij en ons gedrag; het heeft allemaal verband met elkaar. Daarbij krijgt het weerbaar worden tegen zoetwatertekorten op vele manieren vorm: er zullen lokale optimalisaties én grootschaligere ingrepen zijn, en transities in bedrijfsvoering én transities in ruimtegebruik. Eén generieke aanpak is daarom niet mogelijk. Centraal in de aanpak staat maatwerk en een integrale aanpak die zoveel mogelijk verbinding legt tussen thema’s en vraagstukken en waarbij oplossingen elkaar versterken (win-win). Deze integrale aanpak is ook nodig om tijdig te kunnen inspelen op kansen die buiten het eigen speelveld liggen. Zo maakt de industrie concrete plannen en voert deze uit om invulling te geven aan de CO2 reductie doelstellingen, de energiedoelen en de doelen die gesteld worden aan de grondstoffentransitie voor 2030, 2040 en 2050. Zoet water lijkt met slechts 1 promille van de kosten voor de industrie en de transities minder van belang maar zonder water is er geen productieproces mogelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10536737/1