CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

20210914 Raadsbrief Zeeuws Deltaplan Zoet Water en externe aanvoer Schouwen-Duiveland bijlage 1

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken24.592 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Zeeuws Deltaplan Zoet Water

2

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

· · ·

ZEEUWS HET ZEEUWS DELTAPLAN DELTAPLAN ZOETZOET WATER WATER

3

Inhoudsopgave Samenvatting

5

Inleiding

9

Leeswijzer

10

Hoofdstuk 1 Introductie: Zoet water in Zeeland; een beschouwing

13

1.1 1.2 1.3 1.4

13 15 15 18

Water in verschillende gedaanten Water van en naar opzij Infiltratie en kwel Probleemstelling

Hoofdstuk 2 Leidende principes

21

Hoofdstuk 3 Beschrijving van maatregelen

23

3.1

23 23 24 25 25 28 30 30 30 30 31 31 32 33 35 35 35 37 37 41

3.2

3.3

3.4

3.5

3.6 3.7

De basis op orde Een sterk ecosysteem Een veerkrachtige bodem Zuinig gebruik Irrigatietechnieken Droogte- en zoutresistentere rassen / gewassen Water langer vasthouden Water in de kavel houden: drainage Water vasthouden in de haarvaten: het secundair & tertiair watersysteem Primair watersysteem: peilbeheer en optimalisatie sturing Water bergen Opslag in bassins en bekkens Opslag in de ondergrond: zoetwaterbellen Wateropslag in natuurgebieden Hergebruik van water Stedelijk water Hergebruik van industrieel water en water uit rioolwaterzuiveringen Ontzilting Water aanvoeren Functiewijziging en accepteren van restrisico’s

Hoofdstuk 4 Nu verder: de aanpak

43

4.1 4.2 4.3 4.4

43 43 43 43

Integrale en gebiedsgerichte aanpak: flexibel en adaptief Wet- en regelgeving Kennis ontwikkelen, kennis delen en monitoren De organisatie: Investeren in samenwerking

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsprogramma

45

HET ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

5

Samenvatting Klimaatverandering en daaraan gerelateerde zeespiegelstijging vormen één van de grootste mondiale problemen van deze tijd. Naast waterveiligheid is ook de zoetwatersituatie in het geding, en dat is dan ook één van de speerpunten van het nationale Deltaprogramma en de regionale Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta. De Zeeuwse uitgangssituatie is gecompliceerd, omdat Zeeland enerzijds slechts beperkt is aangetakt op het zoete rivierhoofdwatersysteem, maar daarnaast te maken heeft met verzilting door de omliggende zoute wateren en het zoute grondwater. Om die reden is voor Zeeland een eigen spoor uitgezet. Al sinds 2014 wordt in het kader van de Proeftuin Zoet Water onderzoek uitgevoerd naar maatregelen die de zoetwatersituatie versterken. Om een samenhangende aanpak te ontwikkelen, is besloten een Zeeuws Deltaplan Zoet Water op te stellen. Het doel van het Zeeuws Deltaplan Zoet Water luidt Zeeland in 2050 weerbaar te laten zijn tegen zoetwatertekorten. Het plan start met een beschouwing van de Zeeuwse gebiedskenmerken die de zoetwatersituatie bepalen, dit om inzicht te verschaffen in de mogelijkheden de zoetwaterbeschikbaarheid te vergroten. De beschouwing wijst uit dat een generieke aanpak onrealistisch is en maatregelen maatwerk vragen om in te spelen op de variabele lokale omstandigheden.

Het plan verkent mogelijke maatregelen voor de nabije toekomst, maar probeert daarbij wel de duurzaamheid op langere termijn in te schatten. Om in het speelveld van verschillende belangen en veranderingen gestructureerd aan oplossingen te kunnen werken, hanteert het Zeeuws Deltaplan Zoet Water een aantal leidende principes, te weten: • • • • • • •

Een gezond ecosysteem als basis Doelmatig gebruik en beheer Functie volgt water Ruimte voor flexibiliteit en adaptatie Blik op de nabije toekomst in het besef van de verre toekomst Gebiedsgericht samenwerken Samen leren om samen beter te beheren

Er zijn meerdere maatregelen mogelijk om de zoetwatersituatie te verbeteren. Een aantal is al lang gemeengoed en wordt veelvuldig toegepast. Andere zijn nog meer theoretisch of als wens ingebracht. In het traject van het Zeeuws Deltaplan Zoet Water is de haalbaarheid en toepasbaarheid van deze maatregelen onderzocht en zijn zij in een voorkeursvolgorde beschreven. De mogelijke maatregelen zijn op de volgende sporen uitgewerkt: De basis op orde: dit spoor gaat in op het belang en de toegevoegde waarde van een sterk ecosysteem en een veerkrachtige bodem. Een gezond en vitaal natuurlijk systeem vormt de leidraad voor de toekomstbestendige inrichting van Zeeland en dus ook voor een waterrobuust Zeeland. Sterke, natuurlijke, systemen

vangen veranderingen makkelijker op. Daarbij speelt de bodem een belangrijke rol in het verbeteren van de watersituatie. Hoewel geen makkelijke, en geen éénduidige opgave, draagt het verbeteren van de bodemkwaliteit significant bij aan het waterbergend, en daarmee waterleverend vermogen van de bodem. Zuinig gebruik: Zuinig en zo efficiënt mogelijk omgaan met water heeft uiteraard prioriteit. Water dat op een moment niet gebruikt wordt of verdampt, blijft beschikbaar voor andere momenten of andere locaties. Kritisch zijn op de keuze van type irrigatiemethode is voor de nabije toekomst een belangrijke opgave. Er zijn grote verschillen zijn in watergebruik en effectiviteit tussen de verschillende technieken. Aanbevolen wordt doelmatiger irrigatiemethoden te stimuleren. Er zijn grote verschillen in waterbehoefte tussen gewassen. Droogtegevoelige gewassen zouden moeten worden verbouwd op de minst droogtegevoelige gronden. Ook voor wat betreft zouttolerantie is te spelen met type gewas en ras. Ook met veredeling zijn al grote stappen gezet. Hierbij is opgemerkt dat onderzoek naar de werkelijke zouttolerantie van gewassen nodig is. Water langer vasthouden: Waar van oudsher de nadruk ligt op het snel afvoeren van overtollig water is het vasthouden van water tegenwoordig zeker zo belangrijk.

Met peilgestuurde drainage kan het waterpeil in het perceel worden afgestemd op de weers- en productieomstandigheden. Daarnaast kan met stuwen in het secundaire en tertiaire watersysteem (de sloten) door de agrariërs zelf het water worden vastgehouden. Het waterschap houdt al enkele winters de oppervlaktewaterpeilen van de primaire waterlopen hoger waardoor ook het grondwater langer op een hoger peil blijft. Voor de toekomst zullen hier optimalisaties nodig zijn. Ingrepen in het primaire watersysteem vereisen meer afstemming en overleg in gebiedsprocessen, dit wordt meegenomen in het programma Planvorming Wateropgave (PWO). Water bergen: Water dat in natte periodes over is, kan op meerdere manieren worden opgeslagen. Opslag in kunstmatige bassins is een optie, maar creëert een vraagstuk m.b.t. de landschappelijke kwaliteit. Er zijn echter mogelijkheden te sturen op goede landschappelijke inpassing en de creatie van ecologische meerwaarde. Water kan ook worden opgeslagen in de ondergrond, in zoetwaterbellen. Dit is een kansrijke aanpak, al variëren de mogelijkheden sterk naar gelang de lokale kenmerken. Regelgeving en het eigendomsvraagstuk (van wie is het water) zijn belangrijke onderwerpen van de vervolgaanpak. De derde onderzochte optie is wateropslag in natuurgebieden.

De mogelijkheden hiervoor variëren per natuurgebied en vragen telkens maatwerk dat in overleg met terreinbeheerders en agrariërs vorm moet krijgen. Het onderzoek wijst uit dat het zinvol is de haalbaarheid per gebied aan de hand van een vast toetsingskader te onderzoeken. Hergebruiken van water: Water uit stedelijk gebied, dus afkomstig uit de rioolwaterzuiveringen, en water van afvalwaterzuiveringen van de industrie kan, eventueel met nazuivering, worden

6

hergebruikt door bijvoorbeeld de landbouw. Wet- en regelgeving maakt het nog lastig water uit rioolwaterzuiveringen te hergebruiken. Daarbij is het hergebruiken van afvalwater economisch nog niet rendabel en met name de distributie van het water naar de kavels is een flinke opgave. Er lopen reeds meerdere pilotprojecten en onderzoeken. Ontzilting is een andere manier om de waterbeschikbaarheid te vergroten. Ook ontzilting is nog erg duur maar omdat ontziltingsinstallaties op vele plekken (decentraal) kunnen worden geplaatst is het wel een doelgerichtere oplossing dan een compleet nieuw

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

aanvoerstelsel (zie hierna). Water aanvoeren: Voor Schouwen-Duiveland en Walcheren en Noord-Beveland zijn de mogelijkheden voor aanvoer van zoet water van elders (o.a. de Noorder Krammer, Eendracht en Bathse Spuikanaal) met buisleidingen en open watergangen onderzocht. De conclusie luidt dat externe aanvoer vooralsnog economisch niet rendabel is, de kosten zijn hoger dan de verwachte meeropbrengsten voor de landbouw. Naast de investeringskosten spelen de jaarlijkse onderhouds- en beheerkosten, ook in jaren met een beperkte watervraag, hierbij een grote rol.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

De beschreven maatregelen zijn meest technisch van aard, maar werken aan een robuuste zoetwatersituatie is wellicht vooral een maatschappelijke opgave. De omstandigheden veranderen en zullen dit blijven doen. De situaties die zich voordoen zijn nu niet bekend en de effecten ervan zullen variëren per gebied. In gesprek blijven met elkaar en het samen zoeken naar de beste oplossingen is het uitgangspunt. Voor de vervolgaanpak staat de gebiedsgerichte en integrale aanpak centraal. Het voortzetten, uitbreiden en leren van de bestaande projecten waaronder de Broedplaats Schouwen-Duiveland is een logische weg. Daarbij dient voldoende

7

aandacht te zijn voor de plaats en functie van wet- en regelgeving. Bestaande wetten en regels staan het uitrollen van innovaties soms in de weg, maar hebben wel hun oorspronkelijke doel: het beschermen van het algemene belang. Kennis ontwikkelen en kennis delen blijft een voortdurende opgave en daarnaast dient blijvend te worden geïnvesteerd in het opzetten en vasthouden van samenwerking. Het werken aan een robuuste zoetwatersituatie is een verantwoordelijkheid van alle overheden, bedrijven, eindgebruikers, inwoners, gebiedsbeheerders etc.

8

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

9

Inleiding De droogte van de jaren 2018, 2019 en 2020 staat nog duidelijk op ons netvlies. Juist in de groeiseizoenen was er te weinig water beschikbaar voor de landbouw en ook de natuur heeft schade opgelopen door de lange droge periodes. De kans op onbalans in vraag en aanbod van zoet water zal door de klimaatverandering verder toenemen. De toenemende kans op lange droge periodes is één van de vier effecten van klimaatverandering. De andere drie effecten zijn: • Wateroverlast door extreme buien • Vaker en langere hittegolven • Toenemend risico op overstroming

Gedeputeerde Staten opdracht gegeven hiervoor een Zeeuws Deltaplan Zoet Water te maken. Met dit plan moet een samenhangende aanpak voor voldoende zoet water en goede waterkwaliteit worden geborgd. Het plan is één van de bouwstenen van de Klimaatadaptatie strategie Zeeland en kan gezien worden als een praktische invulling voor het Zeeuwse deelgebied uit de Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050.

In de Concept Klimaatadaptatiestrategie Zeeland 2021 – 2026 is voor alle vier de effecten een strategie en aanpak beschreven. Dit Zeeuws Deltaplan Zoet Water richt zich specifiek op de aanpak en de maatregelen voor het versterken van de zoetwatersituatie, en daarmee het verminderen van de risico’s op het optreden van schade door droogte en verzilting.

Weerbaar zijn kan op het eerste gezicht opgevat worden als een actieve (technische) aanpak van weerstand bieden tegen de autonome ontwikkelingen van zeespiegelstijging en klimaatopwarming, met als doel de actuele zoetwatersituatie te bestendigen. Weerbaar kan ook sociaal-economisch geduid worden, zowel voor een individu als voor een gehele samenleving. Samenvattend wordt gesteld dat de weerbaarheidsambitie zoals die hier bedoeld is erop neerkomt dat we zodanig goed met een langdurige droogteperiode kunnen omgaan, dat die niet ontwrichtend is voor de samenleving: er kan wel sprake zijn van ongemak of schade, maar er is geen catastrofe. De problemen én de onzekerheid over de ontwikkelingen in de toekomst zijn groot. Het is duidelijk dat samenwerking, met een gezamenlijk en gedeeld uitvoeringsprogramma, essentieel is voor het bereiken van resultaat. Een integrale aanpak, over sectorale thema’s heen en in samenhang met beleid en programma’s zoals het nationale Deltaprogramma Zoetwater, de Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050 en de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland staat centraal. Het Zeeuws Deltaplan Zoet Water heeft verder concrete raakvlakken met het Programma Natuur, het Programma Volhoudbare landbouw, het Masterplan ‘Zoet water voor Zeeland’ , de Regionale Energiestrategie en de Omgevingsvisies- en plannen.

Ook aansluiten bij en het betrekken van onderwijs, kennisinstellingen, onderzoek en wetenschap en het Delta Kenniscentrum is belangrijk.

De toenemende kans op lange droge periodes is voor heel Nederland, en uiteraard ook daarbuiten, een risico en uitdaging. De uitgangssituatie in Zeeland is echter anders dan de ‘gemiddelde uitgangssituatie’ in Nederland. Zeeland heeft slechts zeer beperkt aanvoer van zoet water (vanuit het Volkerak-Zoommeer, de landbouwwaterleiding naar Zuid-Beveland en de afstroming van zoet water in Zeeuws-Vlaanderen). Daarbij heeft Zeeland ook te maken met verzilting door de omliggende zoute wateren en het zoute grondwater. Om ook in Zeeland de zoetwatersituatie op peil te houden is, als uitwerking van het nationale Deltaplan, een eigen spoor uitgezet. In Zeeland heeft dat al in 2014 geresulteerd in de Proeftuin Zoet Water, een projectenprogramma met een innovatief, onderzoekend karakter, gericht op zelfvoorziening. Om voor Zeeland een samenhangende aanpak te ontwikkelen voor het borgen van de beschikbaarheid van voldoende zoet water van een goede kwaliteit, hebben Provinciale Staten en het college van

Het doel van het Zeeuws Deltaplan Zoet Water volgt de nationale doelstelling: Zeeland is in 2050 weerbaar tegen zoetwatertekorten.

Het werken aan een Zeeland dat weerbaar is tegen zoetwatertekorten heeft raakvlakken met meerdere beleidsstukken en programma’s. Onderstaand een opsomming van deze documenten.

Overheid

Agrarische sector (LTO en partners)

Klimaat / water

Landbouw / natuur

Water / landbouw

Deltaprogramma (Rijksoverheid)

Interbestuurlijk programma Vitaal Platteland (Rijksoverheid)

Deltaplan agrarisch waterbeheer

Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050

Programma Natuur

Masterplan ‘Zoet water voor Zeeland’

Zeeuws Deltaplan Zoetwater

Visie Landbouw, natuur en voedsel waardevol verbonden

Klimaatadaptatiestrategie Zeeland 2021 - 2026

Ambitiedocument Samen werken aan het Zeeuwse Platteland

Regionaal Waterplan Waterschapsbeheerprogramma

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

10

Er lopen al vele onderzoeksprojecten en al vele maatregelen zijn in uitvoering. De lopende projecten en onderzoeken zijn weergegeven op de verkenningenkaart. Deze kaart is te vinden op de website van de Provincie Zeeland: https://kaarten.zeeland.nl/ map/zoet_water

Leeswijzer Voor het vinden van een optimale aanpak en doelgerichte oplossingen, is het belangrijk de zoetwatersituatie in Zeeland goed te begrijpen. Hoofdstuk 1 begint daarom met een beschouwing van de specifieke kenmerken van Zeeland die de beschikbaarheid van zoet water bepalen. Om in een traject met onzekerheden en soms afwijkende belangen toch vooruit te komen is er voor gekozen om samen met alle

1

Aan de werkgroep nemen deel: Waterschap Scheldestromen, ZLTO, ZAJK, ZMF, Dow, HZ University of applied Sciences (HZ), Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Het Zeeuwse Landschap, Evides, Gemeente Noord-Beveland, Gemeente Terneuzen, Gemeente Tholen, Gemeente Schouwen-Duiveland, Veiligheidsregio Zeeland.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

stakeholders leidende principes te formuleren. De leidende principes geven houvast en maatregelen en acties worden aan deze principes getoetst. De leidende principes zijn uitgewerkt in hoofdstuk 2. Hoofdstuk 3 belicht de verschillende maatregelen die kunnen bijdragen aan het verbeteren van de zoetwatersituatie. Dit hoofdstuk richt zich op de meer technische en landbouwkundige maatregelen. Er is een stip gezet op de horizon: in 2050 is Zeeland weerbaar tegen zoetwatertekorten. Behalve technische maatregelen is voor het behalen van resultaat ook de manier van werken en de wijze van organiseren van belang: wie heeft welke rol, hoe werken we goed samen, wat is de rol van beleid en regelgeving, wat vraagt het van

11

onze organisaties? Deze aanpak is uitgewerkt in Hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 sluit vervolgens af met het Uitvoeringsprogramma. Dit plan is tot stand gekomen in een interactief proces waarbij vanaf de start is samengewerkt met een brede groep stakeholders1. De verkenningen en onderzoeken zijn samen met de stakeholders uitgevoerd en de resultaten zijn in de vorm van bespreeknotities met deze groep (de werkgroep) besproken. Het Zeeuws Deltaplan Zoet Water is een plan dat in ontwikkeling zal blijven. Het is niet zo dat met dit plan de aanpak voor de komende decennia in steen gebeiteld is. Nieuwe kennis, inzichten en ervaringen worden steeds weer samengebracht en waar nodig vertaald naar nieuwe maatregelen of een nieuwe aanpak.

12

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

13

1. Introductie: Zoet water in Zeeland; een beschouwing Dit hoofdstuk beschrijft de specifieke kenmerken van de zoetwatersituatie in Zeeland. Het verspreiden van kennis over zoet water in Zeeland en een goed besef van de factoren die de zoetwatersituatie vormgeven, is een belangrijke opgave van het Zeeuws Deltaplan Zoet Water. Dit hoofdstuk vult een deel van die opgave in. Zeeland, Land in Zee. Geen andere Nederlandse provincie heeft zo’n lange kustlijn als Zeeland. Vanuit toeristisch oogpunt is dat een “unique selling point”, maar het is niet enkel goud dat er blinkt, want de invloed van het zoute water stopt niet bij de kustlijn. En dat is lastig voor een provincie waarvan driekwart van het grondgebied een agrarische bestemming heeft met sterke behoefte aan zoet water. Hoe zit dat eigenlijk met zoet en zout water in Zeeland? Dit Zeeuws Deltaplan Zoet Water (ZDZW) beschrijft de resultaten van een zoektocht in opdracht van de Zeeuwse provinciale politiek, naar mogelijkheden om de Zeeuwse zoetwatersituatie robuuster te maken. Het verlenen van zo’n opdracht verandert de complexiteit van het vraagstuk uiteraard niet, een complexiteit die wordt bepaald door de combinatie van natuurlijke gebiedskenmerken en uiteenlopende eisen voor gebruik van zoet water door mensen.

Zo snapt iedereen dat overvloedige neerslag vanwege de hoogteligging van Zeeland niet vanzelf naar zee afstroomt en dus regelmatig actief moet worden afgevoerd om droge voeten te houden. In droge perioden groeit de behoefte aan zoet water, terwijl het dan slechts beperkt beschikbaar is vanwege de ligging in een zoute omgeving en de bescheiden externe aanvoer. Technisch zijn verschillende maatregelen denkbaar, maar de hoge kosten maken ze niet vanzelfsprekend. Alvorens de verschillende technische maatregelen langs te lopen, is het zinnig de Zeeuwse zoetwatersituatie te beschouwen. Enerzijds om daarmee de complexiteit van het vraagstuk beter te doorgronden, maar anderzijds om het geruststellende besef op te doen dat water zich heel voorspelbaar gedraagt onder invloed van vaste natuurwetten. Met wat inzicht in neerslag- en verdampingspatronen en een gedegen omgevingskennis kan men zelf een analyse van de lokale zoetwatersituatie maken en de eventuele opties die te verbeteren. Want dat is het goede nieuws op voorhand: er is op veel plaatsten ruimte de zoetwatersituatie robuuster te maken door gebruik te maken van de natuurlijke omstandigheden.

Het is de ambitie de lezers van het Zeeuws Deltaplan Zoet Water niet alleen een overzicht te geven van de beschouwde zoetwatermaatregelen, maar ook te helpen een analyse van de eigen specifieke zoetwatersituatie uit te voeren en daarmee handvatten te vinden voor de verbetering daarvan. In het voorgaande is meerdere keren de term zoetwatersituatie gebruikt. Omdat die een centrale rol in dit document inneemt, is het van belang deze term te definiëren. De zoetwatersituatie geeft

de potentie van een gebied of onderneming aan om in zijn zoet waterbehoefte te voorzien. Het gaat dus niet alleen over de mate waarin zoet water, al dan niet van nature, aanwezig is, maar ook over de zoetwaterbehoefte van het betreffende gebied of onderneming. Een landbouwgebied direct langs een grote rivier heeft uiteraard een prima zoetwatersituatie, net als een waterintensieve papierfabriek langs dezelfde rivier. Maar in het geval van een bescheiden watervraag kan een onbeduidend slootje ook al een prima zoetwatersituatie borgen. Kortom, de zoetwatersituatie gaat niet zozeer over absolute getallen, maar om de verhouding tussen behoefte en beschikbaarheid.

1.1

Water in verschillende gedaanten

Water is op aarde in verschillende vormen aanwezig: in de gasfase als waterdamp, in vloeibare vorm als regulier water en in vaste vorm als ijs. De totale hoeveelheid verandert nauwelijks in de tijd, hoewel water (soms tijdelijk) door biochemische processen in andere chemische structuren kan opgaan en buiten beeld raakt. Voor Zeeland zijn de faseovergangen tussen de gas- en vloeistoffase vooral van belang. In het ene geval ontstaat er regen, terwijl in het andere geval water verdampt en verdwijnt van de plek waar het was. Het praktische van deze laatste faseovergang is dat het feitelijk ook meteen zuivert en puur water levert dat later na condensatie als schone regen terug op aarde valt. In Zeeland is op jaarbasis nagenoeg altijd sprake van een neerslagoverschot, maar kijken we naar de zomer dan treedt een verdampingsoverschot op. Figuur 1 geeft de gemiddelde (gemeten) neerslag, de (berekende) verdamping en hun som over de jaren 1991-2020 voor het weerstation Wilhelminadorp. Het verloop van de curves maakt duidelijk dat verdamping een geleidelijk patroon over het jaar vertoont met uiteraard maximumwaarden gedurende de hoogzomer. Neerslag valt betrekkelijk gelijkmatig gedurende het jaar met de laagste waarden begin april en de hoogste eind september.

De groene lijn geeft het neerslagoverschot aan en zodra die beneden de nullijn duikt (gemiddeld eind maart), is er sprake van een neerslagtekort oftewel een verdampingsoverschot. De grafiek voor Wilhelminadorp wijkt enigszins af van die van Vlissingen, in de zin dat de neerslag in Vlissingen een maand eerder piekt dan in Wilhelminadorp (dus eind augustus), maar vooral doordat de neerslag op jaarbasis gemiddeld 60 mm minder is. Dat neerslagverschil komt ook helder naar voren in figuur 2, waarin de jaarlijkse neerslagoverschotten voor Vlissingen en Wilhelminadorp samen zijn weergeven met die van De Bilt. Overduidelijk scoort Vlissingen overwegend laag en De Bilt hoog. De verschillen zijn zowel toe te schrijven aan de neerslagverschillen, waarbij De Bilt het natst is en Vlissingen het droogst, als aan de verdampingswaarden die juist in Vlissingen het hoogst zijn2.

2 Gemiddelde neerslag/verdamping in cm/per jaar: De Bilt 86/57, Wilhelminadorp 82/62 en Vlissingen 75/64.

14

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

Figuur 1. Neerslag, verdamping en hun som in Wilhelminadorp over de jaren 1991-2020, m.u.v. 2014-2017 toen het weerstation buiten gebruik was. Om het gemiddeld verloop te accentueren zijn de 30-daagsgemiddelde waarden getoond.

Figuur 2. Jaarlijkse neerslagoverschotten in De Bilt, Vlissingen en Wilhelminadorp. De waarden tussen haakjes geven de gemiddelde waarden per station aan, waarbij voor alle stations de jaren 2014-2017 buiten beschouwing zijn gelaten.

Figuur 3. Daggemiddelde Rijnafvoeren bij Lobith over de periode 1901-2020.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

De figuur maakt duidelijk dat er slechts sporadisch een neerslagtekort op jaarbasis optreedt. Opvallend is de relatief hoge waarde van Wilhelminadorp in 2018, die volledig kan worden toegeschreven aan twee wolkbreuken in het voorjaar. Richting de toekomst is het uiteraard van belang of er een neerslagoverschot zal blijven bestaan. Het KNMI heeft verschillende klimaatscenario’s doorgerekend en voorziet voor alle een toename in neerslag. Daar staat een toename in zomerse verdamping tegenover, maar die toename wordt kleiner ingeschat dan die van de neerslag. Het lijkt derhalve aannemelijk dat er gemiddeld gesproken een jaarneerslagoverschot zal blijven bestaan. Hoewel dat positief lijkt vanuit zoetwaterperspectief, moet worden beseft dat het grilliger weerpatroon het wel lastiger maakt dit overschot te benutten. Het belang van flexibel waterbeheer neemt daarmee toe.

1.2 Water van en naar opzij In de voorgaande paragraaf lag de nadruk op verticale aan- en afvoer van water (neerslag en verdamping), maar uiteraard kan water ook horizontaal vanuit de omgeving aangevoerd worden. Een bescheiden verhang volstaat voor de stroming. Op nationale schaal is die horizontale aanvoer enorm en komt voor ongeveer 90% voor rekening van de Rijn, die de afwatering van een enorm achterland verzorgt. De Rijn is een uiterst betrouwbare wateraanvoer met een bescheiden variatie door het jaar heen. Uiteraard zijn er incidenteel hoge en lage afvoeren, maar het overwegende afvoerpatroon is behoorlijk voorspelbaar met een bijna tweemaal hogere afvoer in de winter dan in de nazomer. Figuur 3 toont het gemiddelde jaarafvoerpatroon bij Lobith over de periode 1901-2020. Het relatieve verschil tussen de hoogste afvoeren in begin januari en de laagste begin oktober bedraagt slechts een factor 1,8. De gemiddelde afvoer over de gehele periode bedraagt 2212 m3/s. Dat levert op jaarbasis een enorm volume water waarmee, om een gevoel te krijgen voor de dimensie, elk droog stuk Nederland (let wel, dat is inclusief de Waddeneilanden, Tiengemeten en zelfs de Hompelvoet) van een waterschijf van 207 cm zou kunnen worden voorzien (ter vergelijking: in een jaar tijd valt er gemiddeld 85 cm neerslag).

De externe horizontale aanvoer is dus aanzienlijk groter dan de verticale aanvoer in de vorm van neerslag, alleen is hij ruimtelijk minder egaal verdeeld. Zo ontvangen de Waddeneilanden geen druppel en ook grote delen van Zeeland blijven verstoken van dit water. Aldus varieert de zoetwaterbeschikbaarheid binnen Nederland enorm en zelfs binnen Zeeland zijn de verschillen groot. Een punt dat ten aanzien van de Rijnafvoer nog extra aandacht verdient, betreft de minimale afvoer en de verwachte ontwikkeling daarvan in de toekomst. Om te beginnen met de historische minimale afvoeren bij Lobith. Wanneer die in de maanden juli, augustus en september lager is dan 1200, 1100 en 1000 m3/s, geldt de doorspoeling van het Volkerak-Zoommeer als bespreekgeval. Bij 800 m3/s is wordt hij hoe dan ook gestaakt. Dat klink onheilspellend, maar tussen 1901 en 2020 zijn er slechts 365 dagen geweest waarop die ondergrens werd onderschreden en daarvan vielen er slechts 16 in de maanden maart t/m augustus. De gangbare publieke opvatting is dat de afvoeren drastisch zullen afnemen, omdat de gletsjers smelten. Dat de gletsjers smelten klopt weliswaar, maar de invloed ervan op de Rijnafvoer moet niet

15

overschat worden. Een wetenschappelijke analyse van de gletsjerbijdrage aan de afvoer van de Rijn over de jaren 1901-2006, wijst uit dat die gemiddeld stabiel 0,8% op jaarbasis bedraagt. In september is hij het hoogst en bedraagt dan gemiddeld 4,2% van de afvoer. In warme zomers is dat wat meer, in koele zomers wat minder. De toekomstverwachting is dat de gletsjerbijdrage geleidelijk zal afnemen, maar omdat die term zo bescheiden is, zegt dit weinig over het totale afvoerdebiet. Dat wordt veel sterker bepaald door de toekomstige neerslag in de Alpen. Momenteel wordt aan de hand van modelonderzoek een inschatting gemaakt van de toekomstige minimale afvoeren. Dit onderzoek zal dit najaar worden gepubliceerd. Vooralsnog resulteert doorrekening volgens de vier reguliere KNMI-klimaatscenario’s in een gelijkblijvende minimale afvoer in 2050 volgens twee van de vier scenario’s, terwijl de andere twee respectievelijk uitkomen op een afname en toename met 5%. Naast de Rijn voert ook de Maas zoet water aan, maar op jaarbasis is dat slechts ongeveer 10% van het Rijndebiet. Bovendien is het verschil tussen zomer en winter veel groter dan bij de Rijn vanwege het feit dat de Maas niet structureel smeltwater afvoert. Het belang van de Maas voor de nationale zoetwatersituatie is daarom onvergelijkbaar met dat van de Rijn.

De aanvoeren van Schelde en Eems zijn voor de zoetwatersituatie al helemaal onbeduidend, omdat deze rivieren bij het passeren van de grens al niet meer zoet zijn. Het oostelijk deel van Zeeland profiteert direct van de rivieraanvoer via inlaten aan het Volkerak-Zoommeer. Het water is weliswaar wat minder zoet dan stroomopwaarts, maar de beschikbare hoeveelheid is enorm. Er is ook een meer technische afgeleide aanvoer, namelijk d.m.v. pijpleidingen die in de Biesbosch worden gevoed met zoet water. Deze leidingen voorzien zowel in water voor drinkwaterbereiding als voor industrieel gebruik en in wat geringere mate voor landbouwkundig gebruik. Deze laatste wordt aangeduid als landbouwwaterleiding en voorziet met name de fruitteelt in Zuid-Beveland. Op regionale schaal zijn er ook enkele natuurlijke horizontale aanvoeren, die overigens net als de Rijn en de Maas te danken zijn aan reliëf. Zo kwelt regenwater dat in hoger gelegen gebieden valt aan de voet van de verhoging op. Dat is aan de orde bij de Brabantse Wal, bij de duinen, en in wat mindere mate langs de grens met Vlaanderen, vanwege het geringere hoogteverschil. In alle gevallen geldt de vertraging van de kwelstroom ten opzichte van de neerslag als een voordeel, want het water komt ook beschikbaar wanneer de regen is geweken en de zon zijn werk doet.

Uiteraard is er niet alleen sprake van aanvoer van water, maar (gelukkig) ook van af- en doorvoer. De Noordzee is in dat geval altijd de eindbestemming.

1.3 Infiltratie en kwel Het verhaal van aan- en afvoer is overzichtelijk, maar helaas beschrijft het de zoetwaterbeschikbaarheid voor met name het deel van Zeeland zonder externe wateraanvoer niet adequaat. Daar spelen drie zaken die de zoetwaterbeschikbaarheid sterk beïnvloeden. Ten eerste behoort het droge land van Zeeland tot Laag-Nederland met een hoogteligging van zo om en nabij NAP-niveau. Daarnaast is het land opgebouwd uit sedimenten, zodat er geen werkelijk ondoordringbare aardlagen zijn. De combinatie van deze twee is dat de invloed van de zee zich in het hele gebied doet gelden. Ten derde is het land erg plat, zodat neerslag van nature beperkt zijwaarts

16

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

Figuur 4. Overzicht van het geringe reliëf in Zeeland (https://www.ahn.nl/ahn-viewer). Verreweg het grootste deel van het land ligt tussen NAP -1m en +1m, met hier een daar wat diepere “kuilen” en hogere “bobbels”. De hoogste daarvan in de figuur, de Brabantse Wal, ligt overigens in Brabant, maar heeft wel betekenis voor de Zeeuwse zoetwatersituatie

afstroomt en water dus relatief lang verblijft waar het valt. De overwegende richting waarin het zich kan verplaatsen is verticaal, dus de bodem in. Men spreekt van inzijging. Vanwege de invloed van de zee, zou het grondwaterpeil onder strikt natuurlijke omstandigheden zo rond NAP schommelen, met dicht langs de kust op dagbasis een fluctuatie onder invloed van het getij. Maar er is in Laag-Nederland natuurlijk geen sprake van strikt natuurlijke omstandigheden. Zo vormen dijken een barrière tussen land en zee en zijn de verschillende eilanden of deelgebieden in feite grote “badkuipen”. Gegeven het gemiddelde neerslagoverschot op jaarbasis zou er in Zeeland zonder actieve afwatering nauwelijks sprake zijn van droog land en zou het grootste deel nagenoeg continu plasdras zijn. Dat zou het land praktisch onbewoonbaar maken. Het wegpompen heeft echter twee schaduwzijden. Enerzijds klinkt de bodem er door in, het meest in veengebieden, en anderzijds vermindert het de natuurlijke binnendijkse hydrostatische druk. En dat versterkt weer de invloed van de zee op het binnendijkse grondwater (kwel). Het is interessant dit laatste in historisch perspectief te beschouwen. Tot pakweg duizend jaar geleden was Zeeland niet bedijkt en stond het hele gebied onder directe invloed van de zee. Praktisch het volledige oppervlak was daardoor zout.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

17

Figuur 5. Zoet-zoutverdeling op de vlieglijn tussen de Oosterschelde nabij Wissenkerke (links) tot de Westerschelde ten oosten van Borssele

(rechts). De meting is uitgevoerd in de zomer van 2015. De witte banden in de figuur duiden op gebieden die niet gemeten konden worden wegens hoogspanningsleidingen. Het roze symbool geeft de Middelplaten aan Dat is aan de zuidzijde van het Veerse Meer, herkenbaar in de figuur als wit blokje links naast de Middelplaten. De gegevens zijn voor heel Zeeland vrij beschikbaar via https://kaarten.zeeland.nl/map/freshem. Er moest wel sprake zijn van een buitengewoon geringe watervraag (voor menselijke of dierlijke consumptie), om te kunnen spreken van een goede zoetwatersituatie. De aanleg van dijken verkleinde de directe invloed van de zee aanzienlijk en omdat de afwatering aanvankelijk nog niet of in zeer beperkte mate actief plaatsvond, verbleef het zoete regenwater voldoende lang om daadwerkelijk in te zijgen. Op hoger gelegen plaatsen met een goed waterdoorlatende bodem gebeurde dat uiteraard sneller dan op andere plekken. Het inzijgende regenwater drukte het aanwezige zoute water omlaag, waardoor aanzienlijke zoete grondwaterbellen ontstonden op plekken met een zandige bodem. Op plekken met klei in de ondiepe ondergrond infiltreerde het water veel trager, waardoor de beldikte beperkt bleef tot een lens van slechts enkele meters.

Dat het freatisch grondwater, het eerste grondwater dat we tegenkomen wanneer we vanaf het maaiveld de bodem ingaan, nu in de 21e eeuw bijna overal zoet is en dat er her en der aanzienlijke zoetwaterbellen zijn, is volledig te danken aan de badkuipen die onze voorouders hebben gecreëerd door ons land te bedijken. Dat de volgende generaties zich vooral bekwaamden in het efficiënt afvoeren van water heeft ertoe geleid dat het maaiveld daalde, zodat het gemiddelde grondwaterpeil nu een stuk beneden NAP ligt. Dit is in versterkte mate het geval in gebieden met veen (en

klei) in de ondergrond, daar is zelfs het maaiveld tot onder NAP gezakt. Deze gebieden zijn in figuur 4 herkenbaar als de blauwe vlekken. Op deze plaatsen zit het zoute grondwater dicht onder het maaiveld, wat te wijten is aan de relatief lage hydrostatische druk. In veel van deze gebieden is er een netto stroom van grondwater naar het oppervlak. Deze stroming wordt kwel genoemd en is in Zeeland zo goed als overal zout. Voor de reguliere (zoete) landbouw is zoute kwel een groot probleem. Het historisch perspectief uit de vorige alinea’s kan de indruk wekken dat de dynamiek van het grondwater zó gering is dat er eeuwen nodig zijn om veranderingen te laten plaatsvinden. Dat is echter niet het geval, want als de omstandigheden goed zijn, kunnen grondwaterlichamen zich snel vormen. Dat kan prachtig geïllustreerd worden aan de hand van de ondergrondse zoet-zoutverdeling in figuur 5. Dit betreft een met een helikopter uitgevoerde meting op de vlieglijn van ongeveer 22 km lang tussen de Oosterscheldedijk ten noordoosten van Wissenkerke en de Westerscheldedijk tussen Borssele en Ellewoutsdijk. Op deze vlieglijn is om de vier meter een meting uitgevoerd. De kleur blauw duidt op de aanwezigheid van zoet water, rood staat voor zout. De roze “propeller” geeft het gebied aan van de Middelplaten in het Veerse Meer.

Dit gebied met een hoogteligging van NAP + 1 -1,5 m, stond tot 1961 onder directe invloed van het getij en ging met hoge vloeden geheel onder water. Het was daardoor onge-

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

18

Figuur 6. Deze afbeeldingen geven aan dat de toename in

verwachte kwel vooral wordt bepaald door de afstand tot het buitenwater, tenzij de hoogteligging dusdanig is dat infiltratie van neerslag de overhand blijft houden, zoals in de Kop van Schouwen. De huidige situatie rond het Kanaal Gent-Terneuzen geeft geen realistisch beeld aan, omdat het peil daar nu al meer dan NAP + 2m is.

twijfeld behoorlijk zout. Na de afsluiting van het Veerse Gat en de Zandkreek viel het getij weg en zeeg het zoete water de relatief hooggelegen ondergrond in. Ondanks de directe nabijheid van het zoute Veerse Meer heeft zich een zoetwaterbel kunnen vormen die tot zo’n 13 meter diepte rijkt. Het voorbeeld geeft aan dat zich in elk geval in enkele decennia tijd, en wellicht zelfs aanzienlijk sneller, een zoetwaterbel kan vormen wanneer de inzijgingsomstandigheden goed zijn. En dat biedt handelingsperspectief, zoals later zal worden toegelicht.

1.4 Probleemstelling Op deze plek in de inleiding is het goed nog even stil te staan bij de factoren die de probleemstelling t.a.v. zoet water voor Zeeland bepalen. In de vorige paragraaf is de relatie tussen kwel en infiltratie in functie van de hoogteligging t.o.v. NAP beschreven. Met het stijgen van het zeeniveau wijzigt de kweldruk binnendijks, want de hydrostatische druk van het zeewater neemt immers toe. De omstandigheden voor inzijging verslechteren daardoor. Dat is het meest direct merkbaar in de nabijheid van de waterkering, de doorwerking dieper landinwaarts verloopt traag, omdat de iets hogere druk geen grote horizontale stroming induceert. Om een inschatting te maken van de toekomstige verziltingsdruk is op een eenvoudige manier aan de hand van (i) de afstand tot zout buitenwater, (ii) de hoogteligging van het land en (iii) de doorlatendheid van de ondergrond, berekend hoe de kweldruk zal veranderen onder invloed van zeespiegelstijging. Dat levert onderstaande plaatjes op waarbij de linkse de huidige kweldruk aangeeft en de rechtse die bij een twee meter hogere zeespiegel. De figuur geeft

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

helder aan dat de kweldruk met name in de nabijheid van open zout water flink zal toenemen. Op sommige plaatsten zal het land daardoor zodanig verzilten dat rendabele reguliere zoetwaterlandbouw moeilijker realiseerbaar wordt. Toenemende kwel is een belangrijke complicerende factor voor de Zeeuwse zoetwatersituatie, maar niet de enige. Het klimaat verandert immers ook en hoewel klimatologen meer neerslag op jaarbasis verwachten, verwachten zij ook dat de verdeling door het jaar heen schever komt te liggen dan in het verleden, namelijk met nattere winters en drogere zomers. Los van die verdeling op seizoensbasis speelt dat de incidentele schommelingen tussen droog en nat extremer worden; het toekomstige weer wordt grilliger. En dat compliceert weer het waterbeheer dat niet alleen moet kunnen omgaan met normale omstandigheden, maar juist ook met extremen. De werkelijke probleemstelling m.b.t. zoet water is dan ook hoe we als samenleving, dus overheden en bewoners samen, ondanks toenemende kweldruk en lastiger klimaatomstandigheden, een robuuste zoetwatersituatie kunnen bewerkstelligen. Dat is niet alleen een technische kwestie, maar ook een

19

maatschappelijke waarbij solidariteit om de hoek komt kijken. Een maatregel die tot doel heeft de grondwatervoorraad te vergroten, kan als ongewenst neveneffect een groter risico op natschade hebben. Het zou niet eerlijk zijn dit nadeel op het bordje van de eigenaren van de betreffende percelen te leggen, terwijl het voordeel de streek als geheel ten goede komt. Ook is het denkbaar dat de waterbeschikbaarheid in een gebied sterk onder druk komt te staan, maar de noodzakelijke maatregel te duur is om uit te voeren. In dat geval zal de functie van het gebied moeten worden aangepast aan dit gegeven. De probleemstelling is, kortom, niet louter technisch van aard, maar ook maatschappelijk. Hoe kom je samen tot een voorkeurslijn die geen onderscheid genereert tussen winnaars en verliezers? Een vervolg op deze inleiding is opgenomen in bijlage 1. Dat vervolg loopt de mogelijkheden na om de zoetwatersituatie actief te verbeteren en biedt daarmee enig houvast voor bedrijfsmatig handelingsperspectief. Vanwege het meer beschouwende karakter ten opzichte van de meer concretere maatregelbeschrijvingen in hoofdstuk 3, is deze tekst in een aparte bijlage opgenomen.

20

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

21

2. Leidende principes Het doel is Zeeland in 2050 weerbaar te laten zijn tegen zoetwatertekorten. Op weg daarnaartoe wordt er samengewerkt en gezocht naar de beste acties en maatregelen. En dat in een speelveld waarin de belangen soms uiteenlopen of zelfs conflicteren met elkaar. Om toch tot actie en resultaat te komen, helpt het om het eens te zijn over de leidende principes op de weg naar 2050. Dit zijn dan de uitgangspunten waar acties en maatregelen aan getoetst worden. De leidende principes helpen om op een gestructureerde wijze tot oplossingen te komen en vormen daarmee een deel van de strategie voor hoe we samen tot het beste resultaat voor 2050 komen. Voor het Zeeuws Deltaplan Zoet Water en uitwerking ervan gelden de volgende leidende principes:

1. Een gezond ecosysteem als basis Een gezond ecosysteem is van nature weerbaar tegen verstoring en heeft niet alleen ecologische, maar ook agrarische meerwaarde. Daarmee is het een basis voor een robuuste zoetwatersituatie. Een veerkrachtige bodem heeft toegevoegde waarde voor het vasthouden van water en voor de landbouw en maakt onderdeel uit van zo’n gezond ecosysteem. Vergroting van de biodiversiteit en werken aan de bodemkwaliteit zijn daarom expliciete doelstellingen.

2. Doelmatig gebruik en beheer Zoet water is in toenemende mate een schaars goed in Zeeland. Zuinig gebruik ervan is daarom belangrijk. Het is ieders verantwoordelijkheid zuinig met water om te gaan en de zoetwatervoorraden op peil te houden. Dat kan door bijvoorbeeld bewust ervoor te kiezen geen (extra) water te gebruiken, maar uiteraard ook door toepassing van waterbesparende technieken. Tegelijk sturen overheden met beleid en activiteiten op het behoud van zoetwatervoorraden. Dus zoet water wordt zo veel en zo lang mogelijk vastgehouden in het eigen watersysteem en op jaarbasis wordt geen netto onttrekking van zoet grondwater toegestaan. In het Zeeuws Deltaplan Zoet Water zijn deze uitgangspunten vertaald in een voorkeursvolgorde voor de te nemen maatregelen.

3. Functie volgt water Als de zoetwatersituatie op een bepaalde plaats niet toereikend is voor een gebruiksfunctie, is de stelregel dat de functie zich aanpast aan de beperking. De consequentie is dat wie een zoetwatervragende gebruiksfunctie wil starten, op zoek moet naar een locatie waar dat zoete water voorhanden is. En daarnaast kan een functie bij veranderende (klimaat)omstandigheden wegvallen, bijvoorbeeld omdat de (zoute) kweldruk te hoog wordt.

4. Ruimte voor flexibiliteit en adaptatie Waterschaarste is een relatief nieuw fenomeen dat gebruikers opzadelt met een probleem. Om hen te helpen daarop in te spelen en de eigen zoetwatersituatie te verbeteren, geven overheden waar mogelijk ruimte in de regelgeving voor maatwerk. Ook blijven zij onderzoek en kennisdeling faciliteren. Een andere vorm van adaptatie is het zoeken naar mogelijkheden om water te hergebruiken, zoals effluent van RWZI’s en AWZI’s of

het ontzilten van zout water. Overheden dragen actief bij aan het verkennen van de mogelijkheden hiertoe in relatie tot de consequenties voor het milieu en de volksgezondheid.

5. Blik op nabije toekomst in het besef van de verre toekomst Veranderingen treden veel sneller op dan vroeger, zowel klimatologisch als sociaal. Dat maakt het moeilijker maatregelen te treffen gericht op de verre toekomst. Daarom richt dit plan zich op maatregelen voor de komende decennia, met een kritisch oog voor de langetermijneffecten ervan.

6. Gebiedsgericht samenwerken Sommige maatregelen om de zoetwatersituatie te verbeteren zijn op bedrijfsniveau door te voeren, maar vaak hebben maatregelen een regionale insteek of treden de effecten regionaal op. Dat vraagt om samenwerking, met een gedeelde ambitie en gericht op het samen zetten van kleine concrete stappen (groot denken, klein doen), waarbij het vertrekpunt is Wat kan WEL? Uit dit principe volgt ook dat het algemene, Zeeuwse, belang boven het individuele belang gaat. Waar dit strijdig is met elkaar zoeken we samen naar een oplossing.

7. Samen leren om samen beter te beheren Het werken aan een Zeeland dat weerbaar is tegen zoetwatertekorten vraagt om continu ontwikkelen, proberen, kennis delen en oplossingen bedenken. Werken aan een toekomst die zeker anders zal zijn en ook vol onzekerheden zit, vraagt om nieuwe vaardigheden en andere manieren van samenwerken. Het ontsluiten van kennis, in opleidingen, in samenwerkingsverbanden en op het erf, is daarbij een belangrijke pijler.

22

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

23

3. Beschrijving van maatregelen In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van maatregelen die kunnen bijdragen aan een betere zoetwatersituatie voor Zeeland. De maatregelen zijn beschreven op volgorde van voorkeur en urgentie. Dit wil niet zeggen dat de laatste maatregelen niet op korte termijn uitgevoerd mogen worden, maar wel dat als bijvoorbeeld gekozen wordt voor ontzilting ook gewerkt moet worden aan het op orde brengen van de basis en dat altijd zo zuinig mogelijk met water moet worden omgegaan. De maatregelen zijn in deze volgorde beschreven: 1. De basis op orde: het belang van een sterk ecosysteem en een veerkrachtige bodem 2. Zuinig omgaan met water: effectieve irrigatietechnieken en de rol van gewas- en/of raskeuze. 3. Water langer vasthouden: waterbeheer van de kavel tot en met de aansturing van het primaire watersysteem. 4. Water opslaan: in kunstmatige bekkens, in de ondergrond en in natuurgebieden. 5. Water hergebruiken: water afkomstig uit stedelijke gebieden, water uit afvalwaterzuiveringen, de mogelijkheden van ontzilting. 6. Water aanvoeren 7. Functiewijziging en accepteren van restrisico’s

3.1 De basis op orde Een sterk ecosysteem

In de Klimaatadapatiestrategie Zeeland 20213 is het belang van het natuurlijke ecosysteem helder omschreven: “Natuur is een belangrijke basiswaarde voor het welzijn van mens, plant en dier. Een gezond en vitaal natuurlijk systeem (bodem, water, flora, fauna) is de leidraad voor de toekomstbestendige inrichting van Zeeland.” Ons ecosysteem is de basis voor ons leven, een ecosysteem met een complexe en fragiele balans. Die balans verandert, vaak geleidelijk. De huidige klimaatverandering zorgt voor een verstoring van de balans. En dat leidt tot (klimaat)veranderingen die we niet helemaal overzien, de toekomst is onzeker. Met robuuste systemen (water, bodem, biodiversiteit) en ruimte om veranderingen een plaats te geven zijn we flexibel en hebben we een basis om de onzekerheden op te vangen. We zijn gewend onderscheid te maken in functies: landbouw, natuur, wonen, werken, etc. Voor een toekomstbestendige en vitale leefomgeving is juist het verweven van functies en doelen van belang. Op een hoger schaalniveau is er geen echte scheiding tussen functies zoals landbouw,natuur, wonen, werken en recreatie. Onze leefomgeving is juist een mix van functies die verweven zijn met elkaar en die elkaar, voor een vitale leefomgeving, moeten versterken.

Daarbij kan een mix van functies en doelen juist leiden tot meerwaarde: de biodiversiteit moet niet alleen in natuurgebieden op peil gebracht worden, toegevoegde waarde ligt vooral in het versterken van de biodiversiteit en ‘natuurlijke waarden’ buiten de natuurgebieden. En robuuste systemen helpen de weersextremen ook buiten de natuurgebieden op te vangen. Concreet dient bij de 3

te nemen maatregelen ook de mogelijkheid voor het creëren van meerwaarde op andere vlakken zoals ecologische meerwaarde of versterking van het landschap te worden meegenomen. Vanuit de noodzaak om natuurwaarden en -typen te behouden en daarom te beschermen, zijn er natuurgebieden aangewezen. Voor de ‘functie natuur’ en het versterken van natuurgebieden is naast het afronden van het Natuurnetwerk, het verbeteren van de hydrologische condities de belangrijkste sleutelfactor voor het behouden en herstellen van de kwaliteit van natuurgebieden. Zo is in het Programma Natuur van het Rijk en provincies een belangrijke rol weggelegd voor hydrologische maatregelen in de natuurgebieden en in de overgangszones. Het Zeeuws Deltaplan Zoet Water zoekt naar oplossingsrichtingen waarin de zoetwaterbeschikbaarheid voor landbouw én natuur verbetert en dat zo mogelijk in samenhang met verbeteringen voor andere functies zoals biodiversiteit, industrie, drinkwatervoorziening en leefbaarheid. Idealiter wordt hierbij gezocht naar combinaties van functies die elkaar versterken. Dat dit soort combinaties logisch is, blijkt ook wel uit de maatregelen die verderop in dit hoofdstuk beschreven zijn. Een gezonde bodem, met veel organisch stof, het bedekt houden van de bodem en variatie in teelten, bijvoorbeeld, helpen klimatologische ontwikkelingen op te vangen.

Daarbij maakt de gedeelde behoefte aan zoet water in de landbouw en de natuur dat synergie tussen beide functies noodzakelijk én van toegevoegde waarde is voor beide functies. Door de variatie aan natuurtypen en verschillen in landgebruik, bodem en hydrologie (grond- en oppervlaktewater) is een aanpak noodzakelijk waarbij in een ruimtelijk afgebakend gebied verschillende gebruikers en belanghebbenden samenwerken: de integrale gebiedsaanpak. Oplossingen zijn bijna altijd maatwerk. Er kan veel geleerd worden van experimenten en pilots, zoals deze plaatsvinden in onder meer het Living Lab Schouwen-Duiveland en de Zeeuwse Proeftuin Zoet Water.

Conclusie De Zeeuwse natuur is van grote waarde voor flora en fauna maar ook voor de voedselvoorziening en het welzijn van mensen. Een gezond en vitaal natuurlijk systeem (bodem, water, biodiversiteit) vormt de leidraad voor de toekomstbestendige inrichting van Zeeland en dus ook voor een waterrobuust Zeeland. Met een vitaal natuurlijk systeem ontstaat er flexibiliteit en een basis om veranderingen op te vangen. Een belangrijke pijler op weg naar een sterker ecosysteem én een sterke landbouw is de verwevenheid van functies: geen strikte scheiding en wel veel meer variatie. Het versterken van het natuurlijke kapitaal dient daarmee ook de landbouw. Voor het herstellen en inrichten van robuuste (water)systemen is een integrale gebiedsgerichte aanpak noodzakelijk.

De klimaatadaptatiestrategie is hier te vinden: https://www.zeeland.nl/energie-en-klimaat/aanpak-klimaatadaptatie

24

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

Een veerkrachtige bodem De bodem is één van de belangrijkste factoren voor een toekomstbestendige landbouw. Een waterbergende bodem heeft met zijn sponswerking het vermogen water onder het maaiveld te bergen. In droge perioden kan een goede, waterbergende bodem langer water leveren voor planten en bodemleven. Daarnaast kan in periodes van overvloedige neerslag een gezonde bodem meer water opnemen, wat de wateroverlast kan beperken. Vitale bodems dragen ook bij aan andere opgaven, zoals het vergroten van de biodiversiteit en het verminderen van uit- en afspoeling van voedingsstoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Behalve een tekort aan water leidt de droogte en zeespiegelstijging tot een toename van het risico op een verdere verzilting van de bodem. Te veel zout in de gebieden met zoete omstandigheden is slecht om een aantal redenen: • Zout maakt het voor planten moeilijk water op te nemen, of het onttrekt zelfs water uit de wortelen. Zelfs bij genoeg water verdroogt de plant. • Opname van veel andere nutriënten komt in het gedrang. • Op kleigronden is natrium zeer slecht voor de bodemstructuur. Er treedt eerder verslemping en versmering op waarbij de gronddeeltjes in de bovenlaag in een dichtere pakking komen te liggen waardoor water minder makkelijk infiltreert. De bodem speel een belangrijke rol in het verbeteren van de zoetwatersituatie.

Het verbeteren van de bodemkwaliteit, op meerdere manieren, leidt tot een (significante) toename van het waterbergend, en daarmee waterleverend vermogen. Het verbeteren van het waterbergend en waterleverend vermogen van de bodem is echter geen makkelijke en éénduidige opgave. De bodem(kwaliteit) wordt bepaald door meerdere chemische en biologische processen. Er spelen vele factoren een rol en er is vaak maatwerk op perceelniveau nodig. Het in beeld brengen van meetbare effecten en het doen van generieke uitspraken is moeilijk. Het delen van ervaringen tussen boeren en tussen boeren en specialisten is juist daarom erg belangrijk. De volgende maatregelen verbeteren het waterbergend vermogen van de bodem en worden reeds op verschillende schaalniveaus toegepast: • Het zoveel mogelijk bedekt houden van de bodem, bijvoorbeeld met klaver, mengteelten en vanggewassen. • Het verhogen van het organisch stofgehalte van de bodem, met behulp van de bodembedekking of het inzetten van compost. Dit is belangrijk voor een stabiele bodemstructuur, een gezond en actief bodemleven dat zorgt voor het geleidelijk vrijkomen van nutriënten en een goede doorlatendheid voor water en lucht. • Het gebruiken van diepwortelende gewassen en rustgewassen is gunstig voor de waterinfiltratie, het waterbufferend vermogen en het vasthouden van nutriënten in de winter.

• Bij niet kerende grondbewerking (NKG) wordt de bodem niet dieper dan 12 cm bewerkt. Natuurlijke processen worden zo min mogelijk verstoord, het bodemleven blijft hiermee gespaard en er treedt minder bodemverdichting op. De gezonde bodemfauna betaalt zich terug in goede groeicondities. De ervaring, onder meer op Schouwen-Duiveland, is dat door NKG de bewerkbaarheid van de bodem toeneemt en daarbij is gemeten dat op een perceel het organisch stofgehalte in 5 jaar tijd toe-

neemt van 1,5 naar 2,2% van de totale bodembestanddelen. Dit is een significante toename. Meer organisch stof in de bodem vergroot de sponswerking van de bodem. • Het toepassen van vaste rijpaden heeft onbetwist een positief effect op de bodemkwaliteit. Het kiezen voor een vaste werkbreedte is echter vanwege de grote variatie aan landbouwmachines en teelttechnieken vaak nog niet mogelijk. Goed te vermelden is dat een gezonde bodem meer bodemleven bevat. De bovengenoemde maatregelen brengen in feite de natuurlijke systemen weer op gang en dragen daarmee in meer of mindere mate bij aan het versterken van de biodiversiteit. Een toename van het waterbufferend vermogen is een resultaat van deze maatregelen. Het veranderen van de manier waarop de bodem wordt behandeld, bijvoorbeeld de overstap naar niet kerende grondbewerking is niet makkelijk, er moet over alle factoren worden nagedacht en daarmee is het bewerkelijk. En juist dat kan gezien worden als een groot voordeel: er moet heel bewust naar de methode, de omstandigheden en de bodem worden gekeken. Dit levert de agrariër

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

veel kennis op. Om de juiste maatregelen te kunnen nemen is het van belang dat de agrariër de bodem en de percelen goed kent. De bewustwording over het belang van de bodem is de afgelopen jaren flink toegenomen. Het verbeteren van de bodemkwaliteit vraagt wel geduld, het heeft niet meteen een (zichtbaar) effect. Toch is het voor een volhoudbare landbouw belangrijk hier veel aandacht en energie aan te besteden. De bodem is het bedrijfskapitaal voor nu en de toekomst en vraagt om een actieve inzet. Het voortzetten van de proefprojecten en het blijven stimuleren van de kennisdeling tussen agrariërs is van groot belang. Voor het uitvoeren van bodemgerichte maatregelen zijn de agrariërs primair aan zet. Het opdoen van kennis en ervaring en het delen van de kennis en resultaten is erg belangrijk voor het optimaliseren en opschalen van vrijwel alle zoetwater-maatregelen, maar gezien de complexiteit van de bodem, voor dit onderwerp in het bijzonder. Er zijn meerdere ondersteuningsprogramma’s, bijvoorbeeld vanuit ZLTO, en er lopen meerdere pilot- en onderzoeksprojecten.

Bodem- en watercoaching De bodem- en watercoach van ZLTO/Broedplaats Zoet Water Schouwen-Duiveland helpt boeren met een coachingprogramma van drie jaar. Agrarische ondernemers krijgen tips en handvatten voor het verbeteren van bodemstructuur en ze krijgen inzicht in maatregelen die ze kunnen nemen ter verbetering van de zoetwatersituatie. Een goede bodem is dé sleutel voor verbetering binnen de landbouw en helpt het water beter vast te houden. Nog een voordeel is dat er minder kunstmest nodig is als de bodem gezond is. De focus ligt per agrariër op één perceel per jaar. Op deze manier kunnen positieve resultaten van één perceel en ervaringen en leerpunten worden meegenomen in het ontwikkelen van de andere percelen. In het tweede jaar komt een ander perceel aan de beurt, met andere bodem- en wateruitdagingen.

25

Conclusie De bodem is de basis voor een sterke landbouw, een waterrobuust Zeeland en een sterk ecosysteem. Hoewel moeilijk in cijfers is uit te drukken wat de potentie precies is, is er nog volop ruimte voor verbetering. Veranderingen in bodembeheer zijn vrijwel altijd maatwerk en vragen aandacht en geduld. Het effect van de bodemgerichte maatregelen is pas vaak na enkele jaren goed zichtbaar. Het is daarmee wel belangrijk er op korte termijn mee te beginnen. Ondersteuning op bedrijfsniveau, het delen van kennis en ervaringen en het voortzetten van proefprojecten in meerjarige programma’s is van groot belang voor het optimaliseren van bodembeheer en de opschaling ervan.

3.2 Zuinig gebruik Zuinig en zo efficiënt mogelijk omgaan met water is uiteraard de eerste soort te nemen maatregel. Water dat op een moment niet gebruikt wordt of bijvoorbeeld niet verdampt, blijft beschikbaar voor andere momenten of andere locaties. In deze paragraaf zijn twee soorten maatregelen uitgewerkt die te maken hebben met zuinig watergebruik: waterbesparende irrigatietechnieken en het verbouwen van droogte- en zouttolerantere gewassen of rassen.

Irrigatietechnieken Omdat er in Zeeland weinig zoet oppervlaktewater beschikbaar is, was beregenen en irrigeren in Zeeland veel minder gebruikelijk dan in andere delen van Nederland. Sinds een aantal jaren wordt er in Zeeland echter steeds meer en op steeds meer plekken beregend met zoet grondwater. Het is lastig algemene cijfers te geven en het effect is afhankelijk van vele lokale factoren maar dat irrigatie leidt tot een toename van de gewasopbrengsten is wel duidelijk4. Door de ervaringen met de droogte in de afgelopen groeiseizoenen groeit de interesse in het beregenen met zoet grond- en oppervlaktewater. Wat de effecten daarvan kunnen zijn voor de zoete grondwatervoorraden is uitgewerkt in paragraaf 2.4. Grondwaterbeheer is erop gericht de bestaande voorraad op peil te houden. Bij een onttrekking van meer dan 80 mm per jaar dreigt het gevaar van voorraaduitputting.

Er worden meerdere irrigatiemethodes toegepast: • Beregenen is een algemeen voorkomende manier van irrigatie. Beregenen met een slanghaspel is flexibel, de slanghaspel wordt makkelijk verplaatst naar een andere kavel. Beregenen is een inefficiënte vorm van watertoediening. Bij haspelberegening komt maar een gedeelte van het water bij de wortelzone. Veel beregeningswater verdampt voordat het de wortels bereikt. In een onderzoek van DeltaDrip5 is voor de jaren 2019 en 2020 de watereffectiviteit van haspelberegening getest en het resultaat was dat ongeveer 60% van het water de wortelzone bereikt. Andere methodes van beregenen zijn effectiever: bij 4. Rapportages zijn onder meer beschikbaar op: www.deltadrip.com, www.spaarwater.com

5.

www.deltadrip.com – Efficienter omgaan met water voor duurzame klimaatbestendige landbouw in Zeeland, eindrapport 31 december 2020

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

26

Figuur 7. Ontwikkeling aantal geregistreerde diepdrains in Zeeland

een irrigatiesysteem waarbij de gehele installatie zich over het veld verplaatst (lateraal bewegend irrigatiesysteem) bijvoorbeeld bereikt 75-95 % de wortels van de gewassen. Vanwege de waterverliezen bij beregenen is het daarom van belang te leren hoe beregening zo spaarzaam mogelijk kan worden uitgevoerd. • Bij druppelirrigatie wordt met waterslangen die op of iets onder maaiveld liggen druppelsgewijs water afgegeven. Met deze methode bereikt meer water het gewas en het verlies door verdamping wordt sterk verminderd. Druppelirrigatie, al dan niet gecombineerd met toediening van voedingsstoffen (fertigatie), wordt reeds veelvuldig toegepast in onder meer de fruitteelt. In de akkerbouw vinden er verschillende pilot- en onderzoeksprojecten plaats. De effectiviteit van druppelirrigatie is volgens hetzelfde DeltaDrip rapport 75-95%, praktijktests bij ui in 2020 wezen uit dat 80 – 90 % van het water de wortels bereikt. Een druppelirrigatie-systeem wordt bijvoorbeeld aan het begin van het groeiseizoen aangelegd en blijft gedurende het hele jaar, of voor een aantal jaren op dezelfde locatie liggen. Het is daarom makkelijker toepasbaar bij vaste teelten en de interesse neemt toe naarmate er minder water beschikbaar is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10536737/1