CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

20210914 Raadsbrief Zeeuws Deltaplan Zoet Water en externe aanvoer Schouwen-Duiveland bijlage 1

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken24.592 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Om de samenhang en overlap tussen de transities en tussen de waterbehoefte van sectoren optimaal te kunnen benutten is het noodzakelijk precies van elkaar te weten wat de ontwikkelingen zijn. Bij het plannen en aanleggen van infrastructuur ten behoeve van de industrie bijvoorbeeld kunnen dan ook andere functies, zoals landbouw, meeliften. Maar dit moet dan wel tijdig bekend zijn. Daarnaast richt het plan zich op het voortzetten en uitbreiden van de gebiedsgerichte aanpak. De zoetwatersituatie, de mogelijkheden en belemmeringen verschillen per gebied. En water gaat over eigendomsgrenzen en bedrijfsgrenzen heen. Het is daarom niet meer dan logisch dat verkenningen, kansen en maatregelen per gebied worden opgepakt, met daarbij een overkoepelende structuur voor de gehele provincie. Bij een gebiedsgerichte aanpak past perfect de integrale aanpak, dus dat levert samen meerwaarde op. Deze gebiedsgerichte aanpak, het verkennen van de mogelijkheden van een gebied, heeft al vorm gekregen in bijvoorbeeld de Proeftuin Zoet Water, het Robuust Watersysteem Zeeuws Vlaanderen en het Living lab en de Broedplaats Schouwen-Duiveland. Het Masterplan zoet water voor Zeeland gaat uit van een gebiedsaanpak. In dit plan zijn analyses gemaakt van de zoetwatersituatie en specfieke kansen en opgaven voor de verschillende deelgebieden in Zeeland.

Deze analyses vormen een goede basis voor de vervolgaanpak. Het ligt voor de hand te starten met gebieden waar de problematiek het meest urgent is. Het is niet voor niets dat het Living lab en de Broedplaats op Schouwen-Duiveland al jaren terug is opgestart. En de gebiedsanalyses uit het Masterplan zoet water voor Zeeland zijn een mooi startpunt voor de verkenning van prioritaire gebieden. Provincie Zeeland is gestart met een proces om deze gebiedsgerichte aanpak uit te werken en enkele priori-

taire gebieden aan te wijzen waar die integrale gebiedsgerichte aanpak verder vorm moet krijgen. Uitgangspunt daarbij is dat er in een gebied meerdere opgaven moeten spelen. Zo komen in de Kop van Schouwen stikstof, klimaatadaptatie, biodiversiteit, de kustvisie en zoet water samen. Soms is een integrale, gebiedsgerichte aanpak niet aan de orde. Dit betekent dan niet dat projecten op het gebied van zoet water geen doorgang kunnen vinden. Er zal dan echter geen sprake zijn van een gebiedsgerichte aanpak.

De gebiedsaanpak: Broedplaats Schouwen-Duiveland In de projecten van het Living Lab en de Broedplaats Zoet Water Schouwen-Duiveland werken partijen met elkaar samen om nieuwe oplossingen te vinden voor complexe uitdagingen op gebied van water, voedsel, onderwijs en bestuur. Dit doen zij door kennis te ontwikkelen en te delen, en door te experimenteren met nieuwe oplossingen. Boeren meten in het monitoringsproject Natuurlijk Zoet zelf het zoutgehalte in het oppervlaktewater en bouwen samen met waterschap Scheldestromen een database op. Dit heeft er onder andere toe geleid dat mogelijkheden voor het scheiden van zoet en zout water nader worden onderzocht. Binnen de broedplaats zoet water wordt op bedrijfs-, perceel- en gebiedsniveau samengewerkt aan oplossingen voor het vergroten van de zoetwaterbeschikbaarheid. Voor 13 agrarische bedrijven zijn quick scan-rapporten voor zoetwateropslag in de ondergrond opgesteld. Op basis van deze quick scans wordt met de betrokken deskundigen gewerkt aan haalbaarheidsonderzoeken voor nieuwe oplossingen voor ondergrondse wateropslag in de poelgronden en kreekruggen. Op perceelniveau werken 25 boeren samen met een bodem- en watercoach van ZLTO aan beter bodemen waterbeheer.

De gebiedsaanpak krijgt vorm in drie fieldlabs waar meerdere gebiedseigenaren met waterschap Scheldestromen aan robuuste aanpassingen en veranderingen van het watersysteem werken. Ondersteunend hieraan maakt de Zoetwater Academie de opgedane kennis toegankelijk en andersom worden kennis en ervaringen van buiten SchouwenDuiveland vertaald naar de situatie van Schouwen-Duiveland. En de Taskforce Governance stelt adviezen-op-maat op voor het wegnemen van bestuurlijke drempels en belemmeringen die we tegenkomen bij gebiedsoverstijgende samenwerking en bestaand beleid en regelgeving.

4.2 Wet- en regelgeving Het is belangrijk in actie te komen. Er is de afgelopen jaren al veel veranderd, projecten zijn opgepakt, er is ervaring en veel kennis beschikbaar. Het is nu van belang om vanuit die bestaande projecten, de aanwezige kennis en ervaringen door te bouwen. Daarbij is de stap van onderzoek en pilots naar uitvoering misschien wel

44

de moeilijkste. In pilots is het nog mogelijk om al dan niet tijdelijk af te wijken van normen en regels, dat is vaak juist onderdeel van het onderzoek. Wanneer er dan sprake is van opschaling en er definitief maatregelen of ingrepen moeten worden georganiseerd dan moet dat wel georganiseerd kunnen worden en passen in bijvoorbeeld planologische instrumenten en in (inter)nationale en regionale wetten en normen. Voor het realiseren van zoetwateroplossingen is in veel gevallen toestemming nodig van waterschap, provincie of gemeente. Het huidige beleid en de geldende regelgeving zijn gebaseerd op de bestaande situatie: landbouw zonder het actief vasthouden van zoet water en watermanagement gericht op het afvoeren van regenwater om wateroverlast te voorkomen. De afgelopen jaren zijn enkele innovatieve zoetwaterprojecten mogelijk gemaakt als uitzondering op de regelgeving (o.a. Freshmaker Ovezande en Drainstore in Kruiningen). Bij deze innovaties is er inzet en commitment vanuit de overheden, maar het risico ligt grotendeels bij de ondernemer. Met de inzet op innovatieve zoetwateroplossingen en het opschalen ervan naar een reguliere toepassing, is er groeiende urgentie om regels en randvoorwaarden te vereenvoudigen en te verduidelijken. Zonder aanpassingen dreigen inhoudelijk goede projecten te stranden vanwege juridische belemmeringen.

Het is daarom cruciaal deze institutionele context van beleid en regelgeving parallel te ontwikkelen aan de technische projecten. Bij deze aanpassingen gaat het enerzijds om de urgente droogteproblematiek en de ambitie in te zetten op innovatieve zoetwaterprojecten, en anderzijds om de belangrijke waarden die door de regelgeving beschermd worden, waaronder kwaliteit van grondwater, tegengaan van verzilting en landschappelijke kwaliteit. Het in samenwerking benoemen waar landelijk en regionaal beleid en (inter)nationale en lokale regelgeving knellen, het opzetten van de benodigde monitoring en op basis hiervan besluiten over beleid en regelgeving voorbereiden zijn belangrijke acties. Deze acties worden in de Broedplaats Schouwen-Duiveland opgepakt en geadviseerd wordt deze aanpak op meerdere locaties uit te rollen. Regels en beleid kunnen bij innovatie en ontwikkeling als knellend worden ervaren. Regels en beleid hebben wel een oorsprong en een doel: vaak zijn ze gericht op het beschermen van het algemene belang en het beperken of voorkomen van nadelige effecten. Aanpassing van wet- en regelgeving vraagt daarom nieuwe inhoudelijke afwegingen en uiteraard samenhang met de bovenliggende, nationale en internationale wettelijke kaders.

De benodigde kennis voor het beoordelen van nieuwe, gewenste ontwikkelingen en de doorvertaling ervan naar wet- en regelgeving is juist vanwege de innovatie elementen nog niet altijd beschikbaar. Het is met name ook voor het verwachtingenmanagement belangrijk deze nuance te begrijpen: het oplossen van conflicten met bestaande wet- en regelgeving is complex en tijdrovend maar wel van doorslaggevend belang om vernieuwingen op een toekomstbestendige manier door te kunnen voeren.

4.3 Kennis ontwikkelen, kennis delen en monitoren Het delen van kennis en ervaringen blijft een voortdurende opgave. Hier is geen eindpunt aan verbonden. Door het innovatieve karakter van de projecten rondom zoetwaterbeschikbaarheid wordt

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

er in elk project nieuwe kennis ontwikkeld. Het is cruciaal deze kennis breed beschikbaar en toegankelijk te maken. Het vergroten van het kennisniveau en het delen van kennis en ervaringen is één van de belangrijkste middelen om tot actie te komen. Kennismanagement komt bij alle projecten en maatregelen terug en zal ook bij ieder project dat wordt opgezet een plaats krijgen. Geadviseerd wordt kennismanagement over zoet water ook als overkoepelend spoor op te zetten. Door kennismanagement ook overkoepelend, met een centrale organisatie, op te pakken, wordt de uitwisseling van kennis en ervaringen tussen de verschillende deelprojecten en gebieden in Zeeland en tussen de projecten in Zeeland en de projecten buiten Zeeland geoptimaliseerd. Ook voor het onderwerp kennismanagement worden de ervaringen van de Taskforce governance en kennismanagement van de Broedplaats Schouwen-Duiveland als voorbeeld en vertrekpunt genomen. De ervaringen op Schouwen-Duiveland kunnen vertaald worden naar pilots in andere gebieden van Zeeland. Voor het vergroten van het kennisniveau, om het resultaat te kunnen beoordelen en eventueel tijdig te kunnen bijsturen is het zeer belangrijk te monitoren wat de resultaten en effecten van maatregelen en ingrepen zijn. Voorgesteld wordt in het uitvoeringsprogramma voldoende geld en capaciteit te reserveren voor het monitoren van het resultaat van de maatregelen.

Het is daarbij van belang om eerst samen te bepalen wat de prestatie-indicatoren zijn voor het verbinden van al lopende monitoringsprogramma’s aan elkaar. Er bestaan op vele vlakken monitoringsprogramma’s. Meetgegevens van flora- en fauna-inventarisaties bijvoorbeeld zouden wellicht ook inzicht kunnen geven in de ontwikkeling en effecten van maatregelen die voor de zoetwatersituatie worden genomen. Dit dient uitgewerkt te worden waarbij allereerst bepaald moet worden wat er gemonitord moet worden en wat de meetbare prestatie-indicatoren zijn.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

De Zoetwater Academie verbindt kennis en praktijk Binnen de Zoetwater Academie Schouwen-Duiveland, wordt de tot nu toe opgedane kennis over zoet water verbonden met de praktijk en het onderwijs. Vaak is die kennis niet eenvoudig te vinden of is de kennis nog niet direct toepasbaar. De Zoetwater Academie zorgt er de komende jaren voor dat relevante kennis over zoet water op de juiste plaats terechtkomt en een praktische toepassing krijgt. Dat kan op allerlei manieren en hangt ook af van de wensen van de doelgroep; denk aan seminars, kennisavonden, informatiebladen, korte collegereeksen, bedrijfsbezoeken of excursies. Resultaten uit de deelprojecten van de broedplaats zoet water worden ook via de website van het Living Lab (www.livinglabschouwen-duiveland.nl) beschikbaar gesteld.

Kitty Henderson, Broedplaats zoet water SchouwenDuiveland: “De behoefte aan het delen van kennis komt vanuit boeren, overheden en adviseurs. Zij bepalen wat de zoetwateracademie aanreikt aan kennis. Op basis van vragen van ondernemers organiseren we speciale programma’s op maat om externe kennis naar de praktijk op het eiland te vertalen en zo meer inzicht te geven in de mogelijkheden. Via de zoetwateracademie halen we kennis naar SchouwenDuiveland en delen we wat we leren binnen de projecten van de broedplaats met geïnteresseerden binnen en buiten Schouwen-Duiveland. Zo werkt de academie als een verbinder op het gebied van kennis.

45

4.4 De organisatie: Investeren in samenweking Er is het afgelopen jaar veel werk verzet en dat heeft vooral geleid tot inzicht, in inhoud, in de grootste uitdagingen en in ieders belangen en mogelijkheden. Daarnaast is de proeftuin zoet water onverminderd voortgezet. Het huidige plan dient, in samenhang met andere programma’s zoals de Klimaat adaptatie strategie Zeeland (KasZ) en het Masterplan nog verder te worden uitgewerkt in een concrete aanpak, waarvoor in hoofdstuk 5 een voorstel is gedaan. De opgaven en uitdagingen voor de toekomst vragen om een nieuwe manier van werken. Samenwerking, over de grenzen van eigen belangen heen met daarbij – binnen duidelijke randvoorwaarden - wellicht flexibiliteit in wet- en regelgeving zijn enkele van de kenmerken van deze toekomstbestendige werkwijze. Daarbij zijn duidelijkheid en gelijke verwachtingen over de rol die iedere partner heeft en de taken die zij kan vervullen cruciaal voor een goede samenwerking. Het uitzoeken en opzetten van een functionele governance-structuur is van groot belang om resultaat te bereiken. Geadviseerd wordt prioriteit te geven aan het uitwerken van de governance-opgaven.

Zoals beschreven heeft het Zeeuws Deltaplan Zoet Water verbinding met beleid en programma’s zoals het Nationale Deltaplan en het uitvoeringsplan Zuidwestelijke Delta hiervan, het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer, het Masterplan zoetwater voor Zeeland en vraagstukken zoals klimaatadaptatie, een vitaal platteland, energietransitie, de natuuropgaven et cetera. Maatwerk op gebiedsniveau met daarbij bijvoorbeeld een overkoepelend team op provinciaal niveau kan helpen het overzicht te bewaren en de aansluiting met alle programma’s en thema’s te behouden en versterken. Totdat deze samenwerking en structuur is georganiseerd wordt geadviseerd de werkgroep die aan het Zeeuws Deltaplan Zoet Water heeft gewerkt in stand te houden. De werkgroep blijft hiermee voorlopig, tot er een praktisch alternatief is, het platform om de zoetwaterthema’s te bespreken.

Voortzetten projecten en de inhoud vasthouden De tot op heden doorlopen route naar het Zeeuws Deltaplan Zoet Water heeft geleid tot verbinding en energie om samen aan de toekomst te werken. Het plan is hiermee uiteraard niet af, het samen werken aan de zoetwatersituatie gaat door. De verbinding tussen partijen is nu heel goed, het is aan te bevelen die verbinding en energie vast te houden en samen verder te werken aan een provincie die weerbaar is tegen zoetwatertekorten. Een belangrijke constatering in het doorlopen proces is dat de verschillende inhoudelijke onderzoeken en het verkennen van mogelijkheden voor een belangrijk deel bij hebben gedragen aan de verbinding tussen de partijen. Vanuit de inhoud ontstaat er inzicht en zicht op belangen, kansen en belemmeringen en daarmee ontstaat er ruimte voor gesprek. Vanuit de inhoudelijke, onderzoekende insteek, biedt het Zeeuws Deltaplan Zoet Water houvast voor het oppakken van maatregelen en initiatieven. Deze inhoudelijke duidelijkheid geeft een gevoel van gemak of comfort: de koers is voor een belangrijk deel helder geworden. Het komt er nu wel op aan de huidige status van het plan concreter te maken bijvoorbeeld in de vorm van een uitvoeringsprogramma en samen met de stakeholders te werken aan

46

het opzetten van projecten en het uitvoeren van maatregelen. De provincie heeft dit proces en het verkennen van mogelijke oplossingen voor een groot deel gefaciliteerd. Het voortzetten van die rol wordt aanbevolen.

Samenwerking De verantwoordelijkheid voor het bereiken van een robuuste zoetwatersituatie ligt niet bij één partij. De zoetwaterproblematiek is een uitdaging waarbij alle overheden, bedrijven, eindgebruikers, inwoners, gebiedsbeheerders, wetenschap en onderwijs een rol spelen. Intensieve samenwerking en een duidelijke, gedeelde, ambitie op overheidsniveau maar bijvoorbeeld ook op gebieds- en bedrijfsniveau zijn belangrijke randvoorwaarden voor het bereiken van succes. Juist ook voor een integrale en gebiedsgerichte aanpak is samenwerking misschien wel de belangrijkste pijler. De benodigde cultuuromslag en organisatievorm heeft daarmee wellicht een nog groter belang op de weg naar verandering dan de hiervoor beschreven maatregelen die meer technisch van aard zijn10.

Projectorganisatie Het Zeeuws Deltaplan Zoet Water loopt als groot project af. In de Klimaat adaptatiestrategie Zeeland is aangegeven dat het thema droogte wordt uitgewerkt in het Zeeuws Deltaplan Zoet Water. Het plan is daarmee een bouwsteen voor andere programma’s, en in het bijzonder passend bij de klimaat adaptatiestrategie. Voorgesteld wordt daarom de uitvoering van het Zeeuws Deltaplan Zoet Water onder te brengen bij de uitvoering van de Klimaat adaptatiestrategie Zeeland, bij het thema droogte. Het thema zoet water zal daarin wel als eigen spoor zichtbaar te blijven. Ook dient er een keuze gemaakt te worden voor de opvolging, de evaluatie en eventuele bijstelling van het Zeeuws Deltaplan Zoet Water in de komende jaren. Een optie is aan te sluiten bij de cyclus van het Deltaplan en Deltafonds. Het huidige Deltafonds loopt voor zover nu bekend tot 2027. Wanneer het Zeeuws Deltaplan Zoet Water in 2024 wordt geëvalueerd dan kunnen nieuwe ontwikkelingen, projecten en maatregelen worden meegenomen in de nieuwe tranche van het Deltaplan. Ook de aansluiting met de cycli van het Waterschapsbeheerplan en de Klimaatadaptatiestrategie is van belang. Het uitwerken van deze structuur en samenhang past bij de governance-opgaven zoals hiervoor is uitgewerkt. Samenwerken is samen willen. Ons project kan nog zo goed georganiseerd zijn, als we niet willen dan komt er niets van terecht.

Wanneer we wel willen en de organisatie is wat minder goed dan komen we er wel. Laten we ons een beeld vormen van het resultaat wanneer we willen én de organisatie is optimaal.

10 Voor inspiratie en voorbeelden van vooral ook samenwerking tussen overheden wordt hier verwezen naar het Interbestuurlijk Programma Vitaal platteland en het rapport De Som der delen van RLI.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

47

5. Uitvoeringsprogramma Een gezamenlijke, gedragen, Zeeuwse zoetwaterstrategie is waardevol, maar zonder uitvoeringsprogramma heeft de strategie een beperkte slagkracht. Het uitvoeringsprogramma is bedoeld om de voorgestelde maatregelen in de strategie tot concrete uitvoering te laten komen. Het uitvoeringsprogramma loopt van 2022 tot en met 2027. Tussentijds wordt bekeken of de ingeslagen routes nog steeds de juiste zijn. Zoals beschreven is het huidige Zeeuws Deltaplan Zoet Water nog maar het begin van een intensieve samenwerking tussen de betrokken stakeholders. Deze samenwerking moet worden voortgezet om het doel: Zeeland dat weerbaar is tegen zoetwatertekorten te behalen. Het Zeeuws Deltaplan Zoet Water heeft een sterke relatie met één andere opgave die momenteel wordt uitgevoerd binnen de Provincie Zeeland; de klimaatadaptatie strategie Zeeland (KasZ). Het tijdspad van het KasZ en het Zeeuws Deltaplan Zoet Water lopen vrijwel parallel, waardoor de uitvoeringsprogramma’s op elkaar kunnen worden afgestemd. Bij deze afstemming kan worden geconcludeerd dat beide strategieën complementair aan elkaar zijn en een aantal maatregelen zowel terugkomt in het Zeeuws Deltaplan Zoet Water als de Klimaatadaptatie strategie Zeeland. De acties voor de komende jaren worden concreet gemaakt in dit hoofdstuk van het ZDZW.

Deze acties zijn onder zes hoofdsporen verdeeld, deze sporen geven tevens de voorkeursvolgorde van uitvoering aan. In hoofdstuk drie zijn water aanvoeren en omgaan met restrisico’s benoemd. In het uitvoeringsprogramma zijn deze twee sporen niet opgenomen omdat verwacht wordt dat deze twee sporen niet worden uitgevoerd binnen de looptijd van dit uitvoeringsprogramma. Omdat ontwikkelingen en veranderingen in hoog tempo plaatsvinden en moeilijk te voorspellen zijn, is het noodzakelijk voldoende speelruimte te behouden om de gekozen koers en de te nemen maatregelen aan te passen of bij te sturen wanneer de (nieuwe) situatie daarom vraagt. Maatregelen moeten toekomstbestendig zijn, het is daarom nodig de blik op de toekomst te leggen. Maar daarbij moet dus ook worden nagedacht over de adaptatiemogelijkheden van de oplossing of maatregel. Binnen de provinciale (meerjaren)begroting zijn middelen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van zoetwatermaatregelen. Het aandeel van de Provincie bedraagt € 6,6 miljoen (inclusief € 0,7 miljoen uitvoeringscapaciteit). Dit programma wordt uitgevoerd met de regionale partners en kent een doorlooptijd tot en met 2027. De komende tijd wordt dit programma uitgewerkt in de vorm van concrete projecten. Om de financieringsmogelijkheden van de te nemen maatregelen in beeld te krijgen, zijn de subsidiemogelijkheden onderzocht.

Deze subsidiescan is te vinden op https://www.zeeland.nl/water/zeeuws-deltaplan-zoet-water

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

48

Nr.

Spoor

Deelspoor

Inhoud

0.

Organisatie

A. Governance

Opzetten van (organisatie) structuur om de integraliteit en samenwerking te waarborgen. Naar voorbeeld van broedplaats Schouwen-Duiveland het uitrollen van de gebiedsgerichte aanpak in nog nader te selecteren gebieden. Delen van opgedane kennis met een bijbehorende organisatiestructuur.

B. Gebiedsgericht (samen)werken

C. Kennismanagement

1.

Basis op orde

A. Biodiversiteit B. Veerkrachtige bodem KasZ (L.09)

2.

Zuinig gebruik

A. Irrigatietechnieken

B. Droogte resistentere gewassen KasZ (L.06)

3.

Water vasthouden

A. Drainage B. Secundair/ tertiair watersysteem C. Primair watersysteem

4.

Water bergen

A. Bovengronds B1. Ondergronds B2. Ondergronds KasZ (L.03) B3. Ondergronds KasZ (L.04) B4. Ondergronds KasZ (L.05a) B5. Ondergronds KasZ (L.05b)

C. Koppeling met andere functies

5.

Hergebruiken

A. Stedelijk regenwater B. AWZI’s en RWZI’s C. Ontzilting

Tabel 3

Bij aanleg zoetwaterbassins een ecologische meerwaarde creëren. Duurzaam bodembeheer en verbeteren bodemstructuur. Onderzoek naar verschillende vormen van irrigatie: • Druppelirrigatie • Sub irrigatie • Nauwkeurigere systemen Onderzoek doen en inzetten op teelten die beter bestand zijn tegen droogte en verzilting. Water vasthouden op perceelniveau bv. door peil gestuurde drainage. Water vasthouden in de secundaire en tertiaire watergangen. Focus op onderzoek en voorlichting. Water vasthouden in de primaire watergangen. Focus op het faciliteren van een gebiedsproces. Water bergen door middel van een kunstmatig zoetwaterbassin. Water bergen in de ondergrond. Automatische registratie onttrekkingen (tijd, plaats, hoeveelheid) Toezicht houden en handhaven op grondwateronttrekkingen. Opstellen plan van aanpak voor monitoring van zoetwaterbellen Uitvoering van zoet-zoutkartering Uitvoeren van monitoring van zoetwaterbellen. Deze zal bestaan uit een tweede FRESHEM project in 2022-2023 Synergie tussen natuur én landbouw om zoetwaterbeschikbaarheid te verbeteren. Benutten stedelijk water tbv natuur en landbouw Onderzoek naar het gebruik van effluent. Bijdrage aan de lopende trajecten: effluentfit4food en aquaconnect. Onderzoek doen de mogelijkheden voor ontzilting middels het opzetten van pilots (mobiele units).

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

49

Betrokkenen

Tijdspad

Zeeuwse overheden, ZLTO, Agribusiness, Terrein beherende organisaties

2021 – 2027

Nader te bepalen per gebied

2022 – 2027

Provincie Zeeland, ZLTO, Agribusiness

2022 – 2027

Provincie Zeeland, Zeeuwse gemeenten, Terrein beherende organisaties, ZLTO, Agribusiness

2022 – 2027

ZLTO, Agribusiness, Provincie Zeeland

2021 – 2027

Provincie Zeeland (proeftuin)

2021 – 2027

ZLTO, Agribusiness, provincie Zeeland, Kennis instellingen

2022 – 2027

ZLTO, Agribusiness, Waterschap

2021 – 2027

ZLTO, Agribusiness, Waterschap

2021 – 2027

Waterschap, nader te bepalen

2021 – 2027

ZLTO, Agribusiness

2022 – 2027 2021 – 2027 2022 (pilot)

Provincie Zeeland (proeftuin) Waterschap, Provincie Zeeland Waterschap

2021 – 2027

Provincie Zeeland, Waterschap

2022

Provincie Zeeland, Waterschap

2022

Provincie Zeeland, Terrein beherende organisaties, ZLTO, Agribusiness

2022 – 2027

Zeeuwse gemeenten Waterschap, Provincie Zeeland, ZLTO, Agribusiness

2022 – 2023 2021 – 2027

Provincie Zeeland, HZ University of Applied Sciences, ZLTO, Agribusiness, Gemeente Noord-Beveland, Schouwen-Duiveland, Goes (Wilhelmina polder)

2022 – 2027

50

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

51

Bijlage 1 Actief verbeteren van de zoetwatersituatie Zeespiegelstijging kunnen we als mens niet beteugelen, in elk geval niet op korte termijn, maar met een aangepast binnendijks waterbeheer kan het effect ervan op de zoet-zoutverdeling wel worden beperkt. Een hoger waterpeil verhoogt de hydrostatische druk waarmee het zoute water dieper wordt weggedrukt. Het verband is behoorlijk steil, want met elke centimeter peilverhoging wordt het zoute water op termijn veertig centimeter dieper weggeduwd11. Of en hoeveel verhoging verantwoord is, is ter beoordeling aan het waterschap als waterbeheerder, waarbij het de winst qua zoetwaterbeschikbaarheid moet afwegen tegen het grotere risico op wateroverlast. De afgelopen winters is het peil in de sloten overigens al op verschillende plaatsten minder verlaagd dan in het verleden, dus het beheer is in de praktijk al aangepast. Op deze manier draagt het waterschap actief bij aan het vergroten van de zoete grondwatervoorraad. Uiteraard hangt daar ook een “prijs” aan, want door het peil te verhogen neemt het risico op wateroverlast toe. De zoetwatersituatie kan echter ook op kleinere schaal worden beïnvloed dan op het schaalniveau van een peilvak. In de eerste paragraaf is de zoetwatersituatie gedefinieerd als de potentie van een gebied of bedrijf om in zijn zoetwaterbehoefte te voorzien.

Het gaat dus om de balans tussen behoefte en beschikbaarheid en dat betekent ook dat aan beide knoppen gedraaid kan worden: behoefte verkleinen en/of beschikbaarheid vergroten. Aangezien de landbouwsector de zoetwatersituatie het meest actief naar zijn hand probeert te zetten, is de volgende beschouwing toegesneden op deze sector. Eerstgenoemde knop, behoefte verkleinen, kan vaak op bedrijfsniveau bediend worden, bv. door doelmatiger irrigatie, de gewaskeuze aan te passen en/of actief de vochtcapaciteit en structuur van de bodem te verbeteren, al kost zeker dat laatste jaren om effect te sorteren. Daarnaast zijn er mogelijkheden de beschikbaarheid op bedrijfsniveau te vergroten. Lange tijd was het beleid erop gericht de beschikbaarheid voor een heel gebied te verbeteren, bv. door de aanleg van een externe wateraanvoer. Inmiddels wordt er ook gekeken naar de mogelijkheden van wateropslag in bassins, ontzilting van zout water, en het benutten van effluentstromen. Deze opties worden in de paragrafen 3.4 en 3.5 beschouwd. Hier ligt de focus op het begrip van de natuurlijke processen en de mogelijkheden daar gebruik van te maken. De zoetwatervoorraad kan ook lokaal vergroot worden door specifieke plaatselijke maatregelen, namelijk door actieve infiltratie van zoet water of het actief verdikken van de zoete regenwaterlens in de ondergrond.

En daar wordt het complex, want de mogelijkheden variëren sterk al naar gelang de kenmerken van de onder

grond en uiteraard de beschikbaarheid van geschikt infiltratiewater. Ook is de regelgeving t.a.v. infiltratie strikt, zodat zelfs wanneer de omstandigheden gunstig lijken, er beperkingen kunnen gelden en vergunningverlening ingewikkeld is. Een en ander betekent ook dat de kansrijkheid voor infiltratie niet eenvoudig op gebiedsniveau aan te geven is. Daarvoor is de Zeeuwse ondergrond te heterogeen. Wie de mogelijkheid tot infiltratie wil verkennen, zal zelf een analyse moeten (laten) uitvoeren naar de lokale condities. Daarbij verdienen de volgende zaken de aandacht: • Voldoende infiltratiewater van de juiste kwaliteit  zonder bronwater is infiltratie überhaupt uitgesloten. Kwaliteit slaat zowel op het zoutgehalte, dat niet alleen laag genoeg moet zijn om geen gewasschade te veroorzaken, maar ook zó laag moet zijn dat het reglementair is toegestaan het te infiltreren, als op de chemische kwaliteit. Water dat bestrijdingsmiddelen bevat mag simpelweg niet geïnfiltreerd worden, wat de toepassing van oppervlaktewater geruime periodes in het jaar sterk beperkt. De oorsprong van het water is verder uiteraard niet onderscheidend, zolang de kwaliteit maar in orde is. De denkbare bronnen in volgorde van toenemende kosten (en dus kleinere kans van toepassing) zijn: – Water dat in natte perioden via het regionale watersysteem wordt afgevoerd.

Dit water wordt regulier uitgeslagen naar het buitenwater, dus elke kuub die dat lot bespaard blijft, draagt bij aan een grotere zoetwatervoorraad. De kwaliteitseisen spelen zeer nadrukkelijk voor deze stroom. In de praktijk volstaat de kwaliteit veelal vanaf november tot maart, al naar gelang de neerslag in de betreffende periode. – Drainagewater dat met een samengesteld drainagesysteem wordt afgevangen voordat het afstroomt naar de sloot. Het aantrekkelijke van dit water is dat het doorgaans zoeter is dan het slootwater en bovendien kan de boer zelf actief bijdragen aan een betere chemische waterkwaliteit door beperking of uitsluiting van bestrijdingsmiddelen. – Extern water. Zoals hierboven aangegeven, beschikt Zeeland over een bescheiden externe aanvoer via de landbouwwaterleiding. Bovendien geldt voor dit water een tarief van € 0,65/m3. Daarmee is het een voorziening voor directe afname en gebruik in de kapitaalintensieve fruitteelt in Zuid-Beveland. Er zijn 340 aansluitingen op de leiding. Uiteraard is het mogelijk dit water in de ondergrond te bergen, zeker omdat de aanvoercapaciteit in de winter niet benut wordt, maar omdat de terugwinning niet volledig is (men rekent met 70% recovery) is het kostentechnisch geen evidente optie, tenzij het tarief significant wordt gereduceerd.

Extra aanvoer is in theorie mogelijk, maar dat druist in tegen het belangrijk leidend principe Functie volgt Water (zie ook H.2)

11 Deze relatie wordt het Badon Ghijben-Herzberg principe genoemd en volgt eenvoudig uit het massaverschil tussen zoet en zout water (0,025 kg/l).

52

– Schoon effluent. Ook opgewerkt effluent van RWZI’s kan in principe bronwater zijn voor ondergrondse opslag. Dat zal dan met name in de winter zijn, want in de zomer beschikbaar water zal overwegend direct benut worden. Net als bij de externe aanvoeroptie spelen de kosten een doorslaggevende rol, want de wellicht noodzakelijke extra behandeling van het afvalwater verschaft het water al een starttarief voordat het geïnfiltreerd kan worden. – Ontzilt zeewater. De overtreffende trap van de vorige opties is het benutten van ontzilt zeewater. De productieprijs hiervan is in de meeste gevallen nog eens aanzienlijk hoger dan voornoemde opties (zie §2.5), maar het is niet uitgesloten dat ontzilting mettertijd een realistische optie wordt en dat in dat geval een permanente werking van een kleine unit in dat geval kostenefficiënter is dan de tijdelijke werking van een grote unit. • Kenmerken van bodem en ondergrond  de Zeeuwse ondergrond is in de loop van miljoenen jaren gevormd door opeenvolgende afzettingen van deeltjes die met de wind en het water (of ijs) zijn aangevoerd. Er is een soort millefeuille van lagen ontstaan met elk hun specifieke kenmerken, al betreft het overwegend combinaties van zand en klei van variabele herkomst. Grind komt weinig voor en keien nog minder. Hard gesteente ontbreekt volledig.

Voor het grondwater waarin we in het kader van dit rapport geïnteresseerd zijn, is de bovenste aardlaag van zo’n 15-50 meter dikte van belang, die is in de laatste tienduizend jaar opgebouwd, hoofdzakelijk door sedimentatie van mineraal materiaal uit zee of rivieren. In aanvulling daarop zijn lagen organisch veenmateriaal aanwezig. De laagopbouw is niet egaal vlakdekkend verlopen, maar uiterst variabel, wat heeft geresulteerd in een lappendeken van ondergronden. Wat relevant is vanuit ons waterperspectief, is dat de grond water bevat. In het voorgaande is grondwater al meerdere malen aan de orde geweest, en iedereen is vertrouwd met het begrip, maar toch is goed er even wat meer aandacht aan te besteden. De grond beleven we immers als iets dat is opgebouwd uit vast materiaal, zoals zand, klei e.d. Dat er toch water in de grond zit, komt door de vrije ruimte tussen de korrels. Deze kan gevuld worden met water en dat is dus grondwater. De maat voor de vrije ruimte heet porositeit. In een waterverzadigde ondergrond, waarvan in Zeeland op enkele meters diepte altijd sprake is, varieert de porositeit van minerale lagen tussen de 35 en 60%. Veen kan zelfs voor bijna 90% uit water bestaan. Op grotere diepte neemt de porositeit af en bevat de grond dus minder water.

De gemiddelde porositeit van de bovenste 20 m van de ondergrond, de laag waarin het voor dit rapport relevante grondwater zit, bedraagt grofweg 30%. Een beetje meer in zand, een beetje minder in klei. Niet alleen de aanwezigheid van water is overigens van belang, zeker zo belangrijk voor het kunnen benutten van de ondergrond als opslagmedium is haar waterdoorlatendheid. Die varieert naar gelang de textuur, oftewel de korrelgrootte. Grofweg geldt dat hoe kleiner de deeltjes, hoe minder waterdoorlatend de laag. Klei en veen zit aan de ene kant van het Zeeuwse spectrum, grof zand aan de andere.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

Met bovenbeschreven inzicht op zak, kunnen we nagaan wat er gebeurt als regen op onbebouwd aardoppervlak valt. Het water belandt op de bodem, de bovenste laag van maximaal enkele meters dik, waar planten met hun wortels toegang toe hebben. Een gezonde bodem laat het water goed door, zelfs wanneer hij kleirijk is, omdat hij zowel door fysische processen als door bodemleven permeabel is. Het water zakt dus door de deklaag heen en vervolgt zijn weg omlaag totdat het een laag tegenkomt die slecht waterdoorlatend is. Dan wordt de verticale beweegrichting gebogen en zal het water zijwaarts afstromen naar een plek waar de weerstand van de ondergrond lager is en het toch weer een verticaler richting kan volgen. Op die manier hoop het zoete water zich op, op die plaatsten waar het relatief eenvoudig naartoe kan stromen. De stromingssnelheid moet niet overschat worden. Het eerste deel van het traject door de onverzadigde bodem heen, verloopt nog relatief snel, maar wanneer het water de verzadigde zone bereikt (het freatisch grondwater), neemt de tegendruk toe en verloopt het transport langzaam. Daar komt bij dat een groot deel van de Zeeuwse akkers gedraineerd is, waardoor het water op zijn tocht omlaag in de drains belandt en horizontaal afstroomt naar de sloot en van daar verder naar de zee.

Zeker wanneer het freatisch grondwaterpeil in natte perioden zo hoog als of zelfs hoger dan de drainagebuizen komt te staan, wijzigt de voornaamste stroomrichting van de gevallen neerslag al binnen een meter van verticaal in horizontaal. Om in die situatie de hydrostatische binnendijkse druk voldoende hoog te houden om aangroei van ondergrondse zoetwaterbellen te stimuleren, is een geforceerde stremming van de drainafvoer gewenst. Dat kan m.b.v. een peilgestuurd drainagesysteem. Zo’n systeem biedt ook de mogelijkheid het drainwater op te vangen en actief zelf op een grotere diepte te infiltreren in de ondergrond (als die zich daarvoor leent) en daarmee dus de zoetwatervoorraad te vergroten. En dat kan even gemakkelijk met ander bronwater zolang dat van voldoende kwaliteit is om geïnfiltreerd te mogen worden. En een groot voordeel hierbij is dat deze actieve vorm van infiltratie de mogelijkheid biedt een eventueel aanwezige slechtdoorlatende grondlaag te passeren en het water te bergen in een goed watervoerende laag. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat de ondergrond werkelijk ongeschikt is voor waterberging, zodat er geen voorraad kan worden opgebouwd waar actief gebruik van gemaakt kan worden.

Maar op basis van al het voorgaande kan eenvoudig worden beredeneerd dat er dan nog twee manieren zijn om op zijn minst de regenwaterlens, de relatief dunne schijf zoet water die op het zoute grondwater “drijft” en die essentieel is voor de zoete landbouw op de grond erboven, te verdikken. Dit is met name van belang in gebieden waar de zoetzoutgrens ondiep ligt. De twee manieren, die beide kunnen worden aangemerkt als antiverziltingsdrainage, zijn: • Het aanleggen van een diepere drainage waarmee een zoute fractie kan worden gedraineerd en de aanvulling van boven met zoet water zorgt voor een dikkere regenwaterlens. Deze selectieve drainage vereist wel dat afvoer door het ondiepere drainagesysteem wordt voorkomen, bv door die drains af te sluiten of ze om te vormen tot een peilgestuurd systeem. Ook is het essentieel dat de laag waar de diepe drainage in wordt

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

53

aangebracht niet uit ongerijpte klei bestaat, omdat die slecht draineert. • Het verhogen van het drainagepeil met behulp van een peilgestuurd drainagesysteem, waardoor de hydrostatische druk wordt verhoogd en daarmee de regenwaterlens wat verdikt.

meer dan 80 mm winterse aangroei van de voorraad plaatsvindt, maar op andere plaatsten minder. Al met al is het grondwaterbeheer erop gericht een bestaande voorraad op peil te houden. Bij grotere onttrekking dan 80 mm per jaar dreigt het gevaar van voorraaduitputting.

Zo’n dikkere regenwaterlens is niet onbelangrijk omdat hij de kans op verzilting van de bodem verkleint en daarmee schade aan de gewassen die erop geteeld worden. De lens is dus niet dik genoeg om te kunnen onttrekken, maar hij vormt wel een buffer tegen het zout dat tamelijk dicht onder het maaiveld aanwezig is.

Voor actieve infiltratie, dat is water inbrengen in de ondergrond met als doel het later te kunnen onttrekken, gelden andere regels. Er is allereerst een vergunning voor nodig. Infiltratie wordt van oorsprong toegepast voor drinkwaterbereiding, zodat er een directe link is met de volksgezondheid. Om die niet in het geding te laten raken, gelden er strenge kwaliteitsregels voor het infiltratiewater. Zo moet verplicht gebruik gemaakt worden van betrouwbaar bronwater, dat daartoe frequent moet worden geanalyseerd. Voor landbouwwater is een lagere norm verdedigbaar, hoewel vervuiling van grondwater natuurlijk hoe dan ook moet worden voorkomen. Het aantal (dure) analyses kan wellicht beperkt blijven wanneer eenmaal duidelijk is wanneer (in het najaar) de waterkwaliteit van het slootwater voldoet aan de infiltratienorm. De waterbeheerder heeft hierin enige ruimte om maatwerk te leveren, maar moet die keuzen wel kunnen verantwoorden aan de wetgever.

Benutting van grondwater Het water dat hiervoor nog met zoveel zorg actief de ondergrond ingewerkt is, krijgt vanuit gebruikersbelang natuurlijk pas meerwaarde wanneer het de gewassen kan bereiken. Eén van de mogelijkheden daarvoor is het onttrekken van grondwater. Daarvoor geldt specifieke regelgeving waarvan de volgende voorwaarden het meest in het oog lopen: 1. de dikte van de bel  minstens tot 15 m –mv (tenzij zand op klei op < 15 m –mv), 2. de wijze van onttrekking  met een horizontale diepdrain op een maximale diepte van 6 m –mv 3. het volume  maximaal 3000 m3 per kwartaal en 8000 m3 per groeiseizoen voor een areaal van 10 ha Indien aan de eerste voorwaarde wordt voldaan, dient een diepdrain bij het waterschap te worden geregistreerd om de natuurlijke bron te kunnen benutten. Onttrokken hoeveelheden dienen geregistreerd te worden en worden opgeslagen in het Landelijk Grondwaterregister. Overigens maakt de tweede voorwaarde van de horizontale diepdrain dat als er in de bovenste 6 meter onder het maaiveld geen goed waterdoorlatende laag zit, er geen water onttrokken kan worden. Het water stroomt in dat geval simpelweg onvoldoende snel naar de diepdrain om een benutbare stroom te genereren. Dus zelfs wanneer de zoetwaterbel dik genoeg is, is belangrijk de ondergrond te kennen om te kunnen inschatten of het water ook te onttrekken valt.

Daarbij geldt grof zand als gunstigst substraat en klei als ongunstigst. Het water onttrekken op een grotere diepte met een verticale “put” (een buis met een of meerdere filters waar het water vrijelijk door kan stromen) is om twee redenen niet toegestaan. De eerste is dat het risico bestaat dat door de onttrekking op één locatie het zoute water op grotere diepte wordt aangetrokken en zo de bron verzilt, een fenomeen dat wordt aangeduid als opkegeling. De tweede reden waarom het gebruik van verticale putten niet is toegestaan om het eventueel goed beschikbare water van onder de klei te onttrekken, is dat het op peil blijven van de grondwatervoorraad in het geding kan raken. Daarmee zijn we bij de derde voorwaarde, want de maximale onttrekking van 8000 m3 per groeiseizoen rust op de gemodelleerde aanname dat natuurlijke voorraden in de winterperiode zeker 80 mm zullen aangroeien12. Dat is een generieke aanname, want zoals eerder in dit hoofdstuk toegelicht varieert de natuurlijk inzijging van plaats tot plaats al naar gelang de lokale ondergrondomstandigheden. Dat betekent dat er op sommige wellicht 12 Een volume van 8000 m3 per 10 hectare correspondeert met een schijf water van 80 mm

Waar voor de benutting van natuurlijke voorraden horizontale drains verplicht zijn, geldt dat niet voor de onttrekking van geïnfiltreerd water. Nu zijn daar in Zeeland weinig voorbeelden van, maar de gedachte is dat water dat actief is geïnfiltreerd in principe volledig beschikbaar is voor onttrekking. Het zoete water wordt dan gericht in een geschikte watervoerende laag in de ondergrond gebracht waar hij een zoete bel vormt in een vaak zilte omgeving. Dit opgeslagen water kan later worden onttrokken voor benutting. De techniek, aangeduid als Aquifer Storage & Recovery, kortweg ASR, wordt in het Westland veelvuldig toegepast door glastuinbouwers, waarbij zij veelal verticale putten gebruiken met filters op meer dan 15 meter beneden maaiveld. Zoals opgemerkt, wordt deze techniek tot nu toe weinig in Zeeland toegepast, maar het kan wel een perspectiefrijke techniek zijn voor de ondergrondse berging van opgevangen drainwater. In Kruiningen wordt hier sinds 2020 ervaring mee opgedaan, waarbij het mogelijk is gebleken een aanzienlijke hoeveelheid water te infiltreren voor later benutting. ASR biedt potentieel mogelijkheden in gebieden met een dikke kleiige deklaag en een zandig substraat daaronder.

Al met al leidt dit alles tot de volgende matrixtabel waarin de kansrijkheid van vier technische mogelijkheden om actief de eigen zoetbeschikbaarheid te verbeteren met kleuren zijn weergegeven in functie van de ondergrondkenmerken. Voor de eenvoud zijn slechts vier kleuren gebruikt: • rood voor min of meer onmogelijke opties, • donkergroen voor perspectiefrijke opties, • lichtgroen voor opties waarvan de haalbaarheid wordt bepaald door de effectieve waterdoorlatendheid van het fijne zand en • lichtgeel voor opties die wellicht technisch haalbaar zijn, maar minder perspectief bieden en/of financieel minder aantrekkelijk zijn dan een andere techniek in de betreffende situatie.

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

54

Hoewel een eenvoudige kleurentabel de indruk van volledigheid kan wekken, is dat hier niet het geval. Hij biedt een globaal houvast om de kansrijkheid van een techniek op voorhand in te schatten, zodat de energie beter niet verspild wordt aan de rode opties.

Kenmerken Ondergrond

Toplaag ongerijpte klei

Bonte ondergrond Ondergrond grof zand Ondergrond fijn zand

Laag gelegen met kwel

Bonte ondergrond Toplaag gerijpte klei

Ondergrond grof zand Ondergrond fijn zand

Hoog gelegen en zonder kwel

Deklaag > 6meter klei

Deklaag << 6meter klei

Daaronder grof zand Daaronder fijn zand Daaronder grof zand Daaronder fijn zand

Maar ingeval van de groene opties is in de meeste gevallen een aanvullende verkenning nodig van de daadwerkelijke geschiktheid van de omstandigheden om tot handelen te besluiten. Bovendien is er voor de ASR-opties hoe dan ook een vergunning nodig.

Antiverziltingsdrainage

Onttrekkin met hor. diepdrain

Bronwater + ASR

Peilgestuurde drainage + ASR

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

Colofon Uitgave: Provincie Zeeland Beeld: Beeldbank Provincie Zeeland, André van der Straat en Waterschap Scheldstromen Input: Waterschap Scheldestromen, ZLTO, ZAJK, ZMF, Dow, HZ University of Applied Sciences, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Het Zeeuwse Landschap, Evides, Gemeente Noord-Beveland, Gemeente Terneuzen, Gemeente Tholen, Gemeente Schouwen-Duiveland, Veiligheidsregio Zeeland. Datum: juli 2021

55

56

www.zeeland.nl / G provinciezeeland / U provzeeland

ZEEUWS DELTAPLAN ZOET WATER

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10536737/1