20210420 voorontwerp bpl Duinrand Oost Duinrand Oost Bijlage 10 concept Toelichting en regels
Tekst van het document
Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in de prognose voor 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020 ten hoogste; 14,3 µg/m³ voor NO2, 17,4 µg/m³ voor PM10 en 9,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,1 dagen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Uit de merbeoodeling blijkt bovendien dat de het aspect luchtkwaliteit geen nadelige gevolgen heeft ten opzichte van huidige situatie. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Rho adviseurs voor leefruimte
32
Figuur 4.9.1 Uitsnede NSL tool (plangebied met blauw aangegeven) Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
4.11
Externe veiligheid
Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd
Rho adviseurs voor leefruimte
33
gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Buisleidingen Relevant is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek In de huidige en in de toekomstige situatie is sprake van een vakantiepark. Het aantal eenheden binnen het plangebied zal in de toekomstige situatie flink afnemen (tot 78). Binnen het plangebied ligt een propaantank met een risicocontour van 15 m. Met de totale transformatie van het vakantiepark wordt deze propaantank geamoveerd. Met het verwijderen van de propaantank (en de propaantank op het westelijke deel van de Schouwse Valleien) is de locatie niet meer aan te merken als risicovolle inrichting. De bijbehorende risicocontour komt daarmee te vervallen. Op ruimere afstand zijn ook propaantanks aanwezig op andere vakantieparken. De risicocontouren van deze propaantanks reiken niet tot het plangebied.
Uit de professionele risicokaart blijkt verder dat er in de nabije omgeving van het plangebied geen andere risicovolle inrichtingen aanwezig zijn, zie figuur 4.10.1. Daarnaast vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen dat van invloed is op de risicosituatie in het plangebied. De N57 maakt onderdeel uit van het basisnet en heeft een groepsrisicocontour van 73 m, maar ligt op ruim 650 m van het plangebied. Het aspect externe veiligheid staat daarom de uitvoering van het plan niet in de weg.
Figuur 4.10.1 Uitsnede Risicokaart (plangebied met blauw aangegeven) Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
34
4.12
Ecologie
Beleid en normstelling Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en; de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en
Rho adviseurs voor leefruimte
35
vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Onderzoek Gebiedsbescherming Vanwege de ligging van het plangebied naast Natura 2000-gebied, zijn de effecten op dit Natura 2000gebied niet uit te sluiten. Voor de totale transformatie van vakantiepark Duinrand is een natuurtoets uitgevoerd, zie als bijlage in de vormvrije MER. Hieruit blijkt dat met de transformatie zowel tijdens de aanlegfase als in de gebruiksfase, significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. In de gebruiksfase worden geen verbodsbepalingen overtreden. Door de ruimere opzet van het nieuwe park kan bij een natuurvriendelijke inrichting en beheer de ecologische kwaliteit van het gebied zelfs worden verbeterd ten opzichte van de referentiesituatie. Tevens blijkt uit de natuurtoets dat de Wet natuurbescherming tijdens de aanlegfase de ontwikkeling niet in de weg staat.
Voor zowel de aanlegfase als de nieuwe gebruiksfase is voor de gehele ontwikkeling van de Schouwse Valleien voor de stikstofdepositie een verschilberekening gemaakt ten opzichte van de referentiesituatie, zie bijlage AERIUS bij natuurtoets. Tijdens de aanlegfase vervallen de emissies van de gebruiksfase en is op alle relevante habitats sprake van een afname van de stikstofdepositie. De AERIUS berekening is uitgevoerd voor geheel Duinrand West en Oost. In de gebruiksfase is eveneens overal sprake van een blijvende afname van de depositie. In de verschilberekening als onderdeel van de vormvrije m.e.r-beoordeling van de huidige en toekomstige situatie is uitgegaan van een hogere verkeersgeneratie dan in paragraaf 4.7 is berekend. Tijdens het opstellen van de natuurtoets was de memo 'kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme' nog niet van kracht, waardoor andere verkeersgeneratiegetallen golden. De huidige en beoogde verkeersgeneratie en de daarbij behorende stikstofdepositie is opnieuw berekend en valt lager uit. Gezien sprake is van een afname van de verkeersgeneratie heeft dit geen gevolgen voor de gestelde conclusie dat sprake is van afname van de stikstofdepositie. De actuele AERIUS-berekeningen voor de gebruiksfase en voor de aanlegfase zijn opgenomen in bijlage 8 en bijlage 9 bij deze toelichting.
Soortenbescherming Het planvoornemen betreft de herinrichting van een bestaand vakantiepark. De verandering van gebruik betreft een vermindering van eenheden en verhard oppervlak. Middels landschappelijke inrichting worden de gronden binnen het plangebied natuurlijker ingericht. In de natuurtoets is tevens onderzoek opgenomen naar de aanwezigheid van beschermde soorten. Uit dit onderzoek uit 2017 blijk dat de beoogde inrichting geen negatieve ecologische effecten heeft op beschermde soorten binnen de grenzen van het vakantiepark zelf. Tijdens de aanleg is het wel noodzakelijk rekening te houden met de volgende maatregelen: bomen met verblijfplaatsen voor vleermuizen blijven zo veel mogelijk behouden of worden verplant en zijn opgenomen in het de beoogde groenstructuur. Daarnaast worden vleermuiskasten aangebracht. Voor vleermuizen en broedvogels wordt gewerkt buiten respectievelijk de paarperiode en het broedseizoen.
Rho adviseurs voor leefruimte
36
Het terrein wordt afgeschermd met schermen om inloop van de rugstreeppad vanuit het duingebied te voorkomen.
Met het nemen van de juiste maatregelen tijdens de aanlegfase van het nieuwe terrein, vormt de ontwikkeling geen belemmering voor beschermde soorten. Daarbij speelt mee dat er in de toekomstige situatie juist meer ruimte is voor natuurontwikkeling omdat het totale aantal recreatieverblijven op het terrein (flink) afneemt ten opzichte van de huidige situatie. In de zomer en het najaar van 2020 is onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde diersoorten. Dat onderzoek wordt in het voorjaar van 2021 voortgezet. Op basis van de beschikbare informatie komt de instandhouding van de voorkomende soorten door de beoogde ontwikkeling niet in het geding. Voor zover verblijf- of rustplaatsen worden vernietigd, zal een ontheffing van de Wet Natuurbescherming worden aangevraagd. Verwacht wordt dat deze ontheffingen verleend zullen worden. Er is geen grond voor het oordeel dat de Wet Natuurbescherming aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan in de weg staat Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
4.13
Kabels en leidingen
Beleid en normstelling Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke ‘mechanische grondroering’ bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Onderzoek en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante hoogspanningslijnen, buisleidingen of telecomverbindingen aanwezig. De ontwikkeling vormt zodoende geen belemmering voor kabels en leidingen.
Rho adviseurs voor leefruimte
37
4.14
Duurzaamheid, energie en klimaatadaptatie
Beleid en normstelling Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energie zuinigheid. Onderzoek en conclusie Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2020 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De nieuwbouw zal hieraan voldoen. Mede met het oog op de gewenste kwaliteitsslag wordt in de nieuwe situatie duurzaam gebouwd. De te nemen duurzame maatregelen zijn een speerpunt van de ontwikkeling en zijn onder meer:
de gebouwen worden gasloos verwarmd en voorzien van 'slimme' thermostaten; een lage EPC van recreatiewoningen; onderzoek naar inkopen van duurzame stroom; het waar mogelijk toepassen van recreatieverblijven met sedumdaken voor optimalisatie bouwfysica en buffer voor op te vangen regenwater; het opvangen regenwater in de lagere delen op park en gebruik voor irrigatie; een optimale situering recreatiewoningen en waar mogelijk voorzien van zonwering en overstekken op zuidgevels; natuurontwikkeling op de parken zelf.
Duurzaamheid wordt ook nagestreefd in het materialenpaspoort van de bebouwing en de wijze van bouwen (ten minste deels prefab, teneinde zware bouwactiviteiten op de parken zelf te voorkomen). Het uitgangspunt voor de civiele invulling van het vakantiepark, zoals wegen, verlichting etc., is ook duurzaam. Verlichting gebeurt door duurzame LED armaturen in relatie met een lichtplan, bewust verlichten, aanwezigheid detectie etc. Ook zal de mogelijkheid worden geboden om elektrische voertuigen op te laden op de centrale parkeervoorzieningen bij de parken.
4.15
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een milieueffectrapportage nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan, ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft, mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije' merbeoordeling.
Rho adviseurs voor leefruimte
38
Toetsing en conclusie De ontwikkeling is op basis van aard en omvang niet (rechtstreeks) mer-plichting. Ook is geen passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. De beoogde ontwikkeling betreft een wijziging van een vakantiedorp (Lijst D10.C) waarvoor dit bestemmingsplan wordt opgesteld. Gezien de drempelwaarde niet wordt overschreden kan worden volstaan met een vormvrije mer-beoordeling. Een aanmeldnotitie voor de totale ontwikkeling van de Schouwse Valleien is opgesteld, zie bijlage 5. Aangetoond wordt dat de ontwikkeling geen significant negatieve effecten op de omgeving heeft. Conclusie (p.m. datum besluit op mer-beoordeling)
Rho adviseurs voor leefruimte
39
Hoofdstuk 5
Financiële uitvoerbaarheid
Volgens artikel 6.12 van de Wro dient tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. Het plangebied is eigendom van de initiatiefnemer. De kosten van deze ontwikkeling zijn derhalve volledig voor rekening van de initiatiefnemer. Met de gemeente Gemert-Bakel wordt een anterieure overeenkomst gesloten.
Rho adviseurs voor leefruimte
40
Hoofdstuk 6
6.1
Juridische uitvoerbaarheid
Wettelijk kader
In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is van belang voor bestemmingsplannen.
6.2
Opzet van de bestemmingsregeling
Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling is het volgende van belang. Verbeelding Eisen aan de verbeelding Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Op de verbeelding wordt met bestemmingen en aanduidingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. De bestemmingen worden door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'W' voor 'Wonen'. Met aanduidingen kan het gebruik nader worden gespecificeerd en het bouwen worden gereguleerd. Een veel voorkomende bouwaanduiding is die voor de maximum goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen; deze worden aangegeven door middel van een matrix. Naast enkelbestemmingen die met een kleur worden aangeduid, zijn er dubbelbestemmingen die op de verbeelding herkenbaar zijn aan arceringen. De gehanteerde bestemming Voor het plangebied is een recreatiebestemming voor recreatiewoningen opgenomen. Voor deze bestemmingsregeling is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Kop van Schouwen' en de '1e herziening Kop van Schouwen'.
Naast deze enkelbestemming komt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' voor een deel te (op het moment van afronding onderzoek) vervallen, omdat de locatie is vrijgegeven op verstoring van de aanwezigheid van archeologische sporen, zie paragraaf 4.4. Regels Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde. In Hoofdstuk 1 worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald.
Rho adviseurs voor leefruimte
41
In Hoofdstuk 2 worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven. Hoofdstuk 3 bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een antidubbeltelbepaling. Hoofdstuk 4 bevat het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.
Ook bij de opstelling van een bestemmingsbepaling (hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels. Voorts is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling.
6.3
Toelichting op de gehanteerde bestemmingen
Recreatie - Recreatiewoning Het terrein krijgt de bestemming Recreatie-Recreatiewoning. Daarbij wordt een maximum aantal van 77 recreatiewoningen aangeduid. Voor het logeerhuis is een specifieke aanduiding opgenomen. Groen - Landschappelijk De landschappelijke inpassing in de vorm van een aarden wal is geborgd in de bestemming GroenLandschappelijk.
6.4
Toelichting op de algemene regels
Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, bepalingen. Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld als (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat het overgedragen erf nog eens in de beoordeling van de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijk deel erf kan worden betrokken. Algemene bouwregels (Artikel 6) Dit artikel bevat één lid, namelijk 'overschrijding bouwgrenzen' (lid : Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken. Deze bouwvlakken zijn op de verbeelding aangeduid met een dikke lijn. Algemene afwijkingsregels (Artikel 7) Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplanbepalingen (de bouwregels) is een algemene afwijkingsregel opgenomen.
Rho adviseurs voor leefruimte
42
Overige regels (Artikel 9) Dit artikel bevat twee bepalingen, namelijk een parkeerregeling en een regeling voor waterberging. In een (toenemend) aantal gevallen wordt in de regels van bestemmingsplannen verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. Ook in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wro worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Uit praktische overwegingen is er voor gekozen in dit hoofdstuk van de regels een artikel hiervoor op te nemen, waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor hoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het Staatsblad. De parkeerregeling is gelijk aan degene opgenomen in de Parapluherziening Parkeren Gemert-Bakel zoals vastgesteld op 23 januari 2018.
6.5
Toelichting op de overgangs- en slotbepalingen
In artikel 10 is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 10.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 10.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Artikel 11 bevat de slotregel.
Rho adviseurs voor leefruimte
43
Rho adviseurs voor leefruimte
44
Hoofdstuk 7
7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro
Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De resultaten van het vooroverleg worden verwerkt in onderstaande paragraaf.
7.2
Zienswijzen
Met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (voor de duur van zes weken) wordt de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende deze periode kan iedereen op het ontwerp bestemmingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. De zienswijzen worden samengevat en voorzien van beantwoording. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college van B&W de gemeenteraad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen.
7.3
Beroep
Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Rho adviseurs voor leefruimte
45
Rho adviseurs voor leefruimte
46
Bijlagen toelichting
Rho adviseurs voor leefruimte
47
Rho adviseurs voor leefruimte
48
Bijlage 1 Laddertoets
Rho adviseurs voor leefruimte
49
Rho adviseurs voor leefruimte
50
Bijlage 2 Explosieven onderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
51
Rho adviseurs voor leefruimte
52
Bijlage 3 Archeologie inventariserend veldonderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
53
Rho adviseurs voor leefruimte
54
Bijlage 4 Watertoets
Rho adviseurs voor leefruimte
55
Rho adviseurs voor leefruimte
56
Bijlage 5 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling
Rho adviseurs voor leefruimte
57
Rho adviseurs voor leefruimte
58
Bijlage 6 Industrielawaai, 8 december 2020
Rho adviseurs voor leefruimte
59
Rho adviseurs voor leefruimte
60
Bijlage 7 Wegverkeerslawaai, 8 december 2020
Rho adviseurs voor leefruimte
61
Rho adviseurs voor leefruimte
62
Bijlage 8 AERIUS verschilberekening gebruiksfase
Rho adviseurs voor leefruimte
63
Rho adviseurs voor leefruimte
64
Bijlage 9 AERIUS verschilberekening aanlegfase
Rho adviseurs voor leefruimte
65
Rho adviseurs voor leefruimte
66
Regels
Rho adviseurs voor leefruimte
67
Hoofdstuk 1
Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan het bestemmingsplan Duinrand Oost met identificatienummer NL.IMRO.1676.PMBPDuinrandOost-0001 van de gemeente Schouwen-Duiveland. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aan- of uitbouw een uit de gevel springend, in architectonisch opzicht ondergeschikt deel van een woning dat door haar indeling en inrichting is bestemd hoofdzakelijk te worden gebruikt ten behoeve van de woning. 1.4 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 aanduidingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens. 1.7 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.8 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, welke slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van ) een persoon, a. wiens huisvesting daar noodzakelijk is gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein, of b. waarvan het hoofdinkomen afkomstig is van een bedrijf waarvan de bedrijfsactiviteiten gelet op de bestemming van de grond ter plaatse structureel worden uitgeoefend.
1.9 bestaand ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 1.10 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak.de grens van een bestemmingsvlak. 1.11 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
Rho adviseurs voor leefruimte
68
1.12 bijgebouw een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.13 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.14 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.15 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.16 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.17 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.18 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.19 bruto-standplaatsgrootte De totale oppervlakte van een kampeerterrein, inclusief landschappelijke inpassing, gedeeld door het totaal aantal standplaatsen.
1.20 centrale bedrijfsmatige exploitatie het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een gezamenlijk beheer en exploitatie van recreatiewoningen, kampeerterreinen en kampeermiddelen, gericht op het bieden van (permanent wisselende) recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden. 1.21 dagrecreatie activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel (met uitzondering van casino's ), toerisme en educatie, waarbij geen sprake is van overnachting. 1.22 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.23 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen waaronder zijn begrepen reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, bankfilialen schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en seksinrichting.
Rho adviseurs voor leefruimte
69
1.24 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. 1.25 erfgrens de grens van het erf. 1.26 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.27 hoofdgebouw een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn aard, functie constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken. 1.28 horecabedrijf een bedrijf gericht op het verstrekken van al dan niet ter plaatse bereidde en al dan niet ter plaatse te nuttigen dranken en/of etenswaren en/of het verstrekken van logies en/of het exploiteren van zaalaccomodaties. 1.29 huishouden een persoon dan wel een aantal personen in een zeker continue samenstelling die met elkaar wonen en tussen de verschillende personen een zekere onderlinge verbondenheid bestaat. 1.30 kampeermiddel tenten, tentwagen, kampeerhuisjes of -lodges, caravans, campers, (sta)caravans of hiermee gelijk te stellen mobiele onderkomens op kampeerterreinen bestemd voor recreatief nachtverblijf, waarbij gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben.
1.31 kampeerterrein een terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen en/of kampeerhuisjes ten behoeve van recreatief nachtverblijf, waaronder begrepen dienstgebouwen en andere voorzieningen ten dienste van het kamperen. 1.32 kantoor(ruimte) een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig/bedrijfsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, lichaamsverzorgend, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee naar aard gelijk te stellen gebied. 1.33 logeergebouw een gebouw bestemd voor verblijfsrecreatie door meerdere personen in groepsverband. 1.34 NEN Door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan. 1.35 netto-standplaatsgrootte De effectieve, vrije standplaatsruimte per kampeerplaats, gemeten zonder beplantingen, wegen, (schouw)paden, sport- en spelvoorzieningen en parkeergelegenheid. 1.36
nutsvoorzieningen
Rho adviseurs voor leefruimte
70
voorzieningen ten behoeve van openbaar nut. 1.37 ondersteunende detailhandel gelegenheid waarbij het doel van de onderneming niet primair gericht op de verkoop van goederen, maar slechts ter ondersteuning is van de hoofdactiviteit. 1.38 ondersteunende horeca gelegenheid waarbij het doel van de onderneming niet primair gericht is op het verstrekken van consumptieve goederen, maar slechts ter ondersteuning is van de hoofdactiviteit. Deze consumptieve gelegenheid richt zich op het verstrekken van eetwaren voor directe consumptie ter plaatse met daarnaast het afzonderlijk verstrekken van dranken voor directe consumptie ter plaatse. Horecagelegenheden bij sportkantines en clubhuizen vallen hier niet onder. 1.39 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak en optineel één wand. 1.40 passend in straat- en bebouwingsbeeld a. een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte; b. een goede hoogte-/breedteverhouding tussen de bebouwing onderling; c. een samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is; d. de cultuurhistorische samenhang van de omgeving. 1.41 peil a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk grenst aan de weg: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. bij ligging in het water: de gemiddelde hoogte van de aangrenzende oevers; c.
in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afwerkte bouwterrein, ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.42 permanente bewoning bewoning van een ruimte als hoofdverblijf. 1.43 recreatief nachtverblijf recreatie, niet zijnde permanente bewoning, in ruimten welke zijn bestemd voor recreatief nachtverblijf, zoals een recreatiewoning, kampeerhuisje, logeergebouw, pension of kampeermiddel, door personen die hun hoofdverblijf elders hebben. 1.44 recreatiewoning een gebouw, geen woonkeet en geen (sta)caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bestemd is voor recreatief nachtverblijf en waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben. 1.45 restaurant een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken.
Rho adviseurs voor leefruimte
71
1.46 seksinrichting de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.47 Staat van Horeca-activiteiten de Staat van Horeca-activiteiten die van deze regels deel uitmaakt. 1.48 stacaravan een kampeermiddel uit één niet-samengesteld geheel, die in zijn geheel zelfstandig (over de weg) vervoerd kan worden met een maximale oppervlakte van 55m2 en maximaal 5 meter hoog, gemeten vanaf het afgewerkt bouwterrein. 1.49 standplaats het gedeelte van een kampeerterrein aangewezen voor recreatief nachtverblijf in één of meerdere kampeermiddelen of een kampeerhuisje, waarbij de standplaatsen voor kampeermiddelen nader zijn te onderscheiden in: a. permanente standplaats: een standplaats bestemd voor het plaatsen van een kampeermiddel of een kampeerhuisje en twee bijzettentjes van maximaal acht vierkante meter, dat gedurende het gehele jaar aanwezig mag zijn ten behoeve van recreatief nachtverblijf; b.
niet-permanente standplaats: een standplaats bestemd voor het plaatsen van één of meerdere kampeermiddelen, niet zijnde een stacaravan, gedurende het zomer- en/of winterseizoen. nader te onderscheiden in: één kampeermiddel met maximaal twee bijzettentjes van maximaal acht vierkante meter of maximaal drie tentjes van maximaal acht vierkante meter. 1.50 straatprostitutie het zich op de openbare weg respectievelijk op openbare ruimten of in een zich op de openbare weg respectievelijk openbare ruimte bevindend voertuig beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.51 verblijfsrecreatie recreatie in ruimten die zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverblijf, zoals een recreatiewoning, groepsaccommodatie, logeergebouw, pension, kampeermiddel of kampeerhuisje, door personen die hun hoofdverblijf elders hebben. 1.52 verblijfsrecreatieve voorzieningen voorzieningen, geen verblijfseenheden zijnde, ten behoeve van de verblijfsrecreatie. 1.53 weg voor het openbaar verkeer openstaande weg of pad inclusief de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die weg behorende paden en bermen of zijkanten. 1.54 woning een hoofdgebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
Rho adviseurs voor leefruimte
72
Artikel 2
Wijze van meten
2.1 de afstand de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.3 de bouwhoogte van een antenne-installatie a. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; b. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie. 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5 de breedte, lengte en diepte van een bouwwerk tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.6 de bruto vloeroppervlak de bruto vloeroppervlakte volgens NEN 2580. 2.7 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
2.8 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.9 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.10 de vloeroppervlakte de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580. 2.11 Ondergeschikte bouwdelen bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen wordt de overschrijding van de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen, zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevelen kroonlijsten, ventilatiekanalen, warmtepompen, schoorstenen, luifels, erkers, balkons en overstekende daken e.d. buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van de bouwgrens en/of bouwhoogte niet meer dan 1 meter bedraagt.
Rho adviseurs voor leefruimte
73
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Bestemmingsregels
Groen - Landschappelijk
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen - Landschappelijk' aangewezen gronden zijn uitsluitend bestemd voor: a. het behoud en/of herstel en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en de ontwikkeling van potentiële natuurlijke en landschappelijke waarden; b. landschappelijke afscherming van recreatieterreinen door opgaande beplanting van voornamelijk streekeigen soorten en voor geluidwerende voorzieningen, een grondwal inbegrepen; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - grondwal': een grondwal als afschermende voorziening langs een recreatieterrein met een minimum hoogte zoals aangegeven met de aanduiding 'minimum hoogte (m)'; d. water, taluds, oevers en waterhuishoudkundige voorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. 3.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de in lid 3.1 bedoelde bestemming worden gebouwd; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2 meter bedragen, met uitzondering van de bouwhoogte van openbare nutsvoorzieningen die ten hoogste 3,50 meter mogen bedragen.
3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Afwijking Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2, onder b ten behoeve van een geluidscherm dat wordt gebouwd op een geluidwerende grondwal tot een bouwhoogte van maximaal 2 meter ten opzichte van het hoogste punt van de grondwal. 3.3.2 Afwegingskader De in lid 3.3.1 genoemde afwijking kan slechts worden verleend, mits dit noodzakelijk is vanuit het oogpunt van geluidhinder. 3.4 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden als uitstallings-, opslag-, standplaats voor kampeermiddelen. 3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.5.1 Verbod
Rho adviseurs voor leefruimte
74
a.
b.
Het is binnen deze bestemming verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: 1. het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting en afschermende voorzieningen; 2. het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen zoals een grondwal; 3. het aanbrengen van verharde wegen en/of paden en andere oppervlakteverhardingen. Het is verboden op of in de in lid 9.1 bedoelde gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - duinbeken' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden), de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; 2. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; 3. het aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds; 4. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; 5.
het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen; 6. het aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; 7. het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting alsmede het verwijderen van oevervegetaties; 8. het beplanten van gronden met houtgewassen.
3.5.2 Uitzonderingen Het in lid 3.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. het normale onderhoud betreffen, waaronder in ieder geval verstaan ploegen, eggen, het uitbaggeren van sloten en greppels; b. noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer; c. reeds in uitvoering dan wel vergund zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; d. bedoeld zijn in lid 3.5.1 maar de in lid 3.1 omschreven waarden van deze gronden niet aantasten. 3.5.3 Voorwaarden Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt slechts verleend indien is gebleken dat de in lid 3.5.1 genoemde werken of werkzaamheden direct, hetzij indirect geen aantoonbaar onevenredige aantasting van de in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische waarden alsmede de landschappelijke inpassing tot gevolg hebben, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.
Rho adviseurs voor leefruimte
75
Artikel 4
Recreatie - Recreatiewoning
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Recreatie - Recreatiewoning' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verblijfsrecreatie in gebouwen welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverbijf door personen die hun hoofdverblijf elders hebben; en tevens voor: b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - logeergebouw': een logeergebouw; c. ondersteunende detailhandel ten behoeve van het recreatiebedrijf tot een vloeroppervlakte van ten hoogste 150 m2; d. ondersteunende horeca ten behoeve van het recreatiebedrijf in de categorie 1a dan wel 1b van de Staat van Horeca-activiteiten, zoals bedoeld in bijlage 1 Staat van Horeca-activiteiten, tot een vloeroppervlakte van 350 m2; e. groenvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en (ontsluitings)wegen, spel-, sport- en speelvoorzieningen, kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen, en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. 4.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: 4.2.1 Algemeen a. op deze gronden mogen uitsluitend ten dienste van de in lid 4.1 bedoelde bestemming worden gebouwd: 1. hoofdgebouwen; 2. aan- en uitbouwen en bijgebouwen; 3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; b.
gebouwen en overkappingen dienen in het aangeduide bouwvlak te worden opgericht, met dien verstande dat uitsluitend vrijstaande recreatiewoningen worden gebouwd. 4.2.2 Gebouwen a. het aantal recreatiewoningen per bouwvlak bedraagt ten hoogste 1, tenzij ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal recreatiewoningen' het aantal is toegestaan dat is aangegeven; b. de afstand tussen het hoofdgebouw – een aan- of uitbouw en/of aangebouwd bijgebouw als genoemd in lid 16.2.1, onder a sub 2 niet meegerekend – en de zijdelingse bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 3 meter (aan twee zijden); c. de oppervlakte, inhoud, goot- en bouwhoogte van gebouwen bedragen ten hoogste de navolgende maten: Gebouw Oppervlakte Inhoud Goothoogte (m) Bouwhoogte (m) (m2) (m3) 1 bedrijfsgebouwen zie aanduiding zie aanduiding 'maximum 'maximum goothoogte en goothoogte en maximum maximum bouwhoogte' bouwhoogte' 2 recreatiewoning (inclusief aan- 75 m2 5,50 m en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en overkappingen) 3 overige gebouwen ten behoeve 40 m2 4m 8m van het onderhoud (gezamenlijke oppervlakte aan overige gebouwen)
Rho adviseurs voor leefruimte
76
4.2.3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen a. per recreatiewoning is ten hoogste één vrijstaand bijgebouw toegestaan van ten hoogste 13 m²' b. de goothoogte van bijgebouwen, aan- en uitbouwen bij een recreatiewoning mag ten hoogste 2,50 meter bedragen en de bouwhoogte mag ten hoogste 3,50 meter bedragen; c. de goothoogte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een bedrijfswoning mag maximaal 3,30 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter bedragen. 4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2 meter bedragen, met uitzondering van: 1. licht- en vlaggenmasten die ten hoogste 8 meter mogen bedragen; 2. overkappingen die ten hoogste 3 meter mogen bedragen; 3. speelvoorzieningen die ten hoogste 4 meter mogen bedragen; b. in afwijking van het in 4.2.4, onder a bepaalde mag de bouwhoogte van een tuin- of erfafscheiding die gebouwd wordt vóór de voorgevellijn, maximaal 1 meter bedragen; c. overkappingen bij een recreatiewoning mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat het bouwen van een overkapping niet tot gevolg mag hebben dat het zij- of achtererf voor meer dan 50% wordt bebouwd.
4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Afwijken Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2.2, onder c voor een groter oppervlak van recreatiewoningen dan 75 m2, met inachtneming van het volgende: a. het oppervlak mag niet meer bedragen dan 85 m2; b. de goot- en bouwhhoogte mag niet meer bedragen dan bepaald in 4.2.2, onder c; c. de recreatiewoning is slechts geschikt voor één huishouden; d. uitsluitend vrijstaande recreatiewoningen mogen worden gebouwd. 4.3.2 Afwegingskader De omgevingsvergunning als bedoeld in 4.3.1 kan slechts worden verleend, mits: a. dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld; b. een stedenbouwkundig advies is verkregen; c. dit niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. 4.4
Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Strijdig gebruik Met betrekking tot het gebruik van gronden gelden in ieder geval de volgende regels: a. er dient sprake te zijn van een centrale bedrijfsmatige exploitatie, behoudens ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - bedrijfsmatige exploitatie uitgesloten'; b. recreatief nachtverblijf in vrijstaande bijgebouwen is niet toegestaan; c. detailhandel is niet toegestaan, met uitzondering van ondersteunende detailhandel, voor zover: 1. dit een ondergeschikt bestanddeel uitmaakt van de totale bedrijfsuitoefening, zoals ingevolge het voorafgaande toegestaan; 2. het brutoverkoopvloeroppervlak niet meer bedraagt dan 150 m², tenzij middels de aanduiding 'maximum oppervlakte (bvo) (m²)' een grotere maat is opgenomen'; d. een hotel is niet toegestaan; e. horeca is niet toegestaan, met uitzondering van ondersteunende horeca, voor zover: 1. dit een ondergeschikt bestanddeel uitmaakt van de totale bedrijfsuitoefening, zoals ingevolge het voorafgaande toegestaan;
Rho adviseurs voor leefruimte
77
2. f.
voorkomend in categorie 1a of 1b van de Staat van Horeca-activiteiten; de totale oppervlakte inclusief terras niet meer bedraagt dan 350 m²; het gebruiken, te doen of laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor permanente bewoning.
4.4.2 Niet strijdig gebruik Het beroepsmatig of bedrijfsmatig gebruik van een woning en/of bij deze woning behorende bijgebouwen, met dien verstande dat: a. het beroep of bedrijf uitsluitend is toegestaan als nevenfunctie van het wonen; b. het gebruik voor beroep of bedrijf uitsluitend is toegestaan voor de bewoners van de woning; c. ten hoogste 25 m² van de woning en/of de bij deze woning behorende bijgebouwen voor de uitoefening van het aan huis gebonden beroep of bedrijf mag worden gebruikt; d. het gebruik geen horeca mag betreffen; e. geen afbreuk gedaan wordt aan het woonkarakter van de omgeving; f. geen activiteit plaatsvindt betreffende een inrichting als genoemd in artikel 2.1, lid 1, sub e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, tenzij voldoende is aangetoond dat de vestiging van de activiteit geen overwegende bezwaren van milieuhygiënische aard zal oproepen, gelet op de ligging, bedrijfsvoering en omvang van het bedrijf ten opzichte van nabijgelegen woningen; g. geen detailhandel is toegestaan tenzij het een webwinkel betreft; h. geen verlichte en/of opvallende reclame-uitingen aan de gevel zichtbaar mogen zijn; i. het gebruik van (een deel van) de gebouwen als seksinrichting niet is toegestaan.
4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.4.2 voor de uitoefening van beroepsmatige en/of bedrijfsmatige activiteiten in een woning en/of bij de woning behorende bijgebouwen met een oppervlakte van maximaal 50 m², met dien verstande dat: a. het beroep of bedrijf uitsluitend is toegestaan als nevenfunctie van het wonen; b. ten hoogste 50 m2 van de woning en/of de bij deze woning behorende bijgebouwen voor de uitoefening van het aan huis gebonden beroep of bedrijf mag worden gebruikt; c. het gebruik voor beroep of bedrijf uitsluitend is toegestaan voor de bewoners van de woning; d. het gebruik geen horeca mag betreffen; e. geen afbreuk gedaan wordt aan het woonkarakter van de omgeving; f. geen onevenredige verkeers- en parkeeroverlast voor de omgeving ontstaat; g. de woning blijft voldoen aan het Bouwbesluit; h. geen activiteit plaatsvindt betreffende een inrichting als genoemd in artikel 2.1, lid 1, sub e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, tenzij voldoende vaststaat dat de vestiging van de activiteit geen overwegende bezwaren van milieuhygiënische aard zal oproepen, gelet op de ligging, bedrijfsvoering en omvang van het bedrijf ten opzichte van nabijgelegen woningen; i.
geen detailhandel is toegestaan tenzij als ondergeschikte nevenactiviteit van de bedrijfsmatige c.q. beroepsmatige activiteit; j. geen verlichte en/of opvallende reclame-uitingen aan de gevel zichtbaar mogen zijn; k. het gebruik van (een deel van) de gebouwen als seksinrichting niet is toegestaan. 4.5.2 Gastenverblijf Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.4.1, onder g voor het inrichten en/of gebruiken van een aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw als gastenverblijf, met dien verstande dat: a. omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend voor percelen waarop een (bedrijfs)woning aanwezig is, die krachtens het bestemmingsplan op de betreffende gronden toelaatbaar is; b. de aanvrager eigenaar en/of bewoner is van het bouwperceel; c. het hoofdgebouw op het bouwperceel permanent wordt bewoond;
Rho adviseurs voor leefruimte
78
d. e. f. g.
h. i. j.
per bouwperceel maximaal 1 aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw als gastenverblijf is toegestaan; het gastenverblijf uitsluitend voor niet-permanente bewoning wordt gebruikt; het gastenverblijf uitsluitend niet-commercieel wordt gebruikt; de algemene bebouwingsregels voor een aan- of uitbouw of vrijstaand bijgebouw in acht worden genomen, met dien verstande dat de minimale afstand van het bijgebouw tot de bouwperceelsgrenzen 1 meter moet bedragen; de omgevingsvergunning niet tot gevolg heeft dat de belangen van derden onevenredig worden geschaad; er aangetoond wordt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het betreffende bijgebouw (veiligheid, milieuhinder); op eigen terrein voorzien wordt in parkeerruimte voor minimaal één auto.
4.5.3 Afwegingskader De omgevingsvergunning als bedoeld in 4.5.1 en 4.5.2 kan slechts worden verleend, mits: a. dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld; b. dit niet leidt tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. 4.6 Wijzigingsbevoegdheid 4.6.1 Dienstverlening en beheer Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen door aan de voor Recreatie - Recreatiewoning aangewezen gronden de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dienstverlening en beheer' toe te voegen en het bouwvlak voor gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - dienstverlening en beheer' te vergroten, dan wel te verplaatsen, met inachtneming van het volgende: a. de wijziging is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering, kwaliteitsverbetering of productdifferentiatie; b. de gemiddelde netto-oppervlakte van de standplaatsen voor kampeermiddelen wordt niet verkleind; c. het bebouwingspercentage wordt met ten hoogste 50% vergroot met dien verstande dat de maximaal toegestane bebouwing als bedoeld in lid 4.2 niet wordt overschreden; d. de lichtuittstraling naar de omgeving dient te worden beperkt zoveel als technisch mogelijk, hiertoe wordt een door het bevoegd gezag goedgekeurd lichtplan overlegd; e.
rondom het kampeerterrein wordt voorzien in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter of van ten minste 5 meter plus een met streekeigen beplanting beplante aarden wal van ten minste 2 meter hoog, gemeten vanaf het maaiveld; f. wanneer het totale bebouwingspercentage op het kampeerterrein 15% of meer bedraagt, dient zorggedragen te worden voor ruimtelijke kwaliteitswinst of er dient sprake te zijn van ruimtelijke kwaliteitwinst; g. wijziging vindt slechts plaats als: 1. voor de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitswinst een beheersplan is opgesteld en goedgekeurd door het bevoegd gezag; 2. als realisatie, beheer en onderhoud van de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitswinst zijn verzekerd. 4.6.2 Meerdere bedrijven bij dienstverlening en beheer Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen door aan de voor Recreatie - Recreatiewoning aangewezen gronden de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - gezamenlijke dienstverlening en beheer' toe te voegen om dienstverlening, beheer en onderhoud ten dienste van meerdere kampeerterreinen mogelijk te maken, met inachtneming van het volgende:
Rho adviseurs voor leefruimte
79
a. b. c. d.
e.
f.
de wijziging is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering, kwaliteitsverbetering of productdifferentiatie voor de deelnemende bedrijven; de voorzieningen hebben een ruimtelijke relatie met de deelnemende bedrijven; de lichtuittstraling naar de omgeving dient te worden beperkt zoveel als technisch mogelijk, hiertoe wordt een door het bevoegd gezag goedgekeurd lichtplan overlegd; wijziging wordt slechts toegepast als voorzien wordt in een afschermende landschappelijke inpassing die bestaat uit een beplantingsstrook met een afschermende struik- en boomlaag van voornamelijk streekeigen soorten, met een breedte van gemiddeld 10 meter; wanneer het totale bebouwingspercentage op het kampeerterrein 15% of meer bedraagt, dient zorggedragen te worden voor ruimtelijke kwaliteitswinst of er dient sprake te zijn van ruimtelijke kwaliteitwinst; wijziging vindt slechts plaats als: 1. voor de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitswinst een beheersplan is opgesteld en goedgekeurd door het bevoegd gezag; 2. als realisatie, beheer en onderhoud van de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitswinst zijn verzekerd.