CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

20201215 Raadsbrief vaststelling wijzigingsplan realiseren kampeerhuisjes Hogeweg 96a B-H - bijlage 1

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: Ingekomen stukken58.594 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 7

Verhuur aan wisselende gasten zorgt dus voor een economische impuls in de regio. Er is dan ook geen sprake van een afname aan inkomsten in de detailhandel. Daarnaast zal door de vernieuwing van de verblijfsaccommodatie en de centrale bedrijfsmatige verhuur de bezettingsgraad jaarrond toenemen. 6. Niet duidelijk is waarom het toekomstige gebruik leidt tot problemen voor de natuur. Uit de natuurtoets blijkt dat de ontwikkeling een positief effect heeft op Natura 2000. De suggestie dat gebruikers van kampeerhuisjes en recreatiewoningen in tegenstelling tot kampeerders niet verbonden zouden zijn met de natuur en niet milieubewust zouden zijn is ongefundeerd. Bovendien is in de huidige situatie ook sprake van vaste accommodatie in de vorm van stacaravans en recreatiewoningen. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het wijzigingsplan. ZI-82 Reclamant 82 Zaaknr: 362565 Samenvatting 1. Reclamant sluit zich op persoonlijke titel aan bij de zienswijze zoals opgesteld door HELIO advocaten in opdracht van haar cliënt vereniging Duinrand Samen Sterk en neemt hun argumenten over. Beantwoording 2. Verwezen wordt naar de beantwoording van de zienswijze van Duinrand Samen Sterk, die is opgenomen onder ZI-92 ZI-83 Reclamant 83 Zaaknr: 362327 Zie ZI-82.

ZI-84 Duinrand Samen Sterk namens Reclamant 84 Zaaknr: 362312 Samenvatting 1. Reclamant sluit zich op persoonlijke titel aan bij de zienswijze zoals opgesteld door HELIO advocaten in opdracht van haar cliënt vereniging Duinrand Samen Sterk en neemt hun argumenten over. Beantwoording 2. Verwezen wordt naar de beantwoording van de zienswijze van Duinrand Samen Sterk, die is opgenomen onder ZI-92 ZI-85 Reclamant 85 Zaaknr: 362176 Samenvatting

1. De lokale economie wordt benadeeld omdat er minder gasten op het park gaan verblijven. 2. De stelling van de initiatiefnemer dat de huidige camping niet meer van deze tijd is, verbaast ons nu het niet mogelijk blijkt een andere locatie te vinden. Beantwoording 1. Uit onder andere het onderzoek ‘Dag- en verblijfsrecreatie in Nederland’ blijkt dat de besteding per dag van huurders van kampeerhuisjes en recreatiewoningen groter is dan van vaste gebruikers van de huidige stacaravans. Verhuur aan wisselende gasten zorgt dus voor een economische impuls in de regio. Er is dan ook geen sprake van een afname aan inkomsten in de detailhandel. Daarnaast zal door de vernieuwing van de verblijfsaccommodatie en de centrale bedrijfsmatige verhuur de bezettingsgraad jaarrond toenemen. 2. In het, in verband met de Ladderonderbouwing uitgevoerde behoefteonderzoek zijn onder meer cijfers van het kenniscentrum Kusttoerisme toegepast. Hieruit blijkt dat de vraag naar huisjesparken toeneemt ten opzichte van de vraag naar kampeerterreinen. Hoewel hier geen verschil wordt gemaakt tussen chalets, kampeerhuisjes en recreatiewoningen blijkt dat de vraag naar luxe toeneemt. Het Trendrapport Toerisme 2019 geeft een duidelijke behoefte aan meer kwaliteit aan. Een stacaravan voldoet steeds minder aan de vraag van de hedendaagse toerist.

Deze heeft de voorkeur voor een recreatiewoning voorzien van alle gemakken. De nieuwe ontwikkeling voorziet daarmee, blijkens de verrichte onderzoeken in een behoefte. De wijze waarop de herontwikkeling van Duinrand plaatsvindt is een keuze van initiatiefnemer. Daarbij is gekozen voor een totale samenhangende herinrichting en upgrading van het terrein. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het wijzigingsplan. ZI-86 Reclamant 86 Zaaknr: 362167 Samenvatting 1. Reclamant sluit zich op persoonlijke titel aan bij de zienswijze zoals opgesteld door HELIO advocaten in opdracht van haar cliënt vereniging Duinrand Samen Sterk en neemt hun argumenten over. Beantwoording 2. Verwezen wordt naar de beantwoording van de zienswijze van Duinrand Samen Sterk, die is opgenomen onder ZI-92 ZI-87 Reclamant 87 Zaaknr: 362162 Samenvatting 1. Het college is niet bevoegd. Uit jurisprudentie blijkt dat planregels, waaronder wijzigingsbevoegdheid, letterlijk moeten worden uitgelegd. 2. Het college moet beoordelen of de wijziging gerechtvaardigd is. a. Welke inspanningen heeft het college gedaan om de belangen van de huidige recreanten mee te wegen? b. In het wijzigingsplan staat niet beschreven wat de nadelige effecten van de ontwikkeling zijn op het aanbod. Het huidige park voorziet in een grote behoefte.

Zou het niet beter en meer toekomstgericht zijn om vanuit een inventarisatie van alle aanbod per segment de blik te richten op de terreinen waarvan de kwaliteit onder gemiddeld is? Deze ontwikkeling is een aderlating voor het toeristisch aanbod op het vlak van aantallen en kwaliteit. c. Het plan draagt niet bij aan een gedifferentieerd aanbod van recreatie. d. Leegstand is een slechte ruimtelijke ordening, daar moet naar gekeken worden, niet alleen naar de financiële haalbaarheid. Een exploitatieplan is nodig. Ook in relatie tot een planschaderisicoinventarisatie.

3.

4. 5. 6.

7.

8.

Is de conclusie juist dat de transformatie Duinrand West in de ogen van het college een grote ruimtelijke ontwikkeling is? De toetsing is minder, dit is onzorgvuldig. Ervaart het college druk vanuit de initiatiefnemer om dit jaar nog een besluit te nemen? Om tot een zorgvuldige afweging te komen is meer informatie nodig. Het gaat om het volgende: a. Een m.e.r. (Milieu Effecten Rapportage) procedure te doorlopen. b. Een e.e.r. (Economische Effectenrapportage) te laten opstellen en een m.k.b.a. (Maatschappelijke Kosten Baten Analyse) te laten uitvoeren. Het college betrekt de raad bij een volledige herstructurering uitsluitend om wensen en bedenkingen te uiten over de 100 kampeerhuisjes, is dat geen valse betrokkenheid? De conclusie uit het wijzigingsplan dat een exploitatieplan niet nodig is omdat de kosten anderszins verzekerd zijn is onjuist. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een exploitatieplan nodig. Het einddocument geeft een onvolledig antwoord op de haalbaarheid. Er is geen toets uitgevoerd op de volgende parameters: a. Maatschappelijk; b. Ruimtelijk; c. Stedenbouwkundig; d. Architectonisch; e. (Milieu)technisch; f. Financieel economisch. Het college mag het aantal standplaatsen niet verminderen. Op 70% van de standplaatsen mogen geen kampeerhuisjes, dit zijn 234 standplaatsen, die komen niet terug in het wijzigingsplan.

Het plan spreekt niet over 401 parkeerplaatsen, hoe lost het college dit op? De procedurele knip tussen West en Oost en gekunsteld. Duinrand West gaat niet alleen over de verhoging van het aantal kampeerhuisjes, het gaat om het verhogen van het aantal recreatiewoningen naar 169. Beseft het college eigenlijk dat Duinrand Oost en Duinrand West twee niet aan elkaar grenzende percelen zijn, waarvoor initíatiefnemer twee afzonderlijke, verschillende en niet gelijklopende planologische procedures beoogt? Dat in één gezamenlijke transformatie als geheel toetsen introduceert een onzekerheid. Dit is een probleem voor de aanmeldnotitie m.e.r. en het behoeftenonderzoek, dat voor Oost trouwens ontbreekt in het Einddocument en wijzigingsplan.

Beantwoording 1. De raad heeft het college de bevoegdheid gegeven om door middel van een wijzigingsplan onder voorwaarden kampeerhuisjes mogelijk te maken op bestaande recreatieterreinen. De beoogde ontwikkeling van Duinrand West past – op de kampeerhuisjes na – volledig in het geldende bestemmingsplan. De initiatiefnemer kan binnen de geldende bestemming het terrein volledig opnieuw inrichten. Alleen de realisatie van de kampeerhuisjes moet nog planologisch mogelijk gemaakt worden. Juist daarvoor is een specifieke wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Nu aan de wijzigingsregels, beleid en wetgeving wordt voldaan is er geen reden het bestemmingsplan op dit onderdeel niet te wijzigen. Voor zover reclamant doelt op het standpunt dat voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 15.7.4 van de regels van het geldende bestemmingsplan er sprake zou zijn of moeten zijn van een aanwijzing van ‘kampeerhuisjes’ op permanente standplaatsen kan hij/zij daarin niet worden gevolgd. Het bestemmingsplan bevat een dergelijke aanwijzing niet. Enkel wordt – los van enige aanwijzing op de planverbeelding – in artikel 15.4.1 aanhef en onder j bepaald dat op een permanente standplaats – voor zover relevant – kampeerhuisjes mogen worden geplaatst.

Verder is in artikel 15.2.1 onder f van de planregels bepaald dat het maximum aantal toegestane kampeerhuisjes is, het aangegeven aantal ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal kampeerhuisjes'. Een dergelijke aanwijzing ontbreekt eveneens. Op basis van artikel 15.2.1 onder f van de regels van het bestemmingsplan, in combinatie met het ontbreken van de aanduiding ‘maximum aantal kampeerhuisjes’ op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn thans voor Duinrand West dus (rechtstreeks) geen kampeerhuisjes toegestaan. Daarmee bedraagt het maximaal toegestane aantal kampeerhuisjes voor Duinrand West 0. Artikel 15.7.4 regelt dat het college het aantal toegestane kampeerhuisjes als bedoeld in lid 15.4 kan vergroten. Voor Duinrand West is dat aantal 0. Waarop reclamant baseert dat de gemeenteraad met de betreffende bepaling in de aanhef van artikel 15.7.4 zou hebben bedoeld te regelen dat als een maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal kampeerhuisjes’ ontbreekt geen toepassing zou mogen worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid, wordt niet door hem onderbouwd.

Daarin verschilt dit geval ook (wezenlijk) van de kwestie die in de door reclamant genoemde uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RVS:2015:3895 aan de orde was, nu daarin (ten onrechte) werd betoogd dat een bepaalde ontwikkeling wél al rechtstreeks werd toegestaan op grond van het bestemmingsplan, terwijl die ontwikkeling nu juist expliciet was opgenomen in een wijzigingsbevoegdheid die – als het betoog van appellant gevolgd zou worden – niet nodig was geweest. Het voorliggende wijzigingsplan voorziet in een mogelijkheid om kampeerhuisjes mogelijk te maken, daar waar dat (onweersproken) niet reeds rechtstreeks is toegestaan. Als de raad dat had willen regelen had toepassing van de wijzigingsbevoegdheid moeten worden beperkt tot vlakken met de aanduiding ‘maximum aantal kampeerhuisjes’. Nu dat niet is geregeld, en artikel 15.7.4 regelt dat het toegestane aantal mag worden vergroot, is er geen grond om de wijzigingsbevoegdheid voor de onderhavige situatie niet toe te passen. maar is bepaald dat het college het aantal kampeerhuisjes voor Duinrand kan vergroten van 0 naar 100. Dat daarvoor de aanduiding maximum aantal kampeerhuisjes zou moeten worden opgenomen staat daaraan niet in de weg. Het plan heeft dat ook beoogd. Deze uitleg wordt ondersteund door de toelichting op het bestemmingsplan (paragraaf 5.2.

Toelichting op de bestemmingen), waar onder het kopje Recreatie - Dagrecreatie (artikel 13), Recreatie - Gemengd (artikel 14), Recreatie Kampeerterrein (artikel 15), Recreatie - Recreatiewoningen (artikel 16), Recreatie - Strand (artikel 17) en Recreatie - Verblijfsrecreatie (artikel 18) onder ‘Afwijkingen en wijzigingen’ het volgende is aangegeven: In de

2.

3.

4.

verschillende recreatiebestemmingen zijn afwijkingen en wijzigingen opgenomen ten behoeve van de flexibiliteit om in te kunnen spelen op ontwikkelingen in de nabije toekomst. Het betreft onder andere de mogelijkheid voor het vergroten van het aantal permanente standplaatsen, het vergroten van het bebouwingsoppervlak, de mogelijkheid tot winterkamperen, het realiseren van kampeerhuisjes ten koste van permanente standplaatsen. Ook uit deze tekst blijkt niet dat het hier alleen zou gaan om het vergroten van het aantal kampeerhuisjes op terreinen waar al kampeerhuisjes zijn toegestaan. Het college heeft binnen de kaders van een goede ruimtelijke ordening getoetst of de wijziging gerechtvaardigd is op grond van de wijzigingsvoorwaarden, beleid en wetgeving. Conclusie is dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. a. Het wijzigingsplan is gebaseerd op een planologische afweging. Het bestemmingsplan Kop van Schouwen vormt daarvoor het kader, evenals de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Binnen dat kader heeft een – planologische – afweging van alle betrokken belangen plaatsgevonden. Daarbij is van belang dat de herontwikkeling van Duinrand West past binnen het gemeentelijk beleid en aansluit op de Agenda Toerisme, waarin het thema Voortdurend vernieuwen een belangrijk beleidsuitgangspunt is.

Het vasthouden aan de huidige accommodatie leidt niet tot een toekomstbestendig verblijfsrecreatief product, ook al waarderen de huidige eigenaren de kwaliteit van het terrein hoog. Dat kan duidelijk worden geïllustreerd door de dichtheid en oppervlakte van het aantal eenheden. Voor die aspecten voldoet de bestaande situatie niet aan de actuele beleidsnormen en aan de actuele en toekomstige marktvraag. De beoogde ontwikkeling voorziet in de zich wijzigende marktvraag. Met de beoogde ontwikkeling wordt dan ook het algemeen belang gediend, van een verblijfsrecreatief aanbod dat aansluit bij de actuele marktvraag en van een economisch florerende recreatiesector. Verder is in het kader van de belangenafweging relevant dat de beoogde herontwikkeling op verschillende punten een verbetering betekent. Doordat het aantal eenheden afneemt en de eenheden niet meer met fossiele brandstoffen worden verwarmd, neemt de ruimtelijke kwaliteit op het park toe en nemen de verkeerstromen af, wat een positief effect heeft op de omgeving. Tot slot wordt de landschappelijke inpassing van het terrein verbeterd. Overigens is niet uit te sluiten dat de bestaande eigenaren van bijvoorbeeld een stacaravan in de nieuwe situatie een kampeerhuisje kopen.

De initiatiefnemer zal voorts op grond van de Recron-voorwaarden een passende compensatie bieden aan de huidige huurders/gebruikers van de recreatieverblijven. Tegen deze achtergrond stemt het college – met inachtneming van alle relevante belangen – in met de beoogde ontwikkelingen is het voornemen het wijzigingsplan vast te stellen. b. In de ladderonderbouwing (bijlage 1 bij de toelichting van het wijzigingsplan) is onderbouwd dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte en inspeelt op de gewijzigde vraag naar verblijfsrecreatief aanbod. Daarbij is onder meer gekeken naar de cijfers van het kenniscentrum Kusttoerisme. Hieruit blijkt dat de vraag naar huisjesparken toeneemt ten opzichte van de vraag naar kampeerterreinen. Hoewel hier geen verschil wordt gemaakt tussen chalets, kampeerhuisjes en recreatiewoningen blijkt dat de vraag naar luxe toeneemt. Het Trendrapport Toerisme 2019 geeft een duidelijke behoefte aan meer kwaliteit aan. Een stacaravan voldoet steeds minder aan de vraag van de hedendaagse toerist. Deze heeft de voorkeur voor een recreatiewoning voorzien van alle gemakken. De nieuwe ontwikkeling voorziet daarmee, blijkens de verrichte onderzoeken in een behoefte. Voor de ontwikkeling van de kampeerhuisjes is een specifieke wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan.

Nu voldaan wordt aan de wijzigingsregels en de ontwikkeling past in het gemeentelijk beleid is het college gehouden medewerking te verlenen. c. Op Duinrand West is sprake van meerdere typen recreatiewoningen en kampeerhuisjes en daarmee is ook binnen het terrein sprake van differentiatie. d. Zoals in punt 2c is beschreven wordt voorzien in een actuele behoefte. Van een verwachte leegstand is dan ook geen sprake. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk indien de kosten anderszins, zoals in een anterieure overeenkomst, zijn geborgd. Dat laatste is hier het geval. Zo reclamant al in aanmerking zou komen voor planschade, wat vanwege zijn hoedanigheid van gebruiker van een perceel waarvan hij niet de eigenaar is, is het planschaderisico is onderwerp van de afgesloten anterieure overeenkomst met de ontwikkelaar. Met inachtneming van het risico op planschade is de ontwikkeling economisch uitvoerbaar. De transformatie van Duinrand West is grotendeels rechtstreeks mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan, zonder nadere besluitvorming door de gemeente. Het wijzigingsplan ziet uitsluitend op het mogelijk maken van 100 kampeerhuisjes op even zo vele permanente standplaatsen en het verkleinen van het aantal standplaatsen. Dat is geen grootschalige ingreep.

Dat laat onverlet dat de totale ontwikkeling van De Schouwse Valleien West en Oost op alle relevante ruimtelijke en milieu-aspecten is getoetst. Daarmee is sprake van een zorgvuldige procedure waarin alle relevante aspecten worden meegewogen. a. Gelet op de aard en de omvang van de ontwikkeling is op basis van het Besluit milieueffectrapportage geen sprake van een directe mer-plicht of een (directe) mer-beoordelingsplicht. Dat betekent dat sprake is van een vormvrije mer-beoordelingsplicht. Uit de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken en de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat de ontwikkeling van Duinrand niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen. In tegendeel, voor diverse aspecten leidt de ontwikkeling tot een verbetering van de milieueffecten. b. Het opstellen van een e.e.r. en een m.k.b.a. is op basis van gemeentelijk beleid niet verplicht en voor de voorgenomen ontwikkeling niet nodig. Niet ingezien wordt waarom sprake zou zijn van valse betrokkenheid. De raad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan het college de bevoegdheid toegekend om het bestemmingsplan te wijzigen om het aantal kampeerhuisjes te vergroten. In het kader van de toepassing van die wijzigingsbevoegdheid is de raad, op zijn eigen verzoek, in de gelegenheid gesteld wensen en bedenkingen te uiten. Vervolgens is het aan het

5.

6.

7.

8.

college om het wijzigingsplan vast te stellen. In tegenstelling tot wat in de zienswijze wordt gesteld is daarmee sprake van een zorgvuldige voorbereiding. In de Wet ruimtelijke ordening is in afdeling 6.4 (grondexploitatie) de verplichting opgenomen om, alleen als het kostenverhaal niet anderszins verzekerd is, een exploitatieplan vast te stellen. De wetgever heeft daarbij altijd aangegeven dat het primaat ligt bij het privaatrechtelijk kostenverhaal en een exploitatieplan pas in beeld komt als dat privaatrechtelijk spoor niet kan worden bewandeld. Aangezien de te ontwikkelen gronden volledig in eigendom zijn van initiatiefnemer en het kostenverhaal middels een anterieure overeenkomst wordt geborgd is een exploitatieplan niet noodzakelijk en zeker niet verplicht. Het college heeft op basis van het opgestelde einddocument ingestemd met de beoogde ontwikkeling van Duinrand West en Oost, mede op basis van alle aangeleverde onderzoeken en onderbouwingen. De ontwikkeling is getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid. Aanvullend is in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst aan beleid en omgevingsaspecten. Het maatschappelijk draagvlak wordt in het kader van de zienswijzenprocedure meegenomen in de afweging. Een stedenbouwkundige en architectonische toets is in het kader van het wijzigingsplan niet aan de orde.

Het bestemmingsplan biedt rechtstreeks de mogelijkheid om de terreininrichting aan te passen. Bovendien zijn de kampeerhuisjes vergunningsvrij, waardoor een welstandstoets niet aan de orde is. De milieuaspecten en de financieeleconomische uitvoerbaarheid zijn getoetst in het kader van het wijzigingsplan. Daarmee zijn alle genoemde aspecten voldoende betrokken in de planologische afweging. In de voorwaarden in artikel 15.7.4. onder a. is bepaald: ‘op ten hoogste 30 procent van het aantal permanente standplaatsen voor kampeermiddelen, zoals weergegeven met de aanduiding 'maximum aantal permanente standplaatsen', mag een kampeerhuisje worden gebouwd, met een maximum van 100 kampeerhuisjes per kampeerterrein. Het aantal permanente standplaatsen voor kampeermiddelen, zoals weergegeven met de aanduiding ‘maximum aantal permanente standplaatsen’ zoals vastgelegd in het bestemmingsplan bedraagt 404. Op ten hoogste 30% daarvan mag een kampeerhuisje worden geplaatst, met een maximum van 100 kampeerhuisjes. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Artikel 15.7.4 onder a. bepaalt niet dat moet worden uitgegaan van het toekomstig aantal standplaatsen, maar van het aantal permanente standplaatsen voor kampeermiddelen, zoals weergegeven met de aanduiding 'maximum aantal permanente standplaatsen'. Dat aantal bedraagt 404.

Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om het aantal standplaatsen te verlagen, teneinde de potentiële ruimtelijke en milieueffecten die op basis van het bestemmingsplan kunnen optreden, te beperken. Vanwege het tussengelegen park Wielewaal Recreatie is sprake van een fysieke scheiding tussen Duinrand Oost en West. Op basis van het geldende bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling van Duinrand West vrijwel geheel mogelijk binnen het geldende planologische regiem, op het realiseren van 100 kampeerhuisjes na. De ontwikkeling van Duinrand Oost past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Vandaar dat twee planologische procedures worden toegepast. De ontwikkeling van Duinrand West is procedureel ook niet onlosmakelijk met de ontwikkeling van Oost verbonden. De herontwikkeling van deelgebied West kan ook zelfstandig plaatsvinden. Wel is vanuit de mer-methodiek in de aanmeldnotitie voor de gezamenlijke ontwikkeling getoetst of sprake is van zodanige omstandigheden dat een milieu-effectrapportage moet worden uitgevoerd. Vanuit de mer-methodiek dient dat voor beide ontwikkelingen gezamenlijk te gebeuren.

Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het wijzigingsplan. ZI-88 Reclamant 88 Zaaknr: 362148 Samenvatting 1. Het is onduidelijk welke maatregelen moeten worden getroffen om het effect van de bouw van de kampeerhuisjes en bijbehorende voorzieningen beperkt te houden. 2. Onduidelijk is of er behoefte bestaat aan de kampeerhuisjes. 3. Het is onduidelijk wat het effect is van Covid-19 op de behoefte. 4. Onduidelijk is wat het effect is op de aanwezige vleermuizen, vogelsoorten, insecten en amfibieën. 5. Het argument van initiatiefnemer dat de aanwezig recreatieverblijven niet meer toekomstbestendig zijn, is niet correct. Door de pandemie zullen inkomsten dalen en zijn mensen niet meer in de gelegenheid om dure kampeerhuisjes te kopen, dan wel zullen zij voor goedkopere alternatieven kiezen. De huidige vakantieverblijven zijn geliefd en bijna jaarrond in gebruik. Beantwoording 1. Alle relevante (natuur)aspecten zijn onderzocht in een natuurtoets en de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op grond daarvan is geconcludeerd dat er geen belemmering is om medewerking te verlenen aan de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen specifieke maatregelen nodig om het effect van de ontwikkeling beperkt te houden. Voor zover met het oog op de instandhoudingsdoelen van de Wet natuurbescherming meetregelen nodig zijn, zullen die worden getroffen. 2.

In de ladderonderbouwing (bijlage 1 bij de toelichting van het wijzigingsplan) is onderbouwd dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte en inspeelt op de gewijzigde vraag naar verblijfsrecreatief aanbod. Daarbij is onder meer gekeken naar de cijfers van het kenniscentrum Kusttoerisme. Hieruit blijkt dat de vraag naar huisjesparken toeneemt ten opzichte van de vraag naar kampeerterreinen. Hoewel hier geen verschil wordt gemaakt tussen chalets, kampeerhuisjes en recreatiewoningen blijkt dat de vraag naar luxe toeneemt. Het Trendrapport Toerisme 2019 geeft een duidelijke behoefte aan meer kwaliteit aan. Een stacaravan

3. 4.

5.

voldoet steeds minder aan de vraag van de hedendaagse toerist. Deze heeft de voorkeur voor een recreatiewoning voorzien van alle gemakken. De nieuwe ontwikkeling voorziet daarmee, blijkens de verrichte onderzoeken in een behoefte. Op basis van de ervaringen in 2020 in de verblijfsrecreatieve sector, is er geen reden om aan te nemen dat de coronapandemie negatieve effecten heeft op de vraag uit de markt en de verhuurbaarheid. In de zomer en het najaar van 2020 is onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde diersoorten. Dat onderzoek wordt in het voorjaar van 2021 voortgezet. Uit het onderzoek blijkt, dat met het nemen van de juiste maatregelen tijdens de aanlegfase van het nieuwe terrein, de ontwikkeling geen belemmering vormt voor beschermde soorten. Voor zover verblijf- of rustplaatsen worden vernietigd, zal een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Verwacht wordt dat deze ontheffingen verleend zullen worden. Er is geen grond voor het oordeel dat de Wet Natuurbescherming aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan in de weg staat. Daarbij speelt mee dat er in de toekomstige situatie juist meer ruimte is voor natuurontwikkeling omdat het totale aantal recreatieverblijven op het terrein (flink) afneemt ten opzichte van de huidige situatie. De wijze waarop de herontwikkeling van Duinrand plaatsvindt is een keuze van initiatiefnemer.

Daarbij is gekozen voor een totale samenhangende herinrichting en upgrading van het terrein. Op basis van de ervaringen in 2020 in de verblijfsrecreatieve sector, is er geen reden om aan te nemen dat de coronapandemie negatieve effecten heeft op de vraag uit de markt en de verhuurbaarheid.

Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het wijzigingsplan. ZI-89 Reclamant 89 Zaaknr: 362140 Samenvatting 1. Het gaat initiatiefnemer erom om maximaal profijt te halen uit het vakantiepark. Dit blijkt ook uit het feit dat een gesprek met de huidige huurders over het moderniseren van de huidige plaatsen niet mogelijk is. 2. Het is bijzonder dat Roompot de exploitatie overneemt. De gemeenteraad moet bedenken wie hier het meeste garen bij spint en geld aan overhoudt. 3. Het is mogelijk de bestaande vakantieverblijven te moderniseren. 4. Er wordt veel geld uitgegeven aan de plaatselijke horeca en detailhandel. Door de herstructurering wordt de lokale economie minder ondersteund. Beantwoording 1. De wijze waarop de herontwikkeling van Duinrand plaatsvindt is een keuze van initiatiefnemer. Daarbij is gekozen voor een totale samenhangende herinrichting en upgrading van het terrein. Het verduurzamen van voorzieningen is slechts één aspect van de daarmee beoogde kwaliteitsverbetering van het totale terrein en daarmee onvoldoende om de beoogde verbetering te realiseren. Als slechts de bestaande huisjes en chalets zouden worden verduurzaamd, wordt niet de gewenste eenheid en samenhang bereikt. Dat geldt ook voor de openheid en ruimte – mede door terugdringing van het aantal recreatieverblijven – die in het nieuwe concept gerealiseerd wordt. 2.

De wijze waarop de exploitatie van Duinrand plaatsvindt is een keuze van initiatiefnemer. De gemeente toetst de beoogde ontwikkeling aan de daarvoor geldende kaders. 3. Als slechts de bestaande huisjes en chalets zouden worden verduurzaamd, wordt niet de gewenste eenheid en samenhang bereikt. Dat geldt ook voor de openheid en ruimte – mede door terugdringing van het aantal recreatieverblijven – die in het nieuwe concept gerealiseerd wordt. 4. Door de vernieuwing van de verblijfsaccommodatie en de centrale bedrijfsmatige verhuur zal de bezettingsgraad jaarrond toenemen. Uit onder andere het onderzoek ‘Dag- en verblijfsrecreatie in Nederland’ blijkt dat de besteding per dag van huurders van kampeerhuisjes en recreatiewoningen groter is dan van vaste gebruikers van de huidige stacaravans. Verhuur aan wisselende gasten zorgt dus voor een economische impuls in de regio. Er is dan ook geen sprake van een afname aan inkomsten in de detailhandel. Daarnaast zal door de vernieuwing van de verblijfsaccommodatie en de centrale bedrijfsmatige verhuur de bezettingsgraad jaarrond toenemen. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het wijzigingsplan. ZI-90 Reclamant 90 Zaaknr: 362138 Samenvatting 1. Duinrand grenst aan het Natura 2000-gebied. De natuur houdt niet op bij de grens van het park, ook in het park zijn beschermde soorten te vinden zoals de boomkikker.

Onduidelijk is hoe de bescherming van soorten en biotopen wordt gewaarborgd. 2. De sloop en nieuwbouw heeft negatieve gevolgen voor mensen, dieren, planten, bodem, water en lucht door luchtverontreiniging, geluid, verstoring, licht, warmte, straling en andere milieueffecten. 3. In Nederland is de maximum snelheid op snelwegen verlaagd naar 100 km/h in verband met de stikstofuitstoot. Des te meer reden om het herstructureringsplan zorgvuldig te toetsen.

4.

5. 6.

7. 8.

De sloop en nieuwbouw is belastend voor de gasten op de naastgelegen parken Wielewaal en Duinrand Oost en voor de bewoners van de Hogeweg en omgeving. Onduidelijk is tot op welke afstand die effecten merkbaar zijn. Initiatiefnemer geeft aan dat er geen behoefte meer is aan de bestaande vakantieverblijven. Dat is niet het geval. Er is juist meer vraag naar betaalbare vakantieverblijven. Door de pandemie zullen inkomsten dalen. Verwacht kan worden dat de duurdere vakantieverblijven niet meer betaalbaar zijn en of leeg komen te staan of voor een lagere prijs op de markt komen (en daarmee niet meer rendabel zijn). De huidige vakantieverblijven zijn van maart tot november, in de kerstperiode en tijdens de jaarwisseling volgeboekt. Het klopt dus niet dat er geen behoefte is aan de huidige vakantieverblijven. Het is onmogelijk de gevolgen van de COVID-19 pandemie te voorspellen, maar het is wel duidelijk dat er gevolgen zijn voor de economie. De vraag is of er nog behoefte is aan luxueuze vakantieverblijven. De doelgroep zal bestaan uit de betere middenklasse uit Nederland, Duitsland en België, die door de crisis ook voorzichtiger is geworden. Degene die de middelen hebben om de investeren zullen in het algemeen niet geïnteresseerd zijn in een Nederlands vakantiepark.

Beantwoording 1. In de zomer en het najaar van 2020 is onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde diersoorten. Dat onderzoek wordt in het voorjaar van 2021 voortgezet. Uit het onderzoek blijkt, dat met het nemen van de juiste maatregelen tijdens de aanlegfase van het nieuwe terrein, de ontwikkeling geen belemmering vormt voor beschermde soorten. Voor zover verblijf- of rustplaatsen worden vernietigd, zal een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Verwacht wordt dat deze ontheffingen verleend zullen worden. Er is geen grond voor het oordeel dat de Wet Natuurbescherming aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan in de weg staat. Daarbij speelt mee dat er in de toekomstige situatie juist meer ruimte is voor natuurontwikkeling omdat het totale aantal recreatieverblijven op het terrein (flink) afneemt ten opzichte van de huidige situatie. 2. Uit de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken en de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat de ontwikkeling van Duinrand niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen. In tegendeel, voor diverse aspecten leidt de ontwikkeling juist tot een verbetering van de milieueffecten. Dit komt met name door de afname van het aantal recreatie-eenheden ten opzichte van de huidige situatie. 3.

Doordat het aantal accommodaties substantieel afneemt, de nieuwe recreatieverblijven elektrisch worden verwarmd, ten opzichte van de gasgestookte huidige verblijven, en doordat de verkeersgeneratie afneemt ten opzichte van de huidige situatie, is sprake van afname van de stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige en overbelaste habitats in Natura 2000-gebieden tijdens de gebruiksfase. Van een probleem vanwege de uitstoot van stikstof is dan ook geen sprake. Omdat gebruik wordt gemaakt van interne saldering (waarbij de toekomstige stikstofdepositie wordt gesaldeerd met de bestaande stikstofdepositie), is op basis van de provinciale beleidsregels intern en extern salderen een vergunning krachtens de Wet natuurbescherming (Wnb) aangevraagd. De lopende aanvraag voor een Wnb-vergunning is op 30 oktober 2020 gewijzigd ingediend. Gedeputeerde Staten hebben op 19 november 2020 het ontwerpbesluit genomen en is voornemens de vergunning te verlenen. De ontwerp Wnb-vergunning wordt vanaf 25 november 2020 gedurende 6 weken ter inzage gelegd. 4. Niet voorkomen kan worden dat enige overlast voor de omgeving optreedt. Dat geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen in de aanlegfase. Deze overlast gedurende de aanlegfase wordt aanvaardbaar geacht. Overigens is daarbij van belang dat voor de kampeerhuisjes en recreatiewoningen niet geheid zal worden. 5.

In het behoefteonderzoek zijn onder meer de cijfers van het kenniscentrum Kusttoerisme toegepast. Hieruit blijkt dat de vraag naar huisjesparken toeneemt ten opzichte van de vraag naar kampeerterreinen. Hoewel hier geen verschil wordt gemaakt tussen chalets, kampeerhuisjes en recreatiewoningen blijkt dat de vraag naar meer luxe voorzieningen toeneemt. Het Trendrapport Toerisme 2019 geeft een duidelijke behoefte aan meer kwaliteit aan. Een stacaravan voldoet steeds minder aan de vraag van de hedendaagse en de toekomstige toerist. Deze heeft een voorkeur voor een recreatiewoning voorzien van alle gemakken. De nieuwe ontwikkeling voorziet daarmee, blijkens de verrichte onderzoeken, in een behoefte. Verder is van belang dat de kampeerhuisjes zijn gericht op het middensegment. 6. Op basis van de ervaringen in 2020 in de verblijfsrecreatieve sector, is er geen reden om aan te nemen dat de coronapandemie negatieve effecten heeft op de vraag uit de markt en de verhuurbaarheid. 7. Zoals blijkt uit het behoefteonderzoek in het kader van de Ladderonderbouwing voorziet de ontwikkeling in een actuele en toekomstige behoefte. Dat het huidige park periodiek goed bezet is, laat onverlet dat in de toekomstige situatie de bezettingsgraad gemiddeld genomen naar verwachting zal toenemen. 8.

De herontwikkeling van Duinrand West draagt echter bij aan een toekomstbestendige ontwikkeling van de verblijfsrecreatie op Schouwen-Duiveland, afgestemd op de toekomstige vraag. Hoewel de economische effecten van de coronapandemie nog niet precies zijn te voorspellen, is er op basis van de ervaringen in 2020 in de verblijfsrecreatieve sector geen reden om aan te nemen dat de coronapandemie negatieve effecten heeft op de vraag uit de markt en de verhuurbaarheid. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het wijzigingsplan. ZI-91 Reclamant 91 Zaaknr: 362133

Samenvatting 1. De lokale economie heeft te lijden onder de herstructureringsplannen. Er is veel geld geïnvesteerd in het chalet en de werkzaamheden zijn uitgevoerd door bedrijven op Schouwen-Duiveland. De lokale ondernemers verliezen veel klanten. 2. Met het verdwijnen van het chalet wordt veel geld verloren. De schaderegeling is niet noemenswaardig. 3. Er zijn geen alternatieve locaties te vinden omdat nu overal luxe vakantieverblijven komen. 4. Door de herstructureringsplannen zal de natuur worden verstoord. Onduidelijk is wat het effect is op de vleermuizen. 5. Een verblijf in een chalet of stacaravan moet tot de mogelijkheid blijven behoren. Zeker omdat het met een hond het moeilijk is een ander vakantieverblijf te vinden. Het kan niet de bedoeling zijn dat vakantieverblijven steeds groter en duurder worden. Dit leidt tot een eenzijdig aanbod wat het toerisme en Schouwen-Duiveland niet ten goede komt. 6. De nieuwe kampeerhuisjes mogen door de eigenaren niet 100% zelf gebruikt worden en honden worden niet toegelaten. Beantwoording 1. Door de vernieuwing van de verblijfsaccommodatie en de centrale bedrijfsmatige verhuur zal de bezettingsgraad jaarrond toenemen.

Uit onder andere het onderzoek ‘Dag- en verblijfsrecreatie in Nederland’ blijkt dat de besteding per dag van huurders van kampeerhuisjes en recreatiewoningen groter is dan van vaste gebruikers van de huidige stacaravans. Verhuur aan wisselende gasten zorgt dus voor een economische impuls in de regio. 2. De huidige gebruikers/huurders zullen door de initiatiefnemer worden gecompenseerd volgens de gehanteerde en toepasselijke Recron-voorwaarden. Enkele gebruikers/huurders hebben van deze compensatieregeling ook al gebruik gemaakt. De gemeente kan overigens geen rol spelen in de privaatrechtelijke afhandeling van de verplichtingen tussen huurders en eigenaren enerzijds en de exploitant anderzijds. 3. In dit wijzigingsplan wordt een ruimtelijke afweging gemaakt over de realisatie van 100 kampeerhuisjes op Duinrand West. De gemeente is bovendien geen partij in het vinden van een alternatieve locatie voor mensen die de standplaats moeten verlaten. 4. In de zomer en het najaar van 2020 is onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde diersoorten. Dat onderzoek wordt in het voorjaar van 2021 voortgezet. Uit het onderzoek blijkt, dat met het nemen van de juiste maatregelen tijdens de aanlegfase van het nieuwe terrein, de ontwikkeling geen belemmering vormt voor beschermde soorten.

Voor zover verblijf- of rustplaatsen worden vernietigd, zal een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Verwacht wordt dat deze ontheffingen verleend zullen worden. Er is geen grond voor het oordeel dat de Wet Natuurbescherming aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan in de weg staat. Daarbij speelt mee dat er in de toekomstige situatie juist meer ruimte is voor natuurontwikkeling omdat het totale aantal recreatieverblijven op het terrein (flink) afneemt ten opzichte van de huidige situatie. Wat betreft vleermuizen is van belang dat op terrein van Duinrand West geen kraamkolonies of dagverblijven van vleermuizen voorkomen. Enkele bomen aan de rand van het terrein zijn van belang als baltsplaats voor ruige dwergvleermuizen. Deze bomen zullen worden behouden. De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen invloed op de staat van instandhouding van de vleermuizen. 5. De omzetting van verblijfsrecreatieve voorzieningen naar meer luxe accommodatie wordt veroorzaakt door de veranderende vraag vanuit de markt. Overigens laat dat onverlet dat – zoals ook gemotiveerd in de Ladderonderbouwing – de kampeerhuisjes voorzien in nieuw aanbod in het middensegment. Uit de Ladderonderbouwing blijkt dat voldoende vraag is naar het nieuwe aanbod van Duinrand. 6. De gemeente toetst bestuursrechtelijk op basis van de geldende planologische kaders.

Mogelijk geleden materiële en immateriële schade is geen onderdeel van de bestuursrechtelijke procedure, maar dient in afspraken tussen reclamant en de initiatiefnemer te worden afgehandeld. Verder heeft de gemeente geen zeggenschap in het toelatingsbeleid voor huisdieren. Dat is een verantwoordelijkheid van de exploitant. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het wijzigingsplan. ZI-92 HELIO advocaten namens Duinrand Samen Sterk Zaaknr: 362114 Samenvatting 1. Het college gaat de grenzen van haar bestuursbevoegdheid te buiten. a. Uit jurisprudentie blijkt dat planregels, waaronder wijzigingsbevoegdheid, letterlijk moeten worden uitgelegd. Op de verbeelding ontbreekt de aanduiding ‘maximum aantal kampeerhuisjes’. De wijzigingsbevoegdheid spreekt van het vergroten van deze aanduiding. Nu de aanduiding ontbreekt is het college niet bevoegd tot vaststelling van het wijzigingsplan. b. Er wordt niet aan de wijzigingsvoorwaarden voldaan. In het wijzigingsplan wordt het aantal permanente standplaatsen verlaagt naar 100. Op basis van de wijzigingsbevoegdheid is dit niet toegestaan. Het aantal permanente standplaatsen moet op 400 blijven staan. c. In de planregels is opgenomen dat rondom het kampeerterrein sprake moet zijn van landschappelijke inpassing. Uit het wijzigingsplan blijkt dat er niet rondom het volledige terrein wordt ingepast.

d.

2.

3.

4.

5.

6.

Het college is niet bevoegd artikel 15.2.1 sub c onder 4 van de planregels te wijzigen. Het college wijzigt de oppervlakte van een kampeerhuisje naar 51m2 en een bijgebouw naar 6m2. e. Uit de definities van het bestemmingsplan blijkt dat bij een kampeerhuisje sprake moet zijn van een eenvoudig gebouw. Uit het wijzigingsplan blijkt dat sprake is van recreatiewoningen en geen kampeerhuisjes. Het college houdt onvoldoende rekening met de belangen van de huidige standplaatshouders. Nergens in de toelichting is gemotiveerd hoe de belangen van de standplaatshouders zijn meegewogen en geborgd. Een planschade risicoinventarisatie ontbreekt. Dit in verband met de financiële uitvoerbaarheid. Het college ten onrechte geen rekening houdt met de bestaande behoefte aan permanenten standplaatsen terwijl het behoefte onderzoek waar het college zich op baseert gedateerd is en alleen de behoefte aan recreatiewoningen in kaart brengt. De behoefte aan 100 kampeerhuisjes is niet aangetoond en er is wel behoefte aan permanente standplaatsen voor stacaravans. Het college ten onrechte de archeologische waarden, ongesprongen explosieven en de bodemgesteldheid niet heeft laten onderzoeken. Artikel 3.2 van de Awb bepaald dat bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent relevante feiten bekend zijn. Het uitstellen van dit onderzoek raakt direct de uitvoerbaarheid van het plan.

Het college heeft het effect op het natura 2000-gebied en de stikstofdepositie onjuist heeft beoordeeld. In de overgangsbepalingen van het wijzigingsplan is opgenomen dat strijdig gebruik mag worden voortgezet mits dat gebruik niet in strijd was met het bestemmingsplan. De vaste standplaatsen zijn legaal in gebruik. De realisatie van de 100 kampeerhuizen zijn dus een uitbreiding op de bestaande legale vaste standplaatsen. Daarnaast zijn de AERIUS-berekeningen verouderd. Initiatiefnemer heeft nog geen natuurvergunning bij de Provincie aangevraagd. Het college de uitvoerbaarheid onterecht toetst aan onzekere toekomstgebeurtenissen. De ontwikkeling van Duinrand West staat niet op zichzelf. Deze gezamenlijke transformatie is als geheel getoetst terwijl die in verschillende planologische procedures worden doorlopen. De uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan is daarmee afhankelijk van de transformatie van het oostelijke deel. Deze is nog niet in procedure gebracht en maakt de haalbaarheid onzeker.

Beantwoording 1. .. a.

De raad heeft het college de bevoegdheid gegeven om door middel van een wijzigingsplan onder voorwaarden kampeerhuisjes mogelijk te maken op bestaande recreatieterreinen. Reclamant kan niet gevolgd worden in zijn standpunt dat voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 15.7.4 van de regels van het geldende bestemmingsplan er sprake zou zijn of moeten zijn van een aanwijzing van ‘kampeerhuisjes’ op permanente standplaatsen. Het bestemmingsplan bevat een dergelijke aanwijzing niet. Enkel wordt – los van enige aanwijzing op de planverbeelding – in artikel 15.4.1 aanhef en onder j bepaald dat op een permanente standplaats – voor zover relevant – kampeerhuisjes mogen worden geplaatst. Verder is in artikel 15.2.1 onder f van de planregels bepaald dat het maximum aantal toegestane kampeerhuisjes is, het aangegeven aantal ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal kampeerhuisjes'. Een dergelijke aanwijzing ontbreekt eveneens. Op basis van artikel 15.2.1 onder f van de regels van het bestemmingsplan, in combinatie met het ontbreken van de aanduiding ‘maximum aantal kampeerhuisjes’ op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn thans voor Duinrand West dus (rechtstreeks) geen kampeerhuisjes toegestaan. Daarmee bedraagt het maximaal toegestane aantal kampeerhuisjes voor Duinrand West 0.

Artikel 15.7.4 regelt dat het college het aantal toegestane kampeerhuisjes als bedoeld in lid 15.4 kan vergroten. Voor Duinrand West is dat aantal 0. Waarop reclamant baseert dat de gemeenteraad met de betreffende bepaling in de aanhef van artikel 15.7.4 zou hebben bedoeld te regelen dat als een maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal kampeerhuisjes’ ontbreekt geen toepassing zou mogen worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid, wordt niet door hem onderbouwd. Daarin verschilt dit geval ook (wezenlijk) van de kwestie die in de door reclamant genoemde uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RVS:2015:3895 aan de orde was, nu daarin (ten onrechte) werd betoogd dat een bepaalde ontwikkeling wél al rechtstreeks werd toegestaan op grond van het bestemmingsplan, terwijl die ontwikkeling nu juist expliciet was opgenomen in een wijzigingsbevoegdheid die – als het betoog van appellant gevolgd zou worden – niet nodig was geweest. Het voorliggende wijzigingsplan voorziet in een mogelijkheid om kampeerhuisjes mogelijk te maken, daar waar dat (onweersproken) niet reeds rechtstreeks is toegestaan. Als de raad dat had willen regelen had toepassing van de wijzigingsbevoegdheid moeten worden beperkt tot vlakken met de aanduiding ‘maximum aantal kampeerhuisjes’.

Nu dat niet is geregeld, en artikel 15.7.4 regelt dat het toegestane aantal mag worden vergroot, is er geen grond om de wijzigingsbevoegdheid voor de onderhavige situatie niet toe te passen. maar is bepaald dat het college het aantal kampeerhuisjes voor Duinrand kan vergroten van 0 naar 100. Dat daarvoor de aanduiding maximum aantal kampeerhuisjes zou moeten worden opgenomen staat daaraan niet in de weg. Het plan heeft dat ook beoogd. Deze uitleg wordt ondersteund door de toelichting op het bestemmingsplan (paragraaf 5.2. Toelichting op de bestemmingen), waar onder het kopje Recreatie - Dagrecreatie (artikel 13), Recreatie - Gemengd (artikel 14), Recreatie - Kampeerterrein (artikel 15), Recreatie Recreatiewoningen (artikel 16), Recreatie - Strand (artikel 17) en Recreatie - Verblijfsrecreatie (artikel 18) onder ‘Afwijkingen en wijzigingen’ het volgende is aangegeven: In de verschillende recreatiebestemmingen zijn afwijkingen en wijzigingen opgenomen ten behoeve van de flexibiliteit om in te kunnen spelen op ontwikkelingen in de nabije toekomst. Het betreft onder andere de mogelijkheid voor het vergroten van het aantal permanente standplaatsen, het vergroten van het

2.

bebouwingsoppervlak, de mogelijkheid tot winterkamperen, het realiseren van kampeerhuisjes ten koste van permanente standplaatsen. Ook uit deze tekst blijkt niet dat het hier alleen zou gaan om het vergroten van het aantal kampeerhuisjes op terreinen waar al kampeerhuisjes zijn toegestaan. b. Naast het benoemde onder punt a. is het volgens de wijzigingsbevoegdheid mogelijk het aantal standplaatsen te verlagen. In artikel 15.7.4 is opgenomen: ‘Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen door het aantal permanente standplaatsen als bedoeld in lid 15.4 te vergroten en/of het totaal aantal standplaatsen te verkleinen…’ Er wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om het aantal standplaatsen te verlagen, teneinde de potentiële ruimtelijke en milieueffecten die op basis van het bestemmingsplan kunnen optreden, te beperken. Niet ingezien wordt waarom geen gebruik zou mogen worden gemaakt van dit onderdeel van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 15.7.4. c. Ter plaatse van de bestemmingen “Groen” en “Groen – Landschappelijk” aan de oost-, zuid- en westzijde van het terrein wordt voorzien in een landschappelijke inpassing met een breedte van 5 m, in combinatie met een grondwal met een hoogte van 2 m.

Langs de noordelijke rand wordt het plangebied bovendien landschappelijk ingepast met een gemiddelde breedte van 5 meter met een aarden wal van 2 meter en wordt de bestemming “Groen-Landschappelijk” opgenomen. Op grond van het gemeentelijk beleid zoals vastgelegd in de Nota Kamperen 2013 is een dergelijke afscherming niet nodig ten opzichte van andere, aangrenzende (verblijfs)recreatieve functies. d. De aanpassing van de maximale oppervlakte van kampeerhuisjes en bijgebouwen heeft uitsluitend betrekking op het plangebied. Onderkend wordt echter dat de formulering van de betreffende bepalingen 3.a en 3.b in de regels van het wijzigingsplan niet correct zijn. De betreffende bepaling 3.a. moet luiden: ‘de in artikel 15.2.1. lid c in de tabel onder sub 4 ‘kampeerhuisjes’ in kolom 3 opgenomen maximale oppervlakte van kampeerhuisjes bedraagt voor het plangebied maximaal 51 2 m ’. De betreffende bepaling 3.b. moet luiden: ‘de in artikel 15.2.1. lid c in de tabel onder sub 9 ‘bijgebouw per permanente standplaats’ in kolom 3 opgenomen maximale oppervlakte van 2 bijgebouwen per permanente standplaats bedraagt voor het plangebied maximaal 6 m ’. De regels bij het wijzigingsplan worden dienovereenkomstig aangepast. e.

Het onderscheid tussen kampeerhuisjes en recreatiewoningen is breder dan alleen het criterium ‘eenvoudig’:  Kampeerhuisjes worden als kampeermiddel gezien;  Een kampeerhuisje moet op een permanente standplaats staan, een recreatiewoning niet;   3  Voor kampeerhuisjes geldt een maximale inhoudsmaat van 250 m .  De kampeerhuisjes betreffen kleine recreatieverblijven, met een beperkte oppervlakte, te weten 51 2 2 m . Dit is substantieel kleiner dan de oppervlakte van 75 m , die in het bestemmingsplan voor kampeerhuisjes is toegestaan. Bovendien moeten de kampeerhuisjes voldoen aan de inhoudsmaat 3 3 van 250 m . De maximale inhoudsmaat van de nieuwe kampeerhuisjes bedraagt 250 m , die van de 3 recreatiewoningen 400 m . In kampeerhuisjes is ruimte voor maximaal 6 slaapplaatsen. Vanwege de grotere omvang van recreatiewoningen zijn hier meer slaapplaatsen aanwezig, namelijk maximaal 8 slaapplaatsen. Daarnaast is sprake van een eenvoudige indeling van de kampeerhuisjes met kleine kamers, een open slaapvide verbonden met woonkamer en keuken, en op de begane grond een kleine (kinder)slaapkamer en badkamer. De kampeerhuisjes worden gefundeerd op een simpele plaat met vorstrand en zijn opgebouwd uit geprefabriceerde houtskeletbouwwanden afgewerkt met een houten gevelbekleding.

De opbouw, materialisatie en indeling zijn eenvoudig van aard maar passend binnen het afwerkings- en verzorgingsniveau van het park met een nadruk op verbinding tussen binnen- en buitenruimte. De kampeerhuisjes passen dan ook in de begripsbepaling ‘kampeerhuisje’ en onderscheiden zich nadrukkelijk van de recreatiewoningen, die in de eerste plaats groter zijn en ruimer zijn ingedeeld. Het wijzigingsplan is gebaseerd op een planologische afweging. Het bestemmingsplan Kop van Schouwen vormt daarvoor het kader, evenals de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Binnen dat kader heeft een – planologische – afweging van alle betrokken belangen plaatsgevonden. Daarbij is van belang dat de herontwikkeling van Duinrand West past binnen het gemeentelijk beleid en aansluit op de Agenda Toerisme, waarin het thema Voortdurend vernieuwen een belangrijk beleidsuitgangspunt is. Het vasthouden aan de huidige accommodatie leidt niet tot een toekomstbestendig verblijfsrecreatief product, ook al waarderen de huidige eigenaren de kwaliteit van het terrein hoog. Dat kan duidelijk worden geïllustreerd door de dichtheid en oppervlakte van het aantal eenheden. Voor die aspecten voldoet de bestaande situatie niet aan de actuele beleidsnormen en aan de actuele en toekomstige marktvraag. De beoogde ontwikkeling voorziet in de zich wijzigende marktvraag.

Met de beoogde ontwikkeling wordt dan ook het algemeen belang gediend, van een verblijfsrecreatief aanbod dat aansluit bij de actuele marktvraag en van een economisch florerende recreatiesector. Verder is in het kader van de belangenafweging relevant dat de beoogde herontwikkeling op verschillende punten een verbetering betekent. Doordat het aantal eenheden afneemt en de eenheden niet meer met fossiele brandstoffen worden verwarmd, neemt de ruimtelijke kwaliteit op het park toe en nemen de verkeerstromen af, wat een positief effect heeft op de omgeving. Tot slot wordt de landschappelijke inpassing van het terrein verbeterd. Overigens is niet uit te sluiten dat de bestaande eigenaren van bijvoorbeeld een stacaravan in de nieuwe situatie een kampeerhuisje kopen. De initiatiefnemer zal voorts op grond van de Recron-voorwaarden een passende compensatie bieden aan de huidige huurders/gebruikers van de recreatieverblijven. Tegen deze achtergrond stemt het college – met inachtneming van alle relevante belangen – in met de beoogde ontwikkelingen is het voornemen het wijzigingsplan vast te stellen.

3. In het verrichte behoefteonderzoek (Ladderonderbouwing) zijn onder meer cijfers van het kenniscentrum

4.

5.

6.

Kusttoerisme toegepast. Hieruit blijkt dat de vraag naar huisjesparken toeneemt ten opzichte van de vraag naar kampeerterreinen. Hoewel hier geen verschil wordt gemaakt tussen chalets, kampeerhuisjes en recreatiewoningen blijkt dat de vraag naar luxe toeneemt. Het Trendrapport Toerisme 2019 geeft een duidelijke behoefte aan meer kwaliteit aan. De huidige recreatieverblijven op Duinrand voldoen steeds minder aan de vraag van de hedendaagse toerist. Deze heeft de voorkeur voor een recreatiewoning voorzien van alle gemakken en die bovendien voldoet aan de duurzaamheidseisen van vandaag de dag. De nieuwe ontwikkeling voorziet daarmee, blijkens de verrichte onderzoeken – anders dan reclamant stelt – terdege in een behoefte. In de toelichting van het wijzigingsplan is in tabel 3.1 sub a.b. en e. beschreven dat voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid bodem-, explosieven- en archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Onderzoek is in het kader van de nieuwe inrichting uiteindelijk wel noodzakelijk. Deze onderzoeken worden uitgevoerd of zijn inmiddels gereed. Het door een deskundigenbureau uitgevoerde bureauonderzoek naar de aanwezigheid van explosieven is inmiddels afgerond (27 augustus 2020). Hieruit is gebleken dat het terrein vrij kan worden gegeven met betrekking tot conventionele explosieven.

Archeologisch en bodemonderzoek is pas mogelijk als de huidige bebouwing op het terrein grotendeels of volledig is verwijderd. Deze onderzoeken brengen de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan niet in het geding. Het gebruiken van de huidige vaste standplaatsen naast de 100 kampeerhuisjes past niet binnen de beoogde inrichting en herontwikkeling van het terrein. In het kader van de herontwikkeling zal het aantal standplaatsen worden verkleind. Als het aantal bestaande standplaatsen niet zou worden aangepast, blijft de bestaande situatie in stand, met dien verstande dat op 100 standplaatsen kampeerhuisjes worden geplaatst. Daarmee verandert de stikstofdepositie van het terrein niet. Dat laat onverlet dat het aantal standplaatsen zal worden verkleind als onderdeel van de beoogde ontwikkeling. De AERIUS-berekeningen zijn uitgevoerd met de meest actuele versie van de calculator (AERIUS 2020, 15 oktober 2020). De natuurtoets is geactualiseerd, waarbij de nieuwe AERIUS-berekeningen zijn opgenomen. Omdat gebruik wordt gemaakt van interne saldering (waarbij de toekomstige stikstofdepositie wordt gesaldeerd met de bestaande stikstofdepositie), is op basis van de provinciale beleidsregels intern en extern salderen een vergunning krachtens de Wet natuurbescherming aangevraagd. De lopende aanvraag voor een natuurvergunning is op 30 oktober 2020 gewijzigd ingediend.

Gedeputeerde Staten hebben op 19 november 2020 het ontwerpbesluit genomen en is voornemens de vergunning te verlenen. De ontwerp natuurvergunning wordt vanaf 25 november 2020 gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Op grond van deze – te verlenen – vergunning mogen niet meer dan 100 standplaatsen aanwezig zijn op De Schouwse Valleien West. Gedeputeerde Staten zouden dan ook handhavend kunnen optreden als meer standplaatsen aanwezig blijven. Omdat er een relatie is tussen Duinrand West en Duinrand Oost, is in de toelichting op het wijzigingsplan inclusief de onderzoeken ook een doorkijk gegeven naar de totale ontwikkeling. Voor de ontwikkeling van Duinrand Oost moet een bestemmingsplanprocedure worden doorlopen. Beide ontwikkelingen zijn ook los van elkaar haalbaar.

Conclusie De redactie van de regels in artikel 3 onder a en b van het wijzigingsplan worden als volgt aangepast:  3.a.: ‘de in artikel 15.2.1. lid c in de tabel onder sub 4 ‘kampeerhuisjes’ in kolom 3 opgenomen maximale 2 oppervlakte van kampeerhuisjes bedraagt voor het plangebied maximaal 51 m ’.  3.b.: ‘de in artikel 15.2.1. lid c in de tabel onder sub 9 ‘bijgebouw per permanente standplaats’ in kolom 3 opgenomen maximale oppervlakte van bijgebouwen per permanente standplaats bedraagt voor het 2 plangebied maximaal 6 m ’.  De reactie leidt tot gewijzigde vaststelling van het wijzigingsplan, waarbij aan een zone aan de noordrand van het terrein, grenzend aan Natura 2000 de bestemming “Groen – Landschappelijk” wordt toegekend.

In de regels bij het wijzigingsplan wordt de opgenomen gebruiksregel waarmee wordt bepaald dat de landschappelijke inpassing wordt aangelegd conform het landschapsplan zoals opgenomen in bijlage 1 vervangen door de volgende voorwaardelijke verplichting: o het gebruik van kampeerhuisjes op een permanente standplaats binnen de begrenzing van dit plan is uitsluitend toegestaan indien:  de landschappelijke inpassing van het kampeerterrein is aangelegd conform bijlage 1 Landschappelijke inpassing en vervolgens aldus in stand wordt gehouden; In de toelichting van het wijzigingsplan wordt toegevoegd dat het onderzoek naar de aanwezigheid van explosieven inmiddels is afgerond en dat het terrein op dit aspect vrij gegeven kan worden. ZI-93 Reclamant 93 Zaaknr: 361985 Samenvatting 1. De realisatie van het plan zorgt voor een toename van de stikstofuitstoot. De berekeningen hiervoor zijn niet correct uitgevoerd. Er wordt alleen een vergelijk in de berekeningen gemaakt tussen huidige en toekomstige situatie. Hierbinnen zijn er ook foute aannames, zoals het ervan uitgaan dat in de winterperiode van november t/m half maart er een bezetting zou zijn van 30%. Dat is mogelijk zo tijdens de vakantieweken, maar alle andere weken is het vaak erg leeg op het park en zeker op doordeweekse dagen. De aanlegfase is niet meegenomen in de berekening.

Per 15 oktober zijn er nieuwe richtlijnen, hiervoor moet nieuw onderzoek worden uitgevoerd.

2. 3.

De realisatie van het plan verstoort de natuur. Het onderzoek naar natuur is inmiddels ruim 3 jaar oud. Beschermde soort als de boomkikker zijn inmiddels gezien op het terrein. Beschikbare stikstofruimte moet eerst ingezet worden voor de bouw van woningen, niet voor recreatie.

Beantwoording 1. De AERIUS-berekeningen zijn uitgevoerd met de meest actuele versie van de calculator (AERIUS 2020, 15 oktober 2020). De natuurtoets is geactualiseerd, waarbij de nieuwe AERIUS-berekeningen zijn opgenomen. Het bezettingspercentage in de winterperiode is gebaseerd op informatie van de exploitant. Omdat gebruik wordt gemaakt van interne saldering (waarbij de toekomstige stikstofdepositie wordt gesaldeerd met de bestaande stikstofdepositie), is op basis van de provinciale beleidsregels intern en extern salderen een vergunning krachtens de Wet natuurbescherming () aangevraagd. De natuurtoets is daarbij als toelichting bij de aanvraag gebruikt. De lopende aanvraag voor een natuurvergunning is op 30 oktober 2020 gewijzigd ingediend. Gedeputeerde Staten hebben op 19 november 2020 het ontwerpbesluit genomen en is voornemens de vergunning te verlenen. De ontwerp natuurvergunning ligt vanaf 25 november 2020 gedurende 6 weken ter inzage. 2. In de zomer en het najaar van 2020 is onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde diersoorten. Dat onderzoek wordt in het voorjaar van 2021 voortgezet. Op basis van de beschikbare informatie komt de instandhouding van de voorkomende soorten door de beoogde ontwikkeling niet in het geding. Voor zover verblijf- of rustplaatsen worden vernietigd, zal een ontheffing van de Wet Natuurbescherming worden aangevraagd.

Verwacht wordt dat deze ontheffingen verleend zullen worden. Er is geen grond voor het oordeel dat de Wet Natuurbescherming aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan in de weg staat. 3. De ontwikkeling van Duinrand veroorzaakt een afname van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige en overbelaste habitats in de omgeving. Als gevolg daarvan zal er dus eerder meer ruimte voor woningbouw op Schouwen-Duiveland ontstaan dan dat die ruimte afneemt. Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het wijzigingsplan. ZI-94 Reclamant 94 Zaaknr: 361984 Samenvatting 1. Reclamant sluit zich op persoonlijke titel aan bij de zienswijze zoals opgesteld door HELIO advocaten in opdracht van haar cliënt vereniging Duinrand Samen Sterk en neemt hun argumenten over. Beantwoording 2. Verwezen wordt naar de beantwoording van de zienswijze van Duinrand Samen Sterk, die is opgenomen onder ZI-92 ZI-95 Reclamant 95 Zaaknr: 361983 Samenvatting 1. Door de ontwikkeling wordt schade aangebracht aan de natuur rondom het park. a. De ontwikkeling zorgt voor een toename aan stikstofuitstoot. De berekening zijn niet correct en volledig uitgevoerd. De aanname dat de bezetting in de winterperiode van 30% is onjuist. In de berekeningen is niet opgenomen wat de stikstofuitstoot van de afbraak van de huidige opstallen, het aanleggen van het duinlandschap, bouwwerkzaamheden en extra verkeersstromen. b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9566002/1