CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1681584 Bijlage 4 onderbouwing

Gemeenteraad 16 april 2026, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Adviesrecht omgevingsvergunning modulair woonconcept 90 woningen Sandströmweg Zierikzee (1681584)28.840 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Op de Emil Sandströmweg rijden ter hoogte van de planlocatie gemiddeld zo’n 1.600 mvt/etm (telling november 2023). Op het wegvak meer westelijk tegen de Lange Blokweg aan rijden in diezelfde periode gemiddeld zo’n 3.900 mvt/etm. Met de realisatie van voorliggend plan nemen beide intensiteiten (worst case) toe met 504 mvt/etm. Ter hoogte van de planlocatie betekent dit een totaalintensiteit van 2.104 mvt/etm. Voor het wegvak tegen de Lange Blokweg aan komen we dan op een intensiteit van 4.404 mvt/etm. Landelijk hanteren we (CROW-richtlijn) een maximale intensiteit van 5000-6000 mvt/etm voor een erftoegangsweg. Daar blijven we met de maximale toename nog ver onder voor de Emil Sandströmweg. De genoemde richtlijn is erg ruim en erftoegangswegen zijn er in de praktijk in diverse vormen en maten.

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

46

Gemeente Schouwen-Duiveland heeft geen eigen indicatoren ten aanzien van intensiteiten. Het wegvak Emil Sandströmweg ten westen van de Koning Gustaafweg kent een vrijliggend fietspad en kan de maximale intensiteit zoals het CROW hanteert verwerken. We blijven er met toevoeging van de maximaal te verwachten verkeersintensiteit van het plangebied tevens nog ruim onder. Daarbij dient te worden opgemerkt dat het een maximaal scenario (worst case) betreft én dat er ook nog een afname van intensiteiten zal zijn vanwege het verdwijnen van het huidige gebruik van de locatie Cornelia als opvanglocatie voor vluchtelingen uit Oekraïne. In de praktijk zal er dus sprake zijn van een beperkte toename. Voor het wegvak ten oosten van de Koning Gustaafweg komen we (worst case) uit op zo’n 2.100 mvt/etm. De te verwachten intensiteiten kunnen verkeerskundig prima afgewikkeld worden. Voor dit wegvak is vanuit dat oogpunt geen aanpassing nodig. Vanuit comfort/netwerk gedacht en de wens om meer mensen te laten fietsen (Nationaal en Zeeuws Toekomstbeeld Fiets) is het wenselijk om het fietspad zoals opgenomen in het plan niet alleen aan te sluiten op het Gouwepad maar ook op het fietspad langs de Emil Sandströmweg. 5.4.3 Conclusie In het huidige plan is voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Het aantal parkeerplaatsen dat is voorzien past goed bij de te verwachten parkeerbehoefte.

De voorziene ontsluitingen in combinatie met de aanleg van fiets- en wandelinfra stimuleren fietsen/wandelen. De verbindingen zijn directer en sneller/beter bereikbaar waardoor deze vorm van verplaatsen meer concurrerend wordt ten opzichte van de auto. De auto kan via de Emil Sandströmweg snel en veilig opgaan in de huidige verkeersstromen. Via de Lange Blokweg komt men op het hoofdwegennet. Het aspect mobiliteit heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.5

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

5.5.1 Kader Geluidaandachtsgebied langs een weg Onderzoek moet worden uitgevoerd voor nieuwe woningen die zijn gelegen binnen het aandachtgebied van wegen. Op grond van artikel 3.20 Besluit kwaliteit leefomgeving is een geluidaandachtsgebied een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De gemeente Schouwen-Duiveland heeft voor haar gemeentewegen nog geen basisgeluidemissie of geluidaandachtsgebieden vastgesteld. Zolang deze niet zijn vastgesteld geldt ten aanzien van het geluidaandachtsgebied overgangsrecht dat is vastgelegd in artikel 17.5 van de Omgevingsregeling. In dit artikel is vastgelegd dat voor gemeentewegen en waterschapswegen het geluidaandachtsgebied bestaat uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de afstand, gemeten vanaf de rand van de weg zoals hierna is opgesomd: a. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m;

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

47

b. c.

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt 200 m; voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken 350 m.

Voor dit onderzoek houdt dat in dat voor het verkeer op de route Emil Sandstromweg/Nassaulaan en de nieuw aan te leggen ontsluitingswegen binnen het plangebied de geluidsbelasting moet worden berekend, omdat binnen het geluidaandachtsgebied van de wegen nieuwe woningen zijn voorzien. Ook de Lange Blokweg is in het onderzoek betrokken omdat voor de bestaande woningen langs deze route de verandering van de geluidsbelasting is bepaald door de ontwikkelingen in het plan. Geluidgevoelig gebouw In artikel 3.21 Besluit kwaliteit leefomgeving is aangeduid welke functies als geluidsgevoelig moeten worden beschouwd. Als geluidgevoelige gebouw of een gedeelte van een gebouw zijn aangewezen: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Onder een geluidgevoelig gebouw wordt ook verstaan een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een BOPA mag worden gebouwd. Standaardwaarde en grenswaarde Voor een woning binnen het aandachtsgebied van gemeentewegen geldt een standaardwaarde van 53 dB op grond van artikel 5.78t van het Bkl.

De grenswaarde langs deze wegcategorie bedraagt 70 dB op grond van artikel 5.78u Bkl. Een overschrijding van de standaardwaarde is alleen mogelijk als geluidsreducerende maatregelen die de geluidsbelasting zoveel mogelijk reduceren tot bij voorkeur de standaardwaarde niet mogelijk zijn. Deze verplichting tot het onderzoek naar maatregelen is vastgelegd in artikel 5.78u Bkl. In artikel 5.78y Bkl is vastgelegd dat een geluidsbelasting hoger dan de grenswaarde is toegestaan als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen. Planeffecten De planontwikkeling veroorzaakt extra verkeersproductie, waardoor de geluidsbelasting op bestaande woningen langs de beschouwde gemeentewegen kan veranderen. In artikel 5.78af Bkl is beschreven op welke wijze deze indirecte akoestische effecten vanwege veranderend verkeer moet worden beschouwd. Artikel 5.78 ah Bkl is van toepassing op wijzigingen in het geluidaandachtsgebied van een weg die gevolgen hebben voor de geluidoverdracht. Dat kan zijn de aanleg van extra verharding van nieuwe weg of de bouw van woningen die een extra geluidsreflectie veroorzaken.

Een plan dat een toename van de verkeersintensiteit of een verandering in het aandachtsgebied van een weg veroorzaakt, voorziet erin dat het geluid door die weg op geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 1,5 dB toeneemt. De toename van het geluid wordt bepaald door de situatie in een voor die weg maatgevend jaar na de wijziging te vergelijken met de situatie in datzelfde jaar zonder die wijziging.

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

48

Een toename van meer dan 1,5 dB is alleen mogelijk als geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om die toename te voorkomen, de toename van het geluid door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Als sprake is van een toename van 1,5 dB of meer wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld. Binnenwaarden In het Besluit bouwwerken leefomgeving is aangegeven wat de karakteristieke geluidwering moet zijn om een binnenwaarde, bij gesloten ramen, te garanderen voor verblijfsgebieden van nieuwe woningen. De karakteristieke geluidwering is voor wegverkeerslawaai in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) vastgesteld en mag niet kleiner zijn dan het verschil tussen het in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als omgevingswaarden bepaalde gezamenlijke geluid. Het gezamenlijke geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid.

Er geldt voor de karakteristieke geluidwering een minimale eis van 20 dB. 5.5.2 Onderzoek Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage inclusief uitgangspunten, resultaten en berekeningen is bijgevoegd als bijlage 3. De beschouwde wegen in dit akoestisch onderzoek zijn de Lange Blokweg, de route Emil Sandströmweg/Nassaulaan en de nieuwe ontsluitingswegen in het plangebied. Een zone rond een industrieterrein of langs een spoorlijn is niet aan de orde, zodat de geluidsaspecten industrie- en spoorweglawaai buiten beschouwing zijn gelaten. Hieronder worden kort de resultaten en conclusies uit het akoestisch onderzoek besproken. Geluidsbelasting nieuwe woningen Uit die resultaten blijkt dat de geluidsbelasting maximaal 45 dB bedraagt in het noordwestelijke deel van het plangebied. Omdat deze geluidsbelasting ruim lager is dan de standaardwaarde van 53 dB is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat en veroorzaakt het aspect wegverkeersgeluid geen belemmering voor de bouw van deze nieuwe woningen. Geluidsbelasting bestaande woningen (planeffect) De nieuw te bouwen woningen veroorzaken een toename van het aantal verkeersbewegingen van 504 per weekdag welke worden verdeeld over twee ontsluitingswegen.

Ten opzichte van de heersende verkeersintensiteit in 2023 op de Lange Blokweg en het westelijke deel van de Emil Sandströmweg is dit relatief gezien een geringe toename. In dB uitgedrukt bedraagt de toename 0,3 dB langs de Lange Blokweg. Omdat deze toename kleiner is dan 1,5 dB is geen sprake van een significant akoestisch effect. Een dergelijke toename van het geluid is voor het gemiddeld menselijk oor niet waarneembaar en veroorzaakt daarom geen verslechtering van het akoestisch klimaat. Langs de Emil Sandströmweg is de berekende geluidstoename hoger vooral langs het oostelijke deel van de weg. Omdat uit de resultaten langs de Emil Sandströmweg blijkt dat na de planontwikkeling de

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

49

standaardwaarde van 53 dB niet wordt overschreden, is sowieso geen sprake van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. De geluidstoename is bepaald ten opzichte van de telling uit het jaar 2023 en niet ten opzichte van een prognose-intensiteit voor bijvoorbeeld het jaar 2034. Omdat door de autonome groei van het verkeer de intensiteit in 2034 hoger is dan in 2022, is de relatieve toename van de verkeersintensiteit door de planontwikkeling geringer en dus ook de toename van de geluidsbelasting. 5.5.3 Conclusie Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de standaardwaarde van 53 dB ter plaatse van de nieuwe woningen niet wordt overschreden. Omdat ook wordt geconcludeerd dat de verkeerstoename door de planontwikkeling geen significante negatieve akoestische effecten heeft, kan worden gesteld dat het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen geen negatieve invloed heeft op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.6

Luchtkwaliteit

5.6.1 Kader Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van een van de aangewezen agglomeraties, moeten de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. De gemeente Schouwen-Duiveland bevindt zich niet in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.6.2 Onderzoek Het project gaat om de realisatie van maximaal 90 woningen. Het behoort hierdoor tot een standaardgeval dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verhoging van de concentratie van stikstofdioxide en fijnstof. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt.

In afbeelding 5.4 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de omliggende wegen weergegeven, voor de rekenpunten die het dichtst bij het plangebied liggen. Deze concentraties zijn afkomstig uit de CIMLK-monitoringstool, en bepaald voor het peiljaar 2023. Uit de CIMLK-monitoringstool blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 15,9 µg/m3, 14,8 µg/m3 en 7,2 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) worden niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

50

6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. In de tabel 5.3 zijn de 15 meetpunten met de hoogste waarden weergegeven. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor ook geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

Afbeelding 5.4. Uitsnede Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit, Monitoringsronde 2022, berekeningsjaar 2023. Het projectgebied is indicatief gemarkeerd in rood. ID CP.5519 CP.6333 CP.6631 CP.3227 CP.5791 CP.6738 CP.2348 CP.5357 CP.5087 CP.6613 CP.6739 CP.4360 CP.3640 CP.5590 CP.5212

Jaar 2023 2023 2023 2023 2023 2023 2023 2023 2023 2023 2023 2023 2023 2023 2023

NO2 µg/m3

PM10 µg/m3 15,9 15,7 15,3 15,1 15,1 15,0 14,9 15,0 14,7 14,6 14,7 14,8 14,7 14,5 14,6

PM25 µg/m3 14,8 14,8 14,7 14,7 14,7 14,7 14,7 14,6 14,7 14,7 14,7 14,6 14,6 14,7 14,6

7,2 7,2 7,2 7,2 7,2 7,2 7,2 7,2 7,2 7,2 7,2 7,2 7,2 7,2 7,2

PM10 Overschrijdinsdagen 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6

Tabel 5.3 Tabel Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit, Monitoringsronde 2022, berekeningsjaar 2023

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

51

5.6.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.7

Geluid door activiteiten

5.7.1 Kader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De gemeente dient ervoor te zorgen dat in het omgevingsplan in ieder geval de regels staan die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: - de ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar(bijvoorbeeld afstand tussen een woning en een bedrijf) - het stellen van regels aan activiteiten op een locatie (bijvoorbeeld via waarden voor geluidimmissie of preventieve maatregelen) De regels aan activiteiten op een locatie in het omgevingsplan voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het gemeentelijk omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. Bij elke aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten samen.

In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Door het opnemen van de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl in het omgevingsplan voldoet de gemeente in principe aan de eis van aanvaardbaarheid van artikel 5.59, lid 2 Bkl. De standaardwaarden uit dit artikel zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Daarnaast kan de gemeente kiezen voor afwijkende standaardwaarden voor bedrijventerreinen (5 dB hoger) en voor agrarische gebieden (5 dB lager). Eis hierbij blijft aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. De gemeente kan het gewenste evenwicht ook bereiken door bijvoorbeeld het opleggen van preventieve maatregelen. Dit in aanvulling op de waarde of in de plaats van de waarde. Milieuzonering nieuwe stijl Het ''groene'' boekje Bedrijven- en milieuzonering van de VNG is jarenlang gebruikt als (semi-juridische) leidraad in bestemmingsplannen om daarmee milieucategorieën toe te kennen aan bedrijven. De toekenning van deze (algemene) categorieën geeft echter niet altijd een goed beeld van de daadwerkelijke milieubelasting van een bedrijf.

Het ene milieucategorie 3.1-bedrijf kan namelijk veel meer hinder veroorzaken dan een ander milieucategorie 3.1-bedrijf, terwijl ze beiden in dezelfde milieucategorie voorkomen. Al in 2017 heeft het bestuur van de VNG mede daarom aangegeven dat de huidige publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' niet meer wordt onderhouden of geactualiseerd.

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

52

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Gelet op dit doel is het logisch dat in de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor worden geïntegreerd. Onder de Omgevingswet wordt het gebruikelijk en noodzakelijk om concrete milieunormen op te nemen in het omgevingsplan. 5.7.2 Onderzoek Voorliggende ontwikkeling maakt geluidgevoelige functies mogelijk. In de directe omgeving van het plangebied is een milieubelastende functie aanwezig. Ten westen van het plangebied ligt de bestemming Maatschappelijk. Hier is een ziekenhuis aanwezig. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet werden ziekenhuizen in de VNG-richtafstandenlijst tot milieucategorie 2 gerekend, met een grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Het parkeerterrein van het ziekenhuis, dat de grootste geluidsbron is, ligt op meer dan 50 meter afstand van voorliggende ontwikkeling. Er zijn al woningen gebouwd aan de overzijde van de Emil Sandströmweg die dichter bij de bestemming ‘Maatschappelijk’ en het parkeerterrein van het ziekenhuis liggen. Deze woningen zijn daarom maatgevend. Er kan daarom worden gesteld dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij voorliggende ontwikkeling.

Andersom redenerend kan het geluid dat wordt gerealiseerd bij het parkeren op het terrein van voorliggende ontwikkeling tot overlast leiden bij huidige omwonenden. Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet werd voor parkeerterreinen een richtafstand van 30 meter gehanteerd, waarbij moet worden aangemerkt dat het daarbij gaat om openbare parkeerterreinen. In het geval van voorliggende ontwikkeling gaat het enkel om parkeren ten behoeve van de te realiseren woningen. Het aantal verkeersbewegingen zal daardoor lager zijn. De parkeerplaatsen worden op twee locaties binnen het plangebied gerealiseerd. Aan de westzijde liggen de parkeerplaatsen naast het ziekenhuis, waardoor omwonenden weinig overlast zullen ervaren. Aan de noordoostzijde liggen de parkeerplaatsen dichter bij de woningen. Het beoogd dwarsprofiel op deze locatie is in afbeelding 5.5 weergegeven. Hierop is te zien dat door middel van een groenstrook en een dubbele haag, enige geluiddempende werking kan worden gerealiseerd. Om deze reden en vanwege bovenstaande alinea wordt geacht dat hier een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden gerealiseerd blijft.

’ Afbeelding 5.5: Dwarsprofiel noordoostzijde plangebied (bron: KuiperCompagnons)

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

53

5.7.3 Conclusie Het aspect geluid door activiteiten heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.8

Omgevingsveiligheid

5.8.1 Kader Op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in het gemeentelijk omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het projectgebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd. Bij nieuwe ontwikkelingen moet een plaatsgebonden risico van 10 -6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden.

Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Voor de bepaling van de aandachtsgebieden is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en reguliere rampenbestrijding bieden. De gemeente beoordeelt of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het 'aandachtsgebied' is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico's en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen. De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in: • Brandaandachtsgebieden (BAG): Een BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt.

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

54

•

•

•

Explosieaandachtsgebied (EAG): Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: 1. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en 2. een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is. Gifwolkaandachtsgebied (GAG): Een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant. Voorschriftengebieden: Aandachtsgebieden kunnen leiden tot voorschriftengebieden indien er sprake is van nieuwbouw, voor bestaande gebouwen gelden voorschriftengebieden niet. Indien men zeer kwetsbare gebouwen wil toestaan in een aandachtsgebied wordt dat aandachtsgebied of het gedeelte met nieuwbouw automatisch een voorschriftengebied. Aanvullende bouweisen gelden voor de nieuwbouw zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Bij het toestaan van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen kan de gemeente afzien van een voorschriftengebied, mits goed gemotiveerd. Het bepalen van voorschriftengebieden, de motivatie voor de te nemen maatregelen en dergelijke is een verantwoordelijkheid van de gemeente. 5.8.2 Onderzoek Met voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Uit de EV signaleringskaart blijkt dat ten zuiden van het plangebied de transportroute N59 is gelegen (zie afbeelding 5.6).

Afbeelding 5.6: Uitsnede EV signaleringskaart. Het projectgebied is indicatief gemarkeerd in groen.

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

55

Toetsing Risicovolle inrichtingen: Volgens de Risicokaart (Bron: risicokaart.nl) bevinden zich in de nabije omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen die van invloed zijn op de planontwikkeling. De invloedsgebieden van de dichtstbijzijnde Bevi-inrichtingen reiken niet over het plangebied. Andersom zorgt de ontwikkeling van het plangebied niet tot een beperking van deze Bevi-inrichtingen. Toetsing Vervoer van gevaarlijke stoffen: Binnen de gemeente Schouwen-Duiveland zijn de autowegen N57 en N59 en de vaarroute Krammersluizen / Zijpe aangewezen als transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in het Basisnet. Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied voor het groepsrisico aanwezig van 200 meter, een invloedsgebied van 355 meter voor GF3 transport over de weg en de N59 heeft een invloedsgebied van 880 meter voor toxische stoffen. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van toxische stoffen, waardoor een beschrijving gegeven dient te worden van de aspecten ‘zelfredzaamheid’ en ‘bestrijdbaarheid’. De N57 ligt op een zodanig grote afstand, dat de invloedsgebieden niet over het plangebied reiken. De vaarroute Krammersluizen / Zijpe ligt tevens op een zodanige afstand dat de invloedsgebieden niet over het plangebied reiken.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Door een incident op de weg met een tankwagen met toxische stoffen kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Het plangebied is gelegen binnen het bereik van het Waarschuwings- en Alarmerings Systeem (WASpalen) en daarnaast biedt NL-Alert de mogelijkheid om aanwezigen in het gebied tijdig te waarschuwen.

In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen dient bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te worden gepast waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. De ventilatiesystemen dienen dus te beschikken over een dichtstand. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Risicocommunicatie naar de bewoners is belangrijk. Bij het sluiten van een huurcontract kunnen bewoners op de externe veiligheidsrisico’s gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

56

maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. 5.8.3 Conclusie Het aspect geluid door omgevingsveiligheid heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.9

Natuur & ecologie

5.9.1 Kader Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor gemeentelijke ruimtelijke procedures. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten.

5.9.2 Onderzoek Toelichting onderzoeken De onderzoeken zijn uitgevoerd voor het intreden van de Omgevingswet. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels die te maken hadden met natuurbescherming ongewijzigd overgenomen in de Omgevingswet. Het beschermingsniveau blijft dus hetzelfde en de bevoegdheidsverdeling blijft ook in grote lijnen hetzelfde. De overgang is dus beleidsneutraal geweest. Dit komt doordat een groot deel van de regels in de huidige Wet natuurbescherming direct voortvloeien uit Europese en internationale verplichtingen, zoals de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn. De Omgevingswet moet ook aan die Europese

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

57

en internationale verplichtingen voldoen. De resultaten uit de uitgevoerde onderzoeken zoals hieronder beschreven bieden dan ook voldoende zekerheid dat de ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor beschermde flora en fauna, ook al zijn deze uitgevoerd onder voorgaande wetgeving. Soortenbescherming Vanwege voorgenomen sloop van de bebouwing op de projectlocatie is door Buijs Eco Consult B.V. in 2021 een ecologische quickscan uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 5. Vervolgens is door Buijs Eco Consult B.V. in 2023 een nader onderzoek vleermuizen en overige jaarrond beschermde soorten uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 6. In het kader van de beoogde woningbouw op de locatie zijn deze onderzoeken in opdracht van de gemeente beoordeeld door het gecertificeerde onderzoeksbureau Econsultancy. In deze second opinion op de onderzoeksrapporten van Buijs Eco Consult B.V. (2021, 2023) is aangegeven of de onderzoeken geheel volgens protocol zijn verlopen en worden waar nodig aanvullende adviezen gegeven. Op basis van de second opinion worden momenteel extra onderzoeken uitgevoerd. Deze second opinion is bijgevoegd als bijlage 11. In onderstaande paragraaf worden eerst de resultaten van de quickscan, dan die van het nader onderzoek vleermuizen en tot slot die van de second opinion uiteengezet. Vervolgens worden de volgende stappen nader besproken.

Onderzoeksresultaten quick scan Uit de ecologische quickscan is naar voren gekomen dat voor het aantonen danwel mogen uitsluiten van aanwezigheid van soorten nader onderzoek nodig is naar vleermuizen cf. vleermuisprotocol 2021, jaarrond beschermde vogels (huismus, buizerd, boomvalk etc.) en kleine marterachtigen (in het bijzonder wanneer de westelijke groene afscheiding ook verdwijnt). Hierbij is het raadzaam om tijdens dit nader onderzoek ook aandacht te besteden aan eventuele aanwezigheid van dakbroedende vogels. Vanwege het aantreffen van konijn (en verblijfplaatsen) binnen het plangebied is – in ieder geval voor deze soort – een ontheffing soortbescherming noodzakelijk. Afhankelijk van de uitkomsten van het noodzakelijke nader onderzoek is dit mogelijk voor nog meer soorten nodig. Door Buijs Eco Consult B.V. is vervolgens een nader onderzoek vleermuizen en overige jaarrond beschermde soorten uitgevoerd. Hieronder worden kort de resultaten besproken. Vleermuizen Op de locatie is meermaals de aanwezigheid van drie vleermuissoorten aangetroffen; gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De gewone dwergvleermuis is een vooral object/gebouw bewonende soort. Voor deze soort is in het plangebied tijdens de veldbezoeken ook een verblijfplaats aangetroffen; een groter zomer/paarverblijf en een paarverblijfplaat.

Aangenomen wordt dat deze verblijfplaatsen ook (in ieder geval in milde winters) als verblijfplaats gebruikt. Signalen en kenmerken van de bebouwing binnen het plangebied als (massa)winterverblijfplaats zijn niet waargenomen. De ruige dwergvleermuis is vooral geen boombewonende soort, individuele mannenverblijven (en tijdelijke verblijfplaatsen tijdens migratie) kunnen ook in bebouwing worden waargenomen. Deze zijn ter plaatsen niet aangetroffen. Ook laatvlieger is zonder binding met het planvoornemen waargenomen.

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

58

Jaarrond beschermde vogels Binnen het plangebied zijn geen beschermde functies voor huismus en/of gierzwaluw en/of huiszwaluw waargenomen. Ook in de te behouden bomen zijn geen nesten van jaarrond beschermde vogels vastgesteld. Grondgebonden zoogdieren In het plangebied is aanwezigheid van konijn vastgesteld: het betreft een gedeelte van een leefgebied en een/enkele verblijfplaatsen (holen). Voor voorgenomen sloop van de panden van het voormalig zorgcentrum is het noodzakelijk om een ontheffing soortbescherming Wet natuurbescherming aan te vragen, voor de soorten gewone dwergvleermuis en konijn. Aanbevolen wordt om voorgenomen (voorbereiding)werkzaamheden (na ontheffing) uit te voeren buiten de kwetsbare periode uit te voeren (augustus t/m oktober) en de sloop geheel buiten het broed/voortplantingsseizoen te plannen. In een activiteitenplan dienen het planvoornemen, planning, wettelijk belang en de mitigerende en compenserende maatregelen nader uitgewerkt te worden en deze dient vervolgens als basis (achtergronddocument) voor de noodzakelijke ontheffingsaanvraag. Second Opinion In het kader van de beoogde woningbouw op de locatie zijn deze onderzoeken in opdracht van de gemeente beoordeeld door het gecertificeerde onderzoeksbureau Econsultancy. Uit de second opinion volgen de volgende vervolgstappen of andere conclusies: • • •

• •

• • • •

Er is een veldbezoek nodig om de geschiktheid van het plangebied voor de gierzwaluw vast te stellen of uit te sluiten. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd. Nestinspectie naar jaarrond beschermde nesten uitvoeren. Deze inspectie zal worden uitgevoerd. Werken in het broedseizoen is mogelijk, mits er broedvogelinspecties worden uitgevoerd voorafgaand aan de werkzaamheden. Dit is tevens afhankelijk van het gebruik van de onderzoekslocatie door huismussen en/of gierzwaluwen. Bij sloop- en nieuwbouw op de projectlocatie zullen broedvogelinspecties plaatsvinden. Nader onderzoek vleermuis moet protocollair gespecificeerd zijn op verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd. Houd rekening met verlichting ten aanzien van foeragerende en migrerende vleermuizen. In het ontwerp is rekening gehouden met de verlichting voor foeragerende en migrerende vleermuizen. Nader onderzoek konijn uitvoeren. Dit onderzoek wordt uitgevoerd. Nader onderzoek kleine marterachtigen uitvoeren. Dit onderzoek wordt uitgevoerd. Gebruik amfibieënscherm tijdens de werkzaamheden. Er zal bij de werkzaamheden gebruik gemaakt worden van een amfibieënscherm. Nader onderzoek huismus uitvoeren. Dit onderzoek wordt uitgevoerd.

Nestinspectie gierzwaluw en roofvogels Door Econsultancy is naar aanleiding van de aanbevelingen uit de second opinion een nestinspectie uitgevoerd. Deze nestinspectie is bijgevoegd als bijlage 12. De inspectie had als doel om vast te stellen of er op locatie Cornelia nader onderzoek benodigd is naar gierzwaluwen en roofvogels met een nest met jaarronde bescherming. De inspectie is uitgevoerd middels een veldbezoek en een bureauonderzoek.

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

59

Bij de nestinspectie is vastgesteld dat er geen geschikte openingen aanwezig zijn in het Corneliagebouw voor nesten van gierzwaluwen. Daarom is geen nader onderzoek naar gierzwaluwen benodigd. Bij de nestinspectie zijn ook geen nesten aangetroffen die mogelijk in gebruik zijn door roofvogels, of in gebruik kunnen worden genomen. Er is wel een nest in het noordwesten van het projectgebied aangetroffen. Het nest ligt op geruime afstand van de huidige en toekomstige bebouwing en de boom waarin het nest is gevestigd blijft gehandhaafd. Daarom hoeft geen nader onderzoek te worden uitgevoerd naar roofvogels. Mitigerende maatregelen Door Econsultancy is een memo geschreven over de te realiseren mitigerende maatregelen voor de gewone dwergvleermuis op de projectlocatie. Op 11 april 2024 zijn acht vleermuiskasten aangebracht als paar- en zomerverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis. De acht vleermuiskasten zijn vóór 15 april 2024 opgehangen om op 15 oktober 2024 de gewenningsperiode van 6 maanden conform het kennisdocument van BIJ12 volbracht te hebben. De locatie van de kasten en nadere toelichting zijn in bijlage 14 opgenomen. Aanvullend onderzoek Huismus, kleine marterachtigen, konijn Naar aanleiding van bovenstaande bevindingen heeft Econsultancy een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar huismus, kleine marterachtigen en het konijn.

De rapportage is volledig te lezen als bijlage 15. In het onderzoeksgebied zijn geen nesten van huismussen aangetroffen. Huismussen toonden geen gebouwgebonden gedrag met de bebouwing op de onderzoekslocatie. Het is hierdoor uit te sluiten dat nesten van huismussen op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Ten zuiden van de onderzoekslocatie, bij de Mauritslaan, is paargedrag van huismussen waargenomen. De aantallen kunnen duiden op een gevestigde kolonie in de woonhuizen. Op de onderzoekslocatie is wel een kwetterplek gevonden. Huismussen zijn sociale dieren die sociaal contact nodig hebben. Dit contact vinden ze vaak in groen houtgewas waarbij ze in groepen samenkomen, een zogeheten kwetterplek. Kwetterplekken zijn van het belang voor het goed functioneren van het leefgebied van de huismus, en daardoor verlenen ze aan de Omgevingswet een beschermde status. De kwetterplek blijft tijdens de ingreep echter behouden en vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet zijn niet noodzakelijk. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan van de bunzing, wezel of hermelijn. Op geen van de camera’s is een individu voorgekomen. Ook zijn er tijdens de veldbezoeken geen sporen van marterachtigen waargenomen. De camera’s (met uitzondering van de t.b.v. konijnen) zijn te alle tijden functioneel geweest.

Het niet waarnemen van individuen uit de groep marterachtigen doet blijken dat de onderzoekslocatie geen functioneel leefgebied voor de bunzing, wezel en hermelijn bezit. Verdere vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet omtrent deze soortgroep zijn niet nodig. Op de onderzoekslocatie zijn in voorgaande onderzoeken waarnemingen gedaan van konijnen en holen van konijnen. Tijdens het controleren van de camera’s zijn foto’s van konijnen gezien op de losse camera gericht op konijnen. De foto’s zijn met het verdwijnen van de camera echter verloren gegaan. Het is aannemelijk dat de onderzoekslocatie deel uitmaakt van het functioneel leefgebied van konijnen. Bij de sloop en plannen voor de inrichting dient het konijn meegenomen te worden in de plannen en voor het aantasten van het huidige functionele leefgebied dient het konijn meegenomen te worden in de ontheffingsaanvraag.

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

60

Samenvattende conclusie soortenbescherming Het is niet op voorhand te voorkomen dat tijdens de voorgenomen ingreep één zomer-/paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis zal verdwijnen. Zonder het treffen van maatregelen zal overtreding plaatsvinden van de Omgevingswet, artikel 11.46 lid 1.b. en 1.d. (Bal). In het kader van deze verbodsbepalingen is een omgevingsvergunning aangevraagd voor een flora en fauna activiteit. Deze vergunning is op 28 augustus 2025 verleend (zie voor het besluit bijlage 16). Daarnaast kan op voorhand niet worden voorkomen dat essentieel leefgebied van het konijn wordt aangetast. Zonder het treffen van maatregelen wordt artikel 11.54, lid 1.b (Bal) van de Omgevingswet overtreden. Op basis van aanvullend veldonderzoek is geconcludeerd dat er geen burchten zijn aangetroffen op de locatie. Daarnaast zijn er ook geen sporen van konijnen, zoals keutels of wissels, waargenomen. Vaste voortplantings- of rustplaatsen zijn niet aan de orde. Hierdoor is aannemelijk gemaakt dat het projectgebied geen functie meer vervult voor het konijn. Gebiedsbescherming De ontwikkellocatie is niet gelegen op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren.

Stikstof De emissie van stikstof in de aanleg- en de gebruiksfase kan een stikstofdepositie veroorzaken ter plaatse van de stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. De bouwwerkzaamheden veroorzaken emissie van stikstof door de mobiele installaties op de bouwplaats en door de aan- en afvoer van bouwmateriaal en bouwvakkers. In de gebruiksfase wordt de emissie van stikstof veroorzaakt door de verkeersbewegingen op het terrein, het gebruik van mobiele installaties met verbrandingsmotoren (zoals graafmachines of heftrucks) en eventuele verbrandingsinstallaties. Door NOX Advies is een stikstofdepositie-berekening uitgevoerd. Deze berekening is bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd als bijlage 8. In deze rapportage zijn alle berekeningen en uitgangspunten nader toegelicht. Uit de berekening blijkt dat er sprake is van een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,00 mol N/ha/jaar in zowel de aanleg- als gebruiksfase. Met dit resultaat en met bovenstaande uitgangspunten zijn significante effecten voor de aanleg- en gebruiksfase op voorhand uit te sluiten en is een passende beoordeling niet noodzakelijk. Uit het onderzoek kan daarom geconcludeerd worden dat er vanuit stikstofdepositie geen belemmeringen gelden voor voorgenomen ontwikkeling.

5.9.3 Conclusie Uit bovenstaande onderzoeken blijkt dat voorliggende ontwikkeling niet leidt tot een significante stikstofdepositie in stikstofgevoelige natuurgebieden. Op de planlocatie zijn gewone dwergvleermuizen aangetroffen, die met het plan worden verstoord. Eén zomer/paarverblijfplaats en één paarverblijfplaats van deze soort worden met de sloop van het bestaande gebouw op de projectlocatie mogelijk beschadigd en/of vernield. Hiervoor is op 28 augustus 2025 door de provincie Zeeland een vergunning verleend. Zoals blijkt uit onderzoek biedt de onderzoekslocatie verder geen geschikte leefgebiedsfuncties voor kleine marterachtigen, huismussen en konijnen en andere beschermde soorten. Verdere vervolgstappen ten aanzien van de Omgevingswet zijn niet noodzakelijk.

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

61

5.10 Archeologie, cultuurhistorie en landschap 5.10.1 Kader Landschap Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed.

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

62

Rijksbeleid Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Erfgoedwet deels opgegaan in de Omgevingswet. Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is ook een van de belangen van de Omgevingswet (art 1.2 Ow). In de Omgevingswet staan de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd. Hierin staan bijvoorbeeld onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die tot 1 januari 2024 in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. De bevoegdheden en beschermingsniveaus zijn in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten.

In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen.

5.10.2 Onderzoek Archeologie Op het plangebied is voor het grootste gedeelte ‘waarde - archeologie - 6’ van toepassing. Op een kleiner gedeelte in het noordoosten van het plangebied is ‘waarde – archeologie - 7 van toepassing’. In de regels van het bestemmingsplan is een verbodsbepaling opgenomen voor bepaalde werkzaamheden. Deze zijn slechts toelaatbaar wanneer archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd. De voorziene ingrepen in de bodem zijn groter dan 2.500 m² (waarde – archeologie – 6) of 5.000 m² (waarde – archeologie – 7). Archeologisch onderzoek is dus benodigd. Onderzoek Door ADC ArcheoProjecten is een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bij deze ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd als bijlage 7. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Op een diepte vanaf ca. 200 cm -mv bevindt zich naar verwachting de top van het Laagpakket van Wormer. Dit bestaat uit kleiige kwelderafzettingen en zandige geulafzettingen. In het onderzoeksgebied zijn tijdens de sedimentatie van het Laagpakket van Wormer meerdere geulsystemen actief geweest. Op de kreekruggen en de oevers van actieve kreekgeulen kunnen archeologische waarden aanwezig zijn uit het Neolithicum en uit de Bronstijd.

Een mogelijk archeologische vindplaats zal zich manifesteren als een archeologische laag, een humeuze, ontkalkte laag met daarin fragmenten vuursteen, aardewerk en houtskool. Er zijn echter tot op heden in het onderzoeksgebied geen bewoningssporen uit het Neolithicum en de Bronstijd op dit niveau aangetroffen. Nadat door het ontstaan van een gesloten kustlijn de sedimentatie van zand en klei ten einde kwam, vond er op uitgebreide schaal veenvorming plaats in het gebied. Dit veen is in de IJzertijd en de Romeinse tijd ontgonnen en geschikt gemaakt voor landbouw en bewoning. Hierdoor kan de top van het veen veraard

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

63

zijn geraakt. Bij een mogelijke archeologische vindplaats op dit niveau zijn in de veraarde toplaag fragmenten aardewerk en houtskool aanwezig. Indien intact aanwezig wordt deze op een diepte vanaf ca. 150 cm -mv verwacht. In de Vroege Middeleeuwen is het gebied vervolgens weer vatbaar voor overstromingen vanuit de zee geworden. De afzettingen die in deze periode afgezet zijn worden tot het Laagpakket van Walcheren gerekend. De kwelders rondom Zierikzee zijn in ca. 1.200 n. Chr. ingedijkt. Mogelijk zijn in het gebied bewoningsresten uit de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd aanwezig, maar het historisch kaartmateriaal uit de 16e eeuw en daarna suggereert dat het gebied in gebruik is geweest als bouwland of als weiland dat wordt doorsneden door een weg. Volgens de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 is de top van het Laagpakket van Walcheren afgegraven. Hiernaast is het aannemelijk dat de huidige inrichting van het plangebied voor verstoringen heeft gezorgd. Op basis van een hoogtekaart kan worden geconcludeerd dat rondom de bebouwing een ca. 50 cm dik ophogingspakket aanwezig is, dit pakket kan een conserverende werking hebben gehad voor onderliggende resten. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd.

Hierbij is gebleken dat de diepere ondergrond uit grotendeels kalkloze waden kwelderafzettingen die kunnen worden ingedeeld bij het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) bestaat. Hierboven is een veenlaag (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop) aanwezig. In een aantal boringen is de top van het veenpakket veraard. Het bovenste pakket bestaat uit wad- en kwelderafzettingen die worden ingedeeld bij het Laagpakket van Walcheren. De bovenste 105 tot 190 cm bestaat uit een omgewerkt pakket. Deze verstoring is waarschijnlijk veroorzaakt door moerneringwerkzaamheden vanaf de Late Middeleeuwen en mogelijk ook bij de huidige inrichting van het plangebied. Het is onduidelijk in hoeverre de onderste wad- en kwelderafzettingen (Laagpakket van Wormer) een bewoonbaar niveau vormde in het Neolithicum of de Bronstijd. Met name kreekruggen en oevers zouden bewoond kunnen zijn geweest. Aanwijzing voor rijping in de vorm van een vegetatieniveau of een (matig) stevige consistentie ontbreken echter. In een aantal boringen ( 1, 5, 6, 9, 12, 14, 15, 18, 19) is de top van het bovenliggende veenpakket veraard, hier kunnen nog resten uit de IJzertijd of de Romeinse tijd aanwezig kunnen zijn.

Advies ADC ArcheoProjecten adviseert om bij verstoringen dieper dan 110 cm -mv (1,53 m – NAP = hoogste voorkomen intacte veraarde veentop plus een buffer van 30 cm) in de gebieden met een intacte veraarde veentop een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P). Geadviseerd wordt om ook de locaties van de gestuite boringen hierbij mee te nemen omdat niet bekend is hoe de natuurlijke ondergrond er hier uitziet. Bij dit onderzoek kan mogelijk ook een uitspraak worden gedaan over de aard van de kalkloze zandige afzettingen van het Laagpakket van Wormer in de diepere ondergrond. Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan worden beslist of aanvullend onderzoek, ook ter plaatse van de bestaande bebouwing, noodzakelijk is. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

64

Het rapport is voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is akkoord met de rapportage. Cultuurhistorie Het plangebied is op de Kaart Cultuurhistorie Zeeland aangegeven als Zeekleigebied Oudland (zie afbeelding 5.7). Het oude zeekleilandschap heeft zich met name gevormd na de Romeinse Tijd, toen grote zee-inbraken het aanwezige veenpakket erodeerden of bedekten met een dikke laag zeezand en klei. Waar het veen standhield, is het later voor een groot deel vergraven voor de turf- en zoutwinning. Het oudland omvat de zee-afzettingen uit de Vroege Middeleeuwen (500-1000), bestaand uit zandige kreekruggen en laaggelegen, kalkloze poelgronden. Voor deze gronden zijn verder geen eisen uitgewerkt in de Kaart Cultuurhistorie Zeeland of in de provinciale omgevingsverordening. Er ligt verder geen erfgoed in het plangebied.

Afbeelding 5.7: Uitsnede Kaart Cultuurhistorie Zeeland 5.10.3 Conclusie Gezien bovenstaande onderzoeken heeft voorliggende ontwikkeling geen negatieve invloed op het aspect archeologie en cultuurhistorie. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.11

Bodem

5.11.1 Kader Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten in het gemeentelijk omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het projectgebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

65

5.11.2 Onderzoek In 2023 heeft ABO-Milieuconsult een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd op de projectlocatie door ABO-Milieuconsult. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2 bij deze onderbouwing. De bovengrond is licht verontreinigd met drins. De achtergrondwaarde voor lood, kwik en/of PCB worden overschreden (licht verontreinigd). In de ondergrond wordt de achtergrondwaarde voor lood en/of kwik overschreden (licht verontreinigd). Het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen. In de gedempte watergangen wordt de achtergrondwaarde voor lood overschreden (licht verontreinigd). Op de locatie is zowel op het maaiveld als in de contactzone (0,0 – 0,5 m-mv) visueel geen asbest aangetroffen of analytisch aangetoond. Het licht verhoogde gehalte aan lood, kwik, drins en PCB in de grond en de licht verhoogde concentraties aan molybdeen in het grondwater zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Asbest wordt analytisch niet aangetoond. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen). 5.11.3 Conclusie Het aspect bodem heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Daarnaast houden we rekening met het volgende aandachtspunt in het vervolg: indien van de locatie grond wordt afgevoerd en elders wordt toegepast is aanvullend onderzoek naar PFAS nodig. Op dit moment is nog niet zeker wat er met de grond zal gebeuren. Indien aanvullend onderzoek nodig is zal dit worden uitgevoerd. 5.12

Geurhinder

5.12.1 Kader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het projectgebied zijn toegestaan. Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelprojectgebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelprojectgebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het gemeentelijk omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het projectgebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente om te beslissen of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het projectgebied aanvaardbaar te laten zijn. 5.12.2 Onderzoek In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen veehouderijen gevestigd. Daarnaast zijn er rondom het plangebied al veel woningen gelegen, die daarmee maatgevend zijn. Het aspect ‘geur’ hoeft dan ook niet nader onderzocht te worden.

BOPA ‘Groene Schakel, Zierikzee’ Ontwerp, d.d. 17 december 2025

66

5.12.3 Conclusie Het woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en omliggende bedrijven of voorzieningen worden niet onevenredig beperkt. Het aspect geur heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.13

Trillingen

5.13.1 Kader Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij nieuwe ontwikkelingen rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden. 5.13.2 Onderzoek Voorgenomen ontwikkeling maakt geen trillingveroorzakende activiteiten mogelijk. Binnen en rondom het projectgebied zelf geldt een maximale rijsnelheid van 30 km per uur. Er zullen dan ook geen trillingsniveaus optreden die de standaardwaarden overschrijden. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het thema trillingshinder. 5.13.3 Conclusie Het aspect trillingen heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16616646/1