1667284 Bijlage 2 BOPA onderbouwing Korte Ring en Deestraat Bruinisse
Tekst van het document
Als gevolg van branchevervaging bieden hotels vaker kamers aan die zijn gericht op gezinnen. Hotels bieden in toenemende mate faciliteiten die zich richten op een hogere belevingswaarde en een persoonlijke benadering. Gasten boeken bovendien vaker een weekendje weg buiten het hoogseizoen en kiezen dan voor een hotel. De vraag vanuit de zakelijke markt neemt als gevolg van onder meer online vergaderen sterk af. Belangrijke kernwaarden van Schouwen- Duiveland zijn de nabijheid van het strand, de zee, de natuurgebieden en de uiteenlopende watersportactiviteiten. Het eiland trekt in het laagseizoen met name bezoekers aan die houden van kleinschaligheid, een goed restaurant, rust en stilte en trekt in het hoogseizoen met name bezoekers aan die voldoende aanbod zoeken voor alle gezinsleden. Met Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
24
de beoogde extra kamers wordt het hotel uitgebreid met een aantal meer luxe kamers. Het aanbod verbreed waardoor er een grotere en meer diverse doelgroep kan worden aangesproken. De beoogde hotelruimte bevindt zich op een zichtlocatie, centraal in de dorpskern, in een omgeving met meerdere horecafuncties. In samenhang met de beperkte uitbreiding wordt de huidige sobere gevel van het pand aangepast waardoor een betere samenhang ontstaat ten opzichte van de belendende panden en een meer aansprekend gevelbeeld. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de doelstellingen uit de Structuurvisie Bruinisse en het Masterplan Bruinisse om het dorpshart te verlevendigen en draagt bij aan het verbeteren van de kwaliteit van het verblijfsrecreatieaanbod. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling wordt bijgedragen aan de doelstellingen uit de horecavisie.
3.3.5
Gemeentelijke omgevingsplan
Ter plaatse zijn op basis van het tijdelijke deel van het gemeentelijke Omgevingsplan de regels van toepassing van het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Bruinisse’ uit 2015, het paraplubestemmingsplan ‘Wonen’ uit 2020 en het paraplubestemmingsplan ‘Parkeernormen Schouwen-Duiveland’ uit 2018. Ter hoogte van de korte Ring 1 en 3 geldt de bestemming ‘Gemengd’. Het perceel is voorzien van een bouwvlak en de bouwaanduiding ‘aaneengebouwd’. Binnen de geldende bestemming is bewoning van de bovenverdieping rechtstreeks toegestaan. Het gebruiken van bebouwing voor horecadoeleinden is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘horeca’. Volgens de bouwregels zijn binnen het bouwvlak gebouwen toegestaan met een maximale bouwhoogte van 10 meter en een maximale goothoogte van 6 meter. Het slopen en herbouwen van een deel van de bebouwing, het gebruik van de bebouwing voor horeca-doeleinden en het realiseren van een hogere goothoogte is niet toegestaan volgens de bouw-, en gebruiksregels van het omgevingsplan. De bestaande bebouwing aan de Deestraat 5 heeft de bestemming ‘Maatschappelijk’ met een bouwvlak en de functieaanduiding ‘religie’ ten behoeve van het voormalige gebruik als religiegebouw. Deze functie is reeds beëindigd.
Volgens de gebruiksregels zijn ter plaatse maatschappelijke functies toegestaan waaronder educatieve, sociaal- medische, sociaal- culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen met bijbehorende ondergeschikte functies. Volgens de bouwregels is ter plaatse een gebouw toegestaan met een maximum bouwhoogte van 4 meter. Het vestigen van een woonfunctie ter plaatse is niet toegestaan volgens de bouw-, en gebruiksregels van het omgevingsplan. In de planregels is geen afwijkingsbevoegdheid opgenomen op basis waarvan de beoogde ontwikkeling kan worden gerealiseerd. Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit noodzakelijk. Voor de besluitvorming over een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. De vergunning wordt alleen verleend als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl) en als wordt voldaan aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Aangezien deze overeenkomen met de beoordelingsregels voor het opstellen van een omgevingsplan zijn ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl van toepassing. Archeologische
waarden
worden
op
basis
van
dubbelbestemmingen
in
de
geldende
bestemmingsplannen beschermd. Ter bescherming van archeologische relicten in de ondergrond is ter plaatse de dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie – 7’ opgenomen. Voorafgaand aan het uitvoeren van bodemverstorende ingrepen met een bewerkingsdiepte vanaf 50 cm-mv en een bewerkingsoppervlakte vanaf 5000m2 is het uitvoeren van archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
25
De beoogde ontwikkeling is kleinschalig, vindt hoofdzakelijk plaats op basis van bestaande bebouwing en vormt geen groot risico voor het bodemarchief. Zie tevens paragraaf 4.2. De gemeente Schouwen-Duiveland heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in het Parapluplan parkeernormen Schouwen-Duiveland uit 2018. Op basis van de hierin opgenomen beleidsnotitie ‘Parkeerbeleid 2017- 2020’ (vastgesteld 28 september 2017) is opgenomen dat de gemeente bij nieuwbouw uitgaat van de parkeerkencijfers zoals vastgelegd in de meest recente CROW-publicatie. Voor de hele gemeente geldt dat er sprake is van een weinig stedelijk gebied. Voor alle ontwikkelingen binnen de bebouwde komgrenzen wordt bovendien uitgegaan van locatietype ‘rest bebouwde kom’. De parkeerkencijfers kennen enige bandbreedte op basis van verschillen in autobezit per gemeente. Een afweging is opgenomen in paragraaf 4.7. Conclusie In de beoogde situatie wordt op basis van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) afgeweken van de bouw-, en gebruiksregels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan om nieuw gebruik van bestaande bebouwing en een kleinschalige afwijking van de planologische regels mogelijk te maken. Een afweging met betrekking tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is weergegeven in de volgende hoofdstukken.
Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
26
Figuur 9
Uitsnede Bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Bruinisse’: bestemming ‘Gemengd’
Figuur 10 Deestraat ‘Maatschappelijk’
5:
Uitsnede
Bestemmingsplan
‘Bebouwde
kom
Bruinisse’:
Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
bestemming
27
4.
ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING
Voor de beoogde ontwikkeling heeft een beoordeling plaatsgevonden van alle geldende beoordelingsregels uit het Bkl. Voor een aantal niet in de onderbouwing benoemde onderwerpen (waaronder geur en trillingen) kan op voorhand worden gesteld dat deze niet tot een belemmering voor de beoogde ontwikkeling leiden.
4.1
Flora en fauna
De Wet natuurbescherming (Wnb) is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet door middel van de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. De uitgangspunten van de Wet natuurbescherming waaronder het normenkader, de instrumenten en de verdeling van bevoegdheden zijn hierbij onveranderd gebleven. Op basis van het aanvullingsspoor natuur worden aan het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een beoordelingskader voor activiteiten toe die invloed kunnen hebben op Natura 2000-gebieden, beschermde flora en fauna en houtopstanden voor de beoordeling van vergunningaanvragen zijn in het Bkl beoordelingsregels opgenomen. Op basis van artikel 5.1 eerste lid van de Omgevingswet dienen projecten met mogelijk significante gevolgen voor een natuurgebied op voorhand worden getoetst. Bij het uitvoeren van bouwactiviteiten dienen maatregelen te worden genomen om de stikstofuitstoot voldoende te beperken. Voor de formele toetsing aan de natuurwetgeving is de Provincie bevoegd gezag. Binnen de BOPA- onderbouwing dient wel gemotiveerd te worden dat er geen sprake is van een ‘evident onuitvoerbaar plan’. Bescherming natuurgebieden Ruimtelijke ontwikkelingen dienen in het kader van de bescherming van de Europese Vogelrichtlijnen Habitatrichtlijngebieden aan te tonen dat ze geen significant negatieve effecten veroorzaken.
Deze plantoets geldt ook voor ruimtelijke ingrepen die plaatsvinden in de omgeving van een Natura 2000-gebied. Tevens dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen te worden onderzocht of er sprake is van een effect op het nationaal beschermde Natuur Netwerk Zeeland. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Binnen het NNN zijn in principe geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die de kernkwaliteiten negatief kunnen beïnvloeden. Een uitzondering kan worden gemaakt voor ontwikkelingen waarvoor geen reëel alternatief bestaat en er sprake is van een groot openbaar belang. Voor dergelijke ontwikkelingen geldt de ‘nee- tenzij’ toets. Indien schade ontstaat, moet deze worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Bescherming soorten Een ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk te maken of er door het plan mogelijke negatieve effecten kunnen optreden op, in en om het plangebied aanwezige, beschermde soorten. Activiteiten die een schadelijk effect kunnen hebben op beschermde soorten zijn in principe verboden. In hoofdstuk 11 in het Bal zijn een viertal groepen handelingen aangewezen die mogelijk schadelijke gevolgen voor beschermde soorten kunnen hebben. Dit betreffen: 1. Handelingen die betrekking hebben op vogels en handelingen die op grond van de Vogelrichtlijn in beginsel zijn verboden; 2.
Handelingen die betrekking hebben op andere dieren en planten van soorten die op grond van de Habitatrichtlijn in beginsel zijn verboden; 3. Handelingen die nadelige gevolgen kunnen hebben voor niet-richtlijn soorten (‘nationale soorten’) en die niet onder het strikte soortenbeschermingsregime van de Habitatrichtlijn vallen; 4. Enkele specifiek benoemde vergunningplichtige flora- en fauna-activiteiten, waaronder het uitzetten van dieren. Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
28
Voor veel voorkomende handelingen waarvoor een gedragscode opgesteld is, geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. Door te handelen volgens de gedragscode kan worden verzekerd dat wezenlijke schade aan soorten wordt voorkomen. De goedgekeurde gedragscodes worden aangewezen in de Omgevingsregeling. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn beoordelingsregels opgenomen voor de vier categorieën aan flora- en fauna-activiteiten. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing. Schade aan flora en fauna dient, op basis van deze zorgplicht, in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Deze zorgplicht geldt met name ten aanzien van broedgevallen van alle vogelsoorten. Aangezien alle vogels tijdens het broeden zijn beschermd, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen (van ongeveer maart tot half juli) leiden tot een overtreding. Waarbij wordt opgemerkt dat er geen vaste periode in het jaar voor het broedseizoen kan worden aangegeven. Zorgplicht Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing. Schade aan flora en fauna dient op basis van deze zorgplicht in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Besluitgebied Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient de aanvrager te waarborgen dat de uitvoering van het project geen nadelige gevolgen heeft op beschermde soorten of natuurgebieden.
In de omgeving van het besluitgebied komen verschillende natuurgebieden voor. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied de ‘Oosterschelde’ op een afstand van circa 250 meter ten noordoosten van het besluitgebied. De Boomdijk, gelegen direct ten oosten van het dorpscentrum van Bruinisse op een afstand van circa 250 meter ten oosten van het projectgebied maakt onderdeel uit van het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ). De projectlocatie bevindt zich buiten de begrenzing van het NNZ. Bij het uitvoeren van bouwwerkzaamheden en als gevolg van de verkeersbewegingen door het nieuwe gebruik komt stikstof vrij. De uitstoot van stikstof mag geen negatieve effecten hebben op soorten in beschermde Natura 2000- gebieden die gevoelig zijn voor verzuring. Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling is in november 2025 door S&W Bouwkundig Ingenieurs een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit de rekenresultaten voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase blijkt dat er als gevolg van de ontwikkeling geen sprake zal zijn van een toename van stikstofdepositie op omliggende voor stikstof gevoelige natuurgebieden. In de berekening is uitgegaan van het gebruik van AdBlue. De onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 4. De bestaande bebouwing aan de Korte Ring 1 zal worden gesloopt en vervangen. De Korte Ring 3 wordt verbouwd.
De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen het dorpscentrum van Bruinisse en hoofdzakelijk binnen een bestaand bouwvlak. De beoogde kleinschalige uitbreiding van een bestaande lokale horecagelegenheid en de herontwikkeling van een voormalig religiegebouw tot woonfunctie in een dorpscentrum sluit in aard en schaal aan bij de karakteristiek van de omgeving. De locatie ligt buiten de begrenzing van beschermde natuurgebieden. De omgeving van het besluitgebied is door het huidige gebruik en de rationele en versteende inrichting niet geschikt als leefgebied voor beschermde soorten. In alle gevallen dient aan de algemene zorgplicht te worden voldaan. Conclusie Er zijn gezien de beperkte schaal van de ontwikkeling en de aard van de omgeving op voorhand geen significante effecten op omliggende beschermde natuurgebieden te verwachten. Wat betreft het aspect flora en fauna is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
29
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden vindt er steeds meer een verschuiving plaats van verantwoordelijkheden van het Rijk naar gemeenten. Hiermee wordt de koers die met de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg 2009 (MoMo) is ingegaan verder doorgezet. De moderne monumentenzorg heeft twee uitgangspunten: van objectgericht naar omgevingsgericht en van conserverend naar ontwikkelend. Dit vertaalt zich in een beleid met minder regels, het meewegen van cultuurhistorische belangen in de ruimtelijke ordening en meer mogelijkheden voor het herbestemmen van gebouwen. Cultuurhistorische en archeologische waarden dienen te worden meegewogen bij de beoordeling van een ruimtelijk plan. In artikel 5.130 Bkl zijn een aantal beginselen geformuleerd ten aanzien van de omgang met monumenten die op grond van het Omgevingsplan worden beschermd. Hieronder vallen archeologische monumenten, rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. In afdeling 8.8 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen voor het beoordelen van een rijksmonument-activiteit. De gemeente beoogt de karakteristieken van de verschillende landschapstypen te behouden en te versterken. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden aangesloten op de gebiedseigen structuren en patronen.
Vooruitlopend op de Omgevingswet is het gemeentelijke beleid over archeologie en cultuurhistorie opgenomen in het gemeentelijk erfgoedbeleid en doorvertaald op basis van dubbelbestemmingen in het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan. Welstand De gemeente Schouwen-Duiveland heeft in 2012 de Welstandsnota 2012 vastgesteld. De nota is in december 2023 herzien. Op basis van het welstandsbeleid wordt invulling gegeven aan het beleidsdoel uit de strategische visie ‘Tij van de Toekomst’ om de cultuurhistorische kwaliteit te verbeteren. In de nota staan kaders voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen cultuurhistorisch waardevolle objecten en gebieden. Complexe ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst door de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Het welstandsbeleid maakt onderscheid in gebiedsgerichte en objectgerichte criteria. Er wordt onderscheid gemaakt in vier welstandsniveaus: 1. Beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten 2. Bijzondere welstandsgebieden 3. Reguliere welstandsgebieden 4. Welstandsvrije gebieden. Binnen de gemeente Schouwen-Duiveland zijn twee beschermde stadsgezichten en twee beschermde dorpsgezichten aanwezig. Aan de historische dorpskernen van Dreischor en Noordgouwe is op basis van de Erfgoednota de status van Beschermd stads- en dorpsgezicht toegekend. Voor alle andere dorpskernen zijn de criteria van welstandsniveau 2 van toepassing.
Dit is een bijzonder welstandsregime en gericht op het behouden en waar mogelijk versterken van de historische kwaliteit. De toetsingscriteria voor dorpskernen zijn gericht op plaatsing, massa en vorm, gevelkarakteristiek, detaillering, kleur en materiaal van de nieuwe bebouwing in relatie tot de mate waarin deze de gebiedskarakteristiek behouden en respecteren. Besluitgebied Archeologische waarden in de bodem worden beschermd op basis van de dubbelbestemming in het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Bruinisse’ vastgesteld in 2015. Ter hoogte van het projectgebied geldt een archeologische dubbelbestemming (Waarde Archeologie-7). Bodemverstorende werkzaamheden boven de vrijstellingsgrens zijn onderzoeksplichtig. Bij de uitvoering van grondwerkzaamheden met een grotere bewerkingsoppervlakte dan 5000m2 en een grotere bewerkingsdiepte dan 50 cm-mv is een verkennend archeologisch onderzoek noodzakelijk. De Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
30
beoogde bouwwerkzaamheden zijn kleinschalig en liggen ver onder de vrijstellingsgrens. Het uitvoeren van een verkennend archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Binnen het projectgebied zijn geen objecten of gebieden aanwezig met een (Rijks)monumentale status. De huidige of direct omliggende bebouwing heeft geen monumentale status en de kern Bruinisse is niet aangemerkt als waardevol dorpsgezicht. In de Provinciale cultuurhistorische waardenkaart zijn de belangrijkste cultuurhistorische waarden binnen de provincie in kaart gebracht. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen complexen en gebieden met een bijzonder provinciaal cultuurhistorisch belang. Ter hoogte van de projectlocatie zijn geen dergelijke bijzondere waarden of complexen aanwezig. De Oosterschelde is aangemerkt als (internationaal) aardkundig waardevol gebied. Het besluitgebied bevindt zich niet binnen een molenbiotoop. De Bruinissepolder is een van de gebieden van Schouwen- Duiveland welke als laatste (omstreeks 1468) werd bedijkt. De kern heeft de stedenbouwkundige structuur van een voorstraatdorp. Een voorstraatdorp is een van de oudste dorpstypes in nieuwlandgebieden. Centraal in het dorp ligt een brede hoofdstraat met enkele evenwijdig lopende achterstraten.
De historische dorpsbebouwing is hoofdzakelijk gelegen binnen het voorstraatdorp tussen de Molenstraat en de Oudestraat en aan de dorpszijde van de Havenkade. Bruinisse is van oorsprong een vissersdorp. De bebouwing binnen het dorp had overwegend een niet-agrarisch karakter. Binnen het dorp is één Rijksmonument aanwezig: een 18e -eeuwse mosselvisserswoning. Door de geleidelijke perceelsgewijze inbreidingen en uitbreidingen van de historische kern heeft het huidige straatbeeld een gevarieerd karakter. Bebouwing is overwegend gesitueerd op lange smalle percelen en staat overwegend met de voorgevel dicht op de openbare weg. De straten zijn smal. De bebouwde structuur is in de loop der tijd sterk verdicht waardoor er in de huidige dorpskern sprake is van geschakelde, individuele panden. Voortuinen en openbaar groen ontbreken veelal. De kern heeft een stenig en compact karakter.
1950
1975
Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
31
2000
2024
Figuur 11
Omgeving besluitgebied (projectlocatie gemarkeerd met rode en gele cirkel)
Het besluitgebied ligt aangrenzend aan de historische Oudestraat. Dit is de voorstraat van het oorspronkelijke dorp en loopt van de (voormalige) kerk aan de Korte Ring naar de haven. De Deestraat vormt een achterstraat van de Oudestraat. De bestaande bebouwing aan de Korte Ring 1 is functioneel en sober vormgegeven en heeft geen bijzondere of aansprekende bouwstijl. Het karakter van het gebouw contrasteert ten opzichte van de naastgelegen panden met meer rijk gedecoreerde gevels. De bebouwing ligt in het historische dorpshart, op een zichtlocatie, op de kruising van de Korte Ring en de Oudestraat. In de beoogde situatie wordt in samenhang met de uitbreiding van het aantal kamers van het kleinschalige hotel, ook de gevel aangepast naar een gevel met een meer traditionele en aansprekende bouwstijl. Met het gevelbeeld, waaronder de detaillering, en het kleur- en materiaalgebruik, wordt hiermee wat meer aangesloten op de gevels van de aanliggende panden. De bestaande massa en de bestaande rooilijnen worden ook in de nieuwe situatie in stand gehouden. De beoogde goothoogte wijkt af van de maximale maatvoering van het omgevingsplan. In de beoogde situatie sluit de goothoogte aan op omliggende panden waardoor een meer samenhangend straatbeeld ontstaat. De woonfunctie wordt beëindigd en de woonfunctie wordt verplaatst naar de bebouwing aan de Deestraat 5.
Het aanzicht van de bebouwing aan de Deestraat vanaf openbaar gebied blijft hierbij ongewijzigd. Conclusie De beoogde situatie heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Het beoogde gebruik vindt overwegend plaats op basis van de bestaande bebouwing. De bebouwing aan de Korte Ring 1 wordt gesloopt en herbouwd. De bebouwing behorende bij de Korte Ring 3 wordt aangepast. Met de beoogde aanpassing van de relatief recent opgerichte bebouwing op een zichtlocatie, waarbij tevens de gevel een meer aansprekende uitstraling krijgt, wordt een bijdrage geleverd aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en de stedenbouwkundige samenhang binnen het dorpshart. Het beoogde gebruik van een gebouw met een maatschappelijke functie naar een woonfunctie betreft een kleinschalige ontwikkeling en een beperkte uitbreiding ten opzichte van de maximale bouwmogelijkheden die in de uitgangssituatie al aanwezig waren. De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
32
4.3
Bodemkwaliteit
Milieu hygiënische gesteldheid van de bodem De doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem door de functionele eigenschappen van de bodem duurzaam te benutten. Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient op basis van het BKL (Besluit kwaliteit leefomgeving) rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. Nieuwe ontwikkelingen dienen de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen te beschermen, rekening te houden met de kwaliteiten van de bodem en duurzaam en doelmatig de resterende historische verontreinigingen en aantastingen te beheren. De beoordeling van de toelaatbare kwaliteit van de bodem is daarbij een voorwaarde om te kunnen bouwen en geen omgevingswaarde. Er wordt binnen de systematiek onderscheid gemaakt in drie basisvormen van bodemgebruik: landbouw/ natuur, wonen en industrie. In artikel 5.89i Bkl zijn per gebied of gebruiksfunctie waarden weergegeven voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Het toelaatbare risico is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. Via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet zijn in paragraaf 5.1.4.5 Bkl regels opgenomen. Voor een aantal gevallen kan worden volstaan met een melding.
Besluitgebied Op basis van de beschikbare informatie uit de bodemrapportagemodule van de Provincie Zeeland blijkt dat er in de omgeving van het besluitgebied een aantal eerdere bodemonderzoeken hebben plaatsgevonden. Aan de Oudestraat 4 is in het verleden een bouwbedrijf en een timmerwerkplaats gevestigd geweest. In 2014 is ter hoogte van het besluitgebied (Oudestraat 4-6) een verkennend en een nader bodemonderzoek uitgevoerd door Mitec BV. Op een deel van de locatie, aan de achterzijde van de oorspronkelijke bebouwing (ca 6m3) op een diepte van 1 tot 1,5m -mv is een verontreiniging met minerale olie gebleken. Er is geen ernstig geval van bodemverontreiniging gebleken. Het terrein behorende bij de Oudestraat 6 is voorzien van bestrating en daarmee afgedekt. Binnen het perceel van de Deestraat is een ondergrondse huisbrandolietank aanwezig geweest ter hoogte van de bebouwing die ten tijde van het onderzoek in gebruik was als woning met tuin. Omstreeks 1992 is deze gesaneerd en afgevuld met zand. In 2008 is ter plaatse door Kuiper en Burger een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit de onderzoeksresultaten is een lichte verontreiniging gebleken van de bodem en het grondwater. De onderzoeksresultaten gaven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek of het uitvoeren van een bodemsanering.
Door Wematech Bodem adviseurs BV is in december 2025 een historisch bodemonderzoek (NEN 5725) uitgevoerd. Binnen het perceel is ter hoogte van de voormalige kolenopslag een nieuwe betonvloer gestort. De kwaliteit van de ondergrond ter plaatse is onbekend. De bodem wordt door middel van de betonvloer echter afgeschermd. Ter hoogte van het overige deel van het terrein is geen bodemverontreiniging te verwachten. De rapportage is opgenomen in bijlage 7. Ter hoogte van het kerkgebouw aan het Kerkplein 1, aan de oostzijde van de kerk, heeft in het verleden een huisbrandolietank gestaan. De tank is gesaneerd. Uit bodemonderzoek door Mitec Advies BV uit 2013 blijkt dat voor een aantal stoffen uit het onderzochte NEN-pakket de achtergrondwaarde in de omgeving van de kerk wordt overschreden. Uit de onderzoeksresultaten zijn geen risico’s voor de gezondheid of het milieu gebleken. De resultaten hebben niet geleid tot nader onderzoek of tot een bodemsanering. Door Wematech Bodem adviseurs BV is in december 2025 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter hoogte van de Korte Ring 1 en 3. Uit de onderzoeksresultaten is gebleken dat de bovengrond voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘landbouw/ natuur’ en de ondergrond voldoet aan de Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
33
kwaliteitsklasse ‘wonen’. In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Aanbevolen wordt om eventuele vrijkomende grond binnen het projectgebied te verwerken. Bij de afvoer van grond dienen de uitgangspunten van de Regeling Besluit bodemkwaliteit en de toepassingseisen volgens het gemeentelijke beleid in acht genomen worden. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering volgt voor de beoogde ontwikkeling. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek. In bijlage 7 is de onderzoeksrapportage opgenomen. Het beoogde gebruik van een woonfunctie als kleinschalig hotel en het gebruik van een voormalig religiegebouw als woning, is een kleinschalige ontwikkeling. Het nieuwe gebruik vindt hoofdzakelijk plaats op basis van de bestaande bebouwingscontour en bevindt zich binnen de dorpskern, in een gemengde dorpse woonomgeving. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de bodem ter plaatse van het besluitgebied ongeschikt zou zijn voor het beoogde gebruik. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.4
Geluid
De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van (geluidgevoelige) gebouwen. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn in paragraaf 22.3.4 direct werkende regels opgenomen voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In paragraaf 22.3.4 zijn regels opgenomen over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); -
Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen ter hoogte van geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Beoordeling De besluitlocatie ligt binnen de verkeerskundige begrenzing van de bebouwde kom. Bezoekers van een hotel verblijven slechts tijdelijk in de bebouwing. Een hotel is geen geluidgevoelige functie. Een woning is wel een geluidgevoelige functie.
In de beoogde situatie wordt een woonfunctie die is toegekend aan verouderde bebouwing aan de Korte Ring beëindigd en in gebruik genomen ten Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
34
behoeve van de naastgelegen verblijfsrecreatieve functie. Aan de Deestraat wordt een woonfunctie toegevoegd in een woonomgeving ten koste van de gevestigde maatschappelijke functie. Beide locaties bevinden zich in het dorpscentrum op korte afstand van de kerkring. In de directe omgeving van de besluitlocatie aan de Korte Ring en aan de Deestraat zijn reeds kleinschalige aan een dorpscentrum gebonden activiteiten toegestaan op korte afstand van woonfuncties. De beoogde ontwikkeling sluit aan op deze structuur. De afstand tussen aan het centrum gebonden functies en woonfuncties wordt niet verder verkleind dan in de uitgangssituatie al het geval is. Aan de Korte Ring zijn hoofdzakelijk centrumfuncties toegestaan waaronder horeca. Op de omliggende percelen aan de Deestraat zijn hoofdzakelijk woonfuncties gevestigd. Dit verandert niet in de beoogde situatie. De locatie ligt niet in het geluidaandachtsgebied van een weg, spoorweg of industrieterrein. Er is in de directe omgeving geen sprake van wegen waarvoor een geluidsproductieplafond is vastgesteld. De besluitlocaties worden ontsloten via de dorpswegen van de kern Bruinisse. Deze zijn verkeersluw en hebben een lage maximumsnelheid. Een woonfunctie en een kleinschalig hotel zijn geen activiteiten waar een grote geluiduitstraling van uitgaat. Beide functies hebben geen grote verkeersaantrekkende werking.
Het extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling is beperkt en gaat op in het heersende verkeersbeeld. Zie tevens paragraaf 4.7. Er is ook in de beoogde situatie voldoende afstand tussen de besluitlocatie en omliggende geluidgevoelige bestemmingen. Zie tevens paragraaf 4.5. De afstand tussen centrumfuncties en woonfuncties binnen de kern wordt niet verder verkleind dan in de uitgangssituatie al het geval is. Door het verplaatsen van een woonfunctie binnen een centrumgebied met veel verblijfsrecreatie naar een woonstraat, wordt aangesloten op de bestaande karakteristiek (zie tevens paragraf 4.5). Gezien de beperkte hoeveelheid verkeer in de directe omgeving en de aard van de ontwikkeling is er geen aanleiding om te verwachten dat ter plaatse niet kan worden voldaan aan een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. Conclusie Gezien de aard van de ontwikkeling zijn er geen belemmeringen te verwachten voor het nieuwe planologische gebruik ten aanzien van het milieuaspect geluid.
4.5
Omliggende activiteiten
Nieuwe activiteiten mogen geen belemmering vormen voor andere activiteiten in de omgeving. Om de invloed van een nieuwe activiteit op omliggende (milieugevoelige) functies te kunnen inschatten kan aansluiting gezocht worden bij de richtafstanden voor functiescheiding uit de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Deze richtafstanden geven een algemene indicatie van de te verwachten milieubelasting per bedrijfscategorie. De richtafstanden uit de VNG- handreiking zijn gebaseerd op de omgevingskwaliteit die vergelijkbaar is met een rustige woonwijk. De indicatieve afstanden moeten worden aangehouden ten opzichte van de gevels van omliggende gevoelige objecten. Voor gevoelige functies in een gemengd gebied kan de richtafstand met één niveau worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
35
Tabel 1 Richtafstandenlijst VNG 2009 Milieucategorie
Richtafstand omgevingstype
tot rustige
Richtafstand omgevingstype
woonwijk in meters
gebied in meters
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
tot gemengd
Besluitlocatie Het projectgebied maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van Bruinisse. In de omgeving van de Korte Ring zijn veel percelen voorzien van een bestemming die een zekere menging van (kleinschalige) functies en wonen op de verdieping rechtstreeks toestaat. In de directe omgeving van het besluitgebied, onder meer aan de Korte Ring 5 en de Oudestraat 2, zijn horecafuncties gevestigd. Aan de achterzijde van het besluitgebied, aan de Kerkstraat, zijn een aantal woonbestemmingen toegekend. De gemengde bestemming van de besluitlocatie grenst aan deze woonbestemmingen. De woonbestemmingen direct aan de achterzijde van het hotel zijn in eigendom van het hotel en worden niet als zodanig gebruikt. Ter plaatse is onder meer op basis van een omgevingsvergunning het gebruik als kleinschalig parkeerterrein bij het hotel toegestaan. Aan de achterzijde van het hotel, aan de Kerkstraat 4 is een vrijstaande woning aanwezig. Deze woonbestemming ligt op een afstand van meer dan 13 meter van de gemengde bestemming van het besluitgebied. Als gevolg van de verschillende aan het dorpscentrum gebonden functies in de directe omgeving is er sprake van een gebied met enige menging van functies. De richtafstanden per milieucategorie kunnen met één stap worden verlaagd zonder dat dit ten kosten gaat van het woon- en leefklimaat ter plaatse.
Op omliggende percelen van de Deestraat 5, zoals aan de Prinses Margrietstraat en aan de Deestraat zijn hoofdzakelijk woonfuncties gevestigd. Direct ten noorden van de Deestraat 5, Aan de Lange Ring 20, bevindt zich een kleinschalige centrumbestemming. Op basis van de voorschriften van de geldende bestemming zijn met name aan de noordwestzijde van de Ring kleinschalige aan het centrum gebonden activiteiten toegestaan, waaronder detailhandel en dienstverlening. Zakelijke en persoonlijke dienstverlening en detailhandel zijn volgens de Staat van bedrijfsactiviteiten voor stedelijk gebied zoals opgenomen in de bijlage van het bestemmingsplan aangemerkt als milieucategorie 1. Deze functies zijn verenigbaar in een gemengd centrumgebied waar woonfuncties en kleinschalige centrumfuncties op korte afstand van elkaar zijn gelegen. Tussen deze activiteiten en gevoelige functies zoals woonfuncties is een richtafstand van 0 meter van toepassing in gemengd gebied. In het omgevingsplan is in bijlage 3 een Staat van Horecaactiviteiten opgenomen. Een hotelfunctie betreft een ‘lichte horeca-activiteit’ (categorie 1c) waarvan een beperkte hinder naar omwonenden uitgaat.
Op basis van de huidige ‘gemengde’ bestemming en de bestemming ‘Centrum’ die aan omliggende percelen is toegekend, zijn binnen de bebouwing aan onder meer de Korte Ring ondersteunende horeca tot maximaal categorie 1 en 2 toegestaan. In het bestemmingsplan ‘Bebouwde kom Bruinisse’ zijn geen richtafstanden voor functiescheiding opgenomen. Op basis van de richtafstandentabel van de VNG kan een hotelfunctie worden gezien als een activiteit met een milieu-uitstraling vergelijkbaar met milieucategorie 1 en een bijbehorende richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk. In gemengd gebied kan deze afstand een stap worden verlaagd tot 0 meter De bebouwing aan de Korte Ring 1-3 maakt onderdeel uit van het Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
36
dorpshart dat op basis van de uitgangspunten van de Structuurvisie Bruinisse verder wordt ontwikkeld tot ‘sfeervol dorpshart’. De afstand tussen de woonfunctie aan de Kerkstraat 4 en de bebouwing van de Korte Ring 1-3 neemt niet af als gevolg van de beoogde ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling sluit in schaal en aard aan bij de bestaande gemengde dorpsstructuur. Als gevolg van de kleinschalige uitbreiding van een familiehotel in een omgeving met horeca en het gebruik van bebouwing ten behoeve van een woonfunctie in een woonomgeving, vindt er geen belemmering plaats van de uitbreidingsmogelijkheden van de verschillende gevestigde bedrijven. Voor de bewoners en gebruikers zal sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik van de bestaande bebouwing.
4.6
Luchtkwaliteit
Via de wet worden mensen tegen negatieve gevolgen van luchtverontreiniging beschermd. Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen moeten aan luchtkwaliteitsnormen voldoen. Binnen de kaders van de Omgevingswet werken Rijk, provincies en gemeenten samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren door middel van de gebiedsgerichte benadering van het Schone Lucht Akkoord (SLA). Met de aanpak wordt gestreefd naar een gezondheidswinst van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van het referentiejaar 2016. De partijen uit het Schone Lucht Akkoord werken toe naar het bereiken van de WHO-advieswaarden in 2030. Het SLA richt zich op de door de Gezondheidsraad aanbevolen luchtverontreinigende stoffen zoals fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide. Het SLA richt zich hierdoor op een permanente verbetering van de luchtkwaliteit waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor 2030. De periodieke monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats op basis van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). De overheid monitort de luchtkwaliteit binnen aangewezen aandachtsgebieden. Van de aandachtsgebieden gaat een externe werking uit. Ook activiteiten die kunnen leiden tot een verhoging van de omgevingswaarden in aandachtsgebieden moeten worden beoordeeld. In dergelijke gebieden is sprake van een hogere concentratie aan stikstofdioxide (CO2) of fijnstof (PM10).
Als de gemeente een activiteit toelaat met een verkeersaantrekkende werking of waarvoor beoordelingsregels staan opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), dan moet op basis van artikel 5.51 van het Bkl worden getoetst of deze voldoet aan de omgevingswaarden. De beoordelingsregels voor luchtkwaliteit zijn opgenomen in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor bepaalde projecten is vastgesteld dat deze Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging. Wanneer een project minder dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) uitstoot, mag het zonder verdere toetsing aan de grenswaarden worden uitgevoerd. De 3% grens komt overeen met 1,2 µg/ m3 voor zowel PM10 als NO2. Beoordeling In de beoogde situatie wordt een woonfunctie elders binnen de dorpskern ingezet, een maatschappelijke functie planologisch beëindigd en een lokaal hotel uitgebreid met 5 kamers. Met het wijzigen van het gebruik van een maatschappelijke functie voor woondoeleinden neemt het aantal verkeersbewegingen niet toe. Als gevolg van het uitbreiden van het aantal kamers van het hotel vindt er een beperkte toename plaats van het aantal verkeersbewegingen.
Voor de locatie is door middel van de NIBM-tool via een eenvoudige berekening en op basis van een worstcasescenario Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
37
inzichtelijk gemaakt wat het te verwachten effect op de luchtkwaliteit van de omgeving is als gevolg van de beoogde uitbreiding van de hotelfunctie met 5 kamers. In de beoogde situatie neemt het aantal verkeersbewegingen toe met 26 verkeersbewegingen per etmaal. Zie tevens paragraaf 4.7. Tabel 1 Worstcase scenario op basis NIBM-tool
Ter hoogte van de woning en de nieuwe hotelkamers dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de monitoringstool van het CIMLK zijn geen gegevens opgenomen voor de gemeente Schouwen-Duiveland. De regio is niet aangemerkt als aandachtsgebied. Uit landelijke metingen zoals weergegeven in de Atlas Leefomgeving blijkt dat ter hoogte van de dorpskern van Bruinisse in het meetjaar 2023 de jaargemiddelde concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 met respectievelijk 10,7 mg/ m3, 14,1 mg/ m3 en 6,8 mg/ m3 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. De concentraties liggen dicht tegen de WHOadvieswaarde van respectievelijk 10, 15 en 5 microgram per kubieke meter lucht. Conclusie Het beoogde gebruik leidt niet tot een overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en NO2. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
4.7
Mobiliteit en parkeren
De gemeente Schouwen- Duiveland heeft in 2018 het Parapluplan parkeernormen SchouwenDuiveland vastgesteld. Middels het parapluplan is bij het vestigen van een nieuwe functie de parkeernormering uit de in december 2020 vastgestelde Memo ‘Kengetallen parkeren en verkeer’ van toepassing. Een woonfunctie genereert op basis van de kengetallen van het CROW (ASVV 2021) circa 8 voertuigbewegingen per etmaal. Voor het bepalen van de parkeervraag en verkeersgeneratie van verblijfsgeneratie binnen Schouwen-Duiveland zijn in het kader van het uitvoeringsprogramma ‘Agenda Toerisme 2018- 2026’ (mei 2020) gemeentelijke kencijfers opgesteld. De kencijfers zijn opgenomen in de bijlage ‘Wijziging Document Regelgeving Agenda Toerisme 2018-2026’. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen wordt in paragraaf 5.5 van de nota verwezen naar de landelijke CROW- richtlijnen (publicatie 317, inmiddels publicatie 744) op basis van een ‘weinig stedelijk gebied’ gekenmerkt als ‘bebouwde kom’. Uitgangspunt van het parkeerbeleid is dat een ruimtelijke ontwikkeling niet mag leiden tot een tekort aan parkeerplaatsen. Een hotelfunctie genereert per eenheid (per 10 hotelkamers) volgens de gemeentelijke kengetallen 20,2 tot 23,1 verkeersbewegingen per etmaal. Voor vijf extra kamers betekent dit een verkeersgeneratie van 21,6 verkeersbewegingen per etmaal.
In de praktijk zullen gasten met name Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
38
verkeersbewegingen genereren bij aankomst en vertrek. De extra verkeersbewegingen als gevolg van de beperkte uitbreiding van een kleinschalig hotel, zijn beperkt en goed inpasbaar in het heersende verkeersbeeld. In de uitgangssituatie zijn aan de Korte Ring 1 een woonfunctie en aan de Korte Ring 3 een magazijn gevestigd. Een woonfunctie heeft een te verwachten parkeerbehoefte van circa 2 voertuigen. Op basis van de maximale planologische mogelijkheden kan de bebouwing ook ten behoeve van detailhandel worden gebruikt. Voor een detailhandel in het dorpscentrum geldt op basis van de parkeerkentallen, zoals vastgelegd in CROW- publicatie 744, een parkeerbehoefte van circa 4,0 voertuig per 100m2 bvo. De Korte Ring 3 heeft op basis van een bvo van circa 200m2 voor beide verdiepingen een parkeerbehoefte van circa 8 voertuigen. Dit betekent een parkeervraag van 10 plaatsen ten behoeve van de Korte Ring 1 (begane grond) en 3 (begane grond en verdieping). Voor een hotelfunctie wordt op basis van eerdergenoemde gemeentelijke kengetallen uitgegaan van een parkeervraag van 7,0 tot 8,0 parkeerplaatsen per 10 kamers. De parkeervraag van de hotelfunctie neemt als gevolg van de 5 extra kamers toe met toe met 3,75 voertuigen. Voor een magazijn van 100m2 bvo ter hoogte van de Korte Ring 3 geldt een parkeernorm van 1 parkeerplaats.
Dit betekent een parkeervraag van 4,75 plaatsen ten behoeve van de Korte Ring 1 (begane grond) en 3 (begane grond en verdieping). De parkeervraag neemt in de beoogde situatie niet toe ten opzichte van de huidige maximale planologische mogelijkheden. Binnen eigen terrein zijn na de aanleg van een parkeerterrein aan de achterzijde van de bebouwing aan de Kerkstraat, in totaal 8 parkeerplaatsen bij het hotel aanwezig. Binnen eigen terrein is ook in de uitgangssituatie geen ruimte om de volledige parkeervraag op te vangen. Er is echter geen sprake van een toename van het parkeertekort. De parkeervraag van het hotel is op te vangen binnen het openbaar gebied. In het dorpscentrum zijn op korte afstand van het hotel verschillende openbare parkeerterreinen aanwezig waaronder aan de Lange Ring. De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een toename van de parkeerbehoefte in de openbare ruimte ten opzichte van de maximale planologische mogelijkheden. Uit de beoordeling van de ontwikkeling in het principebesluit van augustus 2023 blijkt dat de extra vraag aan parkeerplekken als gevolg van de uitbreiding naar alle waarschijnlijkheid op de Lange Ring of de Dreef kan worden opgevangen. Ook ter hoogte van de Deestraat vindt parkeren in de uitgangssituatie plaats in de openbare ruimte.
De parkeervraag van de maatschappelijke functie zal als gevolg van de ontwikkeling verdwijnen en plaatsmaken voor de parkeervraag van een woonfunctie. Een museum heeft volgens parkeerkentallen, zoals vastgelegd in CROW- publicatie 744, een te verwachten parkeerbehoefte van circa 1,1 parkeerplaats per 100m2. Voor de bestaande bebouwing van 275m2 betekent dit een te verwachten parkeerbehoefte van circa 3 voertuigen. Een vrijstaande koopwoning heeft een te verwachten parkeerbehoefte van circa 2 voertuigen. De parkeerbehoefte neemt als gevolg van de beoogde ontwikkeling niet toe. Conclusie De beoogde functiewissel is inpasbaar in het verkeersbeeld en leidt niet tot parkeeroverlast.
4.8
Omgevingsveiligheid
Het uitgangspunt van het externe veiligheidsbeleid is het ruimtelijk scheiden van risicobronnen en kwetsbare objecten. Bij nieuwe activiteiten dient de gemeente te beoordelen of er sprake is van een nieuwe risicobron of van een veiligheidsrisico ten opzichte van een bestaande risicobron. In afdeling 5.1.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen. In het omgevingsplan kan de gemeente ervoor Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
39
kiezen om ruimte te reserveren voor aandachtsgebieden. Door middel van het aanwijzen van een aandachtsgebied, kunnen de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen worden begrensd. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die een risicobron vormen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen categorieën van activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen via het Basisnet, buisleidingen met gevaarlijke stoffen en windturbines. Ook zijn in het Bkl instructieregels opgenomen voor onder meer de volgende milieubelastende activiteiten uit het Bal: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk; -
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik; Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven;
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik. Het plaatsgebonden risico, afgekort met PR, geeft de kans aan dat iemand die zich een jaar lang onafgebroken en onbeschermd op een plek bevindt, overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR heeft geen relatie met de omgeving. Gemeenten dienen in het omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico op te nemen. De waarde van het plaatsgebonden risico wordt ruimtelijke vertaald in afstanden tot gebouwen en locaties. Binnen de contour van het plaatsgebonden risico zijn geen nieuwe (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties toegestaan. De hoogte van het groepsrisico hangt af van de kans op een ongeval, het effect van het ongeval, het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft en de mate waarin personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeval. Het gebied waarin in het kader van een nieuwe activiteit een andere afweging van het groepsrisico dient te worden gemaakt is ruimtelijk weergegeven door het toekennen van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden gelden van rechtswege en worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Op basis van Bijlage VII onderdeel C zijn activiteiten opgenomen met vastgestelde afstanden voor het plaatsgebonden risico.
Voor een brandaandachtsgebied geldt een vaste risicoafstand van 30 meter, voor een explosieaandachtsgebied geldt een vaste risicoafstand 200m ten opzichte van weg. Besluitgebied Een woonfunctie en een kleinschalig hotel zijn geen risicovolle activiteiten. Een woning kan volgens Bijlage VI onderdeel D, Bkl worden aangemerkt als een kwetsbare locatie. Een hotel kan als een beperkt kwetsbaar object worden gezien. Binnen het perceel worden geen gevaarlijke stoffen opgeslagen. In de directe omgeving van het besluitgebied bevinden zich volgens het Register Externe Veiligheid (Atlas Leefomgeving) geen buisleidingen waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt. De projectlocatie bevindt zich buiten de persoonsgebonden risicocontour PR 10-6 van wegen waarover frequent vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die zijn opgenomen in het Basisnet. De afstand van het besluitgebied tot de omliggende transportroutes voor gevaarlijke stoffen is voldoende groot. Volgens de Risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het besluitgebied geen activiteiten met een extern veiligheidsrisico. In de omgeving van het besluitgebied bevinden zich een aantal inrichtingen met bovengrondse propaantanks waarvoor een veiligheidszone is vastgesteld. Voor de tanks geldt op basis van algemene regels een vaste veiligheidsafstand ten opzichte van het vulpunt, de tank en de opstelplaats voor de tankauto.
De afstand ten opzichte van de besluitlocatie is voldoende groot. Met het uitbreiden van een lokaal hotel met een 5-tal kamers en het verplaatsen van de woonfunctie naar bestaande bebouwing binnen de dorpskern is sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Er zijn geen bijzondere veiligheidsrisico’s voor de nieuwe bewoners en gebruikers te verwachten. Ten aanzien van de ontwikkeling kan worden aangesloten bij de standaard verantwoording van het groepsrisico. Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
40
Figuur 9 Uitsnede Atlas leefomgeving: omliggende risicovolle activiteiten
Brandveiligheid De gemeente stemt bij ruimtelijke ontwikkelingen een aantal brandveiligheidsaspecten vroegtijdig af met de Veiligheidsregio. De brandveiligheidsaspecten betreffen met name de bereikbaarheid door de brandweer via de openbare weg, de brandweerzorgnorm, de primaire bluswatervoorziening op de openbare weg en de secundaire bluswatervoorziening. Ten aanzien van het realiseren van verblijfsrecreatieve functies en woonfuncties in een gemengde woonomgeving kan worden volstaan met het standaard advies waarbij de mate van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wordt beschouwd. Binnen de bebouwing zullen op basis van de geldende regelgeving voldoende blusmiddelen en brandwerende voorzieningen aanwezig zijn. De beoogde hotelkamers en de woning zullen voldoen aan alle actuele veiligheidsvoorschriften. Bewoners en gebruikers kunnen als voldoende zelfredzaam worden gezien om in geval van een calamiteit de bebouwing zelfstandig te kunnen verlaten. Het besluitgebied is in geval van een calamiteit bereikbaar voor hulpdiensten via de wegen van de kern Bruinisse. Over de bereikbaarheid voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van voldoende bluswater wordt aanvullend advies van de veiligheidsregio gevraagd. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het beoogde gebruik. De afstand tot objecten waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt, is voldoende groot.
Voor de beoordeling van de bereikbaarheid, de beschikbaarheid van voldoende bluswater en de aanrijtijd voor hulpdiensten wordt aanvullend advies gevraagd aan de veiligheidsregio. De Veiligheidsregio Zeeland heeft in september 2025 advies uitgebracht ten aanzien van de brandveiligheid van de bebouwing. De aanbevelingen zijn overgenomen in het ontwerp. Ten aanzien van het beoogde gebruik is het indienen van een melding brandveilig gebruik noodzakelijk.
Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
41
4.9
Mer-beoordeling
Bij een beoordeling van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit, ook inzichtelijk gemaakt te worden of er aanzienlijke nadelige effecten voor het milieu kunnen optreden (zoals bedoeld in artikel 16.43, tweede lid Omgevingswet). Voor een activiteit die voldoet aan kolom 3 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit kan een project- mer-beoordeling worden uitgevoerd in de vergunningprocedure. Besluitgebied Onderliggende BOPA-onderbouwing maakt de uitbreiding en het gedeeltelijk slopen en herbouwen en gebruiken van bebouwing in het centrumgebied als kleinschalig hotel mogelijk. In samenhang met deze ontwikkeling wordt de bebouwing van een maatschappelijke functie gebruikt als woonfunctie. Het beoogde gebruik wijkt af van de bouw-, en gebruiksregels van de geldende bestemming. Met de ontwikkeling is sprake van een activiteit zoals benoemd in categorie J11: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Voor dergelijke activiteiten is een m.e.r.-beoordeling van toepassing. Uit de ruimtelijke en milieukundige beoordeling in de overige paragrafen blijkt dat de beoogde situatie inpasbaar is in de omgeving.
Er is sprake van een kleinschalige activiteit zonder significante verandering van de milieubelasting ten opzichte van de bestaande situatie. De beoogde situatie is hiermee ruimtelijk en milieukundig inpasbaar. Alle relevante omgevingsaspecten zijn onderzocht in hoofdstuk 4. In bijlage 6 is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgenomen. Conclusie Gelet op de kenmerken van de activiteit en de mate van de kwetsbaarheid van het milieu waarin het besluitgebied is gelegen, kan worden geconcludeerd dat er geen milieueffectrapportage (MER) behoeft te worden opgesteld.
4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Centraal in het waterbeleid staat dat water een belangrijk sturend element in de ruimtelijke ordening is. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de ecologische kwaliteit van oppervlaktewateren te verbeteren: het ‘Goed Ecologisch Potentieel’ (GEP). De Europese doelstellingen worden via de nationale Waterwet geïmplementeerd. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en werkt door in de ruimtelijke ordening. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. Algemene leidende principes binnen de waterwetgeving met betrekking tot waterkwantiteit en waterkwaliteit zijn: Waterkwantiteit: Stap 1- voorkomen van hemelwaterafvoer (vasthouden); Stap 2- benutten of infiltreren van hemelwater (bergen); Stap 3- vertraagd afvoeren van hemelwater naar oppervlaktewater (afvoeren). Waterkwaliteit: Stap 1- Voorkomen Stap 2- Scheiden Stap 3- zuiveren
Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
42
Onder de Omgevingswet krijgt elk waterschap van rechtswege een Waterschapsverordening. In het tijdelijke deel van de Waterschapsverordening staan onder meer de regels uit de Legger over de beschermingszones van waterstaatswerken, regels uit de Keur en de aansluitverordening (artikel 4.7 invoeringswet). De regels over onderhoud vallen niet onder de Waterschapsverordening, maar blijven op basis van de Waterschapswet gelden. In artikel 5.37 Bkl is opgenomen dat er in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van het watersysteem. Naast de specifieke regels in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem, zijn ook de instructietegels uit de provinciale omgevingsverordening en de Waterschapsverordening van toepassing. In artikel 5.38 tot e met 5.49 Bkl zijn rijksregels opgenomen met betrekking tot: -
Het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; Het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en
Het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. De gemeente heeft beleidsvrijheid in het invullen van de watertoets. In het Nationaal Waterprogramma 2022- 2027 is het rijksbeleid voor de ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van water opgenomen. Onder de nationale doelstellingen vallen ook structurele beleidsdoelstellingen voor klimaatadaptatie gericht op een klimaatbestendig gronden oppervlaktewatersysteem. Het rijk heeft in artikel 2.15 van de Omgevingswet omgevingswaarden vastgesteld voor de waterkwaliteit en veiligheid van primaire waterkeringen en de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen voor zover deze in beheer zijn bij het rijk. De omgevingswaarden met een provinciaal belang zijn vastgelegd in de omgevingsverordening. De provincie coördineert de gebiedsgerichte uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen (artikel 2.18 lid 1a Omgevingswet). In het regionale waterprogramma kan de provincie aangeven welke gebieden kwetsbaar zijn voor wateroverlast en welke maatregelen nodig zijn om wateroverlast te voorkomen. In de omgevingsverordening staan omgevingswaarden voor de veiligheid van aangewezen waterkeringen en de gemiddelde overstromingskans per jaar bij aangewezen gebieden met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren berekend moeten zijn (2.13 Omgevingswet).
De gemeente is in principe verantwoordelijk voor de omgang met hemelwater, maar legt wel meer verantwoordelijkheid bij de perceeleigenaar. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan eigen omgevingswaarden vaststellen op basis van de Omgevingsvisie door middel van een uitvoeringsgericht programma. In dit geval dient bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook aan deze waarden te worden getoetst. Onder deze regels vallen onder meer regels over watercompensatie voor een toename aan verhard oppervlak en een rioleringsprogramma. De gemeente zal beoordelen wat zij in dit verband redelijkerwijs van de perceeleigenaar mag vragen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de gewenste voorkeursvolgorde voor de omgang met hemelwater. In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2026 is vastgelegd hoe de gemeente uitvoering geeft aan de omgang met afvalwater, hemelwater en grondwater. Afstromend schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk vertraagd zodat het ter plaatse kan infiltreren in de bodem en daarmee in perioden van droogte een buffer vormt. Voor de afvoer van hemelwater geldt de trits: schoonhouden, scheiden en zuiveren (waterkwaliteit) en vasthouden, bergen en afvoeren (waterkwantiteit). Volgens de gemeentelijke beleidsregels is voor de toename van verhard oppervlak, compensatie nodig voor de versnelde afstroom van hemelwater.
Het waterschap toetst in het kader van het vooroverleg of het plan past binnen de waterdoelstellingen. 4.10.2 Waterbelangen Waterschap Het projectgebied bevindt zich binnen het beheergebied van Waterschap Scheldestromen. Het waterschap heeft haar strategische lange termijn doelstellingen vastgelegd in de Watervisie 2050. Ruimtelijke onderbouwing – Korte Ring 1 en 3- Deestraat 5 Bruinisse - 2025
43
Door middel van het Waterbeheerprogramma 2022- 2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ is een tactische vertaling gemaakt in oplossingen, maatregelen en ideeën voor de korte termijn. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan de doelstellingen vanuit de Europese KRW. Ruimtelijk relevante aspecten van het waterbeleid worden opgenomen in het bestemmingsplan. Om te bepalen of er voor de geplande werkzaamheden een vergunning of ontheffing vereist is, dient getoetst te worden aan de regels uit de Waterverordening Waterschap Scheldestromen. Het