CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1639122 Bijlage 2 BOPA Tijdelijke Huisvesting

Gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Adviesrecht omgevingsvergunning tijdelijke huisvesting basisscholen en kinderopvang Oosterland (1639122)21.575 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

28

waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. Provinciaal en regionaal beleid Provinciale Waterverordening De provincie Zeeland heeft de Waterwet en het Waterbeleid 21e eeuw uitgewerkt in de Waterverordening Zeeland. Hierin staan normen voor de regionale watersystemen (het slotenstelsel). Ze moeten bij hevige neerslag voldoende water kunnen bergen en afvoeren. Voor stedelijk gebied geldt als norm dat er eens in de 100 jaar ernstige wateroverlast mag optreden. Voor het landelijk gebied is de norm eens in de 25 jaar. Waar glastuinbouw is, geldt een norm van eens in de 50 jaar. Aan de hand van deze normen zorgt het waterschap voor de nodige inrichtingsmaatregelen en voorzieningen om wateroverlast te voorkomen.

Waterschapsbeleid Waterbeheerplan 2022 - 2027 waterschap Scheldestromen In het Waterbeheerplan 2022 – 2027 laat het waterschap de hoofdlijnen zien van het beleid op het gebied van watersystemen en afvalwaterketen. Het waterschap heeft daar namelijk een specifieke verantwoordelijkheid voor. Wettelijk vastgelegde taken zoals het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem en het voor het doelmatig zuiveren van afvalwater. Ook heeft het waterschap de taak om het watersysteem en de afvalwaterketen toekomstbestendig te maken zodat de gevolgen van de klimaatverandering kunnen worden opgevangen. Steeds meer doelen kunnen alleen gerealiseerd worden door goed samen te werken. Met andere partijen, maar ook binnen de organisatie. Daarbij past één nieuw Waterschapsbeheerprogramma, dat gaat over alle primaire programma’s van het waterschap en de nadruk legt op datgene wat de programma’s met elkaar verbindt. Daarbij past ook een document dat de omgeving centraal zet. Met specifiek aandacht voor thema’s als duurzaamheid, innovatie, klimaatadaptatie en de Zeeuwse leefomgeving. Integraal werken houdt in dat je alle ambities op het gebied van je kerntaken en thema’s als duurzaamheid of klimaatbestendigheid in je achterhoofd houdt als je een keuze maakt. Die keuzes vragen om afwegingen. Soms afwegingen tussen verschillende ambities.

En vaak de afweging tussen (maatschappelijke) kosten, baten en risico’s; is wat we willen ook haalbaar, betaalbaar en uitvoerbaar? Het invoeren van assetmanagement gaat ons helpen om op een meer eenduidige en transparante manier de juiste afweging te maken. Ook de inhoud van het WBP weerspiegelt een waterschap dat in ontwikkeling is. Op sommige onderdelen wordt duidelijk hoe we doelen gaan realiseren, op andere onderdelen maken we een voorbehoud - bijvoorbeeld omdat extra onderzoek nodig is. Het WBP biedt aanknopingspunten om

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

29

op de doelen te sturen en tussentijds te evalueren en rapporteren. Tegelijkertijd laat het de ruimte om jaarlijks in de begroting bij te sturen in de concrete projecten, activiteiten en bijbehorende middelen die nodig zijn om de doelen te bereiken. Het leidende principe voor Scheldestromen is samen te vatten als ‘we zijn een betrouwbare overheid en samenwerkingspartner, die doet waarvoor ze is opgericht én formuleert antwoorden op de noden van deze tijd, maar belooft niet méér dan ze waar kan maken’. Dit leidende principe is langs zes lijnen uitgewerkt die de koers vormen voor de komende 6 jaar. 1. Haalbare en betaalbare uitvoering van de waterschapstaken 2. Samen met anderen werk maken van een integrale aanpak 3. Gebiedsgerichte aanpak en maatwerk als vertrekpunt 4. Grip op het werk, op basis van databeheer en assetmanagement 5. Volgens de principes van duurzaam opdrachtgeverschap 6. Investeren in kennis en innovatie Afvalwater In de afvalwaterketen van de toekomst wordt afvalwater op een duurzame en efficiënt manier ingezameld en gezuiverd, zodat het geen bedreiging vormt voor volksgezondheid en omgevingskwaliteit. Het beheer en onderhoud is gericht op het in stand houden van het waterlopenstelsel voor berging, doorvoer en afvoer van overtollig water. Daarnaast past het waterschap het watersysteem waar nodig aan om aan de doelen te (blijven) voldoen.

Ook zet zij zich in om emissies die nadelig zijn voor de waterkwaliteit, te beperken. In de afvalwaterketen gaat het waterschap de energie efficiency verbeteren. Dat doet zij door duurzame energie en grondstoffen te winnen uit afvalwater. Ook geeft het waterschap in de afvalwaterketen prioriteit aan het veiligstellen van de vereiste functionaliteit door knelpunten weg te nemen en (groot) onderhoud uit te voeren.

5.3.2

Onderzoek Ontwikkelingen dienen rekening te houden met de in deze waterparagraaf genoemde eisen en uitgangspunten. In deze waterparagraaf wordt naast de beschrijving van de waterstaatkundige situatie en kenmerken bepaald wat de invloed is van de uitvoering van de ontwikkeling op de waterhuishouding. Er is aan de hand van criteria uit de Handreiking watertoets van het Waterschap Scheldestromen nagegaan of het voorliggende plan strijdig is met de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. Hierna wordt per thema ingegaan op de wateraspecten. Thema en water(beheer)doelstelling

Uitwerking

Veiligheid waterkeringen

De ontwikkeling ligt niet nabij een waterkering.

Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte. Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in

Het berekende T=100 peil reikt tot een niveau van NAP-0,79 m. Dit is ca. 1,10 m lager dan het plangebied.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

30

maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen.

Het hemelwater dat verband houdt met de tijdelijke huisvesting wordt direct afgevoerd op de aangrenzende primaire watergang.

Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.

Er wordt geen grondwater onttrokken of aangevuld vanuit de tijdelijke ontwikkeling.

Grondwaterkwaliteit

Er worden geen uitlogende of schadelijke materialen toegepast.

Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren. Volksgezondheid

Er worden geen uitlogende of schadelijke materialen toegepast. Afvoer van hemelwater op oppervlaktewater conform eisen waterschap

Niet van toepassing

Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling

Er worden geen grondlagen ontwaterd.

Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken. Natte natuur

Niet aanwezig.

Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. Relatie met eigendom waterbeheerder

In het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook is geen sprake van obstakels binnen onderhoudsstroken.

Niet van toepassing.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

31

Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Wegen in beheer bij het waterschap

Niet van toepassing.

(alleen invullen voor zover van toepassing) * in de bouwfase: vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen? * na realisatie: verkeersaantrekkende werking veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer? * na realisatie: bereikbaarheid - omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken. Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? * na realisatie: parkeren: wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? * na realisatie: (ver)bouwen: bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd). Tabel 5.1: Toetsing criteria uit de Handreiking watertoets van het Waterschap Scheldestromen

Afbeelding 5.1: Uitsnede Legger Oppervlaktewaterlichamen waterschap Scheldestromen. Het projectgebied is indicatief rood omcirkeld

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

32

Grondwatersysteem Op basis van het Zeeuws Bodem Venster kan geconcludeerd worden dat het plangebied is gelegen ter hoogte van grondwatertrap IV. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) van deze grondwatertrap bedragen resp. 73 cm en 181 cm beneden maaiveld (zie afbeelding 5.2). De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de grondwaterstanden.

Afbeelding 5.2: Uitsnede Zeeuws Bodem Venster – gemiddeld hoogste grondwaterstand.

Het hemelwater dat verband houdt met de tijdelijke huisvesting wordt direct afgevoerd op de aangrenzende primaire watergang. In het kader van de integrale ontwikkeling van de Weelstraat en omgeving onderzoeken we de komende tijd of er in de eindsituatie (dus na realisatie van het gezondheidscentrum, nieuwbouw scholen, aanpassing sporthal en inrichting buitenruimte) nog extra waterberging nodig is ten opzichte van de huidige situatie. Indien ja, dan doen we onderzoek naar de aanleg van wadi’s en/of de mogelijkheid om de bestaande primaire watergang tussen de sportvelden en de landbouwgrond te verruimen en/of verdiepen. Hoe dan ook zorgen we ervoor dat het onderdeel waterberging na oplevering van de integrale ontwikkeling voldoet aan wet- en regelgeving.

5.3.3

Conclusie Nu er sprake is van een vergunning voor de maximale duur van vijf jaren (met als doel de tijdelijke huisvesting al na twee en een half jaar te verwijderen en het terrein in de oorspronkelijke staat terug te brengen) en een oplossing voor waterberging voor de integrale ontwikkeling nader wordt

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

33

onderzocht, wordt het effect van de directe afvoer op de primaire watergang direct grenzend aan het plangebied voor de tijdelijke huisvesting als acceptabel geacht. Het aspect water heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Met inachtneming van bovenstaande paragraaf kan voorliggende ontwikkeling op een aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.4 Verkeer en parkeren 5.4.1

Kader Parapluplan parkeernormen Schouwen – Duiveland Op 27 september 2018 heeft de gemeente Schouwen–Duiveland het parapluplan parkeernormen Schouwen–Duiveland vastgesteld. Het paraplubestemmingsplan zorgt voor een actuele en uniforme regeling voor het parkeren in alle bestemmingsplannen. In het Parkeerbeleid 2017-2020 worden diverse aspecten rondom het parkeren in SchouwenDuiveland behandeld, zoals parkeerregulering en de toegankelijkheid en het kwaliteitsniveau van parkeerplaatsen. Bewust zijn geen parkeernormen opgenomen, omdat situaties vaak erg specifiek zijn en maatwerk vaak nodig is. Daarvoor kan prima worden gebruik worden gemaakt van de landelijke CROW-richtlijnen, welke zijn vastgelegd in de CROW publicatie nummer 744 “kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”. In deze publicatie zijn parkeerkencijfers voor verschillende functies opgenomen. Per functie is het kencijfer te bepalen op stedelijkheidsgraad en locatie. In de beleidsnota wordt voor de gemeente Schouwen-Duiveland de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' aangehouden. Als locatie wordt voor de gehele gemeente, met uitzondering van Zierikzee, 'rest bebouwde kom' (wanneer gelegen binnen de bebouwde kom) en 'buitengebied' (wanneer gelegen buiten de bebouwde kom) gehanteerd.

Het beleid gaat er verder van uit dat bij nieuwe ontwikkelingen het benodigd aantal parkeerplaatsen in beginsel op eigen terrein wordt gerealiseerd. Wanneer dat niet mogelijk is, moet worden aangetoond dat op openbaar terrein voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Voor fietsparkeren zijn geen parkeernormen vastgelegd in het gemeentelijk parkeerbeleid. Voor het bepalen van de fietsparkeerbehoefte zijn de meest recente kencijfers uit CROW-publicatie Leidraad fietsparkeren – Fietsparkeerkencijfers 2025 gebruikt. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie zijn de meest recente kencijfers uit CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024’ gebruikt. De gemeente Schouwen-Duiveland is volgens het parkeerbeleid een weinig-stedelijke gemeente en de locatie is gelegen binnen het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’.

5.4.2

Onderzoek Door Juust is een Memo opgesteld over het parkeren en het verkeer in zowel de tijdelijke situatie (voorliggende BOPA) als in de situatie dat het volledige Maatschappelijk Hart Oosterland is gerealiseerd (eindsituatie). De volledige memo is opgenomen als bijlage 8. Hieronder worden de belangrijkste resultaten en conclusies gedeeld voor de tijdelijke situatie.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

34

Uitgangspunten Tijdelijke situatie (stap 1 t/m 3): De eerste stap binnen de fasering is de realisatie van een tijdelijk parkeerterrein om de parkeerbehoefte voor het tijdelijk schoolgebouw op te kunnen vangen. Dit parkeerterrein is een aanvulling op de haakse parkeerplaatsen aan de Weelstraat. In stap 2 van de fasering wordt aan de Van de Abeelestraat het parkeerterrein voor de nieuwbouw aangelegd. Daarmee is er sprake van twee duidelijk gescheiden parkeerclusters: aan de Weelstraat en bij het zuidelijk deel van de ontwikkeling. De parkeercapaciteit bij de Weelstraat (36 parkeerplaatsen) bestaat uit de haakse vakken aan de linkerzijde (18 parkeerplaatsen) en het tijdelijke parkeerhofje ten zuiden van het tijdelijk schoolgebouw (18 parkeerplaatsen). De parkeercapaciteit bij het zuidelijk deel (64 parkeerplaatsen) bestaat uit het nieuwe parkeerterrein bij het gezondheidscentrum (50 parkeerplaatsen), langsparkeren bij de van de Abeelestraat (7 parkeerplaatsen), en een deel van de Abeelestraat ten westen van het gezondheidscentrum (9 parkeerplaatsen). De parkeerplaatsen voor het plangebied zijn in afbeelding 5.3 in het groen weergegeven.

Afbeelding 5.3: Parkeercapaciteit in tijdelijke situatie (indicatieve tekening)

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

35

Autoparkeren De parkeermogelijkheden voor de functies in de bestaande situatie liggen verspreid in en rondom het plangebied. Op het terrein aan de voorzijde van de basisscholen is een klein parkeerterrein met circa 15 parkeerplaatsen aanwezig. Overige parkeerplaatsen liggen in de openbare ruimte. Aan de linkerzijde van de Weelstraat bevinden zich 28 haakse parkeerplaatsen die in de bestaande situatie (ook) door bezoekers van SV Duiveland worden gebruikt. Verder zijn aan de rechterzijde van de Weelstraat, aan de Dokter Schuttersstraat en aan de van de Abeelestraat verschillende andere parkeeralternatieven binnen handbereik. Dit zijn echter parkeerplaatsen die ook door omwonenden worden gebruikt. Gelet op de spreiding en de beperkte parkeercapaciteit in de bestaande situatie is het wenselijk om een nieuwe en logischere parkeeroplossing voor het plan te realiseren. De ontwikkeling leidt immers tot een groei van de parkeervraag. De eerste stap binnen de fasering is de realisatie van een tijdelijk parkeerterrein om de parkeerbehoefte voor het tijdelijk schoolgebouw op te kunnen vangen. Dit parkeerterrein is een aanvulling op de haakse parkeerplaatsen aan de Weelstraat. De tijdelijke parkeerplaatsen zullen tegelijkertijd worden ingericht met de realisatie van het eerste deel van de tijdelijke bebouwing.

De parkeerplaatsen blijven aanwezig totdat de vaste parkeerplaatsen naast het gezondheidscentrum zijn gerealiseerd en wordt begonnen met de realisatie van de nieuwe permanente huisvesting voor de basisscholen en kinderopvang. De parkeercapaciteit bij de Weelstraat (36 parkeerplaatsen) bestaat uit de haakse vakken aan de linkerzijde van de Weelstraat (18 parkeerplaatsen) en het tijdelijke parkeerhofje ten zuiden van het tijdelijk schoolgebouw (18 parkeerplaatsen). De totale parkeerbehoefte voor het Maatschappelijk Hart is in tabel 5.2 weergegeven. Omdat het gezondheidscentrum al bij stap 2 wordt gerealiseerd blijft de parkeerbehoefte in de tijdelijke situaties en de definitieve situaties gelijk. De totale parkeerbehoefte komt uit op 92 parkeerplaatsen. Functie Basisonderwijs (per leslokaal) Kinderdagverb lijf (per 100 m2) Sportzaal (per 100 m2) Sportveld (huidig geb ruik) Gezondheidscentrum (per b ehandelkamer) Totaal

Aantal eenheden 12 350 500 14

Parkeerkencijfer 0,8 1,4 2,9 28,0 2,5

Parkeervraag 9,6 4,9 14,5 28,0 35,0 92,0

Afgerond

92

Tabel 5.2 | Totale parkeerbehoefte in tijdelijke en definitieve situatie In de memo is de maatgevende parkeerbehoefte berekend en is ook per parkeercluster de parkeerbehoefte op maatgevend moment berekend. Deze berekeningen tonen aan dat parkeerbehoefte per fase kan worden opgevangen in de daarvoor benodigde parkeerclusters. Aan het einde van de tijdelijke situatie, bedraagt het parkeersaldo aan de Weelstraat +8 en in het zuidelijk deel + 26. In de eindsituatie bedraagt het parkeersaldo aan de Weelstraat 0 en in het zuidelijk deel + 11. Op basis van bovenstaand overzicht wordt duidelijk dat de parkeervraag steeds bij elke stap kan worden opgevangen. Dit geldt zowel voor de parkeerplaatsen bij de Weelstraat als bij het zuidelijk deel van de ontwikkeling. Fietsparkeren De fietsparkeerbehoefte is in tabel 5.3 weergegeven. Voor de tijdelijke huisvesting van de scholen en de kinderopvang gaat het om 177 benodigde fietsparkeerplaatsen. Deze worden grotendeels aan de

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

36

zuidkant van het projectgebied gerealiseerd. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de fietsenstalling van voetbalvereniging S.V. Duiveland. Deze fietsenstalling staat leeg op de tijden dat de school en kinderopvang in gebruik is. Functie Aantal Basisonderwijs 12 (per leslokaal) Kinderdagverblijf 3,67 (per 100 m2) Totaal Tabel 5.3: Fietsparkeerbehoefte

Parkeerkencijfer 14,5

Parkeervraag 174,0

Afgerond 174

0,8

2,9

3

176,9

177

Verkeersgeneratie Het plan betreft de tijdelijke realisatie van een schoolgebouw als vervangende huisvesting. De omvang van de school en het aantal leerlingen blijven gelijk aan de bestaande situatie. Daarmee wijzigt de verkeersaantrekkende werking van de voorziening de facto niet: het aantal verkeersbewegingen van leerlingen, personeel en bezoekers blijft vergelijkbaar met de huidige situatie. Hiervoor is door Juust een overzicht gemaakt van het aantal verkeersbewegingen. Functie Aantal Kencijfer Verkeersgeneratie Afgerond Basisonderwijs 12 16,3 195,6 (per leslokaal) Kinderopvang 3,5 36 126 (per 100 m2) Totaal 321,6 322 Tabel 5.4: verkeersgeneratie bestaande situatie (bestaande scholen en kinderopvang) Hoewel het aantal verkeersbewegingen niet zal wijzigen, verandert er wel het een en ander in de verkeersstromen in de tijdelijke situatie. In theorie worden alle 322 motorvoertuigbewegingen nu afgewikkeld op het huidige parkeerterrein aan de Dokter Schutterstraat. Naar verwachting wordt echter een aanzienlijk deel in praktijk op (het eerste deel van) de Weelstraat afgewikkeld. Aan de Weelstraat bevindt zich namelijk een voetpad dat leidt naar één van de ingangen en de toegang tot één van de schoolpleinen. Bij voorzieningen als basisscholen en kinderopvangen worden kinderen regelmatig voor de deur afgezet of wordt kort op straat geparkeerd.

De inschatting is dat 100 tot 150 motorvoertuigbewegingen als gevolg van de bestaande functies in het schoolgebouw al naar de Weelstraat rijden. In de tijdelijke situatie zal het aantal verkeersbewegingen in de Weelstraat toenemen. Aan het einde van fase 1 zijn basisschool de Oosterburcht en de kinderopvang verhuisd naar het tijdelijk schoolgebouw. Het verkeer hiernaartoe wordt opgevangen op de tijdelijke parkeerplaats en zal dus leiden tot een toename van de verkeersbewegingen in de Weelstraat. Basisschool Ds. Bogermanschool, de sportzaal en het nieuwe gezondheidscentrum zijn aan de zuidkant van het plangebied gesitueerd. Dit verkeer wordt op het nieuwe parkeerterrein en het parkeerhofje aan de van de Abeelestraat opgevangen. De parkeercapaciteit is hier met 64 parkeerplaatsen flink vergroot en verkeer wordt direct op de doorgaande weg (van de Abeelestraat)

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

37

afgewikkeld. Deze straat kent een relatief breed wegprofiel met parkeren op parkeerstroken, en kan een toename van enkele honderden motorvoertuigbewegingen daarmee veilig opvangen. Aan het einde van fase 2 is ook basisschool Ds. Bogermanschool verhuisd naar de tijdelijke locatie. Vanwege de directe ligging en zichtbaarheid vanaf de doorgaande route gaan we ervan uit dat verkeer niet of nauwelijks naar de Dokter Schutterstraat en Weelstraat zal rijden. Er zal sprake zijn van een toename van 100 à 200 verkeersbewegingen ten opzichte van de huidige situatie. Door de wijziging van de parkeersituatie wordt stoppen of parkeren op straat bij de Weelstraat minder aantrekkelijk. Met minder tot geen geparkeerde voertuigen beschikt de straat over een voldoende breed wegprofiel en is de tijdelijke verkeerstoename op de Weelstraat veilig op te vangen.

5.4.3

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft verkeer en parkeren niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.5 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen 5.5.1

Kader Geluidaandachtsgebied langs een weg Onderzoek moet worden uitgevoerd voor nieuwe woningen die zijn gelegen binnen het aandachtgebied van wegen. Op grond van artikel 3.20 Besluit kwaliteit leefomgeving is een geluidaandachtsgebied een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De gemeente Schouwen-Duiveland heeft voor haar gemeentewegen nog geen basisgeluidemissie of geluidaandachtsgebieden vastgesteld. Zolang deze niet zijn vastgesteld geldt ten aanzien van het geluidaandachtsgebied overgangsrecht dat is vastgelegd in artikel 17.5 van de Omgevingsregeling. In dit artikel is vastgelegd dat voor gemeentewegen en waterschapswegen het geluidaandachtsgebied bestaat uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de afstand, gemeten vanaf de rand van de weg zoals hierna is opgesomd: a. b. c.

voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt 200 m; voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken 350 m.

Geluidgevoelig gebouw In artikel 3.21 Besluit kwaliteit leefomgeving is aangeduid welke functies als geluidsgevoelig moeten worden beschouwd. Als geluidgevoelige gebouw of een gedeelte van een gebouw zijn aangewezen: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

38

Onder een geluidgevoelig gebouw wordt ook verstaan een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een BOPA mag worden gebouwd. Standaardwaarde en grenswaarde Voor een woning binnen het aandachtsgebied van gemeentewegen geldt een standaardwaarde van 53 dB op grond van artikel 5.78t van het Bkl. De grenswaarde langs deze wegcategorie bedraagt 70 dB op grond van artikel 5.78u Bkl. Een overschrijding van de standaardwaarde is alleen mogelijk als geluidsreducerende maatregelen die de geluidsbelasting zoveel mogelijk reduceren tot bij voorkeur de standaardwaarde niet mogelijk zijn. Deze verplichting tot het onderzoek naar maatregelen is vastgelegd in artikel 5.78u Bkl. In artikel 5.78y Bkl is vastgelegd dat een geluidsbelasting hoger dan de grenswaarde is toegestaan als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen. Planeffecten De planontwikkeling veroorzaakt extra verkeersproductie, waardoor de geluidsbelasting op bestaande woningen langs de beschouwde gemeentewegen kan veranderen. In artikel 5.78af Bkl is beschreven op welke wijze deze indirecte akoestische effecten vanwege veranderend verkeer moet worden beschouwd.

Artikel 5.78 ah Bkl is van toepassing op wijzigingen in het geluidaandachtsgebied van een weg die gevolgen hebben voor de geluidoverdracht. Dat kan zijn de aanleg van extra verharding van nieuwe weg of de bouw van woningen die een extra geluidsreflectie veroorzaken. Een plan dat een toename van de verkeersintensiteit of een verandering in het aandachtsgebied van een weg veroorzaakt, voorziet erin dat het geluid door die weg op geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 1,5 dB toeneemt. De toename van het geluid wordt bepaald door de situatie in een voor die weg maatgevend jaar na de wijziging te vergelijken met de situatie in datzelfde jaar zonder die wijziging. Een toename van meer dan 1,5 dB is alleen mogelijk als geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om die toename te voorkomen, de toename van het geluid door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Als sprake is van een toename van 1,5 dB of meer wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld.

Binnenwaarden In het Besluit bouwwerken leefomgeving is aangegeven wat de karakteristieke geluidwering moet zijn om een binnenwaarde, bij gesloten ramen, te garanderen voor verblijfsgebieden van nieuwe woningen. De karakteristieke geluidwering is voor wegverkeerslawaai in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) vastgesteld en mag niet kleiner zijn dan het verschil tussen het in

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

39

het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als omgevingswaarden bepaalde gezamenlijke geluid. Het gezamenlijke geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Er geldt voor de karakteristieke geluidwering een minimale eis van 20 dB. Voor tijdelijke bouwwerken kunnen andere ruimere normen gelden.

5.5.2

Onderzoek De school zal een tijdelijke functie krijgen voor niet langer dan 10 jaar. Op grond van artikel 5.78 lid 2 wordt een school met een tijdelijke bestemming niet gezien als geluidsgevoelig en is een toetsing aan de normen uit het Bkl niet aan de orde. Wel is artikel 5.78s lid 1 en 2 van belang waar in lid 1 is aangegeven dat rekening moet worden gehouden met het geluid van wegen en dat het geluid aanvaardbaar moet zijn. Om deze reden is een berekening uitgevoerd op het tijdelijke schoolgebouw met kinderopvang. Voor het verkeer is uitgegaan van de aanmerkelijk hogere verkeersintensiteit op de Van Abeelestraat (meer dan 1.000 verkeersbewegingen per weekdag). De andere uitgangspunten zijn hetzelfde zoals een wettelijke rijsnelheid van 30 km/h en een wegdek van klinkers in keperverband. Op basis van deze worstcase uitgangspunten is een geluidsbelasting berekend van maximaal 49 dB. Omdat voor gemeentewegen een standaardwaarde geldt van 53 dB kan een geluidsbelasting van 49 dB als aanvaardbaar worden aangemerkt. Daarnaast zullen veruit de meeste verkeersbewegingen over de Weelstraat plaatsvinden buiten de schooltijden, zoals het woon-werkverkeer en het brengen van de kinderen, zodat de daadwerkelijke geluidsbelasting nog lager zal zijn.

5.5.3

Conclusie Het aspect geluid door wegen heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Met inachtneming van bovenstaande paragraaf kan voorliggende ontwikkeling op een aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.6 Luchtkwaliteit 5.6.1

Kader Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van een van de aangewezen agglomeraties, moeten de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. De gemeente Schouwen-Duiveland bevindt zich niet in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.6.2

Onderzoek Het project gaat om de realisatie van tijdelijke bebouwing ten behoeve van twee bestaande scholen. Omdat het leerlingenaantal niet wijzigt en de tijdelijke locatie slechts 50 tot 150 meter van de huidige

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

40

schoollocaties is gelegen, vinden er geen significante veranderingen plaats in de hoeveelheid verkeer die voorliggende ontwikkeling mogelijk maakt. Voorliggende ontwikkeling behoort hierdoor tot een standaardgeval dat niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de verhoging van de concentratie van stikstofdioxide en fijnstof. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In afbeelding 5.4 is de locatie van het plangebied aangeduid ten opzichte van de dichtstbijzijnde receptor uit de database van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In afbeelding 5.5 t/m 5.7 zijn vervolgens de jaargemiddelde concentraties van respectievelijk NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven. De luchtkwaliteit ter plaatse van de beoogde tijdelijke huisvesting van de scholen is aanvaardbaar. Er wordt ruimschoots voldaan aan de omgevingswaarden uit het Bkl. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor ook geen overschrijdingen van de omgevingswaarden zijn te verwachten.

Afbeelding 5.4: locatie projectgebied ten opzichte van meetpunten CIMLK (globaal)

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

41

Afbeelding 5.5: Overzicht van de totale concentratie van NO2 nabij het plangebied (bron: CIMLK, uitsnede de Roever)

Afbeelding 5.6: Overzicht van de totale concentratie van PM10 nabij het plangebied (bron: CIMLK, uitsnede de Roever)

Afbeelding 5.7: Overzicht van de totale concentratie van PM2,5 nabij het plangebied (bron: CIMLK, uitsnede de Roever)

5.6.3

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Met inachtneming van bovenstaande paragraaf kan voorliggende ontwikkeling op een aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.7 Geluid door activiteiten 5.7.1

Kader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De gemeente dient ervoor te zorgen dat in het omgevingsplan in ieder geval de regels staan die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: - de ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar (bijvoorbeeld afstand tussen een woning en een bedrijf) - het stellen van regels aan activiteiten op een locatie (bijvoorbeeld via waarden voor geluidimmissie of preventieve maatregelen)

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

42

De regels aan activiteiten op een locatie in het omgevingsplan voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het gemeentelijk omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. Bij elke aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten samen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Door het opnemen van de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl in het omgevingsplan voldoet de gemeente in principe aan de eis van aanvaardbaarheid van artikel 5.59, lid 2 Bkl. De standaardwaarden uit dit artikel zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden.

Daarnaast kan de gemeente kiezen voor afwijkende standaardwaarden voor bedrijventerreinen (5 dB hoger) en voor agrarische gebieden (5 dB lager). Eis hierbij blijft aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. De gemeente kan het gewenste evenwicht ook bereiken door bijvoorbeeld het opleggen van preventieve maatregelen. Dit in aanvulling op de waarde of in de plaats van de waarde.

5.7.2

Onderzoek Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van functies in elkaars nabijheid wordt doorgaans aangesloten bij de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Deze publicatie onderscheidt milieugevoelige functies, waaronder scholen, die in beginsel bescherming behoeven tegen mogelijke hinder van bedrijvigheid of andere activiteiten. Geluidsgevoelig object Scholen en locaties voor kinderopvang zijn aan te merken als geluidsgevoelige objecten. De tijdelijke schoolvoorziening ligt in bestaand stedelijk gebied, in een omgeving die wordt gekenmerkt door maatschappelijke functies, sportvoorzieningen en woningen. Direct naast de locatie bevinden zich enkele sportvoorzieningen (voetbalvelden en een pannakooi). De pannakooi wordt door de leerlingen gebruikt tijdens de gebruikname van de tijdelijke schoolgebouwen als speelvoorziening. Van hinder of een onevenredige belasting is daardoor geen sprake. Verder zijn er aan de zuidzijde van het projectgebied maatschappelijke voorzieningen aanwezig. Het betreft de huidige locatie van de scholen en locaties voor kinderopvang. Deze gebouwen worden gesloopt en maken plaats voor nieuwbouw. Geconcludeerd wordt dat de omliggende functies geen relevante milieuhinder veroorzaken ten opzichte van de tijdelijke school.

Geluidproducerende activiteit De tijdelijke huisvesting wordt gerealiseerd ter hoogte van de sportvelden, nabij de bestaande pannakooi. Door de huisvesting en bijbehorende speelpleinen zal het omgevingsgeluid op de nieuwe (tijdelijke) locatie toenemen. In de huidige situatie is op de projectlocatie een trapveld met pannakooi aanwezig, waar kinderen spelen. De tijdelijke huisvesting wordt geplaatst aan de noord- en oostzijde van de pannakooi. De bebouwing zorgt voor een afschermende werking tussen de pannakooi en de nabijgelegen woningen

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

43

aan de Weelstraat / Leuvenstaat. Dit heeft een positief (afnemend) effect op het omgevingsgeluid van deze woningen. Aan de oost- en zuidoostzijde van de bebouwing wordt echter ook buitenruimte gerealiseerd voor de onderbouwklassen en de kinderopvang. Deze buitenruimte valt grotendeels binnen de contour van de bestaande sportvelden en het trapveldje, waar feitelijk gezien al geluid plaatsvindt zonder afscherming richting de woningen. Een klein gedeelte van de tijdelijke buitenruimte wordt aangelegd binnen de groenzone langs de Weelstraat, circa 5 meter richting de woningen aan de Weelstraat/Leuvenstraat. Dit betekent dat er gedurende schooltijden sprake is van spel- en stemgeluid op deze plekken. In de bestaande situatie is het trapveldje al in gebruik als speelvoorziening, waardoor omwonenden reeds gewend zijn aan een zekere mate van spel- en stemgeluid in de omgeving. Het tijdelijke gebruik als schoolplein leidt weliswaar tot een zekere intensivering van dit gebruik tijdens schooltijden, maar dit is beperkt in duur (enkele pauzemomenten per dag) en bovendien uitsluitend gedurende schoolweken en dagperioden. In de avond, nacht en weekenden is er geen sprake van extra belasting. Daarbij geldt dat de voorziening nadrukkelijk tijdelijk van aard is, voor de duur van maximaal vijf jaar.

Gezien de beperkte intensivering, de al bestaande speel- en sportfunctie van het terrein en de tijdelijke aard van de situatie wordt dit effect in ruimtelijk opzicht aanvaardbaar geacht.

5.7.3

Conclusie Het aspect geluid door activiteiten heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Met inachtneming van bovenstaande paragraaf kan voorliggende ontwikkeling op een aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.8 Omgevingsveiligheid 5.8.1

Kader Op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in het gemeentelijk omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het projectgebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd. Bij nieuwe ontwikkelingen moet een plaatsgebonden risico van 10 -6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

44

van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Voor de bepaling van de aandachtsgebieden is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en reguliere rampenbestrijding bieden. De gemeente beoordeelt of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het 'aandachtsgebied' is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico's en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen. Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen. De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in: • Brandaandachtsgebieden (BAG): Een BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt.

• Explosieaandachtsgebied (EAG): Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: 1. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en 2. een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is. • Gifwolkaandachtsgebied (GAG): Een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant. • Voorschriftengebieden: Aandachtsgebieden kunnen leiden tot voorschriftengebieden indien er sprake is van nieuwbouw, voor bestaande gebouwen gelden voorschriftengebieden niet. Indien men zeer kwetsbare gebouwen wil toestaan in een aandachtsgebied wordt dat aandachtsgebied of het gedeelte met nieuwbouw automatisch een voorschriftengebied. Aanvullende bouweisen gelden voor de nieuwbouw zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Bij het toestaan van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen kan de gemeente afzien van een voorschriftengebied, mits goed gemotiveerd. Het bepalen van voorschriftengebieden, de motivatie voor de te nemen maatregelen en dergelijke is een verantwoordelijkheid van de gemeente.

5.8.2

Onderzoek Volgens het Portaal Atlas Veiligheid bevinden zich in de nabije omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen die van invloed zijn op de planontwikkeling. De invloedsgebieden van de dichtstbijzijnde Bevi-inrichtingen reiken niet over het plangebied. Andersom zorgt de ontwikkeling van het plangebied niet tot een beperking van deze Bevi-inrichtingen. In afbeelding 5.8 is een

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

45

uitsnede opgenomen van de risicokaart behorende bij het Portaal Atlas Veiligheid (PAV). Uit deze kaart blijkt dat het gifwolkaandachtsgebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N59 niet over het plangebied ligt. Voor het overige zijn er geen risicobronnen in de buurt gelegen. Er hoeft dan ook geen onderzoek naar omgevingsveiligheid worden uitgevoerd.

Afbeelding 5.8: ligging projectgebied ten opzichte van gifwolkaandachtsgebieden. Het projectgebied is indicatief rood omkaderd

5.8.3

Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Met inachtneming van bovenstaande paragraaf kan voorliggende ontwikkeling op een aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.9 Natuur & ecologie 5.9.1

Kader Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

46

gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan.

Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor gemeentelijke ruimtelijke procedures. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten.

5.9.2

Onderzoek Soortenbescherming Door Sweco is een ecologische quickscan uitgevoerd naar het gehele plangebied voor alle ontwikkelingen aan de Weelstraat. De volledige rapportage is te raadplegen in bijlage 4. Hieronder worden de resultaten kort toegelicht. De quickscan natuurwaarden is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling, sloop en nieuwbouw van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op deze locatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 5.5 In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabellen is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

47

Tabel 5.5: Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen (bron: Rapport Quickscan Natuurwaarden, Sweco).

Huismussen Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor huismussen dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd. Indien de onderzoekslocatie onderdeel uitmaakt van essentieel functioneel leefgebied van huismussen, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Vleermuizen De bestaande scholen op de onderzoekslocatie zijn in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De sloop van deze bebouwing kan leiden tot schade aan de verblijfsfunctie van eventueel aanwezige vleermuizen. Voor de locatie van de tijdelijke huisvesting is geen nader onderzoek noodzakelijk. Op de locatie van de bestaande bebouwing zal nader onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Omgevingswet aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. Een dergelijk nader onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek.

Overige zoogdieren Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bunzing, wezel, hermelijn, haas, konijn en Noordse woelmuis.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

48

Op de onderzoekslocatie is onderhouden groen aanwezig rond de bebouwing en bij de parkeerplaatsen. Dit wordt door het beheerde en onderhouden karakter en door verstoring van mensen niet geschikt geacht voor de kleine marterachtigen. De ruigtestroken aan de noordzijde (meest noordelijke grasveld) zijn potentieel wel geschikt als leefgebied voor bunzing en wezel. Indien de ruigte en bosschages aan de noord- en noordoost zijde behouden blijven wordt nader onderzoek naar kleine marterachtigen niet noodzakelijk geacht. Het voornemen is om in ieder geval een deel van de bestaande groenstructuren af te breken voor de realisatie van de tijdelijke huisvesting. Vandaar dat nader onderzoek naar kleine marterachtigen noodzakelijk is. Nader onderzoek naar haas, noordse woelmuis, en konijn wordt niet noodzakelijk geacht. Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (Bal) in.

Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Omgevingswet wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht, waarbij al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen. Aanvullend onderzoek ecologie Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor huismussen, kleine marterachtigen en vleermuizen is nader onderzoek naar deze soorten uitgevoerd door Sweco (bijlage 7). Per soort worden hieronder de belangrijkste conclusies gedeeld. Huismus Er zijn tijdens het aanvullend onderzoek geen verblijfplaatsen van de huismus aangetroffen. Wel wordt de onderzoekslocatie gebruikt als foerageergebied en er zijn kwetterplaatsen aanwezig. Zowel de kwetterplaatsen als het foerageergebied zijn niet essentieel voor de huismus.

Ook gaan de kwetterplaatsen bij de uitvoering van de werkzaamheden niet verloren. Aanvullend onderzoek marterachtigen Uit het verrichte nader onderzoek is gebleken dat geen van de onderzochte soorten op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden is daarom geen sprake van het optreden van schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningsplichtig geval ten aanzien van kleine marterachtigen.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

49

Aanvullend onderzoek vleermuizen Voor de locatie van de tijdelijke huisvesting is geen nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. In het kader van de sloop van de bestaande scholen op de onderzoekslocatie wordt dit onderzoek wel uitgevoerd. Dit valt buiten de scope van deze BOPA voor de tijdelijke huisvesting van de scholen. Conclusie soortenbescherming Uit het natuurwaardenonderzoek komt naar voren dat vanwege de sloop van de bestaande groenstructuren aan de noordkant van het voorliggend projectgebied nader onderzoek naar marterachtigen en huismussen noodzakelijk is. Uit het nader onderzoek blijken geen belemmeringen voor de ontwikkeling van de tijdelijke huisvesting. Uit het onderzoek komt daarnaast naar voren dat er vanwege de sloop van de bestaande schoolgebouwen ook nader onderzoek noodzakelijk is naar vleermuizen. De sloop van deze gebouwen is geen onderdeel van deze BOPA en derhalve niet van invloed op de ontwikkeling van de tijdelijke huisvesting. Voor de overige soorten is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Nadelige effecten op beschermde flora en fauna kunnen daarom worden uitgesloten. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing.

Gebiedsbescherming De ontwikkellocatie is niet gelegen op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Stikstof De emissie van stikstof in de aanleg- en de gebruiksfase kan een stikstofdepositie veroorzaken ter plaatse van de stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. De bouwwerkzaamheden veroorzaken emissie van stikstof door de mobiele installaties op de bouwplaats en door de aan- en afvoer van bouwmateriaal en bouwvakkers. In de gebruiksfase wordt de emissie van stikstof veroorzaakt door de verkeersbewegingen op het terrein en de koude start. In het kader van de ruimtelijke procedure dient onderzocht te worden of significante effecten op Natura 2000-gebieden kunnen optreden. Om te bepalen of er vanuit het aspect stikstofdepositie significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van het project kunnen optreden, is een Aerius-berekening uitgevoerd voor de bouw- en gebruiksfase. Dit stikstofdepositieonderzoek is uitgevoerd door KuiperCompagnons. De volledige rapportage inclusief AERIUSberekeningen zijn te raadplegen in bijlage 6. Uit de berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename van een depositie van meer dan 0,00 mol N / Ha / jaar in stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden.

Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het project geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

50

5.9.3

Conclusie Uit de voor dit plan uitgevoerde ecologische onderzoeken blijkt dat voorliggende ontwikkeling niet leidt tot een significante stikstofdepositie in stikstofgevoelige natuurgebieden. Daarnaast worden nadelige effecten op flora en fauna uitgesloten. Voorliggende ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10 Landschap, archeologie en cultuurhistorie 5.10.1 Kader Landschap Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. Rijksbeleid Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Erfgoedwet deels opgegaan in de Omgevingswet. Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is ook een van de belangen van de Omgevingswet (art 1.2 Ow). In de Omgevingswet staan de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd. Hierin staan bijvoorbeeld onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die tot 1 januari 2024 in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. De bevoegdheden en beschermingsniveaus zijn in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen.

5.10.2 Onderzoek Archeologie In het omgevingsplan van rechtswege (afkomstig uit ‘Nieuwerkerk en Oosterland’) is de archeologische dubbelbestemming Waarde – Archeologie 7 opgenomen met bijbehorende criteria, te weten een ontgravingsdiepte van 0,5 cm / oppervlak van 5.000 m2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16409575/1