CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1639122 Bijlage 2 BOPA Tijdelijke Huisvesting

Gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Adviesrecht omgevingsvergunning tijdelijke huisvesting basisscholen en kinderopvang Oosterland (1639122)21.575 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

51

Ten aanzien van de tijdelijke huisvesting is het uitgangspunt om de gebouwen te funderen op betonplaten. Daarbij wordt slechts minimaal afgegraven: de ontgravingsdiepte blijft naar verwachting onder de 0,5 meter. Het oppervlak van de tijdelijke huisvesting blijft ruim onder de drempelwaarde van 5.000 m2. Daarmee worden de grenswaarden naar verwachting niet overschreden en is geen archeologisch onderzoek benodigd. Voor de vervolgfasen (gezondheidscentrum en nieuwbouw scholen) is naar verwachting wel sprake van een ontgravingsdiepte beneden 0,5 cm. Voor de volledigheid is door Vestigia een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de gehele ontwikkellocatie aan de Weelstraat. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 5. Hieronder worden de belangrijkste resultaten en conclusies gedeeld. Resultaten archeologisch vooronderzoek Voorafgaand aan de ingrepen dient in kaart te worden gebracht of bij de ingrepen eventueel archeologische waarden worden bedreigd. Gezien de aard van de ingrepen (m.n. de ontgraving voor de fundering) zullen deze mogelijk tot in de archeologisch relevante niveaus reiken. Het plangebied heeft in een opeenvolging van een getijdengebied, een kwelder en een veengebied gelegen. Dergelijke gebieden waren vanwege de lage en natte ligging niet geschikt voor bewoning.

In de Vroege Middeleeuwen zijn veel (veen)lagen weggeslagen door getijdengeulen en was het gebied wederom onbewoonbaar. Enkele eeuwen later komt de zee tot rust en is de polder Oosterland rond 1354 bedijkt. Hierna is het dorp Oosterland ontstaan. Hoewel op basis van het beschikbare historisch kaartmateriaal tot ver in de 20e eeuw geen aanwijzingen zijn voor bebouwing binnen het plangebied, zijn er mogelijk nog bewoningsresten te verwachten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Daadwerkelijke archeologische resten geven aan dat in ieder geval in de Nieuwe Tijd in de directe omgeving van het plangebied aantoonbaar sprake is van menselijke aanwezigheid. Mogelijk is het plangebied of delen daarvan verstoord door de huidige bebouwing, egalisaties, ruilverkaveling en/of moernering. Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Eventuele archeologische resten kunnen door de geplande ingrepen worden bedreigd. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie adviseert dan ook om voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 7’ te handhaven, waarvoor geldt dat bij ingrepen groter dan 5.000 m2 en dieper dan 50 cm -mv nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Indien er ingrepen plaatsvinden die de vrijstellingsgrens overschrijden -en dan gaat het niet alleen om de nieuwbouw, maar bijvoorbeeld ook de aanleg van de bijbehorende infrastructuur zoals cunetten voor wegen, parkeerplaatsen, en kabels en leidingen- dan dient in eerste instantie een verkennend booronderzoek te worden uitgevoerd om het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen, en de mate van verstoring vast te stellen. Geadviseerd wordt om te boren in een verkennend grid van ca. 30 x 40 m (ca. 8 boringen/ha), wat met de vorm en oppervlak van het gehele plangebied neerkomt op ca. 16 boringen. Het verdient de voorkeur om eerst op basis van het VO/DO te bepalen welke delen van het plangebied daadwerkelijk verstoord worden, om daar dan het onderzoek op te kunnen richten.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

52

De betreffende boringen ter plaatse van de tijdelijke huisvesting zijn uitgevoerd. Op basis van de uitkomsten wordt bepaald of, en zo ja, welke vervolgonderzoek nodig is en/of op welke wijze rekening moet worden gehouden met archeologische waarden bij de realisatie van de tijdelijke huisvesting. Cultuurhistorie Het plangebied is op de Kaart Cultuurhistorie Zeeland aangegeven als ‘Zuidwestelijk zeekleigebied, nieuwland’. Het zuidwestelijk zeekleigebied beslaat een groot deel van Zeeland en de Zuidhollandse eilanden. Het wordt chronologisch ingedeeld in oudland en nieuwland. Tot het nieuwland behoren het oostelijke gedeelte van Schouwen-Duiveland, het noordelijk deel van Tholen, St. Philipsland, een klein deel van Walcheren, Noord-Beveland, het westelijke en oostelijke deel van Zuid-Beveland, en het grootste gedeelte van Zeeuwsch-Vlaanderen. De nieuwlandpolders zijn hoger opgeslibd en minder ingeklonken dan de oudlandpolders en liggen dus relatief hoog in het landschap. De bodemopbouw is veel uniformer dan die van de oudlandpolders. Het plangebied is op de Kaart Cultuurhistorie Zeeland ook aangeduid als ‘Polder Borrenbrood’. De Borrenbroodpolder is vermoedelijk voor 1531 bedijkt en behoorde tot de heerlijkheid Bommenede. De polder is verscheidene malen geïnundeerd.

Als gevolg van de herinrichting van na 1953 is het landschap van de polder sterk veranderd: de historische verkaveling is geheel verdwenen, terwijl ook waterpatroon ingrijpend gewijzigd is. De scheidingsdijk met de Kijkuitpolder werd afgegraven. Voor beide kaarten zijn verder geen eisen of instructies uitgewerkt in de Kaart Cultuurhistorie Zeeland of in de provinciale omgevingsverordening. Het projectgebied bevindt zich binnen de molenbiotoop van de molen aan de Steengrachtstraat in Oosterland. Dit is één van de twaalf nog aanwezige molens op Schouwen-Duiveland. Deze molenbiotoop is reeds beschouwd in paragraaf 2.1. Er wordt niet hoger gebouwd dan de regels behorende bij het molenbiotoop voorschrijven (9,3 meter). Er zijn verder geen cultuurhistorische monumenten of historische landschappen op de planlocatie aanwezig.

5.10.3 Conclusie Gezien bovenstaande onderzoeken heeft voorliggende ontwikkeling geen negatieve invloed op het aspect archeologie en cultuurhistorie. Met inachtneming van bovenstaande paragraaf kan voorliggende ontwikkeling op een aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.11 Bodem 5.11.1 Kader Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten in het gemeentelijk omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het projectgebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

53

5.11.2 Onderzoek Door ABO-Milieuconsult is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De gehele rapportage is bijgevoegd als bijlage 3. In deze rapportage zijn ook eerdere onderzoeken die zijn uitgevoerd op de projectlocatie samengevoegd. Hieronder zijn de belangrijkste resultaten samengevat. Veldwaarnemingen Zowel de boven- als de ondergrond bestaat uit zand of klei (traject 0,0 – 3,0: maximale ontgravingsdiepte). Tijdens het zintuiglijk onderzoek van de grond zijn geen bodemvreemde en/of op verontreiniging duidende kenmerken waargenomen. Het grondwater bevond zich op 1,50 m-mv (opnamedatum 22 augustus 2025). Grond In zowel de boven- als de ondergrond (met uitzondering van grondmonster M101-3) zijn geen van de geanalyseerde parameters verhoogd aangetoond. In grondmonster M101-3, (boring 101, traject 1,0 – 1,5 m-mv) ter plaatse van de oostelijke gelegen gedempte watergang, is een zeer licht verhoogd gehalte aan PCB en molybdeen aangetroffen, de interventiewaarde wordt niet overschreden. Het verhoogde gehalte aan PCB kan worden toegeschreven aan de verhoogde rapportagegrens. Regeling bodemkwaliteit 2022 De analyseresultaten van de onderzochte grondmengmonsters zijn tevens indicatief getoetst aan de normen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022. Hieruit blijkt dat grond op locatie indicatief voldoet aan bodemkwaliteitsklasse Landbouw/natuur.

Toetsing lood in de bodem De gemeten gehaltes aan lood zijn getoetst aan de door de GGD opgestelde gezondheidsadvieswaarden voor het gebruik ‘Plaatsen waar kinderen spelen’. De grond over de gehele locatie is op basis van de gemeten gehaltes aan lood beoordeeld als zijnde ‘Voldoende bodemkwaliteit’. Grondwater In het grondwater van peilbuis 05 is een verhoogd gehalte aan barium aangetoond. Het overige onderzochte grondwater is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters. Voldaan wordt aan de signaleringsparameter. Toetsing hypothese De hypothese onverdacht dient, formeel gezien, op basis van de onderzoeksresultaten, te worden verworpen. Echter, gezien de aangetoonde verhoogde gehalten in de ondergrond de interventiewaarde niet overschrijden, is aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. De in de ondergrond plaatselijk zeer licht verhoogde gehalten aan PCB en molybdeen geven geen aanleiding tot het uitvoeren van aanvullend onderzoek. De op locatie gedempte watergangen zijn vermoedelijk gedempt met gebiedseigen grond. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan en het daaruit voortvloeiende indienen van de omgevingsplanactiviteit van een bouwwerk. Aanbevolen wordt om bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond zo veel mogelijk op de locatie te

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

54

verwerken. Indien in het kader van de nieuwbouw grond moet worden afgevoerd moet rekening gehouden worden met het volgende: In het onderhavige rapport is geen onderzoek naar PFAS gedaan. Voor toepassingen van grond buiten de gemeente Schouwen-Duiveland gelden mogelijk andere beleidsregels, benodigde bewijsmiddelen en/of milieuhygiënische verklaringen (zoals een partijkeuring met AP04 onderzoek). Voldaan moet worden aan de geconsolideerde versie Besluit bodemkwaliteit (na inwerkingtreding Omgevingswet). In het kader van onderhavig bodemonderzoek is tijdens de veldwerkzaamheden op het noordelijk deel van de locatie een gronddepot aangetroffen. Op de situatietekening is dit depot aangegeven. Het verkennend bodemonderzoek beperkt zich tot de bodem (grond en grondwater) van het originele terrein. Onderzoek naar het gronddepot is niet uitgevoerd. Voordat deze grond afgevoerd wordt, wordt aanbevolen met de eigenaar van desbetreffende depots te bepalen wat de kwaliteit en afvoermogelijkheden van de depots zijn. Opgemerkt wordt dat aan de hand van de bevindingen van onderhavig onderzoek geen absolute uitspraken kunnen worden gedaan over de hergebruiksmogelijkheden van eventueel af te voeren grond.

5.11.3 Conclusie Het aspect bodem heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12 Geurhinder 5.12.1 Kader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het projectgebied zijn toegestaan. Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelprojectgebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelprojectgebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het gemeentelijk omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het projectgebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente om te beslissen of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het projectgebied aanvaardbaar te laten zijn.

5.12.2 Onderzoek Voorgrondbelasting De dichtstbijzijnde veehouderij met een relevante geuremissie aan Nieuwe Bosweg 3 ligt op een afstand van ongeveer 550 meter van de planlocatie. Gezien de geuremissie in relatie tot de afstand tot de planlocatie kan op voorhand worden gesteld dat de voorgrondbelasting niet relevant zal zijn. Aangezien bestaande geurgevoelige objecten zijn gelegen tussen de veehouderijen en de planlocatie worden de veehouderijen niet in hun belangen geschaad.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

55

Achtergrondbelasting Omdat er geen andere veehouderijen in de omgeving zijn gelegen vormt ook de achtergrondbelasting geen knelpunt.

5.12.3 Conclusie Het woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en omliggende bedrijven of voorzieningen worden niet onevenredig beperkt. Het aspect geur heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Met inachtneming van bovenstaande paragraaf kan voorliggende ontwikkeling op een aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.13 Trillingen 5.13.1 Kader Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij nieuwe ontwikkelingen rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden.

5.13.2 Onderzoek Voorgenomen ontwikkeling maakt geen trillingveroorzakende activiteiten mogelijk. Rondom het projectgebied zelf geldt een maximale rijsnelheid van 30 km per uur. Er zullen dan ook geen trillingsniveaus optreden die de standaardwaarden overschrijden. Voorliggende ontwikkeling kan op een aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.13.3 Conclusie Het aspect trillingen heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Met inachtneming van bovenstaande paragraaf kan voorliggende ontwikkeling op een aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.14 Licht en duisternis 5.14.1 Kader Kunstmatige verlichting komt voor bij (autosnel)wegen, (fiets)paden, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, recreatieterreinen, glastuinbouwbedrijven, sportterreinen (maneges, golfbanen, tennisbanen, voetbalvelden, e.d.). Mogelijk negatieve effecten van lichthinder worden bepaald door enerzijds de aard, intensiteit en duur en plaats van de verlichting en anderzijds door de kans op blootstelling, die gerelateerd is aan de omgeving en de leefwijze van mens en dier.

5.14.2 Onderzoek De locatie ligt aan de rand van het dorp Oosterland. De schoolgebouwen zullen alleen overdag of hooguit in de vroege avond worden gebruikt en verlicht. Voor het overige hoeft er geen nieuwe infrastructuur of verlichting aan te worden gelegd die een significante invloed zal hebben op de

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

56

bestaande situatie voor wat betreft licht en duisternis. De gebouwen zullen bovendien slechts tijdelijk worden gebruikt. Eventuele lichthinder vormt geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling.

5.14.3 Conclusie Voorliggende ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op het aspect licht en duisternis. Met inachtneming van bovenstaande paragraaf kan voorliggende ontwikkeling op een aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.15 Gezondheid 5.15.1 Kader Overheden moeten bij het ontwikkelen van gebieden zo vroeg mogelijk nadenken over het realiseren van een gezonde fysieke leefomgeving. Zij kunnen eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken in verschillende instrumenten van de Omgevingswet. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.

5.15.2 Gezondheid in het projectgebied De tijdelijke huisvesting van de school vindt plaats in een woonomgeving met maatschappelijke voorzieningen en sportvelden. De locatie biedt een veilige en gezonde leefomgeving voor leerlingen, medewerkers en omwonenden. Er zijn geen relevante bronnen van luchtverontreiniging, gevaarlijke stoffen of milieuhinder in de directe nabijheid die een risico vormen voor de gezondheid. Ook de verkeerssituatie blijft overzichtelijk en veilig geregeld. Gezien de tijdelijke aard van de ontwikkeling en de aard van de omgeving wordt geconcludeerd dat het plan past binnen het uitgangspunt van een gezonde fysieke leefomgeving zoals bedoeld in de Omgevingswet.

5.15.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft gezondheid niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.16 Duurzaamheid 5.16.1 Kader Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie, klimaatadaptatie en circulariteit, maar er zijn wel nationale, regionale en lokale doelstellingen waarmee aan de doelbijdrage kan worden getoetst.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

57

Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VN-klimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO 2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd. Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES.

Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio. Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Energiezuinig bouwen De energiezuinigheid van woningen en utiliteitsgebouwen wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Het Bouwbesluit stelt bepaalde eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen en daarmee de EPC-waarde van een gebouw. Voor een woning geldt een eis van 0,4 terwijl voor utiliteitsbouw een variatie aan normen wordt gehanteerd op basis van de functie. De EPC-eisen zijn vanaf 2021 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). In het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen wordt een strategie geschetst om te komen tot bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als transformatie van bestaande gebouwen.

Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze nieuwe eis energiebesparing belangrijker is dan energieopwekking. Waar bij de EPC-eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de nieuwe BENG eisen niet meer. Vergunningaanvragen die na 1 januari 2021 worden ingediend moeten voldoen aan deze BENGnorm.

5.16.2 Onderzoek De tijdelijke schoolvoorziening wordt gerealiseerd met oog voor duurzaamheid. Het betreft een beperkte, tijdelijke ingreep binnen bestaand stedelijk gebied, waarmee zorgvuldig wordt omgegaan met de beschikbare ruimte. De huisvesting wordt uitgevoerd in modulaire, herbruikbare bouwdelen die na afloop elders opnieuw inzetbaar zijn. Daarmee wordt materiaalgebruik geminimaliseerd en wordt circulair bouwen ondersteund. Door de locatie nabij bestaande voorzieningen en in een goed

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

58

ontsloten gebied te situeren, wordt bovendien aangesloten bij de principes van duurzaam ruimtegebruik.

5.16.3 Conclusie Het plan voldoet aan de wettelijke normen en vereisten op het gebied van duurzaamheid, en geeft waar mogelijk invulling aan de verschillende duurzaamheidskaders. Met inachtneming van bovenstaande paragraaf kan voorliggende ontwikkeling op een aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

5.17 Overige aspecten Niet gesprongen explosieven Uit gemeentelijke inventarisatie van de niet-gesprongen explosieven kaart blijkt dat de ontwikkeling niet in verdacht gebied ligt. Hierdoor is er geen tot een zeer kleine kans aanwezig dat er niet gesprongen explosieven aanwezig zijn. Er zal worden gewerkt volgens het toevalstrefferprotocol. Er worden verder geen overige aspecten relevant geacht. Er zijn geen verder geen aspecten die een negatieve invloed hebben op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Er is vanuit dit oogpunt sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

59

6. Maatschappelijke en financiële haalbaarheid 6.1 Kostenverhaal Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten. De volgende activiteiten zijn kostenverhaalplichtig: • de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie; • de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie; • de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie; • de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte; • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt. Wanneer er kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden maakt, dient het kostenverhaal via een van onderstaande opties te worden verzekerd: a.

anderszins, via een overeenkomst, bijvoorbeeld: 1. een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer van de kostenverhaalplichtige activiteit; of 2. via de gronduitgifte-overeenkomst tussen gemeente en een toekomstige eigenaar, indien de gemeente het volledige kostenverhaalsgebied in eigendom heeft; b. via regels kostenverhaal in het omgevingsplan, waarbij gekozen wordt tussen: 1. een systeem met tijdvak: vergelijkbaar met het systeem uit de Wro, waarbij plannen een duidelijk eindbeeld, een fasering en een einddatum hebben, zodat kosten en opbrengsten op voorhand goed te berekenen zijn; 2. of zonder tijdvak: een nieuw systeem voor gebiedsontwikkelingen zonder een duidelijk eindbeeld, zonder fasering en zonder einddatum, waardoor kosten en opbrengsten op voorhand moeilijker te berekenen zijn en er gewerkt wordt met scenario's. Ongeacht de systeemkeuze hebben de regels kostenverhaal in ieder geval betrekking op het verhalen van kosten (gekoppeld aan een kostenverhaalsgebied). Net als in een exploitatieplan (onder de Wro) kunnen in dit verband ook regels in het omgevingsplan worden opgenomen over: • fasering van en koppelingen tussen werkzaamheden en/of activiteiten; • locatie-eisen; • woningbouwcategorieën (artikel 5.161c Bkl). In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de gemeente initiatiefnemer, waardoor het kostenverhaal verzekerd is.

De gemeenteraad heeft in maart 2025 budget vrijgemaakt voor de nieuwbouw van de scholen/kinderopvang, waaronder ook een post randvoorwaardelijke kosten van

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

60

ruim € 700.000. Deze kostenpost is bedoeld om de sloop van de huidige panden en de tijdelijke huisvesting te betalen. De gemeenteraad heeft in juni 2025 bovendien extra budget (€ 800.000) vrijgemaakt, om de kosten te dekken die samenhangen met het feit dat de Oosterburcht/Kibeo een jaar langer in tijdelijke huisvesting moeten verblijven door de bouw van het gezondheidscentrum. Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

6.2 Participatie In het kader van de Dorpsvisie Oosterland heeft de gemeente het integrale proces vormgegeven door oprichting van een stuurgroep en projectgroep, waarin ook de dorpsraad vertegenwoordigd was. Op 14 mei 2025 organiseerde de gemeente een inloopmiddag- en avond, waarvoor alle inwoners via een huis aan huis bezorgde flyer zijn uitgenodigd. Circa 75 mensen bezochten deze sessie. De bezoekers hebben geen inhoudelijke opmerkingen gemaakt, maar drongen bij de gemeente vooral aan op het zo snel mogelijk realiseren van het integrale project, waaronder ook de tijdelijke huisvesting. Er is ook via het digitale portaal, dat is opengesteld om opmerkingen te maken bij de (concept) Dorpsvisie, geen feedback gekomen op dit sleutelproject. Op 15 oktober 2025 organiseerde de gemeente een inloopavond over de concept Dorpsvisie Oosterland, waarbij bezoekers de gelegenheid kregen om vragen en opmerkingen achter te laten op een speciaal formulier. Er waren tijdens deze avond circa 100 tot 150 bezoekers aanwezig. Op basis van deze ingekomen reacties is een antwoordnotitie gemaakt, waarin staat of een reactie is verwerkt in de dorpsvisie en zo nee, waarom niet. Tijdens deze bijeenkomst hebben wij ook enkele vragen over de tijdelijke huisvesting beantwoord. De antwoordnotitie is toegevoegd als bijlage 9.

Tevens heeft op 21 oktober 2025 een inloopavond plaatsgevonden over het plan in het kader van het proces rondom de BOPA voor de tijdelijke huisvesting. Het betrof een inloopavond voor de bewoners in de directe omgeving. Tijdens de inloopavond zijn conceptuele plattegronden en 3D-beelden van de tijdelijke huisvesting op groot formaat getoond. Er waren circa 20 personen aanwezig. De reacties waren positief. Eén bewoner heeft een reactie achtergelaten met betrekking tot het niet langer snoeien van een groenstrook buiten het projectgebied, zodat het zicht op de bebouwing vanuit de woning van de inspreker wordt beperkt. Dit verzoek vat buiten de scope van deze BOPA en wordt voorgelegd aan het Uitvoeringsbedrijf binnen de gemeente. Wettelijke procedure In het kader van de reguliere BOPA-procedure bestaat de mogelijkheid om bezwaar en daarna eventueel beroep in te dienen. Binnen zes weken na het besluit tot verlenen van de BOPA-vergunning kunnen belanghebbenden bezwaar indienen. Conclusie Zowel rondom de Dorpsvisie als specifiek ten aanzien van de tijdelijke huisvesting heeft een zorgvuldig participatieproces plaatsgevonden. De reacties waren positief. Verder zijn er wettelijke mogelijkheden voor het indienen van bezwaar. Gezien het voorgaande wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

BOPA “Tijdelijke Huisvesting Scholen, Oosterland” 18 november 2025

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16409575/1