1618933 Bijlage 3 - Regels en toelichting TAM-omgevingsplan H22A Kapelleweg Scharendijke
Tekst van het document
5.4
Mobiliteit en parkeren
Beoordelingskader Er zijn geen instructieregels van het Rijk en provincie met betrekking tot mobiliteit en parkeren. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond moeten worden wat het effect is op de bereikbaarheid, verkeersafwikkeling en parkeerdruk. Ook wordt in beeld gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen (en scooters). Hiervoor zal doorgaans verkeerskundig onderzoek nodig zijn. Deze onderzoeksinformatie is ook nodig in verband met het in beeld brengen van de gevolgen voor het geluid door wegen, luchtkwaliteit en de emissie van stikstof. Deze thema’s worden hierna verder uitgewerkt. De gemeente kent een eigen verkeer- en vervoersplan 'Integraal Verkeer- en Vervoerplan Schouwen-Duiveland (IVVP 2017)'. Het IVVP 2017 is een mobiliteitsplan waarin op hoofdlijnen is vastgesteld wat de gemeente op het gebied van verkeer en vervoer wil bereiken. Het verkeersbeleid is vastgelegd en is aan de hand van een aantal thema's vertaald in concrete doelen op het gebied van bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid, gezondheid en duurzaamheid. Daarnaast 26
heeft de gemeente een eigen parkeerbeleid 'Parkeerbeleid 2017-2020 Schouwen-Duiveland'. In het parkeerbeleid worden diverse aspecten rondom het parkeren in Schouwen-Duiveland behandeld, zoals parkeerregulering en de toegankelijkheid en het kwaliteitsniveau van parkeerplaatsen. Bewust zijn geen parkeernormen opgenomen, omdat situaties vaak erg specifiek zijn en maatwerk vaak nodig is. Daarvoor kan gebruik worden gemaakt van de landelijke CROW-richtlijnen. In de beleidsnota wordt voor de gemeente Schouwen-Duiveland de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' aangehouden. Als locatie wordt voor de gehele gemeente, met uitzondering van Zierikzee, 'rest bebouwde kom' (wanneer gelegen binnen de bebouwde kom) en 'buitengebied' (wanneer gelegen buiten de bebouwde kom) gehanteerd. Beoordeling Verkeersgeneratie en afwikkeling Voor het bepalen van de te hanteren parkeernorm en de verkeersgeneratie wordt CROW-publicatie 744 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen‘ als richtlijn gebruikt. De volgende randvoorwaarden zijn van belang om het juiste kengetal te bepalen: • Stedelijkheid: weinig stedelijk. • Locatie: o Rest bebouwde kom voor alle kernen (behalve Zierikzee). • Min/gem/max bandbreedte: We gebruiken de gemiddelde bandbreedte omdat we verwachten dat het autobezit per huishouden zal toenemen. • T.o.v.
de periode waarin de normen uit de CROW tot stand zijn gekomen is de woningnood toegenomen. Kinderen (jongvolwassenen) wonen lang thuis, werken en hebben een auto. Het aantal voertuigen per huishouden is daardoor toegenomen. Op deze locatie zijn twee vrijstaande woningen beoogd. In onderstaande tabel zijn de verschillende normen opgesomd. Type woning Parkeernorm (waarvan 0,3 Verkeersgeneratie bezoek/in de openbare ruimte) Koop, huis vrijstaand 2,7 8,6 mvt/etmaal Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van de kenmerken 'weinig stedelijk' en 'rest bebouwde kom'. Er wordt een gemiddelde verkeersgeneratie van 8,6 per woning gehanteerd. De totale verkeersgeneratie voor het plangebied (2 woningen) komt daarmee op 17,2 voertuigbewegingen per dag. Het omliggende wegennet kan dit verkeer verkeersveilig en zonder verstoringen op de omliggende bereikbaarheid verwerken. Ontsluiting vindt plaats op de Kapelleweg. Dergelijke aantallen kunnen probleemloos worden afgewikkeld via één erftoegangsweg.
27
Parkeren De parkeernormen van de gemeente Schouwen-Duiveland zijn opgenomen in het gemeentelijk parkeerbeleid 20172020. De normen zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers van het CROW. Hierbij zijn de kenmerken 'weinig stedelijk' en 'rest bebouwde kom' gehanteerd. De woningen vallen binnen de categorie ‘koop, huis, vrijstaand’. Hiervoor wordt een gemiddelde parkeerbehoefte van minimaal 2,7 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. In het 'parapluplan parkeernormen Schouwen-Duiveland' is opgenomen dat bij nieuwbouw en/of uitbreiding van gebouwen op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid dient te worden voorzien en in stand te worden gehouden, overeenkomstig het 'Parkeerbeleid 2017-2020' of het daarvoor in de plaats tredende parkeerbeleid. Hierbij wordt de parkeernorm berekend over het nieuw te bouwen of het te wijzigen gedeelte. Van bovenstaande kan afgeweken worden indien op een andere wijze in de benodigde parkeergelegenheid wordt voorzien, in het geval dat de noodzakelijke parkeergelegenheid in onvoldoende mate op eigen terrein kan worden gerealiseerd.
Figuur 12 Inrichtingstekening percelen met aanduiding van parkeerplaatsen op eigen terrein (bron: Verseput Bouw en Milieutechniek B.V.).
Op basis van de kencijfers is er een parkeerbehoefte van 5,4 (=6) parkeerplaatsen, waarvan 0,6 parkeerplaatsen voor bezoekers van bewoners zijn. De parkeervraag kan op eigen terrein worden opgevangen (zie figuur 12). Bouwverkeer Beide percelen zijn voorzien van een inrit waar plek is voor 3 auto’s. De verwachting is dat het bouwverkeer voor weinig overlast gaat zorgen. De bouwplaats bevindt zich in een doodlopende straat met weinig verkeer en weinig inof uitritten. Omdat de percelen groot zijn, kan het bouwverkeer gemakkelijk op het bouwterrein zelf parkeren (bijvoorbeeld met behulp van rijplaten). Daarnaast zal de bouw vanwege de prefab houtskeletbouw methode voor minder bouwverkeer zorgen en een kortere bouwtijd hebben (ten opzichte van traditionele bouw).
28
Conclusie Het aspect verkeersgeneratie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor vergunningverlening. Indien het perceel aan een openbare weg grenst, zoals hier het geval is, is een in- en uitritvergunning vereist.
5.5
Cultuurhistorische waarden
5.5.1
Cultuurhistorie
Beoordelingskader In het Bkl is ten aanzien van de bescherming van cultureel erfgoed een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Beoordeling De schuur van de woning aan de Kapelleweg 23 is aangemerkt als historische boerderij, maar niet als cultuurhistorisch waardevolle boerderij. Het plangebied is gelegen nabij een voormalig kerkhof, aangemerkt als archeologisch rijksmonument (monumentnummer 45759) (zie figuur 13). Het betreft een terrein met sporen van bewoning (terp) en begraving (kerkhof), alsmede de vermoedelijke resten van een kerk, daterend uit de late middeleeuwen (12e-13e eeuw). Het rijksmonument is een beschermd terrein van zeer hoge archeologische waarde.
Figuur 13 Beleidskaart archeologische verwachtingswaarde Schouwen-Duiveland (bron: Beleidskaart Schouwen-Duiveland).
Conclusie Het aspect cultuurhistorie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.
29
5.5.2
Archeologie
Beoordelingskader In het gemeentelijke Beleidsplan Archeologie is voor het gehele eiland vastgelegd welke archeologische verwachtingswaarden er zijn. Hieraan zijn beleidsadviezen gekoppeld die als basis dienen voor de voorwaarden bij een op te stellen omgevingsplan. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen, van archeologische monumenten tot gebieden waar geen enkele archeologische verwachtingswaarde is. Voor ieder gebiedstype gelden eigen uitgangspunten, randvoorwaarden en ondergrenzen. Beoordeling De archeologische verwachtingswaarden voor de planlocatie zijn vertaald in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan Buitengebied. Ter plaatse is in het tijdelijk deel van het omgevingsplan (bestemmingsplan Buitengebied) de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologisch onderzoeksgebied A’ van kracht (zie figuur 13). Voor dergelijke gebieden geldt een onderzoeksverplichting voor grootschalige bodembewerkingen met een bewerkingsoppervlak vanaf 2.500 m2 en een bewerkingsdiepte vanaf 50 cm-mv. Grondbewerking vindt naar verwachting plaats over 1.000 m2, waardoor deze het oppervlak van 2.500 m2 niet overschrijd. Grondbewerkingen dieper dan 50 cm onder het maaiveld vinden wel plaats, ongeacht het funderingstype. Omdat het oppervlak van 2.500 m2 niet wordt overschreden, is archeologisch onderzoek dus niet noodzakelijk.
Conclusie De aard van de ontwikkeling vormt geen bedreiging voor het bodemarchief. Er is sprake van een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Er vinden door de uitvoering van de plannen geen grondbewerkingen plaats die leiden tot bodemingrepen boven de vrijstellingsgrens. Er is geen sprake van belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied op basis van de archeologische verwachtingswaarde. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. In alle gevallen is sprake van een algemene zorgplicht. Indien tijdens bouw- of andere werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen, dan moet dit volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet en afdeling 19.2 Omgevingswet zo spoedig mogelijk gemeld worden bij de Minister van OC&W (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) en bij de gemeente. Het beoogde gebruik past binnen de omgevingskarakteristiek en draagt bij aan de doelstellingen uit het cultuurhistorische beleid van provincie en gemeente.
5.6
Bodemkwaliteit
Beoordelingskader Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (art. 5.89i Bkl). Op grond van artikel 22.30 (Bruidsschat) gelden de interventiewaarden bedoeld in bijlage IIA van het Bal. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet worden aangetoond dat aan deze waarden wordt voldaan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde moeten sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl). Bij het wijzigen van een gebruiksactiviteit kan het met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook wenselijk zijn om te onderzoeken of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde activiteit. 30
Beoordeling Het plangebied heeft een agrarische bestemming, hier was voorheen een schuur gevestigd. Er was dus nog geen gevoelige functie toegestaan. Met het mogelijk maken van de voorgenomen ontwikkeling wordt er een gevoeligere functie mogelijk gemaakt. Op 24 oktober 2024 is het verkennend bodem- en asbest in puin onderzoek opgeleverd (projectnummer 24MCG373.10) (bijlage 2). Uit dit onderzoek is het volgende naar voren gekomen: • Bovengrond: licht verontreinigd met zink, kwik, lood, OCB. Matig verontreinigd met minerale olie, sterk verontreinigd met PAK (interventiewaarde) Deellocatie druppelzone: 54 mg/ks asbest (> 50 mg/kg, nader onderzoek grens voor asbest). • Ondergrond: licht verontreinigd met PCB, kwik, lood, PAK (wonen) Grondwater: xylenen boven de streefwaarde. Geen onderzoek naar PFAS. De bodemkwaliteit voldoet niet aan de eisen voor het bouwen op een bodemgevoelige locatie. Een nader bodemonderzoek naar PAK en asbest is nodig om de verontreiniging af te perken/goed in beeld te brengen. Op 18 maart 2025 is het nader bodemonderzoek opgeleverd (bijlage 3). Uit dit onderzoek is het volgende naar voren gekomen: • Bovengrond: Afperking PAK verontreiniging. Deze is 5 m3. • Asbest: Er is asbest aangetroffen in een range van 15 mg/kg sa tot boven de interventiewaarde(164 mg/kg ds). Dit betekent dat er een sterke verontreiniging met asbest aanwezig is van circa 9 m3.
Op basis van de analyseresultaten is te concluderen dat de sterke verontreiniging met PAK ter plaatse van boring 05 in voldoende mate is afgeperkt. In zowel de horizontale als verticale richting. Er kan worden geconcludeerd dat de verontreiniging van zeer beperkte omvang is (< 5 m3). Op basis van de resultaten kan worde geconcludeerd dat de sterke verontreiniging met asbest is aangetoond binnen een oppervlakte van circa 30 m2 tot een maximale diepte van 0,3 m-mv. Hiermee is circa 9 m3 puin sterk verontreinigd met asbest. Het gebouw of deel van een gebouw op deze bodemgevoelige locatie mag niet in gebruik worden genomen voordat de grond is gesaneerd en het bevoegd gezag hiermee heeft ingestemd. Voor de graafwerkzaamheden gelden de regels rondom het graven in de bodem of het toepassen van grond uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) , het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Een melding of informatieplicht is vaak dan alsnog nodig voordat deze activiteiten worden uitgevoerd. In het kader van de ontwikkeling is het nodig de verontreiniging weg te nemen (saneren). De bouwwerken mogen niet eerder in gebruik worden genomen voordat de bodem voldoet aan de eisen voor een bodemgevoelig gebouw. Het saneren van de PAK verontreiniging dient te worden gemeld via het DSO "MBA saneren of graven in de bodem boven interventiewaarde".
Omdat er zich asbest bevind in een laag die meer dan 50% puin bevat, is hierop geen bodemregelgeving van toepassing. Dit valt onder asbestwegen. Dit dient gemeld te worden via: https://www.rijksoverheid.nl/wetten-en-regelingen/productbeschrijvingen/melding-bezit-asbestweg . Sanering van de 9 m3 asbest is verplicht binnen 6 maanden.
31
Conclusie De ontwikkeling is in strijd met de instructieregels voor Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Het gebouw of deel van een gebouw op deze bodemgevoelige locatie mag niet in gebruik worden genomen voordat de grond is gesaneerd en het bevoegd gezag hiermee heeft ingestemd.
5.7
Niet gesprongen explosieven/ontplofbare oorlogsresten
Beoordelingskader De potentiële aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE)/ontplofbare oorlogsresten kan een bedreiging in houden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging in de planvorming en uitvoering leiden. De gemeente beschikt over NGE beleid. Dit beleid is opgesteld op basis van een historisch onderzoek, ooggetuigenverklaringen en eerdere vondsten. Afhankelijk van de toekomstige ontwikkeling wordt getoetst of een vervolg onderzoek nodig is. Daar waar het huidige grondgebruik wordt gecontinueerd is geen sprake van een verhoogd risico en is vervolgonderzoek of opsporing niet noodzakelijk. Beoordeling Het plangebied ligt niet een gebied met een verhoogde of hoge trefkans op niet gesprongen explosieven/ ontplofbare oorlogsresten (zie figuur 14). Er hoeft geen onderzoek uitgevoerd te worden naar niet gesprongen explosieven.
Figuur 14 Uitsnede NGE-kaart (bron: gemeente Schouwen-Duiveland).
32
Conclusie De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een gebied met geen verhoogde trefkans op niet gesprongen explosieven/ ontplofbare oorlogsresten. Het aspect niet gesprongen explosieven vormt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.8
Water
Beoordelingskader Water en de fysieke leefomgeving hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water een van de sturende principes in de fysieke leefomgeving en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een weging van het waterbelang geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de weging van het waterbelang is de relatie tussen planvorming op het gebied van de fysieke leefomgeving en de waterhuishouding te versterken. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dan ook gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid in een gebied. Bij het wijzigen van het omgevingsplan dienen de waterbelangen te worden geborgd. Voor alle waterhuishouding relevante nieuwe ruimtelijke plannen en besluiten moet een zogenaamde watertoets worden uitgevoerd. Concreet betekent dit dat een omgevingsplan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Waterschap Scheldestromen Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Scheldestromen. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk ruimtelijk plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de weging van het waterbelang uit. Deze weging heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeheerprogramma 2022 - 2027 De Algemene Vergadering van Waterschap Scheldestromen heeft op 15 december 2021 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (afgekort WBP) vastgesteld. Dit Waterschapsbeheerprogramma gaat over de periode 2022 tot 2027. Het laat zien welke doelen Scheldestromen de komende periode nastreeft, welke ontwikkelingen daar op van invloed zijn en hoe ze daar mee om zal gaan. Dit alles in relatie tot de systemen die Scheldestromen de afgelopen decennia heeft opgebouwd om veiligheid, gebruik en leefkwaliteit te waarborgen.
33
Toetsingskader Waterschap Scheldestromen Het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer in het binnendijkse gedeelte wordt gevoerd door Waterschap Scheldestromen. Het Waterschap beheert de waterkeringen in haar beheergebied buiten de bebouwde kom. De rioleringstaak binnen het plangebied valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Schouwen-Duiveland. In het kader van de weging van het waterbelang wordt deze waterparagraaf overlegd met het waterschap, waarna eventuele opmerkingen worden verwerkt in deze waterparagraaf. Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: ‘het standstill beginsel’. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van een weging van het waterbelang moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten. Voor elke toename van verharding van meer dan 500 m² in stedelijk gebied is een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit nodig. Daarnaast zijn het ‘Aanmeldformulier watertoets’ en de ‘Waterschapsverordening waterschap Scheldestromen’ van belang.
Op grond van de verordening kunnen verschillende aanvullende omgevingsvergunningen nodig zijn. Ontwikkelen die met een wijziging van het omgevingsplan mogelijk worden gemaakt, worden door het waterschap beoordeeld. De resultaten van het overleg met deze instantie worden in deze motivering meegenomen. Beoordeling Er is aan de hand van de criteria uit het genoemde aanmeldformulier (zie bijlage 4) nagegaan of het voorliggende plan strijdig is met de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. Hierna wordt per thema ingegaan op de wateraspecten. Waterberging Bij toename van bebouwd- en verhard oppervlak is het realiseren van extra waterberging vereist. In de huidige situatie is er sprake van een bebouwingsoppervlakte van 647 m2 (schuur 1 = 189 m2 en schuur 2 = 458 m2) (zie figuur 15). De bodemverharding in de vorm van bestrating bedraagt ca. 590 m2.
Figuur 15 Situatietekening bestaand met aanduiding bvo (bron: Verseput Bouw en Milieutechniek B.V.).
34
In de toekomstige situatie is er sprake van een bebouwingsoppervlakte van 381 m2 (woning 1 = 96 m2, woning 2 = 96 m2 en schuur 1 = 189 m2) (zie figuur 16). Voor de dichte bodemverharding is de aanname gemaakt dat deze gelijk is aan het dakoppervlak in de nieuwe situatie (381 m2). Totaal komt het verharde oppervlak dan uit op 762 m2. Dat is minder dan in de huidige situatie. Er is dus geen noodzaak tot het realiseren van extra waterbergingscompensatie.
Figuur 16 Situatietekening toekomstige situatie met aanduiding bvo (bron: Verseput Bouw en Milieutechniek B.V.).
Watersysteem Aan de noordoostzijde van het plangebied loopt een secundaire waterloop (zie figuur 17). De voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op het watersysteem, omdat de woning op minimaal 5 meter uit de watergang wordt gerealiseerd. De secundaire waterloop wordt onderhouden vanaf het belendend perceel (Kadastrale aanduiding: MDS01-H-1208). De waterloop kan worden onderhouden vanaf één zijde, waardoor er geen onderhoudsstrook van 5.00 m1 moet worden aangehouden op het perceel waar de woningen worden gerealiseerd, mits de eigenaren van het belendend perceel hiermee akkoord zijn. Door de sloop van de schuur en de bouw van de woningen ontstaat er namelijk een nieuwe situatie en daarom dient dit opnieuw gelegaliseerd te worden.
35
Er mag zonder watervergunning tot op 5.00m1 uit de insteek worden gebouwd. Echter moet wel een watervergunning worden aangevraagd voor het aanbrengen van beplanting op 1.00m1 uit de insteek. De watervergunning kan worden verleend mits er bij de aanvraag een akkoordverklaring zit van de eigenaren van het belendend perceel.
Figuur 17 Uitsnede legger oppervlaktewaterlichamen (bron: Waterschap Scheldestromen).
Hemel- en afvalwater Er is onderzoek gedaan naar de bestaande rioolsituatie van de omgeving. Hiervoor is een Klic-melding uitgevoerd en is er navraag gedaan bij de rioolbeheerder van gemeente Schouwen-Duiveland. Hieruit komen de volgende resultaten (figuren 18 en 19).
36
Figuur 18 Bekende rioolsituatie volgens rioolbeheer gemeente Schouwen-Duiveland (bron: Gemeente Schouwen-Duiveland).
37
Figuur 19 Resultaat klic-melding.
Droogwaterafvoer Het droogwaterafvoer van woningnummer 23 betreft een huisaansluiting die afvoert op een drukleiding met onderof bovendruk. Dit betreft een gemengd riool. Het riool voor het droogwater wordt aangesloten op de bestaande riolering, op de drukleidingen aan het einde van de straat. Hemelwaterafvoer Het regenwater van woningnummer 23 is ook aangesloten op dit riool. Dit is goed te zien in figuur 5, waarin het riool langs de gevels van de woning loopt. Vanwege het gemeentelijk beleid dat er geen hemelwater afgevoerd mag worden op een drukriool of persleiding wordt het hemelwater aangesloten op regentonnen. Het overtollige regenwater wordt middels een overloop geloosd op het oppervlakte water (in dit geval de sloot aan de noordoostzijde van het perceel) 38
Nieuwe situatie riool In figuur 20 is de nieuwe situatie van het riool weergegeven. Dit is een principeschets. De haalbaarheid van dit plan is positief. Door de aannemer van de gemeente is een proefsleuf gegraven om de diepteligging en diameter van het bestaande riool te bepalen. Hieruit is naar voren gekomen dat er een verzamelleiding ligt (Gres 125 mm) op circa 50 cm diepte. De verwachting is dat dit te ondiep is om hierop twee nieuwe woningen aan te sluiten. De verwachting is dat de riolering van de nieuwbouwwoningen lager zal liggen dan de bestaande riolering. Dit brengt extra werkzaamheden en kosten met zich mee die voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Mogelijk is het openbreken van de bestrating noodzakelijk.
Figuur 20 Riool nieuwe situatie (principe) (bron: Verseput Bouw en Milieutechniek B.V.).
39
Conclusie Met de inrichting van het plangebied is rekening gehouden met het waterbelang. Er is geen waterbergingscompensatie nodig omdat de verharding in de nieuwe situatie minder is aan het oude oppervlakte verharding. Er is rekening gehouden met onderhoudsstroken voor oppervlaktewaterlichamen. Het aspect weging van het waterbelang staat het wijzigen van het omgevingsplan niet in de weg. De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding.
5.9
Bedrijven en milieuzonering
Beoordelingskader In bepaalde situaties kan het handig zijn dat ook bestaande rechten van bedrijven worden meegenomen in de beoordeling van milieueffecten. Zeker als er sprake is van cumulatie. Bijvoorbeeld als er meerdere bedrijven aanwezig zijn met elk een beperkt effectgebied, maar tezamen een groter gebied. Om tot een goede motivatie van de vast te stellen waarden te komen, kan gedeeltelijk worden teruggevallen op oud recht: zowel de richtafstanden als de geldende milieuregels. In dat geval kan een aanvullende paragraaf milieuzonering uitkomst bieden. Beoordeling De planlocatie is gelegen naast een minicamping. ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’ vallen in milieucategorie 3.1 met een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 5.16 Geluid door activiteiten). Ten zuiden van de locatie is een begraafplaats aanwezig. Begraafplaatsen hebben een richtafstand van 10 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Ten noordoosten van de locatie is agrarisch perceel aanwezig. In verband met de spuitzone wordt er niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Dit wordt verder toegelicht in paragraaf 5.24 Gezondheid. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling.
5.10 Ecologie: soortenbescherming Beoordelingskader In afdeling 11.2 van het Bal zijn regels opgenomen over flora- en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Voor een nieuwe ontwikkeling moet in beeld worden gebracht of er sprake is van een flora- en fauna-activiteit.
40
Beoordeling Nieuwe ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde gebieden en beschermde soorten (dieren en planten). Door BioEcologie is op 23 augustus 2024 een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie bijlage 5). In de quickscan zijn de effecten van de planologische ontwikkeling op de dieren en planten binnen het plangebied in beeld gebracht. De bestaande schuur wordt gesloopt, daarnaast wordt (eventueel) de schutting en het daaraan verbonden groen verwijderd. De verwijdering van de schutting en het daaraan verbonden groen zal buitenom het broedseizoen moeten plaatsvinden (broedseizoen is in april-september). De door BioEcologie uitgevoerde quickscan ecologie heeft opgeleverd dat er nader onderzoek dient te worden uitgevoerd naar gierzwaluwen en vleermuizen. Op 1 september 2025 is het kwalitatief onderzoek naar gierzwaluw opgeleverd (documentnummer GZ-KO-02). Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 6. Tijdens de uitgevoerde onderzoeken zijn geen verblijfplaatsen van gierzwaluwen of andere incidenteel aanwezige beschermde soorten vastgesteld binnen de projectlocatie. Het slopen van de schuur op het erf zal geen negatief effect hebben op de lokale populatie gierzwaluwen. Voor het groen wat verwijderd wordt, zijn ruim voldoende alternatieven aanwezig in de nabije omgeving.
Het projectgebied heeft geen functie voor de gierzwaluw dus tijdelijke mitigatie of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Op 17 september 2025 is het vleermuisonderzoek opgeleverd (documentnummer VLM-KO-37). Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 7. Uit dit onderzoek blijkt dat de projectlocatie alleen wordt gebruikt om te foerageren, maar dat het geen verblijfsfunctie heeft. Het groen rondom de projectlocatie wordt op diverse plaatsen gebruikt als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en potentieel een gewone grootoorvleermuis. Er zijn rondom de projectlocatie wel een aantal foeragerende exemplaren waargenomen maar geen invliegers. Er is in Looperskapelle wel degelijk een populatie vleermuizen aanwezig, maar de verblijfplaatsen van de soort zijn niet waargenomen binnen de projectlocatie of naastgelegen woningen. Een negatief effect op de waargenomen vleermuissoorten door uitvoering van de beoogde werkzaamheden is uitgesloten. De geplande activiteiten zijn niet schadelijk voor de lokale vleermuispopulatie. Mitigerende voorzieningen plaatsen is niet noodzakelijk. Door de uitvoering van de beoogde werkzaamheden worden geen verbodsbepalingen overtreden. Conclusie Er zijn geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.
Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor het planologisch mogelijk maken van de beoogde ontwikkeling.
41
5.11 Ecologie: gebiedsbescherming Beoordelingskader Natura 2000-gebieden In afdeling 11.1 van het Bal zijn regels opgenomen voor activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kunnen hebben. Het gaat om de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook om andere gevolgen, bijvoorbeeld geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Als een ontwikkeling plaatsvindt in de directe nabijheid van een Natura 2000gebied, dan moet onderzoek uitwijzen of de ontwikkeling significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld worden. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Beoordeling Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een natuurgebied, natuurnetwerk en Natura-2000 gebieden. Het plangebied is gelegen op een afstand van ca. 1,3 kilometer van het Natura-2000 gebied ‘Grevelingen’. Het plangebied is op ca.
900 meter afstand gelegen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gelegen. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand van beschermde Natura 2000-gebieden plaatsvindt worden geen negatieve effecten (middels versnippering, visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Om te bepalen of er significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van stikstofeffecten door project kunnen optreden, is een Aerius-berekening uitgevoerd (versie Aerius 2025) voor de sloop-, bouw- en gebruiksfase (zie bijlage 8). In bijlage 9 is de toelichtende memo behorende bij de Aerius-berekening bijgevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit project vrijkomt in zowel de bouw- en sloopfase als gebruiksfase (in combinatie) leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. Daarbij is uitgegaan van diverse worst-case uitgangspunten. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie vormt geen belemmeringen voor de wijziging van het omgevingsplan. Conclusie Stikstofdepositie vormt geen belemmeringen voor de wijziging van het omgevingsplan.
5.12 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Beoordelingskader Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied van wegen, spoorwegen en/of industrieterreinen wordt het geluid beoordeeld. De instructieregels in het Bkl (§ 5.1.4.2a Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen) bevatten waarden en eisen voor het beoordelen van geluid. De waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De standaard- en grenswaarden die bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw voor 7 geluidbronsoorten gelden, staan in tabel 1.
42
Tabel 1 Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten gebouw (art. 5.78u en 5.78t Bkl) (bron: Informatiepunt Leefomgeving).
Voldoen aan de standaardwaarde is de hoofdregel (artikel 5.78t Bkl). Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Naast de instructieregels uit het Bkl zijn instructieregels voor het omgevingsplan uit de provinciale omgevingsverordening van belang. Beoordeling Het plan ligt binnen het aandachtsgebied van de Kapelleweg en Nieuwe Kerkweg, het grootste deel van deze wegen geldt echter een maximumsnelheid 30 km/uur. Van Waterschap Scheldestromen zijn verkeersgegevens ontvangen van de wegen voor het jaar 2022 welke aangehouden moeten worden voor het onderzoek. Vervolgens is een akoestisch rekenmodel opgesteld (zie bijlage 10) met de omgeving, inclusief afschermende en reflecterende objecten. Uit de rekenresultaten (figuur 21) blijkt dat de geluidbelasting (van beide wegen samen) ten hoogste Lden 41 dB bedraagt, dat is ruim onder de standaardwaarde van 53 Lden. Het woon- en leefklimaat kan overal als zeer goed worden gekwalificeerd.
43
Figuur 21 Rekenresultaten totaal (bron: akoestische onderzoek, Akoestisch Adviesbureau Van Lienden).
Conclusie Het aspect geluid (wegverkeerslawaai) vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.13 Geluid door activiteiten Beoordelingskader Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw bij een activiteit maar ook bij het toelaten van een geluidveroorzakende activiteit bij een geluidgevoelig gebouw wordt het geluid beoordeeld. Voor zover het toelaten van een geluidgevoelig gebouw de milieuruimte van een bestaande (bedrijfs)activiteit beperkt, zal het bevoegd gezag eerst moeten afwegen: is het redelijk om de milieuruimte te beperken door het toestaan van de nieuwe ontwikkeling? Zo niet, moeten stappen gezet worden om de milieuruimte voor de nabijgelegen (bedrijfs)activiteit niet te beperken. De instructieregels uit het Bkl bevatten waarden, eisen en mogelijkheden voor het beoordelen van geluid.
44
Beoordeling Om wijziging van het omgevingsplan mogelijk te maken dient akoestisch onderzoek verricht te worden naar de geluidbelasting ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten van de naastgelegen minicamping. Er is op 7 maart 2025 een akoestisch onderzoek aangeleverd door akoestisch adviesbureau van Lienden (bijlage 11 Akoestisch onderzoek ‘geluid van de omgeving’). In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt voor de nieuwe woningen aangesloten bij de richtwaarden voor ‘rustige woonwijk’ uit de VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering (2009). Voor de bestaande minicamping gelden de geluidsnormen uit het omgevingsplan van de gemeente Schouwen-Duiveland. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Uit de berekeningen blijkt dat er wordt voldaan aan het gestelde toetsingskader uit het omgevingsplan (50 dB(A)). De richtwaarden voor rustige woonwijk (45 dB(A)) worden in de dagperiode met 2 dB overschreden ter plaatse van woning 2 (de woning rechts in het plangebied). In de avond- en nachtperiode zijn er geen overschrijdingen. Maximale geluidniveaus In de avond- en nachtperiode kunnen overschrijdingen optreden door piekgeluiden. Dit wordt veroorzaakt door dichtslaande portieren op de parkeerplaats van de minicamping. De overschrijding bedraagt in de nachtperiode 1 tot 3 dB.
De overschrijdingen ten opzichte van de richtwaarden uit de VNG zijn nog 5 dB hoger. Indirecte hinder Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat er geen overschrijding plaatsvindt door indirecte hinder. Geluidsreducerende maatregelen Het is niet mogelijk om maatregelen te nemen aan de bron. Er is geen controle mogelijk op het dichtslaan van de portieren, ook is het niet mogelijk voor de opdrachtgever om het parkeerterrein te verplaatsen. Het plaatsen van geluidsschermen stuit op verschillende bezwaren zoals aangegeven in het akoestisch onderzoek in bijlage 11. De standaardwaarde voor toelaatbaar geluid op de gevels van een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.65 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving) is ruimer dan waaraan getoetst is. Piekgeluiden door aandrijfgeluid zijn tot 70 dB(A) toelaatbaar in de avond en nacht, overige piekgeluiden tot 65 dB(A). Hier wordt met 63 dB(A) wel aan voldaan. Het binnenniveau in de woningen mag maximaal 35 dB(A) bedragen. De minimumeis aan de geluidwering van de gevel uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bedraagt 20 dB(A). Met traditionele bouw kan zonder aanvullende maatregelen eenvoudig een geluidwering van 25 dB(A) worden bereikt. De binnenwaarde van 45 dB(A) voor piekgeluiden wordt niet overschreden.
Ook ter plaatse van de 1e verdieping (rechterzijgevel) van woning 2 mag verwacht worden dat de geluidwering van de gevel ruim voldoende zal zijn om het binnenniveau van 45 dB(A) te waarborgen. Conclusie Ter plaatse van de woningen wordt voldaan aan een aanvaardbaar geluidsklimaat. Andersom wordt de omliggende bedrijvigheid niet belemmerd. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
45
5.14 Geur Beoordelingskader De instructieregels ten aanzien van geur zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl. Uit artikel 5.92 eerste lid van het Bkl volgt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: • bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen. • bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. Beoordeling De ontwikkeling is niet relevant voor geur, omdat er geen sprake is van een plan dat een activiteit mogelijk maakt die geur veroorzaakt. Daarnaast worden er wel geurgevoelige gebouwen in de vorm van woningen mogelijk gemaakt maar zijn er geen relevante geurbronnen aanwezig. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de wijziging van het omgevingsplan.
5.15 Luchtkwaliteit Beoordelingskader Als een wijziging van het omgevingsplan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan hier alleen aan worden meegewerkt als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is vooral aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
Leidt de activiteit tot een verhoging van de concentratie van luchtverontreinigende stoffen, dan zal moeten worden aangetoond dat dit niet tot gevolg heeft dat de omgevingswaarden worden overschreden. Om dit te bepalen is naast de verhoging ook de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen nodig. Deze zijn vindbaar via CIMLK.nl of in de Atlas Leefomgeving. Bij overschrijding van de omgevingswaarden, kan de ontwikkeling niet mogelijk worden gemaakt.
46
Beoordeling In artikel 5.54 Bkl zijn de standaardgevallen genoemd die niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10. Hierin is onder andere aangegeven, dat gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met ten hoogste 1.500 woningen en één ontsluitingsweg aan te merken zijn als een categorie die ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentratie van stikstofdioxide. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 2 woningen. Deze valt onder de hiervoor genoemde categorie. De instructieregels voor de bescherming van de kwaliteit van de buitenlucht zijn derhalve niet van toepassing. Ter plaatse van de woningen dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De gemeente Schouwen-Duiveland is niet aangemerkt als aandachtsgebied. Uit landelijke metingen zoals weergegeven in de Atlas Leefomgeving blijkt dat ter hoogte van het besluitgebied in 2022 de jaargemiddelde concentraties van de stoffen NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de grenswaarden liggen van respectievelijk 40, 40 en 20 microgram/m3. De concentraties liggen dicht tegen de WHO-advieswaarde. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling.
5.16 Duisternis als omgevingskwaliteit en lichthinder Beoordelingskader Op grond van (artikel 11.27 van) het Bal heeft de gemeente een zorgplicht om spaarzaam om te gaan met licht. Lichthinder kan de leefwijze en gezondheid van mens en dier negatief beïnvloeden. Op Schouwen-Duiveland kan nog echte duisternis worden ervaren. Duisternis is een gebiedskwaliteit die de gemeente wenst te behouden en zelfs te versterken. Te veel verlichting heeft bovendien negatieve effecten op het landschap. De gemeente hanteert de richtlijn lichthinder om nieuwe ruimtelijke plannen te beoordelen op lichtverspreiding. Daarbij wordt uitgegaan van de volgende principes: • niet verlichten; • dynamisch verlichten (alleen verlichten wanneer dat nodig is); • gericht verlichten (alleen verlichten waar dit nodig is); • bewust verlichten (niet overbodig veel licht verspreiden). Lichtreclame en kunstverlichting worden zoveel mogelijk beperkt. Ook is de kleurtemperatuur van licht buiten gebouwen zo laag mogelijk. Gestreefd wordt naar lichtarmaturen met ten hoogste 2.700 Kelvin. Voor openbare verlichting beschikt de gemeente over een afzonderlijk beleidsplan. Beoordeling De ontwikkeling is niet relevant voor duisternis en lichthinder, omdat er geen nieuwe relevante lichtbronnen mogelijk gemaakt worden. Binnen het plan is sprake van gericht verlichten, er wordt allen verlicht waar het nodig is.
Daarnaast is er sprake van een ontwikkeling in bestaande bebouwde omgeving.
47
Conclusie Het aspect duisternis en lichthinder vormt geen belemmering voor de wijziging van het omgevingsplan.
5.17 Omgevingsveiligheid Beoordelingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Om inzicht te krijgen in welke risico’s er zijn in de omgeving van de projectlocatie is de Risicokaart beschikbaar. Ontwikkelingen die met een wijziging van het omgevingsplan mogelijk worden gemaakt, worden beoordeeld door de Veiligheidsregio Zeeland en de Brandweer. De resultaten van het overleg met deze instanties worden in de besluitvorming meegenomen. Beoordeling De beoogde ontwikkeling maakt kwetsbare objecten (woningen) mogelijk. De locatie ligt niet binnen een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied.
In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich volgens het Register Externe Veiligheid (Atlas Leefomgeving) geen buisleidingen, transportroutes of risicovolle activiteiten met een extern veiligheidsrisico. Andersom zorgt de ontwikkeling van het plangebied niet tot een beperking van deze risicovolle activiteiten. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de wijziging van het omgevingsplan.
5.18 Trillingen Beoordelingskader Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. Trillinghinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximaal optredende trillingniveau en het gemiddeld trillingniveau. Trillingen door activiteiten De centrale beoordelingsregel voor trillingen door activiteiten is geformuleerd in artikel 5.83 van het Bkl: • In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. • Een omgevingsplan voorziet erin dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn.
48
Bij het vaststellen van een omgevingsplan of bij een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit moet aan deze centrale instructieregel worden voldaan. Hierbij vindt een afweging plaats tussen het beschermen van de fysieke leefomgeving en het benutten van een locatie. Daarbij houdt de gemeente rekening met alle betrokken belangen. Trillingen zijn aanvaardbaar als de standaardwaarden uit de artikelen 5.87 en 5.87a van het Bkl worden overgenomen (conform artikel 5.86 Bkl). In dat geval is een beperkte motivering van aanvaardbaarheid nodig. Bij het afwijken van de standaardwaarde op basis van artikel 5.86, lid 2, van het Bkl is een uitgebreidere motivering nodig. Trillingen door weg- en spoorwegverkeer Ook trillingen door weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen, scholen en dergelijke. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(wegen) en/of trillinggevoelige gebouwen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Beoordeling De ontwikkeling is niet relevant voor trillingen, omdat er geen sprake is van een plan dat een activiteit mogelijk maakt die trillingen veroorzaakt. Daarnaast worden er wel trillinggevoelige gebouwen in de vorm van woningen mogelijk gemaakt, maar zijn er geen relevante trillingsbronnen aanwezig.
Conclusie Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de wijziging van het omgevingsplan.
5.19 Milieueffectrapportage (mer) Beoordelingskader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning of wijziging omgevingsplan projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Als hier het Omgevingsplan wordt genoemd, wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een bopa verstaan. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn mer). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning.
49
Beoordeling Dit plan maakt de ontwikkeling van twee nieuwbouwwoningen mogelijk. In Bijlage V van het Omgevingsbesluit staat de activiteit ‘stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de aanleg van winkelcentra en parkeerterreinen’. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van deze activiteit geldt een mer-beoordelingsplicht. In de uitgangssituatie is reeds bestaande bebouwing aanwezig. Gezien de aard en beperkte omvang van het plan, is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er hoeft geen mer- beoordeling te worden gedaan dan wel een mer te worden opgesteld. Conclusie De aard en beperkte omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.
5.20 Schaduwhinder en windhinder Beoordelingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient te worden aangetoond dat geen sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor het windklimaat in de directe omgeving en de bezonningssituatie ter plaatse van eventueel aanwezige bestaande woningen. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Beoordeling Bij hoogbouw is altijd aandacht nodig voor mogelijke schaduwhinder en windhinder. Bij lagere bebouwing is dat afhankelijk van de specifieke lokale situatie. Bij het ontbreken van gemeentelijk beleid kan voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid voor bezonning worden aangesloten bij de TNO-normering (waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een lichte en strenge norm) en voor windhinder bij de NEN-normering die uitgaat van activiteitenklassen (zoals doorlopen, slenteren of langdurig zitten) en kwaliteitsklassen. Het optreden van windhinder en windgevaar is in hoge mate afhankelijk van het gebouwontwerp en de inrichting van het openbaar gebied. Wanneer uit een verkennende windhinderstudie blijkt dat onaanvaardbare situaties kunnen optreden, kunnen op dit punt voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning. De woningen zullen een bouwlaag met kap tellen.
Er is geen sprake van hoogbouw in deze situatie. In de directe nabijheid bevinden zich geen woningen waarvan de bezonningssituatie wordt aangetast door de ontwikkeling. Conclusie Het aspect schaduw- en windhinder vormt geen belemmering voor de wijziging van het omgevingsplan.
50
5.21 Overige duurzaamheidsaspecten Beoordelingskader Op dit moment zijn er een aantal transities gaande die onder het begrip duurzaamheid vallen: • De energietransitie (het terugbrengen van de CO2 uitstoot door van fossiele energie over te gaan op hernieuwbare en duurzame energie): • de ruimtelijke adaptatie voor de klimaatverandering (het aanpassen van de openbare ruimte om de negatieve effecten van de klimaatverandering te verkleinen of zelfs weg te nemen); • de overgang naar kringloopeconomie (gericht op het hoogwaardig hergebruiken van producten en grondstoffen) en • Het verbeteren van de biodiversiteit: door behoud en versterking van natuur en diersoorten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen worden aan deze ontwikkelingen getoetst en indien mogelijk zal op deze ontwikkelingen geanticipeerd moeten worden. Energietransitie De Trias Energetica is een driestappen strategie om een energie ontwerp te maken. Deze drie stappen zijn: 1. Beperk het energieverbruik door verspilling tegen te gaan; bijvoorbeeld een compacte gebouwvorm of door isolatie van de buitenschil (gevels, daken en vloeren). 2. Maak maximaal gebruik van energie uit duurzame bronnen; bijvoorbeeld door dak geschikt maken voor zonnepanelen (oriëntatie, constructie en dakvorm) 3.
Maak zo efficient mogelijk gebruik van (fossiele) energiebronnen om in de resterende energiebehoefte te voorzien; bijvoorbeeld door lage temperatuurverwarming, het beperken van leidinglengten van warmteleidingen en leidingweerstand van verwarmings- en ventilatiesystemen of het gebruik maken van een warmtepomp. Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) stelt eisen aan energiezuinigheid en duurzame energieopwekking van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. Vergunningsaanvragen voor nieuwbouw moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Het Ruimtelijk Beleid Duurzame Energie (Duurzame Energie ingepast) bevat het inpassings- en toetsingskader voor duurzame energie projecten. Uitgangspunt is dat de bij de inpassing van hernieuwbare energie de huidige kwaliteit van het landschap niet mag worden aangetast. In het beleid is per gebiedsprofiel aangegeven wat de mogelijkheden zijn voor het toepassen van duurzame energie. Voor zonne-energie is de zonneladder van Schouwen-Duiveland leidend. Bij grootschalige duurzame energieprojecten zijn er eisen opgesteld voor participatie, landschappelijke inpassing en veiligheid. In het kader van de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) is de aansluitingsplicht van aardgas bij nieuwbouw bij kleinverbruikersaansluitingen geschrapt.
Voor grootverbruikers (hoger dan 50.000 kWh en 25.000 m3 gas) is er een energiebesparingsplicht en informatieplicht. Kantoren groter dan 100 m2 moeten voldoen een minimaal energielabel C hebben. De richtlijn Energy Performance of Buildings Directive (EPBD III) verplicht om laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen aan te leggen bij nieuwbouw, bij ingrijpende renovaties of bij bestaande grotere gebouwen, ook als deze niet worden verbouwd. Nederland heeft deze vastgelegd in het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL).
51
Bij recreatieve ontwikkelingen geldt de duurzaamheidsstaffel uit de Agenda Toerisme van de gemeente SchouwenDuiveland. In deze duurzaamheidsstaffel is opgenomen dat bij uitbreiding van recreatie met meer dan 15% voldaan moet worden aan energieneutraliteit en circulariteit. Circulaire economie In het kader van het Zeeuws Beleid Circulaire Economie zullen circulaire prestatie-eisen worden opgesteld voor nieuwbouw zoals percentage circulair materiaal, biobased materialen, losmaakbaarheids index en materialenpaspoort. Uitgangspunt hierbij zijn de circulaire ontwerpprincipes zoals: • • • • • • •
Bedenk of het echt noodzakelijk is om het gebouw te bouwen of dat het probleem met bijvoorbeeld betere doorstroom al op te lossen valt. Bouw kleiner en passender met minder inhoud, materiaal en ruimtegebruik. Benut bestaande materialen uit sloop van andere bouwwerken. Gebruik materialen met een zo laag mogelijke milieu-impact, zoals hernieuwbare of biobased materialen. Zorg dat een gebouw aan te passen is als het van functie verandert, door bijvoorbeeld modulair te bouwen. Zorg dat een gebouw lang mee kan: neem esthetische zaken mee, maar ook langdurig en circulair onderhoud. Zorg dat de materialen uit een gebouw hergebruikt kunnen worden. Losmaakbaarheid geeft aan in hoeverre producten aan elkaar bevestigd zijn, zoek bijvoorbeeld alternatieven voor kit en lijm en maak een materialenpaspoort.
In het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) is opgenomen dat bij de aanvraag Omgevingsvergunning het bij nieuwbouwwoningen en kantoren groter dan 100 m2 verplicht is om een Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) te overleggen. Een MPG is een belangrijke maatstaf voor duurzaamheid van een gebouw. Klimaatadaptatie Ruimtelijke ontwikkelingen moeten bijdragen aan de klimaatbestendigheid en waterrobuustheid van SchouwenDuiveland en moeten wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingen voorkomen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen wordt de Landelijke Maatlat Klimaatadaptatie toegepast met normen en richtlijnen voor Nieuwbouw. De voorkeursvolgorde voor wateroverlast en droogte vanuit de Landelijke Maatlat is: benutten en besparen, vasthouden en infiltreren, bergen, afvoeren. De voorkeursvolgorde voor hittestress is: koele omgeving, warmte weren, passief koelen, actief koelen. Naast de landelijke maatlat is er ook een atlas met klimaatlabels waarin te zien is hoe de situatie precies is per locatie. Belangrijke aandachtspunten zijn: • • • •
Voorkomen van wateroverlast: Voldoende ruimte voor wateropvang; toepassen van weinig verharding; watertoets; Voorkomen van droogte: Opvang en hergebruik van hemelwater; percentage tuin wat verhard mag worden; vergroenen en ontharden; brandveiligheid. Voorkomen van hittestress: Plaatsen van een overstek of beplanting; toevoegen van groen Voorkomen van overstromingen: Niet buitendijks bouwen; zorgen voor vluchtroutes bij overstromingen.
Biodiversiteit De Wet natuurbescherming beschermt de biodiversiteit. De wet moet ervoor zorgen dat de soortenrijkdom van planten en dieren in de natuur blijft bestaan en dat kwetsbare soorten niet verdwijnen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat er natuur inclusief wordt gebouwd wat betekent dat er o.a. onderzocht wordt of er extra nestgelegenheid voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen kan worden gecreëerd.
52
Beoordeling Energietransitie, circulariteit en mobiliteit Dit project betreft de ontwikkeling van twee nieuwbouwwoningen. Hierbij wordt er ingespeeld op de doelstelling en visie van de gemeente Schouwen-Duiveland. Hiervoor worden de volgende uitgangspunten gehanteerd. Deze uitgangspunten zijn bepaald aan de hand van het bouwbesluit. In het bouwbesluit staan eisen met betrekking tot energiezuinigheid en milieu. • De woningen worden bijna energie neutraal (BENG). • De woningen worden gebouwd conform de Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Dit betekent dat de woningen niet worden aangesloten op het gas, maar ‘all electric’ zijn. Dit principe kan op verschillende manieren. Voor dit project is er gekozen voor een combiwarmtepomp (lucht-water), die zorgt voor zowel de verwarming (vloerverwarming - LTV) als het tapwater. Een ‘all electric’ systeem vraagt veel stroom, waardoor dit systeem met zonnepanelen een uitstekende combinatie is. • De woningen zijn voorzien van een goede thermische schil o Vloer ≥ 3,7 m²*K/W o Gevel ≥ 4,7 m²*K/W o Dak ≥ 6,3 m²*K/W • De totale luchtvolumestroom van de verblijfsgebieden, toiletruimte en badruimte is niet groter dan 0,2m3 /s. • De woningen hebben een milieuprestatie (MPG) van ten hoogste 0,8. • De opritten van de woningen worden voorzien van leidingdoorvoeren voor de mogelijkheid van een oplaadpunt voor elektrische voertuigen.
• De daken zijn geschikt voor zonnepanelen of voor bijvoorbeeld zonnecollectoren. Daarbij hebben de daken een goede oriëntatie (zuidwest). • De woningen worden gebouwd door gebruik te maken van duurzame materialen. Een onderdeel hiervan is dat de woningen worden opgezet middels houtskeletbouw. Dit is vergeleken met stapelbouw en gietbouw een relatief duurzame manier van bouwen. Dit zit ten eerste in de materialisatie (hout is een hernieuwbare grondstof wat CO2 vast houdt) en ten tweede in het materieelgebruik (kortere bouwtijd vanwege prefabricage). Daarnaast zullen, zoals in het BBL staat vermeld, alle toegepaste bouwproducten voorzien zijn van een erkende kwaliteitsverklaring (KOMO, IWA, KEMA, BRL of CE-markering). Regenwater • Het wordt steeds belangrijker om het regenwater te hergebruiken, omdat de kans op schaarste van zoet water in de toekomst steeds groter wordt. • De woningen worden aangesloten op regentonnen met een overloop. Hierdoor wordt het regenwater wat op de daken valt opgevangen. Dit regenwater kan gebruikt worden voor te tuin. De overloop van deze regentonnen worden aangesloten op de bestaande sloot aan de noordoostzijde van de woningen. Klimaatadaptatie • Door klimaatverandering is de verwachting dat er steeds langere perioden van droogte en hitte ontstaan. Opgaande beplanting zorgt voor schaduw en waterverdamping.
Daarnaast kan beplanting zorgen dat wateroverlast minder wordt.
53
•
De bestaande situatie bevat 647m² aan bebouwing. De nieuwe situatie zal 381m² aan bebouwing tellen (zonder bijgebouwen meegenomen). Tevens heeft de bestaande bestrating een omvang heeft van ca. 590m². Verwacht wordt dat dit in de toekomstige situatie ook minder is, maar dit is vanwege de keuzes van de bewoners lastig in te schatten. Wel betekent dit dat de ontwikkeling een forste vermindering van de bebouwing en bestrating als gevolg heeft en dat er dus ook meer ruimte is voor groen. Dit extra groen heeft een positief effect op de hittestress en de wateroverlast in de omgeving.
Biodiversiteit • Voor de beschermde diersoorten worden eventuele maatregelen die uit de quickscan flora en fauna en het aanvullend natuuronderzoek naar voren komen opgevolgd. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.