1276319 Bijlage 3 - Onderbouwing Fysieke Leefomgeving (OFL)
Tekst van het document
15 Waar tot in de late ijzertijd de landschappelijke ontwikkeling voornamelijk bepaald wordt door natuurlijke factoren zoals de morfologie van de ondergrond, de zeespiegelstijging en de gedifferentieerde afzettingen en opslibbing van sediment zal vanaf grofweg vanaf de Romeinse tijd de antropogene invloed geleidelijk aan een meer bepalende rol spelen in de vorming en afbraak van het landschap. 16 De ontwatering van het veen door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes resulteren in erosie van het oppervlakteveen en inklinken van het veenlandschap. De zee krijgt opnieuw vat op het laag gelegen Zeeuwse veengebied. De eerste tekenen van overstromingen van dit gebied dateren dan ook al uit de 2de helft van de 2de eeuw. Vanaf circa 250 n. Chr. kan de zee ook verder en breder het achterland voorbij de strandwallen instromen, waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstaat. 17 Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf deze periode resulteert in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich hebben ingesneden worden zandige pakketten afgezet en de hoger gelegen veengronden worden afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei.
De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand komen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland aan het oppervlak. Omstreeks 800 n. Chr. bestaat Zeeland grotendeels uit een langzaam opslibbend kweldergebied. De geleidelijk aan droger en stabieler wordende situatie biedt nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgenden vindt dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt ligt hier op schapenteelt en wolproductie. Vanaf dat ogenblik beginnen de bewoners zich ook met grootschalige bedijkingen tegen het water te beschermen en worden ook nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd. In het nieuwgewonnen land wordt naast landbouw en veeteelt ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen kan namelijk gebruikt worden bij de productie van zout. Het weggraven van het veen heeft echter ook een aanzienlijke verlaging van het maaiveld en een erosie van het leefoppervlak tot gevolg. 18 De degeneratie van het landschap in de late middeleeuwen wordt bovendien in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken, wat ertoe zal leiden dat dijkdoorbraken tijdens een stormvloed catastrofale gevolgen kennen, waarbij veel land verloren gaat.
Het oostelijk deel van Zuid-Beveland (het verdronken land van Zuid-Beveland) welke na zware stormen aan het einde van de 16e eeuw onder water komt te staan, is hiervan een van de bekendste exponent. Bovendien heeft dit ook fundamentele gevolgen voor de hydrografie van Zeeland. De hoofdstroom van de Schelde, die tot dat ogenblik via de Oosterschelde zijn weg naar de zee had gevonden, verlegt zich door de realisatie van een verbinding met de Honte zuidwaarts en vormt zo de Westerschelde. 19
14 Vos and Van Heeringen, 1997. 15
Vos and van Heeringen, 1997 paleogeografische kaart. 16 Vos and Van Heeringen: 1997. 17 Vos and van Heeringen: 1997. 18 Dekker, 1971, 20. 19 Vlam, 1944, Coen, 2008.
18
ARTEFACT RAPPORT 893
2.2.2
OUWERKERK HANEWEG 13
Aardkundige waarden
Geologie Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland 20 (niet afgebeeld) ligt het onderzoeksgebied binnen een zone met code Na7, hetgeen betekent dat hier het Laagpakket van Walcheren aanwezig is samen met de Formatie van Nieuwkoop (zeeklei en -zand met inschakeling van veen). Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland 21 (figuur 5) is het onderzoeksgebied gelegen in een zone met afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (hier Duinkerke IIIa volgens de oude nomenclatuur) op Hollandveen op afzettingen van het Laagpakket van Wormer (afzettingen van Calais volgens de oude nomenclatuur) (code AO.3a).
Figuur 5 Uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Bron: van Rummelen, 1967.
In het onderzoeksgebied is volgens de bijkaarten geen Basisveen aanwezig. De bovenkant van de pleistocene afzettingen ligt volgens de bijkaarten rond20 tot 25 m -NAP. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer hebben bovenin slechts een dun afdekkend laagje klei (minder dan 0,5 m).
20 TNO 2010, naar De Mulder et al., 2003. 21
Van Rummelen, 1967.
19
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Voor een meer gedetailleerde geologische reconstructie is beroep gedaan op gegevens uit het DINO-loket. Hier worden boringen verzameld en geanalyseerd tot geologische of bodemkundige modellen. Ten behoeve van dit onderzoek zijn de gegevens uit de GeoTop 1.6 22 geraadpleegd. Er bevinden zich in deze databank geen boringen die binnen of in de onmiddellijke omgeving van het onderzoeksgebied zijn uitgevoerd. Appelboormodellen, gegenereerd via het DINO-loket, 23 geven aan dat binnen het onderzoeksgebied tot een diept van 1 m -mv/ 1,75 m -NAP afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig zijn (zand en zandige klei). Hieronder ligt een veenpakket (Hollandveen) met een dikte van 1 m. Vanaf 2 m -mv/ 2,75 m -NAP komen vervolgens afzettingen van het Laagpakket van Wormer voor (kleiig zand met enkel kleilagen). Het Laagpakket van Wormer reikt in de modellen tot 19 m -mv/ 19,75 m -NAP. Bodem Op de Bodemkaart van Nederland (figuur 6) 24 ligt het onderzoeksgebied in een niet gekarteerd gebied, gevormd door de kern van Ouwerkerk. Ouwerkerk zelf is gelegen in een zone met geëgaliseerde kalkrijke poldervaaggronden in zavel, met moerig materiaal beginnend ondieper dan 0,8 m en dieper door gaand dan 1,2 m -mv (MN15Av met horizontale pijlen en golvende lijnen). Deze poldervaaggronden zijn met grondwatertrap VI goede ontwaterd.
Figuur 6 Uitsnede van de Bodemkaart. Bron: Pleijter, 1994.
22
Gegevens geraadpleegd op 18-03-2024.
23 www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 24
Pleijter, 1994.
20
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Volgens de Bodemkundige overzichtskaart van Schouwen-Duiveland, gepubliceerd door Kuipers in 1960 (figuur 7) bevindt het onderzoeksgebied zich binnen een zone met code 7. Dit wil zeggen dat hier sprake is van jonge overgangsgronden; deze worden gerekend tot het Middelland. Jonge overgangsgronden liggen op de overgang van kreekruggen naar de poelen en hebben dus een hogere grondwaterstand dan de kreekruggronden. Kuipers gaat uit van een indeling in Oudland, Middelland en Nieuwland. Deze indeling wordt sinds het verwerpen van het transgressiemodel niet meer gebruikt, maar is nog wel bruikbaar omdat het gebaseerd is op een landschappelijke evolutie sinds de Middeleeuwen. Dit idee vertrekt vanuit middeleeuwse kerngebieden: het Oudland. Dit Oudland wordt gevormd door kreekruggen en komgronden die tussen 1000 en 1200 n. Chr. werden bedijkt. Het Middelland wordt gevormd door het actief inpolderen van nieuwe op- en aanwassen tussen 1200 en 1500. Door stormvloeden kwamen oude polders soms opnieuw onder water te staan. De her-ingepolderde bodem wordt ook tot het Middelland gerekend. Met Nieuwland worden de nieuwe en de herbedijkte gebieden bedoeld, ontstaan tussen 1500 en 1900. De landwinst is beperkt tot het bedijken van stille hoeken en dichtgeslibde kreken en het herstellen van overstroomde polders.
25 De polder waarbinnen Ouwerkerk gelegen is heeft als basis oudland, dit dagzoom nog plaatselijk (bruine gebieden op figuur 7), in grote delen van de polder hebben zich echter recenter middellandafzettingen gevormd (groenbruin, nrs. 6-7 op figuur 7). De polder wordt ook doorsneden door enkele nieuwland-kreken en de hierlangs gelegen oeverwallen en plaatgronden en schorren (nummer 9-12).
Figuur 7 Uitsnede van de Bodemkundige overzichtskaart van Tholen. Bron: Kuipers, 1960.
25
Kuipers, 1960.
21
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Geomorfologie Projectie op de Geomorfologische Kaart van Nederland (figuur 8) 26 laat zien dat het onderzoeksgebied ook op deze kaart in niet gekarteerd gebied ligt. In de omgeving van Ouwerkerk komen plaatselijk vergraven en/of geëgaliseerde vlaktes van getijafzettingen voor (code 2M35 met horizontale pijlen). Ten noorden en noordoosten van de kern betreft dit vlaktes van plaatselijk gemoerde getijafzettingen (code 2M51).
Figuur 8 Projectie van het onderzoeksgebied (in rood) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Wolfert, 1991.
Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in het onderzoeksgebied en de omgeving (figuur 9). Daaruit wordt duidelijk dat Ouwerkerk gelegen is in een relatief laag gelegen oude polder (blauwtinten op figuur 9). In het oosten van de polder bevindt zich een zone met hoger gelegen jongere afzettingen (nieuwland plaat- en oeverwalgronden langs een nieuweland-kreekbedding (oranje en geeltinten op figuur 9). Buiten deze oude polder hebben zich langere nieuwe afzettingen gevormd, deze nieuwlandgebieden zijn dan ook hoger gelegen en vertonen een meer uitgesproken reliëf met oeverwallen, platen en lager gelegen voormalige kreekbeddingen. De verschillende bedijkingen zijn herkenbaar in het dijkpatroon (rode lijnen).
26
Wolfert, 1991.
22
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Figuur 9 Projectie van het onderzoeksgebied (in lichtblauw) op een bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).
Indien verder wordt ingezoomd (figuur 10), valt op dat het centrum van Ouwerkerk (de kerkring en de Zuidstraat) hoog gelegen is (tot ruim 2,3 m +NAP, roodtinten). Het gebied ten zuidoosten hiervan, tot aan de Phoenixstraat en Noorsestraat, is lager gelegen dan deze kern (0,2 tot 08 m +NAP) maar vormt nog steeds een hoger gelegen gebied in vergelijkeng met de omliggende zones (0,7 tot 1 m -NAP). Duidelijk is dat hier sprake is van enige antropogene invloed. Verder geeft de hoogtekaart geen specifieke aanwijzingen voor eventuele archeologische vindplaatsen in of rond het onderzoeksgebied, de aanwezigheid van bebouwing en verharding in de omgeving beïnvloed ook het beeld. Het maaiveld bedraagt in het onderzoeksgebied circa 0,6 tot 0,8 m -NAP.
23
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Figuur 10 Projectie van het onderzoeksgebied (in lichtblauw) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).
2.3
Historie
2.3.1
Historisch-geografische ontwikkeling
Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het onderzoeksgebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die gemaakt op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18de eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend voor deze periode moeten dan ook als indicatief worden beschouwd. Betrouwbare historische gegevens voor het gebied rondom Ouwerkerk uit de periode voor de dijkenbouw zijn uitermate schaars. Het gebied is gelegen in de polder Vierbannen van Duiveland. Verondersteld wordt dat de eerste bedijkingen van Duiveland rond 1100 plaatsvonden, waarbij het gebied rondom Ouwerkerk het oudst bedijkte gebied vormt. Dit betreft hier ingepolderde aanwassen ten oosten van de Goude.
De benaming Duiveland is gekend uit stukken vanaf de 10e eeuw, de Vierbannen van Duiveland (welke gevormd wordt door de bannen van Ouwerkerk, 24
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Nieuwerkerk, Kapelle en Botland) worden voor het eerst vernoemd in een verdrag uit 1206 27, op dat tijdstip moeten deze gebieden dan ook allen reeds ingepolderd zijn. In de 14e en 15e eeuw wordt het poldergebied nog in oostelijke en noordoostelijke richting aangevuld met enkel nieuwe polders (de polders Ooster- en Sirjansland, Groot-Beyeren en Klein-Beyeren en later ook nog Bruinisse). De kern van Ouwerkerk lijkt te worden gevormd door een bergje (voormalige motte?) waarbij een kerk is gesticht. 28 Deze kerk, gewijd aan St. Geetruid, is een dochterkerk van het kapittel van de Oudmunster van Utrecht en vormt later de moederkerk van onder andere het nabijgelegen Nieuwerkerk. 29 Op de kaart van Christiaan Sgrooten (zie figuur 11) uit 1573 vormt Duiveland nog steeds een afzonderlijk eiland, gescheiden van Schouwen door de Goude. Deze kaart geeft een goed beeld van de omvang van het bedijkte land in de omgeving, de bebouwing van de verschillende nederzettingen, de omvang en vorm van de polders alsook het verloop van de dijken is echter niet echt nauwkeurig waardoor een projectie van het onderzoeksgebied niet mogelijk is. Het gebied is gelegen ten zuidwesten van Ouwerkercke.
Figuur 11 Uitsnede van de Effluxus Mosae et duorum cornuum Rheni in mare Britannicu[m] door Sgrooten, 1573. De globale ligging van het onderzoeksgebied is met een rode cirkel aangegeven. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België.
Rond 1600 is het water de Gouwe dermate sterk verzand dat het ten westen hiervan gelegen Zierikzee zich genoodzaakt ziet deze te vervangen door een nieuwe gegraven verbinding naar de Oosterschelde. Met het verlanden
27 Cossee-de Wijs, Moerland en Uil, 1985.
28
Door Kuipers wordt evenwel geen bergje vermeld in de kern van Ouwerkerk. Kuipers, 1984. 29 Romeijn, 1986.
25
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
van de Gouwe en de hierop volgende inpolderen van de voormalige bedding ontstaat er een landverbindingen tussen Schouwen en Duiveland. 30 Een smalle restkreek blijft als het Dijkwater bestaan, met daarin de haventjes ‘De Staart’ bij Sir Jansland; de ‘Stevensluis’ aan de sluis bij de geul richting Nieuwerkerk en het haventje de ‘Beldert’ ten zuiden van Dreischor. Op de kaart van Zeeland door Visscher uit circa 1650 is de situatie in de eerste helft van de 17e eeuw te zien (figuur 12). Op deze kaart worden, behalve de diverse parochies, in vergelijking met de oudere kaarten voor het eerst individuele voorname bebouwing, weginfrastructuur en dijken weergegeven. Dit betreft echter een vereenvoudigd beeld. De wegen tussen de woonkernen en ook de ligging van de kerken en de bewoning van de dorpen staan vaak niet op de juiste plaats aangegeven. Ook het patroon van de verschillende polders en dijken is afwijkend waardoor een exacte projectie van het onderzoeksgebied niet mogelijk. Op deze kaart wordt Ouderkercke weergegeven als een dorp met meerdere kruisende wegen en kerk en tal van gebouwen langs de wegen. Het patroon van de kerkring en de aansluitende wegen zoals dit heden nog bestaat wordt niet op deze kaart weergegeven. Projectie van het onderzoeksgebied is dan ook niet goed mogelijk, het bevindt zich ten zuidwesten van de kern van Ouderkercke, ten zuiden van de bebouwde delen.
Figuur 12 Uitsnede van de Zelandiae comitatus N. Visscher, 1656. Bron: Zeeuws Archief, nr 294_850-32.
Kaartmateriaal van Hattinga (figuur 13) uit het midden van de 18de eeuw is al betrouwbaarder en schaalvaster dan de kaart van Visscher. Hierop zijn in de omgeving van Ouwerkerke meerdere toponiemen, infrastructuur en bebouwing aangegeven. Op deze kaart vertoont de dorpsplattegrond al sterke gelijkenissen met de huidige situatie: de kerkring met aan de zuidwestzijde een toegangsweg en aan de noord- oost en zuidoostzijde een hoekig stratenpatroon. Langs de kerkring en (huidige) Zuidstraat staat vrijwel aaneengesloten bebouwing weergegeven. De kaart is niet schaalvast genoeg om het onderzoeksgebied er exact op te projecteren, maar wel valt grofweg aan te nemen dat het
30
Encyclopedie van Zeeland: Schouwen-Duiveland.
26
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
onderzoeksgebied op de kaart van Hattinga buiten het bebouwde gebied te situeren is, net ten zuiden van twee gebouwtjes die zich ten zuiden van de voorloper van de huidige Phoenixstraat bevinden.
Figuur 13 Uitsnede van de Kaarte der eylanden Schouwen en Duiveland door de gebr. Hattinga uit 1752. De ligging van het plangebied is met een rode cirkel aangegeven. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, 293-73.
Op 9 oktober 1763 vindt er een ernstige dijkval plaats aan de zuidwestelijke zijde van de polder, waarbij de zeedijk ternauwernood gered kon worden. Deze dijk bezwijkt uiteindelijk in 1787, intussen is echter al een inlaagdijk aangelegd die vanaf dat tijdstip als zeedijk in functie is getreden. 31 De vroeg 18e-eeuwse situatie is te zien op het Minuutplan van de Kadastrale Kaart uit 1812-1832. Met de invoer van het kadaster worden namelijk voor het eerst nauwkeurige kaarten van geheel Nederland gemaakt. De Minuutplannen, waarop het uiteindelijke kadaster gebaseerd zal worden, geven de omvang van de aanwezige gebouwen, de ligging van wegen, dijken en waterlopen en de ligging (maar niet de fysieke vorm) van de grenzen van de verschillende kadastrale percelen weer. Het onderzoeksgebied maakt op dat moment deel uit van de kadastrale gemeente Ouwerkerk, sectie D. Het omvat delen van drie verschillende percelen en wordt in het noordoosten doorsneden door een weg, dit betreft volgens een opschrift op het originele analoge minuutplan een voetpad. In het zuidwesten valt het onderzoeksgebied samen met een erf waarop (buien het onderzoeksgebied) een hoofd- en bijgebouw gelegen zijn.
Het belastbaar gebruik (volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel) van de verschilleden percelen die door het huidig onderzoeksgebied overlapt worden is op figuur 14 aangegeven (dit betreft bouwland, weiland, tuin en erf).
31
Cossee-de Wijs, Moerland en Uil, 1985
27
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Figuur 14 Projectie van het onderzoeksgebied op een gedigitaliseerde weergave van de Minuutplannen van de Kadastrale Kaart uit omstreeks 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland/ CHS.
In figuur 15 kan de verdere evolutie in de omgeving tussen circa 1850 en 2005 gevolgd worden. De topografische kaarten laten echter slechts globale vatstellingen toe, voor een gedetailleerd zicht op de evolutie van het gebied zijn deze niet exact genoeg. In 1916 wordt een gebouw aangegeven in het zuiden van het plangebied, mogelijk betreft het hier een schuur bij de reeds aanwezige 19e eeuw erf. In 1950 is het gebied volledig als bebouwd en bestraat aangegeven. Tussen 1950 en 1968 vinden bij de ruilverkaveling grootschalige ingrepen plaats. De weg die tot 1950 het gebied in het noordwesten doorkruist verdwijnt en ook de in 150 aangegeven bebouwing is geheel uit beeld. Ook in de ruime omgeving is de ingrijpende aanpassing van de percelering en het wegenpatroon zichtbaar. Tegen 1985 is het huidige schoolgebouw gebouwd. Niet zichtbaar op de topografische kaarten is de inundatie van het gebied op het einde van de Tweede Wereldoorlog. Dit betreft een moedwillige inundatie door de Duitse bezetters die vanaf maart 1944 is doorgevoerd in het kader van de uitbouw van de verdediging. Hiertoe diende de bevolking van Schouwen begin maart 1944 te evacueren. Om het gebied te inunderen worden hierna de verschillende afwateringssluizen bij laag water gesloten en worden deels bij hoogwater de sluizen geopend zodat het zeewater het gebied in kan vloeien.
Gedurende deze periode komt ook het onderzoeksgebied onder water te staan (zie afbeelding 16), enkel de schuur die vanaf 1916 op de topografische data staat aangegeven is herkenbaar. Beelden van augustus 1945 laten zien dat het water op dat tijdstip vrijwel volledige verdwenen is.
28
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Figuur 15 Uitsneden van de topografische (militaire) kaarten uit 1850 tot 2005. Bron: Esri Nederland/ Kadaster.
29
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Figuur 16 Uitsnede van een luchtfoto van 29 december 1944. WUR library ID 316517.
Figuur 17 Uitsnede van een luchtfoto van 27 augustus 1945. WUR library ID 299939.
30
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Bij de watersnood van 1953 komt het volledige gebied rondom Ouwerkerk opnieuw onder water te staan, enkel het hoger gelegen centrum rondom de kerkring blijft gespaard (al leiden ook deze gebouwenschade). Een luchtbeeld uit februari 1953 (figuur 18) laat tussen het drop en de zeedijk (bovenaan het beeld) een uitgestrekte watervlakte zien, met daarin door water omgeven gebouwen en enkel percelen die net iets droger gebleven zijn. Het huidig onderzoeksgebied bevindt zich te buiten (rechts van) het beeld.
Figuur 18 Foto van 9 maart 1953. Op de voorgrond is de kern van Ouwerkerk zichtbaar. Achteraan de doorbroken zeedijk. Bron: Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie, objectnummer 2109_P111_C44_020.
31
ARTEFACT RAPPORT 893
2.3.2
OUWERKERK HANEWEG 13
Verstoringsgeschiedenis
Bodemloket In het Bodemloket en de website Bodemrapportages Zeeland worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van het Bodemloket 32 leert dat het onderzoeksgebied in 2017 onderzocht is. Hierbij zijn geen elementen vastgesteld die aanleiding vormen tot nader onderzoek of een sanering. Historische gegevens Voor zover op basis van de beschikbare data kan achterhaald worden is in het onderzoeksgebied voorafgaand aan de 20e eeuw niet gebouwd. In de 20e eeuw is eerst een schuur gebouwd (zichtbaar in 196) en vervolgens een dichte bebouwing (zichtbaar in 1950). NA de ruilverkaveling tussen 1950 en 168 is het gebied onbebouwd gebleven tot de huidige school gebouwd is. In het noordwesten van het onderzoeksgebied heeft in de 19e eeuw een pad gelegen en tot iets voor 1950 een weg. Deze is met de ruilverkaveling verdwenen. Met de bouw en sloop van gebouwen zal de bodem enigszins verstoord zijn, dit zal vermoedelijk voor wat betreft de oudere bebouwing, voorafgaand aan de huidige school, eerder beperkt zijn. Ook de verharding en verwijdering van de voormalige weg in het noordwesten kan voor enige oppervlakkige verstoring gezorgd hebben. De inundatie van 1944 en overstroming van 1953 hebben naar verwachting ook enige invloed gehad op het gebeid.
Dit kan zowel voor erosie (-eventueel erosiegeultjes) of juist sedimentatie van een overstromingsdek met zand en slib hebben gezorgd. KLIC Er bevindt zich in het noorden van het onderzoeksgebied meerdere kabels en leidingen, dit betreft huisaansluitingen. Gegevens (gemeente)archief, bouwtekeningen, opdrachtgever De gemeentearchieven van vóór 1990 zijn ondergebracht in het Zeeuws Archief in Middelburg, dat digitaal middels de website werd geraadpleegd. Uit dit archief blijkt dat het schoolgebouw in 1980 gebouwd is en in 2006 nog uitgebreid is. De opdrachtgever beschikt niet over bouwtekeningen van de huidige situatie.
2.4
Archeologische waarden
In deze paragraaf worden de bekende archeologische gegevens opgesomd binnen een straal van 500 m rond het onderzoeksgebied. Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. Het onderzoeksgebied is niet gelegen binnen de contouren van een AMK-terrein. Iets ten noorden ligt een terrein met hoge archeologische waarde. Dit betreft de oude dorpskern van Ouwerkerk (monumentnr. 13408). In 1955 zijn bij het graven van een c.v.-kelder in de huidige kerk op 1.5 m diepte zware fundamenten aangetroffen die wellicht tot deze eerste kerk hebben behoord. In
32
www.bodemloket.nl en https://zeeland.nazca4u.nl/Rapportage/, geraadpleegd op 21 maart 2024.
32
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Ouwerkerk schijnt sprake te zijn van een oude kernheuvel waarvan het hoogste punt ligt in de Zuidstraat, op circa 50 meter ten zuiden van de kerk. Eerder uitgevoerd onderzoek Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat in het onderzoeksgebied nog geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden. In een straal van 1 km rond het onderzoeksgebied hebben eveneens nog geen onderzoeken plaatsgevonden. In onderstaande tabel wordt de vondstlocaties kort besproken die in Archis bekend is in een straal van 1 km rond het onderzoeksgebied. De nummers in de linker kolom corresponderen met de blauwe nummers in figuur 19.
Figuur 19 Vondstlocaties in de omgeving van het onderzoeksgebied. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023.
Nr.
Vondst locatie
Datering
Aard van de vondsten
1
1099935
MEL
Particulier uit Ouwerkerk vond op een akker ten westen van zijn woonplaats 12 gespen, 4 muntjes en een sterfibula uit de periode 11e-15e eeuw. De vondsten lagen geconcentreerd in een diameter van circa 30 m op een lichte verhoging. Mogelijk is het de plek van een vliedberg geweest.
2
1093601
ROM-NT
Een particulier meldde diverse metaalvondsten, die hij had aangetroffen op een akker ten westen van Ouwerkerk. Volgens de grondeigenaar zijn de vondsten 33
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
niet uit opgebrachte grond afkomstig. Het betreft gespen en gewichten uit de middeleeuwen tot nieuwe tijd en een drietal laat-Romeinse munten. 3
1116233
ROM
Particulier uit Ouwerkerk vond op een akker bij Ouwerkerk een groot fragment van een bronzen bel. Datering: vermoedelijk Romeinse tijd. In de directe omgeving had hij al eerder een aantal muntjes uit de laat-Romeinse tijd gevonden.
4
1191299
MEL
Collectiebeschrijving, geen vondst. Betreft Andenne-aardewerk.
5
1052089
MEL-NT
Melding van de kerk van Ouwerkerk.
6
1054661
MEL
Melding van een molenberg.
7
1073517
MEL
Melding van een verdwenen motte, Hof van Hoogerwerf.
8
1052085
MEL-NT
Melding van een verdwenen versterkt huis.
Samenvattend blijkt uit bovenstaande informatie dat er een potentieel geldt voor vindplaatsen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd in de omgeving van het onderzoeksgebied. In de omgeving zijn ook enkele Romeinse vondsten aangetroffen, aangezien het hier vondsten betreft die niet het gevolg zijn van graafwerk rijst de vraag of het hier vondsten zijn die verspoeld en/of opgespoeld zijn bij de overstromingen in de 20e eeuw. Overige meldingen Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (mail helpdesk archeologie d.d. 22 maart 2024) heeft geen aanvullende informatie opgeleverd t.a.v. het onderzoeksgebied. Gemeentelijke beleidsadvies- en/of waardenkaarten Het gemeentelijke archeologieplan van Schouwen-Duiveland is in 2008 door Past2Present opgesteld, in datzelfde jaar door de gemeenteraad vastgesteld en sindsdien geldig als beleid. 33 In het gemeentelijke archeologiebeleid is geen onderzoeksagenda opgenomen met thema’s die richtinggevend kunnen zijn bij het nemen van selectiebesluiten en het bepalen van de randvoorwaarden voor archeologisch (vervolg)onderzoek. Op de Beleidskaart Schouwen-Duiveland Buitengebied is het hele plangebied te situeren binnen Plangebied A. Dit wil zeggen dat hier sprake is van een gebied waar zich in de gestapelde landschappen een landschap met hoge of middelhoge verwachting bevindt.
Luchtfotoanalyse Luchtfoto’s kunnen in soms aan de hand van herkenbare soil- en/of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen (of verstoringen) in de bodem. In het kader van dit onderzoek zijn meerdere luchtfoto’s geraadpleegd: 1944 en 1945 (Wageningen University & Research), 1959, 1970, 2003 en satellietfoto’s uit 2005 en 2007 t/m 2022 (allen Atlas van Zeeland). Een beelden uit 1944 en 1945 zijn eerder in dit rapport al opgenomen (figuren 16 en 17). Op het beeld uit 1959 (figuur 20) is het onderzoeksgebied onbebouwd, in het noordoosten is wel een pad gelegen. De situatie is dezelfde in 1970 zij het dat er op dat tijdstip tal van bomen in het gebied aanwezig zijn. De beelden vanaf de 21e eeuw laten de huidige situatie zien met het schoolgebouw, parkeervakken, verhardingen (speelplaats) en groen (gras en bomen).
33
Beleidsplan archeologie Schouwen-Duiveland. Past2Present 2008; De Boer 2008.
34
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Figuur 20 Projectie van het onderzoeksgebied op een luchtfoto uit 1959. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.
Figuur 21 Projectie van het onderzoeksgebied op een luchtfoto uit 1970. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.
35
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Figuur 22 Projectie van het onderzoeksgebied op een luchtfoto uit 2005. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.
2.5
Bouw- en cultuurhistorische waarden
Bouw- en cultuurhistorische waarden Om vast te stellen of binnen, of direct grenzend aan, het onderzoeksgebied waardevolle bouwhistorische of cultuurhistorische elementen voorkomen, is het Geoloket Cultuurhistorie van de provincie Zeeland geraadpleegd. Er komen binnen het onderzoeksgebied geen Rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of MIP-objecten voor. Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat het onderzoeksgebied niet gelegen is binnen de zone die stelling of operatiegebied staat aangegeven.
36
ARTEFACT RAPPORT 893
2.6
OUWERKERK HANEWEG 13
Archeologisch verwachtingsmodel
Aan de hand van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. De bodem bestaat binnen het onderzoeksgebied naar verwachting uit dagzomende afzettingen van het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen op afzettingen van het Laagpakket van Wormer. Het onderzoeksgebied ligt in een gebied waar gemoerd is, het is dan ook niet uit te sluiten dat het Hollandveen plaatselijk vergraven is. Het maaiveld ligt op de meeste plaatsen in het plangebied tussen 0,6 tot 0,8 m -NAP, in onderstaande verwachtingsmodel is rekening gehouden met de gemiddelde hoogte van 0,7 m -NAP. Oude getijdenlandschap - Laagpakket van Wormer – Formatie van Naaldwijk Datering
Neolithicum
Complextype Soort vindplaats
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, agrarische productie en voedselvoorziening. Vindplaatsen met zowel grondsporen als een vondststrooiing.
Omvang
Huisplaats: 500-2.000 m².
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal.
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m².
Diepteligging
Vanaf circa 2,75 m-NAP (2,05 m -mv).
Locatie
Volledige onderzoeksgebied
Gaafheid en conservering
Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal.
Mogelijke verstoringen
Geen.
Na afloop van de vorming van de marine afzettingen die het Laagpakket van Wormer vormen is in principe bewoning mogelijk. Eventuele bewoning uit het neolithicum is dan ook te verwachten bovenin deze afzettingen. In gebieden met een hoog gelegen zandige bovenzijde is de verwachting hoger, in gebieden met een kleiige bovenzijde van het pakket is de verwachting laag. In het onderzoeksgebied wordt de top van deze afzettingen van het Laagpakket van Wormer op basis van de beschikbare gegevens uit eerder onderzoek in de omgeving verwacht op een diepte vanaf circa 2,75 m -NAP/ 2,05 m -mv. Binnen het huidig onderzoeksgebied lijken op basis van de DINO-gegevens kleiige zandafzettingen aanwezig, dit betreft dan ook een landschap dat redelijk goed ontwaterd zal zijn en bijgevolg kansen op bewoning bood. Echter, eerder aangetroffen vindplaatsen uit het neolithicum (zoals bvb. de vindplaats Brabers, kort ten zuid(oost)en van Burgh) liggen merkbaar hoger (op circa 1 m -NAP) en zullend dan ook beter ontwaterd zijn dan het huidig onderzoeksgebied. Er wordt dan ook een middelhoge verwachting aangehouden. Veenlandschap – Hollandveen Laagpakket– Formatie van Nieuwkoop Door definitieve sluiting van de kustbarrière rond 4.000 jaar geleden verslechterde de afwatering in het gebied en vond op uitgebreide schaal veengroei plaats. De bewoningsmogelijkheden namen hierdoor af.
Dit zich ontwikkelende veenmoeras zal in deze periode (bronstijd – midden-ijzertijd) vrijwel alleen door mensen zijn gebruikt voor activiteiten die van tijdelijke aard waren. Te denken valt aan al of niet rituele deposities of overblijfselen van vervoer (achtergelaten kano, knuppelweg door het veen). De verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de periode bronstijd-midden ijzertijd in (de onderzijde van) het veen wordt daarom ook laag geacht. Het zijn bovendien puntlocaties, die moeilijk 37
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
met geijkte onderzoeksmethoden op te sporen zijn, waardoor ook de kans op het aantreffen daarvan bijzonder klein wordt geacht. In de loop van de ijzertijd drong de zee het veengebied binnen, hetgeen in eerste instantie gunstige bewoningscondities creëerde. De geulen, maar ook door de mens gegraven afwateringskanalen (vanaf de Romeinse tijd) zorgden voor drainage van het omliggende veenmoeras, waardoor delen van het veengebied droger en steviger werden (te herkennen aan een veraarde top van het veen). Op het grondgebied van de gemeente Schouwen-Duiveland werden reeds eerder vindplaatsen uit deze perioden aangetroffen in het oudland. In de onmiddellijke omgeving van het onderzoekgebied zijn ook enkele losse vondsten van Romeinse datering aangetroffen door particulieren. Dit betreft echter mogelijk verspoelde materialen. In-situ vondsten zijn tot op heden niet vastgesteld. Omdat er voor de omgeving van het onderzoeksgebied daarenboven aanwijzingen zijn voor moernering geldt er slechts een middelhoge verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit deze periode in de top van het veen. Indien het veen inderdaad gemoerd is vervalt de archeologische verwachting voor de late ijzertijd en Romeinse tijd. Datering
Late ijzertijd – Romeinse tijd
Complextype
Rurale nederzettingen, grafvelden, sporen gerelateerd aan ambachtelijke activiteiten, infrastructuur Grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels) en houten paaltjes in het veen, bodembewerking in functie van de landbouw; vondststrooiing mogelijk
Soort vindplaats Omvang
Huisplaats: 500-2.000 m²; Nederzetting: 2.000-8.000 m²
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; mogelijk voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
Op en in de intacte top van het Hollandveen: vanaf circa 1,75 m -NAP/ 1,05 m -mv.
Locatie
Hele onderzoeksgebied
Gaafheid en conservering
Matig: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor anorganisch materiaal, maar organisch materiaal mogelijk slechter bewaard door zure omstandigheden in veen; veen mogelijk aangetast door veenwinning en/of erosie
Mogelijke verstoringen
Mogelijk gemoerd.
Jong getijdenlandschap - Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk Het onderzoeksgebied ligt in een middeleeuwse polder, ten zuiden van een dorpskern met een (vol-)middeleeuwse oorsprong. Het terrein heeft in de middeleeuwen vermoedelijk onderdeel uitgemaakt van de agrarische omgeving, de aanwezigheid van oudere of meer geïsoleerd gelegen (landbouw-)erven is echter niet uitgesloten. Er geldt dan ook nog steeds een middelhoge verwachting voor resten uit middeleeuwen. Datering
Middeleeuwen
Complextype
Soort vindplaats
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, afvalputten, waterputten, begraving, infrastructuur (perceelsloten), agrarische productie en voedselvoorziening, grondstofwinning Vindplaatsen met alleen grondsporen; mogelijk vondststrooiing; Off-site vindplaatsen
Omvang
Huisplaats: 500-2.000 m²
38
ARTEFACT RAPPORT 893
Uiterlijke kenmerken
OUWERKERK HANEWEG 13
Vondstdichtheid
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
Direct onder de bouwvoor/verstoorde bovenlaag
Locatie
Volledige onderzoeksgebied
Gaafheid en conservering
Matig: mogelijk deels aangetast door het 20e-eeuwse gebruik
Mogelijke verstoringen
Bouw (en sloop) van voormalige en huidige bebouwing
Ook op 17e-eeuwse en 18e-eeuwse kaarten zijn geen aanwijzingen aanwezig voor bebouwing in dit gebied. Vanaf de 19e eeuw wordt het gebied in het noordwesten doorkruist door een weg/pad en maakt het gedeeltelijk deel uit van een erf, in de vroege 20e eeuw wordt dan ook een schuur gebouwd in het zuiden van het onderzoeksgebied. De weg en schuur worden tegen het einde van de jaren ‘50 uit gebruik genomen, het wegdek wordt opgebroken en de schuur wordt gesloopt. Nieuwe gebouwen (huidige school) komen er in de jaren ’80. Op basis van kaartprojecties, historische bronnen en bekende archeologische gegevens bestaat er voor het plangebied dan ook een hoge verwachting voor bewoningssporen en uit de 19e tot 20e eeuw en voor resten van een weg vanaf de 19e eeuw. Vindplaatsen uit deze perioden kunnen worden aangetroffen direct onder het maaiveld in ophooglagen en in, en op de top van, de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Aanvullend dient wel opgemerkt dat door de verschillende inrichtingswerkzaamheden (afbraak historische bebouwing en weg en bouw en aanleg van de bestaande schoolgebouw en bijhorende verhardingen) delen van het onderzoeksgebied deels verstoord kunnen zijn. Datering
Nieuwe tijd (19e en 20e eeuw)
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: schuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening Weg: ophoog- en verhardingslagen, eventueel bermsloten
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen grondsporen; mogelijk vondststrooiing; off-site vindplaatsen
Omvang
Huisplaats: 500-2.000 m²; nederzetting: 2.000-8.000 m²
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Vondstdichtheid Diepteligging
Mogelijk direct onder het maaiveld en in de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren.
Locatie
In het zuiden en noordwesten van het onderzoeksgebied.
Gaafheid en conservering
Matig: mogelijk aangetast door verstoringen
Mogelijke verstoringen
Sloop- en bouwactiviteiten.
39
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1
Methoden
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO-O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak 34. Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan- of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen
4
Grid
Boringen zo goed mogelijk verspreid binnen onderzoeksgebied rekening houdend met de aanwezige obstakels en bebouwing
Dichtheid
Minimum van 4 boringen bij onderzoeksgebied kleiner dan 1 ha.
Plaats- en hoogtebepaling
RTK-GNSS (GPS & GLONASS, afwijking circa 3-4 m); AHN
Boorgegevens
Digitaal vastgelegd op iPad
Gebruikte codelijsten - standaard
(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)
Boordiepte
1,75-3 m -mv/ 2,67-3,65 m -NAP
Gehanteerde boor Opsporen indicatoren
Edelmanboor (Ø 7 cm), Gutsboor (Ø 3 cm) In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen
Monstername
Geen
Oppervlaktekartering
Geen
3.2
Geologie en bodem
Laagpakket van Wormer – Formatie van Naaldwijk Aan de basis van de boorprofielen is sprake van oude getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer. Dit is aanwezig vanaf een diepte tussen 1,35 en 1,7 m -mv/ 2,31 en 2,35 m -NAP. Het betreft wadafzettingen, bestaande uit matig tot sterk siltig matig fijn (licht blauw-) grijs zand. Dit zand is kalkloos en bevat rietresten. Dit zandpakket heeft dikte tussen 20-40 cm en gaat vervolgens (vanaf een diepte tussen 1,7 en 1,95 m -mv/ 2,46 en 2,68 m -NAP) over op zwak siltige, matig slappe licht blauwgrijze klei. Deze klei bevat ook telkens veel dunne zandlagen en is aan de top kalkloos.
34 Delporte, 02-04-2024: Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
Ouwerkerk Haneweg 13.
40
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Figuur 23 Boorpuntenkaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023.
Hollandveen Laagpakket – Formatie van Nieuwkoop In alle boringen is veen aangetroffen, behorend tot de Formatie van Nieuwkoop. Het veenpakket bestaat uit matig amorf donkerbruin tot zwart heideveen met wat rietresten. In boringen 2, 3 en 4 is het veen geërodeerd en is de overgang met het bovenliggende Laagpakket van Walcheren scherp en erosief. De dikte van het veenpakket varieert van circa 0,1 tot 0,25 m. Bij boring 1 lijkt het veen gemoerd en rest er slechts 3 cm. De bovenzijde van het bewaarde veenpakket bevindt zich op een diepte tussen 1,25 en 1,45 m -mv (2,1 en 2,28 m -NAP). Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk Het Hollandveen wordt afgedekt door afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Dit betreft wadafzettingen bestaande uit grijze matig tot sterk zandige klei. Deze veelal matig stevige klei bevat wat roestvlekken, zandlaagjes en is kalkrijk. Plaatselijk komen ook wat resten van schelpen voor. Deze wadafzettingen gaan onderin scherp tot erosief over op het onderliggende Hollandveen. In boring 1 zijn de wadafzettingen vergraven en rest van het onderliggende Hollandveen nog slechts 3 cm. Mogelijk betreft het hier een gemoerd pakket (zijn de Walcherenafzettingen vergraven bij veenwinning).
De top van de ongestoorde afzettingen van het Laagpakket van Walcheren is in boringen 2-4 gelegen op een diepte tussen 0,7 en 1,3 m -mv (1,46 en 1,95 m -NAP), de top van het (mogelijk) gemoerde pakket in boring 1 is gelegen op 0,6 m -mv (1,48 m -NAP). 41
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Verstoorde laag In alle boringen is in de bovenzijde van het profiel een verstoorde laag aanwezig. Dit betreft een vergaven dan wel opgebracht pakket met sterk siltig matig fijn donker bruingrijs zand met bruingrijze vlekken en wortels. Het pakket is heterogeen en bevat sporen van baksteen en schelpen. Bij boring 3 bestaat het heterogene pakket niet uit zand maar uit matig zandige, zwak humeuze klei. De onderzijde van de verstoorde laag is gelegen op een diepte tussen 0,6 en 1,3 m -mv (1,46 en 1,95 m -NAP). In de top van het verstoporde pakket bevindt zich een laagje teelaarde, dit laagje is 10 tot 20 cm dik.
3.3
Archeologie
Tijdens het veldwerk zijn in geen van de boringen archeologische indicatoren of (cultuur)lagen aangetroffen. In het noordwesten van het plangebied is wel mogelijk moerneringsactiviteit vastgesteld. In de verstoorde laag bevinden zich wat sporen van puin.
42
ARTEFACT RAPPORT 893
4
Conclusie en advies
4.1
Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen
OUWERKERK HANEWEG 13
Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het onderzoeksgebied? In het onderzoeksgebied bevinden zich wadafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. In het noordoosten zijn deze vermoedelijk vergaraven bij het moeren. De top van de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren is aangetroffen op een diepte tussen 0,6 en 1,3 m -mv (1,46 en 1,95 m -NAP). Onder het Laagpakket van Walcheren bevindt zich Hollandveen. Dit veen is niet intact aangetroffen en is geërodeerd en in het noordwesten van het onderzoeksgebied mogelijk gemoerd. De bovenzijde van het veenpakket bevindt zich op een diepte tussen 1,25 en 1,45 m -mv (2,1 en 2,28 m -NAP). Het Laagpakket van Wormer is aangetroffen op een diepte tussen 1,35 en 1,7 m -mv/ 2,31 en 2,35 m -NAP. Het betreft zandige wadafzettingen die naar onder toe (vanaf 20 tot 40 cm onder de top) over gaan op slappe klei. Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? In alle boringen is in de bovenzijde van het profiel een verstoorde laag aanwezig. De onderzijde van de verstoorde laag is gelegen op een diepte tussen 0,6 en 1,3 m -mv (1,46 en 1,95 m -NAP). Het Hollandveen is nergens in het onderzoeksgebied intact bewaard.
Werden binnen het onderzoeksgebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het onderzoeksgebied en op welk niveau/diepte? In geen van de boringen zijn archeologische resten of aanwijzingen voor vindplaatsen aangetroffen. Cultuurlagen of afgedekte bewoningsniveaus zijn eveneens niet vastgesteld. De mogelijke moernering die in het noordwesten van het onderzoeksgebied is vastgesteld (boring 1) vormt wel een overblijfsel van menselijk handelen in het verleden. De datering van deze mogelijke moernering is niet gekend. Het gemoerde pakket is aangetroffen vanaf een diepte van 0,6 m -mv (1,48 m -NAP). Sporen van moerneringsactiviteiten worden in Zeeland relatief vaak aangetroffen. Het betreft hier veelal weinig complexe vindplaatsen waarvan de aard en functie van de sporen kan goed worden begrepen en geïnterpreteerd zonder nader onderzoek. Eventueel in het gemoerde pakket aanwezige archeologische vondsten bevinden zich in secundaire context en leveren bijgevolg weinig informatie over de perioden waarin deze kuilen zijn gegraven. Daarenboven is binnen het onderzoeksgebied het gemoerde pakket bovenin verstoord. Aan deze resten van moernering wordt in het kader van het huidig onderzoeksgebied dan ook een lage waarde toegekend. Deze resten worden dan ook verder buiten beschouwing gelaten.
Bestaat binnen het onderzoeksgebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het onderzoeksgebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Op het niveau van het Laagpakket van Wormer kan de middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit het neolithicum bijgesteld worden naar een lage verwachting. Er is slechts sprake van een zandlaag bovenop kleiafzettingen eerder dan een diep reikend zandpakket en er is geen sprake van duidelijk ontwikkelde bodem op de top van deze afzettingen anders dan de groei van veel riet dat reeds snel over gaan in het ontwikkelende veenmoeras. Hierbij dient wel gesteld dat off-site fenomenen niet kunnen worden uitgesloten. De top van het Laagpakket van Wormer is vastgesteld tussen 1,35 en 1,7 m -mv/ 2,31 en 2,35 m -NAP Voor wat betreft de verwachting voor resten uit de bronstijd tot midden-ijzertijd geldt nog steeds een lage verwachting (dit vanaf een diepte van 1,25 en 1,45 m -mv (2,1 en 2,28 m -NAP). Er is geen intact veen aangetroffen, er heeft namelijk 43
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
erosie en mogelijk ook moernering (in het noordwesten) plaatsgevonden. De verwachting voor de late ijzertijd en Romeinse tijd komt dan ook geheel te vervallen. De middelhoge verwachting voor de middeleeuwen kan bijgesteld worden naar laag. In geen enkele boring werden in de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren vuile lagen, cultuurlagen of archeologische indicatoren aangetroffen. Daarenboven is de top van het pakket tot een diepte tussen 0,6 en 1,3 m -mv (1,46 en 1,95 m -NAP) verstoord. Eventueel aanwezige vindplaatsen zullen hierbij grotendeels vergraven zijn. De hoge verwachting op het aantreffen van vindplaatsen uit de periode van de nieuwe tijd (vanaf de 19e eeuw) in de top van het Laagpakket van Walcheren kan, doordat het onderzoeksgebied nadien nog is verstoord, bijgesteld worden naar een lage verwachting. Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Concrete plannen met diepte van de geplande (graaf-)werkzaamheden zijn nog niet beschikbaar. Er geldt binnen het onderzoeksgebied voor alle niveaus (en perioden) een lage tot geen verwachting. Is het onderzoeksgebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd? Deze vraag wordt beantwoord in paragraaf 4.2.
4.2
Advies
In bovenstaande hoofdstukken wordt het archeologisch potentieel binnen het onderzoeksgebied geïllustreerd. Samengevat kan worden gesteld dat: De bovenzijde van het profiel verstoord is tot 0,6 en 1,3 m -mv (1,46 en 1,95 m -NAP). In, en op, de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren een lage verwachting bestaat op het voorkomen van vindplaatsen uit de middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Op het Hollandveen dat voorkomt vanaf minimaal 1,25 m -mv (2,1 m -NAP) een lage verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de bronstijd tot midden-ijzertijd en een geen verwachting voor vindplaatsen uit de late ijzertijd en Romeinse tijd. In, en op, het Laagpakket van Wormer dat voorkomt vanaf minimaal 1,35 m -mv/ 2,31 m -NAP een lage verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit het neolithicum. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is een Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA)omgevingsvergunning noodzakelijk. In het kader hiervan is voorliggend archeologisch onderzoeksrapport opgesteld. Op basis van de hierboven geschetste archeologische verwachting wordt de kans klein geacht dat er zich binnen het onderzoeksgebied archeologische vindplaatsen bevinden. De kans dat eventuele vindplaatsen verstoord zullen worden door de toekomstige bodemingrepen is aldus vrij klein. Archeologisch vervolgonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Concreet betekent dit dat geadviseerd wordt de geplande ontwikkeling te vergunnen zonder verder archeologisch onderzoek. Omdat er een uniform advies geformuleerd is voor het volledige plangebied wordt in het voorliggende rapport geen verwachtings- of advieskaart opgenomen. Hierbij dient het volgende opgemerkt. Het is nooit uit te sluiten dat waar geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke
44
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016). Om ervoor te zorgen dat aan deze wettelijke plicht wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, wordt verzocht om navolgende tekst in het uitvoeringsbestek op te nemen: Archeologie Ook daar waar tijdens vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden zijn aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid.
45
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Lijst met figuren Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023. ......................................... 7 Figuur 2 Ligging van het plan- en onderzoeksgebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023. ......................................................................................................... 8 Figuur 3 Voorlopige inrichtingstekening. Bron: opdrachtgever. ................................................................................. 13 Figuur 4 (deze en vorige blz.) Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging onderzoeksgebied. Bron: Vos en de Vries, 2018. ................................................................................................................................................ 17 Figuur 5 Uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Bron: van Rummelen, 1967. .......................................... 19 Figuur 6 Uitsnede van de Bodemkaart. Bron: Pleijter, 1994....................................................................................... 20 Figuur 7 Uitsnede van de Bodemkundige overzichtskaart van Tholen. Bron: Kuipers, 1960. ....................................... 21 Figuur 8 Projectie van het onderzoeksgebied (in rood) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Wolfert, 1991.
............................................................................................................................... 22 Figuur 9 Projectie van het onderzoeksgebied (in lichtblauw) op een bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM). .................................................................................. 23 Figuur 10 Projectie van het onderzoeksgebied (in lichtblauw) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM). ................................................................................. 24 Figuur 11 Uitsnede van de Effluxus Mosae et duorum cornuum Rheni in mare Britannicu[m] door Sgrooten, 1573. De globale ligging van het onderzoeksgebied is met een rode cirkel aangegeven. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België. ....................................................................................................................................................................... 25 Figuur 12 Uitsnede van de Zelandiae comitatus N. Visscher, 1656. Bron: Zeeuws Archief, nr 294_850-32. ......... 26 Figuur 13 Uitsnede van de Kaarte der eylanden Schouwen en Duiveland door de gebr. Hattinga uit 1752. De ligging van het plangebied is met een rode cirkel aangegeven. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, 293-73. .......................
27 Figuur 14 Projectie van het onderzoeksgebied op een gedigitaliseerde weergave van de Minuutplannen van de Kadastrale Kaart uit omstreeks 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland/ CHS. ......................................................... 28 Figuur 15 Uitsneden van de topografische (militaire) kaarten uit 1850 tot 2005. Bron: Esri Nederland/ Kadaster. ...... 29 Figuur 16 Uitsnede van een luchtfoto van 29 december 1944. WUR library ID 316517................................................. 30 Figuur 17 Uitsnede van een luchtfoto van 27 augustus 1945. WUR library ID 299939. ................................................. 30 Figuur 18 Foto van 9 maart 1953. Op de voorgrond is de kern van Ouwerkerk zichtbaar. Achteraan de doorbroken zeedijk. Bron: Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie, objectnummer 2109_P111_C44_020. ................ 31 Figuur 19 Vondstlocaties in de omgeving van het onderzoeksgebied. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023. ........................................................................................................ 33 Figuur 20 Projectie van het onderzoeksgebied op een luchtfoto uit 1959. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland. ............ 35 Figuur 21 Projectie van het onderzoeksgebied op een luchtfoto uit 1970. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland..............
35 Figuur 22 Projectie van het onderzoeksgebied op een luchtfoto uit 2005. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland. ............ 36 Figuur 23 Boorpuntenkaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023. ............................................ 41
46
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Bronnen Literatuur de Boer, G.H., 2008. Gemeente Schouwen-Duiveland; een archeologische waarden- en verwachtingskaart voor het buitengebied, (RAAP-Rapport 1453) Amsterdam. Coen, I., 2008. De eeuwige Schelde? Ontstaan en ontwikkeling van de Schelde. Borgerhout. Cossee-de Wijs, F., L.J. Moerland en H. Uil, 1985. Gebundelde inventarissen van de archieven van het Waterschap Schouwen-Duiveland. Dekker, C., 1971. Zuid-Beveland: de historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de Middeleeuwen, Van Gorcum, Assen. Kuipers, S.F., 1960. Een bijdrage tot de kennis van de bode van Schouwen-Duiveland en Tholen naar de toestand vóór 1953. Bodemkartering van Nederland Deel 19. Wageningen. Kuipers, S.F., 1984. Bergen en burgen op Schouwen-Duiveland. In: Kroniek van het land van de Zeemeermin, Vereniging Stad en Lande van Schouwen-Duiveland 9: 5-38. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1, 19 februari 2018, Stichting Infrastructuur en Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. de Mulder, E.F.J., T. Kuijt en M.G.F.M. van der Aa, 2003. De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Pleijter, G., 1994. Bodemkaart van Nederland, schaal 1: 50.000, Kaartblad 42. DLO-Staring Centrum, Wageningen. Provinciaal Blad van Zeeland, nr. 8080, 2019.
Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 10 december 2019, kenmerk 19434306, houdende vaststelling regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. Provincie Zeeland, 2017: Wie wat bewaart, die heeft wat. Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 20172020. Middelburg. Provincie Zeeland, 2021: Uitvoeringsprogramma Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2021. Romeijn, M.K., 1986. De bevangen van de Vierbannen van Duiveland. In: Kroniek van het land van de zeemeermin (Schouwen-Duiveland). Elfde jaargang 1986. Vereniging Stad en Lande van Schouwen-Duiveland, 5-34. van Rummelen, F.F.F.E., 1967. Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Blad Schouwen Duiveland. Rijks Geologische Dienst (RGD) Haarlem van Rummelen, F.F.F.E., 1978. Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland, Beveland, 1:50.000. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. van der Valk, L. en F. Beekman, 2021. Geologie en archeologie van de Kop van Schouwen, Gemeente SchouwenDuiveland. Deel 2: verslag over de periode 2012-2021. AWN Den Haag en Omstreken, Werkgroep ‘s-Gravenhage, Den Haag. Vlam, A.W., 1946. Bijdragen tot de geschiedenis van de Schelde. Archief, 1944-1945, pp. 32-50.
47
ARTEFACT RAPPORT 893
OUWERKERK HANEWEG 13
Vos, P.C. and R.M. van Heeringen, 1997. Holocene geology and occupation history of the province of Zeeland (SW Netherlands), in: Fischer, M.M., Holocene evolutions of Zeeland (SW Netherlands), Mededelingen Nederlands Instituut voor Toegapaste Geowetenschappen TNO, 59, 5-109. Vos, P. en S. de Vries 2018: 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Deltares, Utrecht. Op 25 september 2019 gedownload van www.cultureelerfgoed.nl. Wilderom M.H., 1964. Tussen afsluitdammen en deltadijken. Deel 2: Noord Zeeland (Schouwen-Duiveland, Tholen en St. Philipsland), Vlissingen. Wolfert, H.P., 1991. Geomorfologische Kaart van Nederland, schaal 1: 50.000, Kaartblad 42. Staring Centrum, RGD, Wageningen.