CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1276319 Bijlage 3 - Onderbouwing Fysieke Leefomgeving (OFL)

Gemeenteraad 30 januari 2025, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Woningbouw Haneweg 13 te Ouwerkerk (1276319)28.220 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

22

'weinig stedelijk' en 'rest bebouwde kom' gehanteerd. De woningen vallen binnen de categorie sociale huur. Hiervoor wordt een gemiddelde parkeerbehoefte van 1,6 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. In het 'parapluplan parkeernormen Schouwen-Duiveland' is opgenomen dat bij nieuwbouw en/of uitbreiding van gebouwen op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid dient te worden voorzien en in stand te worden gehouden, overeenkomstig het 'Parkeerbeleid 2017-2020' of het daarvoor in de plaats tredende parkeerbeleid. Hierbij wordt de parkeernorm berekend over het nieuw te bouwen of het te wijzigen gedeelte. Van bovenstaande kan afgeweken worden indien op een andere wijze in de benodigde parkeergelegenheid wordt voorzien, in het geval dat de noodzakelijke parkeergelegenheid in onvoldoende mate op eigen terrein kan worden gerealiseerd. Op basis van de kencijfers is er een parkeerbehoefte van 22,4 (=23) parkeerplaatsen, waarvan 4,2 parkeerplaatsen voor bezoekers van bewoners zijn. Ten behoeve van de ontwikkeling worden 29 parkeerplaatsen gerealiseerd binnen het plangebied. Het plangebied beschikt dus over ruim voldoende parkeergelegenheid en biedt daarmee restruimte voor het parkeren van voertuigen van overige woningen aan de Haneweg. Conclusie Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor vergunningverlening.

4.5 DUURZAAMHEID Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van en het voorzien in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee de behoeften van toekomstige generaties is gevaar te brengen. Duurzaam omgaan met de ruimte betekent onder meer rekening houden met de huidige gebruiksfuncties en de mogelijkheid voor toekomstige generaties om functies aan een gebied te geven. Bij duurzame gebiedsontwikkeling gaat het om duurzaam gebruik van materialen, energie, natuur en mobiliteit. Omdat duurzaamheid veel facetten heeft, is een integrale benadering noodzakelijk. Om een toekomstbestendige ontwikkeling tot stand te brengen is in de planontwikkeling veel aandacht besteed aan duurzaamheidsaspecten. De woningen worden zo energiezuinig mogelijk gerealiseerd. De woningen worden voorzien van zonnepanelen en een warmtepomp. Om de warmtevraag tot het minimum te beperken worden de woningen goed geïsoleerd. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor vergunningverlening. 4.6 GEZONDE LEEFOMGEVING Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de kaders van Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. Het aspect gezondheid is veelomvattend en zeer divers. Aan de meeste milieuaspecten (o.a.

luchtkwaliteit, geluid en geur) zijn in meer of mindere mate immers gezondheidsaspecten verbonden. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. 4.6.1 Milieuzonering Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ervoor zorgen dat voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten voorkomen wordt. Sommige activiteiten die vanuit een planologisch perspectief mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Motivering Het initiatief ziet op de ontwikkeling van een milieugevoelige functie (wonen). Het omgevingstype wordt beoordeeld als ‘rustige woonwijk’. Het plangebied grenst aan agrarische gronden, waarbij van belang is dat bestemmingsplanmatig fruitteelt uitgesloten is op gronden gesitueerd op minder dan 50 meter van woningen van derden. Sier- en bollenteelt is echter niet uitgesloten in het bestemmingsplan.

In het algemeen ziet de Afdeling een

23

afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid met gewasbeschermingsmiddelen niet als onredelijk. Gelet op de situering van het agrarische perceel grenzend aan het plangebied wordt niet voldaan aan deze afstand van 50 meter met betrekking tot de spuitzone. In de huidige situatie is er landschappelijke inpassing aanwezig. Als driftbeperkende maatregel zal aan de zuid- en westzijde van het perceel de bestaande haag worden aangevuld, zodat deze voldoende bescherming biedt tegen de drift. Het uitgangspunt is een wintergroenblijvende haag worden geplaatst van minimaal 2 meter hoog en drie meter breed langs de gehele grens met de agrarische bestemming. Door het treffen van deze maatregel blijft een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Het agrarisch perceel grenst reeds aan woonbestemmingen en wordt met het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling niet verder belemmerd in de bedrijfsvoering. In de onderstaande opsomming zijn de overige milieubelastende activiteiten die in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen benoemd. x x

Op circa 15 meter van het plangebied ligt een begraafplaats, het maatgevende aspect hiervoor is geluid. Binnen een rustige woonwijk geldt hiervoor een richtafstand van 10 meter. Op 60 meter van het plangebied ligt een kampeerterrein, het maatgevende aspect hiervoor is geluid. Binnen een rustige woonwijk geldt hiervoor een richtafstand van 50 meter.

Spuitzone Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone tot een voor drift gevoelige functie (waaronder wonen en bedrijf) aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. De 50 meter is in diverse uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2 of 21 april 2021 in zaak nr. 201903692/1R4) als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een richtafstand, waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt. De 50 meter richtafstand heeft zijn oorsprong in het Streekplan 1996 van de Provincie Gelderland en is daarmee al meer dan 25 jaar oud. Uit een uitspraak van de Afdeling1 volgt dat de afstand van 50 meter bedacht is voor de toelating van nieuwe gevoelige functies, nabij boomgaarden en boomteeltpercelen. Ten tijde van het beleid, dat is opgenomen in het Streekplan, gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde “Lozingenbesluit open teelt en veehouderij” en de bijbehorende “Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij” een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%.

Inmiddels geldt er op basis van het Bal de verplichting om bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen een techniek toe te passen die een driftreductie bereikt van ten minste 75%. Daarnaast moet bij de richtafstand de kanttekening worden gemaakt dat deze uitgaat van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, zonder enige vorm van drift reducerende voorzieningen in het overdrachtsgebied, zoals een windhaag. Ook de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen was in 1996 minder streng en door minder regels omgeven dan anno 2024 het geval is. Watergang Aan de zuid- en oostkant van het plangebied bevindt zich tussen de agrarisch percelen en het plangebied een watergang. Deze watergang is geen onderdeel van het plangebied en wordt om die reden in stand gehouden. Op basis van de legger oppervlaktewateren van het Waterschap Scheldestromen blijkt dat de watergang een primaire watergang betreft. De afbeelding hierna geeft een weergave van de ligging van de watergang. In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn teeltvrije zones gereguleerd ter bescherming van het oppervlaktewaterlichaam. Teeltvrije zones zijn zones langs het oppervlaktewaterlichaam, waar het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet zijn toegestaan. Het aanhouden van een teeltvrije zone is afhankelijk van het oppervlaktewaterlichaam en het type gewas.

Uit de gewasregistratie van de agrarische percelen blijkt, dat er binnen de percelen de afgelopen jaren gewassen zijn geteeld waarvoor een ten opzichte van de primaire watergang minimaal aan te houden afstand geldt van 1 meter (bij spuittechniek met driftreductie 90%). • Binnen de in de omgeving van het beoogde woningbouwplan gelegen agrarische percelen is het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitgesloten. • Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone tot een voor driftgevoelige functie aangehouden van 50 meter Een kleinere afstand is mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt. • De 50 meter richtafstand heeft zijn oorsprong in het Streekplan 1996 van de Provincie Gelderland en is daarmee al meer dan 25 jaar oud. Uit een uitspraak van de Afdeling2 volgt dat de afstand van 50 meter bedacht is voor de toelating van nieuwe gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen.

24

•

•

•

Bestaande gevoelige functies (wonen en recreatie) bevinden zich reeds binnen de 50 meter richtafstand. In die zin is de conclusie dat de agrarische bedrijfsvoering niet aanvullend belemmerd wordt door de beoogde woningbouw. Op basis van deze analyse kan niet gesteld worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat dient door middel van een locatie specifiek onderzoek aangetoond te worden. Ten tijde van deze analyse is er geen beschikbare onderzoeksmethode voor het uitvoeren van een dergelijk locatie specifiek onderzoek. Onderzoeksmethoden op basis van Plant Research International (PRI) en EFSA zijn eerder door de Afdeling niet akkoord bevonden. In deze specifieke situatie zijn er geen boomgaarden of boomteeltpercelen aanwezig in de omgeving van het plangebied, de mogelijke toepassing van gewasbeschermingsmiddelen binnen de agrarische percelen geschiedt om die reden middels een neerwaartse spuittechniek. Driftverspreiding bij deze techniek is minder aannemelijk dan bij een zij- en opwaartse spuitechniek zoals die gehanteerd wordt in een boomgaard. Door in het plangebied groenafscherming te realiseren, kan eventuele driftverspreiding beperkt worden. Op basis hiervan kan de gemeente afwegen of er met de beoogde woningbouw sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

Conclusie Gelet op bovenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.6.2 Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De doelstelling van omgevingsveiligheid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Omgevingsveiligheid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving. De instructieregels van paragraaf 5.1.2 zijn erop gericht gebouwen en locaties te beschermen waar personen gedurende een periode verblijven.

Motivering In het plangebied of in de directe omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Daarnaast zijn er in de omgeving geen transportroutes gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) aanwezig (zie afbeelding 6). Op een afstand van circa 440 meter van het plangebied is een propaantank van Maatschap A.G.A. en M. Bos gesitueerd. Het plangebied valt buiten het explosie- gifwolk- en brandaandachtsgebied van de propaantank.

25

Afbeelding 6 | Uitsnede professionele risicokaart (bron: Signaleringskaart EV) Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling. 4.6.3 Geluid Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Omgevingswet bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een aandachtsgebied van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. Motivering Het plangebied valt binnen het geluidaandachtsgebied van de Haneweg (30 km/u). Van 16 april tot en met 14 mei 2024 zijn er verkeerstellingen uitgevoerd aan de Haneweg. Op basis van de verkeerstellingen is gebleken dat de verkeerintensiteit op de Haneweg 217 mvt/etmaal bedraagt.

Hiermee blijft de verkeersintensiteit ruimschoots onder de grens van 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Akoestisch onderzoek is daardoor niet benodigd. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

26

4.6.4 Luchtkwaliteit Bij het toelaten van activiteiten moeten , in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, de gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Als sprake is van een zeer beperkte bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10 is geen beoordeling nodig of aan de omgevingswaarde wordt voldaan. Er is sprake van een 'niet in betekenende mate bijdrage’ wanneer de toename van de concentratie NO2 en PM10 in de buitenlucht niet hoger is dan 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2. Daarnaast is een aantal categorieën aangewezen die in elk geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Bij activiteiten en werken die binnen deze categorieën vallen hoeft verder niet door middel van berekeningen of op een andere manier aangetoond te worden dat de toename van de concentraties niet de van toepassing zijnde grens voor NIBM overschrijdt. Motivering In artikel 5.54 Bkl zijn de standaardgevallen genoemd die niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10. Hierin is onder andere aangegeven, dat gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met ten hoogste 1.500 woningen en één ontsluitingsweg aan te merken zijn als een categorie die ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentratie van stikstofdioxide.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 14 woningen. Deze valt onder de hiervoor genoemde categorie. De instructieregels voor de bescherming van de kwaliteit van de buitenlucht zijn derhalve niet van toepassing. Conclusie Het aspect ‘Luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor het planologisch mogelijk maken van voorgenomen ontwikkeling. 4.6.11 Milieueffectrapportage De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Motivering Bij de ontwikkeling van 14 woningen, zoals hier het geval is, is er sprake van een mer-beoordelingsplicht. Het gaat hier namelijk om de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen als bedoeld in kolom 1 onder J11 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling. In onderhavig plan worden 14 sociale huurwoningen mogelijk gemaakt.

Het project wordt, gezien de aard en omvang, aangemerkt als een 'stedelijk ontwikkelingsproject'. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten (zie paragraaf 4.1 t/m 4.6). Het opstellen van een vormvrije m.e.r. beoordeling is gelet op uitblijven van nadelige gevolgen voor het milieu niet doelmatig. Conclusie Het opstellen van een ‘mededeling’ van het voornemen voor het bouwplan is op grond van het Omgevingsbesluit niet nodig.

27

5. CONCLUSIE 5.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verkrijgen, moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) aanvaardbaar wordt geacht, volgens artikel 8.0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Daarnaast moet ook voldaan worden aan de instructieregels en instructies van zowel de provincie als het Rijk (artikel 8.0b Bkl). In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het geldende beleid en zijn de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd. Hieronder is aangegeven of aan een aspect voldaan wordt, niet wordt voldaan of onder voorwaarden kan worden voldaan. Kan aan aspect worden voldaan Kan onder voorwaarden worden voldaan Kan niet aan aspect worden voldaan

V ~ X

Bodem Archeologie Bodemkwaliteit Niet Gesprongen Explosieven

V V V

Natuur en water Weging van het waterbelang Natuur

V V

Omgevingskwaliteit Ladder voor duurzame verstedelijking Landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit Cultuurhistorische waarden

V V V

Mobiliteit en bereikbaarheid Verkeersgeneratie Vervoersmodaliteit en ontsluiting Parkeren

V V V

Duurzaamheid Duurzame energie

V

Gezonde leefomgeving Milieuzonering Omgevingsveiligheid Geluid Luchtkwaliteit Milieueffectrapportage

V V V V V

5.2 Belangenafweging Uit bovenstaande tabel blijkt dat aan alle aspecten wordt voldaan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

28

6. UITVOERBAARHEID 6.1 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID In het omgevingsplan geeft de gemeente aan dat een bepaalde functie op een locatie ‘kan’ komen en zodra zich een concreet initiatief aandient moet onderzocht ‘hoe’ dat financieel uitvoerbaar is. Bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, die voldoende concreet is, moet de uitvoerbaarheid daarom worden aangetoond. 6.2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6.2.1 Participatie Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Een initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een omgevingsvergunning aangeven of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. De gemeenteraad kan echter gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is. Motivering Op woensdag 20 maart 2024 hebben we in het dorpshuis van Ouwerkerk een inloopbijeenkomst georganiseerd om inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden en belangstellenden te informeren over de toekomstige ontwikkeling. We hebben destijds het concept ontwerp getoond aan de aanwezigen en een antwoordnotitie gepubliceerd. Tevens is deze notitie op de webpagina van het project gepubliceerd: www.schouwenduiveland.nl//bouwen-verbouwen-en-slopen/woningbouw.

Op woensdag 26 juni 2024 hebben we in het dorpshuis van Ouwerkerk een 2e informatiebijeenkomst georganiseerd om inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden en belangstellenden te informeren over het Voorlopig Ontwerp van de toekomstige ontwikkeling. Waar mogelijk hebben we de opgehaalde reacties tijdens de 1e inloopbijeenkomst verwerkt in het ontwerp. We hebben de stedenbouwkundige invulling en leefbaarheid geoptimaliseerd. Er is een verkeersonderzoek uitgevoerd met speciale aandacht voor de hulpdiensten en logistieke verkeersstromen, wat resulteert in een verbreding van de toegangsweg naar het plangebied. Dit vergemakkelijkt de toegankelijkheid en verbetert de verkeersveiligheid. De reacties op gepresenteerde Voorlopig Ontwerp tijdens de bijeenkomst op woensdag 26 juni 2024 waren marginaal en zagen veelal op technisch detailniveau en zijn, indien mogelijk, verwerkt in het Definitieve Ontwerp. Op woensdag 6 november 2024 hebben we in het dorpshuis van Ouwerkerk een 3e inloopbijeenkomst georganiseerd om inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden en belangstellenden te informeren over het Definitieve Ontwerp. Tijdens deze laatste bijeenkomst zijn er geen inhoudelijke opmerkingen meer aangeleverd. Conclusie De belanghebbenden hebben de gelegenheid gehad om op zowel het concept ontwerp als op het voorlopig ontwerp te reageren.

In de gemeentelijke reactienota is aangegeven of de reactie wordt verwerkt in het voorlopig ontwerp en definitief ontwerp. 6.2.2 Procedure De aanvraag om een omgevingsvergunning heeft betrekking op het toestaan van een activiteit in afwijking van het omgevingsplan. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. In sommige gevallen kan het college echter wel bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren.

29

BIJLAGEN

30

BIJLAGE 1: ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK

31

ARTEFACT! RAPPORT 893

Ouwerkerk Haneweg 13. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

F.M.J. Delporte

Colofon Titel

Ouwerkerk Haneweg 13. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

Auteur(s)

F.M.J. Delporte

Artefact rapport

AR893

Status rapport

Definitief Voorliggend rapport is goedgekeurd door de bevoegde overheid.

Datum

31 oktober 2024

Projectcode

2024ART48

Projectleider veldwerk

Drs. F.G. R. D’hondt (Senior KNA Prospector)

ISSN

2213 7424

Autorisatie

Naam

Drs. J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Prospector)

Paraaf

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl

© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V., 2024 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.

ARTEFACT RAPPORT 893

OUWERKERK HANEWEG 13

Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................................. 4 Administratieve Gegevens ...........................................................................................................................................5

1

Inleiding ........................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek ..................................................................................................................... 7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen............................................................................................. 8 1.3 Beleidskader .............................................................................................................................................. 10 1.4 Plangebied en planvorming ....................................................................................................................... 12

2

Archeologisch bureauonderzoek....................................................................................... 14 2.1 Methoden .................................................................................................................................................. 14 2.2 Landschap en geologie .............................................................................................................................. 15 2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling ..................................................................................................... 15

2.2.2

Aardkundige waarden .................................................................................................................. 19

2.3 Historie...................................................................................................................................................... 24 2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling .......................................................................................... 24

2.3.2

Verstoringsgeschiedenis ............................................................................................................... 32

2.4 Archeologische waarden ........................................................................................................................... 32 2.5 Bouw- en cultuurhistorische waarden ........................................................................................................ 36 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................................ 37

3

Inventariserend veldonderzoek ........................................................................................ 40 3.1 Methoden .................................................................................................................................................. 40 3.2 Geologie en bodem ................................................................................................................................... 40 3.3 Archeologie ............................................................................................................................................... 42

4

Conclusie en advies ......................................................................................................... 43 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen ........................................................................................... 43 4.2 Advies ....................................................................................................................................................... 44

Lijst met figuren ....................................................................................................................................................... 46 Bronnen..................................................................................................................................................................... 47 Bijlage 1

AMZ-cyclus ......................................................................................................................................... 49

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen.............................................................................................. 50

Bijlage 3

Tijdstabel ............................................................................................................................................. 51

Bijlage 4

Ontwerp............................................................................................................................................... 53

Bijlage 5

Boorstaten ........................................................................................................................................... 54

3

ARTEFACT RAPPORT 893

OUWERKERK HANEWEG 13

Samenvatting De initiatiefnemer heeft het voornemen om 1͜ sociale huurwoningen te realiseren aan de Haneweg 13 te Ouwerkerk. Hiertoe wordt het bestaande schoolgebouw gesloopt. Het plangebied omvat delen van twee percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Duiveland, Sectie D, Perceel 478 en 479 (ged.) en beslaat een oppervlakte van circa 3.550 vierkante meter. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan/omgevingsplan en is dus een Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA). In het tijdelijke deel van het omgevingsplan geldt volgens het bestemmingsplan Zonnemaire Ouwerkerk Sirjansland (2012) een dubbelbestemming waarde archeologie 5 voor het centrale deel van het plangebied. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 m2 en dieper reiken dan 0,50 m -mv. het noorden kent een minder stringent regime met waarde archeologie 6 (2.500 m²). Om de plannen mogelijk te maken is een BOPA-omgevingsvergunning noodzakelijk. In het kader hiervan is voorliggend archeologisch onderzoeksrapport opgesteld.

Omdat de vrijstellingsgrenzen in het noorden niet worden overschreden is een archeologisch onderzoeksrapport enkel noodzakelijk voor het zuidelijke deel met een oppervlakte van circa 2.590 m2 (verder vernoemd als het onderzoeksgebied) In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van beide onderzoeken kan gesteld worden dat:  De bovenzijde van het profiel verstoord is tot 0,6 en 1,3 m -mv (1,46 en 1,95 m -NAP).  In, en op, de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren een lage verwachting bestaat op het voorkomen van vindplaatsen uit de middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd.  Op het Hollandveen dat voorkomt vanaf minimaal 1,25 m -mv (2,1 m -NAP) een lage verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de bronstijd tot midden-ijzertijd en een geen verwachting voor vindplaatsen uit de late ijzertijd en Romeinse tijd.  In, en op, het Laagpakket van Wormer dat voorkomt vanaf minimaal 1,35 m -mv/ 2,31 m -NAP een lage verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit het neolithicum.

Op basis van de hierboven geschetste archeologische verwachting wordt de kans klein geacht dat er zich binnen het plangebied archeologische vindplaatsen bevinden. De kans dat eventuele vindplaatsen verstoord zullen worden door de toekomstige bodemingrepen is aldus vrij klein. Archeologisch vervolgonderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

4

ARTEFACT RAPPORT 893

OUWERKERK HANEWEG 13

Administratieve Gegevens Projectnaam

Ouwerkerk Haneweg 13

Onderzoeksvorm

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

LOCATIE Provincie

Zeeland

Gemeente

Schouwen-Duiveland

Plaats

Ouwerkerk

Adres / Locatie Hoekpunten coördinaten RD

Haneweg 13 Plangebied: NO 57.663/ 404.843 ZO 57.652/ 404.799 NW 57.606/ 404.879 ZW 57.599/ 404.805 Onderzoeksgebied: NO 57.662/ 404.841 ZO 57.652/ 404.799 NW 57.603/ 404.844 ZW 57.599/ 404.805

Centrum coördinaat RD

Plangebied: 57.628/ 404.844 Onderzoeksgebied: 57.630/ 404.825

Kaartblad

65F

Kadastraal perceel

Duiveland, Sectie D, Perceel 478 en 479 (ged.)

Oppervlakte plangebied

Circa 3.550 m2

Oppervlakte onderzoeksgebied

Circa 2.590 m2

Vigerend bestemmingsplan

Bestemmingsplan Zonnemaire Ouwerkerk Sirjansland (2012), dubbelbestemming waarde archeologie 5 (250 m2 en 0,5 m -mv) en waarde archeologie 6 (2.500 m2 en 0,5 m -mv)

BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke status

Plangebied A (hoge of middelhoge verwachting)

AMK status

Geen

Archis vondstlocatie

Geen

Zeeuws Archeologisch Depot

Geen (mail helpdesk ZAD d.d. 22-03-2024)

OPDRACHTGEVER Naam

Juust

Contactpersoon

Dhr. R. Lobbezoo

Adres

Goessestraatweg 17a, 4421 AD Kapelle

Telefoon

06 57081563

Email

Raoul@juust.nl

BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Schouwen-Duiveland

5

ARTEFACT RAPPORT 893

OUWERKERK HANEWEG 13

Contactpersoon

Dhr. J. Dirksen

Adres

Postbus 5555, 4300 JA Zierikzee

Telefoon

0111 452000

Email

Jeroen.Dirksen@schouwen-duiveland.nl

TOETSING NAMENS BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Schouwen-Duiveland

Contactpersoon

Dhr. G.P.A. Besuijen

Adres

Postbus 5555, 4300 JA Zierikzee

Telefoon

0111 452000

Email

Guus.Besuijen@schouwen-duiveland.nl

BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam

Zeeuws Archeologisch Depot

Contactpersoon

dhr. J.J. H. van den Berg

Adres Telefoon

Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618

Email

depot@erfgoedzeeland.nl

E-depot

EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V.

Contactpersoon

dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Telefoon

0115 851614

Email

janwattenberghe@artefact-info.nl

Certificaat

ARC-010/3 - BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004

ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding

BOPA-omgevingsvergunning

Begin/einddatum veldwerk

4 april 2024

Projectnummer Artefact

2024ART48

Archis onderzoeksmelding

5547483100

Vindplaats(en)

-

6

ARTEFACT RAPPORT 893

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van het onderzoek

OUWERKERK HANEWEG 13

De initiatiefnemer heeft het voornemen om 14 sociale huurwoningen te realiseren aan de Haneweg 13 te Ouwerkerk. Hiertoe wordt het bestaande schoolgebouw gesloopt. Het plangebied omvat delen van twee percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Duiveland, Sectie D, Perceel 478 en 479 (ged.) en beslaat een oppervlakte van circa 3.550 vierkante meter.

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023.

Volgens hoofdstuk 22.2 van het Omgevingsplan Gemeente Schouwen-Duiveland is het verboden om deze activiteiten uit te voeren zonder omgevingsvergunning. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor een Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA) dient een rapport te worden voorgelegd waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport is volgens artikel 22.22 niet noodzakelijk indien de oppervlakte niet groter is dan 100 m² of indien hiervoor afwijkende regels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en deze niet worden overschreden. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan geldt volgens het bestemmingsplan Zonnemaire Ouwerkerk Sirjansland (2012) een dubbelbestemming waarde archeologie 5 voor het centrale deel van het plangebied. Binnen dit gebied geldt 7

ARTEFACT RAPPORT 893

OUWERKERK HANEWEG 13

een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 250 m2 en dieper reiken dan 0,50 m -mv. het noorden kent een minder stringent regime met waarde archeologie 6 (2.500 m²). Omdat de vrijstellingsgrenzen in deze delen niet worden overschreden is een archeologisch onderzoeksrapport enkel noodzakelijk voor het centrale deel met een oppervlakte van circa 2.590 m2 (verder vernoemd als het onderzoeksgebied)

Figuur 2 Ligging van het plan- en onderzoeksgebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2023.

1.2

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Conform de AMZ-cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten:  Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek

1

SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4.

8

ARTEFACT RAPPORT 893

OUWERKERK HANEWEG 13

 Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Een inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO-proefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). 2 Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen.  De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden.

Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek  Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen  Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van een inventariserend veldonderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 3 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming.

Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019 4 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen. In 2017 is voor een deel van het plangebied al een bureauonderzoek, maar nog geen booronderzoek, uitgevoerd. In tussentijd zijn met het invoeren van het certificeringsstelsel ook enkele delen van de onderzoeksprotocollen gewijzigd. De onderzoeksopdracht omvat in eerste instantie het actualiseren en het uitbreiden van het Archeologisch Bureauonderzoek waarbij een inventarisatie wordt gemaakt van de verwachte en bekende archeologische waarden binnen het gehele plangebied. Op die manier wordt een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel voor het gehele plangebied opgesteld. Het opgestelde archeologische verwachtingsmodel wordt vervolgens getoetst door het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen. Conform de provinciale richtlijnen dienen bij vooronderzoek 8 boringen per hectare te worden uitgevoerd.

Het resultaat van het bureauonderzoek (het verwachtingsmodel) is opgenomen in hoofdstuk 2.6. Het resultaat van het inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen is opgenomen in hoofdstuk 4.1. Het bepalen van de landschappelijke vormeenheden staat daarbij voorop met als doel het uitsluiten van kansarme zones en het 2

SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4

3 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4-5. 4

Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

9

ARTEFACT RAPPORT 893

OUWERKERK HANEWEG 13

selecteren van kansrijke zones voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Tijdens dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord:  Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied?  Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld?  Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte?  Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld?  Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling?  Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?

1.3

Beleidskader

De zorg voor het (archeologisch) erfgoed werd in Nederland gereguleerd in de Monumentenwet 1988. In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta door de lidstaten ondertekend. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De drie belangrijkste bepalingen daarbij zijn het behoud in situ, een goede en vroegtijdige inpassing in het ruimtelijke ordening(proces) en het verstoorder betaalt principe. Dit verdrag werd binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg uit 2007. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 werd de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten werden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Gemeenten werden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden, dienden daartoe een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening, c.q. bestemmingsplannen. Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) werden de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning.

De bevoegdheid voor archeologische rijksmonumenten bleef echter onveranderd bij het Ministerie van OC&W, i.c. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht die samen met de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Een gedeelte van de Monumentenwet is opgegaan in de Erfgoedwet, waar onder meer de certificering in de archeologie wordt geregeld. Alle regelingen rond (de omgang met cultureel erfgoed in) de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Omgevingswet. Daarbinnen dient dus ook rekening te worden gehouden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed dat als onderdeel van de leefomgeving uit 5 elementen kan bestaan: monumenten (gebouwd erfgoed, tuinen, parken), stadsen dorpsgezichten, cultuurlandschappen, immaterieel erfgoed indien dat verbonden is aan specifieke locaties en dus ook (bekende of verwachte) archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Binnen de Omgevingswet bestaan drie wetsinstrumenten:  De omgevingsvisie is een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. Deze wordt opgesteld door het Rijk, de provincie en de gemeente.

Een omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit en kan een brede, drijvende kracht zijn om opgaven uit andere sectoren met elkaar te verbinden.  De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Dit kunnen regels zijn over activiteiten. Bijvoorbeeld regels over activiteiten in natuurgebieden. In uitzonderlijke gevallen kan de provincie ook regels stellen over de toedeling van functies aan locaties. De provincie moet de kernkwaliteiten 10

ARTEFACT RAPPORT 893

OUWERKERK HANEWEG 13

van een aantal werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige Lijst van werelderfgoed uitwerken in hun omgevingsverordening. Ook stelt de provincie daartoe in de omgevingsverordening regels aan omgevingsplannen.  Het omgevingsplan bevat alle algemene regels die de gemeente over de fysieke leefomgeving binnen haar grondgebied stelt. Er moet daarbij rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en er moet een toereikend beschermingsregime worden opgenomen. Tot slot kan de gemeente (lokale) regels stellen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven. Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk activiteiten te regelen met algemene regels. In sommige gevallen kan een initiatiefnemer volstaan met het doen van een melding voordat de activiteit mag worden uitgevoerd. Daarnaast is een beperkt aantal activiteiten vergunningplichtig. In die gevallen moet de initiatiefnemer een omgevingsvergunning aanvragen. Een aanvraag kan enkelvoudig of meervoudig zijn: met 1 aangevraagde activiteit of meerdere aangevraagde activiteiten. De omgevingsplanactiviteit (OPA) kent 2 vormen: 1.

Binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA): dit is een activiteit waarvoor de gemeente in het omgevingsplan bepaalt dat het uitvoeren zonder omgevingsvergunning verboden is. De gemeente regelt in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een omgevingsvergunning nodig is. In het omgevingsplan worden ook de beoordelingsregels over het verlenen van de omgevingsvergunning opgenomen. Op basis van deze beoordelingsregels van de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit voert de initiatiefnemer de benodigde gedetailleerde onderzoeken uit.

2.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA): dit is een activiteit die in strijd is met de regels van het omgevingsplan. Het bevoegd gezag beoordeelt of de buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderdeel hiervan is het toetsen van de BOPA aan het geldende beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is een goede motivering van het besluit in afwijking van het beleid nodig. De Omgevingsregeling stelt specifieke aanvraagvereisten voor de BOPA. Onder andere dat de aanvrager de gegevens verstrekt die nodig zijn om de gevolgen van die activiteit te beoordelen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Het bevoegd gezag beslist over een vergunningaanvraag. Soms is het bevoegd gezag daarbij verplicht om advies of instemming te vragen. Bij meerdere samenhangende aanvragen bepaalt de coördinatieregeling welk bestuursorgaan de aanvraag coördineert. Soms vindt een activiteit plaats op het grondgebied van meer dan 1 gemeente, provincie of waterschap. Het bevoegd gezag is dan de gemeente, het waterschap of de provincie waar de activiteit in hoofdzaak zal worden verricht. Meestal is de gemeente het bevoegd gezag voor de algemene rijksregels in het omgevingsplan. Een en ander is afhankelijk van het orgaan dat ze gemaakt heeft. De provincie is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de omgevingsverordening. Het waterschap is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de waterschapsverordening. Archeologische rijksmonumenten en bevoegd gezag Archeologische rijksmonumenten worden aangewezen op grond van de Erfgoedwet. Voor de status van rijksmonument is het dus niet nodig om het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie ‘rijksmonument’ te geven. De daadwerkelijke bescherming van het rijksmonument komt tot stand met de in artikel 5.1 lid 1 onder b van de Omgevingswet opgenomen vergunningplicht en de algemene regels in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Gemeenten kunnen aan de locatie van een rijksmonument wel de functie ‘rijksmonument’ geven met het oog op het stellen van andere regels dan de eerdergenoemde vergunningplicht en algemene regels. Daartoe kan de locatie van het rijksmonument ook worden verbeeld in het omgevingsplan. Dergelijke aanvullende regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het gewenste of toegelaten gebruik van de locatie. De regels voor rijksmonumenten(activiteiten) zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Voor een rijksmonumentenactiviteit is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag bij zogeheten meervoudige aanvragen. Dus bijvoorbeeld in combinatie met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of

11

ARTEFACT RAPPORT 893

OUWERKERK HANEWEG 13

een omgevingsplanactiviteit. De minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft dan wel recht van advies en instemming. In de praktijk is dit de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Indien een aanvraag alleen betrekking heeft op een archeologische rijksmonumentenactiviteit (= enkelvoudige aanvraag) dan bepaalt de Omgevingswet en artikel 4.13 van het Omgevingsbesluit dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) bevoegd gezag is. Dat geldt niet indien het rijksmonument in de territoriale zee buiten een gemeente ligt. In dat geval is de minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag. Voor een rijksmonumentenactiviteit die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen. Onderzoeksagenda’s en richtlijnen Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek.

Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld 5 . In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt. Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd:  Basale harde gegevens en diachrone datasets  Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen  Uitwerking oud archeologisch onderzoek  Verdronken land en dorpen  Onderzoek naar infrastructuur  Verdedigingswerken in Zeeland  Boerderijen en rurale nederzettingen  Voedseleconomie van stad en platteland  Religieuze en rituele verschijningsvormen  Scheeps- en onderwaterarcheologie  Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 6

1.4

Plangebied en planvorming

De initiatiefnemer heeft het voornemen om binnen het plangebied een woningbouwontwikkeling te realiseren. Het aanwezige voormalige schoolgebouw wordt gesloopt en hiervoor worden in de plaats 14 sociale huurwoningen gerealiseerd. Verder worden in het gebied parkeervakken, wandelpaden, openbaar groen (gras) en privétuinen voorzien.

5 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. 6

Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

12

ARTEFACT RAPPORT 893

OUWERKERK HANEWEG 13

De plannen zitten nog in ontwerpfase, er is dan ook nog geen definitief ontwerp van de verschillende woningen beschikbaar en ook de verstoringsdieptes en -oppervlaktes zijn nog niet gekend. De opdrachtgever gaat er vooralsnog uit dat met de ontwikkeling de vrijstellingsdiepte van 0,5 m – mv zal worden overschreden.

Figuur 3 Voorlopige inrichtingstekening. Bron: opdrachtgever. Zie ook bijlage 4.

13

ARTEFACT RAPPORT 893

2

Archeologisch bureauonderzoek

2.1

Methoden

OUWERKERK HANEWEG 13

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 7 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap

Specificatie

Hoofdstuk

Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik

LS01

1.4

Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid

LS01

1.3

Beschrijven huidig gebruik

LS02

1.4

Beschrijven historische situatie

LS03

2.3.1

Beschrijven mogelijke verstoringen

LS03

2.3.2

Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond

LS02-03-04

2.5

Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken

LS04

2.2.2

Beschrijven bekende archeologische kenmerken

LS04

2.4

Opstellen gespecificeerde verwachting

LS05

2.6

Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd.  (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten  Paleogeografische kaarten  Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)  (Specialistische) literatuur  Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek  Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven  Lucht- en satellietfoto’s  Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten  Gemeentelijk en/of provinciaal archief  Archeologische Monumenten Kaart (AMK)  Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis)  Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis  Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS)  Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO)  Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten  Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn  Provinciaal depot:

archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)

7

Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

14

ARTEFACT RAPPORT 893

2.2

Landschap en geologie

2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling

OUWERKERK HANEWEG 13

Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan geschetst worden aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en de Vries zijn gepubliceerd 8 . Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar wordt, en de globale ligging van het onderzoeksgebied, wordt afgebeeld op figuur 3. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het boreaal (circa 8.400 – 6.950 v. Chr.) stijgt de zeespiegel en gaat hierdoor het pleistocene zandlandschap langzaam vernatten. Plantaardig materiaal wordt als een gevolg van het stijgende waterniveau niet meer afgebroken. Eerst op de lager gelegen delen, maar later ook hogerop in het landschap groeit laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als Basisveen (Formatie van Nieuwkoop). Deze veengroei doet zich eerst voor in het westen van Zeeland, maar de grens verschuift door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op in oostelijke richting.

Aan het veenvormingsproces komt een einde in het midden tot laat-atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). 9 Gaandeweg wordt namelijk door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking de strandbarrière die het veenlandschap van de zee afschermt opgeruimd en loopt het noordelijke deel van Zeeland onder water. Er ontstaat hierbij een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Grote delen van het oude pleistocene landschap en Basisveen worden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die in dit getijdengebied gevormd zijn, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden. 10 De brede wadgeul ten zuiden van het huidige eiland Schouwen maakt contact met de Schelde die tot dan toe in noordelijke richting afwaterde maar nu zijn loop westwaarts verplaatst, de latere Oosterschelde. In het westelijke deel van Schouwen vormt zich op het Laagpakket van Wormer een strandwallencomplex bestaande uit strandzanden en stuifduinen. De meeste oostelijke grens van dit complex loopt van Brabers, over Haamstede en dan verder naar het noorden waar ze uitwigt. De strandwallen worden gerekend tot het Laagpakket van Zandvoort (Formatie van Naaldwijk), de eolisch afgezet kustduin daarentegen wordt gerekend tot het Laagpakket van Schoorl (Formatie van Naaldwijk).

11 Vanaf het subboreaal (circa 3.750 v. Chr.) neemt de snelheid van de zeespiegelstijging dermate af dat er zich een nieuwe kustbarrière van strandwallen kan vormen die zich sterk in westelijke richting uitbouwden. De meeste westelijke grens van dit complex wordt wellicht in de midden ijzertijd bereikt. De zeegaten in deze barrière waarlangs het zeewater het achterliggende gebied in stroomt sluiten zich geleidelijk waardoor de getijdenwerking landinwaarts afneemt. Er vormen zich hierbij in het getijdengebied meer kleiige afzettingen. Gaandeweg houden in het getijdengebied achter de kustbarrière de sedimentatie en stijging ten gevolge van de verminderende marine invloed elkaar in balans. Op de hoger opgelslibde kwelders in het getijdengebied groeit daardoor een dichte rietvegetatie en plaatselijk gaat zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het midden-subboreaal achter de inmiddels quasi gesloten kustbarrière een groot veenlandschap ontstaat dat bestaat uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes. 12 Geologisch wordt dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. C14 datering van de basis van dit veen in de Prunjepolder ten zuiden van Scharendijke, plaatsen de start van de veengroei rond 4.300 BP.

Recenter datering van de bovenzijde van het Laagpakket van Wormer op de Kop van Schouwen hebben gewezen op een vergelijkbare datering van omstreeks 4.400 tot 4.200 BP. 13

8 Vos en de Vries, 2018. 9

Van Rummelen, 1978: 62-64 10 Van Rummelen, 1978: 53 11 TNO-GDN: https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. Geraadpleegd op 27-07-2023 12 Vos and Van Heeringen, 1997: 28. 13 Van de Valk en Beekman, 2021.

15

ARTEFACT RAPPORT 893

OUWERKERK HANEWEG 13

16

ARTEFACT RAPPORT 893

OUWERKERK HANEWEG 13

Figuur 4 (deze en vorige blz.) Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging onderzoeksgebied. Bron: Vos en de Vries, 2018.

17

ARTEFACT RAPPORT 893

OUWERKERK HANEWEG 13

Het veenmilieu verandert in het subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof en kan opgroeien tot ruim boven NAP. Een C14 datering van de top van het veen in de omgeving van Renesse wijst op veengroei tot circa 3.400 BP. 14 Omstreeks 500 v. Chr. bereikt het veenkussen zijn maximale omvang waarbij ook de oostelijke lager gelegen rand van de strandwallen bedekt raken met veen. Het is ook in deze periode dat het goed ontwaterde veenmoeras wellicht bewoonbaar raakt. Daarna treedt een geleidelijk verval in. Water uit dit veengebied zoekt zijn weg richting de zee in steeds breder wordende geulen. Hierdoor wordt de mariene invloed op het achterliggende land opnieuw geactiveerd. Tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle, op Walcheren, doorbreekt het water de strandwal en ontstaat er een sluftergebied met een veelvoud aan smalle geulen die de verbinding tussen het veengebied met de zee versterkten. Het Veerse gat, de inbraakgeul tussen Walcheren en Noord-Beveland, is in oorsprong wellicht ook in deze periode ontstaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14968271/1