CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1275395 Bijlage 1 Bp Taaijersweg 12 Kerkwerve en Lageweg ong. Sirjansland Toelichting

Gemeenteraad 27 februari 2025, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Vaststellen bestemmingsplan Taaijersweg 12 Kerkwerve en Lageweg ong. Sirjansland (1275395)21.068 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het gaat hier om een voortzetting van bestaand gebruik. Voor het overige gaat het om een bestaande woning met bijbehorende erfbebouwing. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is niet in het geding. In geval van sloop en nieuwbouw van bebouwing zal in het kader van de omgevingsvergunning een bodemonderzoek worden uitgevoerd.

Locatie Lageweg (ong) Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). Daaruit blijkt dat er geen verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarden zijn geconstateerd in de grond- en het grondwater. De hypothese "onverdachte locatie" kan worden aanvaard. In het onderzoek is geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn tegen de bestemmingswijziging van

33

het perceel voor de realisatie van een woning op het perceel uit oogpunt van de chemische bodemgesteldheid. Indicatief wordt gesteld dat, in verband met het hergebruik van grond, de grond van de onderzoekslocatie multifunctioneel toepasbaar is. Hergebruik dient echter te geschieden conform het Besluit bodemkwaliteit en het bodem beleid van de gemeente Schouwen Duiveland. In bijlage 1a van het bodemonderzoek is een overzicht opgenomen van de boorpunten. Het plangebied is nu aan de oostzijde iets uitgebreid. Die strook maakt deel uit van het zelfde stuk landbouwgrond van in initiatiefnemer en dat is al lange tijd zo. Redelijkerwijs kan worden verwacht dat dit geen probleem is, gelet op de resultaten van het onderzoeksgebied in het in bijlage 1a. 4.4.3 Conclusie Locatie Taaijersweg 12 Voor de bestemmingsplanherziening van deze locatie behoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Dit is omdat er voor een deel geen sprake is van een bestemmingswijziging, voor een ander deel sprake van voortzetting bestaand gebruik en omdat bij het aanvragen van omgevingsvergunningen voor sloop en herbouw een bodemonderzoek moet worden overlegd. Voor de te slopen schuren waarin asbest is toegepast, is nu geen onderzoek nodig.

Deze zullen door een gecertificeerd bedrijf moeten worden gesloopt, die de gronden 'schoon' moet opleveren, dat wil zeggen in overeenstemming met de daarvoor geldende normen.

Locatie Lageweg (ong) Uit onderzoek is gebleken dat het aspect bodem de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat.

4.5

Niet-gesprongen explosieven

4.5.1 Toetsingskader In een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog (WO II). 4.5.2 Toetsing De gemeente Schouwen-Duiveland beschikt over een Beleidsnota Conventionele Explosieven met bijbehorende beleidskaart met daarop de locaties waar mogelijk niet gesprongen explosieven (NGE's) in de bodem kunnen voorkomen. De kaart is opgesteld op basis van historisch onderzoek en wordt regelmatig geactualiseerd. Uit de kaart blijkt dat beide locaties niet liggen in een aandachtsgebied en is daarmee niet verdacht op het voorkomen van NGE's.

34

Figuur 4.6 Aandachtsgebieden en - punten niet-gesprongen explosieven

Om de kans op aantreffen van NGE's niet uit te sluiten moet het protocol “Toevalstreffer CE uit de Tweede Wereldoorlog” uit de genoemde beleidsnota worden gevolgd. 4.5.3 Conclusie Het aspect niet-gesprongen conventionele explosieven vormt geen belemmering voor het vaststellen van dit bestemmingsplan.

4.6

Watertoets

4.6.1 Toetsingskader Voor ruimtelijke plannen en besluiten dient met een watertoets aangetoond te worden dat dit geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hieruit moet blijken of de beoogde functiewijziging strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. De waterbeheerder is het Waterschap Scheldestromen. Deze instantie is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer binnen het plangebied en de omgeving daarvan. Het waterschap zal het wateradvies geven in het kader van het vooroverleg. 4.6.2 Toetsing Toetsing Om na te gaan of het voorliggend bestemmingsplan niet in strijd is met duurzaam waterbeheer, voldoet aan de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen, zijn de beoogde ontwikkelingen getoetst aan de criteria uit de Zeeuwse Handreiking Watertoets. Deze criteria zijn bijeengezet in de watertoetstabel die door het Waterschap wordt gehanteerd en die in bijlage 8 is opgenomen. Uit toetsing aan deze criteria blijkt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel zal op de locatie aan de Lageweg ong. te Sirjansland naar verwachting ruim 100 m3 moeten worden geborgen.

Het gaat om schoon hemelwater dat afkomstig is van dakvlakken en oppervlakteverhardingen waar geen auto's komen. Een dergelijk volume kan eenvoudig worden geborgen in de sloot die wordt

35

verbreed en de noordelijke sloot die worden aangelegd. Met het waterschap heeft overleg plaatsgevonden over de ontwikkeling aan de Lageweg en de situatie aan de Taaijersweg 12. De resultaten daarvan zijn vermeld in paragraaf 7.1. 4.6.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Voor de locatie Lageweg ong. te Sirjansland zijn met het waterschap maatregelen overeengekomen. Voor verharding van de uitrit én aansluiting op de weg van het waterschap wordt een ontheffing Keur wegen aangevraagd. De verwachting is dat deze wordt verleend.

4.7

Geluid

4.7.1 Inleiding Het aspect geluid kan betrekking hebben op: wegverkeerslawaai; industrielawaai; inrichtingslawaai. De locatie valt niet binnen de geluidzone van een gezoneerd bedrijventerrein. Het aspect industrielawaai is daarom niet relevant. Evenmin is in de omgeving van beide deellocaties een inrichting aanwezig die lawaai produceert. Blijft over het aspect wegverkeerslawaai. Daarop wordt in deze paragraaf ingegaan. 4.7.2 Toetsingskader wegverkeerslawaai Algemeen Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder. Deze wet biedt geluidgevoelige functies (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van o.a. wegverkeerslawaai. Indien een bestemmingsplan een nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk maakt, dan is volgens de Wet geluidhinder akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidszone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau.

Geluidszones langs wegen Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een etmaal.

Wettelijke normen Als de Wet geluidhinder van toepassing is dan dient een nieuwe geluidgevoelige functie te voldoen aan bepaalde wettelijke normen. Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk (53 dB voor een buitenstedelijke autoweg). De geluidwaarde binnen de geluidgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB(A).

36

4.7.3 Toetsing Taaijersweg 12 Aan de Taaijersweg wordt geen nieuwe geluidgevoelige functie mogelijk gemaakt. De bestaande woning is weliswaar een geluidgevoelige functie, maar deze blijft gehandhaafd en in gebruik als woning. Voor een bestemmingswijziging van een bedrijfs- naar een burgerwoning is in het kader van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek nodig.

Lageweg ong. te Sirjansland Op de locatie aan de Lageweg wordt wel een nieuwe woning/geluidgevoelige functie mogelijk gemaakt. Op de Lageweg geldt een maximum snelheid van 30 km/uur. Dat betekent dat langs deze weg geen geluidzones van kracht zijn. Gelet hierop hoeft vanuit de Wet geluidhinder en is uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen akoestisch onderzoek naar het aspect wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd. Ook uit oogpunt van een goede ruimtelijke onderbouwing is akoestisch onderzoek naar het aspect wegverkeerslawaai niet nodig. In paragraaf 2.2.1 is geschreven dat het deel van de Lageweg waaraan de locatie ligt, een doodlopende straat is die voor de ontsluiting dient van de aanliggende woningen en enkele akkers. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie rijdt hier nauwelijks verkeer en de rijsnelheden zijn vanwege het smalle wegprofiel erg laag. Op de locatie zal altijd sprake zijn van een aanvaardbaar geluidniveau vanwege wegverkeerslawaai.

Conclusies Het aspect geluid vormt geen belemmering of aandachtspunt voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. Voor beide locaties geldt dat sprake is van meer dan aanvaardbaar geluidniveau vanwege wegverkeerslawaai.

4.8

Milieuhinder en bedrijven

4.8.1 Toetsingskader Voor de toetsing aan het aspect milieuhinder dient rekening te worden gehouden met de bepalingen uit de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 2.25). In voorkomend geval is ook de Wet geurhinder en veehouderij van belang. Daarnaast geldt op basis van jurisprudentie dat te alle tijde sprake moet zijn van een "goede ruimtelijke ordening". Voldaan moet worden aan wettelijke milieueisen indien sprake is van een milieuhinderlijk en/of milieugevoelige functie.

Milieuzonering Afstemming van bestaande en nieuwe functies gebeurt in eerste instantie door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). In deze publicatie is voor elke bedrijfsactiviteit voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten een richtafstand ten opzichte van een 'rustige woonwijk' en/of een 'rustig buitengebied' vermeld. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een kleinere richtafstand. Alleen voor het aspect gevaar is reduceren van de richtafstand met één afstandsstap niet zonder meer mogelijk. Het hanteren van kleinere richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een

37

goede ruimtelijke ordening. waarbij milieuhinder wordt voorkomen. Het gaat hierbij uitdrukkelijk om indicatieve afstanden. In een concrete situatie dient de werkelijk aan te houden afstand nader te worden bepaald. De richtafstanden worden gemeten van de bestemmingsgrens van de milieuhinderlijke inrichting ten opzichte van de gevels van de woningen van derden.

Gebruik bestrijdingsmiddelen Zowel in de fruitteelt als in de akkerbouw worden bestrijdingsmiddelen toegepast. Afhankelijk van de weersomstandigheden kan drift (overwaaien) van bestrijdingsmiddelen optreden. Om risico's voor de volksgezondheid te beperken, moet op grond van jurisprudentie een afstand van 50 meter aangehouden worden tussen een gevoelige functie (zoals woningen) en een boomgaard of akker. Over fruitteelt kan worden gemeld dat in artikel 3, lid 3.5 onder v van het bestemmingsplan Buitengebied is bepaald dat fruitteelt binnen een afstand van 50 meter van woningen van derden niet is toegestaan. Er is momenteel geen fruitteelt binnen deze afstand aanwezig en die kan er dus ook niet komen. Ten aanzien van akkerbouw ligt de situatie anders. Dat is volgens het hiervoor genoemde bestemmingsplan wel toegestaan. Aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in de open teelt worden in het Activiteitenbesluit milieubeheer eisen gesteld. In dat besluit staat dat een spuittechniek moet worden toegepast die de drift met ten minste 75% dan wel 90% reduceert ten opzichte van een vastgestelde referentietechniek. Voor het toepassen gewasbeschermingsmiddelen (en overigens ook van meststoffen) naast oppervlaktewater gelden extra eisen. Zo geldt dat een strook land naast oppervlaktewater niet mag worden bespoten of bemest.

Deze teeltvrije zone mag men ook niet gebruiken voor het telen van een gewas. Afhankelijk van het gewas is de teeltvrije zone breder of smaller. Tot slot kan door het treffen van maatregelen de drift op grotere afstand worden beperkt. De effectiviteit daarvan moet blijken uit het hiervoor genoemde locatiespecifieke onderzoek. 4.8.2 Toetsing Taaijersweg 12 te Kerkwerve Ten aanzien van de afstemming op de directe omgeving van deze locatie wordt opgemerkt dat er geen bedrijven aanwezig zijn waarmee rekening moet worden gehouden. Aan de Taaijersweg 5-7 was een agrarisch bedrijf aanwezig, maar de agrarische bestemming daarvan is met een wijzigingsplan omgezet in de bestemming Wonen met de aanduiding voormalig agrarisch bedrijf (VAB). Op het perceel zelf blijft de aardappelbewaarloods in gebruik. Om te borgen dat (toekomstige) bewoners van de burgerwoning geen overlast zullen ondervinden zullen de loods en de burgerwoning van dezelfde eigenaar moeten blijven (geen gescheiden verkoop), althans zolang de loods wordt gebruikt voor een nieuwe economische drager (i.c.de opslag van agrarische producten). Dit is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan en wordt ook in de overeenkomst met initiatiefnemer vastgelegd.

Omdat gebruik van de aardappelloods niet wijzigt en de bestemming hierop is toegesneden, verandert er voor de dichtstbij gelegen woningen in de omgeving (Taaijersweg 3 en 7) niets. Bovendien liggen deze woningen op grote / ruim voldoende afstand (circa 125 m en 195 m). Ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (bestrijdingsmiddelen) op naastgelegen agrarische percelen wordt opgemerkt dat voor wat betreft de woning Taaijersweg 12 sprake is van een bestaande situatie. Bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen moet nu ook al rekening worden gehouden met de aanwezigheid van deze woning. De afstand van de woning tot het perceel ten westen van de locatie is vrij groot (meer dan 50 meter) en binnen deze afstand staat de aardappelbewaarloods die ook voor afscherming zorgt. Aan de oostzijde bedraagt de afstand tot het naastgelegen agrarisch perceel ten

38

minste 30 meter. Aan beide zijden zijn echter groensingels aanwezig bestaande uit bomen en onderbegroeiing. De breedte van de groensingels varieert van 4,5 tot 6 meter en de hoogte van de beplanting is meer dan 2 meter. Hierdoor wordt het risico op gezondheidsschade verkleind. De instandhouding van deze groensingels is in dit bestemmingsplan geborgd.

Figuur 4.7 Groensingel langs het perceel Taaijersweg (foto links: Habitus; foto rechts: W. Roskam)

Voor het noordelijk gedeelte van het perceel waarop de twee te slopen schuren staan, stemt de huidige eigenaar en mede-initiatiefnemer van dit plan in met een verbod om binnen een afstand van 50 meter van de woning bestrijdingsmiddelen te gebruiken ten behoeve van agrarische activiteiten. Aan de zuidzijde, aan weerszijden van de Taaijersweg liggen 2 (berm)sloten, die volgens de Legger van het Waterschap Scheldestromen een functie hebben als secundaire waterloop (zie figuur 4.8). Dat betekent dat hier beperkingen gelden ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De afstand aan deze zijde is daarmee ten minste 38 meter. Aan deze zijde is geen afscherming door opgaande beplanting aanwezig. Wijziging van de agrarische bestemming in de bestemming Wonen maakt de situatie niet anders. Zoals hiervoor geschreven, is er feitelijk sprake van voortzetting van een bestaande situatie.

Figuur 4.8 Secundaire waterlopen langs de Taaijersweg (bron: Waterschap Scheldestromen)

39

Lageweg te Sirjansland Agrarische bedrijfsactiviteiten In de directe omgeving van deze locatie zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Wel worden aan de overzijde van de weg, op het perceel Lageweg 50, hobbymatig paarden gehouden. Voor dit perceel geldt op grond van het bestemmingsplan Zonnemaire Ouwerkerk Sirjansland een woonbestemming. Hoewel bij het hobbymatig houden van dieren wordt verondersteld dat er geen geuroverlast plaatsvindt, verdient het aanbeveling om bij de situering van de beoogde woning enige afstand aan te houden vanaf de paardenstal en -bak. In genoemde VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' zijn voor het hobbymatig houden van paarden geen richtafstanden aangegeven. Er kan worden aangesloten bij de richtafstanden voor paardenfokkerijen. De grootste afstand geldt voor het milieuaspect geur en bedraagt 50 meter (zie figuur 4.9). Met een dergelijke afstand kan een goed woon- en leefklimaat voldoende worden geborgd. Vandaar dat dit ook een uitgangspunt is voor planologische medewerking (zie paragraaf 2.2.2).

Figuur 4.9 Richtafstand van 50 meter ten opzichte van paardenstal en -bak.

Ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op naastgelegen agrarische percelen wordt opgemerkt dat de locatie is geprojecteerd op gronden die eigendom zijn van één van de initiatiefnemers, namelijk de toekomstige bewoner van de nieuwe woning. Het beperken van het gebruik van bestrijdingsmiddelen op die gronden is dan ook eenvoudig te effectueren. Bovendien wordt hier ook een waterloop gegraven die beperkingen oplegt aan het spuiten (aanhouden 3 meter afstand) en is aan de noordzijde van het nieuwe woonperceel een groensingel gepland. De instandhouding van deze groensingel is in het bestemmingsplan planologisch geborgd (middels artikel 5 lid 5.2.1 onder b en lid 5.4.1 onder b). Daarmee is de kans op neerslag van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van de woning gering. Aan de overzijde van de Lageweg is ook een agrarisch perceel aanwezig. De afstand van de nieuwe woning tot dit perceel is minimaal 40 meter. Omdat het perceel in gebruik is als grasland worden ter plaatse geen gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Bovendien liggen tussen de beoogde woning en dit perceel waterlopen waarmee rekening moet worden gehouden en is opgaande beplanting aanwezig die zorgt voor afscherming. Op grond van deze gegevens wordt ter plaatse van de woning geen neerslag van gewasbeschermingsmiddelen verwacht.

40

Dit leidt tot de conclusie dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op aangrenzende percelen geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouwontwikkeling. Evenmin zorgt de nieuwe woning voor een belemmering van agrarische bedrijven in de omgeving. Voor het overige vindt in de directe omgeving geen andersoortige bedrijvigheid plaats. Hinder kan dan ook uitgesloten worden. 4.8.3 Conclusie Het aspect milieuhinder en bedrijven staat de uitvoering van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1 Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer, de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Het genoemde onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen en luchtkwaliteitseisen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in 4.1 weergegeven.

Tabel 4.2. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof stikstofdioxide (NO2)) fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³

In het Besluit NIBM is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. 4.9.2 Toetsing Op basis van de monitoringtool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) kan worden vastgesteld dat op beide locatie ruimschoots aan de hiervoor vermelde grenswaarden wordt voldaan.

Taaijersweg 12 te Kerkwerve

41

De functiewijziging en de verkeersdaling als gevolg daarvan leidt tot een verbetering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Nader onderzoek is niet noodzakelijk aangezien het project niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit.

Lageweg ong. te Sirjansland Dit plan valt in de categorie “niet in betekenende mate” omdat het gaat om minder dan 1.500 woningen. Dergelijke plannen hoeven volgens de Wet milieubeheer niet langer getoetst te worden aan de grenswaarden, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. Dit is in het voorliggende planvoornemen niet aan de orde. Een overschrijding van de grenswaarden door het onderhavige plan is dan ook niet aan de orde en nader onderzoek is niet nodig. 4.9.3 Conclusie De conclusie is dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse van zowel het plangebied als nabijgelegen woningen.

4.10

Externe veiligheid

4.10.1 Toetsingskader Bij nieuwe (ruimtelijke plannen) dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het toetsingskader zijn de onder volgende besluiten: Besluit externe veiligheid inrichtingen; Besluit externe veiligheid transportroutes en Regeling Basisnet; Besluit externe veiligheid buisleidingen. De besluiten zijn uitgewerkt in regelingen. 4.10.2 Toetsing Risicovolle inrichtingen Uit de professionele risicokaart voor Nederland en het Risico Portaal Zeeland blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied (beide locaties) geen risicovolle inrichtingen of installaties aanwezig zijn met een plaatsgebonden risicocontour of invloedsgebied voor het groepsrisico dat reikt tot het plangebied.

Vervoer gevaarlijke stoffen Andere relevante risicovolle bronnen zijn geen belemmering of van invloed zijn op de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen (vaar)wegen of buisleidingen in de omgeving van het plangebied.

42

4.10.3 Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggende herziening van het bestemmingsplan Buitengebied.

4.11

Ecologie

4.11.1 Toetsingskader Inleiding Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient te worden onderzocht of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Bij de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht tot één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: a. Natura-2000 gebieden; b. Bijzondere nationale natuurgebieden; c. NatuurNetwerk Nederland (NNN). Daarvan zijn de Natura-2000-gebieden en het NatuurNetwerk Zeeland (als onderdeel van het NatuurNetwerk Nederland) van belang.

Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

43

De voorgenomen sloop van de pluimveestallen op het adres Taaijersweg 12 noordwestelijk van Kerkwerve en de bouw van een nieuwe woning aan de Lageweg in de oostelijke kernrandzone van Sirjansland kunnen zorgen voor stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Als deze activiteiten afzonderlijk of in combinatie significante negatieve effecten kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, dan is hiervoor een vergunning op grond van de Wnb nodig.

NatuurNetwerk Nederland Gebieden die deel uitmaken van het NNN worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Zeeland uitgewerkt in het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Rond de natuurgebieden van het Natuurnetwerk Zeeland geldt een zone van 100 meter waarbij nieuwe ontwikkelingen worden beoordeeld op gevolgen voor de natuur.

Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en c. de bescherming van overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor het doden van overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de provincie Zeeland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Deze lijst is in de provincie Zeeland ongeveer vergelijkbaar met de “Tabel 1-soorten”, dus de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er overigens geen beleidsruimte en blijft de bescherming onveranderd.

Algemene zorgplicht

44

Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild aanwezige planten en dieren en hun leefomgeving. Bij aanvang en tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met algemene soorten, en moet duidelijk zijn dat er geen vogels in het plangebied of de directe omgeving aan het broeden zijn. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of wanneer er geen broedgeval aanwezig is. In het kader van de Wnb wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming). 4.11.2 Toetsing Taaijersweg 12 Kerkwerve De activiteiten op dit perceel betreft het slopen van 2 voormalige pluimveestallen en een electragebouw en het egaliseren en herinrichten van het perceel. De verharding tussen de voormalige pluimveestallen wordt mogelijk verwijderd. De verharding tussen de zuidelijke pluimveestal en de paardenstal wordt gehandhaafd. Deze blijft namelijk nodig in verband met het uitmesten van de paarden.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied, effecten als areaalverlies en versnippering kunnen daarom worden uitgesloten. Gezien de grote afstand (ten minste circa 1,2 kilometer) tot het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied Oosterschelde en de voorgenomen werkzaamheden kunnen ook effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding en daarmee op beschermde soorten worden uitgesloten. Omdat de sloop samenhangt met de formele beëindiging van een pluimveehouderij, dat veel stikstofuitstoot kan veroorzaken, wordt verwacht dat per saldo sprake zal zijn van een forse vermindering van stikstofemissie en daarmee van depositie in Natura 2000-gebieden. Voor het bedrijf is nooit een Wnb-vergunning verleend. Het was al in bedrijf toen de natuurwetgeving van kracht werd. Dit gegeven en het feit dat de pluimveehouderij al in 2015 is beëindigd, zorgt ervoor dat hiermee niet meer kan worden gesaldeerd. Niettemin zal het verkeer in de gebruiksfase niet toenemen en dus is er vanuit dat oogpunt geen sprake van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Bij het slopen van de gebouwen komt wel stikstof vrij, namelijk van het materieel dat ter plaatse wordt ingezet en van het transport van het materieel van en naar de locatie en afvoer van sloopmateriaal.

In verband hiermee is voor de sloopfase een berekening uitgevoerd om de stikstofdepositie (overbelaste) stikstofgevoelige habitats in binnen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. Voor de sloop van de gebouwen aan de Taaijersweg is door een sloopbedrijf informatie aangeleverd over het materieel dat wordt ingezet en de bedrijfsduur ervan. De berekening is gecombineerd met de activiteiten die op de locatie aan de Lageweg ong. worden uitgevoerd. In bijlage 3 zijn invoergegevens en de resultaten van de berekeningen opgenomen, voorzien van een korte toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat er zowel voor de sloop- en bouwfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten zijn boven 0,00 mol/ha/jr.

45

Figuur 4.10 Ligging Taaijersweg 12 ten opzichte van Natura 2000-gebied Oosterschelde (groene gebieden; bron: provincie Zeeland)

Soortenbescherming Om de effecten op beschermde soorten te kunnen bepalen, is voor deze locatie een ecologische quickscan uitgevoerd. Daarin is rekening gehouden met de sloop van gebouwen. Bijzondere aandacht is besteed aan het voorkomen van beschermde diersoorten zoals vleermuizen en gierzwaluwen in de te slopen gebouwen. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 4. In de quickscan wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling naar verwachting in strijd is met het onderdeel soortbescherming uit de Wet natuurbescherming. Er kunnen namelijk nesten/verblijfplaatsen van huismus, kerkuil, steenmarter en 'vogels zonder jaarrond beschermd nest' op de planlocatie aanwezig zijn. Nader onderzoek naar deze soorten is voor deze soorten nodig en uitgevoerd in de periode maart- mei 2022. Het valt overigens niet te verwachten dat de steenmarter verblijft in de achterste schuur. Dan had de voormalige ondernemer dan bij de uitoefening van zijn kippenboerderij dit gemerkt en maatregelen getroffen. In de quickscan is ook vermeld dat in het plangebied verschillende diersoorten aanwezig zijn die relevant zijn om rekening mee te houden tijdens de voorgenomen ontwikkeling. Genoemd worden soorten als haas, konijn, woelrat en gewone pad. Deze kunnen in het grasland aanwezig zijn. Voor deze diersoorten geldt een zorgplicht.

Als deze diersoorten al aanwezig zijn, dan gaat om een tijdelijke verstoring. Het grasland wordt niet verkleind. Het tegendeel is uiteindelijk het geval. Daarnaast kan rugstreeppad zich in de toekomst vestigen, als er geen voorzorgsmaatregelen worden genomen. Voorgestelde maatregelen zijn: 1. voorkom dat er in de periode april t/m eind augustus ondiepe wateren ontstaan of zorg dat deze direct gedempt worden. Denk hierbij aan regenplassen en bandensporen. Deze maatregel is enkel toepasbaar om nieuwe vestiging in geschikt voortplantingsbiotoop te voorkomen. 2. voorkom dat er in de periode april t/m eind november nieuwe zomer- en/of winterverblijfplaatsen ontstaan, zoals hopen vergraafbaar zand, bouwmateriaal (bijv. puin), hopen houtafval of stenen. Verwijder dit direct uit het plangebied. Indien het niet mogelijk is om aan deze maatregelen te voldoen, dan dient nader onderzoek te worden verricht. Indien voldaan kan worden aan de maatregel, is nader onderzoek naar deze soort niet nodig. Na de oplevering van de quickscan, namelijk op 8 december 2020 is de provinciale verordening gewijzigd

46

in die zin dat er geen algemene vrijstelling meer is voor het doden van bunzing, haas en konijn. Omdat het gaat om een tijdelijke verstoring van een niet essentieel leefgebied, er meer dan genoeg uitwijkmogelijkheden zijn voor hazen en konijnen, er geen belemmeringen rondom de planlocatie staan voor deze diersoorten en deze ook niet zullen worden gedood, is geen vergunning Wet natuurbescherming nodig. Resultaten Quickscan Taaijersweg 12 te Kerkwerve In de quickscan is het habitat voor 3 beschermde soorten aangetoond (huismus, kerkuil en steenmarter). Deze soorten vallen onder de jaarrond beschermde soorten zonder vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen. Huismus Voor de huismus is het zeker dat nestplaatsen verloren gaat. Het exacte aantal wordt vastgesteld in het vervolgonderzoek (zie hierna in deze paragraaf). Als mitigatiemaatregel wordt een drievoud van het huidige aantal verblijfplaatsen aangebracht. De aangebrachte vervangende broedplaatsen moeten voldoen aan de in het 'kennisdocument huismus' gegeven voorwaarden. Dit houdt in dat de vervangende verblijfplaatsen binnen 200 meter van de huidige locatie worden geplaatst en ten minste 3 maanden voor de aanvang van werkzaamheden. Locaties voor de vervangende verblijfplaatsen zullen worden verdeeld over de al aanwezig bebouwing voor een zo divers en duurzaam mogelijke mitigatie.

Bij de ontwikkeling blijft het leefgebied van de soort binnen het plangebied in stand. Omdat zal worden gewerkt volgens het hiervoor genoemde kennisdocument is de verwachting dat de noodzakelijke ontheffing Wnb zal worden verleend.

Kerkuil Als een of meer verblijf- en/of rustplaatsen van de kerkuil in de schuur worden aangetoond, worden ten minste 3 maanden voor de start van de sloopwerkzaamheden 3 nieuwe verblijfplaatsen per aangetoonde verblijfplaats als mitigatiemaatregel aangebracht. Deze nieuwe verblijfplaatsen zijn in ieder geval al aanwezig in de periode september tot december. Vervangende verblijfplaatsen worden bij voorkeur aangebracht in overblijvende schuren die vanwege de sloop moet wijken. Voor rustplaatsen geldt dat de mitigatie niet noodzakelijk uit een kast hoeft te bestaan. Het kan ook een nieuwe toegang zijn in (andere) gebouwen. Verwezen wordt naar de eisen in het 'kennisdocument kerkuil'. Ook hiervoor geldt dat de verwachting dat de noodzakelijke ontheffing Wnb zal worden verleend.

Steenmarter Als de steenmarter wordt aangetroffen in het plangebied, wordt een marterhoop aangelegd aan de hand van de 'handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming' van de zoogdiervereniging. Deze wordt minimaal 3 maanden voor de start van de werkzaamheden aangelegd, op een groene locatie waar deze permanent aanwezig kan blijven. Een mogelijke locatie zou de noordoosthoek, of de zuidwesthoek van het perceel zijn. Met deze mitigerende maatregel is de verwachting dat de noodzakelijke ontheffing Wnb zal worden verleend.

In alle gevallen is dus de verwachting dat de eventueel noodzakelijke ontheffing Wnb zal worden verkregen. Mitigatie voor de mogelijk aanwezige soorten is namelijk goed mogelijk en eenvoudig te realiseren bij een juiste uitvoering. De exacte invulling van de mitigerende maatregelen staat weliswaar nog niet vast, maar vast staat dat de maatregelen uitvoerbaar zijn.

Resultaten nader onderzoek Taaijersweg 12

47

Het nader ecologisch onderzoek naar het voorkomen van de hiervoor genoemde diersoorten is in het voorjaar van 2022 in 3 ronden uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 5. In dit nader onderzoek is in het plangebied geen functioneel leefgebied vastgesteld van de kerkuil en de steenmarter. Tijdens het onderzoek met cameravallen is een aantal soorten waargenomen, die bij het werken volgens de algemene zorgplicht redelijkerwijs geen hinder ondervinden van de ruimtelijke ingreep. Er is verder sprake van fourageergebied van huismussen, dat in stand blijft tijdens de ruimtelijke ingreep. Verder zijn rondom het plangebied fouragerende gele kwikstaarten en putters waargenomen. De functie vals leefgebied van deze soorten blijft in tact in de nieuwe situatie. Gelet op het voorgaande is het aanvragen van een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming niet nodig. Er zal gewerkt worden conform de algemene zorgplicht. Een belangrijke maatregel in dat kader is het langzaam van zuid naar noord te werken tijdens de sloop.

Lageweg ong. te Sirjansland De activiteiten op dit perceel betreft het verbreden van een sloot en het graven van een nieuwe sloot, het bouwrijp maken van het terrein (vergraven, egaliseren, ophogen), het aanleggen van verhardingen en ondergrondse leidingen, het aanleggen van beplanting en het oprichten van bebouwing.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Ook deze locatie ligt niet in Natura 2000-gebied, effecten als areaalverlies en versnippering kunnen daarom eveneens worden uitgesloten. De afstand tot het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied Grevelingen bedraagt ten minste circa 575 meter (binnendijks gebied) en ten minste 860 meter (buitendijks gebied). Gezien deze grote afstanden en de kleinschaligheid van de ontwikkeling kunnen voor deze locatie effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding en daarmee op beschermde soorten worden uitgesloten. De te bouwen woning is volledig gasloos waardoor er geen sprake is van een gebouwemissie van stikstof. De enige overblijvende emissies zijn die van het verkeer in de bouwfase en de gebruiksfase en het materieel dat wordt ingezet op de locatie tijdens de bouw van de woning en de inrichting van het perceel. Voor de bouw van de woning en de herinrichting van het perceel aan de Lageweg is op dit moment nog niet exact bekend welk materieel wordt gebouwd en grondwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd. Hiervoor zijn aannames gedaan op basis van ervaringen elders. De initiatiefnemer is voornemens om met een kleine lokale aannemer een gemetselde stenen woning te bouwen. Zodra het initiatief meer concreet is geworden, zal een nieuwe berekening worden gemaakt.

Om de stikstofdepositie op (overbelaste) stikstofgevoelige habitats in binnen Natura 2000-gebieden in beeld te brengen, is voor de bouwfase en de gebruiksfase een berekening uitgevoerd. De berekening is gecombineerd met de activiteiten die op de locatie aan de Taaijersweg 12 worden uitgevoerd. Zoals eerder vermeld heeft de combineerde berekening (zie bijlage 3) geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr opgeleverd.

48

Figuur 4.11 Ligging Lageweg ong. ten opzichte van Natura 2000-gebied Grevelingen (groene gebieden; bron: provincie Zeeland)

Natuurnetwerk Zeeland Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het NNZ. De dichtstbijzijnde gebieden liggen op ongeveer 700 meter. Dit is het natuurgebied 'bosje Sirjansland', daaraan grenzend ligt het grotere natuurgebied 'Dijkwater'. Ook ligt ten noorden van het plangebied 'dijken binnendijk nieuw'. De geplande activiteit heeft geen effect negatief op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland.

Figuur 4.12 Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (bron: Provincie Zeeland)

49

Soortenbescherming Om de effecten op beschermde soorten te kunnen bepalen is voor deze locatie een ecologische quickscan uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 6. Tijdens het veldonderzoek zijn geen waarnemingen gedaan van schaarse of bedreigde soorten. Geconcludeerd is dat door de nieuwbouw van de woning, het karakter van het gebied in geringe mate wordt beïnvloed. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Het is onwaarschijnlijk dat broedende soorten in de omgeving door de werkzaamheden worden verstoord. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden. Tijdens het bouwen zal aandacht worden besteed aan het niet creëren van nieuw leefgebied zeker voor het konijn. Concreet betekent dit dat zandhopen zullen worden vermeden of anders worden afgedekt dan wel op een alternatieve manier ontoegankelijk worden gemaakt voor konijnen. 4.11.3 Conclusie Beide deelgebieden liggen niet in een beschermd natuurgebied.

Uit het stikstofdepositieonderzoek dat voor beide locaties in verband met de voorgenomen sloop- en bouwactiviteiten en de gebruiksfase tezamen is uitgevoerd blijkt dat er geen depositieresultaten op overbelaste stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden zijn boven 0,00 mol/ha/jr. Uit de quickscan voor de Taaijersweg is gebleken dat nader ecologisch onderzoek voor sloop van de gebouwen nodig is. Tijdens het onderzoek dat voor de quickscan is uitgevoerd zijn geen soorten aangetroffen die het bestemmingsplan onuitvoerbaar maken, wel moeten er mitigerende maatregelen worden getroffen. De verplichte maatregelen volgen uit het vervolgonderzoek naar de mogelijk aanwezige soorten. Uit de resultaten van het nader ecologisch onderzoek dat in het voorjaar van 2022 is uitgevoerd, blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat er beschermde diersoorten aanwezig zijn. Uit de quickscan voor de locatie Lageweg ong. blijkt dat er geen beschermde soorten aanwezig zijn waarvoor een ontheffing van GS nodig is. De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkelingen niet in de weg. Tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase moet iedereen voldoende zorg in acht nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. In het bijzonder dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels en de vestigingsmogelijkheid van de rugstreeppad.

4.12

Duurzaamheid en energie

4.12.1 Beleids-/toetsingskader Duurzaam bouwen Het begrip 'duurzaam bouwen' is door het ministerie van VROM in 1995 geïntroduceerd om de kwaliteit van het bouwen te verhogen en de duurzaamheid van de te gebruiken materialen, alsmede de te onderscheiden processen te waarborgen.

Energie, Klimaat en Kringloopeconomie Op dit moment zijn er een aantal transities die onder het begrip duurzaamheid vallen. De energietransitie, (het terugbrengen van de CO2 uitstoot door van fossiele energie over te gaan op hernieuwbare en duurzame energie 2) de ruimtelijke adaptatie voor de klimaatverandering (het aanpassen

50

van de openbare ruimte om de negatieve effecten van de klimaatverandering te verkleinen of zelfs weg te nemen) en de overgang naar kringloopeconomie (gericht op het hoogwaardig hergebruiken van producten en grondstoffen). Alle ruimtelijke ontwikkelingen worden aan deze ontwikkelingen getoetst en indien mogelijk zal op deze ontwikkelingen geanticipeerd moeten worden. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle vergunningsaanvragen voor nieuwbouw (woningbouw en utiliteitsbouw) voldoen aan de norm voor een Bijna Energie Neutraal Gebouw (BENG). De energieprestatie voor bijna energieneutrale gebouwen wordt vastgelegd aan de hand van 3 eisen: 1. maximale energiebehoefte in kWh per m2; 2. maximale primaire fossiel energiegebruik in kWh / m2 en 3. minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten. Aanvragen van de Omgevingsvergunning voor nieuwbouw moeten vanaf 1 januari 2021 voldoen aan deze BENG norm. In het kader van de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) is de aansluitingsplicht van aardgas voor kleinverbruikers bij nieuwbouw per 1 juli 2018 geschrapt en vervangen door een warmterecht, waarmee eindgebruikers aanspraak kunnen maken op een aansluiting op een (verzwaard) elektriciteitsnet of een warmtenet. Uit informatie van de provincie Zeeland blijkt dat voor wat betreft warmte-koude opslag beide locaties liggen in een kansrijk gebied voor bodemenergie.

Voor wat betreft circulaire economie is in het Bouwbesluit opgenomen dat bij de aanvraag Omgevingsvergunning het onder andere bij nieuwbouwwoningen groter dan 100 m2 verplicht is om een Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) te overleggen. Een MPG is een belangrijke maatstaf voor duurzaamheid van een gebouw.

Verder is op het niveau van het bestemmingsplan de duurzame combinatie tussen water en ruimtelijke ontwikkeling van belang. De overige thema's spelen vooral op het niveau van bouwplannen een rol. 4.12.2 Toetsing Locatie Taaijersweg 12 Op deze locatie wordt niet gebouwd, maar gesloopt. Vanwege de aanwezigheid van asbest zal dit door een gecertificeerd bedrijf moeten plaatsvinden. Er is op dit moment nog niets te zeggen over mogelijk hergebruik van materialen. Als zekerheid bestaat over de toekomstmogelijkheden van de voormalige boerderij is het benutten van bodemenergie een overweging.

Locatie Lageweg ong. Sirjansland De nieuwe woning zal voldoen aan alle voorwaarden met betrekking tot duurzaamheid uit het Bouwbesluit. Er zal gebruik worden gemaakt van duurzame materialen, dat wil zeggen hout, betongranulaat, pvc, gips en zo min mogelijk tot geen lood en geen koper. Kozijnen, goten, windveren worden uitgevoerd in kunststof. Lood door loodvervangers waar mogelijk. Uit het voorgaande blijkt dat voor het plan voor de bouw van woningen niet meer de verplichting geldt om op het gasnet te worden aangesloten. Dat wordt dan ook niet gedaan. Initiatiefnemer wenst een ecologische woning te realiseren. De woning wordt gebouwd zonder gasaansluiting en er wordt gestreefd naar 0 op de meter. Hiermee wordt voldaan aan de BENG-norm. Dit betekent dat er zal worden geïnvesteerd in een optimale isolatie en zonnepanelen. Nadere uitwerking van deze ideeën vindt in een later, concreter, stadium plaats, omdat de ontwikkelingen op dit vlak niet

51

stil staan. De woning krijgt een grondoppervlak dat groter is dan 100 m2 en dus zal bij de aanvraag omgevingsvergunning een MPG worden gevoegd. De initiatiefnemer voor deze locatie wenst gebruik te maken bodemenergie. De haalbaarheid wordt onderzocht met een hydroloog. Mogelijk wordt het een pilotproject in de omgeving van Sirjansland. Met betrekking tot het thema water en ruimtelijke ontwikkeling kan worden gemeld dat op het woonperceel wordt voorzien in een redelijk forse hoeveelheid water(berging) die een belangrijke bijdrage levert aan het opvangen van hemelwater en aan het reduceren van de in deze omgeving aanwezige wateroverlast. Er wordt gewerkt met een gesloten grondbalans. Vrijkomende grond wordt gebruikt om het perceel op te hogen. Hiermee wordt de kans op wateroverlast op het perceel verkleind. Het definitieve bouwpeil zal nog moeten worden bepaald. 4.12.3 Conclusie Voor de locatie Taaijersweg 12 is nog onduidelijk of er iets kan worden gedaan met het thema 'duurzaamheid en energie'. Voor de locatie Lageweg ong. wordt ingezet op een ecologische en energieneutrale woning waarbij de mogelijkheid van het benutten van bodemenergie wordt onderzocht. Voor het overige zal de nieuwe woning voldoen aan alle voorwaarden met betrekking tot duurzaamheid uit het Bouwbesluit. Ook bij de inrichting van het terrein wordt rekening gehouden met het aspect duurzaamheid.

Alle grond die vrijkomt op het perceel, wordt gebruikt om hetzelfde perceel op te hogen.

4.13

Licht en duisternis

4.13.1 Toetsingskader In de gemeente Schouwen-Duiveland kan nog werkelijk duisternis worden ervaren. Om deze te behouden, voeren zij een actief beleid op dit vlak volgens het ordeningsprincipe 'Niet verlichten, slim verlichten, gericht verlichten en bewust verlichten'.

De uitgangspunten met betrekking tot buitenverlichting aan gevels en op de percelen zijn: alleen noodzakelijke verlichting alle buitenverlichting dynamisch (bewegingssensor), en alleen neerwaarts gericht en zodanig aangebracht dat er van buiten het terrein geen zicht is op de lichtbron; 4.13.2 Toetsing Taaijersweg 12 Feitelijk verandert er op dit perceel niets. Als er nieuwe verlichting wordt aangebracht zal dit (dimbare) LED-verlichting zijn die neerwaarts gericht moet zijn. Van afstand en zeker van buiten het terrein zal geen direct zicht op de lampen zijn. Ook zal er dan terughoudend worden omgegaan met wit licht (licht dat relatief veel blauw bevat). Dat betekent een kleurtemperatuur tot maximaal 2.700 Kelvin (K). Lageweg ong. In het bouwplan zal aandacht worden besteed aan verlichting. Rondom het gebouw zal zeer terughoudend worden omgegaan met het verlichten. Er wordt namelijk alleen bij de entrees van het gebouw en de individuele woningen buitenverlichting aangebracht. Er wordt (dimbare) LED-verlichting toegepast die neerwaarts is en die geen licht verstrooit. Van afstand en zeker van buiten het terrein zal geen direct zicht op de lampen zijn. De kleur zal amberkleurig tot (zeer) warmwit zijn, ofwel kleurtemperatuur tot maximaal 2.700 K. Alle nieuwe verlichting wordt geschakeld door middel van een schemer-, en bewegingsschakelaar. Bij de

52

bouwaanvraag zal een lichtplan worden gevoegd waarin de lichtpunten en het soort verlichting worden aangegeven. Voor de realisatie van de woning aan de Lageweg is het niet noodzakelijk om extra straatverlichting te plaatsen. 4.13.3 Conclusie Als er verlichting wordt toegepast, zal dit (dimbare) LED-verlichting zijn die neerwaarts is gericht en die geen licht verstrooit zo dat de lichtuitstraling naar de omgeving tot een minimum wordt beperkt.

4.14

Planologisch relevante kabels en leidingen

4.14.1 Toetsingskader Inleiding Het relevante toetsingskader ten aanzien van planologisch relevante kabels en leidingen is: Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen; de Wet ruimtelijke ordening (criterium 'goede ruimtelijke ordening) het provinciaal Omgevingsplan Zeeland (zie paragraaf 3.2) Advies van het Ministerie van Infrastructuur en milieu met betrekking tot hoogspanningslijnen Planologisch relevantie Planologisch relevante kabels en leidingen dienen in het bestemmingsplan te worden geregeld (lees: te worden beschermd). Deze zijn namelijk van groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang. Deze kabels en leidingen hebben een relatief grote invloed op het gebruik van gronden in de directe omgeving of dienen te worden beschermd tegen invloeden van buitenaf. In ieder geval zijn buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen die vallen onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revn) planologisch relevant. Deze leidingen hebben externe veiligheidscontouren. `

Naast buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn er nog andere buisleidingen die planologisch relevant worden geacht. Het gaat om leidingen met een (boven)regionale transportfunctie of leidingen die op een andere manier risico's met zich meebrengen voor mens of de leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Ook afvalwaterpersleidingen met bepaalde diameter, buisleidingen tussen internetdistributiepunten/dataopslagcentra verdienen nadrukkelijk de aandacht. Voor zover er geen wettelijke verplichting is om al dit soort buisleidingen in een bestemmingsplan op te nemen, is de vraag relevant of het maatschappelijk belang van een buisleiding bescherming vanuit een bestemmingsplan wenselijk is. Afstemming met de leidingexploitant kan hieromtrent duidelijkheid geven. De netwerkconfiguratie is hierbij van belang. Er is voor deze leidingen geen sprake van externe veiligheidscontouren. De leidingen vallen niet onder het Bevb. Wel krijgt een dergelijke leiding ter bescherming van de leiding en om beheer en onderhoud niet onmogelijk te maken, een dubbelstemming ter grootte van de belemmeringenstrook of zakelijk rechtstrook (aan weerszijden van de leiding).

Behalve buisleidingen kunnen hoogspanningsverbindingen vanaf een bepaald voltage planologisch relevant zijn. Door de gemeente Schouwen-Duiveland worden hoogspanningsleidingen en -verbindingen

53

van 50 kV en hoger die geen deel uitmaken van een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet milieubeheer als planologisch relevant aangemerkt.

Met eventueel aanwezige overige (planologische niet relevante) leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Dergelijke kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs/in combinatie met aanwezige infrastructuur.

Grondroeringsregeling (WION) In principe zijn leidingen ook beschermd tegen schade door graafwerkzaamheden vanwege de meldingsplichtig op basis Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION). De WION verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. 4.14.2 Onderzoek en conclusie Op grond van het geldende bestemmingsplan Buitengebied wordt geconcludeerd dat op geen van beide locaties, Taaijersweg 12 en Lageweg ong. en in de directe omgeving daarvan planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig zijn.

In verband met eventueel aanwezige niet planologische relevante leiding zal op het moment van daadwerkelijke realisering van de voorgenomen ontwikkeling ten minste 3 werkdagen voor de aanvang van graafwerkzaamheden door degene die de graafwerkzaamheden uitvoert contact (moeten) worden opgenomen met het KLIC, waarbij dient te worden gemeld waar en wanneer wordt gegraven.

54

Hoofdstuk 5 Toelichting op de juridische regeling in dit bestemmingsplan 5.1

Wettelijk kader

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar. Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de gemeentelijke standaardregels voor de bestemmingsplannen (die ten grondslag liggen aan het geldende bestemmingsplan Kom Domburg) zijn van belang voor bestemmingsplannen.

5.2

Toelichting op de regels

Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde. In de inleidende regels worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald. In de bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen, zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven. De algemene regels bevatten een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel en de algemene bouwregels. De overgangs- en slotregels geven overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan. 5.2.1 Toelichting op de gehanteerde bestemmingen Verbeelding Taaijersweg In overeenstemming met de feitelijke situatie worden de gronden met de overblijvende gebouwen bestemd voor Wonen. Een gedeelte van het perceel behoudt de agrarische bestemming. Het agrarisch bouwvlak is echter verwijderd. De aanduidingen 'bouwvlak' en 'intensieve veehouderij' komen te vervallen.

In verband met de aardappelbewaarloods is de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - nieuwe economische drager' opgenomen.3 De opslag van agrarische producten is vermeld op de Positieve lijst NED's (bijlage 1 van de voorschriften op het geldende bestemmingsplan Buitengebied, tevens Bijlage 3 van de regels op voorliggend bestemmingsplan). Deze aanduiding wordt in het geldende bestemmingsplan gebruikt in combinatie met verschillende ontheffingen van de bouwregels en is gekoppeld aan (sloop van) bestaande gebouwen. Het plan beoogt niet andere NED's in het gebouw mogelijk te maken. In voorkomend geval zal hiervoor een aparte planologische afweging moeten worden gemaakt en procedure worden doorlopen. Gelet op de systematiek in het bestemmingsplan

55

Buitengebied is de aanduiding 'voormalig agrarisch bedrijf' opgenomen. Aan deze aanduiding zijn wijzigingsbevoegdheden gekoppeld om een andere NED en vervangende nieuwbouw mogelijk te maken. Aan weerszijden van de woonbestemming zijn 7 meter brede stroken voorzien van de bestemming Groen. Dit houdt verband met de aanwezige randbeplanting die niet verloren mag gaan. Deze beplanting heeft namelijk een functie in het verminderen van de drift van bestrijdingsmiddelen op het woonperceel.

Lageweg ong. Sirjansland In lijn met de systematiek van bestemmen in het bestemmingsplan Buitengebied is voor het gehele perceel een woonbestemming opgenomen. Daarbinnen is een bouwvlak vastgelegd, waarbinnen de woning moet worden gebouwd. De situering van het bouwvlak is afgestemd inrichtingsschets, in casu de 50 meter afstand die moet worden aangehouden tot de paardenstal aan de overzijde van de Lageweg. In afwijking van het bestemmingsplan Buitengebied zijn de maximum goot- en bouwhoogte in het bouwvlak met aanduidingen vastgelegd. Aan alle zijden van het bouwvlak is de aanduiding 'zonder gebouwen' opgenomen. Dit houdt verband met de beoogde kwaliteitseisen die aan de inrichting van het perceel worden gesteld: bouwen op voldoende afstand tot de weg, aanleg waterberging en realisering en instandhouding van de groensingel aan de noordzijde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14968304/1