1275395 Bijlage 1 Bp Taaijersweg 12 Kerkwerve en Lageweg ong. Sirjansland Toelichting
Tekst van het document
TAAIJERSWEG 12 KERKWERVE EN LAGEWEG ONG. SIRJANSLAND Toelichting bestemmingsplan, vastgesteld
Taaijersweg 12 Kerkwerve en Lageweg ong. Sirjansland
Schouwen-Duiveland
bestemmingsplan
identificatie
planstatus
identif icatiecode:
datum:
status:
NL.IMRO.1676.00297BphKW-VA01
15-12-2020 rev. 23-06-2022 27-02-2025
concept ontwerp vastgesteld
projectnummer:
44003059.20201239 opdrachtleider:
ir. C.A. Louws auteur:
ing. B.M. Lap
2
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Toetsing aan beleidskader
Europees, rijks- en provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14
Planbeschrijving
Locatie 1: Taaijersweg 12 Kerkwerve Locatie 2: Lageweg Sirjansland
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3
Inleiding
Aanleiding Ligging plangebied Geldende bestemmingsregeling Leeswijzer
Hoofdstuk 2 2.1 2.2
5 6 6 6 7 7
8 8 11
16 16 20 21
Sectorale onderzoeken
25
Toetsing aan Besluit milieueffectrapportage Verkeersaspecten Cultuurhistorie Bodemkwaliteit Niet-gesprongen explosieven Watertoets Geluid Milieuhinder en bedrijven Luchtkwaliteit Externe veiligheid Ecologie Duurzaamheid en energie Licht en duisternis Planologisch relevante kabels en leidingen
25 26 27 33 34 35 36 37 41 42 43 50 52 53
Hoofdstuk 5 Toelichting op de juridische regeling in dit bestemmingsplan
55
5.1 5.2
55 55
Wettelijk kader Toelichting op de regels
Hoofdstuk 6
Financiële uitvoerbaarheid
61
Hoofdstuk 7
Resultaten maatschappelijke uitvoerbaarheid
62
7.1 7.2
Resultaten vooroverleg Resultaten zienswijzenprocedure
62 63
3
Hoofdstuk 8
4
Bij de vaststelling aangebrachte wijzigingen
64
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op twee in het buitengebied van de gemeente Schouwen-Duiveland gelegen locaties: namelijk de locatie van een voormalige pluimveehouderij aan de Taaijersweg 12 noordwestelijk van Kerkwerve en een onbebouwde locatie aan de Lageweg in de oostelijke kernrandzone van Sirjansland. Naar aanleiding van de bedrijfsbeëindiging van het pluimveehouderijbedrijf is bij de gemeente een initiatief ingediend dat voorziet in: op de locatie Taaijersweg 12: het laten vervallen van het agrarisch bouwblok, de sloop van verouderde (niet cultuurhistorische waardevolle) bedrijfsgebouwen, het intrekken van de vergunning voor het uitoefenen van een akkerbouwbedrijf en het houden van 10.000 legkippen en het deels omzetten van de agrarische bestemming in een woonbestemming; en in combinatie daarmee (als compensatie voor het vervallen van het agrarisch bouwblok, de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen en de vergunning intrekking) op de locatie aan de Lageweg het realiseren van een landschappelijk ingepaste ruimte voor ruimte woning. De gemeente is bereid mee te werken aan dit initiatief, omdat daarmee een milieu- en ruimtelijk knelpunt wordt opgelost. Doel van dit bestemmingsplan is dan ook om een planologisch kader te bieden waarbinnen deze ontwikkeling mogelijk is.
Dit nieuwe bestemmingsplan is noodzakelijk omdat de ter plaatse geldende bestemmingsregeling zoals vastgelegd in het bestemmingsplan Buitengebied (2009) daarvoor onvoldoende toereikend is.
Noot: Per 1 januari 2024 zijn de Wet ruimtelijke ordening en het instrument bestemmingsplan komen te vervallen. In plaats daarvan geldt de Omgevingswet en beschikt de gemeente voor de gehele gemeente over een omgevingsplan. Omdat het ontwerpbestemmingsplan voor genoemde datum ter inzage is gelegd, kan het bestemmingsplan nog onder de oude wetgeving worden afgewikkeld en vastgesteld.
1.2
Ligging plangebied
De deelgebieden zijn in figuur 1.1. globaal aangeduid.
6
Figuur 1.1 Ligging Taaijersweg 12 te Kerkwerve (rode stip) en Lageweg te Sirjansland (blauwe stip) op het eiland Schouwen-Duiveland (bron: Basisviewer Rho)
1.3
Geldende bestemmingsregeling
Beide locaties zijn planologisch-juridisch geregeld in het bestemmingsplan 'Buitengebied' dat op 6 maart 2009 door de gemeenteraad is vastgesteld. De locaties hebben daarin de enkelbestemming Agrarisch'. De in dit bestemmingsplan opgenomen ruimte voor ruimte regeling is nog gebaseerd op de oude (niet meer geldende) woonvisie van de gemeente. Deze is, in tegenstelling tot de in de nieuwe woonvisie opgenomen regeling, niet toereikend voor de beoogde ontwikkeling.
1.4
Leeswijzer
In het Besluit ruimtelijke ordening is aangegeven waaraan een toelichting op een bestemmingsplan moet voldoen. De in het plan gemaakte keuze van bestemmingen moeten worden verantwoord en er moet inzicht worden gegeven over de uitvoerbaarheid van een plan. In verband hiermee heeft deze toelichting de volgende opzet. In hoofdstuk 2 worden per locatie de huidige situatie (feitelijk aanwezig en planologische regeling) beschreven. Vervolgens worden de nieuwe situatie toegelicht. De wijze waarop die planologisch-juridisch is verwerkt in deze herziening wordt toegelicht in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 3 is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan vastgesteld beleid van verschillende overheden. In hoofdstuk 4 is het plan getoetst aan omgevingsaspecten (sectorale wetgeving). In hoofdstuk 6 en 7 wordt ingegaan op respectievelijk de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
7
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
In dit hoofdstuk wordt per locatie ingegaan op de feitelijke situatie (wat is er nu aanwezig en indien van belang wat zijn de kwaliteiten ervan?), de huidige planologische regeling (wat mag er nu?) en wat is de toekomstige situatie (wat willen de eigenaren/initiatiefnemers met hun locaties). Voor de wijze waarop dit planologisch wordt geregeld in voorliggende herziening (op welke punten dient de regeling te worden aangepast?) wordt verwezen naar hoofdstuk 5.
2.1
Locatie 1: Taaijersweg 12 Kerkwerve
2.1.1 Uitgangssituatie De locatie die in dit bestemmingsplan wordt herzien is aangeduid in figuur 2.1. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Middenschouwen, sectie H, nummer 420. Het perceel heeft een omvang van ca. 14.000 m2.
Figuur 2.1 De locatie Taaijersweg 12 te Kerkwerve (Foto: Provincie Zeeland)
Op de locatie was tot 2015 een pluimveehouderijbedrijf gevestigd, een intensieve veehouderij met vergunning voor het houden van maximaal 10.000 legkippen. Het pluimvee was ondergebracht in de achterste 2 stallen op het perceel en na 1992 alleen in de meest noordelijke stal (zie ook figuur 2.2.). Die stal dateert uit 1979 en heeft een oppervlakte van 471 m2. Tegen deze stal is een electragebouw gebouwd (oppervlakte 42 m2).
8
Figuur 2.2 Noordelijke pluimveestal met links daarvan het electragebouw (foto: C. Roskam)
De andere stal (zie figuur 2.3) staat daar haaks op, dateert uit 1969 en heeft een oppervlakte van 244 m2. Deze stal wordt sinds 1992 gebruikt voor caravanstalling.
Figuur 2.3 Zuidelijke pluimveestal (foto: C. Roskam)
De pluimveestallen zijn in een slechte bouwtechnische staat en ook voorzien van een asbestdakbedekking. In beide stallen worden nu een aantal caravans gestald. Daarnaast zijn op het perceel een aardappelbewaarloods (bouwjaar 1991, 503 m2) en een paardenstal (bouwjaar 1990, 235 m2) aanwezig. Beide zijn nog in goede staat. De aardappelbewaarloods wordt gebruikt voor het opslaan van agrarische producten (veelal uien) van een familielid die agrariër is. Dit is een belangrijke inkomstenbron voor de huidige bewoner aan de Taaijersweg 12. In de paardenstal staan nu 3 paarden voor eigen gebruik, een paardentrailer, een grasmaaier en 2 campers. Het voorste gedeelte van de schuur zijn twee garages voor de auto. Daarnaast wordt de stal gebruikt voor de opslag van hooi en stro.
9
De gronden aan weerszijden van de noordelijke pluimveestal worden momenteel gebruikt als paardenweide (hobbymatig). Rondom de westelijke, noordelijke en oostelijke rand van het perceel is een 7 tot 9 meter brede randbeplanting aanwezig die bestaat uit bomen en hoogopgaande onderbegroeiing. Alleen globaal in het verlengde van de noordelijke pluimveestal is een coupure in de beplanting aanwezig. De ruimten tussen de gebouwen is verhard met beton en tegels.
Figuur 2.4 Paardenweide en groensingel aan de oostzijde van het perceel 2.1.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie krijgt het voorste deel van het perceel een woonbestemming. De huidige bedrijfswoning wordt een burgerwoning. De achterste 2 stallen op het perceel en het electragebouw worden gesloopt. Bij elkaar is dit 757 m2. Met de sloop van de gebouwen vervalt de caravanstalling. De sloop van de gebouwen wordt gekoppeld aan de ontwikkeling aan de Lageweg (zie paragraaf 2.2.2) en zal plaatsvinden voorafgaand aan de realisatie van de woning op die locatie. Het gebruik van de aardappelopslagloods voor de opslag van agrarische producten wordt gecontinueerd. Ook het huidige gebruik van de paardenstal wordt voortgezet. Na de sloop van de gebouwen wordt het achterste gedeelte van het perceel gebruikt als paardenweide. Er wordt geen paardenbak aangelegd. De bestaande groensingel wordt behouden. Dat wordt blijvend gewaarborgd in de regeling van dit bestemmingsplan (zie paragraaf 5.2) en wordt ook privaatrechtelijk geregeld (overeenkomst met gemeente).
10
Figuur 2.5 Beoogde situatie Taaijersweg 12 te Kerkwerve
De kwaliteitswinst, zowel in ruimtelijk als in milieu opzicht, door de beëindiging van de pluimveehouderij met de daarbij behorende stallen is groot. Wat resteert is een perceel waarbinnen de bebouwing geconcentreerd staat met daaromheen een gedegen landschappelijke inpassing in de vorm van een al aanwezige beplantingssingel.
2.2
Locatie 2: Lageweg Sirjansland
2.2.1 Huidige situatie De locatie aan de Lageweg ong. is in gebruik als agrarische cultuurgrond (akkerbouw). De locatie heeft een totale omvang van circa 4.800 m2 en ligt gedeeltelijk op kadastraal perceel gemeente Duiveland, sectie H nummer 996 en gedeeltelijk op nummer 49. Beide kadastrale percelen zijn volledig in een eigendom. In figuur 2.6 is de ligging van deze locatie weergegeven.
Figuur 2.6 De locatie Lageweg ong. te Sirjansland (Bron: Provincie Zeeland)
11
Figuur 2.7 Planlocatie met op voorgrond een dichtgegroeide sloot, situatie november 2019 (foto: M & A Milieuadviesbureau BV)
Het deel van de Lageweg waaraan de locatie ligt, is een doodlopende straat die voor de ontsluiting dient van de aanliggende woningen en enkele akkers.
Figuur 2.8 De Lageweg in de richting van het dorp, situatie november 2019 (foto: M & A Milieuadviesbureau BV)
Langs de west- en zuidrand van de locatie is een waterloop aanwezig. Ter hoogte van het plangebied zijn 2 duikers aangelegd, waarover het plangebied en aangrenzende akker bereikbaar zijn. Naast de meest oostelijke duiker is een persgemaal van het waterschap aanwezig met daarbij een parkeervoorziening voor onderhoud aan dit gemaal.
12
Figuur 2.9 Persgemaal waterschap ter hoogte van het plangebied
Ten westen en zuidwesten van de planlocatie ligt de woonbebouwing van Sirjansland, aan de andere zijden het open landschap van het agrarisch buitengebied. Vrijwel direct tegenover de locatie, aan de overzijde van de Lageweg, zijn een rij knotwilgen aanwezig, een paardenstal en -bak aanwezig. Op verdere afstand liggen een agrarische bouwstede (100 meter) en enkele grotere glastuinbouwbedrijven (330 meter en verder). De in de directe omgeving aanwezige bebouwing heeft overwegend één bouwlaag met kap en een maximum nokhoogte van circa 8 tot circa 9 meter. Bij hevige regenval ontstaat er aan weerszijden van dit deel van de Lageweg en dus ook in de direct omgeving van de planlocatie wateroverlast. Dit komt onder andere door relatief (enkele tientallen centimeters) lagere ligging ten opzichte van het omringende van het gebied (zie ook bijlage 8). Een gedeelte van het hemelwater van de woonkern wordt via de projectlocatie afgevoerd. 2.2.2 Toekomstige situatie Uitgangspunten voor de ontwikkeling van de locatie In samenhang met de hiervoor aangegeven planontwikkeling aan de Taaijersweg wordt (als compensatie voor het vervallen van het agrarisch bouwblok, de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen en het intrekken van de milieuvergunning ) een nieuwe levensloopbestendige woning, die geschikt is voor de doelgroep 1en 2-persoonshuishoudens van 55-plus, beoogd aan de Lageweg.
De gemeente heeft aan de initiatiefnemer (een zogenoemde 'maatschap') hiervoor de volgende stedenbouwkundige uitgangspunten meegegeven waaraan moet worden voldaan: 1. Geen bebouwing binnen 10 meter uit de achterste (noordelijke)perceelsgrens en 5 meter uit de zijdelingse perceelsgrenzen. 2. Voor het hoofdgebouw:
13
a. maximaal 1 bouwlaag met kap c.q. nok-/bouwhoogte maximaal 10 meter en goothoogte maximaal 4 meter; b. inhoud maximaal 750 m3. 3. Voor bijgebouwen: a. minimaal 3 meter achter de voorgevellijn van de woning; b. maximaal 100 m2 gezamenlijke oppervlakte, max nok- en goothoogte van 6 m respectievelijk 3,3 meter; c. inhoud maximaal 750 m3. 4. Aanhouden van een bebouwingsvrije afstand van minimaal 50 meter tot de paardenstal aan de overzijde van de Lageweg (hieronder wordt ook de bijbehorende paardenbak verstaan). 5. Landschappelijke inpassing: gezorgd moet worden voor een goede landschappelijke afscherming langs de buitenste perceelgrenzen (de grenzen met het landelijk gebied). Het perceel moet vanaf de Dillingsweg aan het zicht worden onttrokken. De realisering van deze woning kan alleen als de pluimveestallen aan de Taaijersweg 12 Kerkwerve daadwerkelijk zijn gesloopt. Daarnaast moet de woning voor oktober 2025 worden opgeleverd, anders vervalt de bouwtitel. Op de locatie Lageweg mag op basis van actuele regelgeving en gelet op de omvang van het perceel ook maximaal 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken (zoals bijv. bijkeuken, serre, schuur, garage, plantenkas of carport) vergunningvrij worden gebouwd.
Toelichting op het planvoornemen In aansluiting op de in de directe omgeving aanwezige bebouwingskarakteristiek voorziet de planontwikkeling in de realisering van een vrijstaande woning. Met in achtneming van de aangeven uitgangspunten voor de ontwikkeling zijn een stedenbouwkundige inrichtingstekening (zie figuur 2.9) en een voorlopig schetsontwerp (voor de woning (zie bijlage 1) opgesteld waarbij uitgegaan wordt van een woning bestaande uit één bouwlaag met een kap met een hellinghoek van minimaal 30 en maximaal 60 graden. Tegen de woning wordt een serre gebouwd en achterliggende erfbebouwing (schuur) in de noordoosthoek van het perceel. Het perceel wordt vanwege de ligging in het overgangsgebied dorpskern – buitengebied op een landschappelijk verantwoorde wijze ingepast. Ten behoeve hiervan is in december 2020 door Stichting Landschapsbeheer (hierna: SLZ) in samenspraak met Rho adviseurs voor leefruimte het "Plan landschappelijke inpassing Bouwlocatie Lageweg Sirjansland" opgesteld. In dit plan, dat is opgenomen in bijlage 2 en waarop in figuur 2.10 is ingezoomd, wordt de woning gebouwd op een afstand van circa 30 meter uit de rand van de Lageweg en circa 35 meter uit de westelijke perceelgrens. Met het waterschap is overeengekomen dat de bestaande, meest oostelijk gelegen duiker over de waterloop, 4 meter in westelijke richting verplaatst.
Dit is vanwege de aanwezigheid van het persgemaal en heeft tot doel het zicht vanaf het perceel op de weg te verbeteren.
Het zuidelijk en westelijk gedeelte van het perceel blijft vrij van bebouwing en wordt ingericht als groene tuin. In het plan wordt verder uitgegaan van de aanleg van een circa 70 meter lange groensingel aan de noordzijde van het perceel, die aan de noordoostzijde een kort stuk de hoek om buigt. Tussen de groensingel en erfbebouwing wordt een afstand van circa 5 meter aangehouden. De groensingel wordt ingevuld met bomen met daaronder een dichte haag die bestaat uit diverse struiken. Er wordt gekozen voor streekeigen soorten: Zwarte els, Zomereik of Kleinbladige linde,
14
Veldesdoorn, Hazelaar, Vogelkers, Gewone liguster, Wilder liguster, Gelderse roos, Zwarte els). Door aanplant in groepen van 3-8 stuks per soort ontstaat in de loop der jaren een afwisselend beeld. De diverse struiksoorten zorgen voor een fraaie bloeiwijze en bessen voor een prima biotoop voor onder ander kleine zangvogels. De struiken worden geplant in drie rijen op een onderlinge afstand van 1,5 meter in de rij. De bebouwing wordt achter de groensingel gesitueerd. Op deze wijze wordt bebouwing op het perceel vanaf de Dillingsweg aan het zicht onttrokken en is sprake van ruime bebouwingsvrije afstanden tot de achterste en zijdelingse perceelsgrenzen.
Figuur 2.10 Fragment inrichtingstekening van Lageweg ong. te Sirjansland (bron: Rho adviseurs)
Op het perceel, aan de westzijde, wordt de bestaande watergang van het waterschap verdubbeld in breedte en voorzien met een langzaam oplopende natuurvriendelijke oever. Dit voegt ruimtelijke kwaliteit aan het plan toe en zorgt voor waterberging. Aan de noordzijde wordt in het verlengde van de waterloop achter het perceel Lageweg 19 een sloot gegraven. Deze sloot vormt de scheiding met het aangrenzende agrarisch perceel en zorgt eveneens voor waterberging. Voor meer informatie over de benodigde waterberging wordt verwezen naar paragraaf 4.6 en bijlage 8. Het onderhoud van deze nieuwe sloot vindt plaats vanaf het landbouwperceel aan de noordzijde. De uitkomende grond wordt verdeeld over de rest van het bouwperceel, dat daarmee iets wordt opgehoogd.
15
Hoofdstuk 3 beleidskader 3.1
Toetsing aan
Europees, rijks- en provinciaal beleid
3.1.1 Europees beleid Van de verschillende Europese beleidskaders is de Kader Richtlijn Water de meest relevante. De voornaamste beleidsuitgangspunten richten zich op het verbeteren van milieu- en natuurlijke kwaliteiten. Dit heeft in Nederland zijn vertaling gekregen in wetgeving op nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau. 3.1.2 Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Samenvatting beleidskader Met de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) kiest het Rijk voor een selectieve inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken.
Toetsing en conclusie Eén van de nationale belangen die relevant is voor het voorliggende bestemmingsplan is een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Hier wordt aan voldaan. Voor het overige is in de SVIR geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat van belang is voor het voorliggend bestemmingsplan. De in de SVIR genoemde nationale belangen worden door de voorgenomen ontwikkelingen niet geschaad.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent een aantal nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Dit plan raakt geen rijksbelangen uit het Barro.
Besluit ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame verstedelijking Samenvatting beleidskader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6 lid 2) is opgenomen dat bij een ruimtelijk plan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen moet worden. De reden hiervoor is om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland te bevorderen. Een stedelijke ontwikkeling houdt in dat er nieuwe bebouwing wordt toegevoegd aan de huidige bebouwing. De ladder bestaat uit twee stappen: de eerste stap bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. De tweede stap omvat, indien de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
16
Toetsing en conclusie Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak (jurisprudentie) dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Omdat voorliggend plan slechts één nieuwe woning omvat hoeft de ladder voor duurzame verstedelijking niet te worden toegepast. 3.1.3 Provinciaal beleid Omgevingsplan Zeeland 2018 en Provinciale Omgevingsverordening 2018 In het Omgevingsplan Zeeland 2018 en de bijbehorende Omgevingsverordening Zeeland 2018 zijn de hoofdlijnen uit alle provinciale beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving vastgelegd. Het gaat over economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Belang wordt gehecht aan waarborging en versterking van omgevings- en milieukwaliteit(en), bundeling van functies, en aan zorgvuldig ruimtegebruik (inbreiding en hergebruik. De volgende onderwerpen of thema's zijn voor de beoordeling van de beoogde ontwikkelingen van belang.
Wonen De positie en de functie van het landelijk gebied veranderen. De woonfunctie kan een bijdrage leveren aan dit veranderingsproces, doordat bijvoorbeeld voormalige boerderijen worden hergebruikt als woning. Daarnaast kunnen woningen (naast recreatievoorzieningen en bedrijfsmatige activiteiten) worden gebruikt als kostendrager bij het oplossen van problemen en/of het stimuleren van gewenste ontwikkelingen in het landelijk gebied. Op deze manier kan een ruimtelijke kwaliteitsverbetering bereikt worden en landschappelijke en cultuurhistorische waarden behouden blijven of worden versterkt. Uitgangspunt is dat wonen in het landelijk gebied géén doel op zich is, maar in het teken staat van bovenstaande ontwikkelingen en voorziet in een regionale behoefte. Met de zogenoemde ruimte voor ruimte regeling biedt de provincie de mogelijkheid om ongewenste of in onbruik geraakte en niet-cultuurhistorisch waardevolle bebouwing in het buitengebied te saneren in ruil voor planologische ontwikkelingsruimte, bijvoorbeeld in de vorm van een woon- of recreatieve functie. Daarbij is de bouw van woningen in het landelijk gebied mogelijk , mits hier de sloop van agrarische bebouwing en het inleveren van milieuruimte tegenover staat. Aan de uitvoer van deze ruimte voor ruimte regeling op gemeentelijk niveau worden de volgende voorwaarden gesteld. 1.
Er kunnen maximaal 3 compensatiewoningen worden gerealiseerd. Voor de realisatie van een woning/bouwkavel wordt uitgegaan van een te slopen oppervlak van 500 m² schuur of 0,5 ha glas of andere bebouwing van een vergelijkbare grootte. Hiervan kan worden afgeweken indien a. uit een financiële onderbouwing blijkt dat onvoldoende kostendragers kunnen worden gegenereerd voor de sloop van het betreffende object en b. dit aantoonbare meerwaarde oplevert voor het landschap. 2. Het dient te gaan om niet-cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. 3. Sloop en het voorkomen van heroprichting dienen te worden gewaarborgd. Toetsing Met de sloop van 757 m2 verouderde (niet cultuurhistorisch waardevolle) pluimveestallen en aangrenzend electragebouw aan de Taaijersweg en de intrekking van de vergunning voor het uitoefenen van een akkerbouwbedrijf en het houden van 10.000 legkippen wordt concreet invulling gegeven aan de behoefte aan kwaliteitsverbetering in het buitengebied van Schouwen-Duiveland. Deze kwaliteitsverbetering wordt financieel mogelijk door realisering van de beoogde woning aan de Lageweg. Deze ontwikkeling past binnen de ruimte voor
17
ruimte-regeling.
Voor het bouwen van een woning op het adres Lageweg zullen dus eerst de pluimveestallen op het perceel Taaijersweg 12 moeten zijn gesloopt. Dit wordt met een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan vastgelegd (zie ook paragraaf 5.2.1). Met het doorvoeren van de in dit bestemmingsplan opgenomen nieuwe (woon)bestemming voor het perceel aan de Taaijersweg is heroprichting van de te slopen bebouwing ter plaatse niet meer mogelijk. Verder is de nieuwe woning aan de Lageweg opgenomen in de gemeentelijke woningbouwlijst en past daarmee binnen de regionale woningmarktafspraken voor Schouwen-Duiveland.
Landschap en natuur Nieuwe ontwikkelingen mogen geen afbreuk doen aan landschappelijke waarden. Een nieuwe ontwikkeling in het landelijk gebied moet zodanig in het landschap worden ingebed dat deze, als een logisch onderdeel, deel uitmaakt van het landschap. Hiervoor wordt uitgegaan van een 10 meter brede afschermende groengordel. Wanneer alternatieve maatregelen worden getroffen, dient uit de onderbouwing te blijken dat de maatregelen die worden getroffen qua investering gelijkwaardig zijn aan het realiseren van een 10 meter brede afschermende groengordel. Maatwerk behoort hierdoor tot de mogelijkheden. Afspraken over de realisatie van de landschappelijke inpassing moeten dan in een overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer(s) worden vastgelegd. Toetsing Voor de locatie aan de Taaijersweg geldt dat de sloop van de bebouwing sterk bijdraagt aan verbetering van de landschappelijke kwaliteiten ter plaatse. Voor het bouwen van de nieuwe woning aan de Lageweg heeft de gemeente aan de initiatiefnemer stedenbouwkundige uitgangspunten meegegeven (zie ook paragraaf 2.2.2). Een daarvan is het zorgdragen van een goede landschappelijke afscherming langs de buitenste perceelgrenzen (de grenzen met het landelijk gebied). Hiervoor is het "Plan landschappelijke inpassing Bouwlocatie Lageweg Sirjansland" opgesteld, dat is opgenomen in bijlage 2.
Om de bebouwing op landschappelijk verantwoorde wijze aan het zicht te onttrekken, wordt in het plan uitgegaan van de aanleg van een circa 70 meter lange Zeeuwse haag/groensingel aan de noordzijde van het perceel, die aan de noordoostzijde een kort stuk de hoek om buigt. De groensingel wordt ingevuld met laanbomen met daaronder een dichte 3 meter brede Zeeuwse haag die bestaat uit diverse struiken. De verplichting om de landschappelijke inpassing te realiseren en in stand te houden wordt in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer(s) vastgelegd.
Nieuwe economische dragers in het landelijk gebied De provincie hecht grote waarde aan behoud van de vitaliteit van het landelijk gebied en streeft daarom naar voldoende ruimte voor zowel nieuwe als uitbreiding van bestaande niet-agrarische en semi-agrarische activiteiten in het landelijk gebied. Voorwaarde is dat deze activiteiten qua aard, schaal, omvang en verkeer aantrekkende werking passen in het landelijk gebied. Bovendien wenst de provincie verstening van het landelijk gebied tegengaan. Een nieuwe activiteit dient daarom een bijdrage te leveren aan de herbestemming of sanering van vrijkomende (agrarische) bebouwing of het behoud van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De kaders en voorwaarden waarbinnen een gemeente uitwerking kan geven aan het realiseren van deze zogenaamde Nieuwe Economische Dragers (NED's) in het landelijk gebied zijn opgenomen in de Omgevingsverordening.
18
Toetsing Dit onderwerp is van belang voor de locatie Taaijersweg 12. De agrarische bestemming van het pluimveehouderijbedrijf wordt gewijzigd in een woonbestemming, waarbij de opslag van agrarische producten in de aardappelbewaarloods blijft gehandhaafd en positief wordt bestemd. Van een nieuwe activiteit is overigens geen sprake. De (continuering) van de aardappelloods past in NED-regeling.
Waardevolle leefomgeving Biodiversiteit overal, soortenbeleid en bescherming natuurgebieden en landschap en erfgoed. De kwaliteiten met een provinciaal belang krijgen een basisbescherming via de ruimtelijke verordening. Ingrijpende aantasting van de kernkwaliteiten is niet toegestaan.
Toetsing Voor wat betreft toetsing aan het aspect ecologie wordt verwezen naar paragraaf 4.11. Voor landschap en erfgoed naar paragraaf 4.3.3.
Gezonde leefomgeving: milieukwaliteit Binnen het agrarisch gebied dient rekening gehouden te worden met de aan te houden afstanden tot woon- en verblijfsrecreatiegebieden.
Toetsing Dit onderwerp is van vooral belang voor de locatie Lageweg ong. omdat er een woonbestemming in het agrarisch gebied van Schouwen-Duiveland worden toegevoegd. Voor de locatie Taaijersweg 12 verandert er feitelijk niets. Voor wat betreft toetsing wordt verwezen naar paragraaf 4.8.
Klimaatbestendige en -neutrale samenleving De provincie streeft verder ook naar een klimaatbestendige en -neutrale samenleving en wil daartoe binnen haar mogelijkheden haar bijdrage leveren aan het beperken van het klimaatprobleem; zowel aan de bron als in de gevolgen. Onder andere wordt ingezet op besparing van energie en grondstoffen, gestreefd naar een circulaire economie en belang gehecht aan klimaatadaptatie.
Toetsing Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.12.
Duisternis Duisternis is een kwaliteit die in Zeeland nog aanwezig is en door de recreant en bewoner heel erg wordt gewaardeerd vooral in het buitengebied en de natuur. De provincie wil delen van Zeeland waar de donkerte een echte meerwaarde heeft beschermen tegen onnodige lichthinder zonder belemmerend te werken.
19
Toetsing Bij de verlening van omgevingsvergunningen zal dit onderwerp worden getoetst. In de regels van dit bestemmingsplan zal de algemene voorwaarde worden opgenomen dat de uitstraling van licht naar de omgeving tot een minimum dient te worden beperkt. Verwezen wordt naar paragraaf 4.13.
Bufferzones Nieuwe ontwikkelingen mogen het agrarisch gebruik niet belemmeren. Voor een bestemmingsplan waarin voor de eerste maal woonbestemmingen worden aangewezen, worden nieuwe woonfuncties niet worden toegelaten binnen een afstand van: 100 meter tot buiten de bebouwde kom gesitueerde gronden waarop agrarische gebouwen anders dan kassen zijn toegelaten. 50 meter vanaf buiten de bebouwde kom gesitueerde kassen en, primair, vanaf daarvoor aangewezen bouwvlakken alsmede vanaf buiten de bebouwde kom gesitueerde gronden waarop fruitteelt is toegelaten. Een kleinere afstand kan worden gehanteerd indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat geen of nagenoeg geen hinder optreedt bij woonfuncties en de kleinere afstand niet leidt tot onevenredige beperkingen in de bedrijfsvoering van de betrokken agrarische bedrijven.
Toetsing Het wijzigen van de agrarische bestemming van het perceel Taaijersweg 12 in Wonen levert geen onevenredige beperkingen op in de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Er is namelijk al heel lang een woning aanwezig en die wordt in de milieuwetgeving aan gemerkt als een woning van derden waarmee rekening moet worden gehouden. De nieuwe woning aan de Lageweg ong. in Sirjansland wordt niet gebouwd binnen een afstand van 100 meter van een agrarisch bouwvlak. Voor beide locaties geldt dat aan de afstandsmaat van 50 meter voor fruitteelt wordt voldaan. In artikel 3, lid 3.5 onder v van het bestemmingsplan Buitengebied is namelijk een regeling opgenomen dat fruitteelt ter plaatse van gronden die zijn gelegen binnen een afstand van 50 meter van woningen van derden niet is toegestaan. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar paragraaf 4.8.
3.2
Regionaal beleid
Het bestemmingsplan sluit aan op het regionale veiligheids- en milieukwaliteitsbeleid. In dit bestemmingsplan is ruimschoots aandacht besteed aan de aspecten veiligheid en milieukwaliteit (zie hoofdstuk 4). Waar nodig zijn/worden maatregelen getroffen.
Regionale energie Strategie (RES) Gedurende 2018 tot en met 2020 is er met verschillende partijen een concept-RES opgesteld voor Zeeland. Belangrijke thema's binnen de RES zijn: de Gebouwde Omgeving, Elektriciteit en Mobiliteit. Voor de gebouwde omgeving is de ambitie dat deze in 2050 bestaat uit goed geïsoleerde woningen en bedrijven die we met duurzame energie verwarmen. De ambitie voor 2030 is een CO2 reductie van 400
20
Kton CO2 door het verminderen van de energievraag, verduurzaming van het energieaanbod en toepassing van duurzame installaties en producten.
Eind 2021 moeten alle Zeeuwse gemeenten een Transitievisie Warmte klaar hebben met daarin een tijdpad voor de ontwikkeling van een alternatieve energievoorziening en het geleidelijk vervangen van aardgas. De visie voor 2050 is dat de Zeeuwse Gebouwde Omgeving bestaat uit goed geïsoleerde woningen en gebouwen die met duurzame energie verwarmd worden. Voor nieuwbouw geldt dat deze niet meer worden aangesloten op het aardgasnet. In dit bestemmingsplan en bij de verdere planuitwerkingen (zoals verlenen omgevingsvergunning, bouw woning aan de Lageweg e.d.) wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van de Regionale Energie Strategie.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Woningbeleid Structuurvisie Buitengebied en bestemmingsplan Buitengebied De in de structuurvisie en in het bestemmingsplan Buitengebied opgenomen regeling is nog gebaseerd op de oude woonvisie. Inmiddels moet worden uitgegaan van de nieuwe Woonvisie 2018-2027 Schouwen-Duiveland (vastgesteld 28 juni 2018).
Woonvisie 2019-2027 In de gemeentelijk Woonvisie is bewust gekozen voor kwaliteit boven kwantiteit. Er is veel aandacht voor het behouden en versterken van de bestaande woonkwaliteit (woningen en woonomgeving) en de leefbaarheid in de kernen door: het verbeteren van de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad; het onttrekken van woningen die verouderd of incourant zijn; het toevoegen van woningen, waar er te weinig van zijn. Ten aanzien van nieuwe woningbouwprojecten gelden de volgende aandachtspunten: er is nog maar beperkt behoefte aan uitbreiding van de woningvoorraad in de groeikernen; in balans- en transitiekernen wordt in principe alleen nog nieuwbouw door sloop of wegbestemmen van woontitels elders; voor behoud leefbare kernen wordt nieuwbouw gerealiseerd op structuurversterkende plekken binnen de kernen; uitbreiding van woningen in het buitengebied is niet meer gewenst (een regeling om vrijkomende agrarische bebouwing in het buitengebied te koppelen aan het realiseren van een nieuwe woning in een kern moet nog nader worden opgesteld); aanvullend nieuwbouw wordt vooral gerealiseerd voor de doelgroep 1- en 2 persoonshuishoudens van 55-plus; een bijdrage aan een Transitiefonds is (behoudens een aantal uitzonderingsgevallen) noodzakelijk bij de realisatie van nieuwe woningen; uitruilen van bouwtitels is onder voorwaarden ook mogelijk; Als onderdeel van het
Uitvoeringsprogramma Woonvisie is afgesproken om de bestaande harde planvoorraad en langer lopende nieuwe ontwikkelingen te toetsen aan de uitgangspunten van de nieuwe Woonvisie 2018-2027. De beoogde ontwikkeling maakte onderdeel uit van deze toetsing. Ondanks dat
21
de ontwikkeling op basis van bovenstaande aandachtspunten niet direct een gewenste ontwikkeling is, is er toch voor gekozen om medewerking te verlenen aan dit plan. In de afgelopen jaren zijn door raad en college vergaande toezeggingen gedaan en verwachtingen gewekt dat het vanuit zorgvuldig bestuurlijk handelen niet gewenst is om geen medewerking te verlenen aan deze ontwikkelingen. Daarnaast wordt met deze ontwikkeling ingespeeld (loopt vooruit) op de nog op te stellen nadere regeling om vrijkomende agrarische bebouwing in het buitengebied te koppelen aan het realiseren van een nieuwe woning in of direct grenzend aan een kern. Bij deze ontwikkeling wordt er aangrenzend aan een kern een levensloopbestendige woning voor de doelgroep 1- en 2-persoonshuishoudens van 55-plus gerealiseerd en wordt er een bijdrage gedaan aan het nog op te richten Transitiefonds (waarbij in de nabije toekomst incourante woningen uit de markt kunnen worden gehaald). 3.3.2 Wijziging van de agrarische bestemming na bedrijfsbeëindiging In het bestemmingsplan Buitengebied heeft het perceel Taaijersweg 12 de bestemming 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming zijn grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan. Het huidige gebruik van de aardappelloods valt daaronder.
Naast regels die het direct toelaatbaar gebruik en het bouwen regelen, zijn binnen deze bestemming verschillende ontheffings- en wijzigingsbevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders opgenomen.1 Voor de beoordeling van de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel Taaijersweg 12 is alleen de bevoegdheid in artikel 3 lid 3.7.6 van belang waarmee na bedrijfsbeëindiging de agrarische bestemming kan worden gewijzigd in onder andere de bestemmingen 'Wonen' met de aanduiding 'voormalig agrarisch bedrijf' en 'Wonen met de aanduiding nieuwe economische drager'. Hieraan worden de volgende voorwaarden gesteld: Het agrarische bedrijf is beëindigd; het gebruik van een bestaande nieuwe economische drager (NED) mag worden voortgezet; wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van naastgelegen percelen. Het bestemmingsplan bevat dus een regeling om de agrarische bestemming van het perceel Taaijersweg 12 om te zetten in een woonbestemming maar vanwege de samenhang met de locatie aan de Lageweg is niet gekozen voor een wijzigingsplan maar voor een herziening van het bestemmingsplan. Niettemin zijn de voorwaarden wel relevant.
In dit verband wordt ook verwezen naar artikel 15 lid 15.6.4 waarin een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen om - als de bestemming is gewijzigd in de bestemming Wonen met de aanduiding 'voormalig agrarisch bedrijf' - wijzigen ten behoeve van het vestigen van een NED door het opnemen van de aanduiding 'NED'. Ook deze wijzigingsbevoegdheid wordt niet toegepast, maar de voorwaarden zijn wel relevant. De opslag van agrarische producten is een activiteit die is vermeld in de positieve lijst van NED's (bijlage 1 van de regels van het bestemmingsplan Buitengebied).
Het huidige gebruik van de aardappelbewaarloods past binnen de NED-regeling. Feitelijke gezien blijft het gebruik van de loods ongewijzigd, enkel het planologische regime wordt aangepast. De activiteit mag alleen in de bestaande loods worden uitgeoefend. De aanduiding 'voormalig agrarisch bedrijf' maakt onder andere het mogelijk om een andere NED te gaan uitoefenen. Daarvoor bestaan op dit moment geen plannen. 3.3.3 Energie, klimaat en kringloopeconomie Energie-agenda De algemene doelstelling binnen de gemeentelijke Energie-Agenda is het realiseren van een energieneutraal Schouwen-Duiveland in 2040. Specifieke doelstellingen voor 2023 zijn het realiseren van
22
een energiebesparing van 3% ten opzichte van het huidige gebruik (referentiejaar 2017) en 16% van het energieverbruik wordt duurzaam opgewekt.
Klimaatadaptatiestrategie In het kader van het nationale deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is afgesproken dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en water robuust is ingericht. Inzet is dat overheden er samen met andere partijen voor gaan zorgen dat schade door hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen zo min mogelijk toeneemt. De overheden gaan, in nauwe samenwerking met bedrijven en maatschappelijke organisaties, in drie stappen te werk: 'Weten': analyseren wat de gevolgen zijn van klimaatverandering voor de diverse functies in een gebied in de periode tot 2050 (met een doorkijk naar 2100) zijn; 'Willen': concrete doelen stellen voor het verbeteren van de waterrobuustheid en klimaatbestendigheid in de periode tot 2050 en een daarbij passende strategie formuleren; 'Werken': de doelen en de strategie vastleggen in bijvoorbeeld beleidsplannen, wetten en regels en programma's voor uitvoering, beheer en 'groot' onderhoud. Doelstelling voor Schouwen-Duiveland is om in 2050 klimaatbestendig en water robuust te zijn. Momenteel wordt er in samenspraak met andere partijen in Zeeland een klimaatadaptatiestrategie opgesteld. Het wordt steeds belangrijker om het regenwater wat er valt te hergebruiken, omdat de kans op schaarste van zoet water steeds groter wordt in de toekomst.
Zoetwater bergen voor de landbouw is dan een goede mogelijkheid, naast het gebruik van regenwater voor een grijswatercircuit (onder meer spoelen toiletten). Door klimaatverandering is de verwachting dat er steeds langere perioden van droogte en hitte ontstaan. Zorg voor voldoende opgaande beplanting. Beplanting kan voor schaduw zorgen, maar ook rond de beplanting is door water verdamping uit de plant de lucht koeler. Daarnaast kan beplanting zorgen dat wateroverlast minder wordt, doordat het water opgenomen wordt door de plant, en het water in de bodem opgenomen wordt, waardoor de bodem minder snel uitdroogt.
Kringloopeconomie De circulaire of kringloop economie is een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waarde vernietiging te minimaliseren. Anders dan in het huidige lineaire systeem, waarin grondstoffen worden omgezet in producten die aan het einde van hun levensduur worden vernietigd. De landelijk doelstelling is om in 2030 een halvering van het grondstoffengebruik te halen en in 2050 volledig circulair te zijn. Doelstelling voor Schouwen-Duiveland is bij te dragen aan een economisch systeem waarbij geen eindige grondstofvoorraden worden uitgeput en waarin reststoffen volledig opnieuw worden ingezet in het systeem. 3.3.4 Ruimtelijke kwaliteit en welstandsbeleid Complexere ruimtelijke initiatieven worden beoordeeld door de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Bij de start van een ruimtelijk initiatief speelt de commissie voor de aanvrager een adviserende rol (bij een vooroverleg of principeverzoek). Bij de afhandeling van aanvragen toetst de commissie aan de Welstandsnota 2012 en adviseert het college over vergunningverlening.
De Welstandsnota 2012 deelt Schouwen-Duiveland in, in verschillende deelgebieden, zoals bijvoorbeeld de verschillende historische kernen, de dijkdorpen en het buitengebied. Deze indeling is gebaseerd op ruimtelijke kenmerken. De nota beschrijft per deelgebied de welstandscriteria.
23
Een bouwplan is aanvaardbaar in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context. De karakteristiek per deelgebied staat beschreven in de gebiedsomschrijvingen. Voor het gehele agrarisch landschap geldt het welstandsniveau 3; zijnde een regulier welstandsgebied. Hierna wordt de bouw van de woning aan de Lageweg in Sirjansland getoetst aan de welstandscriteria.
Algemeen Behouden en waar noodzakelijk versterken van de De bouw van de woning aan de Lageweg ong. in landschappelijke en cultuurhistorische identiteit en Sirjansland doet geen afbreuk aan de waarde van het agrarische landschap als geheel. landschappelijke kwaliteiten van het landschap. In tegendeel; er wordt geïnvesteerd in groen en water Respecteren van de karakteristieke openheid van De groensingel langs de noordrand van het nieuwe het landschap. Handhaven van de bestaande perceel aan de Lageweg wordt aan de westzijde zichtlijnen en doorzichten langs de onderbroken zodat zicht op het achterliggende landschappelijke hoofdstructuren. landschap mogelijk blijft. Omgekeerd zorgt de groensingel ervoor dat het zicht op de woning vanaf de Dillingsweg wordt afgeschermd. (Vervangende) nieuwbouw vormgeven in relatie tot Op het perceel Lageweg voegt zich wat betreft het omliggende landschap. situering en bouwhoogten goed in het omliggende landschap. Plaatsing Respecteren van het bestaande gespreide De nieuw te bouwen woning aan de Lageweg past bebouwingspatroon. in het aanwezige bebouwingspatroon en wordt gebouwd als laatste in het lint. Respecteren van de bestaande omliggende Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Verwezen bebouwing en het ensemble van gebouwen op het wordt naar paragraaf 2.2.2. erf als geheel bij (vervangende) nieuwbouw.
Massa en vorm Afstemmen van (vervangende) nieuwbouw op de Aan deze voorwaarde wordt voldaan. Verwezen bebouwings-hoogte en –massa van de omliggende wordt naar paragraaf 2.2.2. bebouwing of het ensemble van gebouwen als geheel. Gevelkarakteristiek Respecteren van de oorspronkelijke bouwstijl en Dit zijn aspecten die bij de beoordeling van het materialisering bij renovatie of verbouwing. concrete bouwplan en het verlenen van de Detaillering, kleur en materiaal ? omgevingsvergunning aan de orde komen. Uitsluiten van sterk met de omgeving contrasterende kleuren en materialen. Respecteren van de oorspronkelijke detaillering en ornamentiek bij renovatie of verbouwing. Hoofdzakelijk gebruik van beton of kunststof is niet toegestaan
24
Hoofdstuk 4 Sectorale onderzoeken 4.1
Toetsing aan Besluit milieueffectrapportage
4.1.1 Toetsingskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die aanleiding geven om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Daarbij moet worden gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onder deze drempelwaarden is een ontwikkeling niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig.
Er is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan - ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft - mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een “vormvrije” mer-beoordeling. Voor de terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan moet een m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. 4.1.2 Toetsing De voorgenomen sloop van de gebouwen op het perceel Taaijersweg zijn geen activiteiten die zijn vermeld in de bijlage van het Besluit m.e.r. De bouw van de woning aan de Lageweg is geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, gelet op de aard en het beperkte ruimtebeslag en bebouwing op het perceel.
25
4.1.3 Conclusie Voor het plan hoeft geen (vormvrije) m.e.r-beoordeling te worden opgesteld of een MER te worden doorlopen.
4.2
Verkeersaspecten
4.2.1 Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer is er geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er in de gebruiksfase de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is.
Voor de beoogde ontwikkeling kan de verkeersgeneratie worden berekend op basis van kencijfers uit publicatie 381 van kennisplatform CROW (Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen). Hiervan kan worden afgeweken, maar dan zal dit goed moeten worden gemotiveerd of onderbouwd.
Bij nieuwbouw en/of uitbreiding van gebouwen dient op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien en in stand te worden gehouden, overeenkomstig het 'Parkeerbeleid 2017-2020' zoals vastgesteld op 28 september 2017 door de gemeenteraad of het daarvoor in de plaats tredende parkeerbeleid. In het parkeerbeleid zijn bewust geen parkeernormen opgenomen, omdat situaties vaak erg specifiek zijn en maatwerk vaak nodig is. Vanwege deze reden worden de kencijfers van het kennisplatform CROW gehanteerd. Deze liggen vast in CROW publicatie nummer 317 “kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”. Overigens is deze publicatie geactualiseerd met de hiervoor genoemde CROW publicatie 381.
Bij het hanteren van de kencijfers van het CROW zijn de stedelijkheidsgraad van de gemeente en de ligging van de locatie van belang. Het CROW onderscheidt volgens de systematiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vijfstedelijkheidsgraden aflopend van “zeer sterk stedelijk” tot “niet stedelijk. Binnen elke stedelijkheidsklasse wordt door het CROW onderscheid gemaakt in centrum, schil/overloopgebied en rest bebouwde kom. De gemeente Schouwen-Duiveland is gekarakteriseerd als weinig stedelijk. De ligging van de beide locaties is buitengebied. In de publicatie is voor het bepalen van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte een bandbreedte aangegeven (minimum en maximumkencijfers). Het CBS geeft aan dat ten aanzien van het autobezit en stedelijkheidsgraad op Schouwen-Duiveland mag worden uitgegaan van het gemiddelde kencijfer. 4.2.2 Toetsing Taaijersweg 12 Kerkwerve De bedrijfsbeëindiging heeft gezorgd voor een afname van het aantal verkeersbewegingen. Wat resteert is een burgerwoning met een aardappelbewaarloods als NED. Het gebruik hiervan geeft geen verkeerskundige aandachtspunten. Op eigen terrein is voldoende parkeerruimte aanwezig.
Lageweg ong. te Sirjansland
26
De Lageweg waaraan de locatie ligt, is een erftoegangsweg en sluit in westelijke richting aan op de Bredeweg, een gebiedsontsluitingsweg, en vervolgens op de N59. De toevoeging van een enkele vrijstaande woning leidt tot een zeer beperkte toename van hiermee samenhangend bestemmingsverkeer, namelijk circa 8 motorvoertuigen per etmaal). Voor een vrijstaande woning in het buitengebied wordt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. Op eigen terrein is voldoende ruimte hiervoor aanwezig. 4.2.3 Conclusie Het aspect verkeer vormt geen enkele belemmering of aandachtspunt voor de voorgenomen ontwikkelingen.
4.3
Cultuurhistorie
4.3.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Ook dienen de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging.
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Ten aanzien van het aspect archeologie zijn in het proces van de ruimtelijke ordening twee onderdelen van bijzonder belang: De verplichting dat gemeenten bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen er zorg voor dragen dat archeologische waarden meegewogen worden in de besluitvorming, en zo nodig de schade aan het bodemarchief beperken via voorschriften. Concreet betekent dit dat gemeenten verplicht zijn archeologische waarden in hun bestemmingsplannen te beschermen. Dat vertaalt zich doorgaans in een regeling waarin wordt bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen. Hieruit moet blijken dat de archeologische waarde van het terrein die volgens de aanvraag wordt verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. De introductie van het “de veroorzaker betaalt principe”, waarmee bedoeld wordt dat de kosten van archeologisch onderzoek of andere maatregelen voor rekening kunnen komen van de initiatiefnemer of ontwikkelaar in plaats van de overheid.
Beleidsplan Archeologie gemeente Schouwen-Duiveland In dit gemeentelijk beleidsplan uit 2008 is voor het gehele eiland vastgelegd welke archeologische verwachtingswaarden er zijn. Hieraan zijn beleidsadviezen gekoppeld die als basis dienen voor de voorwaarden bij op te stellen bestemmingsplannen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen, van archeologische monumenten tot gebieden waar geen enkele archeologische verwachtingswaarde is. Overeenkomstig het gemeentelijke beleid, dat is samengevat in de volgende tabel, gelden voor ieder gebiedstype eigen uitgangspunten, randvoorwaarden en drempelwaarden en een eigen beschermende planologische regeling.
27
Tabel 4.1 Archeologische waarden en beschermende planologische regeling
Wettelijke meldingsplicht Ook als er bij vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden worden aangetroffen, is de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. 4.3.2 Toetsing archeologie Taaijersweg 12 Kerkwerve In het bestemmingsplan Buitengebied hebben de gronden waarop de te slopen bedrijfsbebouwing aan de Taaijersweg 12 staat de dubbelbestemming Waarden - Archeologisch Onderzoeksgebied A. Binnen deze bestemming dient bij bodemingrepen dieper dan 50 cm over een oppervlakte groter dan 2.500 m2 nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De totale bodemverstoring blijft binnen deze grenzen. Er wordt 757 m2 bedrijfsbebouwing gesloopt. De verwachting is bovendien dat de grond onder de gebouwen bij de bouw al is geroerd.
28
Figuur 4.1 Uitsnede archeologische beleidskaart Schouwen-Duiveland locatie Taaijersweg 12 (bron: ruimtelijk eplannen.nl)
Lageweg ong. te Sirjansland Voor het beoogde woonperceel aan de Lageweg gelden de dubbelbestemmingen Waarden Archeologisch Onderzoeksgebied A en B. Binnen onderzoeksgebied A dient bij bodemingrepen dieper dan 50 cm over een oppervlakte groter dan 2.500 m2 nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. In het plan worden een sloot verbreed en een sloot aangelegd. Bij elkaar wordt ten minste 485 m2 uitgegraven. Er wordt gewerkt met een gesloten grondbalans. Vrijkomende grond wordt gebruikt om het perceel op te hogen. Daarbij zal de hiervoor vermelde omvang van 2.500 m2 binnen dit onderzoeksgebied niet worden overschreden. Bij onderzoeksgebied B geldt dit voor oppervlakten groter dan 5.000 m2. Hiervan is geen sprake. De locatie heeft een totale omvang van circa 4.800 m2. Het gedeelte dat binnen onderzoeksgebied B valt is, iets meer dan de helft daarvan. De hiervoor vermelde grens van 5.000 m2 wordt aldus niet overschreden.
29
Figuur 4.2 Uitsnede archeologische beleidskaart Schouwen-Duiveland locatie Lageweg ong. (bron: ruimtelijk eplannen.nl) 4.3.3 Toetsing overige cultuurhistorische waarden Voor de beoordeling van het aspect cultuurhistorie zijn de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland en historische luchtfoto's en kaarten beschikbaar.
Taaijersweg 12 Kerkwerve Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland is de boerderij aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Uit de beschrijving blijkt dat het gaat om een wederopbouwboerderij uit 1957 bestaande uit een schuur van 175 m2 en een woonhuis. Beide zijn vrijwel nog in oorspronkelijke staat (zie figuur 4.3.). Het woongedeelte bevindt zich ten dele in de schuur. Er zijn geen plannen om deze boerderij aan te passen of te slopen. Het enige dat rest van de situatie van voor 1953 is een voormalig varkenshok van 12 m2, dat nu wordt gebruikt als tuinhuis. Het erf is aangepast ten behoeve van 4 moderne schuren, waarvan er dus nu 2 worden gesloopt.
30
Figuur 4.3. Wederopbouwboerderij Taaijersweg 12 (foto: provincie Zeeland)
In de beschrijving wordt ook de brede randbeplanting genoemd; een jonge aanplant van bomen en heesters. Deze randbeplanting wordt gehandhaafd en in dit bestemmingsplan ook planologisch-juridisch beschermd (zie paragraaf 5.2) Voor het overige zijn op de locatie en directe omgeving geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Uit een vergelijking van kaartmateriaal uit 1925 met de huidige situatie (zie figuur 4.4) blijkt dat van het oorspronkelijke kavelpatroon en landschap niets meer waarneembaar is. Alle sporen zijn als gevolg van de watersnoodramp in 1953 verloren gegaan. De Taaijersweg lag vroeger wat zuidelijker en had een wat bochtiger verloop.
Figuur 4.4. Kaart uit 1925 met daarover geprojecteerd deellocatie Taaijersweg (kaart: provincie Zeeland)
Lageweg ong. Sirjansland
31
De deellocatie aan de Lageweg is nu onbebouwd en dus zijn er geen monumenten of monumentale gebouwen aanwezig. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Zeeland is te zien dat naast het plangebied (Lageweg 19 in Sirjansland) een historische boerderij is. In de verdere omgeving zijn een Rijksmonument, enkele MIP's en meerdere historische boerderijen aanwezig. Dit is echter voor de beoordeling van het initiatief niet van belang.
Als kaartmateriaal uit 1925 wordt vergeleken met de huidige situatie (zie figuur 4.5) dan blijkt dat ook hier van het oorspronkelijke kavelpatroon en landschap niets meer waarneembaar is. De ligging van de Lageweg is niet veranderd.
Figuur 4.5 Kaart uit 1925 met daarover geprojecteerd deellocatie Lageweg (kaart: provincie Zeeland) 4.3.4 Conclusie Archeologische waarden In het kader van dit bestemmingsplan is geen archeologisch vooronderzoek noodzakelijk omdat op beide locaties de beoogde ontwikkelingen de vrijstellingsgrenzen niet overschrijden. Archeologisch zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen. De kans op verstoring van archeologische resten wordt op basis van de onderzoeksresultaten voor beide locaties zeer klein geacht. Voor eventuele vondsten geldt een meldingsplicht. In onderhavige bestemmingsplan is een regeling nodig die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt. De regeling in het bestemmingsplan Buitengebied wordt in voorliggend bestemmingsplan overgenomen, met dien verstande dat de namen van de bestemmingen zijn afgestemd op tabel 4.1. en daarmee op recenter vastgestelde bestemmingsplannen. Het opnemen van archeologische dubbelbestemmingen betekent dat het onderzoek, indien dat noodzakelijk mocht blijken, wordt doorgeschoven naar de omgevingsvergunningaanvraag.
Overige cultuurhistorische waarden Uit de voorgaande toetsing blijkt dat alleen op het perceel Taaijersweg cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het gaat om de wederopbouwboerderij en om de brede randbeplanting. Deze worden gehandhaafd. Voor de beplanting wordt in dit bestemmingsplan een beschermende regeling opgenomen. In de directe omgeving van het plangebied (beide locaties) zijn geen monumenten en overige cultuurhistorische waarden aanwezig waarmee bij de planontwikkeling rekening moet worden gehouden.
32
4.4
Bodemkwaliteit
4.4.1 Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
In geval van sloop van gebouwen waarbij asbest is toegepast, gelden richtlijnen met betrekking tot asbest die zijn opgenomen in bijlage 3 bij Circulaire bodemsanering 2013. Daar asbest heel specifieke chemische en fysische eigenschappen heeft, is voor asbest separaat het ‘Milieuhygiënisch saneringscriterium, protocol asbest’ ontwikkeld (zie bijlage 3 van de circulaire).
Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met onderzoek naar de aanwezigheid van PFAS, zoals die heterogeen verspreid in Nederland in de toplaag voor kan komen. 4.4.2 Onderzoeken Locatie Taaijersweg 12 Voor de bestemmingsplanherziening van deze locatie behoeft geen bodemonderzoek te worden uitgevoerd omdat de agrarische bestemming van de gronden ter plaatse van de twee schuren die worden gesloopt, worden gehandhaafd. Er is hier dus geen sprake van een functiewijziging als bedoeld in paragraaf 4.4.1. Omdat voor de schuren asbest is toegepast, zullen deze door een gecertificeerd bedrijf moeten worden gesloopt. Hiervoor moet eerst een asbestinventarisatierapport opgesteld worden door een gecertificeerd inventarisatiebedrijf. Voor de verwijdering moet hiervan melding gedaan worden bij het bevoegd gezag. Na de sloop zullen het terrein en eventueel uitkomende grond, visueel moet worden beoordeeld op asbest. Als dit wordt geconstateerd, is beoordeling op feitelijke verontreiniging nodig. Voor de loods aan de westzijde van de woning is van belang dat in dit bestemmingsplan is geregeld dat deze uitsluitend mag worden gebruikt als aardappelbewaarloods.