CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1215269 Bijlage 2 Onderbouwing fysieke leefomgeving noodopvang

Commissie Ruimte en Economie 25 november 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Definitief Ontwerp Noodopvang Zierikzee (1215269)32.519 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

LS02-03-04

2.5

Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken

LS04

2.2.2

Beschrijven bekende archeologische kenmerken

LS04

2.4

Opstellen gespecificeerde verwachting

LS05

2.6

Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten Paleogeografische kaarten Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) (Specialistische) literatuur Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven LuchtKaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten Gemeentelijk en/of provinciaal archief Archeologische Monumenten Kaart (AMK) Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn Amateurarcheologen, AWN en/of heemkundevereniging

Provinciaal depot: archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) 6 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

14

ARTEFAC T RAPPORT 958

2.2

Landschap en geologie

2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling 7

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Omdat in beginsel de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen grotendeels te herleiden is vanuit de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan geschetst worden aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos et al. zijn gepubliceerd. 8 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur 4. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het Boreaal (circa 8.400 6.950 v. Chr.) steeg de zeespiegel, waardoor het pleistocene zandlandschap langzaam vernatte. Plantaardig materiaal werd door het stijgende waterniveau niet meer afgebroken.

Eerst in de op de lager gelegen delen, maar later ook hogerop in het landschap groeide laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als Basisveen Laag (Formatie van Nieuwkoop). Deze veengroei deed zich eerst in het westen van Zeeland, maar de grens verschoof door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk in oostelijke richting. Aan het veenvormingsproces kwam een einde in het Midden- tot Laat Atlanticum (vanaf 5.500 v. Chr.). 9 Door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking werd de strandbarrière opgeruimd en liep het noordelijke deel van Zeeland onder water. Er ontstond een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen, slikken en schorren. Grote delen van het oude pleistocene landschap werden door getijdengeulen uitgeschuurd. De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die toen gevormd zijn, zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden. 10 Vanaf het Subboreaal stagneerde de stijging van de zeespiegel in die mate dat de sedimentatie en de stijging elkaar in balans hielden. Er zetten zich meer kleiige sedimenten af. Deze klei is slap en bevat veel rietwortels. Die wortels zijn een indicatie voor het begin van een periode met veenvorming.

Op de hoger opgeslibde kwelders groeide een dichte rietvegetatie en plaatselijk ging zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen, zodat er vanaf het MiddenSubboreaal (3.100 v. Chr.) een quasi gesloten kustbarrière van strandwallen ontstond met daarachter een groot veenlandschap dat bestond uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes. 11 Geologisch wordt het dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. Het veenmilieu veranderde in het Subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof en kon opgroeien tot ruim boven NAP. Omstreeks 500 v. Chr. bereikte het veenkussen zijn maximale omvang. Daarna trad een geleidelijk verval in. Water uit dit veengebied zocht zijn weg richting de zee in steeds bredere geulen. Hierdoor werd de mariene invloed op het achterliggende land opnieuw geactiveerd. Tussen Vrouwenpolder en Oostkapelle, op Walcheren, brak de strandwal door en ontstond een sluftergebied met een veelvoud aan smalle geulen die de verbinding tussen het veengebied met de zee versterkten. Het Veerse gat, de inbraakgeul tussen Walcheren en NoordBeveland, is in oorsprong wellicht ook toen ontstaan. 12

7 Voorliggende paragraaf is voor een groot deel gebaseerd op, en overgenomen uit, eerdere bureauonderzoeken die Artefact heeft uitgevoerd naar onderzoeksgebieden in Zierikzee en omgeving. 8 Vos et al. 2018. 9 Van Rummelen 1978: 62-64. 10 Van Rummelen 1978: 53. 11 Vos & Van Heeringen 1997: 28. 12 Vos & Van Heeringen 1997: paleogeografische kaart.

15

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

16

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Figuur 4 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: globale ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018.

17

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Tot in de Late IJzertijd werd de landschappelijke ontwikkeling voornamelijk bepaald door natuurlijke factoren zoals de morfologie van de ondergrond, de zeespiegelstijging en de gedifferentieerde afzettingen en opslibbing van sediment. Grofweg vanaf de Romeinse tijd ging de antropogene invloed een geleidelijk aan meer bepalende rol spelen in de vorming en afbraak van het landschap. 13 De ontwatering van het veen door het graven van afwateringsgreppels en het verbreden en kanaliseren van de reeds aanwezige veenstroompjes resulteerden in erosie van het oppervlakteveen en inklinken van het veenlandschap. De zee kreeg opnieuw vat op het gebied. De eerste tekenen van overstromingen dateren dan ook al uit de 2 de helft van de 2de eeuw. Vanaf het Midden-Subatlanticum (circa 250 n. Chr.) kon de zee ook verder en breder het achterland voorbij de strandwallen instromen, waardoor een nieuw getijdenlandschap ontstond,14 zo ook in het plangebied. Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf het deze periode resulteerde in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich hadden ingesneden, zijn zandige pakketten afgezet en de hoger gelegen veengronden zijn afgedekt met fijner sediment, hoofdzakelijk zware klei.

De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), die daarbij tot stand kwamen, liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland overal aan het oppervlak. De geleidelijk aan droger en stabieler wordende situatie bood nieuwe kansen. Gedurende de eeuwen die volgden, vond dan ook een intensieve kolonisatie van het getijdengebied plaats. Het economische zwaartepunt lag hier op schapenteelt en wolproductie. Vanaf dat ogenblik begonnen de bewoners zich ook met dijken tegen het water te beschermen en werden ook nieuwe gebieden (offensief) ingepolderd. In het nieuw gewonnen land werd naast landbouw ook aan veenontginning gedaan. Het zoute veen kon hoofdzakelijk gebruikt worden bij de productie van zout. Het weggraven van het veen had echter ook een aanzienlijke verlaging van het maaiveld en een erosie van het leefoppervlak tot gevolg. 15 De degeneratie van het landschap in de Late Middeleeuwen werd bovendien in de hand gewerkt door slecht onderhoud van dijken, hetgeen leidde tot dijkdoorbraken tijdens stormvloeden. De gevolgen daarvan waren catastrofaal; veel land ging verloren. Het oostelijk deel van Zuid-Beveland en meer specifiek Reimerswaal, die na zware stormen in de 16de eeuw onder water kwamen te staan, zijn de bekendste voorbeelden. Er waren ook fundamentele gevolgen voor de hydrografie van Zeeland.

De hoofdstroom van de Schelde, die tot dat ogenblik steeds via het Kreekrak en de Oosterschelde zijn weg naar de zee had gevonden, verlegde zich zuidwaarts naar de Westerschelde. Reeds eeuwen drong deze zeearm verder binnen in het land, maar door de plots ontstane ruimte die het water kreeg op de verdronken Bevelanden, kon de Westerschelde de laatste barrière opruimen en zich ontwikkelen tot zijn huidige dimensies. 16

2.2.2

Aardkundige waarden

Geologie Het plangebied valt onder het zuidwestelijke zeekleigebied. Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland 17 (niet afgebeeld) is het plangebied te situeren in een zone met code Na7. Dit duidt op de aanwezigheid van zeeklei- en zandafzettingen van het Laagpakket van Walcheren met inschakelingen van veen van de Formatie van Nieuwkoop. Deze kaart is zeer grofschalig. Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland18 (figuur 5) is het hele plangebied te situeren binnen een gebied met code A0.3a. Dit wil zeggen dat hier sprake is van Afzettingen van Duinkerke IIIa (nieuwe nomenclatuur: Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen op Afzettingen van Calais (nieuwe nomenclatuur: Laagpakket van Wormer. Duinkerke III-afzettingen zijn relatief jonge afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, namelijk uit de eeuwen na 900. 19 De toevoegingen -a en -b duiden op een relatief verschil in ouderdom, waarbij -b relatief het jongst 13 Vos & Van Heeringen 1997. 14 Vos & Van Heeringen 1997. 15 Dekker 1971: 20. 16 Coen 2008.

17 De Mulder et al. 2003. 18 Van Rummelen 1967.

19 Van Rummelen 1970: 63-64.

18

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

is. Ten noorden van het plangebied bevindt zich een kronkelende, oost-west georiënteerde zone met code A0.3b met witte ruitjes. Dit wil zeggen dat hier sprake is van Afzettingen van Duinkerke IIIb op oudere Afzettingen van Duinkerke, op Hollandveen op Afzettingen van Calais. Uit de bijkaarten blijkt dat het Hollandveen Laagpakket bestaat uit eutroof tot mesotroof veen, plaatselijk bedekt met oligotroof veen, en dat de bovenkant van de pleistocene afzettingen zich in het plangebied bevindt op diepten van meer dan 40 m -NAP.

Figuur 5 Projectie van het plangebied en situering van nabijgelegen archeologische onderzoeken en DINO-boring op een uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Bron: Van Rummelen 1967.

Op de kaart van de Afzettingen van Calais (huidige nomenclatuur: Laagpakket van Wormer; zie figuur 6) van Vos & Van Heeringen valt het plangebied middenin een groot gebied met diep reikende geulafzettingen te situeren. Volgens de legenda reiken deze dieper dan 25 m -NAP en bestaan deze uit hoofdzakelijk zand.

19

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Figuur 6 Projectie van het plangebied op een uitsnede van een kaart van de Afzettingen van Calais. Legenda: donkerblauw = geulafzettingen tot > 25 m -NAP (hoofdzakelijk zand); paars = geulafzettingen tot < 25 m -NAP (hoofdzakelijk zand); lichtblauw = deklaag; groen = geërodeerd/niet afgezet: Duinkerke-geulafzettingengebied. Bron: Vos & Van Heeringen 1997: Geologische kaarten, kaart 2.

Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Raadpleging van de Ondergrondgegevens van het DINOloket 20 leert dat binnen het plangebied geen geologische boringen bekend zijn. De meest nabijgelegen boring binnen de door Van Rummelen aangegeven zone A0.3a (de situering is weergegeven op figuur 5) is 60 m ten zuiden van het plangebied uitgevoerd, namelijk boring B42H0592. Hier is tot 1,80 m -mv/ 2,44 m -NAP het Laagpakket van Walcheren aangetroffen, bestaande uit klei op zand (overgang op 0,50 m -mv/ 1,14 m -NAP). Hieronder is het Laagpakket van Wormer aanwezig, bestaande uit pakketten klei en zand, tot aan de einddiepte (6 m -mv/ 6,64 m -NAP). Het Hollandveen Laagpakket ontbreekt hier dus. Eerder onderzoek in de directe omgeving van het plangebied In de directe omgeving van het plangebied zijn recentelijk archeologische booronderzoeken uitgevoerd. De aardkundige resultaten worden hieronder kort samengevat. De situering van de betreffende onderzoeksgebieden is opgenomen in figuur 5. In 2023 is in een gebied aangrenzend aan de oostzijde van het plangebied archeologisch onderzoek 5399278100 uitgevoerd. 21 Hierbij is de top van het Laagpakket van Wormer vastgesteld tussen 1,90 en 2,05 m -mv/ 2,77 - 2,92 m -

20 www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens. 21 Coppens & Wattenberghe 2023; zie ook hoofdstuk 2.4 in voorliggend rapport.

20

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

NAP. Van het Hollandveen Laagpakket werd meestal een veraarde dan wel geoxideerde top vastgesteld op 1,00 1,40 m -mv/ 1,91 2,23 m -NAP; elders (plaatselijk in het noorden van het onderzoeksgebied) was de top licht geërodeerd. In 2024 is ten zuidoosten van onderhavig plangebied archeologisch onderzoek 5632281100 uitgevoerd.22 Hier werd in vrijwel het hele onderzoeksgebied de aanwezigheid van een intacte top van het Laagpakket van Wormer vastgesteld rond 1,10 - 2,10 m -mv/ 2 - 3 m -NAP; dit bestaat deels uit zandige geulafzettingen. In 15 van de 23 boringen is het Hollandveen Laagpakket geheel of goeddeels intact aanwezig vanaf 0,75 m -mv/ 1,73 m -NAP. Elders is dit niet meer intact door veenextractie en erosie. Bodem Op de Bodemkaart van Nederland 23 (figuur 7) is het plangebied te situeren in een gebied met code Mn15A met diagonale golfjes en naar links wijzende pijltjes. Mn15A wil zeggen dat hier sprake is van kalkrijke poldervaaggronden in lichte zavel. Deze vaaggronden maken deel uit van de zeekleigronden. De diagonale golfjes duiden op moerig materiaal beginnend ondieper dan 80 cm en doorgaand tot dieper dan 120 cm. De naar links wijzende pijltjes geven aan dat sprake is van egalisatie. Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen.

Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog (zie onderstaande tabel). Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Gwt VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. grondwatertrap

I

II

III

IV

V

VI

VII

GHG in cm -mv

(< 20)

(< 40)

< 40

> 40

< 40

40 80

> 80

GLG in cm -mv

< 50

50-80

80-120

80-120

> 120

> 120

(> 160)

GHG = gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG = gemiddeld laagste grondwaterstand In het plangebied is sprake van grondwatertrap VI, oftewel een goede ontwatering.

22 Van den Berg (in voorbereiding). 23 Pleijter 1994.

21

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Figuur 7 Projectie van het plangebied op de Bodemkaart van Nederland. Bron: Pleijter 1994.

Op de bodemkaart van Schouwen-Duiveland, vervaardigd door Kuipers in 196024 (figuur 8) is het grootste deel van het plangebied te situeren ter plaatse van jonge overgangsgronden (code 7), doorsneden door jonge kreekruggronden (code 6). Beide worden gerekend tot het Middelland. Een noordelijk deel van het plangebied is te situeren ter plaatse van kreekoeverwalgronden (code 11); dit betreft Nieuwland. De indeling in Oudland, Middelland en Nieuwland wordt sinds het verwerpen van het transgressiemodel niet meer gebruikt, maar is nog wel bruikbaar omdat het gebaseerd is op een landschappelijke evolutie sinds de Middeleeuwen. Dit idee vertrekt vanuit middeleeuwse kerngebieden: het Oudland. Dit Oudland wordt gevormd door kreekruggen en komgronden die tussen 1000 en 1200 n. Chr. werden bedijkt. Het Middelland wordt gevormd door het actief inpolderen van nieuwe op- en aanwassen tussen 1200 en 1500. Door stormvloeden kwamen oude polders soms opnieuw onder water te staan. De her-ingepolderde bodem wordt ook tot het Middelland gerekend. Met Nieuwland worden de nieuwe en de herbedijkte gebieden bedoeld, ontstaan tussen 1500 en 1900. De landwinst is beperkt tot het bedijken van stille hoeken en dichtgeslibde kreken en het herstellen van overstroomde polders. 25

24 Kuipers 1960. 25 Kuipers 1960.

22

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Figuur 8 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Bodemkaart van Schouwen-Duiveland. Bron: Kuipers 1960.

Geomorfologie Op de Geomorfologische Kaart van Nederland26 (figuur 9) is het plangebied te situeren in vlakten van getijafzettingen (code 2M35). Het naar rechts wijzende pijltje duidt op plaatselijk vergraven en/of geëgaliseerd terrein. De roze gekleurde lineaire elementen stellen dijken voor. Ten noorden van het plangebied betreft dit de provinciale weg N59.

26 Wolfert 1991.

23

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Figuur 9 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Wolfert 1991.

Actueel Hoogtebestand Nederland

Een bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4; figuur 10) laat de relatief hoge ligging van de binnenstad van Zierikzee (maaiveld veelal boven NAP, plaatselijk ruim boven NAP) zien ten opzichte van de omgeving (maaiveld veelal beneden NAP). Ook het plangebied maakt deel uit van deze relatief laaggelegen omgeving van Zierikzee. Binnen het plangebied ligt het maaiveld tussen 0,70 1,20 m -NAP; op de meeste plaatsen ligt het maaiveld omstreeks 0,90 m -NAP.

24

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Figuur 10 Projectie van het plangebied op een bewerkte uitsnede van de hoogtekaart. Bron: pdok.nl (AHN4, 0,5 m -raster DTM).

Indien wordt ingezoomd (figuur 11), zijn de hoger en lager gelegen delen binnen het plangebied te onderscheiden. Deels betreft dit langwerpige, min of meer noord-zuid georiënteerde stroken die evenwijdig lopen aan de huidige perceelsgrenzen (namelijk de westelijke en oostelijke begrenzing van het plangebied) en te verklaren zijn door voormalige percelering. Op het AHN zijn geen duidelijke aanwijzingen voor een vindplaats in of nabij het plangebied waargenomen.

25

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Figuur 11 Projectie van het plangebied op een nader ingezoomde bewerkte uitsnede van de hoogtekaart. Bron: pdok.nl (AHN4, 0,5 m-raster DTM).

26

ARTEFAC T RAPPORT 958

2.3

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Historie

Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch-inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij ook vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport is gebruikgemaakt van meerdere oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18 de eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten zijn ontwikkeld met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend van voor deze periode moeten als indicatief worden beschouwd.

2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling 27

Vanaf de Laat-Romeinse tijd was Zeeland sterk ontvolkt geraakt, waarschijnlijk door politiek-sociale onrust en/of overstromingen. De oudst bekende resten van vroegmiddeleeuwse bewoning op Schouwen zijn aangetroffen in een westelijk deel. Archeologische vondsten in de omgeving van Westenschouwen wijzen op internationale handel in de 8ste en 9de eeuw. Bij Burgh werd op de overgang van de Oude Duin- en Strandzanden naar het zeekleigebied eind 9 de eeuw een ringwalburg aangelegd. 28 Elders concentreerde de bewoning in het nog onbedijkte landschap zich op de hoger gelegen kreekruggen. Ter plaatse van Zierikzee ontwikkelde een zijkreek van de Gouwe, die ten oosten van van oost naar west, via de Oude Haven, de Poststraat en Weststraat richting de huidige Miereweg. 29 In de omgeving van deze kreekrug zijn volgens een theorie van Kuipers diverse terpen/werven opgeworpen waarop eveneens vroege bewoning plaatsvond. 30 Schapenteelt en lakennijverheid waren in deze periode belangrijke inkomstenbronnen. Veel weidegrond was al vroeg in het bezit van de Sint-Baafsabdij te Gent. Ook werd zout gewonnen uit veen het zogeheten darinkdelven. Een aantal in de binnenstad aangetroffen resten van vroeg-11de-eeuwse moerneringsputten is hiermee in verband gebracht. Ook rondom de stad vonden zowel binnen- als buitendijks grote veenontginningen plaats.

31 Deze veenontginningen vonden voornamelijk plaats in de poelgronden waar het veen aan of dicht onder het oppervlak lag. Nadat de kleilaag opzij was gezet, werd de moer, darink of derrie gedolven en daarna op stapels in wind en zon gezet en gedroogd. Voor de zoutproductie werd de zoute turf tot as verbrand (Selbernen) tot - . De as werd met zeewater vermengd en in zoutketen boven turfvuren in grote pannen gestookt (zoutzieden). Over het ontstaan van Zierikzee zijn de schriftelijke bronnen schaars. Twee legenden plaatsen het ontstaan van Zierikzee halverwege de 9de eeuw. 32 Tevens wordt zeer over Zierikzee gesproken in een oorkonde uit 976 over bezittingen van de Sint-Baafsabdij. Op het onbedijkte Schouwen maakte een goed met de namen hiervan deel uit, met een kerk en land voor het weiden van schapen langs de Gouwe. De genoemde kerk is waarschijnlijk de Sint-Lievensmonsterkerk; de heilige Lieven is specifiek aan de Sint-Baafsabdij te relateren. Een oorkonde uit 1156 bevat het vroegste gebruik van de naam Zierikzee. Deze naam duidt vermoedelijk op een kreek, 33 Er wordt van uitgegaan dat in Zierikzee een inbraakkreek ontstond tijdens de 34 grote stormramp in 1014. Deze nieuwe kreek liep eveneens via de Oude Haven, maar boog vervolgens bij de Dam af in noordelijke richting, via de Schuithaven en Zwemhaven. Deze noordelijke aftakking is tegenwoordig gedempt. 35

27 Delen in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op, en overgenomen uit, bureauonderzoeken die Artefact eerder heeft verricht in de

omgeving van onderhavig plangebied. 28 Beekman 2007; Henderikx 2021a; Trimpe Burger 1995. 29 Henderikx 1997: 7; Kuipers 1988. 30 Kuipers 1988. 31 Henderikx 1997; Henderikx 2021a. 32 Kuipers 1988. 33 Henderikx 1997; Henderikx 2021a. 34 Kuipers 1988. 35 Kuipers 1986.

27

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Zierikzee maakt, evenals het plangebied, deel uit van de Polder Schouwen, daterend van omstreeks 1150. 36 Dit is een van de oudste polders van Zeeland. Vermoedelijk vond de bedijking plaats na de grote stormvloed van 1134. 37 De huidige polder vormt het restant van het voormalige eiland Schouwen, dat in latere tijden verbonden is met het eiland Duiveland en uiteindelijk zo de benaming Schouwen-Duiveland heeft gekregen. De polder kent een lange geschiedenis van bedijkingen en herbedijkingen door vele stormvloeden en inundaties. Bestuurlijk maakte het plangebied deel uit van het Quaalambacht, later Poortambacht geheten. Om te voorkomen dat de stad door de aanleg van de ringdijk van open water zou worden afgesloten, werd in Zierikzee de Schouwse ringdijk sterk landinwaarts gebogen. Zo konden zeeschepen aanvankelijk via een brede kreek met aan weerszijden dijken de stad binnenvaren tot aan de Sint Anthoniesdam. 38 De bouw van een, blijkens archeologisch onderzoek, zeer grote tufstenen parochiekerk omstreeks 1150 ter plaatse van de huidige kerk duidt op bevolkingstoename en economische bloei van Zierikzee. De haven- en handelsnederzetting groeide uit tot de op een na belangrijkste stad in Zeeland, na Middelburg.

Dit kwam in hoofdzaak door de strategische ligging aan de Ee, die uitmondde in de Gouwe (zie figuur 12), de belangrijkste scheepvaartverbinding tussen Vlaanderen en Holland tijdens en handelsnederzetting. De belangrijkste verhandelde producten in deze periode waren vis, zout en wol. Historische bronnen wijzen op talrijke internationale handelscontacten die via Zierikzee verliepen, in een periode waarin Brugge, Gent en Antwerpen sterk groeiden als handels- dan wel industriecentra. Langs deze haven en ten westen van de Dam, op de kreekrug, lijkt zich het oudste deel van de stedelijke nederzetting te hebben bevonden, alsook het grafelijk centrum, het Gravenhof. 39

Figuur 12 Uitsnede uit een door A.A. Beekman vervaardigde reconstructiekaart van Zeeland in 1300. De locatie van het plangebied (bij benadering) is met een rode pijl aangegeven. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Deel I, nr 56.

36 Kuipers 1988.

37 Henderix 2021. 38 Kuipers 1986.

39 Henderikx 1997; Henderikx 2021a.

28

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Schouwen was gedurende de Middeleeuwen opgedeeld in zesdedelen. Deze bestonden uit Haamstede, Brijdorpe, Kerkwerve, Poort -of Quaelambacht en Zuidland, allen gelegen binnen de Polder Schouwen, en het zesdedeel van Burgh en Westland (gelegen in de gelijknamige polder die voor het einde van de 13 de eeuw is ontstaan). Het plangebied lag in het Poort- of Quaelambacht. Na 1558, toen een groot deel van het Zuidland in de golven verdwenen was, sprak men van de Vierendelen van de Polder Schouwen: Het Wester-, Ooster- en Zuidervierendeel en het Poortambacht. 40 In 1303 veroverden de Vlamingen heel Zeeland, met uitzondering van Zierikzee, op de graaf van Holland en Zeeland. Tijdens deze periode werd Zierikzee meermaals belegerd door Vlaamse troepen. Er wordt van uitgegaan dat de stad in deze tijd al geheel door een gracht en een muur was omgeven. In 1304 vond op de Gouwe een zeeslag plaats waarbij een gecombineerde Frans-Hollandse vloot de vloot van de Vlaamse bezetter versloeg. 41 De tweede helft van de 14 de eeuw vormde een bloeiperiode, waarin Zierikzee onder andere belangrijke contacten aanknoopte in de omgeving van de Oostzee ten behoeve van handel en visserij. Hoewel Zierikzee formeel geen lid was van het machtige Hanze-verbond, werd zij in deze jaren wel als zodanig beschouwd.

In de tweede helft van de 14de eeuw vond bebouwing plaats van een oostelijk deel van de stad, vooral langs de Oude Haven. 42 Na de 14de eeuw was de bloei voorbij. In 1414 brandde de halve stad af. In de jaren hierna volgden een strijd met Dordrecht, de gevolgen van de St.-Elisabethsvloed in 1421 en gevechten met Duitse Hanzesteden en zeerovers. In 1458 en 1466 vonden opnieuw stadsbranden plaats. In 1472 kwam Zierikzee onder leiding van enkele monniken in opstand tegen Karel de Stoute, hetgeen de stad duur kwam te staan. Alle privileges werden ingetrokken en er werden hoge boete opgelegd. In 1492 strafte Albrecht van Saksen, veldheer van Maximiliaan, Zierikzee opnieuw, dit keer wegens hulp aan de Hoekse partij. In de eerste helft van de 16de eeuw kreeg de stad te maken met de pest. De Gouwe werd slechter bevaarbaar en bovendien verplaatste de handelsweg naar Vlaanderen zich van de Oosterschelde naar de Honte. Ook de overstromingen van 1530 en 1532 brachten de welvaart een slag toe. 43 Heel Schouwen werd overstroomd. 44 Niettemin was er ook in de 16 de eeuw nog sprake van intensieve handelscontacten en hoge welstand voor een deel van de bevolking. 45 De 16de-eeuwse kaarten van J. van Deventer zijn de oudst beschikbare gedetailleerde kaarten van Zierikzee. Dit betreft ten eerste de zogenoemde minuut. Hiervan is het origineel verloren gegaan, maar bestaat nog een aftekening.

46 Ten tweede betreft dit de netkaart met bijkaart. De bijkaart geeft een overzicht van belangrijke gebouwen in de binnenstad. Aangezien de kaarten van Van Deventer voor hun tijd zeer nauwkeurig zijn, zijn ze vrij goed op de huidige situatie te projecteren. Op zowel de minuut als de netkaart is het plangebied te situeren in een gebied waar een westoost georiënteerde weg en een noord-zuid georiënteerde weg staan weergegeven die elkaar kruisen binnen het plangebied (zie figuur 13). De loop en ligging van de wegen lijkt min of meer te corresponderen met die van een kreekrug zoals aangegeven op de Bodemkaart van Schouwen-Duiveland (figuur 8). Beide wegen lijken niet aan het huidige wegenpatroon relateerbaar. De west-oost georiënteerde weg ten zuiden van het plangebied is dit wel: deze heeft een vergelijkbare loop en ligging als de huidige Boerenweg. De Boerenweg, in het , verbond Zierikzee met de verdronken middeleeuwse dorpjes Hoog en Laag Weldamme. 47 De resten van deze dorpjes liggen in de tegenwoordige Oosterschelde.

40 Wilderom 1964: 22-26. 41 Henderikx 2021a.

42 Encyclopedie van Zeeland: Zierikzee. 43 Encyclopedie van Zeeland: Zierikzee. 44 Van Rummelen 1970: 64. 45 Henderikx 2021b.

46 Koeman & Visser 1992. 47 Uil 1986: 12.

29

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Figuur 13 Projectie van het plangebied (rode polygoon; bij benadering) op een uitsnede van een plattegrond van Zierikzee (netkaart), vervaardigd in het derde kwart van de 16 de eeuw vervaardigd door J. van Deventer. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Deel I, nr 533.

Omdat de haven van Zierikzee steeds meer dichtslibde, werd in 1584 werd aan de noordzijde van Zierikzee een grote houwer gegraven, oftewel een spuiboezem. Deze was door kaden omgeven en stond door twee zijlen (duikers) in verbinding met de stadsgracht. De houwer had echter niet het gewenste effect; enkele jaren later werd daarom de Nieuwe Haven aangelegd als rechtstreekse verbinding tussen Zierikzee en de Oosterschelde. In 1711 werd de houwer drooggelegd en in 1749 werden de kaden van de houwer verwijderd. 48 Tegen het begin van de 17de eeuw was in het kader van de heffing van de grondbelastingen reeds een indeling gemaakt van de beschikbare landbouwgronden op Schouwen in verschillende bevangen. In totaal zijn hierbij 217 bevangen onderscheiden. Elk bevang bestond uit meerdere percelen. Onderzoek door Fokker in 1909 heeft geleid tot een reconstructie van deze bevangen. 49 Het plangebied maakte deel uit van de bevangen Wackersdam (11de bevang; ten oosten van de weg) en het Vorsche (12de bevang; ten westen van de weg). Over het Vorsche-bevang staat in de studie Fokker dat dit bevang is vernoemd naar de Wackersdam, die oostelijker gelegen schorren met de Koolweg verbond.50 Omstreeks 1660 gaf Blaeu een kaart uit van Schouwen-Duiveland (figuur 14). Op deze kaart staat het gebied aan de Hierbinnen valt het plangebied te situeren.

Op deze kaart valt het plangebied te situeren in landelijk gebied met diverse wegen waarlangs zich hier en daar bebouwing bevindt. Het plangebied lijkt in tussengelegen, onbebouwd gebied te moeten worden gesitueerd. De kaart vermeldt niet duidelijk op welk gebouw deze aanduiding betrekking heeft. In meestoven werd meekrap gedroogd en verwerkt. Meekrap werd geteeld vanwege de kleurstof die werd gewonnen uit

48 Kuipers 1986.

49 Fokker 1909; Deurloo 1989; Wilderom 1964: 26-29. 50 Fokker 1909: 181, 282.

30

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

de wortels en die werd gebruikt voor het kleuren van textiel. Vanaf de Middeleeuwen tot in de 19 de eeuw was dit een winstgevend exportproduct. 51

Figuur 14 Ligging van het plangebied (bij benadering) op een uitsnede van een kaart uit omstreeks 1660 van Schouwen, Tholen en St. Philipsland, uitgegeven door J. Blaeu. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Deel I, nr 502.

Een kaart van de Hattinga uit de 18de eeuw (figuur 15) is al een stuk beter te vergelijken met de huidige situatie en ook beter te projecteren. Het plangebied valt te situeren ter hoogte van een niet met naam genoemde weg. Gedeeltelijk is deze noord-zuid georiënteerd, maar ter plaatse van het plangebied maakt deze weg een knik in noordwestelijke richting. Daarmee lijkt de loop iets te zijn veranderd ten opzichte van de weg die Van Deventer in de 16 de eeuw intekende. Bebouwing geeft de Hattinga-kaart in de nabijheid van het plangebied niet weer.

51 Encyclopedie van Zeeland: meekrap.

31

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Figuur 15 Projectie van het plangebied (rode polygoon; bij benadering) op een uitsnede van een kaart uit 1752 van het oostelijk gedeelte van Schouwen en Duiveland, vervaardigd door D.W.C. en A. Hattinga. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr 73.

Net als voor de rest van Nederland vormde de tweede helft van de 18de eeuw voor Zierikzee een nieuwe periode van stagnatie en achteruitgang. Ook de 19de eeuw was voor de stad geen welvarende periode, al waren er enige tijd twee scheepswerven en een katoenweverij actief en was de meekrapteelt nog enige tijd succesvol. 52 Met de invoering van het kadaster vanaf 1811 werden voor het eerst nauwkeurige kaarten van heel Nederland gemaakt. Dit betreft de Minuutplans van de Kadastrale Kaart die globaal zijn opgesteld tussen 1812 en 1832 (figuur 16). Deze kaarten geven de omvang van de aanwezige gebouwen, de ligging van wegen, dijken, waterlopen en perceelsgrenzen nauwkeurig weer, waardoor deze kaarten goed te projecteren zijn. Op de Kadastrale Minuut is te zien dat de situatie in het plangebied in de eerste helft van de 19 de eeuw vergelijkbaar was met die in de 18 de eeuw. In het oosten werd het plangebied door een noord-zuid georiënteerde weg doorsneden; ter hoogte van de noordelijke begrenzing van het plangebied maakte deze weg een knik in noordwestelijke richting om verder ongeveer de noordwestelijke begrenzing van het plangebied te volgen. De huidige Nieuwe Koolweg, oftewel de provinciale weg die ten noorden van het plangebied loopt, is hiernaar vernoemd. De rest van het plangebied maakte deel uit van meerdere percelen.

Blijkens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels behoorden deze percelen toe aan verschillende eigenaren en waren ze allemaal in gebruik als bouwland . Van bebouwing was binnen het plangebied geen sprake.

52 Encyclopedie van Zeeland: Zierikzee.

32

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Figuur 16 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut (1811-1832). Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland.

Op topografische (militaire) kaarten is de ontwikkeling van het plangebied en omgeving vanaf de 20 ste eeuw te volgen (figuur 17). In de eerste helft van de 20 ste eeuw werd het noordwest-zuidoost georiënteerde deel van de Kromme 53 (niet afgebeeld) is deze weg al te zien. Na de Watersnoodramp in 1953 vond de herverkaveling plaats, waardoor de percelen groter en rechter werden en geringer in aantal. Een aantal perceelsloten in het plangebied werd hiertoe gedempt. Het noord-zuid georiënteerde deel van de Kromme Koolweg verdween uit het landschap en daarmee uit het plangebied. Ten zuidoosten van het plangebied verrees aan de Boerenweg een rioolzuiveringsinstallatie gebruik bleef. 54 In de 21 ste eeuw werd ten noorden van de Boerenweg het huidige bedrijventerrein gerealiseerd. Het plangebied bleef echter steeds onbebouwd.

53 Geraadpleegd via de website van Wageningen University. 54 Zierikzeesche Nieuwsbode, 16 april 1991, geraadpleegd via Krantenbank Zeeland.

33

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Figuur 17 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart uit 1916, 1950, 1962, 1975, 1985, 2000 en 2023. Bron: Esri Nederland, Kadaster.

34

ARTEFAC T RAPPORT 958

2.3.2

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Verstoringsgeschiedenis

Historische gegevens, archief, opdrachtgever Het plangebied maakt van oudsher deel uit van het agrarische gebied ten noordwesten van de oude binnenstad van Zierikzee. Als gevolg van bewerking van de landbouwgrond, zoals ploegen, kunnen er tot op beperkte diepte verstoringen aanwezig zijn. Raadpleging van de website van het Zeeuws Archief, waar ook het archief van de gemeente Schouwen-Duiveland is ondergebracht, heeft geen aanvullende informatie opgeleverd omtrent mogelijke verstoringen binnen het plangebied. Bij de opdrachtgever is geen informatie omtrent verstoringen in het plangebied bekend. KLIC De graafmelding geeft enkel een aanwijzing voor een verstoring in een zeer beperkt noordoostelijk deel van het plangebied, veroorzaakt door de aanleg van een waterleiding. De breedte en diepte van deze verstoring is onbekend; doorgaans liggen waterleidingen op diepten vanaf 0,8 m -mv. Bodemonderzoek en saneringen In het Bodemloket en Bodemrapportages Zeeland 55 worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van beide websites leert dat in het plangebied geen bodemonderzoeken of saneringen bekend zijn.

55 www.bodemloket.nl en https://zeeland.nazca4u.nl/Rapportage/, beide geraadpleegd op 16 september 2024.

35

ARTEFAC T RAPPORT 958

2.4

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Archeologische waarden

In dit hoofdstuk wordt nagegaan welke archeologische gegevens bekend zijn uit het plangebied en de omgeving, omdat deze een indicatie kunnen geven van mogelijk aanwezige archeologische waarden in het plangebied. Om hiervan een goed beeld te krijgen, is een straal aangehouden van 700 m rond het plangebied. Archeologiebeleid Het gemeentelijke archeologieplan van Schouwen-Duiveland is in 2008 door Past2Present opgesteld, in datzelfde jaar door de gemeenteraad vastgesteld en sindsdien geldig als beleid. 56 Bij projectie op de Beleidskaart SchouwenDuiveland buitengebied (figuur 18) blijkt het plangebied deel uit te maken van twee eenheden, namelijk Onderzoeksgebied A (rozegekleurd) en Onderzoeksgebied B (groengekleurd).

Figuur 18 Projectie van het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart. Roze = onderzoeksgebied A; groen = onderzoeksgebied B. Bron: Past2Present 2008.

Onderzoeksgebied A staat in het archeologiebeleid aangeduid als een gebied waar zich in de gestapelde landschappen een landschap met hoge of middelhoge verwachting bevindt. Onderzoek in dit gebied richt zich in eerste instantie op het vaststellen van de diepte waarop het landschap met hoge of middelhoge verwachting ligt. Onderzoeksgebied A correspondeert hier qua ligging met de jonge overgangsgronden en jonge kreekruggronden (Middelland) zoals aangegeven op de bodemkaart van Schouwen-Duiveland57 (zie hoofdstuk 2.2.2). Onderzoeksgebied B correspondeert op diezelfde bodemkaart in dit geval met de kreekoeverwalgronden (Nieuwland). In het archeologiebeleid staat 56 Beleidsplan archeologie Schouwen-Duiveland. Past2Present 2008. 57 Kuipers 1960.

36

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

onderzoeksgebied B aangeduid als een gebied waar zich in de gestapelde verwachting een onbekende, lage of zeer lage verwachting bevindt. Onderzoek in dit gebied richt zich in eerste instantie op het vaststellen van de precieze verwachting. In het kader van dit onderzoek zijn ook de kaartbijlagen van de Archeologische waarden- en verwachtingskaart van de Gemeente Schouwen-Duiveland58 geraadpleegd. Deze geven per periode een verwachting en bekende vindplaatsen aan. Hieruit blijkt: Een onbekende verwachting voor de periode Neolithicum Bronstijd (niet afgebeeld); Lage en middelhoge verwachtingen voor de IJzertijd en Romeinse tijd (zie onderstaande figuur); Lage, middelhoge en hoge verwachtingen voor de Vroege en Middeleeuwen (zie figuur 20). Vondstlocatie 298 komt overeen met Archis-vondstlocatie 1074847 (zie verderop, nummer 10); Bedijking voor 1300; voor de Nieuwe Tijd (niet afgebeeld) valt binnen het plangebied een historische weg te verwachten.59

Figuur 19 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Archeologische waarden- en verwachtingskaart Gemeente Schouwen-Duiveland IJzertijd Romeinse tijd (veenlandschap). Legenda: lichtgroen = lage archeologische verwachting; geel = middelhoge archeologische verwachting. Bron: De Boer 2008: kaartbijlage 5.

58 De Boer 2008. 59 Dit betreft de Kromme Koolweg; zie hoofdstuk 2.3.1 in voorliggend rapport.

37

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Figuur 20 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Archeologische waarden- en verwachtingskaart Gemeente Schouwen-Duiveland Vroege en Late Middeleeuwen (jonge getijdenlandschap). Legenda: lichtgroen = lage archeologische verwachting; geel = middelhoge archeologische verwachting; oranje = hoge archeologische verwachting. Vondstlocatie 298 (ten oosten van het plangebied) komt overeen met Archis-vondstlocatie 1074847. Bron: De Boer 2008: kaartbijlage 6.

kunnen zijn bij het nemen van selectiebesluiten en het bepalen van de randvoorwaarden voor archeologisch (vervolg)onderzoek. Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. (Een deel van) de monumententerreinen werden opgenomen op de gemeentelijke beleidskaarten en benoemd als gemeentelijke vindplaats. De wettelijk beschermde monumenten waarvoor het Rijk bevoegd is, worden enkel op de AMK weergegeven. Het plangebied maakt geen deel uit van een AMK-terrein. Binnen een straal van 700 m rond het plangebied bevindt zich één AMK-terrein, namelijk AMK-terrein 13404 (hoge archeologische waarde; figuur 21). Dit betreft de oude stadskern van Zierikzee, daterend uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. De beschrijving van dit AMK-terrein luidt Zierikzee wordt voor het eerst genoemd in 1156 (Siricasha). De eerste bewoningssporen gaan zeker terug de tot de 11 /12de eeuw; ter plekke van de Gravenhof (waarschijnlijk gebouwd in 1048) zelfs tot de 10 de eeuw. In 976 zou al sprake zijn van een 'aecclesia' (kerk).

Bij onderzoek van de Sint Lievenskerk (ROB 1979) werden boomkistgraven gevonden die mogelijk uit de 10de eeuw stammen, alsook een (mogelijk 12 de-eeuwse) tufstenen kerk. Zierikzee lag aan de Ee, die uitmondde in de Gouwe. Scheepvaart was (naast onder meer zoutwinning en meekrapproductie) dus lange 38

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

tijd belangrijk. Krijgt stadsrechten in 1248 en werd ommuurd/omgracht in de periode 1320-1330 (enkele restanten zijn nog zichtbaar). De 17de-eeuwse vestingwerken zijn grotendeels verdwenen. In een document uit 1977/1978 wordt vermeld dat op dat moment 7,5% van de oude kern definitief verloren is gegaan. Daarbij werd geen archeologisch onderzoek uitgevoerd.

Figuur 21 Monumenten, onderzoeken en vondstlocaties, geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

Archis Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat het plangebied deel uitmaakt van twee eerdere onderzoeken, namelijk onderzoeken 6 en 7 in onderstaande tabel. Ook is binnen het plangebied een vondstlocatie bekend, namelijk nummer 9 (zie verderop). Hieronder worden eerst alle onderzoeken in een straal van 700 m rond het plangebied omgesomd, met uitzondering van de onderzoeken die in de historische binnenstad van Zierikzee zijn uitgevoerd, aangezien deze specifiek aan de binnenstad te relateren zijn en hierdoor weinig informatie bevatten die voor het in landelijk gebied gelegen plangebied relevant is. De nummers in de linker kolom corresponderen met de groene nummers op de bovenstaande figuur.

39

ARTEFAC T RAPPORT 958

Nr.

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

1

Onderzoek nummer 2157543100

2

2244894100

Becker & Van de Graaf SOB Research

3

2244918100

SOB Research

Archeologisch bureau- en booronderzoek (2009). Binnen het meest nabij onderhavig plangebied gelegen deelgebied heeft geen booronderzoek plaatsgevonden. Elders werd op de meeste locaties vastgesteld dat het Hollandveen niet meer intact was. In de Late Middeleeuwen heeft op grote schaal moernering plaatsgevonden. Hierdoor zijn vindplaatsen uit de prehistorie, Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen grotendeels aangetast. Zeer plaatselijk was vanaf 1,5 m -NAP nog intact Hollandveen aanwezig. 60

4

2331490100

RAAP

Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek verkennende fase (2011). In het gehele plangebied kunnen op afgedekte geulafzettingen van het Laagpakket van Wormer archeologische resten van nederzettingsterreinen uit het Neolithicum en/of de Vroege Bronstijd aanwezig zijn (vanaf ongeveer 1,3 m -mv/ 2,16 m -NAP). De top van het veen is in meer of mindere mate geërodeerd door moerneren of door overstromingsafzettingen, maar kan plaatselijk nog wel intact zijn. In een klein stukje in het noorden van het plangebied kunnen op het veen archeologische resten van nederzettingsterreinen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd aanwezig zijn (vanaf ongeveer 0,8 m -mv/ 1,73 m -NAP). In het plangebied werden twee overstromingspakketten vastgesteld. Er zijn geen kreekruggen uit de Middeleeuwen aangetroffen die bij deze overstromingsafzettingen horen. Archeologische indicatoren zijn niet aangetroffen. Advies: planaanpassing of vervolgonderzoek.

2339259100

RAAP

Zie 2331490100.

2355442100

RAAP

Karterend booronderzoek (2012). Het beeld van de bodemopbouw uit het verkennend onderzoek is tijdens het karterend onderzoek bevestigd. In het plangebied is sprake van twee overstromingspakketten. Er zijn geen kreekruggen uit de Middeleeuwen aangetroffen die bij deze overstromingsafzettingen horen. In negen boringen zijn aanwijzingen voor moernering aangetroffen. In het plangebied is in tien boringen veraard veen aangetroffen: de overgang naar de er bovenliggende sedimenten is scherp en abrupt. Het zeven van de monsters en de analyse van de residuen heeft enkele spikkels baksteenpuin, een fragmentje leisteen, een stukje lood, een enkele spikkel houtskool en een fragment geglazuurd, roodbakkend aardewerk opgeleverd. Het aardewerk wordt in de Late Middeleeuwen of Nieuwe Tijd gedateerd. Deze indicatoren kunnen tijdens het afgraven van het veen in de Late Middeleeuwen in de top van het veraarde veen terecht zijn gekomen of er is sprake van contaminatie van de monsters, waarbij de indicatoren uit het erboven gelegen overstromingspakket komen. Op basis van de spaarzaamheid en de fragmentatie van het aangetroffen materiaal wordt niet verwacht dat er sprake is van een vindplaats in de top van het veraarde veen. In het gehele plangebied is sprake van geul- of oeverafzettingen onder het Hollandveen. De top van de geulafzettingen is

60 Ras 2009: 30.

Uitvoerder

Aard en resultaten onderzoek Bureauonderzoek (2007). Rapport niet digitaal verkrijgbaar. Archeologisch bureau- en booronderzoek (2009). Het Hollandveen en de Afzettingen van Duinkerke zijn (grotendeels) niet meer intact aanwezig door grootschalige laatmiddeleeuwse moernering. Er werden in het veld geen duidelijke aanwijzingen aangetroffen die konden worden gerelateerd aan kasteel Bloodenburg. Westelijk in deelgebied 8 (dichtstbijzijnd bij onderhavig plangebied) is een karrenveld aangetroffen. Verder geen aanwijzingen voor een vindplaats uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Geen vervolgonderzoek.

40

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

tussen 1,0 en 1,9 m -mv (tussen 2,16 en 2,98 m -NAP) aangetroffen. Het zeven van de monsters van de top van de geul- of oeverafzettingen en de analyse van de residuen heeft geen archeologische indicatoren opgeleverd. De kans dat er in het plangebied sprake is van een behoudenswaardige vindplaats die bedreigd wordt door de geplande bodemingrepen wordt zeer klein geacht. 5

4002147100

Aeres Milieu

Archeologisch bureau- en booronderzoek (2017). Voor het LaatPaleolithicum en de Bronstijd geldt een lage verwachting. Voor de IJzertijd en Romeinse tijd geldt een middelhoge verwachting. De top van het intacte veenniveau bevindt zich op een diepte van 1,20 m -mv (2,30 m -NAP). Voor de Vroege en hoge Middeleeuwen geldt een hoge verwachting langs de geulen. Voor het overige deel van het plangebied geldt voor deze perioden een lage verwachting. Voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd geldt een hoge verwachting.61

4860376100

Artefact!

Archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (2019). In het oostelijke deel van het plangebied zijn onder de bouwvoor laatmiddeleeuwse moerneringskuilen aangetroffen. Daarnaast is in het zuidoostelijke deel van het plangebied een gedempte waterloop vastgesteld. Mogelijk betreft het een deel van de voormalige Kromme Kool. Ook is een opslagplaats gevonden die dateert tussen de late 18 de en vroege 19de eeuw. Op het niveau van het veen zijn geen sporen of vondsten aangetroffen uit de Romeinse tijd en/of IJzertijd. Het veen was grotendeels gemoerneerd. 62

6

4561956100

RAAP

Booronderzoek (2017). Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat bij de aanleg van de huidige bebouwing en de inrichting van het terrein de bodem in het gehele plangebied in het recente verleden verstoord is geraakt. De overstromingsafzettingen van het Laagpakket van Walcheren en het Hollandveen zijn daarbij grotendeels verstoord geraakt. Voor het plangebied geldt dan ook een lage archeologische verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de Late IJzertijd t/m Nieuwe Tijd. In de top van de oudere mariene afzettingen (Laagpakket van Wormer) kunnen vindplaatsen van voor de (Late) IJzertijd aanwezig zijn. Deze afzettingen bestaan in het plangebied echter uit wadplaat- en wadvlakteafzettingen. Op basis hiervan geldt een lage archeologische verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten van voor de IJzertijd. De kans dat er bij de geplande ingrepen archeologische resten zullen worden verstoord wordt op basis van de onderzoeksresultaten zeer klein geacht.

7

5399278100

Artefact!

Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden dat binnen het onderzoeksgebied in en op de oude getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer (vanaf 1,90 m -mv/ 2,77 m -NAP) een lage verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit het Neolithicum. Deze afzettingen zijn kleiig met riet in de top. Op het Hollandveen (vanaf 1,00 m -mv/ 1,91 m -NAP) geldt een middelhoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de Late IJzertijd en Romeinse tijd en een lage verwachting voor de Bronstijd tot Midden-IJzertijd. In en op de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (vanaf 0,45 m -mv/ 1,28 m -NAP) geldt een lage verwachting voor resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Het Laagpakket van Walcheren bestaat plaatselijk uit twee kleilagen en plaatselijk uit één kleilaag. Mogelijk is een deel van de natuurlijke afzettingen afgegraven, bijvoorbeeld ten behoeve van de veldoven die in de nabijheid is vastgesteld (zie vondstlocatie 8 in voorliggend rapport). In het kader van de planvorming is geen vervolgonderzoek geadviseerd; bij aanpassing van de planvorming en/of grootschalige graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,80 m -mv/ 1,71 m -NAP wordt wel vervolgonderzoek geadviseerd. Hierbij is

61 Van der Feest & Hagens 2017: 2-3. 62 Depuydt 2022: 5-6.

41

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

een beschermende buffer van 20 cm opgenomen boven het archeologische niveau. 63 8

5477491100 5632281100

Greenhouse Advies Artefact!

Booronderzoek (2023-2024); nog geen resultaten bekend. Booronderzoek (2024). 64 Eerste bevindingen: In vrijwel het hele plangebied is de top van het Laagpakket van Wormer intact aanwezig rond 1,10 - 2,10 m -mv/ 2 3 m -NAP; dit bestaat deels uit zandige geulafzettingen. In 15 van de 23 boringen is het Hollandveen Laagpakket geheel of goeddeels intact aanwezig vanaf 0,75 m -mv/ 1,73 m -NAP. Elders is dit niet meer intact door veenextractie en erosie. In 3 boringen in het zuidwesten van het plangebied is een mogelijke cultuurlaag aanwezig vanaf 0,30 m -mv/ 1,19 m -NAP. In het Laagpakket van Walcheren lijkt sprake te zijn van ontkleiing en egalisatie. De bovenzijde van het profiel bestaat op veel plaatsen uit opgebrachte grond met veel archeologische indicatoren.

Hieronder worden de vondstlocaties besproken die in een straal van 700 m rond het plangebied bekend zijn, met uitzondering van de vondstlocaties die in de historische binnenstad van Zierikzee zijn uitgevoerd, aangezien deze specifiek aan de binnenstad te relateren zijn en hierdoor weinig informatie bevatten die voor het in landelijk gebied gelegen plangebied relevant is. De nummers in de linker kolom corresponderen met de blauwe nummers op figuur 21. Nr.

Vondst locatie

Datering

Aard van de vondsten

9

1059240

MELB

Samen met streekarchivaris H. Uil van Schouwen-Duiveland en Sint Philipsland werd een verkenning uitgevoerd op verzoek van de eigenaar van een perceel tussen Nieuwe Koolweg en Boerenweg. Onder de bouwvoor en een zavellaag van totaal 50 cm dikte bevond zich een puinlaag. Deze bestond uit halfgebakken baksteen. Tezamen met een eerder door de eigenaar aangetroffen fundament kan hier gedacht worden aan de plaats van een veldoven. De steenmaat dateert de oven ruwweg in de 14 de eeuw. Melding: provinciaal depot (1991).

10

1074847

MELA

Twee scherven Andenne-aardewerk, gevonden tijdens niet-archeologische graafwerkzaamheden in 2001 bij of in de Grevelingenstraat. Particuliere melding.

11

1114961

NT

Particuliere melding (2016) van de vondst van een groot aantal metalen voorwerpen, gevonden op een akker ten noorden van Zierikzee. De vondsten dateren uit de periode 16de 18de eeuw. Een bijzondere vondst was een hanger van messing, met daarin een uit been gesneden beeldje van vermoedelijk de heilige Barbara, uit de 16 de eeuw. Een andere opmerkelijke vondst was een koperen kokertje met daarin een benen dobbelsteentje, vermoedelijk uit dezelfde periode.

12

1137626

?

Hoort bij onderzoek nr. 4 (Aeres Milieu). In een aantal boringen is keramiek, houtskool, baksteen, puin en fosfaat aangetroffen. In één boring werd een bronzen krammetje aangetroffen.

13

1143524

-

Hoort bij onderzoek nr. 5; betreft in werkelijkheid geen vondstlocatie.

14

1288310

MELBNTL

Glasfragmenten, waaronder van een kelkglas (datering 1775-1800), keramisch bouwmateriaal, waaronder kloostermoppen (datering 1280-1350, aangetroffen in moerneringskuilen), ijsselstenen dakpannen en tegels (datering 18de eeuw), 12 fragmenten dierlijk bot (groot zoogdier), 15 oesterschelpen, 294 fragmenten gedraaid aardewerk (datering: 14de t/m 19de eeuw) en 12 fragmenten van kleipijpjes. Hoort bij onderzoek nr. 4 (Artefact).

63 Coppens & Wattenberghe 2023. 64 Van den Berg (in voorbereiding).

42

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Uit bovenstaande gegevens komt naar voren dat binnen een straal van 700 m rond het plangebied vondstlocaties met laatmiddeleeuws materiaal bekend zijn, waaronder een vermoedelijke veldoven. Mogelijk zijn ten behoeve van deze oven (ook) binnen het plangebied delen van het Laagpakket van Walcheren ontgraven (onderzoek 7). In een straal van 700 m rond het plangebied zijn tevens vondsten gedaan uit de Nieuwe Tijd en zijn restanten van grootschalige laatmiddeleeuwse moernering vastgesteld. Plaatselijk is nog intact Hollandveen aangetroffen, op diepten vanaf 1,50 m -NAP. Het Laagpakket van Wormer, aangetroffen op diepten vanaf 2 m -NAP, bestaat (tenminste plaatselijk) uit geulafzettingen. In onderzoek 7, waarvan de polygoon grenst aan de oostzijde van het onderhavige plangebied, ligt het Laagpakket van Wormer iets dieper, namelijk omstreeks 2,77 m -NAP en is de top kleiig met rietresten. Hier is ook intact Hollandveen aangetroffen vanaf omstreeks 1,91 m -NAP. Overige meldingen Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) leverde reeds in een eerder, nabij uitgevoerd onderzoek65 een memo op uit juli 2003 van toenmalig provinciaal archeoloog R.M. van Dierendonck, over o.a. Bedrijventerrein Grevelingenstraat/ Haringvlietplein, waar het onderhavige plangebied aan grenst. De brief bevindt zich in dossier ZAA.04354.

Hierin wordt melding gedaan van de vondst van archeologisch materiaal op de hoek BoerenwegGrevelingenstraat, 66 met de mededeling dat niet is uit te sluiten dat daar nog andere archeologische resten in de bodem zitten. Ook wordt de baksteenveldoven (nummer 9 in bovenstaande tabel) vermeld en wordt aangegeven dat het niet onwaarschijnlijk is dat zich nog meer resten uit voornamelijk de Late Middeleeuwen in de gebieden van de bedrijventerreinen zullen bevinden, en dat er alle aanleiding is om hierop tijdens werkzaamheden attent te zijn. Ten aanzien van specifiek het onderhavige plangebied is in het archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) geen aanvullende archeologische informatie aanwezig, anders dan in Archis3 staat. 67 Luchtfotoanalyse - en/of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen (of verstoringen) in de bodem. geraadpleegd uit de Tweede Wereldoorlog (Wageningen University), 1959 en 1970 (Geoloket Provincie Zeeland) en 1989 (Foto4 (Esri Nederland, Geoloket Provincie Zeeland; Provincie Zeeland Web Map Service). Op een luchtfoto uit 2010 (figuur 22) is een lichtgekleurde, noord-zuid georiënteerde baan (aangegeven met gele pijlen op onderstaande figuur) te zien die het plangebied doorsnijdt.

Deze bevindt zich ter plaatse van een kreekrugje (zie figuur 8) en de Kromme Koolweg (zie figuur 16) die hier tot in de 20 ste eeuw liep en valt waarschijnlijk hieraan te relateren. Ook een lichtgekleurde baan direct langs de noordelijke begrenzing van het plangebied is vermoedelijk aan deze vroegere weg te relateren; de Kadastrale Minuut situeert immers ook hier een deel van de weg min of meer binnen het plangebied. Op geen van de bestudeerde lucht- of soilmarks gezien die zouden kunnen duiden op heuse archeologische vindplaatsen binnen het plangebied.

65 Van den Berg (in voorbereiding).

66 Precieze locatie en aard van het materiaal zijn onbekend bij de helpdesk van het ZAD. 67 Mail helpdesk ZAD, 17 september 2024.

43

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Figuur 22 Projectie van het plangebied op een uitsnede van een luchtfoto uit 2010. De gele pijlen wijzen een lichtgekleurde baan aan waarvan de loop en ligging overeenkomen met die van de vroegere Kromme Koolweg. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.

2.5

Bouw- en cultuurhistorische waarden

Bouw- en cultuurhistorische waarden Om vast te stellen of er waardevolle bouw- of cultuurhistorische elementen voorkomen in of direct grenzend aan het plangebied, is het Geoloket Cultuurhistorie van de Provincie Zeeland68 geraadpleegd. Hieruit blijkt enkel de ligging van het plangebied binnen de Polder Schouwen (zie hoofdstuk 2.3.1). Verder worden in of direct grenzend aan het plangebied geen bouw- of cultuurhistorische elementen aangegeven. Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) 69 geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat in het plangebied en de directe omgeving geen militaire relicten staan aangegeven. In het algemeen geldt dat resten kunnen worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen.

68 https://intgwbp.zeeland.nl/geoloket/?Viewer=Cultuurhistorie. 69 IKME.nl.

44

ARTEFAC T RAPPORT 958

2.6

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Archeologisch verwachtingsmodel

Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Enkel voor de perioden met een hoge of middelhoge verwachting zijn tabellen opgenomen. Het maaiveld ligt veelal rond 0,90 m -NAP, met uitschieters rond 0,70 en 1,20 m -NAP. Waarschijnlijk is in het plangebied het Laagpakket van Walcheren op het Hollandveen Laagpakket (vanaf 1,70 m -NAP) op diep reikende afzettingen van het Laagpakket van Wormer (vanaf 2 m -NAP) aanwezig, met uitzondering van gebieden waar eventueel veenwinning of erosie vanuit het Laagpakket van Walcheren heeft plaatsgevonden. Daar waar (middeleeuwse) veenwinning heeft plaatsgevonden, is het Laagpakket van Walcheren niet meer te verwachten en is het Hollandveen Laagpakket niet meer intact. Daar waar erosie vanuit het Laagpakket van Walcheren heeft plaatsgevonden, zijn het Hollandveen Laagpakket en mogelijk de top van het Laagpakket van Wormer niet meer aanwezig of niet meer intact. De bodem bestaat in het grootste deel van het plangebied uit jonge overgangsgronden die plaatselijk worden doorsneden door jonge kreekruggronden; beide Middelland. Een noordelijk deel van het plangebied is te situeren ter plaatse van kreekoeverwalgronden; dit betreft Nieuwland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14800058/2