1215269 Bijlage 2 Onderbouwing fysieke leefomgeving noodopvang
Tekst van het document
Zowel de Bodem- als de Geomorfologische kaart geeft aanwijzingen voor vergravingen en/of egalisatie. Verdere verstoringen (afgezien van verstoring door landbouwactiviteiten) zijn op basis van het bureauonderzoek nauwelijks te verwachten, behalve in een zeer beperkt gebied in het noordoosten van het plangebied, waar zich een waterleiding bevindt. Uit de bestudeerde aardkundige gegevens is bekend dat als gevolg van mariene erosie de afzettingen van het Laagpakket van Wierden niet intact bewaard zijn gebleven. Op basis hiervan bestaat voor dit niveau, en daarmee voor het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum, geen verwachting. Oud getijdenlandschap - Laagpakket van Wormer Formatie van Naaldwijk In de loop van het Mesolithicum (rond 6.000 v. Chr.) was het plangebied binnen bereik van de zee komen te liggen. Het verdrinkende pleistocene landschap veranderde in een lagunair gebied, dat vervolgens transformeerde in waddengebied. Tijdens het Neolithicum bereikte dit getijdengebied zijn maximale omvang, waarna het begon te verlanden. Het landschap bestond, in plaats van alleen uit wadden, ook uit kwelders en geulen met hoger opgeslibde oevers. Hoewel in Zeeland nagenoeg geen vindplaatsen uit deze periode uit het getijdengebied bekend zijn, is het niet ondenkbaar dat hier bewoning heeft plaatsgevonden, zoals op de Zuid-Hollandse eilanden het geval is.
Een dergelijke omgeving bood aanzienlijk meer bestaansmogelijkheden: veeteelt en kleinschalige akkerbouw op de hoger opgeslibde oevers langs de geulen, jacht en visvangst in de lager gelegen moerassen en kreken. Evenzo zullen er ook grote delen van het oude getijdenlandschap ongeschikt zijn geweest voor bewoning. De moeilijke opspoorbaarheid, de beperkte grootschalige ontsluitingen, de huidige stand van het onderzoek en het ontbreken van gericht onderzoek naar dit niveau maken het moeilijk de verwachting op het aantreffen van vindplaatsen in te schatten. Omdat er in de wijde omgeving vooralsnog geen aanwijzingen zijn gevonden voor neolithische bewoning, wordt de verwachting niet hoog, maar middelhoog geacht. Vindplaatsen uit het Neolithicum kunnen worden verwacht op de intacte top van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Datering
Neolithicum
Complextype Soort vindplaats
Algemeen niet gespecificeerd: bewoning, begraving, agrarische productie en voedselvoorziening Vindplaatsen met zowel grondsporen als een vondststrooiing
Omvang
Huisplaats: 500-2.000 m²
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen bestempeld kunnen worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
45
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
Diepteligging
Diepten vanaf 0,80-1,30 m -mv/ 2 m -NAP
Locatie
Hele plangebied
Gaafheid en conservering
Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal.
Mogelijke verstoringen
Waterleiding (zeer plaatselijk in het noordoosten van het plangebied)
Veenlandschap Hollandveen Laagpakket Formatie van Nieuwkoop Door definitieve sluiting van de kustbarrière rond 4.000 jaar geleden verslechterde de afwatering in het gebied en vond op uitgebreide schaal veengroei plaats. De bewoningsmogelijkheden namen hierdoor af. Dit zich ontwikkelende veenmoeras zal in deze periode (Bronstijd t/m Midden-IJzertijd) vrijwel alleen door mensen zijn gebruikt voor activiteiten die van tijdelijke aard waren. Te denken valt aan al of niet rituele deposities of overblijfselen van vervoer (achtergelaten kano, knuppelweg door het veen). De verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de periode Bronstijd-Midden IJzertijd in (de onderzijde van) het veen wordt daarom ook laag geacht. Het zijn bovendien puntlocaties die moeilijk met geijkte onderzoeksmethoden zijn op te sporen waardoor ook de kans op het aantreffen daarvan bijzonder klein wordt geacht. In de loop van de IJzertijd drong de zee het veengebied binnen, hetgeen in eerste instantie gunstige bewoningscondities creëerde. De geulen, maar ook door de mens gegraven afwateringskanalen (vanaf de Romeinse tijd) zorgden voor drainage van het omliggende veenmoeras, waardoor delen van het veengebied droger en steviger werden (te herkennen aan een veraarde top van het veen). In Zeeland is een aantal vindplaatsen uit de Romeinse tijd bekend, ook op Hollandveen.
Voor zover niet geërodeerd door uitbreidende getijdengeulen of door de mens afgegraven, geldt voor delen waar veraarding van het veen heeft kunnen plaatsvinden, een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Late IJzertijd en Romeinse Tijd. Gezien de vele archeologische en historische aanwijzingen voor grootschalige middeleeuwse veenwinning wordt in onderhavig geval echter niet van een hoge, maar van een middelhoge verwachting uitgegaan. Datering
Late IJzertijd Romeinse Tijd
Complextype
Rurale nederzettingen, grafvelden, sporen gerelateerd aan ambachtelijke activiteiten, infrastructuur
Soort vindplaats
Grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels) en houten paaltjes in het veen, bodembewerking in functie van de landbouw; vondststrooiing mogelijk
Omvang
Huisplaats: 500-2.000 m²; Nederzetting: 2.000-8.000 m²
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen bestempeld kunnen worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; mogelijk voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
Op en in de intacte top van het Hollandveen: diepten vanaf 0,50 - 1,00 m -mv/ 1,70 m NAPplangebied Hele
Locatie Gaafheid en conservering
Matig: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor anorganisch materiaal, maar organisch materiaal mogelijk slechter bewaard door zure omstandigheden in veen; veen mogelijk aangetast door veenwinning en/of erosie
Mogelijke verstoringen
Waterleiding (zeer plaatselijk in het noordoosten van het plangebied)
Jong getijdenlandschap - Laagpakket van Walcheren Formatie van Naaldwijk In de Vroege Middeleeuwen begon het jonge, post-Romeinse getijdenlandschap te verlanden. Als gevolg van differentiële klink kwamen inversieruggen, ook wel kreekruggen genoemd, relatief hoog in het landschap te liggen. Hierdoor werden dit vanaf de Vroege Middeleeuwen preferente bewoningsplekken in het onbedijkte, jonge
46
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
getijdenlandschap. Schapenboeren maakten hiervan gebruik. Op en rond een oost-west georiënteerde kreekrug ten zuidoosten van het plangebied is de nederzetting Zierikzee ontstaan. Vroegmiddeleeuwse bewoning valt ook in het plangebied niet volledig uit te sluiten. De Bodemkaart laat zien dat zich plaatselijk, centraal in het plangebied, een kleine kreekrug bevindt. Of en hoe ver deze al ontwikkeld was in de Vroege Middeleeuwen, is onbekend; niettemin wordt de verwachting voor de Vroege Middeleeuwen vooralsnog middelhoog geacht. In de 12de eeuw kwam het plangebied in bedijkt gebied te liggen, namelijk in de Polder Schouwen, en wel in landelijk gebied ten noordwesten van de stad Zierikzee. Uit zowel archeologische als historische gegevens blijkt dat in de omgeving van Zierikzee op grote schaal veenwinning plaatsvond. Ten oosten van het plangebied zijn enkele vondstlocaties met laatmiddeleeuws materiaal bekend, waaronder een vermoedelijke veldoven voor de productie van bakstenen. Mede op basis hiervan wordt voor het plangebied uitgegaan van een hoge verwachting op resten van o.a. bewoning, grondstofwinning en industrie en nijverheid uit de Late Middeleeuwen. Deze kunnen aanwezig zijn op of in het Laagpakket van Walcheren. Tevens valt rekening te houden met restanten van een oude weg.
Deze staat reeds op kaarten van Van Deventer kan zodoende ook in de Late Middeleeuwen al hebben bestaan. Blijkens het kaartmateriaal van Van Deventer lijkt de weg grofweg de loop van een kreekrugje (zoals aangegeven op de Bodemkaart) te hebben gevolgd. Datering
Late Middeleeuwen
Complextype
Algemeen niet gespecificeerd: bewoning, infrastructuur (weg), industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening, grondstofwinning
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen grondsporen; mogelijk vondststrooiing
Omvang
Huisplaats: 500-2.000 m²; nederzetting: 2.000-8.000 m²
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Vondstdichtheid Diepteligging Locatie
Direct onder de geroerde bovenlaag of op onbekende diepte binnen het Laagpakket van Walcheren Volledige plangebied.
Gaafheid en conservering
Mogelijk deels aangetast door later gebruik
Mogelijke verstoringen
Waterleiding (zeer plaatselijk in het noordoosten van het plangebied), landbouw
Voor de Nieuwe Tijd wordt van een lage archeologische verwachting uitgegaan. Er liep in de Nieuwe Tijd een weg door het plangebied, namelijk de Kromme Koolweg. Na de 16de eeuw lijkt het west-oost georiënteerde deel van deze weg iets te zijn verlegd en eerder een noordwest-zuidoost oriëntatie te hebben gekregen, min of meer ter plaatse van de noordelijke begrenzing van het plangebied. In de 20ste eeuw is de weg geheel uit het landschap verdwenen. Eventuele restanten van de vroegere weg vallen niet als een heuse vindplaats op te vatten. De bestudeerde gegevens geven geen aanwijzingen dat (de rest van) het plangebied in de Nieuwe Tijd voor andere doeleinden dan landbouw is gebruikt.
47
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1
Methoden
Het voorliggende hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het op basis van het voorafgaand bureauonderzoek opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO-O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak70. Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan- of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen. Conform de provinciale richtlijnen van 8 boringen per hectare zijn er 31 boringen uitgevoerd. Deze zijn over het plangebied gespreid middels een verspringend driehoeksgrid van 35 x 35 m. Aantal boringen
31
Grid
Verspringend driehoeksgrid (35 x 35 m)
Dichtheid
Conform de provinciale richtlijn van 8 boringen per hectare
Plaats- en hoogtebepaling
RTK-GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2cm)
Boorgegevens
Digitaal vastgelegd op iPad
Gebruikte codelijsten - standaard
(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)
Boordiepte
Max. 3,00 m -mv/ 3,95 m -NAP
Gehanteerde boor
Edelmanboor (Ø 7 cm), Gutsboor (Ø 3 cm)
Opsporen indicatoren
In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen
Monstername
Geen
Oppervlaktekartering
Het maaiveld is op mogelijke vondsten geïnspecteerd
Tijdens het beschrijven van de boringen is specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen) de genese van de laag bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.) de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op figuur 23, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 5.
70 Wattenberghe & Van den Berg, 18-09-2024: Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van
verkennende boringen Zierikzee Grevelingenstraat. Gemeente Schouwen-Duiveland. Artefact! PvA.
48
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
Figuur 23 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.
3.2
Geologie en bodem
In het plangebied ligt het maaiveld omstreeks 1,00 m -NAP. Oud getijdenlandschap Laagpakket van Wormer Formatie van Naaldwijk In vrijwel alle boringen zijn aan de basis grijsgekleurde mariene afzettingen aanwezig. Lithostratigrafisch vallen deze tot het Laagpakket van Wormer te rekenen. Meestal bestaan ze uit kalkloze, zwak siltige, matig slappe klei met soms enkele dunne siltlagen en/of weinig riet dan wel een spoor van riet. Deze afzettingen vallen lithogenetisch als wadafzettingen (slik) te interpreteren. Naar onder toe zijn in een aantal gevallen zandiger wadafzettingen vastgesteld; bovenin zijn deze afzettingen plaatselijk zwak humeus. In boringen 25 en 26, in het zuidwesten van het plangebied, bestaan de afzettingen uit sterk tot uiterst siltig zand, in boring 25 met een spoor van planten- en rietresten. Bovenin is het zand zwak humeus en kalkloos, naar onder toe is het zand kalkrijk en zijn er veel dunne kleilagen waar te nemen. Hier valt het Laagpakket van Wormer lithogenetisch als geulafzettingen te interpreteren. De top van het Laagpakket van Wormer is veelal intact en bevindt zich over het algemeen op diepten tussen 2,50 en 3,00 m -NAP. Dit komt neer op circa 1,50 m -mv in boringen 22, 23, 24, 26, 30 en 31, en elders op diepten vanaf 1,75 m -mv. In boring 25 ligt de top van het Laagpakket van Wormer uitzonderlijk hoog, namelijk op 0,95 m -mv/ 2,07 m -NAP.
Hier heeft zich een rugje kunnen ontwikkelen. De onderstaande figuur geeft een globaal overzicht van de diepteligging (NAP) van de intacte top van het Laagpakket van Wormer. 49
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
Figuur 24 Diepteligging (NAP) van de top van het Laagpakket van Wormer per boring. Bron achtergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors.
Alleen in boring 2, in het zuidoosten van het plangebied, is het Laagpakket van Wormer niet intact, als gevolg van geulerosie vanuit het Laagpakket van Walcheren. Het Laagpakket van Wormer werd hier pas aangeboord op 2,80 m mv/ 3,75 m -NAP. Veenlandschap Hollandveen Laagpakket Formatie van Nieuwkoop Vrijwel overal waar het Laagpakket van Wormer intact is vastgesteld, wordt dit afgedekt door een laag veen. Dit veen valt te rekenen tot het Hollandveen Laagpakket. Aan de basis bevindt zich in alle gevallen donkerbruin tot zwartbruin, zwak tot matig amorf rietveen. Plaatselijk is dit rietveen zwak kleiig. De dikte van de veenlaag varieert van enkele centimeters tot ongeveer 1 m. In boringen 6, 10, 15 t/m 18, 20, 22 en 31 is enkel een centimeters dun laagje rietveen bewaard gebleven; hierboven werd namelijk veenextractie vastgesteld (zie hoofdstuk 3.3). Daar waar het rietveen nog door ander veen wordt afgedekt, betreft dit donkerbruin, matig amorf bosveen, mosveen of heideveen. Een veraarde veentop werd waargenomen in boringen 1, 3, 4, 8, 11, 12, 13, 21, 23 en 27 t/m 30, steeds om en nabij 2 m -NAP. Veraarding van veen duidt erop dat het veen enige tijd aan het maaiveld heeft gelegen, en vormt tevens een aanwijzing voor intactheid.
In boringen 14, 19, 24, 25 en 26 is weliswaar geen veraarding vastgesteld, maar ligt de bovenzijde van het veen eveneens rond 2 m -NAP; ook hier valt zodoende van goeddeels intact Hollandveen uit te gaan. Het (goeddeels) intacte veen is aan te treffen vanaf 0,75 1,35 m -mv. Figuur 25 geeft een overzicht van de boringen waar het veen intact of goeddeels intact is aangetroffen. Daar waar het veen niet intact is (oftewel: duidelijk dieper ligt dan 2 m -NAP en geen tekenen van veraarding vertoont) en waar evenmin veenextractie is vastgesteld, is het veen geërodeerd vanuit het Laagpakket van Walcheren (zie 50
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
verderop). Dit is gebeurd ter plaatse van boringen 2, 5, 7 en 9, alle gelegen in de oostelijke helft van het plangebied. In boring 2 is het veen hierdoor zelfs helemaal niet meer aanwezig. Jong getijdenlandschap Laagpakket van Walcheren Formatie van Naaldwijk Het Hollandveen Laagpakket alsook in elk geval een deel van de veenextractiekuilen wordt afgedekt door grijsgekleurde, meestal kalkrijke, mariene afzettingen, bestaande uit pakketten klei en zand. De mate van stevigheid, zandigheid en siltigheid loopt sterk uiteen. Tezamen kunnen deze natuurlijke afzettingen tot het Laagpakket van Walcheren worden gerekend. Lithogenetisch vielen plaatselijk geul- en plaatafzettingen aan te wijzen. Van geulafzettingen is sprake in boring 2, 3 en 9. Deze zijn gezet in het oosten van het plangebied. De schone geulafzettingen zijn direct onder de bouwvoor aanwezig en bestaan uit zwak siltig zand. In boringen 2 en 9 dekken de geulafzettingen erosief oudere geologische niveaus af (respectievelijk het Laagpakket van Wormer en het Hollandveen Laagpakket); in boring 3 is het ondergelegen Hollandveen goeddeels intact gebleven. In een aantal gevallen vielen oudere en jongere Walcheren-afzettingen te onderscheiden. Het duidelijkst kon dit onderscheid worden gemaakt in boring 11.
Op intact Hollandveen werd hier een pakket zwak siltige, matig slappe lichtblauwgrijze klei aangetroffen die als poelafzettingen kon worden geïnterpreteerd. Naar boven toe werd op 0,80 m -mv/ 1,78 m -NAP een scherpe lithologische breuk gezien naar matig fijn, lichtgrijs zand. Dit zand valt als plaatafzettingen te interpreteren. Deze vaak zandige, soms echter ook kleiige, plaatafzettingen zijn in meer boorprofielen gezien en lijken op enig moment tijdens een vrij korte overstromingsfase op het middeleeuwse, deels gemoerde landschap te zijn afgezet. Dit kan zijn gebeurd tijdens een dijkdoorbraak, waarbij in korte tijd veel zand is afgezet. Soms liggen de plaatafzettingen erosief op de oudere poelafzettingen; bovendien viel het onderscheid tussen de jongere en oudere afzettingen niet in alle boringen even gemakkelijk te maken. Deze zandige plaatafzettingen ontbreken echter in veel boorprofielen; hiervoor in de plaats is in deze profielen een heterogene, veelal kleiige opgebrachte laag met indicatoren aanwezig (zie hieronder). Antropogene lagen In meerdere boringen zijn vullingen van veenextractiekuilen aangetroffen. Deze worden als archeologisch fenomeen beschreven in hoofdstuk 3.3. In meerdere boringen, verspreid over het plangebied, is onder de moderne bouwvoor een opgebrachte kleilaag aangetroffen.
Dit betreft stevige, matig tot uiterst siltige (donker)grijze, heterogene kalkrijke klei met indicatoren van baksteen en houtskool. Aangezien deze laag juist is aangetroffen in boringen waar zandige plaatafzettingen van het Laagpakket van Walcheren ontbreken (zie boven), is deze opgebrachte kleilaag geïnterpreteerd als demplaag. Vermoed wordt namelijk dat de bovengenoemde zandige plaatafzettingen van het Laagpakket van Walcheren op een zeker moment deels zijn ontgraven, waarna de kuilen zijn gedempt door deze met aangevoerd kleiig materiaal op te vullen. Er is geen duidelijk patroon ontdekt in de boorprofielen waar dit al dan niet het geval is. De boringen waarin deze demplaag is aangetroffen, staan aangegeven op figuur 25. In alle boringen bestaat de bovenzijde van het boorprofiel uit een 0,30 tot 0,50 m dikke moderne bouwvoor, die is ontwikkeld bovenin ofwel natuurlijke afzettingen ofwel opgebrachte grond. De bouwvoor is soms matig humeus en bevat veel archeologische indicatoren (zie hoofdstuk 3.3). Afgezien van tekenen van plaatselijke ontgraving van de natuurlijke afzettingen en het opbrengen van grond zijn verder in het veld geen duidelijke verstoringen van het profiel aangetroffen.
51
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
Figuur 25 Resultatenkaart met de ligging van (goeddeels) intact Hollandveen, restanten van veenextractie, restanten van een vroegere weg en een demplaag. Bron achtergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors.
3.3
Archeologie
Tijdens het veldwerk zijn in nagenoeg alle boringen en op veel plaatsen aan het maaiveld archeologische indicatoren aangetroffen. In 10 boringen zijn restanten van veenextractie aangetroffen en in 3 boringen zijn restanten van een vroegere weg aangetroffen. Hieronder worden deze archeologische resten besproken. Archeologische vondsten, grondsporen of cultuurlagen zijn niet aangetroffen. Veenextractie In boringen 6, 10, 15 t/m 18, 20, 22 en 31 zijn opgevulde veenextractiekuilen vastgesteld. Deze zijn ingegraven in het Hollandveen Laagpakket tot 1,45 - 1,80 m -mv/ 2,41 - 2,82 m -NAP, waarbij telkens nog een dun laagje rietveen is achtergebleven. De vullingen bestaan uit matig siltige, heterogene kalkrijke klei met een brokkelige structuur, waarin soms veenbrokken (geremanieerd veen) te zien zijn. Bovenin zijn plaatselijk (boring 18) rode puinbrokjes aangetroffen. De bovenzijde van de veenextractiekuilen is vastgesteld op variërende diepten, namelijk 0,50 1,15 m -mv/ 1,50 2,11 m -NAP. Op figuur 25 is te zien dat de veenextractie zich lijkt te concentreren in de westelijke en zuidelijke helft van het plangebied, maar een heel duidelijk patroon is niet vastgesteld. De veenextractiekuilen worden plaatselijk afgedekt door het Laagpakket van Walcheren (jongere plaatafzettingen; zie hoofdstuk 3.2). De datering van deze jongere afzettingen is niet bekend.
Op stratigrafische gronden en gezien de vondst van rode puinbrokjes in één van de vullingen ligt het voor de hand om de veenextractiekuilen in de Late Middeleeuwen te dateren. 52
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
In boring 12, waar nog intact en veraard Hollandveen werd aangetroffen, werd in de afdekkende poelafzettingen van het Laagpakket van Walcheren een spoor van zelas aangetroffen omstreeks 0,90 m -mv/ 1,80 m -NAP. Zelas komt voort uit de verbranding van gewonnen veen en diende als grondstof voor zoutproductie. Weg In boringen 6, 7 en 8 (zie figuur 25) werd direct onder de moderne bouwvoor, vanaf 0,35 - 0,50 m -mv/ 1,21 m 1,49 m -NAP, een laag losse, verrommelde natuurlijke afzettingen aangetroffen, met hierin kleibrokken en archeologische indicatoren van puinfragmentjes, pijpaardewerk en kiezel. Deze restanten vallen vermoedelijk toe te schrijven aan een vroegere weg. Blijkens historische bronnen liep ter hoogte van deze boringen de Kromme Koolweg. Deze bestond in elk geval reeds in de 16 de eeuw en werd hier halverwege de 20 ste eeuw verwijderd. Indicatoren In nagenoeg alle boringen archeologische indicatoren aangetroffen, in elk geval in de moderne bouwvoor en in de demplaag die in veel boringen werd vastgesteld (zie hoofdstuk 3.2). Ook aan het maaiveld zijn veel indicatoren aangetroffen. De indicatoren in de moderne bouwvoor en aan het maaiveld omvatten fragmentjes keramiek daterend uit de periode vanaf de Late Middeleeuwen tot recent, en ander materiaal zoals houtskool, glas en plastic. De indicatoren in de demplaag bestaan uit kleine fragmentjes baksteen en houtskool.
Het gaat in al deze gevallen om contextloos, veelal aangevoerd materiaal, dat niet informatief is over het verleden van het plangebied. In een aantal boringen valt daarnaast niet uit te sluiten dat er tevens indicatoren zijn aangetroffen in natuurlijke afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Dit betreft rode puinbrokjes en kalkbrokjes, die tot diepten van 0,60 1,00 m werden opgeboord in boringen 1, 4, 5, 14, 15, 17 en 18. De aanwezigheid van indicatoren in natuurlijke afzettingen valt niet met zekerheid te verklaren. Gezien de afwezigheid van cultuurlagen en andere duidelijke aanwijzingen, zijn de indicatoren in onderhavig geval niet indicatief voor een eventuele vindplaats. Hierbij moet bovendien worden opgemerkt dat het onderscheid tussen natuurlijke afzettingen en opgebrachte grond niet in alle boringen even duidelijk te maken viel, waardoor de indicatoren zich ook in deze boringen in werkelijkheid in opgebracht materiaal bevonden. Daar waar daadwerkelijk van natuurlijke afzettingen met indicatoren sprake is, zijn deze hier waarschijnlijk als verspoeld materiaal in terechtgekomen.
53
ARTEFAC T RAPPORT 958
4
Conclusie en Advies
4.1
Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens uit het bureauonderzoek werd een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de onderstaande onderzoeksvragen beantwoord worden en het verwachtingsmodel bijgesteld en verfijnd worden. Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? In vrijwel het hele plangebied, met uitzondering van een klein zuidoostelijk deel, is het Laagpakket van Wormer intact aanwezig. Dit betreft veelal wadafzettingen met rietresten, waarvan de top omstreeks 1,50 1,75 m -mv/ 2,50 3,00 m -NAP ligt. In het zuidwesten van het plangebied is zeer plaatselijk echter sprake van hoger gelegen geulafzettingen met een top vanaf 0,95 m -mv/ 2,07 m -NAP. Het Laagpakket van Wormer wordt overal afgedekt door veen van het Hollandveen Laagpakket. Verspreid over het plangebied is dit nog intact of goeddeels intact aanwezig vanaf 0,80 1,35 m -mv/ circa 2 m -NAP. In de Laat-Romeinse tijd en/of de Vroege Middeleeuwen is het veen afgedekt geraakt door poelafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. In de Middeleeuwen heeft veenwinning plaatsgevonden in voornamelijk westelijke en zuidelijke delen van het plangebied, al lijkt men niet heel systematisch te werk te zijn gegaan.
Het aantreffen van een kleine hoeveelheid zelas duidt tevens op het verbranden van gewonnen veen in of nabij het plangebied; dit gebeurde ten behoeve van zoutwinning. Op enig moment nadien lijkt zich een overstroming te hebben voorgedaan die in korte tijd leidde tot afzetting van een laag zand. In delen van het plangebied zijn deze plaatafzettingen nog aanwezig, maar het lijkt er sterk op dat het zand her en der opnieuw niet systematisch is ontgraven, waarna de gaten zijn gevuld met aangevoerd kleiig materiaal met hierin veel archeologische indicatoren. Zeer plaatselijk in het zuidoosten van het plangebied heeft een kleine geul gelopen, waardoor hier het Hollandveen Laagpakket en de top van het Laagpakket van Wormer niet meer aanwezig zijn als gevolg van erosie vanuit het Laagpakket van Walcheren. Behalve ten behoeve van grondstofwinning is het plangebied ten behoeve van akkerbouw gebruikt. Er liep ook een weg doorheen, namelijk de Kromme Koolweg. Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Afgezien van tekenen van post-middeleeuwse ontgravingen (die niet scherp konden worden gedateerd) zijn in het veld geen verstoringen van het profiel aangetroffen. Op basis van het bureauonderzoek is enkel een verstoring in een zeer beperkt noordoostelijk deel van het plangebied bekend, die is veroorzaakt door de aanleg van een waterleiding.
Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? In voornamelijk de westelijke en zuidelijke helft van het plangebied zijn resten van veenwinning vastgesteld, in de vorm van opgevulde veenextractiekuilen, aan te treffen vanaf 0,50 1,15 m -mv/ 1,50 2,11 m -NAP, en centraal in het plangebied (boring 12) een restant van zelas, aan te treffen vanaf 0,90 m -mv/ 1,80 m -NAP. In een oostelijk deel van het plangebied zijn vermoedelijk resten van de vroegere Kromme Koolweg vastgesteld, bestaande uit een verrommelde laag met indicatoren waaronder een kiezel, aan te treffen vanaf 0,35 - 0,50 m -mv/ 1,21 m 1,49 m -NAP. Zowel de restanten van de weg als van de veenwinning vallen echter niet op te vatten als een heuse vindplaats, maar eerder als archeologische fenomenen. Voor het overige zijn veel contextloze archeologische indicatoren aangetroffen, die waarschijnlijk voornamelijk met aangevoerde grond in het plangebied zijn beland en zodoende niet indicatief zijn voor een eventuele vindplaats. Voor de aanwezigheid van een vindplaats zijn geen aanwijzingen vastgesteld. Cultuurlagen, grondsporen en archeologische vondsten zijn niet aangetroffen.
Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld?
54
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
Het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek ging voor het hele plangebied uit van een middelhoge verwachting voor het Neolithicum, een lage verwachting voor de Bronstijd t/m Midden-IJzertijd, een middelhoge verwachting voor de Late IJzertijd en Romeinse tijd, een middelhoge verwachting voor de Vroege Middeleeuwen, een hoge verwachting voor de Late Middeleeuwen en een lage verwachting voor de Nieuwe Tijd. Het booronderzoek geeft aanleiding om dit verwachtingsmodel deels bij te stellen: De middelhoge verwachting voor het Neolithicum kan plaatselijk in stand blijven waar het Laagpakket van Wormer relatief hoger ligt, namelijk op 2,5 m -NAP of hoger. Hiervan is sprake in enkele westelijke delen van het plangebied (zie onderstaande figuur). Het is immers aan te nemen dat hoger gelegen delen van het landschap een gunstiger verblijfplaats vormden dan de lager gelegen, nattere delen. Op basis van de betreffende boringen geldt deze verwachting vanaf 0,95 m -mv in een zuidwestelijk deel van het plangebied en elders 1,50 m -mv. Voor de rest van het plangebied, waar de top van het Laagpakket van Wormer dus dieper ligt, wordt de verwachting bijgesteld naar laag. Het booronderzoek geeft geen aanleiding om de lage verwachting voor de Bronstijd t/m Midden-IJzertijd bij te stellen.
De middelhoge verwachting voor de Late IJzertijd en Romeinse tijd valt in delen van het plangebied bij te stellen naar hoog, aangezien er meer intact Hollandveen is aangetroffen dan werd verwacht. Deze hoge verwachting geldt in de delen waar het Hollandveen Laagpakket intact of goeddeels intact is vastgesteld, met de top rond 2 m -NAP. Op basis van de betreffende boringen geldt deze verwachting vanaf diepten variërend tussen 0,75, 1,00 en 1,30 m -mv (zie onderstaande figuur). In de rest van het plangebied is het Hollandveen niet meer intact als gevolg van veenwinning dan wel erosie en kan de verwachting worden bijgesteld naar laag. Het booronderzoek geeft aanleiding om de middelhoge verwachting voor de Vroege Middeleeuwen bij te stellen naar laag. De verwachting was gebaseerd op de aanwezigheid van een kreekrug die verondersteld werd op grond van de Bodemkaart. Een duidelijke kreekrug van het Laagpakket van Walcheren is echter niet aangetroffen; aanwijzingen voor een eventuele vroegmiddeleeuwse vindplaats zijn evenmin gezien. Het booronderzoek geeft aanleiding om de hoge verwachting voor de Late Middeleeuwen eveneens bij te stellen naar laag. Er zijn geen aanwijzingen gezien voor de aanwezigheid van een laatmiddeleeuwse vindplaats, zoals een cultuurlaag en vondstmateriaal.
In het plangebied zijn wel restanten gevonden van veenwinning, maar dit valt eerder als archeologisch fenomeen dan als een heuse vindplaats op te vatten. Het booronderzoek geeft geen aanleiding om de lage verwachting voor de Nieuwe Tijd bij te stellen. De vermoedelijke restanten van de Kromme Koolweg en van zandwinning zijn evenmin als een archeologische vindplaats op te vatten. Al met al gelden in delen van het plangebied (middel)hoge verwachtingen voor het Neolithicum (diepten vanaf 0,95 en 1,50 m -mv) en Late IJzertijd Romeinse tijd (diepten vanaf 0,75, 1,00 en 1,30 m -mv). De situering van de delen waar deze verwachtingen gelden, staat weergegeven op figuur 26. In de rest van het plangebied gelden enkel lage verwachtingen. Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? De initiatiefnemer is voornemens om binnen het plangebied een tijdelijke noodopvang te realiseren, met een aantal woonunits en facilitaire gebouwen alsook een aantal infrastructurele elementen en mogelijk een aarden wal. Aangezien er nog geen details beschikbaar zijn, valt nog niet te zeggen of er mogelijke archeologische waarden worden bedreigd door specifiek de voorgenomen planontwikkeling.
In het algemeen valt te stellen dat daar waar binnen het plangebied bodemingrepen plaatsvinden waarbij de diepten op onderstaande figuur zullen worden bereikt, er potentieel aanwezige vindplaatsen worden bedreigd. Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?
55
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
Het plangebied is niet in voldoende mate onderzocht. Daar waar binnen het plangebied bodemingrepen zijn voorzien waarbij de diepten op onderstaande figuur zullen worden aangesneden, wordt vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Als meest geschikte onderzoeksmethode wordt een proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Dit alles wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4.2.
Figuur 26 Verwachtingskaart met de delen van het plangebied waar (middel)hoge verwachtingen gelden, met diepte vanaf het maaiveld. Bron achtergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors.
4.2
Advies
In bovenstaande hoofdstukken wordt het archeologisch potentieel binnen het plangebied geïllustreerd. Uit het bureau- en booronderzoek blijkt dat in delen van het plangebied (middel)hoge archeologische verwachtingen gelden: voor het Neolithicum op diepten vanaf respectievelijk 0,95 en 1,50 m -mv op en in de intacte top van het Laagpakket van Wormer (daar waar deze relatief hoog ligt namelijk 2 - 2,5 m -NAP), voor de Late IJzertijd en Romeinse tijd op diepten vanaf respectievelijk 0,75, 1,00 en 1,30 m -mv op en in de (goeddeels) intacte top van het Hollandveen Laagpakket. De betreffende delen van het plangebied waar deze verwachtingen gelden, zijn te zien op figuur 26. Daar waar bodemingrepen dieper zullen reiken dan deze diepten, worden mogelijk aanwezige archeologische waarden bedreigd. De initiatiefnemer is voornemens om binnen het plangebied een tijdelijke noodopvang te realiseren, met een aantal woonunits en facilitaire gebouwen alsook een aantal infrastructurele elementen en mogelijk een aarden wal. Aangezien er nog geen details beschikbaar zijn, valt nog niet te zeggen of er mogelijke archeologische waarden worden bedreigd door specifiek de voorgenomen planontwikkeling. 56
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
In eerste instantie wordt geadviseerd om de planvorming dusdanig te ontwikkelen of aan te passen dat er geen archeologische waarden worden bedreigd. Dit betekent dat de voorziene ingrepen minder diep dienen te reiken dan de plaatselijk gestelde minimale verwachtingsdiepten. De implicatie hiervan wordt weergegeven op onderstaande advieskaart (figuur 27). Hierbij is een kleine veiligheidsmarge in acht genomen om te voorkomen dat een eventueel archeologisch niveau per ongeluk wordt geraakt. Indien de benodigde bodemingrepen minder diep zullen reiken dan de op figuur 27 aangegeven diepten, dan wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning BOPA. Daar waar de diepten zoals weergegeven op figuur 27 echter zullen worden overschreden, wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.
Figuur 27 Advieskaart met maximale diepten tot waar bodemingrepen kunnen plaatsvinden. Worden deze diepten overschreden, dan wordt vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Bron achtergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors.
Conform de AMZ-cyclus (Archeologische Monumenten Zorg-cyclus; zie bijlage 1) dient het vervolgonderzoek te bestaan uit een karterend en/of waarderend inventariserend veldonderzoek. Gezien de aard van de verwachte vindplaatsen (zowel kleine vindplaatsen met louter vondststrooiingen als ook middelgrote vindplaatsen met grondsporen, mogelijk zonder vondstenlaag) is het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (protocol 4003 IVO-P, karterende en waarderende fase) de meest geschikte onderzoeksmethode. Het doel van de karterende fase is het terrein systematisch onderzoeken op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. Het doel van de waarderende fase is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en het Programma van Eisen (PvE). Het gaat hierbij om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek, waarbij tijdens de waarderende fase het waarnemingsnet verdicht kan worden om de 57
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
datering, aard, omvang, diepteligging, gaafheid en conservering (mogelijk te relateren aan het grondwaterpeil), locatie, uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) en mogelijke verstoringen van de archeologische resten vast te stellen, zodat een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies kan worden geformuleerd. Tijdens een dergelijk gravend onderzoek kan de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van vindplaatsen, en de behoudenswaardigheid daarvan, worden vastgesteld. Op basis daarvan kan de bevoegde overheid een selectiebesluit nemen: vrijgeven, behoud in situ of opgraven. Desgewenst, afhankelijk van de aard van de ingrepen dit is ter beoordeling van de bevoegde overheid kan dit onderzoek onder de variant Archeologische Begeleiding worden uitgevoerd, waarbij de civiele werkzaamheden worden gecombineerd met het archeologisch onderzoek. Voorafgaand aan een vervolgonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat ter beoordeling en goedkeuring moet worden voorgelegd aan de bevoegde overheid. Hierbij dient het volgende opgemerkt. Het is nooit uit te sluiten dat, ook daar waar geen vervolgonderzoek is geadviseerd, toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn die in de uitvoeringsfase van toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen.
Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016). Om ervoor te zorgen dat aan deze wettelijke plicht wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, wordt verzocht om navolgende tekst in het uitvoeringsbestek op te nemen: Archeologie Ook daar waar geen archeologisch vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf - en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht e x. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid.
Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.
58
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
Lijst met figuren Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors............................................ 7 Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors...................................................................................................................................... 8 Figuur 3 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de luchtfoto (2023). Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl.....................................................................................................................................13 Figuur 4 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: globale ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018. .. 17 Figuur 5 Projectie van het plangebied en situering van nabijgelegen archeologische onderzoeken en DINO-boring op een uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Bron: Van Rummelen 1967. ........................................... 19 Figuur 6 Projectie van het plangebied op een uitsnede van een kaart van de Afzettingen van Calais. Legenda: donkerblauw = geulafzettingen tot > 25 m -NAP (hoofdzakelijk zand); paars = geulafzettingen tot < 25 m -NAP (hoofdzakelijk zand); lichtblauw = deklaag; groen = geërodeerd/niet afgezet: Duinkerke-geulafzettingengebied.
Bron: Vos & Van Heeringen 1997: Geologische kaarten, kaart 2....................................................................... 20 Figuur 7 Projectie van het plangebied op de Bodemkaart van Nederland. Bron: Pleijter 1994. ............................. 22 Figuur 8 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Bodemkaart van Schouwen-Duiveland. Bron: Kuipers 1960. .................................................................................................................................................... 23 Figuur 9 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Wolfert 1991. ................................................................................................................. 24 Figuur 10 Projectie van het plangebied op een bewerkte uitsnede van de hoogtekaart. Bron: pdok.nl (AHN4, 0,5 mraster DTM). .......................................................................................................................................... 25 Figuur 11 Projectie van het plangebied op een nader ingezoomde bewerkte uitsnede van de hoogtekaart. Bron: pdok.nl (AHN4, 0,5 m-raster DTM). ............................................................................................................ 26 Figuur 12 Uitsnede uit een door A.A. Beekman vervaardigde reconstructiekaart van Zeeland in 1300.
De locatie van het plangebied (bij benadering) is met een rode pijl aangegeven. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Deel I, nr 56. ................................................................................................................ 28 Figuur 13 Projectie van het plangebied (rode polygoon; bij benadering) op een uitsnede van een plattegrond van Zierikzee (netkaart), vervaardigd in het derde kwart van de 16 de eeuw vervaardigd door J. van Deventer. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Deel I, nr 533. ......................................................... 30 Figuur 14 Ligging van het plangebied (bij benadering) op een uitsnede van een kaart uit omstreeks 1660 van Schouwen, Tholen en St. Philipsland, uitgegeven door J. Blaeu. Bron: Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Deel I, nr 502. ................................................................................................................31 Figuur 15 Projectie van het plangebied (rode polygoon; bij benadering) op een uitsnede van een kaart uit 1752 van het oostelijk gedeelte van Schouwen en Duiveland, vervaardigd door D.W.C. en A. Hattinga. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr 73. ..........................................................................................................................
32 Figuur 16 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut (1811 -1832). Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland. .................................................................................................33 Figuur 17 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart uit 1916, 1950, 1962, 1975, 1985, 2000 en 2023. Bron: Esri Nederland, Kadaster. ............................................................................................. 34 Figuur 18 Projectie van het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart. Roze = onderzoeksgebied A; groen = onderzoeksgebied B. Bron: Past2Present 2008. ........................................................................................... 36 Figuur 19 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Archeologische waarden- en verwachtingskaart Gemeente Schouwen-Duiveland IJzertijd Romeinse tijd (veenlandschap). Legenda: lichtgroen = lage archeologische verwachting; geel = middelhoge archeologische verwachting. Bron: De Boer 2008: kaartbijlage 5. ........................ 37 Figuur 20 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Archeologische waarden- en verwachtingskaart Gemeente Schouwen-Duiveland Vroege en Late Middeleeuwen (jonge getijdenlandschap).
Legenda: lichtgroen = lage archeologische verwachting; geel = middelhoge archeologische verwachting; oranje = hoge archeologische
59
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
verwachting. Vondstlocatie 298 (ten oosten van het plangebied) komt overeen met Archis-vondstlocatie 1074847. Bron: De Boer 2008: kaartbijlage 6. ............................................................................................................ 38 Figuur 21 Monumenten, onderzoeken en vondstlocaties, geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors........................................ 39 Figuur 22 Projectie van het plangebied op een uitsnede van een luchtfoto uit 2010. De gele pijlen wijzen een lichtgekleurde baan aan waarvan de loop en ligging overeenkomen met die van de vroegere Kromme Koolweg. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland. ..................................................................................................................... 44 Figuur 23 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors. ......................................................................................................................................... 49 Figuur 24 Diepteligging (NAP) van de top van het Laagpakket van Wormer per boring. Bron achtergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors...................................................................................................
50 Figuur 25 Resultatenkaart met de ligging van (goeddeels) intact Hollandveen, restanten van veenextractie, restanten van een vroegere weg en een demplaag. Bron achtergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors. ............................................................................................................................................................ 52 Figuur 26 Verwachtingskaart met de delen van het plangebied waar (middel)hoge verwachtingen gelden, met diepte vanaf het maaiveld. Bron achtergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors. ............................. 56 Figuur 27 Advieskaart met maximale diepten tot waar bodemingrepen kunnen plaatsvinden. Worden deze diepten overschreden, dan wordt vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Bron achtergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors. .......................................................................................................................................... 57
60
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
Bronnen Literatuur Beekman, F., 2007. De kop van Schouwen onder het zand. Duizend jaar duinvorming en duingebruik op een Zeeuws eiland. Matrijs, Utrecht. Berendsen, H.J.A., 2004. De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie, Assen. Berg, M. van den (in voorbereiding). Zierikzee Nieuwe Brandweerpost. Gemeente Schouwen-Duiveland. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Artefact! Rapport 950, Zaamslag. Boer, G.H. de, 2008. Gemeente Schouwen-Duiveland; een archeologische waarden- en verwachtingskaart voor het buitengebied. RAAP-rapport 1453, Weesp. Coppens, E. en J.E.M. Wattenberghe, 2023. Zierikzee N59 calamiteitenontsluiting, percelen N161, 162, 163 en H1015. Gemeente Schouwen-Duiveland. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Artefact! Rapport 786, Zaamslag. Coen, I., 2008. De eeuwige Schelde? Ontstaan en ontwikkeling van de Schelde. Borgerhout. Dekker, C., 1971. Zuid-Beveland: de historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de Middeleeuwen, Van Gorcum, Assen. Dekker, J. en H. Uil (red.). Zierikzee acht eeuwen stad. Het Paard van Troje, Stichting Historisch Onderzoek Zeeland. Depuydt, S., 2022. Zierikzee Haringvlietplein. Gemeente Schouwen-Duiveland. Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven.
Artefact Rapport 578, Zaamslag. Dierendonck, R.M. van, 2016. Nieuwe wijn uit oude zak(k)en, Evaluatie van de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland (POAZ) 2009-2015. SCEZ, Middelburg.
boringen Haringvlietplein te Zierikzee, Aeres Milieu Nr. 16143, Roermond. Henderikx, P. A., 1997. Het ontstaan en de vroegste ontwikkeling van Zierikzee (tot ca. 1300). In: Kroniek van het land van de zeemeermin - 1997, Zierikzee: Vereniging Stad en Lande van Schouwen-Duiveland, 5-26. Henderikx, P., 2021a. Het begin van Zierikzee: van agrarische nederzetting tot haven- en handelsstad. In: Dekker & Uil, 14-27. Henderikx, P., 2021b. Kerkelijke instellingen en religieuze ontwikkelingen. In: Dekker & Uil, 60-68. Koeman, C. en J.C. Visser, 1992. De stadsplattegronden van Jacob van Deventer. Stichting tot bevordering van de uitgave van de plattegronden van Jacob van Deventer. Robas BV, Landsmeer. Kuipers, S.F., 1960. Een bijdrage tot de kennis van de bodem van Schouwen-Duiveland en Tholen naar de toestand vóór 1953. Bodemkartering van Nederland Deel 19, Wageningen. Kuipers, S.F., 1986. Van Molenwater via Schuithaven naar Houwer. Een stukje stadsplanologie van Zierikzee in vroeger eeuwen. In: Kroniek van het Land van de Zeemeermin (Schouwen-Duiveland) 1986, elfde jaargang, 35-58.
61
ARTEFAC T RAPPORT 958
ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT
Kuipers, S.F., 1988. Zierikzee op terpen gebouwd? Een speurtocht naar de oudste historie van de stad, in: Kroniek van het Land van de Zeemeermin (Schouwen-Duiveland) 1988, dertiende jaargang, 15-42. Kuipers, J.J.B. en R.J. Swiers, 2005. Het verhaal van Zeeland, Hilversum. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1, 19 februari 2018, Stichting Infrastructuur en Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Kwast, M. en E.D. Postma, 2023. Verkennend bodemonderzoek Boerenweg (ong.) Percelen N 163, 164 Zierikzee. MCG Zuidwest B.V., Heinkenszand. Mulder, E.F.J. de, T. Kuijt en M.G.F.M. van der Aa, 2003. De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Past2Present, 2008. Beleidsplan Archeologie; gemeente Schouwen-Duiveland. Woerden. Pleijter, G., 1994. Bodemkaart van Nederland, schaal 1: 50.000, Kaartblad 42. DLO-Staring Centrum, Wageningen. Provinciaal Blad van Zeeland, nr. 8080, 2019. Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 10 december 2019, kenmerk 19434306, houdende vaststelling regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. Provincie Zeeland, 2017: Wie wat bewaart, die heeft wat. Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 20172020. Middelburg. Ras, J., 2009.
Archeologisch bureauonderzoek Natuurontwikkelingsproject Zuidkust Schouwen, Deelgebieden 8, 9 en 12 en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Deelgebieden 8 en 9, Gemeente SchouwenDuiveland. SOB Research rapport 1609-0905, Heinenoord. Rummelen, F.F.F.E. van, 1967. Geologische Kaart van Nederland 1: 50.000, Blad Schouwen Duiveland. Rijks Geologische Dienst (RGD) Haarlem. Rummelen, F.F.F.E. van, 1970. Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland, Schouwen Duiveland, 1:50.000. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Rummelen, F.F.F.E. van, 1978. Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland, Beveland, 1:50.000. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Trimpe Burger, J.A., 1995. Brabers bij Haamstede (Provincie Zeeland). Een archeologisch noodonderzoek in 1956/1957 op het eiland Schouwen als gevolg van de Stormvloed in 1953. Middelburg. Tys, D., Deckers, P. en B. Wouters, 2016. Circular, D-Shaped and Other Fortifications in 9th- and 10th-Century Flanders and Zeeland as Markers of the Territorialisation of Power(s), in: Fortified Settlements in Early Medieval Europe. N. Christie ; H. Herold. Vol. Fortified Settlements in Early Medieval Europe. Oxford: Oxbow, 173-189. Uil, H., 1986. Gezichten in de straten van Zierikzee met een historische beschrijving. Zierikzeese straatnamen. Repr0Holland B.V., Alphen aan den Rijn. Vos, P.C. en R.M. van Heeringen, 1997.
Holocene geology and occupation history of the province of Zeeland (SW Netherlands), in: M.M. Fischer, Holocene evolutions of Zeeland (SW Netherlands), Mededelingen Nederlands Instituut voor Toegapaste Geowetenschappen TNO, 59, 5-109. Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans, 2018. Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Prometheus, Amsterdam. 62