CConstaterende datSchouwen-Duiveland
Koppel je AI →
Document · PDF

1215269 Bijlage 2 Onderbouwing fysieke leefomgeving noodopvang

Commissie Ruimte en Economie 25 november 2024, gemeente Schouwen-DuivelandBij agendapunt: RVS Definitief Ontwerp Noodopvang Zierikzee (1215269)32.519 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000gebieden. Er is geen vergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Conclusie Het aspect gebiedsbescherming staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4.3 MOBILITEIT EN BEREIKBAARHEID Nieuwe ontwikkelingen mogen niet leiden tot verkeersproblemen op de omliggende wegen. Er moeten ook voldoende parkeerplaatsen voor auto's en voor fietsen gerealiseerd worden. Wat voldoende is, is afhankelijk van de locatie, het type functie en gemeentelijk beleid. Mobiliteit is geen doel op zich, maar een belangrijke randvoorwaarde voor onder meer de woningbouwopgave en de regionale economie. Gemeenten kennen een breed takenpakket op het gebied van mobiliteit. Het gaat niet alleen om het beheer en onderhoud van lokale wegen, maar ook over de mobiliteitstransitie, verkeersveiligheid en toegankelijkheid. Om mobiliteit toekomstbestendig te maken moeten al deze aspecten in onderlinge samenhang beschouwd worden. Gemeenten hebben daarnaast een eigen verantwoordelijkheid om locaties binnen de gemeente goed bereikbaar te houden. 4.3.1 Parkeren De gemeente Schouwen-Duiveland heeft geen vastgestelde parkeernormen. In het parkeerbeleid is bepaald dat de CROW-publicatie wordt toegepast. In de CROW-publicatie is geen specifieke categorie opgenomen voor huisvesting van asielzoekers.

Tijdelijke huisvesting in combinatie met de doelgroep wijkt af van reguliere woningtypen. Het bepalen van een passende parkeernorm is daarom maatwerk. Voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van tijdelijke noodopvang voor maximaal 250 personen. Het is op basis van ervaringscijfers bekend dat het autobezit onder asielzoekers zeer beperkt is. Op de locatie aan de Grevelingenstraat wordt een opvanglocatie gerealiseerd die huisvesting biedt aan asielzoekers, maar waar ook ruimte aanwezig is voor onder andere begeleiders en hulpverleners. Het COA hanteert op basis van ervaringscijfers een parkeerbehoefte van 1 parkeerplaats per 10 bewoners (voor bewoners en ondersteuners samen). Dit betekent dat er voor de maximaal 250 asielzoekers een parkeerbehoefte geldt van 25 parkeerplaatsen. Dit is zowel voor de bewoners als het ondersteunend personeel. In de situatietekening is rekening gehouden met 30 parkeerplaatsen op eigen terrein. Hiermee wordt ruimschoots voorzien in de parkeerbehoefte.

25

Conclusie Het aspect parkeren staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4.3.2 Verkeersgeneratie, ontsluiting en verkeersveiligheid Ook de verkeersgeneratie is bepaald op basis van ervaringscijfers. Voor de verkeersgeneratie wordt uitgegaan dat de verwachte 25 voertuigen dagelijks twee ritten maken. Dit komt dus neer op vier bewegingen per auto. Voor ondersteunend personeel gaan we uit van aankomst en vertrek voor de werkdag en gedurende de werkdag nog één rit die onderdeel van de werkzaamheden uitmaakt. Voor de asielzoekers met een auto gaan we uit van één rit voor het halen en brengen van kinderen van en naar school. Daarnaast nog één rit voor het doen van bijvoorbeeld boodschappen of andere activiteiten. Dit leidt tot een verkeersgeneratie van 100 motorvoertuigen per etmaal. Meer bewegingen worden niet verwacht. Asielzoekers mogen onder bepaalde voorwaarden werken. Dit komt weinig voor en voor ‘woon-werkverkeer’ wordt vrijwel nooit een auto gebruikt. Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten op de Grevelingenstraat. De Grevelingenstraat is een erftoegangsweg met fietsers op de rijbaan. Dit type weg kan dagelijks veilig 3.000 à 4.000 motorvoertuigen afwikkelen. Omdat het om een doodlopende weg gaat is de bestaande intensiteit zeer beperkt. Een toename van 100 motorvoertuigen per etmaal is daarom goed en veilig te verwerken.

In het ontwerp wordt rekening gehouden met aansluiting van het plangebied op bestaande voetpaden. Het plangebied is voor hulpdiensten bereikbaar via de Grevelingenstraat en in noodgevallen ook via de nieuw aangelegde calamiteitenweg richting de N59. Verkeersveiligheid Voor langzaam verkeer richting de noodopvang wordt een separate in- en uitgang aan de oostzijde van de Grevelingenstraat gerealiseerd. Hiermee worden rechtstreekse conflicten voorkomen met manoeuvrerend (vracht)verkeer nabij het laad- en losdock van de aangrenzende bedrijven. De ingang voor gemotoriseerd verkeer is gelegen ter hoogte van de geplande parkeerplaatsen op het terrein. Zo is er sprake van een duidelijke verkeersstructuur en hoeft gemotoriseerd verkeer niet onnodig veel door het plangebied te rijden. Ter plaatse van de Grevelingenstraat tot het kruispunt bij het parkeerterrein van de Aldi wordt een parkeerverbod ingesteld. Dit voorkomt dat er vrachtwagens en andere voertuigen op de rijbaan gestald worden. Fietsers van en naar de noodopvang kunnen zo zonder obstakels op de rijbaan fietsen. Op deze manier worden er geen onnodige conflicten veroorzaakt. Het voorkomt daarnaast ook zichtknelpunten. Het parkeerverbod is ook als wens naar voren gekomen uit het participatietraject (bijlage 6). Tot slot wordt de voetgangersverbinding vanaf de noodopvang tot aan het parkeerterrein met de Aldi verbeterd.

Op twee plaatsen, waar het oversteken van de weg noodzakelijk is, worden maatregelen genomen om de attentiewaarde te verbeteren. De maatregelen zijn opgenomen in een verkeerskundig ontwerp (afbeelding 16).

26

Afbeelding 16 | Ontwerp verkeersmaatregelen noodopvang (bron: Juust) Conclusie Het aspect verkeersgeneratie en ontsluiting staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4.3.3

Vervoersmodaliteit

Het plangebied is goed bereikbaar met de auto en met de bus. Aan de Grevelingenstraat (ter hoogte van de Haringvlietstraat) en aan de Laan van Sint Hilaire zijn, op loopafstand van het plangebied, bushaltes aanwezig zodat bewoners zich met het openbaar vervoer kunnen verplaatsen. Voor bezoekers en personeel uit Zierikzee is het plangebied ook goed te bereiken met de fiets. Daarnaastzijn er trottoirs aanwezig in de nabijheid van het plangebied, zodat het plangebied ook te voet goed bereikbaar is. De aanvullende maatregelen zorgen er ook voor dat verplaatsingen te voet veiliger en comfortabel kunnen plaatsvinden. Het plangebied is, in de context van SchouwenDuiveland, multimodaal bereikbaar. Conclusie Het aspect vervoersmodaliteit staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg.

27

4.4 DUURZAAMHEID Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van en het voorzien in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Duurzaam omgaan met de ruimte betekent onder meer rekening houden met de huidige gebruiksfuncties en de mogelijkheid voor toekomstige generaties om functies aan een gebied te geven. Bij duurzame gebiedsontwikkeling gaat het om duurzaam gebruik van materialen, energie, natuur en mobiliteit. Omdat duurzaamheid veel facetten heeft, is een integrale benadering noodzakelijk. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een tijdelijke huisvestingslocatie voor maximaal 5 jaar. Ook voor tijdelijke locaties is het van belang te streven naar een duurzame en toekomstbestendige ontwikkeling. De wooneenheden voldoen aan de nieuwbouweisen uit het Bbl. De woningen worden voorzien van zonnepanelen, een warmteterugwininstallatie (WTW) en warmtepompen. Om de warmtevraag tot het minimum te beperken worden de woningen goed geïsoleerd. Verder wordt duurzaam omgegaan met de buitenruimte. Het gebied wordt zoveel als mogelijk klimaatadaptief ingericht. Door de inrichting met veel groen en natuur kan hittestress ook mede voorkomen worden. Het aspect ‘duurzaamheid’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

4.5 GEZONDE LEEFOMGEVING Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de kaders van Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. Het aspect gezondheid is veelomvattend en zeer divers. Aan de meeste milieuaspecten (o.a. luchtkwaliteit, geluid en geur) zijn in meer of mindere mate immers gezondheidsaspecten verbonden. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. 4.5.1 Bewegen Het betreft een kwetsbare doelgroep. Daarom wordt bij de verdere uitwerking van het plan aandacht besteed aan ontspanning en ontmoeting. Zo kan er gedacht worden aan ruimte voor dagbesteding, ontmoetingsplekken en diverse sportfaciliteiten. Het plangebied wordt ontsloten op de Grevelingenstraat. De Grevelingenstraat bestaat naast een rijbaan ook uit een trottoir die doorloopt tot en met de Aldi. Hierdoor is het ook mogelijk om te voet boodschappen te doen of een ommetje te maken buiten het terrein. In het ontwerp is ook rekening gehouden met stallingsplaatsen voor fietsen, zodat bewoners ook met de fiets op pad kunnen gaan.

Conclusie Het aspect bewegen staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4.5.2 Groen Groen draagt bij aan een positieve gezondheid en het welbevinden van mensen. Bij de verdere uitwerking van het plan wordt aandacht besteed aan een groene inrichting van het plangebied, bijvoorbeeld door een begroeide aarden wal. Door toepassing van veel groen wordt stress verminderd, waardoor er een rustgevende plek ontstaat die het mentale welzijn verbetert. Conclusie De ontwikkeling vindt plaats in een ruim opgezette setting waarbij in hoge mate groenbeleving aanwezig is. Het aspect ‘groen’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4.5.3

Milieuzonering

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ervoor zorgen dat voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten voorkomen wordt. Sommige activiteiten die vanuit een planologisch perspectief mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.

28

Milieugevoelige objecten (zoals woningen) moeten beschermd worden tegen milieubelastende functies. Aan de zuidzijde van het plangebied is een bedrijventerrein gelegen waar bedrijven zijn toegestaan tot ten hoogste milieucategorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Gelet op de mix van functies in de omgeving, waaronder bedrijfsfuncties, gemengde functies, woonfuncties en agrarische gronden, kan gesproken worden van een gemengd gebied. Hierdoor kan de richtafstand met één afstandstap verkleind worden naar 10 meter. De Grevelingenstraat, gelegen tussen het plangebied en het bedrijventerrein, heeft inclusief de berm een breedte van 12 meter. Hierdoor wordt voldaan aan de richtafstand. De naastgelegen percelen zijn agrarisch in gebruik. Voor agrarische activiteiten geldt een spuitzone van 50 meter. In het ontwerp is hier rekening mee gehouden; zowel de facilitaire gebouwen als woongebouwen zijn op 50 meter afstand gesitueerd van de omliggende agrarische gronden, uitgezonderd het eigen perceel N161. De buitenruimtes, waaronder de multicourt en (speel)tuinen, zijn op grotere afstand dan 50 meter vanaf de omliggende agrarische gronden gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de spuitzone van 50 meter. Conclusie Het aspect milieuzonering staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4.5.4

Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Omgevingswet bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een aandachtsgebied van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. Een akoestisch onderzoek is nodig wanneer de verkeersintensiteit van omliggende wegen met een geluidaandachtsgebied meer dan 1.000 mvt/etmaal bedraagt. Het plangebied is gelegen in het geluidaandachtsgebied van de N59 en de Grevelingenstraat. Naar verwachting heeft enkel de N59 een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 mvt/etmaal. Vanwege de tijdelijkheid (maximaal 5 jaar) is een akoestisch onderzoek niet nodig.

Echter, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, is op 7 oktober 2024 door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd, mede om te beoordelen of er ook in de tijdelijke situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat (bijlage 5). Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat: - de standaardwaarde van 50 dB wordt overschreden, maar nergens de grenswaarde van 60 dB. - een geluidwal van 3 meter hoog effectief is voor met name de woonunits op de eerste bouwlaag - de benodigde geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van de woonunits binnen de gebouwen dient tenminste GA,k = 25/23 dB (58/56-33) te bedragen in een verblijfsgebied. Voor een verblijfsruimte geldt nog een 2 dB lagere eis. Met een dergelijke geluidwering wordt het akoestisch woon- en leefklimaat in de woonunits dus in voldoende mate gewaarborgd. De benodigde geluidwering wordt behaald met respectievelijk een geluidwering van de gevel van 48 dB voor de woongebouwen en 34 dB voor de faciliteitengebouwen. Conclusie Het aspect geluid staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg.

29

4.5.5

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De doelstelling van omgevingsveiligheid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Omgevingsveiligheid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving. De instructieregels van paragraaf 5.1.2 zijn erop gericht gebouwen en locaties te beschermen waar personen gedurende een periode verblijven. Hieronder wordt ingegaan op risicobronnen in de nabijheid van het plangebied. Achtereenvolgens wordt ingegaan op risicovolle inrichtingen en transportroute gevaarlijke stoffen.

Voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van kwetsbare gebouwen (o.a. woonfuncties) en zeer kwetsbare gebouwen (o.a. onderwijsfunctie en speelzaal). Risicovolle inrichtingen In de nabijheid van het plangebied zijn, volgens de risicokaart, geen risicovolle inrichtingen gelegen (afbeelding 17). Op de locatie Boerenweg 4 is een tankstation aanwezig. Voor een tankstation geldteen explosieaandachtsgebied van 160 meter. De afstand tussen het plangebied en het tankstation op de Boerenweg 4 is ruim 300 meter. Transportroute gevaarlijke stoffen Aan de noordzijde van het plangebied vindt over de N59 vervoer plaats van gevaarlijke stoffen. De N59 heeft volgens de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) geen PR 10-6 contour. Het plaatsgebonden risico vormt derhalve geen probleem voor voorliggend plan. Het groepsrisico wordt bepaald door aandachtsgebieden (Bkl, bijlage VII onder c). De locatie ligt binnen het explosieaandachtsgebied (200 meter vanaf de Basisnetweg) van de N59 en binnen het gifwolkaandachtsgebied (1.500 meter vanaf de Basisnetweg).

Afbeelding 17 | Uitsnede professionele risicokaart (bron: Atlas voor de Leefomgeving) Verantwoording groepsrisico N59 Vanwege de ligging in het invloedsgebied van de N59 dient het groepsrisico te worden verantwoord. In deze verantwoording wordt ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid.

30

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten, in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te voeren en om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de regionale brandweer de richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie

Uit bovengenoemde handreiking volgt dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor ook in geval van werkzaamheden of calamiteiten het plangebied goed bereikbaar is. Het plangebied wordt ontsloten door de Grevelingenstraat. De nieuw aangelegde calamiteitenweg aan de oostzijde van het plangebied dient als tweede aanvalsweg. Gelet op bovenstaande zijn de bestrijdbaarheid en bereikbaarheid voor hulpdiensten goed te noemen. De locatie is zowel vanuit het noorden als vanuit het zuiden uitstekend bereikbaar voor hulpdiensten, via de N59 en de Grevelingenstraat. Zelfredzaamheid Groepen ouderen en kinderen worden gezien als minder zelfredzaam. De ontwikkeling voorziet in de realisatie van huisvesting voor asielzoekers. Dit betreft mensen in alle leeftijdscategorieën. Het maatgevende scenario betreft hier het toxisch scenario, schuilen in het gebouw betreft hier de beste manier van zelfredding. Omdat het hier om een kwetsbare functie (woningen) gaat, wordt uitgegaan van een worst-case scenario. Het worst-case scenario betreft hier 'het falen van een tankwagen gevuld met Propylamine'.

Aangezien de woningen binnen de 1 procent letaliteitszone (200 meter) liggen van het worst case toxisch scenario, kunnen met eenvoudige bouwkundige aanpassingen voldoende mogelijkheden voor zelfredding worden gecreëerd; onder andere door het ventilatiesysteem handmatig uitschakelbaar te maken. Instructie aan de bewoners, met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident, is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. In het noodplan dat wordt opgesteld wordt rekening gehouden met het scenario van een gifwolk, maar ook met een warme BLEVE welke eveneens als maatgevend scenario kan worden gezien. Voor het toxisch scenario is zoals aangegeven van belang dat iedereen binnen schuilt, alle ramen en deuren worden gesloten, natuurlijke ventilatie wordt afgesloten en mechanische ventilatie wordt uitgeschakeld. Door een en ander goed te beschrijven in het noodplan kan de zelfredzaamheid verbeteren. Door deze maatregelen kan de omvang van mogelijke incidenten worden gereduceerd tot een omvang die beter beheersbaar wordt geacht voor hulpverleningsdiensten. Conclusie Het aspect ‘omgevingsveiligheid’ staat het verlenen van de omgevingsvergunning niet in de weg. 4.5.6

Luchtkwaliteit

Bij het toelaten van activiteiten moeten, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, de gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Als sprake is van een zeer beperkte bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10 is geen beoordeling nodig of aan de omgevingswaarde wordt voldaan. Er is sprake van een 'niet in betekenende mate bijdrage’ wanneer de toename van de concentratie NO2 en PM10 in de buitenlucht niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2. Daarnaast is een aantal categorieën aangewezen die in elk geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Bij activiteiten en werken die binnen deze categorieën vallen hoeft verder niet door middel van berekeningen of op een andere manier aangetoond te worden dat de toename van de concentraties niet de van toepassing zijnde grens voor NIBM overschrijdt. In artikel 5.54 Bkl zijn de standaardgevallen genoemd die niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10. Hierin is onder andere aangegeven, dat gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met ten hoogste 1.500 woningen en één ontsluitingsweg aan te merken zijn als een categorie die ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentratie van stikstofdioxide.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 32 wooneenheden. Dit plan valt onder de hiervoor

31

genoemde categorie. De instructieregels voor de bescherming van de kwaliteit van de buitenlucht zijn derhalve niet van toepassing. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de onderstaande afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het monitoringsjaar 2025 weergegeven.

Afbeelding 18 | Uitsnede kaart CIML (bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIML)) Hieruit blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 13,44 µg/m3 , 13,91 µg/m3 en 6,87 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3 ) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De luchtkwaliteitssituatie vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van de gewenste ontwikkeling. Conclusie Het aspect ‘Luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

32

4.5.7

Milieueffectrapportage

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Bij de ontwikkeling van woningen moet beoordeeld worden of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen als bedoeld in kolom 1 onder J11 uit bijlage V Omgevingsbesluit geldt een mer-beoordelingsplicht waarbij een zogenaamde ‘mededeling’ van het voornemen voor de planontwikkeling moet worden gedaan (voorheen de aanmeldnotitie). Er moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Deze motivering wordt gezien als de ‘mededeling’. Of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten is mede afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling en de relatie met andere plannen, projecten of activiteiten en de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. In onderhavig plan worden in totaal maximaal 32 wooneenheden mogelijk gemaakt.

Er zijn op basis van de criteria uit de Europese richtlijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten, omdat de milieueffecten zeer beperkt en lokaal zijn (zie paragraaf 4.1 t/m 4.6). Conclusie Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

33

5. Conclusie 5.1 EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verkrijgen, moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) aanvaardbaar wordt geacht, volgens artikel 8.0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Daarnaast moet ook voldaan worden aan de instructieregels en instructies van zowel de provincie als het Rijk (artikel 8.0b Bkl). In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het geldende beleid en zijn de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd. Hieronder is aangegeven of aan een aspect voldaan wordt, niet wordt voldaan of onder voorwaarden kan worden voldaan. Kan aan aspect worden voldaan Kan onder voorwaarden worden voldaan Kan niet aan aspect worden voldaan

V ~ X

Beleid Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

V V V X

Ondergrond en cultuurhistorie Archeologie Bodemkwaliteit Niet Gesprongen Explosieven Cultuurhistorische waarden

V V V X

Natuur en water Weging van het waterbelang Soortenbescherming Gebiedsbescherming

V V V

Mobiliteit en bereikbaarheid Parkeren Verkeersgeneratie en ontsluiting Vervoersmodaliteit

V V V

Duurzaamheid

V

Gezonde leefomgeving Bewegen Groen Milieuzonering Geluid Omgevingsveiligheid Luchtkwaliteit Milieueffectrapportage

V V V V V V V

34

5.2 BELANGENAFWEGING Uit bovenstaande tabel blijkt dat niet geheel voldaan kan worden aan het gemeentelijk beleid, namelijk de ‘Structuurvisie Zierikzee 2030’. Een deel van de ontwikkeling is namelijk gelegen binnen de ‘groene centrumschil’. Binnen dit gebied wordt gewaakt voor een verdere verdichting met bebouwing en verharding. Ook wordt niet voldaan aan de maximale bouwhoogte (0 meter) volgend uit het beleid met betrekking tot de zichtlijnen. De realisatie van noodopvang voor asielzoekers draagt bij aan een grote maatschappelijke en humanitaire opgave, namelijk de noodopvang van asielzoekers. Dit belang weegt zwaarder dan het beleid met betrekking tot de ‘groene schil’ en de zichtlijnen. Bovendien betreft de realisatie van noodopvang voor asielzoekers een tijdelijke ontwikkeling voor de duur van maximaal 5 jaar. Na deze periode zal het perceel vrij van bebouwing opgeleverd worden. In de te verlenen omgevingsvergunning wordt hiervoor een voorschrift opgenomen. De tijdelijkheid wordt onderstreept omdat de gemeente werkt aan een gebiedsvisie Zierikzee Noordwest. Op deze locatie wordt in de gebiedsvisie geen woonfunctie voorzien, maar er wordt gedacht aan natuur- en/of landschapsontwikkeling.

Deze visie is nog niet vastgesteld en er dient nog een participatietraject te worden doorlopen, echter het toestaan van bebouwing op de voorliggende locatie is, gelet op landschappelijke en cultuurhistorische waarden op lange termijn, ongewenst. Het belang van de ruimtelijke inpassing wordt in dit geval, gelet op de tijdelijkheid van de ontwikkeling en de voorkeurslocatie vanuit het participatietraject (zie paragraaf 6.2.1), als ondergeschikt beoordeeld. Aan de overige aspecten wordt voldaan.

5.3 PLANOLOGISCH BASISBESLUIT Met deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden onder meer de volgende activiteiten mogelijk gemaakt: Aanleg van een noodopvanglocatie voor asielzoekers; Bouw van maximaal 32 modulaire woonunits verdeeld over v losstaande gebouwen; Bouw van twee facilitaire gebouwen; Aanleg van onder andere een parkeerterrein, wasruimte, multicourt voor sportactiviteiten, afvalbakken en groen; Aanleg van een grondwal .

35

6. Uitvoerbaarheid 6.1 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het verlenen van een omgevingsvergunning met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is gericht op uitvoering van een project. Om te waarborgen dat het project ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd moet aangetoond worden dat het ook financieel uitvoerbaar is. Zo wordt voorkomen dat vergunningen worden verleend die uiteindelijk niet uitgevoerd kunnen worden. Er is sprake van een ontwikkeling welke volledig op initiatief en voor eigen rekening van de initiatiefnemer plaatsvindt. De iniatiefnemer huurt de gronden van de grondeigenaar. De te verhalen kosten voor de gemeente betreffen eventuele nadeelcompensatie en proceskosten. Ten aanzien van deze aspecten is het mogelijk een privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten tussen de gemeente en de initiatiefnemer zodat er geen publiekrechtelijk kostenverhaal in het kader van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is. Deze overeenkomst zal voor het verlenen van de omgevingsvergunning worden gesloten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. 6.2 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6.2.1 Participatie Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Een initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een omgevingsvergunning aangeven of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn.

Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. De gemeenteraad kan echter gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is. Voor deze ontwikkeling is verzwaard adviesrecht en verplichte participatie van toepassing, aangezien voorgenomen ontwikkeling valt binnen de categorie ‘Realiseren van woningbouwprojecten van meer dan 11 woningen’. De realisatie van de opvanglocatie is in samenspraak met omwonenden en andere betrokken uitgevoerd. Hiervoor is een participatietraject opgestart. De participatie is vrijwel geheel uitgevoerd volgens het vooraf opgestelde communicatieplan. Belanghebbenden hebben de gelegenheid gehad om kennis te nemen van het plan en hierop te reageren tijdens het participatieproces. Waar mogelijk wordt rekening gehouden met wensen uit de omgeving, binnen de kaders van onder andere wet- en regelgeving. De abonnees worden via de nieuwsbrief op de hoogte gehouden van de voortgang. Van het participatietraject is een participatieverslag geschreven (bijlage 6). 6.2.2 Omgevingstafel PM Uitkomsten intake en/of omgevingstafel (13 november)

36

Bijlagen

Bijlage 1: Archeologisch onderzoek

ARTEFACT! RAPPORT 958

Zierikzee Grevelingenstraat

Gemeente Schouwen-Duiveland Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

M. van den Berg

Colofon Titel

Zierikzee Grevelingenstraat. Gemeente Schouwen-Duiveland. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

Auteur(s)

M. van den Berg MA

Artefact rapport

AR958

Status rapport

Definitief

Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.

Datum

3 oktober 2024

Projectcode

2024ART162

Projectleider veldwerk Veldmedewerker

Drs. D. Kneuvels (KNA Prospector MA)

ISSN

2213 7424

Autorisatie

Naam

Drs.

Paraaf

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl

© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V., 2024 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Inhoud Samenvatting .......................................................................................................................................... 4 Administratieve Gegevens.......................................................................................................................... 5

1

Inleiding ..................................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek........................................................................................................7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen................................................................................. 8 1.3 Beleidskader .............................................................................................................................10 1.4 Plangebied en planvorming ......................................................................................................... 13

2

Archeologisch bureauonderzoek .............................................................................................. 14 2.1 Methoden ................................................................................................................................14 2.2 Landschap en geologie ............................................................................................................... 15 2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling.........................................................................................15

2.2.2

Aardkundige waarden .................................................................................................... 18

2.3 Historie.................................................................................................................................... 27 2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling................................................................................27

2.3.2

Verstoringsgeschiedenis..................................................................................................35

2.4 Archeologische waarden.............................................................................................................36 2.5 Bouw- en cultuurhistorische waarden........................................................................................... 44 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ...............................................................................................45

3

Inventariserend veldonderzoek ................................................................................................ 48 3.1 Methoden ............................................................................................................................... 48 3.2 Geologie en bodem................................................................................................................... 49 3.3 Archeologie ..............................................................................................................................52

4

Conclusie en Advies.................................................................................................................. 54 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen.................................................................................54 4.2 Advies .....................................................................................................................................56

Lijst met figuren ..................................................................................................................................... 59 Bronnen ................................................................................................................................................ 61

Bijlage 1

AMZ-cyclus

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen

Bijlage 3

Tijdstabel

Bijlage 4

Planvorming

Bijlage 5

Boorstaten

3

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Samenvatting De initiatiefnemer heeft het voornemen om in een plangebied ten noorden van de Grevelingenstraat te Zierikzee (gemeente Schouwen-Duiveland) een tijdelijke noodopvang te realiseren. In het kader van de hiertoe benodigde Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA)-omgevingsvergunning heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan het volgende gesteld worden: Nagenoeg overal is het Laagpakket van Wormer intact aanwezig; plaatselijk in het westen van het plangebied ligt dit relatief hoog. Hier geldt een middelhoge verwachting voor het Neolithicum. Daar waar de top relatief laag ligt, geldt een lage verwachting voor deze periode; In delen van het plangebied is het Hollandveen Laagpakket intact, of nagenoeg intact aanwezig. Hier geldt een hoge verwachting voor de Late IJzertijd en Romeinse tijd.

In andere delen heeft veenwinning en erosie plaatsgevonden en geldt een lage verwachting voor deze perioden; Daar waar het veen intact is, zijn hierboven doorgaans poelafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig. Plaatselijk worden deze poelafzettingen alsook de veenwinningskuilen afgedekt door jongere plaatafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze zandige plaatafzettingen lijken op enig moment deels te zijn ontgraven, waarna de gaten zijn opgevuld met kleiige grond met hierin archeologische indicatoren. Er zijn geen aanwijzingen gezien voor vindplaatsen. Voor de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd wordt de verwachting laag geacht. Op basis hiervan gelden plaatselijk en vanaf verschillende diepten (zie figuur 24 in hoofdstuk 4.1) (middel)hoge verwachtingen voor ten eerste het Neolithicum en ten tweede de Late IJzertijd en Romeinse tijd. Daar waar bodemingrepen zijn voorzien die dieper zullen reiken dan deze diepten, worden mogelijk aanwezige archeologische waarden bedreigd. Aangezien er nog geen details omtrent de planvorming beschikbaar zijn, valt nog niet te zeggen of mogelijke archeologische waarden worden bedreigd. In eerste instantie wordt geadviseerd om de planvorming dusdanig te ontwikkelen of aan te passen dat er geen archeologische waarden worden bedreigd.

Dit betekent dat de voorziene ingrepen minder diep dienen te reiken dan de diepten die worden aangegeven op de advieskaart (figuur 25) in hoofdstuk 4.2. Daar waar deze diepten zullen worden overschreden, wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Proefsleuvenonderzoek wordt aanbevolen als meest voor de hand liggende stap. Ook daar waar geen vervolgonderzoek is aanbevolen, geldt, indien tijdens de werkzaamheden toch relevante archeologische vindplaatsen aan het licht komen, een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016).

4

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Administratieve Gegevens Projectnaam

Zierikzee Grevelingenstraat

Onderzoeksvorm

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

LOCATIE Provincie

Zeeland

Gemeente

Schouwen-Duiveland

Plaats

Zierikzee

Adres / Locatie

Grevelingenstraat

Hoekpuntcoördinaten RD Centrumcoördinaat RD

NW 52.437 / 408.809 ZW 52.397 / 408.590 52.506 / 408.669

Kaartblad

64H

Kadastraal perceel Oppervlakte plangebied (=onderzoeksgebied)

Gemeente Zierikzee, Sectie N, Perceel 161 38.157 m²

Vigerende bestemmingsplan

Buitengebied (2009); waarde archeologisch onderzoeksgebied A en B

NO 52.623 / 408.700 ZO 52.595 / 408.554

BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats

Geen

AMK status

Geen

Archis vondstlocatie

Geen

Zeeuws Archeologisch Depot

Zie hoofdstuk 2.4

OPDRACHTGEVER Naam

Juust

Contactpersoon

Dhr. G. Verweij

Adres

Goessestraatweg 17a, 4421 AD Kapelle

Telefoon

06 82731420

Email

gerard@juust.nl

5

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Schouwen-Duiveland

Contactpersoon

Dhr. J. Dirksen

Adres

Postbus 5555, 4300 JA Zierikzee

Telefoon

0111 452000

Email ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Schouwen-Duiveland

Contactpersoon

Dhr. G.P.A. Besuijen

Adres

Postbus 5555, 4300 JA Zierikzee

Telefoon

0111 452000

Email BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam

Zeeuws Archeologisch Depot

Contactpersoon

dhr. J.J. H. van den Berg

Adres Telefoon

Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618

Email

jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl

E-depot

EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V.

Contactpersoon

dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Telefoon

0115 851614

Email

janwattenberghe@artefact-info.nl

Certificaat

ARC-010/2 - BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004

ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding

BOPA omgevingsvergunning

Begin/einddatum veldwerk

20 september 2024

Projectnummer Artefact

2024ART162

Archis onderzoeksmelding

5644042100

Vindplaats(en)

-

6

ARTEFAC T RAPPORT 958

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van het onderzoek

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

In opdracht van Juust heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied ten noorden van de Grevelingenstraat te Zierikzee (gemeente Schouwen-Duiveland; figuren 1 en 2). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen van de initiatiefnemer om hier een tijdelijke noodopvang te realiseren. Hiertoe wordt een aantal woonunits en facilitaire gebouwen opgericht, evenals een aantal infrastructurele elementen en mogelijk een aarden wal. Het plangebied omvat een perceel dat kadastraal bekendstaat onder Gemeente Zierikzee, Sectie N, Perceel 161 en beslaat een oppervlakte van 38.157 m2.

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

activiteiten uit te voeren zonder omgevingsvergunning. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor een Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA) dient een rapport te worden voorgelegd waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport is volgens artikel 22.22 niet noodzakelijk indien de oppervlakte niet groter is dan 100 m² of indien hiervoor afwijkende regels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en deze niet worden overschreden.

7

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Het plangebied is binnen bestemmingsplan Buitengebied (2009) gesitueerd in een gebied waar archeologische waarden planologisch worden beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologisch onderzoeksgebied A, de noordelijke rand van het kadastraal perceel valt binnen waarde archeologisch onderzoeksgebied B. Binnen deze gebieden geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die respectievelijk groter zijn dan 2.500 of 5.000 m2 en dieper reiken dan 0,50 m -mv (meter beneden maaiveld). Met de nieuwe ontwikkeling zullen de vrijstellingsgrenzen worden overschreden. Daarom is in het kader van de BOPA omgevingsvergunning voorliggend archeologisch onderzoek uitgevoerd.

Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

1.2

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Conform de AMZ-cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten:

1 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4.

8

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek. Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVOproefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen.

De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen. Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 2 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming.

Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20193 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Daarbij dienen volgende vragen te worden beantwoord: Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? 2 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4-5. 3 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

9

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?

1.3

Beleidskader

De zorg voor het (archeologisch) erfgoed werd in Nederland gereguleerd in de Monumentenwet 1988. In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta door de lidstaten ondertekend. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De drie belangrijkste bepalingen daarbij zijn het behoud in situ, een goede en vroegtijdige inpassing in het ruimtelijke ordeningsproces en het verstoorder betaalt principe . Dit verdrag werd binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg uit 2007. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 werd de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten werden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden, dienden daartoe een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening, c.q. bestemmingsplannen. De specifieke implicaties van het gemeentebeleid ten aanzien van het onderhavige plangebied worden besproken in hoofdstuk 2.4. Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) werden de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning.

De bevoegdheid voor archeologische rijksmonumenten bleef echter onveranderd bij het Ministerie van OC&W, i.c. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht die samen met de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Een gedeelte van de Monumentenwet is opgegaan in de Erfgoedwet, waar onder meer de certificering in de archeologie wordt geregeld. Alle regelingen rond (de omgang met cultureel erfgoed in) de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Omgevingswet. Daarbinnen dient dus ook rekening te worden gehouden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed dat als onderdeel van de leefomgeving uit 5 elementen kan bestaan: monumenten (gebouwd erfgoed, tuinen, parken), stadsen dorpsgezichten, cultuurlandschappen, immaterieel erfgoed indien dat verbonden is aan specifieke locaties en dus ook (bekende of verwachte) archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Binnen de Omgevingswet bestaan drie wetsinstrumenten: De omgevingsvisie is een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. Deze wordt opgesteld door het Rijk, de provincie en de gemeente.

Een omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit en kan een brede, drijvende kracht zijn om opgaven uit andere sectoren met elkaar te verbinden. De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Dit kunnen regels zijn over activiteiten. Bijvoorbeeld regels over activiteiten in natuurgebieden. In uitzonderlijke gevallen kan de provincie ook regels stellen over de toedeling van functies aan locaties. De provincie moet de kernkwaliteiten van een aantal werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige Lijst van werelderfgoed uitwerken in hun omgevingsverordening. Ook stelt de provincie daartoe in de omgevingsverordening regels aan omgevingsplannen. Het omgevingsplan bevat alle algemene regels die de gemeente over de fysieke leefomgeving binnen haar grondgebied stelt. Er moet daarbij rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en er moet een toereikend beschermingsregime worden opgenomen. Tot slot kan de gemeente (lokale) regels stellen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven.

10

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk activiteiten te regelen met algemene regels. In sommige gevallen kan een initiatiefnemer volstaan met het doen van een melding voordat de activiteit mag worden uitgevoerd. Daarnaast is een beperkt aantal activiteiten vergunningplichtig. In die gevallen moet de initiatiefnemer een omgevingsvergunning aanvragen. Een aanvraag kan enkelvoudig of meervoudig zijn: met 1 aangevraagde activiteit of meerdere aangevraagde activiteiten. De omgevingsplanactiviteit (OPA) kent 2 vormen: 1.

Binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA): dit is een activiteit waarvoor de gemeente in het omgevingsplan bepaalt dat het uitvoeren zonder omgevingsvergunning verboden is. De gemeente regelt in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een omgevingsvergunning nodig is. In het omgevingsplan worden ook de beoordelingsregels over het verlenen van de omgevingsvergunning opgenomen. Op basis van deze beoordelingsregels van de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit voert de initiatiefnemer de benodigde gedetailleerde onderzoeken uit.

2. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA): dit is een activiteit die in strijd is met de regels van het omgevingsplan. Het bevoegd gezag beoordeelt of de buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderdeel hiervan is het toetsen van de BOPA aan het geldende beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is een goede motivering van het besluit in afwijking van het beleid nodig. De Omgevingsregeling stelt specifieke aanvraagvereisten voor de BOPA. Onder andere dat de aanvrager de gegevens verstrekt die nodig zijn om de gevolgen van die activiteit te beoordelen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het bevoegd gezag beslist over een vergunningaanvraag. Soms is het bevoegd gezag daarbij verplicht om advies of instemming te vragen. Bij meerdere samenhangende aanvragen bepaalt de coördinatieregeling welk bestuursorgaan de aanvraag coördineert. Soms vindt een activiteit plaats op het grondgebied van meer dan 1 gemeente, provincie of waterschap. Het bevoegd gezag is dan de gemeente, het waterschap of de provincie waar de activiteit in hoofdzaak zal worden verricht. Meestal is de gemeente het bevoegd gezag voor de algemene rijksregels in het omgevingsplan.

Een en ander is afhankelijk van het orgaan dat ze gemaakt heeft. De provincie is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de omgevingsverordening. Het waterschap is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de waterschapsverordening. Archeologische rijksmonumenten en bevoegd gezag Archeologische rijksmonumenten worden aangewezen op grond van de Erfgoedwet. Voor de status van rijksmonument is het dus niet nodig om het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie De daadwerkelijke bescherming van het rijksmonument komt tot stand met de in artikel 5.1 lid 1 onder b van de Omgevingswet opgenomen vergunningplicht en de algemene regels in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Gemeenten kunnen aan de locatie van een rijksmonument wel de functie algemene regels. Daartoe kan de locatie van het rijksmonument ook worden verbeeld in het omgevingsplan. Dergelijke aanvullende regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het gewenste of toegelaten gebruik van de locatie. De regels voor rijksmonumenten(activiteiten) zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Voor een rijksmonumentenactiviteit is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag bij zogeheten meervoudige aanvragen. Dus bijvoorbeeld in combinatie met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit.

De minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft dan wel recht van advies en instemming. In de praktijk is dit de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Indien een aanvraag alleen betrekking heeft op een archeologische rijksmonumentenactiviteit (= enkelvoudige aanvraag) dan bepaalt de Omgevingswet en artikel 4.13 van het Omgevingsbesluit dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) bevoegd gezag is. Dat geldt niet indien het rijksmonument in de territoriale zee buiten een gemeente ligt. In dat geval is de minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag. Voor een rijksmonumentenactiviteit die wordt verricht op dezelfde 11

ARTEFAC T RAPPORT 958

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

locatie als een activiteit waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze N vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 20174 archeologie Provincie Zeeland 2 . In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt.

Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: Basale harde gegevens en diachrone datasets Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen Uitwerking oud archeologisch onderzoek Verdronken land en dorpen Onderzoek naar infrastructuur Verdedigingswerken in Zeeland Boerderijen en rurale nederzettingen Voedseleconomie van stad en platteland Religieuze en rituele verschijningsvormen Scheeps- en onderwaterarcheologie Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.5 kunnen zijn bij het nemen van selectiebesluiten en het bepalen van de randvoorwaarden voor archeologisch (vervolg)onderzoek.

4 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. 5 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

12

ARTEFAC T RAPPORT 958

1.4

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Plangebied en planvorming

Het plangebied (= onderzoeksgebied; figuren 2 en 3) ligt ruim 600 m ten noordwesten van de oude binnenstad van Zierikzee en is in gebruik als akker. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 38.157 m2. Het plangebied omvat een perceel dat kadastraal bekendstaat onder Gemeente Zierikzee, Sectie N, Perceel 161. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de weg N59 (Nieuwe Koolweg; met bermsloot) en aan de zuidzijde door de Grevelingenstraat (met bermsloot). Aan de west- en oostzijde wordt het plangebied begrensd door andere akkerpercelen.

Figuur 3 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de luchtfoto (2023). Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl.

De initiatiefnemer is voornemens om binnen het plangebied een tijdelijke noodopvang te realiseren, met een aantal woonunits en facilitaire gebouwen alsook een aantal infrastructurele elementen en mogelijk een aarden wal aan de oost- en noordoostzijde, met een landschappelijke en geluidwerende functie. Er is nog geen uitgewerkte situatietekening beschikbaar, wel een schetsuitwerking. Deze is opgenomen in bijlage 4.

13

ARTEFAC T RAPPORT 958

2

Archeologisch bureauonderzoek

2.1

Methoden

ZIERIKZEE GREVELINGENSTRAAT

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 6 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap

Specificatie

Hoofdstuk

Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik

LS01

1.4

Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid

LS01

1.3

Beschrijven huidig gebruik

LS02

1.4

Beschrijven historische situatie

LS03

2.3.1

Beschrijven mogelijke verstoringen

LS03

2.3.2

Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14800058/2