1025580 Bijlage 9 Ruimtelijke onderbouwing Scharendijke
Tekst van het document
In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. 5.6.2 Onderzoek Het project gaat om de realisatie van maximaal 60 woningen. Het behoort hierdoor tot een standaardgeval dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verhoging van de concentratie van stikstofdioxide en fijnstof. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In afbeelding 5.3 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de omliggende wegen weergegeven, voor de rekenpunten die het dichtst bij het plangebied liggen. De meetpunten liggen op ongeveer 600 meter van de projectlocatie. Deze concentraties zijn afkomstig uit de CIMLK-, en bepaald voor het peiljaar 2023. Uit de CIMLK-monitoringstool blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 12,7 µg/m3, 18,0 µg/m3 en 6,5 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) worden niet overschreden.
Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. In de tabel 5.3 zijn de 15 meetpunten met de hoogste waarden weergegeven. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor ook geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Afbeelding 5.3. Uitsnede Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit, Monitoringsronde 2022, berekeningsjaar 2023. Het projectgebied is indicatief gemarkeerd in rood.
ID Jaar CP.5923 2023 CP.2933 2023 CP.6277 2023 CP.3173 2023 CP.6256 2023 CP.4801 2023 CP.5815 2023 CP.6087 2023 CP.5460 2023 CP.5777 2023 CP.4099 2023 CP.2357 2023 CP.3800 2023 CP.4647 2023 CP.3324 2023
NO2 µg/m3
PM10 µg/m3 12,7 12,4 12,3 12,1 12,0 12,0 11,9 11,8 11,8 11,8 11,7 11,7 11,6 11,6 11,6
PM25 µg/m3 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0 14,0
6,5 6,5 6,5 6,5 6,5 6,5 6,5 6,5 6,5 6,5 6,5 6,5 6,5 6,5 6,5
PM10 Overschrijdingsdagen 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6 6
Tabel 5.3. Tabel Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit, Monitoringsronde 2022, berekeningsjaar 2023
5.6.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.7
Geluid door activiteiten
5.7.1 Kader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervallen de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. De gemeente dient ervoor te zorgen dat in het omgevingsplan in ieder geval de regels staan die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: - de ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar(bijvoorbeeld afstand tussen een woning en een bedrijf) - het stellen van regels aan activiteiten op een locatie (bijvoorbeeld via waarden voor geluidimmissie of preventieve maatregelen) De regels aan activiteiten op een locatie in het omgevingsplan voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van de instructieregels van paragraaf 5.1.4.2 Bkl bevat het gemeentelijk omgevingsplan regels die geluidgevoelige gebouwen beschermen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. Bij elke aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen (artikel 5.59, lid 1 Bkl). Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten samen.
In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu.
Door het opnemen van de standaardwaarden uit artikel 5.65 Bkl in het omgevingsplan voldoet de gemeente in principe aan de eis van aanvaardbaarheid van artikel 5.59, lid 2 Bkl. De standaardwaarden uit dit artikel zijn gebaseerd op de algemene geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Niet op alle locaties leiden de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. De gemeente kan dan gemotiveerd kiezen voor andere waarden. Daarnaast kan de gemeente kiezen voor afwijkende standaardwaarden voor bedrijventerreinen (5 dB hoger) en voor agrarische gebieden (5 dB lager). Eis hierbij blijft aanvaardbaar geluid op geluidgevoelige gebouwen. De gemeente kan het gewenste evenwicht ook bereiken door bijvoorbeeld het opleggen van preventieve maatregelen. Dit in aanvulling op de waarde of in de plaats van de waarde. Milieuzonering nieuwe stijl Het ''groene'' boekje Bedrijven- en milieuzonering van de VNG is jarenlang gebruikt als (semi-juridische) leidraad in bestemmingsplannen om daarmee milieucategorieën toe te kennen aan bedrijven. De toekenning van deze (algemene) categorieën geeft echter niet altijd een goed beeld van de daadwerkelijke milieubelasting van een bedrijf. Het ene milieucategorie 3.1-bedrijf kan namelijk veel meer hinder veroorzaken dan een ander milieucategorie 3.1-bedrijf, terwijl ze beiden in dezelfde milieucategorie voorkomen.
Al in 2017 heeft het bestuur van de VNG mede daarom aangegeven dat de huidige publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' niet meer wordt onderhouden of geactualiseerd. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Het maatschappelijk doel hierbij is 'ruimte voor ontwikkeling en waarborgen voor kwaliteit'. Gelet op dit doel is het logisch dat in de Omgevingswet het ruimtelijk spoor en het milieuspoor worden geïntegreerd. Onder de Omgevingswet wordt het gebruikelijk en noodzakelijk om concrete milieunormen op te nemen in het omgevingsplan. 5.7.2 Onderzoek Het initiatief ziet toe op de ontwikkeling van zowel een milieugevoelige functie (wonen) als een milieubelastende functie (parkeren). De locatie van het initiatief en de directe omgeving behoren tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende milieubelastende functies aanwezig. Fase 1 - Kampeerterrein Ten noordwesten van het plangebied is de bestemming ‘Recreatie – Kampeerterrein’ aanwezig. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd bij kampeerterreinen een richtafstand gehanteerd van 50 meter voor het aspect geluid. Aan deze richtafstand wordt voor fase 1 ruimschoots voldaan. De afstand bedraagt circa 87 meter.
Fase 2 - Kampeerterrein Voor fase 2, waar deze ruimtelijke onderbouwing níet over gaat, bedraagt de afstand van enkele woningen tot het kampeerterrein circa 35 meter. Voor deze woningen dient gemotiveerd te worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het kampeerterrein bestaat uit kleine vakantiewoningen en stacaravans. Deze gebouwen staan op enige afstand van de bestemmingsgrens. Alleen de tuinen aan de achterzijden van de vakantiewoningen grenzen aan het perceel waar de ontwikkeling wordt gerealiseerd. Hierdoor is de feitelijke afstand tussen de verblijfsfuncties op het kampeerterrein en de geprojecteerde woningen groter en bedraagt deze minimaal 49 meter. Bovendien is rondom het recreatieterrein een ruimtelijke afscherming naar de omgeving gecreëerd door middel van een circa 10 meter brede groenstrook met dichte beplanting.
Tussen de ontwikkeling en het kampeerterrein lopen verder geen wegen. Het kampeerterrein is ontsloten via een entree aan het noorden, waardoor per saldo slechts verkeer van enkele recreatiewoningen op ruime afstand van de te realiseren woningen zal rondrijden. Bovendien is hier sprake van een doodlopende weg. De verwachte geluidsemissie is daardoor naar alle waarschijnlijkheid zeer beperkt en vergelijkbaar met een gemiddelde woonwijk. Zodoende kan worden aangenomen dat er zowel in fase 1 als fase 2 van de ontwikkeling sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de ontwikkeling het kampeerterrein niet in zijn bedrijfsvoering zal belemmeren. Ook ten zuiden van het plangebied is een kampeerterrein gelegen. De afstand tot dit kampeerterrein is ruim meer dan 50 meter. Fase 1 - Sportvelden Ten noorden van het plangebied is de bestemming Sport aanwezig. Hier zijn voetbalvelden met verlichting aanwezig. Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet werd hiervoor een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid en licht gehanteerd. Wanneer er vanaf de grens van de bestemming Sport wordt gemeten tot aan de grens van het besluitvlak bij deze ontwikkeling, wordt er niet voldaan aan de richtafstand. In de praktijk zullen de woningen op meer dan 70 meter van de voetbalvelden worden gerealiseerd. De afstand tot de schaatsbaan is echter kleiner.
Hier wordt ook voor de te realiseren woningen niet voldaan aan de richtafstand. Echter betreft het een openlucht-ijsbaan die alleen bij periodes van langere vorst gebruikt kan worden. Dit zal slechts incidenteel voorkomen. Deze schaatsbaan zal dan ook niet leiden tot belemmeringen voor de woningen of vice versa. Autoparkeerterreinen Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd voor autoparkeerterreinen een richtafstand van 30 meter gehanteerd voor het aspect geluid. Voorliggende ontwikkeling voorziet in de realisatie van een aantal parkeerplaatsen die binnen een afstand van 30 meter tot de plangrens worden gerealiseerd. Uit het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (zie paragraaf 5.5) blijkt eveneens dat voorliggende ontwikkeling tot weinig verkeerslawaai leidt. Daarnaast gaat het bij voorliggende parkeerplaats vooral om parkeren ten behoeve van de te realiseren woningen en niet om een openbaar parkeerterrein, waardoor relatief weinig verkeersbewegingen plaats zullen vinden en piekgeluiden van autogebruik, zoals het sluiten van autodeuren, naar verwachting relatief weinig zullen voorkomen. Het gebruik van parkeerplaatsen past logischerwijze bij het gebruik van de te realiseren woningen en bij een rustig woongebied, waardoor kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Spuitzones Het plangebied grenst aan de west en zuidzijde vrijwel direct aan agrarische landbouwgronden. Door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan, afhankelijk van de weersomstandigheden, drift (het verwaaien van spuitvloeistof tot buiten het perceel) optreden. Bij de realisatie van milieugevoelige functies moet daarom rekening worden gehouden met voldoende afstand tussen de agrarische activiteiten en de omliggende (beperkt) gevoelige functies. Hiervoor geldt geen wettelijk aan te houden afstand. Op basis van jurisprudentie wordt in het algemeen een indicatieve veiligheidsafstand van 50 meter aangehouden vanaf de grens van het agrarische perceel tot de omliggende woonbestemmingen. Deze afstand kan worden verkleind door enerzijds driftreducerende spuitdoppen te gebruiken en
anderzijds afschermende maatregelen te treffen, zoals de aanplant van een (dubbele) windhaag of een houtwal. In het huidige bestemmingsplan is bepaald dat fruitteelt ter plaatse van gronden die zijn gelegen binnen een afstand van 50 meter van woningen van derden, of terreinen bestemd voor verblijfsrecreatie (minicampings daaronder inbegrepen) niet is toegestaan. Bovendien is volgens de Basisregistratie Gewaspercelen (BRP) het perceel de afgelopen jaren uitsluitend in gebruik geweest als grasland. Aan de oostzijde van het aangrenzend agrarisch perceel zijn reeds woningen (lintbebouwing aan de Elkerzeeseweg) gelegen. Daarnaast worden de nieuwe woningen gerealiseerd op ongeveer 40 meter van de agrarische perceelsgrens. Aan de westzijde van het projectgebied zal in een later stadium fase 2 van de ontwikkeling vorm krijgen, waardoor aan die zijde voor fase 1 geen hinder van spuitzonering hoeft te worden verwacht. Vanuit de nog op te stellen gebiedsvisie Scharendijke wordt op termijn de agrarische grond omgezet in grond ten behoeve van verblijfsrecreatie. Tot het moment dat dit plaatsvindt worden afspraken gemaakt met de betreffende agrariër. De tuinen van de woningen, die zijn gelegen tussen de agrarische gronden en de woonbebouwing, een groene erfafscheiding of houtwal. Deze groene erfafscheiding wordt uitgevoerd in een bladhoudende haag van drie meter breed en twee meter hoog.
Deze groene afscheiding wordt juridisch geborgd in de vergunning. Met bovenstaande wordt eventuele hinder van spuitzones beperkt. Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat spuitzones geen belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.7.3 Conclusie Het aspect geluid door activiteiten heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.8
Omgevingsveiligheid
5.8.1 Kader Op grond van artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in het gemeentelijk omgevingsplan rekening worden gehouden met het belang van het voorkomen, beperken, bestrijden, vluchten en geneeskundige hulpverlening van of in geval van branden, rampen en crises. In de instructieregel is voor zover deze branden, rampen en crises samenhangen met de opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines een gedetailleerde uitwerking gegeven. Voor de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid, die met deze activiteiten binnen het projectgebied kunnen samenhangen, wordt in de instructieregel een systeem van het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden gehanteerd. Bij nieuwe ontwikkelingen moet een plaatsgebonden risico van 10 -6 in acht worden genomen. Dit houdt in dat met de regels in het omgevingsplan moet worden geborgd dat het risico op het overlijden van een onbeschermd persoon wordt beperkt tot één geval in één miljoen jaar. Daarnaast moet rekening worden
gehouden met het overlijden van een groep van tien personen of meer door een ongewenste gebeurtenis binnen een aandachtsgebied. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Voor de bepaling van de aandachtsgebieden is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en reguliere rampenbestrijding bieden. De gemeente beoordeelt of, en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om mensen in aandachtsgebieden voldoende te beschermen. Het beleidsdoel van het 'aandachtsgebied' is dat voorafgaand aan de besluitvorming wordt nagedacht over de risico's en de mogelijke effecten van een incident bij de (vergunde) activiteit met gevaarlijke stoffen.
Onderdeel daarvan is het overwegen van maatregelen die nodig zijn om de veiligheid voldoende te waarborgen en de fysieke leefomgeving en omgevingskwaliteit (milieu en gezondheid) voldoende te beschermen. De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in: • Brandaandachtsgebieden (BAG): Een BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt. • Explosieaandachtsgebied (EAG): Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: 1. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en 2. een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is. • Gifwolkaandachtsgebied (GAG): Een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant.
• Voorschriftengebieden: Aandachtsgebieden kunnen leiden tot voorschriftengebieden indien er sprake is van nieuwbouw, voor bestaande gebouwen gelden voorschriftengebieden niet. Indien men zeer kwetsbare gebouwen wil toestaan in een aandachtsgebied wordt dat aandachtsgebied of het gedeelte met nieuwbouw automatisch een voorschriftengebied. Aanvullende bouweisen gelden voor de nieuwbouw zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Bij het toestaan van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen kan de gemeente afzien van een voorschriftengebied, mits goed gemotiveerd. Het bepalen van voorschriftengebieden, de motivatie voor de te nemen maatregelen en dergelijke is een verantwoordelijkheid van de gemeente. 5.8.2 Onderzoek Toetsing Risicovolle inrichtingen:
Volgens de Risicokaart (Bron: risicokaart.nl,) bevinden zich in de nabije omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen die van invloed zijn op de planontwikkeling. De invloedsgebieden van de dichtstbijzijnde Bevi-inrichtingen reiken niet over het plangebied. Andersom zorgt de ontwikkeling van het plangebied niet tot een beperking van deze Bevi-inrichtingen. Toetsing Vervoer van gevaarlijke stoffen: Binnen de gemeente Schouwen-Duiveland zijn de autowegen N57 en N59 en de vaarroute Krammersluizen / Zijpe aangewezen als transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in het Basisnet. De N57 bevindt zich op circa 800 meter ten westen van het plangebied. Aangezien over deze route volgens Basisnet geen toxische stoffen worden vervoerd ligt het plangebied buiten de invloedsgebieden van deze route. De N59 ligt op een zodanig grote afstand, dat de invloedsgebieden niet over het plangebied reiken. De vaarroute Krammersluizen / Zijpe ligt op een zodanige afstand dat de invloedsgebieden niet over het plangebied reiken. Het thema buisleidingen is niet van toepassing op het plangebied. 5.8.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.9
Natuur & ecologie
5.9.1 Kader Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Omgevingswet op het thema faunabeheer. De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn hiervoor regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in hoofdstuk 3 instructieregels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om de Natura 2000 gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor gemeentelijke ruimtelijke
procedures. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan haar beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels doorleggen aan gemeenten.
5.9.2 Onderzoek Soortenbescherming Door ABO-Milieuconsult is een ecologische quickscan uitgevoerd. De volledige rapportage is te raadplegen in bijlage 3. Hieronder worden de resultaten kort toegelicht. Het onderzoek is uitgevoerd voor het intreden van de Omgevingswet. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels die te maken hadden met natuurbescherming ongewijzigd overgenomen in de Omgevingswet. Het beschermingsniveau blijft dus hetzelfde en de bevoegdheidsverdeling blijft ook in grote lijnen hetzelfde. De overgang is dus beleidsneutraal geweest. Dit komt doordat een groot deel van de regels in de huidige Wet natuurbescherming direct voortvloeien uit Europese en internationale verplichtingen, zoals de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn. De Omgevingswet moet ook aan die Europese en internationale verplichtingen voldoen. De resultaten uit de uitgevoerde onderzoeken zoals hieronder beschreven bieden dan ook voldoende zekerheid dat de ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor beschermde flora en fauna, ook al zijn deze uitgevoerd onder voorgaande wetgeving. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Een lijnelement is niet aanwezig. Als foerageergebied voor vleermuizen heeft het plangebied geen essentiële functie. Het plangebied bestaat uit (regelmatig gemaaid) engels raaigras. Dit heeft geen hoge ecologische kwaliteit.
Beschermde vaatplanten komen in dit biotoop niet voor. Tijdens het veldbezoek zijn eveneens geen beschermde soorten zoogdieren, of sporen hiervan, aangetroffen. Deze worden gezien het biotoop ook niet verwacht in de toekomst. Beschermde amfibieën en reptielen kunnen op basis van verspreidingsgegevens niet worden uitgesloten. Het biotoop is echter niet geschikt, waardoor ze niet in het plangebied aanwezig zijn. Vanwege afwezigheid van beschermde soorten zijn nader onderzoek naar het voorkomen van en maatregelen met betrekking tot beschermde soorten niet noodzakelijk. Met beschermde overige diersoorten hoeft op grond van biotoop geen rekening gehouden te worden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het is uit te sluiten dat vogels in het plangebied broeden. Vogels kunnen wel broeden binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden. De Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. De nestbescherming geldt voor alle in gebruik zijnde nesten gedurende het broedseizoen en voor een beperkt aantal soorten jaarrond. Ieder nest dat in gebruik is, is beschermd. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, globaal wordt uitgegaan van half maart tot half juli.
In het broedseizoen kan alleen gewerkt worden indien door een ecoloog is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Wel is het mogelijk aan te vangen voor het broedseizoen en door te werken in het broedseizoen. Door de continue verstoring zullen vogels niet gaan nestelen.
Conclusie soortenbescherming Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Nadelige effecten op beschermde flora en fauna kunnen daarom worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Gebiedsbescherming De ontwikkellocatie is niet gelegen op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Stikstof De emissie van stikstof in de aanleg- en de gebruiksfase kan een stikstofdepositie veroorzaken ter plaatse van de stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. De bouwwerkzaamheden veroorzaken emissie van stikstof door de mobiele installaties op de bouwplaats en door de aan- en afvoer van bouwmateriaal en bouwvakkers. In de gebruiksfase wordt de emissie van stikstof veroorzaakt door de verkeersbewegingen op het terrein, het gebruik van mobiele installaties met verbrandingsmotoren (zoals graafmachines of heftrucks) en eventuele verbrandingsinstallaties. Door NOX Advies is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage inclusief AERIUSberekeningen zijn te raadplegen in bijlage 6.
Voor de ruimtelijke procedure dient onderzocht te worden of significante effecten op Natura 2000-gebieden kunnen optreden. Het projectgebied ligt op een afstand van ruim 400 meter van Natura 2000-gebied ‘Grevelingen’. Om te bepalen of er vanuit het aspect stikstofdepositie significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van het project kunnen optreden, is een Aerius-berekening uitgevoerd voor de bouw- en gebruiksfase. Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit project vrijkomt in zowel de bouw- als gebruiksfase leidt tot een depositietoename van 0,00 mol N/ha/jaar ten opzichte van de referentiesituatie. Er wordt in de gebruiksfase een afname aan depositie van -0,01 mol N/ha/jaar berekend ten opzichte van de referentiesituatie. Ook wanneer de fases gecombineerd worden, wordt een resultaat van 0,00 mol N/ha/jaar verkregen. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000gebieden uit te sluiten en vormt het project geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de (ruimtelijke) procedure. 5.9.3 Conclusie Uit bovenstaande onderzoeken blijkt dat voorliggende ontwikkeling niet leidt tot een hogere stikstofdepositie in stikstofgevoelige natuurgebieden.
Daarnaast worden nadelige effecten op flora en fauna uitgesloten. Voorliggende ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.10
Landschap, archeologie en cultuurhistorie
5.10.1 Kader Landschap Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. Rijksbeleid Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Erfgoedwet deels opgegaan in de Omgevingswet. Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is ook een van de belangen van de Omgevingswet (art 1.2 Ow). In de Omgevingswet staan de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd. Hierin staan bijvoorbeeld onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die tot 1 januari 2024 in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. De bevoegdheden en beschermingsniveaus zijn in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.
Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen.
5.10.2 Onderzoek Archeologie Op het plangebied ligt grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologisch onderzoeksgebied B’ (lichtgroen in afbeelding 5.4). Indien de genoemde werkzaamheden groter zijn dan 5.000 m² en grondlagen dieper dan 50 centimeter worden verstoord, is archeologisch onderzoek nodig. In het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied is ‘Waarde – Archeologisch onderzoeksgebied A’ van toepassing. Ook hier is in de regels van het bestemmingsplan een verbodsbepaling opgenomen voor bepaalde werkzaamheden. Er geldt een uitzondering indien de werkzaamheden een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2.500 m² en de grondlagen dieper dan 50 cm niet worden verstoord. De ontsluitingswegen- en paden vanaf het bestaand stedelijk gebied zijn gelegen binnen bestemmingsplan “Kerkwerve, Noordwelle, Ellemeet, Serooskerke en Scharendijke”. Op deze gronden is de dubbelbestemming Waarde – Archeologie – 7 van toepassing. Hier gelden dezelfde vrijstellingsgrenzen als voor onderzoeksgebied B.
Naar verwachting overschrijden de voorgenomen ingrepen de grenswaarden en is archeologisch onderzoek benodigd.
Afbeelding 5.4 Dubbelbestemming archeologie bestemmingsplan ‘Buitengebied’ (www.ruimtelijkeplannen.nl)
Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Door ADC Archeoprojecten is een archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Dit onderzoek is opgenomen bij deze ruimtelijke onderbouwing als bijlage 5. Hieronder zijn de belangrijkste bevindingen samengevat. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit blijkt dat in het plangebied op meerdere niveaus archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. Op een diepte vanaf ca. 250 cm -mv bevindt zich naar verwachting de top van het Laagpakket van Wormer. Dit bestaat uit kleiige kwelderafzettingen en zandige geulafzettingen. In het onderzoeksgebied zijn tijdens de sedimentatie van het Laagpakket van Wormer meerdere geulsystemen actief geweest. Op de kreekruggen en de oevers van actieve kreekgeulen kunnen archeologische waarden aanwezig zijn uit het Neolithicum en uit de Bronstijd. Een mogelijk archeologische vindplaats zal zich manifesteren als een archeologische laag, een humeuze, ontkalkte laag met daarin fragmenten vuursteen, aardewerk en houtskool. Er zijn echter tot op heden in het onderzoeksgebied geen bewoningssporen uit het Neolithicum en de Bronstijd op dit niveau aangetroffen.
Nadat door het ontstaan van een gesloten kustlijn de sedimentatie van zand en klei ten einde kwam, vond er op uitgebreide schaal veenvorming plaats in het gebied. Dit veen is in de IJzertijd en de Romeinse tijd ontgonnen en geschikt gemaakt voor landbouw en bewoning. Hierdoor kan de top van het veen veraard zijn geraakt. Bij een mogelijke archeologische vindplaats op dit niveau zijn in de veraarde toplaag fragmenten aardewerk en houtskool aanwezig. Indien intact aanwezig wordt deze op een diepte vanaf ca. 100 cm -mv verwacht. Uit verschillende archeologische en aardkundige bronnen kan echter worden opgemaakt dat het veen in het plangebied waarschijnlijk is geërodeerd. Dit is gebeurt vanaf de Vroege Middeleeuwen als er diverse overstromingen vanuit de zee plaatsvinden. De afzettingen die in deze periode afgezet zijn worden tot het Laagpakket van Walcheren gerekend. Op hoger gelegen kreekruggronden en oeverwalgronden kunnen archeologische resten uit de Vroege en de Late Middeleeuwen voorkomen. De aanwezigheid van een vliedberg ten zuiden van het plangebied toont aan
dat het gebied bewoond was in deze periode. De kwelders rondom Zierikzee zijn in ca. 1.200 n. Chr. ingedijkt. Aanwijzingen voor bewoningsresten uit de Nieuwe tijd zijn er niet, het historisch kaartmateriaal vanaf de 18e eeuw laat zien dat het plangebied in gebruik is als landbouwgrond. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De diepere ondergrond bestaat uit voornamelijk kleiige wad- en kwelderafzettingen en die kunnen worden ingedeeld bij het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Er zijn met uitzondering van één boring geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van geulafzettingen. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het Laagpakket van Wormer niet in elke boring is aangeboord. Er is geen potentieel bewoonbaar niveau (in de vorm van een vegetatieniveau of rijping) aangetroffen in de afzettingen van het Laagpakket van Wormer. Het bovenliggende veenpakket heeft geen veraarde top en heeft een geringe dikte. Het pakket is waarschijnlijk geërodeerd door de bovenliggende afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Resten uit de IJzertijd en de Romeinse tijd worden daarom niet verwacht. De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren bestaan met name onderin uit zandige geulafzettingen en bovenin uit kleiige dekafzettingen.
In deze afzettingen gold name voor het zuidoosten van het plangebied een verwachting voor resten uit de Vroege en de Late Middeleeuwen vanwege de aanwezigheid van een getij-inversierug. In het zuidoosten is een ophoging aanwezig en het boorprofiel is hier in de top ook wat zandiger. Deze zandopduiking is waarschijnlijk gerelateerd aan de getij-inversierug. De aanwezigheid van zand- en kleibrokken en enkele puinfragmenten duidt echter op verstoringen. De puinfragmenten zijn niet dateerbaar. Mogelijk is deze verstoring gerelateerd aan een vindplaats uit de Vroege of Late Middeleeuwen. Archeologische indicatoren zijn niet aangetroffen. Advies ADC ArcheoProjecten adviseert om in het zuiden van het plangebied, ter plaatse van de zandopduiking (omvang ca. 9200 m2), een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een karterend booronderzoek. Het doel van dit onderzoek is het systematisch onderzoeken van het plangebied op het voorkomen van een huisplaats uit de Vroege of de Late Middeleeuwen. De werkzaamheden dienen voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). ADC ArcheoProjecten adviseert om het resterende deel van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling Het plangebied is voldoende onderzocht mits de toekomstige verstoring (exclusief heipalen) niet dieper gaat dan 3 m -mv.
Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Schouwen-Duiveland. Cultuurhistorie Het plangebied is op de Kaart Cultuurhistorie Zeeland aangegeven als Zeekleigebied Oudland (zie afbeelding 5.5). Het oude zeekleilandschap heeft zich met name gevormd na de Romeinse Tijd, toen grote
zee-inbraken het aanwezige veenpakket erodeerden of bedekten met een dikke laag zeezand en klei. Waar het veen standhield, is het later voor een groot deel vergraven voor de turf- en zoutwinning. Het oudland omvat de zee-afzettingen uit de Vroege Middeleeuwen (500-1000), bestaand uit zandige kreekruggen en laaggelegen, kalkloze poelgronden. Het plangebied is op de Kaart Cultuurhistorie Zeeland ook aangeduid als ‘Polder voor 1300’ (zie afbeelding 5.6). Voor beide kaarten zijn verder geen eisen of instructies uitgewerkt in de Kaart Cultuurhistorie Zeeland of in de provinciale omgevingsverordening. Er worden dan ook geen belemmeringen verwacht door het aspect cultuurhistorie.
Afbeelding 5.5: Uitsnede Kaart ‘Landschapstypen: Zeekleigebied oudland (bron: Kaart Cultuurhistorie Zeeland)
Afbeelding 5.6: Uitsnede Kaart ‘Historische polders: ‘Polders voor 1300’ (bron: Kaart Cultuurhistorie Zeeland)
5.10.3 Conclusie Gezien bovenstaande onderzoeken heeft voorliggende ontwikkeling geen negatieve invloed op het aspect archeologie en cultuurhistorie. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.11
Bodem
5.11.1 Kader Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten in het gemeentelijk omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het projectgebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan 5.11.2 Onderzoek Op een klein deel van de locatie heeft in het verleden bodemonderzoek en een sanering plaatsgevonden vanwege het aantreffen van asbest in de toplaag. De toplaag is lokaal gesaneerd en er is schone grond aangebracht. De rest van het plangebied is niet onderzocht. De toplaag bestaat uit zand, met daaronder klei. Deze is volgens de bodemkaart zettingsgevoelig. De locatie bevindt zicht niet in een gebied waarin niet gesprongen explosieven voorkomen. De kleibodem is zetting gevoelig. Toepassen van bodemenergie in de vorm van WKO is mogelijk. In de periode september en oktober 2023 is door ABO-Milieuconsult B.V. een vooronderzoek en een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5725 en NEN 5740 uitgevoerd. De gehele rapportage van dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 4.
Hieronder worden de resultaten en conclusies kort toegelicht. In grondmengmonsters M01, M02 en M03 van de bovengrond en M04 en M05 van de ondergrond zijn de gehalten van alle onderzochte parameters lagen dan de achtergrondwaarde. In het grondwater uit peilbuis 003-1-1 wordt de streefwaarde overschreden door de parameter Naftaleen (licht verontreinigd). De concentraties in het grondwater van de overige geanalyseerde parameters zijn alle lager dan de streefwaarden. In het grondwater uit peilbuis 001-1-1, 002-1-1 en 004-1-1 zijn de concentraties van alle onderzochte parameters lager dan de streefwaarden. In grondmengmonster M102 wordt de achtergrondwaarde voor molybdeen overschreden (licht verontreinigd). In het grondmengmonsters M101, M103, M104 en M105 zijn de gehalten van alle onderzochte parameters lager dan de achtergrondwaarden. Asbest wordt analytisch niet aangetoond (< 0,7 mg/kg ds. gewogen gehalte asbest). Het licht verhoogde gehalte aan molybdeen in de bovengrond en de licht verhoogde concentraties aan naftaleen in het grondwater zijn dermate gering dat de resultaten hiervan geen aanleiding geven tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Asbest wordt analytisch niet aangetoond. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen).
Aanbevolen wordt om bij graafwerkzaamheden vrijkomende grond zo veel mogelijk op de locatie te verwerken. 5.11.3 Conclusie De resultaten uit bovenstaande onderzoeken zijn gebaseerd op voorgaande wetgeving. Voor het toelaten van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving
eisen aan de bodemkwaliteit. In de Wet bodembescherming en onderliggende regelgeving waren er normen voor de bodemkwaliteit en de grondwaterkwaliteit en diverse normen voor het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie en het aanwenden van meststoffen en andere stikstofhoudende verbindingen. Deze normen zijn ongewijzigd overgebracht naar de systematiek van de Omgevingswet. Op detailniveau zijn er enkele veranderingen, als gevolg waarvan de gemeente meer vrijheid heeft om strenger of juist minder streng te zijn ten aanzien van bepaalde stoffen. Voor deze BOPA is dit echter niet van toepassing. De resultaten uit het verkennend bodemonderzoek voldoende inzicht in de bodemkwaliteit ter plaatse. Het aspect bodem heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.12
Geurhinder
5.12.1 Kader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het projectgebied zijn toegestaan. Bij nieuwe ontwikkelingen moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelprojectgebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelprojectgebied, optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het gemeentelijk omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het projectgebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente om te beslissen of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het projectgebied aanvaardbaar te laten zijn. 5.12.2 Onderzoek Voor geur van veehouderijen geldt maximaal een richtafstand van 200 meter. Er zijn geen veehouderijen binnen deze straal rondom het projectgebied. Daarmee kan worden gesteld dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geur.
5.12.3 Conclusie Het woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en omliggende bedrijven of voorzieningen worden niet onevenredig beperkt. Het aspect geur heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.13
Trillingen
5.13.1 Kader Op grond van artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij nieuwe ontwikkelingen rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat hieraan wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden. 5.13.2 Onderzoek Voorgenomen ontwikkeling maakt geen trillingveroorzakende activiteiten mogelijk. Binnen en rondom het projectgebied zelf geldt een maximale rijsnelheid van 30 km per uur. Er zullen dan ook geen trillingsniveaus optreden die de standaardwaarden overschrijden. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het thema trillingshinder. 5.13.3 Conclusie Het aspect trillingen heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.14
Licht en Duisternis
5.14.1 Kader Kunstmatige verlichting komt voor bij (autosnel)wegen, (fiets)paden, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, recreatieterreinen, glastuinbouwbedrijven, sportterreinen (maneges, golfbanen, tennisbanen, voetbalvelden, e.d.). Mogelijk negatieve effecten van lichthinder worden bepaald door enerzijds de aard, intensiteit en duur en plaats van de verlichting en anderzijds door de kans op blootstelling, die gerelateerd is aan de omgeving en de leefwijze van mens en dier. 5.14.2 Onderzoek De locatie ligt aan de rand van het dorp en zal indien deze verlicht wordt, goed te zien zijn vanaf de Randweg/Rondweg die onlangs gerealiseerd is en vanaf het landelijk gebied. Daarom is het van belang om bij het toepassen van noodzakelijke verlichting deze zo in te stellen dat deze verlichting niet vanaf de Rondweg en het landelijk gebied te zien zal zijn. Mogelijk kan de verlichting van het sportveld van ZSC’62 (reflectie licht 2e veld) in enige mate hinderlijk zijn voor de nieuwe woonlocatie. Gezien de afstand tot de woningen zal eventuele hinder beperkt zijn. In de bestaande situatie zijn reeds woningen gelegen in de nabijheid van het sportveld. Hier is geen hinder bekend. Eventuele lichthinder vormt geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling.
Conclusie De mogelijke lichthinder vormt echter geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling. Voorliggende ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op het aspect licht en duisternis. Daarmee is er vanuit dit aspect sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.15
Gezondheid
5.15.1 Kader Overheden moeten bij het ontwikkelen van gebieden zo vroeg mogelijk nadenken over het realiseren van een gezonde fysieke leefomgeving. Zij kunnen eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken in verschillende instrumenten van de Omgevingswet. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. 5.15.2 Gezondheid in het projectgebied Het doel van het plan is het creëren van duurzame, gezonde en hittebestendige woningen in een groene omgeving. In het ontwerp van de woning staat het bijdragen aan het fysieke en mentale welzijn van de gebruiker centraal. De woningen dragen op verschillende manieren bij aan gezond en comfortabel wonen. Het ontwerp van het projectgebied draagt bij aan een actieve en gezonde levensstijl. Het gebied nodigt zowel nieuwe bewoners, als de huidige bewoners van Scharendijke uit tot wandelen en ontspannen in de groene kamers.
Gezamenlijk kan gezond voedsel worden geplukt uit de dorpsboomgaard. Vanuit de woningen zijn mensen direct buiten in het groen, wat een positief effect heeft op de mentale gezondheid. Het landschap waarbinnen de woningen worden gerealiseerd, biedt vele aanleidingen voor ontmoeting en bewegen. Bankjes en open plekken worden door ‘ommetjes’ met elkaar verbonden. Hiermee wordt een landschap gecreëerd dat een bijdrage levert aan de sociale samenhang tussen bewoners en dat beweging stimuleert. De groene omgeving draagt ook bij aan de lokale biodiversiteit. Een hogere biodiversiteit draagt bij aan gezondheid, welzijn en kwaliteit van leven. Aansluitend op de handreiking Gezonde leefomgeving in het omgevingsplan van de GGD GHOR Nederland wordt het gehele projectgebied ingericht met levensloopbestendige woningen, waar ouderen (maar ook anderen) veilig en prettig kunnen wonen. Daarnaast heeft de GGD Zeeland bij de Omgevingstafel aangegeven aandacht te willen voor parkeren dichtbij de woningen voor ouderen, goed begaanbare wandelpaden en bankjes om te rusten. Daarnaast wordt gepleit voor een houtstookvrije wijk. In de woningen worden geen open haarden voorzien en met de inrichting van het projectgebied is rekening gehouden met de aanbevelingen van de GGD.
Het projectgebied ligt op loop- of fietsafstand van de belangrijkste voorzieningen in Scharendijke, waardoor bewoners op basis van actieve mobiliteit de belangrijkste voorzieningen kunnen bereiken.
Voor het overige kan op basis van de verschillende milieuaspecten die in dit hoofdstuk zijn besproken, worden gesteld dat het wonen op de beoogde locatie in Scharendijke in goede gezondheid mogelijk is.
5.15.3 Conclusie De stedenbouwkundige inrichting van voorliggende ontwikkeling is zo opgezet dat een gezonde leefomgeving wordt gerealiseerd voor toekomstige bewoners en huidige omwonenden. Vanuit het aspect gezondheid is daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.16
Duurzaamheid
5.16.1 Kader Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie, klimaatadaptatie en circulariteit, maar er zijn wel nationale, regionale en lokale doestellingen waarmee aan de doelbijdrage kan worden getoetst. Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VN-klimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd. Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie.
Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES). De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio. Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Energiezuinig bouwen De energiezuinigheid van woningen en utiliteitsgebouwen wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Het Bouwbesluit stelt bepaalde eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen en
daarmee de EPC-waarde van een gebouw. Voor een woning geldt een eis van 0,4 terwijl voor utiliteitsbouw een variatie aan normen wordt gehanteerd op basis van de functie. De EPC-eisen zijn vanaf 2021 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). In het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen wordt een strategie geschetst om te komen tot bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als transformatie van bestaande gebouwen. Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze nieuwe eis energiebesparing belangrijker is dan energieopwekking. Waar bij de EPC-eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de nieuwe BENG eisen niet meer. Vergunningaanvragen die na 1 januari 2021 worden ingediend moeten voldoen aan deze BENG-norm.
5.16.2 Onderzoek Met de realisatie van de nieuwe woningen wordt in ieder geval toepassing gegeven aan de wettelijke vereisten op het gebied van duurzaamheid, klimaat en energie. Zo worden de woningen onder meer gasloos gebouwd, en wordt voldaan aan de BENG-eisen. De HIVE-woningen zijn duurzaam en zelfs in zeer grote mate circulair. De woningen kunnen ook na 100 jaar nog worden hergebruikt. De woningen zijn eindeloos aanpasbaar en zijn daardoor flexibel inzetbaar. In de basis bestaat een HIVE-woning uit een betoncasco dat verder is uitgewerkt met steenstrips en houten gevelmaterialen en kozijnen, waardoor veel gebruik wordt gemaakt van duurzame materialen. Onderzocht wordt of de woningen naast zonnepanelen ook van een sedumdak met biobased isolatiemateriaal kunnen worden voorzien. Daarmee worden de woningen klimaatbestendig. Ook het projectgebied wordt klimaatbestendig ingericht. Er is meer dan in de huidige situatie ruimte voor oppervlaktewater en waterberging. de omgeving van de woningen. Daarnaast wordt veel verschillende soorten beplanting toegevoegd van bomen, struiken, kruiden gras, hagen tot klimplanten en ontstaat daardoor meer ruimte voor biodiversiteit. 5.16.3 Conclusie Het plan voldoet aan de wettelijke normen en vereisten op het gebied van duurzaamheid, en geeft waar mogelijk invulling aan de verschillende duurzaamheidskaders.
Door de genomen maatregelen draagt voorliggende ontwikkeling voor het aspect duurzaamheid bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.17
Overige aspecten Niet gesprongen explosieven Uit gemeentelijke inventarisatie van de niet-gesprongen explosieven kaart blijkt dat de ontwikkeling op de rand ligt van verdacht gebied. Hierdoor is een zeer kleine kans aanwezig dat er niet gesprongen explosieven aanwezig zijn. Er zal worden gewerkt volgens het toevalstrefferprotocol. Er worden verder geen overige aspecten relevant geacht. Er zijn geen verder geen aspecten die een negatieve invloed hebben op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Er is vanuit dit oogpunt sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.
MAATSCHAPPELIJKE EN FINANCIËLE HAALBAARHEID
6.1
Kostenverhaal Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten. De volgende activiteiten zijn kostenverhaalplichtig: • de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie; • de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie; • de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie; • de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte; • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt. Wanneer er kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden maakt, dient het kostenverhaal via een van onderstaande opties te worden verzekerd: a. anderszins, via een overeenkomst, bijvoorbeeld: 1.
een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer van de kostenverhaalplichtige activiteit; of 2. via de gronduitgifte-overeenkomst tussen gemeente en een toekomstige eigenaar, indien de gemeente het volledige kostenverhaalsgebied in eigendom heeft; b. via regels kostenverhaal in het omgevingsplan, waarbij gekozen wordt tussen: 1. een systeem met tijdvak: vergelijkbaar met het systeem uit de Wro, waarbij plannen een duidelijk eindbeeld, een fasering en een einddatum hebben, zodat kosten en opbrengsten op voorhand goed te berekenen zijn; 2. of zonder tijdvak: een nieuw systeem voor gebiedsontwikkelingen zonder een duidelijk eindbeeld, zonder fasering en zonder einddatum, waardoor kosten en opbrengsten op voorhand moeilijker te berekenen zijn en er gewerkt wordt met scenario's. Ongeacht de systeemkeuze hebben de regels kostenverhaal in ieder geval betrekking op het verhalen van kosten (gekoppeld aan een kostenverhaalsgebied). Net als in een exploitatieplan (onder de Wro) kunnen in dit verband ook regels in het omgevingsplan worden opgenomen over: • fasering van en koppelingen tussen werkzaamheden en/of activiteiten; • locatie-eisen; • woningbouwcategorieën (artikel 5.161c Bkl). In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is de gemeente initiatiefnemer, waardoor het kostenverhaal verzekerd is.
Er is onder meer financiële dekking door een speciale bestemmingsreserve voor de huisvesting van vluchtelingen uit Oekraïne. In hetzelfde raadsvoorstel als waarin de verklaring van geen bedenkingen is afgegeven door de raad, heeft de raad ook ingestemd met de financiële dekking van het project.
Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht. 6.1
Participatie Voorliggende BOPA voorziet in de realisatie van woningen voor starters, senioren, spoedzoekers en vluchtelingen uit Oekraïne. Er is vanuit alle drie genoemde groepen grote behoefte aan (betaalbare) woningen, die door middel van voorliggende ontwikkeling kunnen worden gerealiseerd. Ook maatschappelijk is veel aandacht voor deze groepen en is er zowel bestuurlijk als maatschappelijk veel aandacht om de woningbouw voor deze groepen te versnellen. Door de gemeente is begin oktober 2023 een informatieavond georganiseerd. Hier konden bewoners en belanghebbenden vragen stellen en hun zorgen uiten. Er zijn vele diverse vragen gesteld, maar ook opmerkingen en tips gegeven door belanghebbenden. Deze vragen, tips en opmerkingen zijn samengevat in een vraag- en antwoordnotitie. Deze is bijgevoegd als bijlage 7. Daarnaast is door de gemeente een notitie opgesteld waarin de aanpassingen tussen het SO en het VO inzichtelijk zijn gemaakt. Deze notitie is als bijlage 8 toegevoegd. Op 22 januari 2024 is opnieuw een informatieavond georganiseerd voor belanghebbenden. Ook van deze avond is een vraag- en antwoordnotitie opgesteld. Deze notitie is bijgevoegd als bijlage 9. Er is daarnaast door de gemeente een website gemaakt waarop de laatste ontwikkelingen worden bijgehouden2.
Door het achterlaten van hun emailadres kunnen belanghebbenden en geïnteresseerden op de hoogte worden gehouden. Voorliggende BOPA en de milieuonderzoeken zijn besproken met regionale gesprekspartners in de Omgevingstafel. Hierbij zijn onder andere de GGD en de provincie Zeeland betrokken geweest. Waar nodig zijn de opmerkingen en aanvullingen vanuit de Omgevingstafel verwerkt. In het kader van de uitgebreide BOPA-procedure wordt de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Het ontwerpbesluit van de aanvraag omgevingsvergunning wordt gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. Conclusie Ondanks kritische kanttekeningen van inwoners ten opzichte van de doelgroepen voor huisvesting, is er tijdens de planvorming zo veel als mogelijk rekening gehouden met de input van ‘de omgeving’ en is het ontwerp hierop waar mogelijk aangepast. Ruimtelijk gezien zijn er geen noemenswaardige knelpunten, waardoor het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht wordt.
2 Website gemeente: https://www.schouwen-duiveland.nl/wonen-en-verhuizen/wonen-op-schouwen-duiveland/modulair-wonen-