1025580 Bijlage 9 Ruimtelijke onderbouwing Scharendijke
Tekst van het document
4.3.6 Milieubeleidsplan Het milieubeleid van de gemeente Schouwen-Duiveland is vastgelegd in het milieubeleidsplan. Het beleid wordt besproken en vastgelegd in een aantal modules die elke een apart milieuthema behandelen. Hierna worden de belangrijkste aandachtspunten uit de diverse modules genoemd. Module Geluid en Stilte (2008) Schouwen-Duiveland is niet of nauwelijks bekend met het fenomeen geluidhinder. Toch zijn er gebieden op het eiland waar het nodige geluid wordt geproduceerd, zoals recreatiegebieden en langs hoofdwegen. De gemeente wil voorkomen dat de geluidsruimte die er is, gestaag dichtslibt. Het doel is om ook voor de toekomst een veilig, ruim en rustig werk- en leefklimaat te behouden, en waar nodig te versterken. Daarbij moet tevens ruimte zijn voor economische ontwikkeling. Met het geluidbeleid richt de gemeente zich onder andere op de onderwerpen: rust en stilte, ecologische situatie, evenementen en verkeer. Zo komen er geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen op geluidsbelaste locaties. Module Licht en Duisternis (2009) Op Schouwen-Duiveland is nog echte duisternis te ervaren. Mensen, dieren en planten varen wel bij een goede balans tussen licht en donker. Deze kwaliteit dient te worden gewaarborgd, want hij staat onder druk.
Duisternis is te behouden door een viertal instrumenten toe te passen; preventie (niet verlichten), duurzaam verlichten (milieubewuster), gericht verlichten en bewust verlichten. Het duisternisbeleid richt zich op openbare verlichting, verlichting bij bedrijven, terreinverlichting, monumentenverlichting en bewustwording bij de burger. Voor bestemmingsplannen betekent dit dat bij ontwikkelingen om een lichtplan wordt gevraagd. Module Energie en Klimaat (2009) De uitstoot van fossiele brandstoffen versterkt het natuurlijke broeikaseffect, waardoor het op aarde steeds warmer wordt en het klimaat verandert. De gemeente Schouwen-Duiveland streeft naar een ruimtelijke inrichting waarmee het eiland klimaatbestendig en energieneutraal wordt. Dat kan op twee manieren: 1. De klimaatbestendige aanpak. Dit houdt in dat er bij het bestemmen, inrichten en beheren van gebieden nadrukkelijk en telkens weer rekening gehouden moet worden met drie kernkarakteristieken: de weerstand, de veerkracht en het aanpassingsvermogen van gebieden. 2. Broeikasreductie. Dit is te bereiken door energie te besparen en de energievraag te beperken, als dat mogelijk is duurzame energiebronnen te benutten en het zo efficiënt mogelijk gebruiken van fossiele brandstoffen, indien niet anders kan. Bij de aanpak staan verduurzaming en energiezuinigheid voorop.
De gemeente richt zich op onder andere de volgende sectoren: • Gebouwen: hanteren van een 10% strengere EPC norm en het energiezuinig ontwerpen van gebouwen. Voor gemeentelijke gebouwen geldt een 20% strengere EPC norm. • Opzetten van een energiemanagementsysteem voor gemeentelijke gebouwen; • Verkeer en vervoer: stimuleren van gebruik van het openbaar vervoer en de fiets; • Duurzame energie: kansen onderzoeken om energieneutraal te worden. Gebruik maken van deze kansen, zoals warmtekoude opslag; • Duurzame bedrijven: bij bedrijven en bedrijvigheid gaan voor duurzaamheid; • (Energie)verspilling voorkomen.
Module Luchtkwaliteit (2008) De luchtkwaliteit op Schouwen-Duiveland is, zeker vergeleken met andere gebieden in Nederland, goed. Die bijzondere positie moet behouden blijven. Waar mogelijk moet er naar gestreefd worden om de luchtkwaliteit zelfs nog te verbeteren. Het verminderen van autoverkeer kan daarbij helpen. Autoverkeer is een belangrijke vervuilingsbron. De volgende instrumenten worden hiertoe gehanteerd: stimuleren van andere en schonere vervoerswijzen, een betere doorstroming van het verkeer en stimuleren van duurzame energie. In het uitvoeringsprogramma wordt met name genoemd dat het fietsverkeer gestimuleerd kan worden door de realisatie van extra fietspaden en goede fietsenstallingen. Module Bodem (2010) Iedere bodem heeft zijn kwaliteiten. Hier liggen kansen en knelpunten. Door in een vroeg stadium bij ruimtelijke ontwikkelingen deze kwaliteiten in beeld te brengen, zijn knelpunten vroegtijdig in beeld en kunnen kansen optimaal benut worden, waardoor er optimaal recht wordt gedaan aan de aanwezige bodemkwaliteiten. Hierdoor worden ook toekomstige beheerskosten beter in beeld gebracht en kunnen ze deel uitmaken van de afwegingen die leiden tot het definitieve plan.
Module Externe Veiligheid (2010) Externe veiligheid betreft de maatregelen die moeten voorkomen dat er buiten de poort van een bedrijf/inrichting slachtoffers vallen, als er door het betreffende bedrijf wordt gewerkt met of opslag plaatsvindt van gevaarlijke stoffen. Daarbij wordt gedoeld op omwonenden maar ook op recreanten op kampeerterreinen of in jachthavens. Schouwen-Duiveland moet een plek zijn waar het veilig werken, wonen, winkelen en recreëren is. Toch blijft de gemeente ruimte bieden aan bestaande en nieuwe bedrijven/inrichtingen die veiligheidsrisico's met zich meebrengen. Deze risico's dienen echter wel aanvaardbaar te zijn, en minimaal te voldoen aan de landelijke voorschriften. Het bestemmingsplan moet ervoor zorgen dat er geen ongewenste ontwikkelingen op het gebied van externe veiligheid kunnen voordoen. Dat gebeurt door: • Externe veiligheid te betrekken bij actualisering van bestemmingsplannen; • Externe veiligheid vroegtijdig te betrekken bij nieuwe ontwikkelingsplannen; • Het hanteren van afstandseisen ten opzichte van gevaarlijke stoffen binnen een inrichting; • Inrichtingseisen te stellen aan kampeerterreinen en jachthavens.
Concreet wordt het volgende nagestreefd: • Bestemmingsplannen voorzien van risicocontouren bij Bevi-inrichtingen en bij propaantanks met een inhoud die groter zijn dan 13 kubieke meter; • Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen de veiligheidseffectrapportage (v.e.r.) toepassen. De activiteiten die in het kader van bovengenoemde milieumodules moeten worden opgestart en uitgevoerd, staan beschreven in een uitvoeringsprogramma. In dit programma, dat is onderverdeeld in thema's, is aandacht voor het doel van de activiteiten, de rol van de gemeente, de externe partijen waarmee de gemeente de activiteit wil uitvoeren, het betreffende gebied en een tijdsplanning. Op de diverse milieuaspecten in relatie tot de ontwikkelingen die deze BOPA mogelijk maakt, wordt ingegaan in hoofdstuk 5. 4.3.7 Welstandsnota In de strategische visie ‘Tij van de Toekomst’ heeft de gemeenteraad de volgende keuze geformuleerd: ‘We gaan zorgvuldig om met landschap, natuur, cultuur en milieu en investeren ook in het verbeteren van deze kwaliteiten’. Met deze welstands-/monumentennota geeft de gemeente vorm en inhoud aan deze
keuze. Deze nota stelt de kaders vast waaraan ruimtelijke initiatieven in onze gemeente worden getoetst. De Woningwet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om het toetsingskader voor het voeren van welstandsbeleid vast te leggen in een welstandsnota. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebieds- en objectgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria kunnen worden gebruikt voor de vergunningsplichtige bouwplannen. De objectgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor bouwplannen van rijks- en gemeentelijke monumenten. Bij een aanvraag omgevingsvergunning vragen burgemeester en wethouders advies aan de welstands-/ monumentencommissie. De bouwplannen die niet door de afdeling Ruimte en Milieu getoetst kunnen worden, worden voorgelegd aan deze commissie. De commissie interpreteert de criteria in het licht van het concrete bouwplan. Per gebied wordt een samenhangend beoordelingskader opgesteld, waarin steeds de volgende onderdelen aan de orde komen: • de gebiedsbeschrijving • een waardebepaling • ontwikkeling en beleid • het welstandsniveau • de welstandscriteria Gebaseerd op de ruimtelijke opbouw is Schouwen-Duiveland onderverdeeld in verschillende gebiedscategorieën. Bij het benoemen van de welstandsgebieden is uitgegaan van de huidige situatie. De gebiedsuitwerkingen in deze welstandsnota zijn dan ook gericht op de bestaande context. 1.
Steden en Dorpskernen; 2. Planmatige uitbreidingen; 3. Bedrijfs- en haventerreinen; 4. Sport en recreatie; 5. Buitengebied. Toetsing Voorliggend projectgebied maakt onderdeel uit van ‘overige dorpskernen’. Het gebied valt onder welstandsniveau 2; bijzonder welstandsgebied. Op 6 mei 2024 is het DO gepresenteerd aan de welstandscommissie en is onder voorwaarden akkoord. De welstand heeft grote waardering voor de opzet van de groene kamers qua groenstructuur en stedenbouwkundige structuur met een groene dorpstuin met vier compacte woonclusters en een groen dorpserf met bebouwingsensemble. Het plangebied wordt hiermee een fraai verlengstuk van het dorp. De architectonische uitwerking van de één-laagse bebouwing met hoogteaccenten van twee lagen in de dorpstuin vraagt aandacht zodat het logisch aansluit op de maat en schaal van het bestaande dorpssilhouette met een diversiteit aan kappen, hoogtes, etc. en het nieuwe dorpserf. Het uitgangspunt is om het landelijke karakter van de omgeving terug te laten komen in de architectuur van de bebouwing. De veranda’s aan de centrale groene ruimte zorgen voor een geleidelijke overgang van privé naar collectief en geven de woonclusters al de nodige geleding en accentuering.
Door accenten, verspringingen en opdelingen in massa en gevels is de relatie met de context verder gezocht in de uitwerking van de verschijningsvorm en uitstraling van de woonclusters. Specifieke aandacht wordt nog gevraagd naar variatie en detaillering van het dakenlandschap. Materialen zijn eerlijk, duurzaam en terughoudend van
kleur en verouderen op een mooie manier, zoals bijvoorbeeld hout in een streekeigen kleurenpalet (natuurlijk hout en/of zwart geteerd hout) gecombineerd met een warme, lichte baksteen. Het definitieve bouwplan wordt in het vervolg weer voorgelegd aan de welstandscommissie, waarna nieuwe opmerkingen meegenomen worden in de uitwerking.
5.
OMGEVINGSASPECTEN
5.1
Milieueffectrapportage
5.1.1 Kader Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. In dit geval wordt er eerst een plan-merbeoordeling uitgevoerd. Bij deze beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria van bijlage II bij de SMB-richtlijn. De regels over het uitvoeren van een plan-mer-beoordeling staan in artikel 16.36, lid 5 Omgevingswet en artikel 11.1 Omgevingsbesluit.
5.1.2 Kenmerken van het plan De ontwikkeling voorziet in de realisatie van 60 woningen en 96 parkeerplaatsen. volgens het HIVEconcept voor lokale woningzoekenden (1/3) en vluchtelingen uit Oekraïne (2/3). Deze woningen worden gerealiseerd aan de rand van de kern van Scharendijke in de gemeente Schouwen-Duiveland. De ontwikkeling krijgt een groene uitstraling en sluit aan op omliggende ‘Groene Kamers’. Cumulatie met andere projecten Er zijn geen concrete andere activiteiten in de omgeving van het plangebied gepland of in uitvoering. In de directe omgeving van het projectgebied vinden verder geen gebiedsontwikkelingen plaats, waardoor dan ook geen cumulatie wordt verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet-vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. Ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving worden reguliere materialen en hulpbronnen gebruikt. Er worden geen activiteiten mogelijk gemaakt waarbij intensief en/of grootschalig gebruik wordt gemaakt van natuurlijke hulpbronnen. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen vormt naar aard en omvang derhalve geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage.
Effecten op gebieden De effecten die optreden zijn lokaal en beperkt van aard. De ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de natuurlijke kenmerken en kwetsbaarheid van het gebied of omliggend gebieden. Zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn, komen niet voor in de directe nabijheid van het projectgebied. Gelet op de aard en omvang van het plan zijn er daarnaast geen bijzondere effecten te verwachten wat betreft het risico op zware ongevallen en/of rampen (waaronder rampen door klimaatverandering) of risico’s voor de menselijke gezondheid.
5.1.3 Kenmerken van de effecten Voor de beoogde ontwikkeling zijn in het kader van het de in voorbereiding planologische procedure reeds meerdere omgevingsaspecten beoordeeld en/of onderzocht. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en overige haalbaarheidsaspecten die van belang zijn. Hieronder worden de belangrijkste resultaten samengevat. Archeologie Er is geadviseerd om in het zuiden van het plangebied, ter plaatse van de zandopduiking (omvang ca. 9200 m2), een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een karterend booronderzoek. Het doel van dit onderzoek is het systematisch onderzoeken van het plangebied op het voorkomen van een huisplaats uit de Vroege of de Late Middeleeuwen. De werkzaamheden dienen voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). Er wordt geadviseerd om het resterende deel van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Gezien het bovenstaande is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed heeft op het aspect archeologie. Bodem Nieuwe woningen vormen geen bodembedreigende functie. Vanuit bodem gelden er geen belemmeringen. Bedrijven en milieuzonering De verschillende activiteiten in de omgeving zijn beoordeeld. Voorliggende ontwikkeling zal geen bestaande activiteiten belemmeren.
Geluid De standaardwaarde van 53 dB ter plaatse van de nieuwe woningen wordt niet overschreden. Omdat ook wordt geconcludeerd dat de verkeerstoename door de planontwikkeling geen significant negatieve akoestische effecten heeft leidt het aspect geluid niet tot belemmeringen. Geur In het plangebied worden geen nieuwe geurbronnen toegevoegd. Vanuit geur zijn er dan ook geen negatieve effecten. Luchtkwaliteit Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mobiliteit Er zal een toename aan verkeersbewegingen plaats vinden, die door omliggende wegen naar verwachting goed kan worden opgevangen. De twee ontsluitingswegen zorgen voor een goede verdeling van het verkeer. Er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Natuur en ecologie Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een aangewezen Natura 2000 gebied en maakt evenmin onderdeel uit van het NNN of van ‘bijzondere weidevogelgebieden’.
Uit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit project vrijkomt in zowel de bouw- als gebruiksfase leidt tot een depositietoename van 0,00 mol N/ha/jaar ten opzichte van de referentiesituatie. Er wordt in de gebruiksfase een afname aan depositie van -0,01 mol N/ha/jaar berekend ten opzichte van de referentiesituatie. Ook wanneer de fases gecombineerd worden, wordt een resultaat van 0,00 mol N/ha/jaar verkregen. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000gebieden uit te sluiten en vormt het project geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Omgevingsveiligheid De woningen of de ontsluitingswegen zijn geen relevante risicobronnen. Water Er wordt voorzien in een ruime toename van oppervlaktewater, waardoor ruim voldoende compenserende maatregelen worden genomen voor de toename van verharding in het projectgebied. Er worden maatregelen genomen om te zorgen voor een goede afwatering. 5.1.4 Conclusie Bovenstaande effecten zijn weloverwogen beoordeeld. Waar mogelijk worden maatregelen genomen om deze effecten te beperken. Er kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van de ontwikkeling die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen negatieve effecten verwacht hoeven te worden. Er kan worden geconstateerd dat de nadelige effecten te reguleren zijn en dat een uitgebreide m.e.r.-beoordeling of het opstellen van een MER in deze niet zinvol en/of noodzakelijk is. 5.2
Ladder voor duurzame verstedelijking Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven: 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:
a.
4.
op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit jurisprudentie volgt dat het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan ladder Er is een forse lokale opgave om ‘lokale’ doelgroepen zoals spoedzoekers, starters en ouderen passende huisvesting te bieden. Er is grote krapte op de woningmarkt en daardoor kunnen deze groepen onder de huidige marktomstandigheden niet slagen op de woningmarkt. Ongeveer 1/3e deel van de woningen zal beschikbaar komen voor deze lokale doelgroepen. De woningen worden allemaal levensloopbestendig opgeleverd, waardoor zij geschikt zijn voor deze brede doelgroepen en met name ook voor ouderen. De woningbouwopgave en de manier waarop voorliggende ontwikkeling daaraan invulling geeft is eerder besproken in paragraaf 4.3.3 en 4.3.4. Daarnaast vangt de gemeente vluchtelingen uit Oekraïne op. In totaal gaat het om dit moment om ruim 350 vluchtelingen uit Oekraïne, voor wie tijdelijke, maar kwalitatief betere (nood)opvang noodzakelijk is. Het is niet bekend hoelang de vluchtelingen uit Oekraïne hier blijven en of zij op termijn een ‘status’ krijgen, waardoor anno 2024 sprake is van opvang in plaats van huisvesting. Voor de vluchtelingen uit Oekraïne geldt in elk geval tot 4 maart 2025 de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB), waardoor zij in Nederland recht hebben op opvang, onderwijs en medische zorg.
Bovendien is onbekend of de instroom in Nederland, en daarmee wellicht ook op Schouwen-Duiveland, nog toeneemt. Ongeveer 40 woningen (2/3e deel) worden toegewezen aan vluchtelingen uit Oekraïne die hier nu al verblijven. Dit aantal is gebaseerd op een vragenlijst die in maart 2023 is afgenomen onder de vluchtelingen uit Oekraïne op Schouwen-Duiveland. Op basis van de uitkomsten van deze vragenlijst houden we rekening met ongeveer 100 woningen voor deze doelgroep. Het andere deel (ongeveer 60) wordt in Zierikzee gerealiseerd. Omdat de situatie nog onzeker is en we niet in de toekomst kunnen kijken, houden we voorlopig vast aan deze verdeling. Als er meer vluchtelingen uit Oekraïne terugkeren naar Oekraïne, komen er vanzelfsprekend meer woningen vrij voor andere doelgroepen. Hoe dan ook moeten we als gemeente te allen tijde waarborgen dat de vluchtelingen uit Oekraïne die nu in de (gemeentelijke en particuliere) opvang verblijven, passende opvang hebben en houden. Het plan ziet op het realiseren van woningen voor starters, ouderen, spoedzoekers en vluchtelingen uit Oekraïne volgens het ‘HIVE-concept’. Met dit type modulaire verplaatsbare woningen kunnen casco’s aan elkaar gekoppeld, om grotere woningen te realiseren.
Deze wijze van flexibel bouwen past in een gemeente waar de druk op de woningmarkt van relatief kortstondige duur lijkt door demografische veranderingen (zie paragraaf 4.3 voor een uitgebreidere toelichting hierop). Daarnaast voorziet voorliggende ontwikkeling in duurzame gebouwen.
Voorafgaande aan de keuze voor de projectlocatie in Scharendijke heeft de gemeente een quick scan uitgevoerd naar potentiële locaties. Hierbij was de voorwaarde dat de percelen voldoende groot moesten zijn om in aanmerking te komen voor bouw van modulaire woningen voor de eerder genoemde doelgroepen. Daarnaast is een aantal voorwaarden gesteld en is een aantal wensen uitgesproken. Deze vormden samen de basis voor de locatiekeuze. Vanuit de achtergrond van hun komst in Nederland, en de verplichtingen die de gemeente heeft tegenover vluchtelingen uit Oekraïne zijn de volgende voorwaarden gesteld aan de locaties: Voorwaarden: • De aanwezigheid van c.q. de afstand tot openbaar vervoer/bushalte (voorkeur maximaal 1,5 km) • De aanwezigheid van c.q. de afstand tot een basisschool (voorkeur maximaal 1,5 km) • De aanwezigheid van c.q. de afstand tot een huisartsenpraktijk (voorkeur maximaal 1,5 km) Wensen: • De aanwezigheid van c.q. de afstand tot een supermarkt (voorkeur maximaal 1,5 km) • De aanwezigheid van c.q. de afstand tot een middelbare school (wens) • De aanwezigheid van c.q. de afstand tot sportvoorzieningen (wens) • De aanwezigheid van c.q.
de afstand tot een kerk en/of gebedshuis (wens) Daarnaast zijn er (niet limitatief) een aantal andere ruimtelijke randvoorwaarden getoetst: • Te ontwikkelen gronden zijn in eigendom van de gemeente en/of kunnen op eenvoudige wijze op korte termijn verworven worden • Te ontwikkelen gronden zijn niet verhuurd en/of verpacht en/of anderszins in gebruik gegeven of op korte termijn is opzegging mogelijk • Zoveel mogelijk afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. De ontwikkeling moet mogelijk zijn binnen de geldende stikstofregels • Waarborgen degelijke en veilige ontsluiting van de te ontwikkelen locatie • Niet in de directe nabijheid van een bedrijventerrein Binnen het bestaand stedelijk gebied van Scharendijke zijn er geen locaties gevonden die voldoen aan bovenstaande voorwaarden en wensen en waar voldoende modulaire woningen gerealiseerd kunnen worden. Binnen Schouwen-Duiveland is alleen in Zierikzee de Cornelia locatie geschikt bevonden binnen bestaand stedelijk gebied, maar om de totale woningbouw- en opvangopgave te realiseren is enkel deze locatie niet voldoende. Voorliggende ontwikkeling wordt daarom gerealiseerd in de ‘Randzone’ van Scharendijke. Het perceel in Scharendijke is circa 5,5 hectare groot en voldoet ook voor het overige aan (vrijwel) alle voorwaarden.
Zo zijn de gronden in eigendom van de gemeente en is er eerder een pachtovereenkomst verlengd die eind 2024 afloopt. Meerdere faciliteiten zijn aanwezig in Scharendijke en/of in de nabijheid van de uitbreiding, denk hierbij aan een school, sport en openbaar vervoer. De locatie ligt ook niet in de directe nabijheid van een bedrijventerrein. Er zijn twee degelijke ontsluitingen mogelijk voor autoverkeer (twee opties) en er kunnen doorsteken gemaakt worden voor langzaamverkeer richting de Elkerzeeseweg. In paragrafen 4.3.3 en 4.3.4 is de ontwikkeling getoetst aan diverse beleidskaders op het gebied van woningbouw. Op basis van bovenstaande paragraaf en de eerder beschouwde kaders kan worden gesteld
dat de ontwikkeling in Scharendijke beantwoord aan een urgente woonbehoefte in de gemeente Schouwen-Duiveland. Voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee aan de ladder voor duurzame verstedelijking en voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.3
Water en klimaatadaptatie Voor een duurzame en hoogwaardige toekomst van de fysieke leefomgeving moet het belang van watersystemen worden betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bouw- en herinrichtingsprojecten kunnen grote gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Door de mogelijke effecten in kaart te brengen en het waterbelang mee te nemen in het project, kunnen problemen met water worden voorkomen.
5.3.1 Kader Europees en Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de Rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water.
Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de Rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energieen klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.
De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.
Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden.
Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. Er is een grote en urgente maatschappelijke behoefte om voldoende woningen te bouwen, en in aanloop daarnaar toe locaties te vinden die ook in lijn staan met de verstedelijkingsstrategie van Zuid-Holland.
Provinciaal en regionaal beleid Provinciale Waterverordening De provincie Zeeland heeft de Waterwet en het Waterbeleid 21e eeuw uitgewerkt in de Waterverordening Zeeland. Hierin staan normen voor de regionale watersystemen (het slotenstelsel). Ze moeten bij hevige neerslag voldoende water kunnen bergen en afvoeren. Voor stedelijk gebied geldt als norm dat er eens in de 100 jaar ernstige wateroverlast mag optreden. Voor het landelijk gebied is de norm eens in de 25 jaar. Waar glastuinbouw is, geldt een norm van eens in de 50 jaar. Aan de hand van deze normen zorgt het waterschap voor de nodige inrichtingsmaatregelen en voorzieningen om wateroverlast te voorkomen. Waterschapsbeleid Waterbeheerplan 2022 - 2027 waterschap Scheldestromen In het Waterbeheerplan 2022 – 2027 laat het waterschap de hoofdlijnen zien van het beleid op het gebied van watersystemen en afvalwaterketen. Het waterschap heeft daar namelijk een specifieke verantwoordelijkheid voor. Wettelijk vastgelegde taken zoals het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem en het voor het doelmatig zuiveren van afvalwater. Ook heeft het waterschap de taak om het watersysteem en de afvalwaterketen toekomstbestendig te maken zodat de gevolgen van de klimaatverandering kunnen worden opgevangen. Steeds meer doelen kunnen alleen gerealiseerd worden door goed samen te werken.
Met andere partijen, maar ook binnen de organisatie. Daarbij past één nieuw Waterschapsbeheerprogramma, dat gaat over alle primaire programma’s van het waterschap en de nadruk legt op datgene wat de programma’s met elkaar verbindt. Daarbij past ook een document dat de omgeving centraal zet. Met specifiek aandacht voor thema’s als duurzaamheid, innovatie, klimaatadaptatie en de Zeeuwse leefomgeving. Integraal werken houdt in dat je alle ambities op het gebied van je kerntaken en thema’s als duurzaamheid of klimaatbestendigheid in je achterhoofd houdt als je een keuze maakt. Die keuzes vragen om afwegingen. Soms afwegingen tussen verschillende ambities. En vaak de afweging tussen (maatschappelijke) kosten, baten en risico’s; is wat we willen ook haalbaar, betaalbaar en uitvoerbaar? Het invoeren van assetmanagement gaat ons helpen om op een meer eenduidige en transparante manier de juiste afweging te maken. Ook de inhoud van het WBP weerspiegelt een waterschap dat in ontwikkeling is. Op sommige onderdelen wordt duidelijk hoe we doelen gaan realiseren, op andere onderdelen maken we een voorbehoud bijvoorbeeld omdat extra onderzoek nodig is. Het WBP biedt aanknopingspunten om op de doelen te sturen en tussentijds te evalueren en rapporteren.
Tegelijkertijd laat het de ruimte om jaarlijks in de begroting bij te sturen in de concrete projecten, activiteiten en bijbehorende middelen die nodig zijn om de doelen te bereiken. Het leidende principe voor Scheldestromen is samen te vatten als ‘we zijn een betrouwbare overheid en samenwerkingspartner, die doet waarvoor ze is opgericht én formuleert antwoorden op de noden van deze tijd, maar belooft niet méér dan ze waar kan maken’. Dit leidende principe is langs zes lijnen uitgewerkt die de koers vormen voor de komende 6 jaar. 1. Haalbare en betaalbare uitvoering van de waterschapstaken 2. Samen met anderen werk maken van een integrale aanpak 3. Gebiedsgerichte aanpak en maatwerk als vertrekpunt 4. Grip op het werk, op basis van databeheer en assetmanagement 5. Volgens de principes van duurzaam opdrachtgeverschap
6. Investeren in kennis en innovatie Afvalwater In de afvalwaterketen van de toekomst wordt afvalwater op een duurzame en efficiënt manier ingezameld en gezuiverd, zodat het geen bedreiging vormt voor volksgezondheid en omgevingskwaliteit. Het beheer en onderhoud is gericht op het in stand houden van het waterlopenstelsel voor berging, doorvoer en afvoer van overtollig water. Daarnaast past het waterschap het watersysteem waar nodig aan om aan de doelen te (blijven) voldoen. Ook zet zij zich in om emissies die nadelig zijn voor de waterkwaliteit, te beperken. In de afvalwaterketen gaat het waterschap de energie efficiency verbeteren. Dat doet zij door duurzame energie en grondstoffen te winnen uit afvalwater. Ook geeft het waterschap in de afvalwaterketen prioriteit aan het veilig stellen van de vereiste functionaliteit door knelpunten weg te nemen en (groot) onderhoud uit te voeren.
5.3.2 Onderzoek Ontwikkelingen dienen rekening te houden met de in deze waterparagraaf genoemde eisen en uitgangspunten. In deze waterparagraaf wordt naast de beschrijving van de waterstaatkundige situatie en kenmerken bepaald wat de invloed is van de uitvoering van de ontwikkeling op de waterhuishouding. Er is aan de hand van criteria uit de Handreiking watertoets van het Waterschap Scheldestromen nagegaan of het voorliggende plan strijdig is met de waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. Hierna wordt per thema ingegaan op de wateraspecten. Thema en water(schaps)doelstelling
Uitwerking
Waterschapsobjecten Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van waterschapsobjecten niet belemmeren. Hierbij wordt gedacht aan milieucontouren rond RWZI's, rioolpersgemalen, poldergemalen, vrijverval- en/of persleidingen.
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de in het plangelegen waterschapsobjecten.
Wateroverlast (vanuit oppervlaktewater) Bij de bouw wordt voldoende hoog gebouwd om instroming van oppervlaktewater in maatgevende situatie(s) te voorkomen. Het plan biedt voldoende ruimte voor vasthouden / bergen / afvoeren van water.
Binnen het projectgebied is aan de oostzijde een secundaire watergang aanwezig. In het vigerende bestemmingsplan is het projectgebied bestemd als “Agrarisch”. Met de voorgenomen ontwikkeling neemt het verhard oppervlak in het plangebied toe. In de huidige situatie zijn de gronden vrijwel geheel onverhard en is 527 m2 verharding aanwezig, in de toekomstige situatie worden woningen gebouwd en een ontsluitingsstructuur aangelegd. De berekeningen voor de oppervlakte van de verharding zijn in tabel 5.1 opgenomen. Uitgaande van het stedenbouwkundig ontwerp volgt dat er met de ontwikkeling sprake is van een toename in verhard oppervlak van circa 10.340,5 m2. Op basis van dit verhard oppervlak dient er (10340,5 m2 x 75 mm =) 775,54 m3 waterberging gerealiseerd te worden binnen het peilgebied.
Het plan voorziet in de aanleg van 1.721 m2 oppervlaktewater. Op dit moment bestaat 143 m2 van het plangebied uit water. De toename van het wateroppervlak in het plangebied is dus 1.578 m2. Daarmee voorziet de inrichting van het plan ruimschoots aan de benodigde watercompensatie. Watervoorziening / -aanvoer De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de aanvoer Het voorzien van de bestaande functie van van water. (grond- en/of oppervlakte)water van de juiste kwaliteit en de juiste hoeveelheid op het juiste moment. Het tegengaan van nadelige effecten van veranderingen in ruimtegebruik op de behoefte aan water. Riolering / RWZI Het afvalwater wordt afgevoerd door het vuilwaterstelsel van de (inclusief water op straat / overlast) gemeente. Hemelwater dient via het oppervlaktewater of via een Optimale werking van de gescheiden rioleringsstelsel (indien aanwezig) te worden zuiveringen/RWZI’s en van de afgevoerd. (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken en Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel drainagewater in verband met de reductie van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het van hydraulische belasting van de RWZI, Waterschap Scheldestromen is verantwoordelijk voor de zuivering het transportsysteem en het beperken van van het aangeleverde afvalwater. overstorten.
Volksgezondheid (water gerelateerd) Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd.
Oppervlaktewaterkwaliteit/ Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van Grondwaterkwaliteit de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater Behoud / realisatie van goede grond- en leiden. oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Grondwateroverlast Tegengaan / verhelpen van grondwateroverlast.
Alleen het hemelwater dat valt op schone oppervlakken wordt afgekoppeld van de riolering en komt in het grondwater terecht. Dit betekent dat er geen verontreinigd water in het grondwater terecht komt. Tevens is het plangebied niet aangeduid als kwetsbaar gebied of grondwaterbeschermingsgebied.
Veiligheid waterkering Waarborgen van het veiligheidsniveau
Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een
tegen water en de daarvoor benodigde ruimte.
waterkering.
Bodemdaling Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zal het Voorkomen van maatregelen die (extra) (grond)waterpeil niet worden aangepast. Eventuele bodemdaling maaiveldsdalingen met name in in de omgeving zal niet door het plan worden beïnvloed. zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken. Verdroging (Natuur) Bescherming karakteristieke grondwater afhankelijke ecologische waarden; van belang in en rond natuurgebieden (hydrologische) beïnvloedingszone.
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de mate van verdroging in en rond het plangebied.
Natte natuur Ontwikkeling/Bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.
Het plan voorziet geen aanpassingen binnen de in en naast het plangebied gelegen NNN-gebieden (Natuurnetwerk Nederland).
Onderhoud waterlopen Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden kunnen worden.
Aan de oostrand van het projectgebied ligt een secundaire watergang. Deze watergang is in beheer en in onderhoud bij het waterschap.
Waterschapswegen Niet aanwezig. Goede bereikbaarheid en in stand houden van wegen in beheer en onderhoud bij het waterschap.
Afbeelding 5.1: Uitsnede Legger Oppervlaktewaterlichamen waterschap Scheldestromen
Type verharding Projectgebied
Bestaande situatie
Toekomstige situatie 38.299 m2
38.299 m2
Bebouwd
4.265 m2
Verhard
6.171 m2 496m2
Half-verhard
(telt mee als 248m2 verharding)
367m2
Voortuin
(telt mee als 183,5m2 verharding)
Totale Verharding
527 m2
10.867,5 m2 10.340,5 m2
Toename Verharding 37.629 m2
25.710,5 m2
Water
143 m2
1.721 m2
Totaal verharding
527 m2
10.867,5 m2
Totaal onverhard oppervlak
Toename verharding
+10.340,5 m2
Tabel 5.1: Berekening verharding
Grondwatersysteem Op basis van het Zeeuws Bodem Venster kan geconcludeerd worden dat het plangebied is gelegen ter hoogte van grondwatertrap IV. De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) van deze grondwatertrap bedragen resp. >40 cm en 80-120 cm beneden maaiveld (zie afbeelding 5.2). De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de grondwaterstanden.
Afbeelding 5.2: Uitsnede Zeeuws Bodem Venster
Klimaatadaptatie In de afgelopen jaren is steeds meer aandacht gekomen voor klimaatverandering. Naast de overheid kunnen ook particuliere initiatieven bijdragen aan het klimaatbestendiger inrichten van het terrein door creatieve, simpele en efficiënte oplossingen om water of watervasthoudende maatregelen toe te passen. Hierbij valt te denken aan open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of watervasthoudende maatregelen zoals de aanleg van wadi’s, groene daken en het afkoppelen van hemelwaterafvoer (regenton). Resultaat watertoets De ontwikkeling heeft naar verwachting geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. In het kader van wettelijk vooroverleg is deze paragraaf voorgelegd aan het Waterschap Scheldestromen. De opmerkingen naar aanleiding van de afstemming met het waterschap zijn verwerkt in deze BOPA.
5.3.3 Conclusie Vanwege de toename aan verhard oppervlak binnen de projectlocatie is 775,54 m3 watercompensatie benodigd. In het stedenbouwkundig plan wordt rekening gehouden met deze opgave door onder meer het verbreden van de watergangen aan de randen van het gebied. Het aspect water heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.4
Verkeer en parkeren
5.4.1 Kader Parapluplan parkeernormen Schouwen – Duiveland Op 27 september 2018 heeft de gemeente Schouwen–Duiveland het parapluplan parkeernormen Schouwen–Duiveland vastgesteld. Het paraplubestemmingsplan zorgt voor een actuele en uniforme regeling voor het parkeren in alle bestemmingsplannen. In het Parkeerbeleid 2017-2020 worden diverse aspecten rondom het parkeren in Schouwen-Duiveland behandeld, zoals parkeerregulering en de toegankelijkheid en het kwaliteitsniveau van parkeerplaatsen. Bewust zijn geen parkeernormen opgenomen, omdat situaties vaak erg specifiek zijn en maatwerk vaak nodig is. Daarvoor kan prima worden gebruik worden gemaakt van de landelijke CROW-richtlijnen, welke zijn vastgelegd in de CROW publicatie nummer 317 “kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”. In deze publicatie zijn parkeerkencijfers voor verschillende functies opgenomen. Per functie is het kencijfer te bepalen op stedelijkheidsgraad en locatie. In de beleidsnota wordt voor de gemeente Schouwen-Duiveland de stedelijkheidsgraad 'weinig stedelijk' aangehouden. Als locatie wordt voor de gehele gemeente, met uitzondering van Zierikzee, 'rest bebouwde kom' (wanneer gelegen binnen de bebouwde kom) en 'buitengebied' (wanneer gelegen buiten de bebouwde kom) gehanteerd.
Het beleid gaat er verder van uit dat bij nieuwe ontwikkelingen het benodigd aantal parkeerplaatsen in beginsel op eigen terrein wordt gerealiseerd. Wanneer dat niet mogelijk is, moet worden aangetoond dat op openbaar terrein voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. CROW-publicatie 381 In de CROW-Publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen' zijn per functie en woningtype de verkeersgeneratie en parkeernormen opgenomen. 5.4.2 Onderzoek De planlocatie ligt aan de westzijde van Scharendijke. Er zijn twee aansluitingen (voor alle verkeer) voorzien op de Elkerzeeseweg. Tevens is (in een later fase) een verbinding gepland voor fietsers en voetgangers tussen het plan en de noordelijk gelegen bestemmingen zoals het strand. De verbinding bestaat uit een pad tussen het plangebied en de reeds bestaande straat het Baken.
Parkeren In totaal worden 60 woningen gerealiseerd middels de volgende typering: • Hive enkel met verdieping (3,8 bij 9,8 meter): 15 • Hive anderhalf (7,6 bij 9,8 meter): 8 • Hive dubbel (7,6 bij 9,8 meter): 33 • Hive 3 voudig (11,4 bij 9,8 meter): 4 Alle Hive woningen zullen door middel van sociale huur worden verhuurd aan bewoners. Er kan daarom worst-case worden uitgegaan van een parkeernorm van 1,6, zoals is opgenomen in het Parkeerbeleid 2017-2020. De parkeernorm voor de gehele ontwikkeling is dan 1,6 * 60 = 96. Er worden conform de parkeernorm 96 parkeerplaatsen voorzien bij de ontwikkeling. In het definitief ontwerp (afbeelding 2.3 en bijlage 1) zijn deze parkeerplaatsen ingetekend. Een groter aanbod aan parkeerplaatsen is in deze fase niet gewenst. We willen de gebruikers immers ook stimuleren om te bewegen en te voet dan wel per fiets deel te nemen aan het verkeer. Dit vraagt ook om een omgeving die dat stimuleert. Wonen in een parkachtige setting draagt daar aan bij. Meer verharding ten behoeve van auto(parkeren) stimuleert dit niet en is voorts vanuit duurzaamheid- en klimaatoogpunt niet gewenst. Ook de situering van de parkeerplaatsen past wat dat betreft prima bij de wens om fietsgebruik en wandelen te stimuleren. De woningen zijn gelegen in het groen en ontsloten via paden voor langzaam verkeer. Beoordeling verkeer Het plan omvat 60 wooneenheden.
Uitgaande van een weinig stedelijke omgeving en rest bebouwde kom komt de gemiddelde verkeersgeneratie volgens het CROW uit op 5,6 verkeersbewegingen per etmaal per woning. In totaal gaat het dan om (afgerond) 60 X 5,6 = 336 mvt/etm. Dit is een worst-case benadering, omdat er binnen verschillende doelgroepen ook doelgroepen zijn met een lager autobezit. Het plan zal met twee nog aan te leggen/aan te sluiten verbindingswegen ontsloten worden op de Elkerzeeseweg. De Elkerzeeseweg is een Erftoegangsweg binnen een zone 30 (km/u). De twee verbindingswegen (ook zone 30) krijgen ieder hierdoor een verkeersintensiteit van circa 150-300 mvt/etm te verwerken. Dat is meer dan nu het geval is, maar blijft ruim binnen aanvaardbare verkeerskundige grenzen. Gemeente Schouwen-Duiveland heeft als wegbeheerder geen richtlijn of norm vastgesteld voor acceptabele intensiteiten op basis van verkeer en/of leefbaarheid. In Zeeland zijn er verschillende gemeenten die maximaal 2500 mvt/etm als beleidsrichtlijn (leefbaarheid) voor woonstraten in een dorpse omgeving hanteren. CROW hanteert vanuit verkeerskundig oogpunt voor erftoegangswegen een maximale capaciteit van 5000-6000 mvt/etmaal. In principe kan qua intensiteit volstaan worden met 1 aansluiting. Een tweede ontsluiting is wat calamiteiten betreft altijd gewenst.
Doordat de beide inprikkers in het plan voor autoverkeer niet met elkaar zijn verbonden (in noodgevallen is dit uiteraard wel mogelijk) is er een verdeling tussen beide ontsluitingen. Tevens stimuleren we gebruik van bijvoorbeeld de fiets, doordat dit vervoermiddel ook via beide zijden kan ontsluiten. De noordelijke ontsluiting sluit aan op de bestaande ontsluiting van het sportpark. Hier is in de huidige situatie al behoefte aan een verbinding voor voetgangers met de Elkerzeeseweg. In de planvorming voorzien we in de realisatie van een trottoir op dit deel.
Op de Elkerzeeseweg (telpunt ten noordwesten van de aansluiting met Het Baken) rijden circa 3500 motovoertuigen en 2300 fietsers per etmaal (telling Meetel, augustus 2022). Dit betreft een meting in het hoogseizoen, het jaargemiddelde zal voor zowel motorvoertuigen als fietsers lager liggen. Op de omliggende wegen in het buitengebied zien we een winterintensiteit die meer dan 50% lager is dan de intensiteiten in juli en augustus. De intensiteiten op de Elkerzeeseweg ter hoogte van het plangebied liggen naar verwachting lager dan op genoemd meetpunt. Zeker het aandeel fietsverkeer zal fors lager zijn, omdat zich op het andere weggedeelte de fietsers die de route langs de kust volgen bevinden. De toename van 336 motorvoertuigen per etmaal (worst case) kan prima verwerkt worden. De inrichting van de straat is zodanig dat hieromtrent geen problemen te verwachten zijn. Voordeel is dat men op de Elkerzeeseweg direct op één van de belangrijkste wegen van Scharendijke terechtkomt en zo snel een vervolg kan vinden richting bijvoorbeeld N57 of Recreatieverdeelweg. 5.4.3 Conclusie In het huidige plan is voldoende parkeergelegenheid aanwezig. Het aantal parkeerplaatsen dat is voorzien past goed bij de te verwachten parkeerbehoefte. De voorziene twee aansluitingen op de Elkerzeeseweg zorgen voor een veilige en logische aansluiting op het bestaande wegennet.
De ontwikkeling resulteert in een verkeerstoename die prima via deze Elkerzeeseweg en de overige wegen in omgeving verwerkt kan worden. Het aspect mobiliteit heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.5
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
5.5.1 Kader Geluidaandachtsgebied langs een weg Onderzoek moet worden uitgevoerd voor nieuwe woningen die zijn gelegen binnen het aandachtgebied van wegen. Op grond van artikel 3.20 Besluit kwaliteit leefomgeving is een geluidaandachtsgebied een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. De gemeente Schouwen-Duiveland heeft voor haar gemeentewegen nog geen basisgeluidemissie of geluidaandachtsgebieden vastgesteld. Zolang deze niet zijn vastgesteld geldt ten aanzien van het geluidaandachtsgebied overgangsrecht dat is vastgelegd in artikel 17.5 van de Omgevingsregeling. In dit artikel is vastgelegd dat voor gemeentewegen en waterschapswegen het geluidaandachtsgebied bestaat uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de afstand, gemeten vanaf de rand van de weg zoals hierna is opgesomd: a. b. c.
voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder geldt: 100 m; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt 200 m; voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken 350 m.
Voor dit onderzoek houdt dat in dat voor het verkeer op de Elkerzeeseweg en de nieuw aan te leggen ontsluitingswegen binnen het plangebied de geluidsbelasting moet worden berekend, omdat binnen het geluidaandachtsgebied van de wegen nieuwe woningen zijn voorzien. Geluidgevoelig gebouw In artikel 3.21 Besluit kwaliteit leefomgeving is aangeduid welke functies als geluidsgevoelig moeten worden beschouwd. Als geluidgevoelige gebouw of een gedeelte van een gebouw zijn aangewezen: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Onder een geluidgevoelig gebouw wordt ook verstaan een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een BOPA mag worden gebouwd. Standaardwaarde en grenswaarde Voor een woning binnen het aandachtsgebied van gemeentewegen geldt een standaardwaarde van 53 dB op grond van artikel 5.78t van het Bkl. De grenswaarde langs deze wegcategorie bedraagt 70 dB op grond van artikel 5.78u Bkl.
Een overschrijding van de standaardwaarde is alleen mogelijk als geluidsreducerende maatregelen die de geluidsbelasting zoveel mogelijk reduceren tot bij voorkeur de standaardwaarde niet mogelijk zijn. Deze verplichting tot het onderzoek naar maatregelen is vastgelegd in artikel 5.78u Bkl.
In artikel 5.78y Bkl is vastgelegd dat een geluidsbelasting hoger dan de grenswaarde is toegestaan als aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen kunnen worden getroffen. Planeffecten De planontwikkeling veroorzaakt extra verkeersproductie, waardoor de geluidsbelasting op bestaande woningen langs de beschouwde gemeentewegen kan veranderen. In artikel 5.78af Bkl is beschreven op welke wijze deze indirecte akoestische effecten vanwege veranderend verkeer moet worden beschouwd. Artikel 5.78 ah Bkl is van toepassing op wijzigingen in het geluidaandachtsgebied van een weg die gevolgen hebben voor de geluidoverdracht. Dat kan zijn de aanleg van extra verharding van nieuwe weg of de bouw van woningen die een extra geluidsreflectie veroorzaken. Een plan dat een toename van de verkeersintensiteit of een verandering in het aandachtsgebied van een weg veroorzaakt, voorziet erin dat het geluid door die weg op geluidgevoelige gebouwen niet meer dan 1,5 dB toeneemt. De toename van het geluid wordt bepaald door de situatie in een voor die weg maatgevend jaar na de wijziging te vergelijken met de situatie in datzelfde jaar zonder die wijziging.
Een toename van meer dan 1,5 dB is alleen mogelijk als geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om die toename te voorkomen, de toename van het geluid door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Als sprake is van een toename van 1,5 dB of meer wordt de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid op het geluidgevoelige gebouw beoordeeld. Binnenwaarden In het Besluit bouwwerken leefomgeving is aangegeven wat de karakteristieke geluidwering moet zijn om een binnenwaarde, bij gesloten ramen, te garanderen voor verblijfsgebieden van nieuwe woningen. De karakteristieke geluidwering is voor wegverkeerslawaai in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) vastgesteld en mag niet kleiner zijn dan het verschil tussen het in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als omgevingswaarden bepaalde gezamenlijke geluid. Het gezamenlijke geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid.
Er geldt voor de karakteristieke geluidwering een minimale eis van 20 dB.
5.5.2 Onderzoek Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek, inclusief uitgangspunten, berekeningen en resultaten is bijgevoegd als bijlage 8. De beschouwde wegen in dit akoestisch onderzoek zijn de Elkerzeeseweg en de nieuwe ontsluitingswegen in het plangebied. Een zone rond een industrieterrein of langs een spoorlijn is niet aan de orde, zodat de geluidsaspecten industrie- en spoorweglawaai buiten beschouwing zijn gelaten. Hieronder worden kort de resultaten en conclusies van het onderzoek besproken.
Geluidsbelasting nieuwe woningen In bijlage 4 is de geluidsbelasting van alle beschouwde gemeentewegen samen gepresenteerd. Uit die resultaten blijkt dat de geluidsbelasting maximaal 40 dB bedraagt aan de zijde van de nieuwe ontsluitingsweg. Omdat deze geluidsbelasting ruim lager is dan de standaardwaarde van 53 dB is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat en veroorzaakt het aspect wegverkeersgeluid geen belemmering voor de bouw van deze nieuwe woningen. Geluidsbelasting bestaande woningen (planeffect) De nieuw te bouwen woningen veroorzaken een toename van het aantal verkeersbewegingen van circa 336 per weekdag welke worden verdeeld over twee ontsluitingswegen. Ten opzichte van de heersende verkeersintensiteit in 2022 op de Elkerzeeseweg is dit relatief gezien een geringe toename. In dB uitgedrukt varieert de toename van 0,3 tot maximaal 1,2 dB. Omdat deze toename kleiner is dan 1,5 dB is geen sprake van een significant akoestisch effect. Een dergelijke toename van het geluid is voor het gemiddeld menselijk oor niet waarneembaar en veroorzaakt daarom geen verslechtering van het akoestisch klimaat. Opgemerkt wordt dat de toename is bepaald ten opzichte van de telling uit het jaar 2022 en niet ten opzichte van een prognose-intensiteit voor bijvoorbeeld het jaar 2034.
Omdat door de autonome groei van het verkeer de intensiteit in 2034 hoger is dan in 2022, is de relatieve toename van de verkeersintensiteit door de planontwikkeling geringer en dus ook de toename van de geluidsbelasting. Verder blijkt uit de resultaten dat na de realisatie van de planontwikkeling de standaardwaarde van 53 dB ook niet wordt overschreden, zodat sowieso geen sprake is van een verslechtering van het woon- en leefklimaat.
5.5.3 Conclusie Uit het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de standaardwaarde van 53 dB ter plaatse van de nieuwe woningen niet wordt overschreden. Omdat ook wordt geconcludeerd dat de verkeerstoename door de planontwikkeling geen significant negatieve akoestische effecten heeft, leidt het aspect geluid niet tot belemmeringen. Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.6
Luchtkwaliteit
5.6.1 Kader Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt. Ook als de gemeente in kwestie deel uitmaakt van een van de aangewezen agglomeraties, moeten de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht worden genomen. De gemeente Schouwen-Duiveland bevindt zich niet in een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit.