1012982 Bijlage 4 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
4.7
Ecologie
Beleid en normstelling Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de voor de natuurlijke habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een ontwikkeling dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend mee ingestemd worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken
35/642
van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het project worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het project is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en; de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden.
De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Onderzoek Gebiedsbescherming Het projectgebied is niet gelegen in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen daarom worden uitgesloten. Vanwege de ligging van het projectgebied nabij Natura
36/642
2000-gebied zouden andere effecten (zoals verzuring/vermesting, verdroging, licht en geluid) op dit Natura 2000-gebied als gevolg van de ontwikkeling kunnen optreden. Stikstof De projectontwikkeling ziet in een ontwikkeling met een verandering/toename van functies, zie hoofdstuk 2. Door de wijzigingen in verkeersstromen is er tijdens de gebruiksfase mogelijk sprake van een verandering in stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied met meerdere stikstofgevoelige habitats. Voor de berekening van stikstofdepositie op stikstofgevoelige gebieden wordt onderscheid gemaakt in de gebruiksfase en in de aanlegfase. De 6 nieuwe recreatieve verblijfseenheden verbruiken in de toekomstige situatie geen gas. Derhalve is in de toekomstige situatie alleen sprake van emissie van verkeersbewegingen. Om significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van de betreffende Natura 2000-gebieden te kunnen uitsluiten, zijn AERIUS-berekeningen van de realisatiefase en de gebruiksfase uitgevoerd. In de AERIUS-memo, zie bijlage 9, zijn de uitgangspunten van deze berekeningen omschreven. Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de aanleg- en gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling. De uitbreiding van Camping Zonnedorp zal geen significante effecten hebben op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Kop van Schouwen.
Voor de aspecten licht en geluid wordt verwezen naar soortenbescherming. Het aspect verdroging is onderbouwd in paragraaf 4.6. De wijziging van stikstofdepositie zal als gevolg van de ontwikkeling niet leiden tot toename van de vermesting/verzuring. De ontwikkeling heeft daarom geen significant negatieve effecten op natuurgebieden. Soortenbescherming Om uit te sluiten dat de voorgenomen ontwikkeling nadelige invloed heeft op beschermde dier- en plantensoorten is reeds in 2018 een Quickscan flora en fauna uitgevoerd op het uit te breiden deel aan de noordzijde van het projectgebied. Het onderzoek uit 2018 is inmiddels verouderd. In 2021 is een nieuwe Quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de bosschage van het uit te breiden deel, zie bijlage 10. Hieruit blijkt dat voor vleermuizen, vogels met vaste verblijfsplaats, grondgebonden zoogdieren en herpetofauna aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Dit aanvullende onderzoek is in oktober 2021 afgerond, zie bijlage 11. Op basis van het aanvullende onderzoek kan worden uitgesloten dat er verblijfplaatsen van vleermuizen in het projectgebied aanwezig zijn. Wel blijkt uit de inventarisaties dat de te kappen bomen worden benut door gewone dwergvleermuizen om langs te navigeren en foerageren. Er kan echter niet worden gesproken van essentieel(e) foerageergebied of -vliegroutes.
In de directe omgeving (langs de Rampweg) is voldoende geschikt foerageergebied aanwezig. Daarnaast blijft de functionaliteit van het projectgebied (als onderdeel) van een vliegroute of foerageergebied deels behouden ondanks de voorgenomen werkzaamheden. Door 'vleermuis-vriendelijke' verlichting toe te passen kan verstoring van foeragerende vleermuizen verder worden beperkt. Vriendelijke verlichting voor vleermuizen is oranje rood van kleur (Amber kleurig). Op basis van de resultaten kan het worden uitgesloten dat het projectgebied onderdeel uitmaakt van de essentiële functionele leefomgeving van de buizerd. Daarom bestaan er geen verdere verplichtingen ten aanzien van deze soortgroep, wel dient de zorgplicht in acht genomen te worden. Het projectgebied is geschikt om te fungeren als jachtgebied voor de wezel, daarnaast biedt het projectgebied door de aanwezige takkenhopen verblijfsmogelijkheden voor de wezel. Door werkzaamheden
37/642
uit te voeren buiten de voortplantingsperiode, zoveel mogelijk bomen en struik te behouden en door het behoud van takkenhopen dan wel het aanleggen van een takkenril kan verstoring van de wezel worden beperkt/voorkomen en kan het worden voorkomen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden. De haas en het konijn benutten het projectgebied. Door het dichte karakter van de bosschage is deze echter niet geschikt om als foerageergebied te worden benut. Tijdens het verrichte onderzoek zijn geen strikt beschermde soorten amfibieën of reptielen aangetroffen binnen het projectgebied. Voor deze soortengroep gelden geen verdere verplichtingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming behalve de zorgplicht. Binnen het projectgebied zijn nesten van de zwarte kraai en de kauw aangetroffen. Nesten van deze soorten zijn alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Geadviseerd wordt de kapwerkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden. Voor de werkzaamheden in het compensatiegebied Korte Moermondsweg te Renesse is aanvullend onderzoek uitgevoerd m.b.t. de rugstreeppad, heikikker en levendbarende hagedis. Deze soorten zijn alle drie beschermd onder de Wet natuurbescherming.
Het projectgebied is potentieel geschikt leefgebied voor deze soorten, en gezien deze soorten in de omgeving van het projectgebied voorkomen, is onderzocht of ze ook in het projectgebied zelf aanwezig zijn. Tijdens meerdere uitvoerige veldbezoeken in verschillende weersomstandigheden en op verschillende tijdstippen in juli en augustus zijn de levendbarende hagedis en heikikker niet aangetroffen. Met betrekking tot de rugstreeppad is eind april-begin mei koorroep gehoord in het projectgebied op twee locaties. Bij latere bezoeken is de rugstreeppad niet meer gezien/gehoord, maar dit kan verband hebben met de erg droge periode tijdens de zomerbezoeken. Tijdens de veldbezoeken zijn verspreid over het gebied ook nog drie andere amfibieënsoorten waargenomen: groene kikker, bruine kikker en gewone pad. Ook zijn er muizen, konijnen en een groene specht gezien (zie Bijlage 12). Rugstreeppad Het leefgebied moet geschikt blijven of geoptimaliseerd worden voor de rugstreeppad. Het projectgebied vormt een onderdeel van het totale leefgebied. In de omgeving is de rugstreeppad ook actief. Met het compensatiegebied wordt er extra natuur gecreëerd. De leefomgeving van de rugstreeppad wordt daarmee vergroot en door de aanleg van een ondiepe plas en laagtes die kunnen vollopen met water ook geoptimaliseerd.
Bij de ontwikkeling van het projectgebied tot compensatiegebied moet rekening gehouden worden met de functionele leefomgeving van de rugstreeppad. De rugstreeppad moet tijdens de werkzaamheden veilig kunnen vluchten naar een geschikte schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen. Ook moeten de werkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Met in achtneming van de genoemde maatregelen kan er worden geconcludeerd dat er geen strijdigheid is met de Wet natuurbescherming. Zorgplicht Voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Manieren om aan de zorgplicht te voldoen zijn bijvoorbeeld:
38/642
het materieel/de persoon die de ingreep uitvoert dient zodanig gepositioneerd te zijn dat eventueel aanwezige dieren een vrije vluchtroute hebben naar een bereikbaar en veilig alternatief habitat; in verband met verstoring van aanwezige dieren worden de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd; aanwezige beplanting binnen het projectgebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden. Mitigatiegebied In het mitigatiegebied worden geen bomen gerooid. Daar wordt de natuurlijke inrichting juist versterkt. De functiewijziging naar deels een parkeerplaats betreft een planologische wijziging van een reeds geruime tijd in gebruik zijnde voorziening. Om negatieve effecten hier uit te kunnen sluiten is eind 2022 een Quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie bijlage 13. Vleermuizen: De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen kan met zekerheid uitgesloten worden. Daarnaast zullen vleermuizen het projectgebied mogelijk wel gebruiken om te foerageren maar betreft het geen essentieel foerageergebied en/of vliegroute. Omdat het projectgebied een relatief klein oppervlakte heeft en er is in de omgeving veel van het soortgelijk foerageer gebied aanwezig. Ook blijft een groot deel van de huidige vegetatie staan waardoor er ook geen afname vormt van foerageer gebied.
Voor vleermuizen zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen dan de zorgplicht. Vogels met een vaste verblijfplaats: Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het projectgebied die mogelijk in gebruik zijn door soorten als de Buizerd of de Sperwer. Voor de nesten van de kraaiachtigen zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen dan de zorgplicht. Algemene broedvogels: Binnen het projectgebied zijn waarnemingen gedaan van algemene broedvogels. Deze vogels zijn beschermd tijdens het broedseizoen wanneer deze een nest met eieren en/of jongen hebben. Het is aan te bevelen om de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden om verstoring en vernietiging van nesten te voorkomen. Wanneer er toch in het broedseizoen gewerkt wordt dient er vooraf door een deskundige een broedvogelcheck uitgevoerd te worden voordat het projectgebied wordt vrijgegeven. Grondgebonden zoogdieren: Er is geen sprake van significant nadelige effecten op beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. Omdat de huidige vegetatie zo goed als blijft staan worden er geen nadelige effecten verwacht. Voor het grasperceel wordt juist meer natuur gerealiseerd wat weer een positiever effect heeft. Er zijn vanuit de Wet natuurbescherming derhalve geen andere verplichtingen dan de zorgplicht.
Herpetofauna: de Rugstreeppad, Heikikker en Levendbarende Hagedis zijn mogelijk in of rondom het projectgebied aanwezig. Omdat alle soorten rondom en mogelijk in het projectgebied voorkomen is het van belang dat met de plannen voor het herinrichten van het projectgebied rekening wordt gehouden met deze soorten. Afhankelijk van wat de plannen zijn en welke werkzaamheden worden uitgevoerd voor het gebied moet er rekening worden gehouden met de herpetofauna. Als het gebied wordt vol geplant moet er naar alle soorten onderzoek gedaan worden. Wanneer er wordt gegraven in het gebied moet ook hiervoor onderzoek gedaan worden naar de verschillende soorten. Wanneer is aangetoond dat er een of meerdere soorten voorkomen in het gebied, en de werkzaamheden hebben een mogelijk negatief effect moeten de soorten worden afgevangen in het gebied. Voor het afvangen van deze soorten is er wel een ontheffing nodig. Als er geen beschermde soorten worden waargenomen, is de beste mogelijkheid om het gebied af te
39/642
rasteren. Dit om te voorkomen dat in de buurt voorkomende soorten tijdens de werkzaamheden het werkterrein kunnen betreden. Als beschermde soorten aanwezig zijn, zal door het nemen van maatregelen, in combinatie met het zo nodig aanvragen van een ontheffing worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Uit het rapport blijkt dat vervolgonderzoek, maatregelen en een mogelijke ontheffing noodzakelijk zijn ten aanzien van de herpetofauna, dit wordt de komende tijd in gang gezet. Ook zal de zorgplicht zoals beschreven in de quickscan in acht genomen worden. De mitigerende maatregelen aangaande de werkzaamheden op het uit te breiden deel aan de noordzijde van het projectgebied dienen te worden beschreven in een ecologisch werkprotocol. Dit werkprotocol is als bijlage 14 toegevoegd. Rekening houdend met de mitigerende maatregelen en zorgplicht voldoet de ontwikkeling aan de vereisten gesteld in de Wet natuurbescherming en het relevante natuurbeleid van de provincie. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt, rekening houdend met de te nemen maatregelen en zorgplicht zoals opgenomen in het werkprotocol, niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden of effecten op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
4.8
Verkeersaspecten
Toetsingskader Bij een ruimtelijk project dat nieuwe activiteiten mogelijk maakt, dient onder meer voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn en mag de eventuele verkeerstoename niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Onderzoek Parkeren Op basis van de memo 'kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme' hanteert de gemeente Schouwen-Duiveland een kengetal van 1 parkeerplaats per 3 slaapplaatsen voor de parkeerbehoefte. Omdat de insteek is om voor het gehele terrein, en niet enkel de beoogde uitbreiding, te voldoen aan de parkeernormen, wordt hierna de parkeeropgave getoetst. Het aantal parkeerplaatsen is afhankelijk van het aantal slaapplaatsen. Het aantal slaapplaatsen op niet-permanente standplaatsen en voor permanente standplaatsen bedraagt gemiddeld 3,5 slaapplaatsen per standplaats (conform gegevens camping Zonnedorp). De bestaande en de nieuwe kampeerhuisjes zijn voorzien van 4 slaapplaatsen per kampeerhuisje. De parkeerbehoefte van de toekomstige en huidige situatie is berekend in tabellen 4.9.1 en 4.9.2. Tabel 4.9.1 Parkeerbehoefte toekomstige situatie Aantal Niet-permanente standplaatsen (3,5 s.p.) 69 Permanente standplaatsen (3,5 s.p.) 137
40/642
slaapplaatsen (s.p.) 241,5 479,5
norm 1 p./3 s.p. 1 p./3 s.p.
parkeerbehoefte 80,5 159,9
Kampeerhuisjes (4 s.p.) Totaal
37
148
1 p./3 s.p.
49,3 290
Aantal 69 137 31
slaapplaatsen (s.p.) 241,5 479,5 124
norm 1 p./3 s.p. 1 p./3 s.p. 1 p./3 s.p.
parkeerbehoefte 80,5 159,9 41,3 282
Tabel 4.9.2 Parkeerbehoefte huidige situatie Niet-permanente standplaatsen (3,5 s.p.) Permanente standplaatsen (3,5 s.p.) Kampeerhuisjes (4 s.p.) Totaal
Uit tabel 4.9.1 blijkt dat bij een volledige bezetting van de camping de totale parkeerbehoefte in de toekomstige situatie 290 parkeerplaatsen bedraagt. Dit betreft een toename van de parkeerbehoefte van 8 parkeerplaatsen (290 - 282). De parkeerbehoefte wordt opgevangen binnen het terrein van Camping Zonnedorp en de parkeerplaats ten zuiden van de Korte Moermondsweg. Bij elke standplaats en bij elk kampeerhuisjes is één parkeerplaats aanwezig. Ook bij de 6 nieuwe kampeerhuisjes wordt bij elk kampeerhuisje één parkeerplaats gerealiseerd. Dit betekent dat bij de recreatieve verblijven in totaal 243 parkeerplaatsen aanwezig zijn. Nabij de entree zijn daarnaast 5 parkeerplaatsen aanwezig. Op de parkeerplaats aan de overzijde zijn 61 parkeerplaatsen aanwezig. In totaal is sprake van 309 parkeerplaatsen. Daarmee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte van de huidige en toekomstige situatie. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie wordt op basis van de memo 'kengetallen parkeren en verkeer Agenda Toerisme' berekend op basis van 2,2 mvt/etmaal per parkeerplaats. Het aantal parkeerplaatsen per type verblijfseenheid is hiervoor berekend in tabel 4.9.1 en 4.9.2. De verkeersgeneratie van de toekomstige en huidige situatie is berekend in tabel 4.9.3. Tabel 4.9.3 Verkeersgeneratie toekomstige situatie parkeerplaatsen Huidige situatie 282 Nieuwe kampeerhuisjes 8 Toekomstige situatie 290
norm 2,2 p/p 2,2 p/p 2,2 p/p
verkeersgeneratie 620,4 mvt/etmaal 17,6 mvt/etmaal 638 mvt/etmaal
Uit tabel 4.9.3 blijkt dat de totale verkeersgeneratie in de toekomstige situatie 638 mvt/etmaal bedraagt. Dit betreft een toename van de verkeersgeneratie van 18 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Verkeersafwikkeling De recreatieverblijven op Camping Zonnedorp worden deels via de zuidzijde en deels via de noordzijde van het terrein ontsloten. De hoofdentree en de gronden ten zuiden van de Korte Moermondsweg worden ontsloten via de Korte Moermondsweg. De camping en de parkeerplaats hebben beide één aansluiting op de Korte Moermondsweg. Via de Korte Moermondsweg gaat het verkeer in oostelijke richting naar de N652. Via de westelijke zijde is het
41/642
centrum van Renesse te bereiken. De kampeerhuisjes op de noordzijde van het terrein worden los ontsloten ten opzichte van het zuidelijke deel. Via de oostzijde is het terrein te bereiken via de Scharendijkseweg. Deze komt aan de noordzijde uit op de Rampweg en aan de zuidzijde op de Korte Moermondsweg. Via de westzijde is het terrein te bereiken via het parkeerterrein aan de Rampweg. Conclusie Ten aanzien van de verkeersaspecten zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.9
Wegverkeerslawaai
Beleid en normstelling Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Kampeerhuisjes worden op basis van de Wet geluidhinder niet aangemerkt als geluidgevoelige functie. Dat laat onverlet dat de ontwikkelaar een goed verblijfsklimaat wil verzekeren. Om die reden worden de kampeerhuisjes getoetst als ware zij een geluidgevoelige functie.
Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient voor geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van gezoneerde wegen en binnen de zone van de ontwikkelingslocatie, onderzocht te worden of het akoestisch
42/642
leefklimaat niet wordt belemmerd. De recreatieverblijven binnen camping Zonnedorp, inclusief de fruitboomgaard, zijn bestaande objecten en hoeven niet als dusdanig te worden onderzocht. Met de realisatie van 6 nieuwe recreatieve verblijfseenheden in de noordwest hoek is echter sprake van de toevoeging van nieuwe geluidgevoelige objecten binnen gronden waar deze voorheen niet waren toegestaan. Voor dit deel is akoestisch onderzoek noodzakelijk. Uit onderzoek, in 2016 uitgevoerd door Vliex Akoestiek en Lawaaibeheersing, wordt geconcludeerd dat als gevolg van de realisatie van de 6 nieuwe recreatieverblijven, geen verslechtering van het akoestisch leefklimaat optreedt voor geluidgevoelige objecten in de nabije omgeving. Daarnaast kunnen de nieuwe recreatieverblijven mogelijk worden gemaakt in een acceptabel leefklimaat ten gevolge van het wegverkeer op de Rampweg en het geluid vanaf het naastgelegen parkeerterrein, indien op de perceelsgrens met het parkeerterrein een scherm of wal wordt opgericht. Vanwege onder andere de iets gewijzigde positionering van de bebouwing, ten opzichte van de inrichting uit 2019, is in 2021 een aanvullende notitie opgesteld. Uit de notitie blijkt dat ter plaatse van de nu geprojecteerde uitbreiding de geluidbelasting vanwege de Rampweg, zonder het treffen van maatregelen in de overdracht, niet meer zal bedragen dan 48 dB.
Uit de notitie blijkt verder dat vanwege het gebruik van het parkeerterrein ten zuiden van de Korte Moermondsweg de maximale geluidniveaus op de gevels van woningen van derden niet worden overschreden. Het gebruik van het parkeerterrein vormt dan ook geen belemmering. Afschermende maatregelen op de perceelsgrens zijn dan ook niet noodzakelijk. Het volledige onderzoek uit 2016 en het uitgevoerde addendum is bijgevoegd in bijlage 15 en bijlage 16. In bijlage 17 is de aanvullende notitie uit 2021 opgenomen. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde projectvoornemen niet zal leiden tot een onaanvaardbaar akoestisch klimaat ter plaatse van het projectgebied en dat de ontwikkeling geen belemmering vormt voor gevoelige functies in de omgeving. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Milieuhinder en bedrijven Beleid en normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen en recreatiewoningen: een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen en recreatiewoningen; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid, woningen en recreatiewoningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit project gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de
43/642
maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Voor de beoordeling is het van belang om te weten of het gebied getypeerd kan worden als een rustige woonwijk of een gemengd gebied. Een gemengd gebied wordt als volgt getypeerd: “Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven". Onderzoek Binnen het projectgebied is sprake van een bestaand recreatieterrein, inclusief fruitboomgaard, een uit te breiden deel, een parkeerterrein en natuurontwikkeling. Omdat binnen het bestaande recreatieterrein, inclusief fruitboomgaard, geen sprake is van planologische wijzigingen, behalve de afname van het totaal aantal eenheden, is toetsing aan de richtafstanden voor dit deel niet noodzakelijk. De 6 nieuwe recreatieverblijven worden echter gerealiseerd binnen het uit te breiden deel. Overeenkomstig de VNG-publicatie geldt voor 'kampeercentra, vakantiecentra' een richtafstand van 50 meter in een rustig buitengebied/rustige woonwijk. De dichtstbijzijnde woning (Rampweg 9) is gelegen op circa 35 meter van het uit te breiden deel. Aan de richtafstand wordt niet voldaan. De genoemde richtafstand geldt voor grote vakantiecentra en kampeercentra met bijbehorende voorzieningen.
Omdat de beoogde ontwikkeling slechts 6 nieuwe kampeerhuisjes omvat zal ter plaatse van de woning geen relevante milieuhinder optreden. Bovendien is het bestaande deel van het vakantiepark reeds dichter bij de woning Rampweg 9 gelegen. Het parkeerterrein aan de overzijde van de Korte Moermondsweg is gelegen op circa 29m van de bedrijfswoning behorende bij de inrichting, Korte Moermondsweg 5A. De woningen Laone 16 en Korte Moermondsweg 8 zijn gelegen op meer dan 100 meter van het parkeerterrein. De afstand tot de woning Korte Moermondsweg 3 is ruim 60 meter. Voor een parkeerterreinen geldt volgens de VNG-brochure een richtafstand van 30m in een rustig buitengebied/rustige woonwijk en 10 meter voor gemengd gebied. Aangezien de bedrijfswoning van Zonnedorp onderdeel uitmaakt van de inrichting, is de richtafstand niet van toepassing op deze woning. Voor de overige woningen in de omgeving wordt ruim aan de richtafstand voldaan. Bovendien blijkt uit akoestisch onderzoek dat het gebruik van het parkeerterrein geen nadelig effect heeft om omliggende functies, zie paragraaf 4.9. De nieuwe recreatiewoningen komen op ruim 20 meter van de parkeerplaats aan de Rampweg. Tussen de parkeerplaats en de recreatiewoningen ligt een randbeplanting van 10 meter dat waar nodig aangevuld wordt met streekeigen beplanting.
Verschillende functies komen in het gebied bij elkaar; verkeer, recreatie, wonen, horeca en natuur. Het projectgebied ligt dus in een gemengd gebied en daarmee wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter. De parkeerplaats wordt met name gebruikt voor toegang tot het natuurgebied. Bezoekers van het natuurgebied parkeren voor langere tijd waardoor de parkeerplaats overdag en zeker in de avond niet intensief wordt gebruikt. De parkeerplaats staat een kwalitatief woon- en leefklimaat voor de recreatiewoningen niet in de weg. De verdere ontwikkeling van natuur aan de overzijde van de Korte Moermondsweg betreft geen activiteit met een mogelijke hinder voor gevoelige functies. Conclusie Ter plaatse van het projectgebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er worden geen
44/642
bedrijven beperkt in hun bedrijfsvoering.
4.11 Luchtkwaliteit Beleid en normstelling De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het projectvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1. weergegeven. Tabel 4.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van ) stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek De toevoeging van 6 miva-kampeerhuisjes valt ruim onder de grenswaarden en draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is daarnaast een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de N57; Dammenweg, op meer dan 2 kilometer ten oosten van het projectgebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in de prognose voor 2020 de jaargemiddelde concentraties
45/642
stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in de prognose voor 2020 ten hoogste; 13,0 µg/m³ voor NO2, 16,3 µg/m³ voor PM10 en 8,9 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,0 dagen. Omdat direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit vanwege de grotere afstand ook ter plaatse van het projectgebied het geval zijn.
Figuur 4.9.1 Uitsnede NSL tool (projectgebied met paars aangegeven) Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het project niet belemmert. Uit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu ter plaatse.
4.12 Externe veiligheid Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Ten aanzien van deze aspecten moeten de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld tot een aanvaardbaar minimum worden beperkt. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
46/642
Buisleidingen Relevant is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek In de huidige en in de toekomstige situatie is sprake van een vakantiepark. Het planologisch toegestane aantal eenheden binnen het projectgebied zal in de toekomstige situatie afnemen. Volgens de professionele risicokaart is het projectgebied grotendeels gelegen binnen de inrichtingsgrens van Camping Zonnedorp. Zowel de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar als de 1% letaliteitsafstand van Camping Zonnedorp bereiken niet het deel waar nieuwe recreatieve verblijfseenheden worden gerealiseerd. Met het projectvoornemen worden verder geen (beperkt) kwetsbare objecten gerealiseerd. Verder zijn in de nabije omgeving ook Strandpaviljoen Kijkduin en Camping Renesse aangegeven als risicovolle inrichtingen. Ook voor deze inrichtingen geldt dat de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar en de 1% letaliteitsafstand niet het projectgebied bereiken.
Verder vindt in en nabij het projectgebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, spoor, water of door buisleidingen. De N57 maakt onderdeel uit van het Basisnet en heeft een groepsrisicocontour van 73 m, maar ligt op meer dan 2 kilometer van het projectgebied. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.13 Kabels en leidingen Beleid en normstelling Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; b. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; c. defensiebrandstoffen; d. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Met eventueel aanwezige overige (planologische niet relevante) leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het projectgebied hoeft geen rekening te worden gehouden. Dergelijke kabels en leidingen zijn veelal aangelegd langs en/of in combinatie met aanwezige infrastructuur. De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (WIBON, 2018) regelt de
47/642
wijze van informatie-uitwisseling tussen netbeheerders en degenen die graafwerkzaamheden uitvoeren (particulieren en bedrijven). Doel van deze wet is onder andere de (economische) schade aan bovengrondse en ondergrondse infrastructuur van netten en netwerken te verminderen en de veiligheid van de graver en directe omgeving te bevorderen. Particulieren en bedrijven die de graafwerkzaamheden uitvoeren en ook hun opdrachtgevers moeten de graafwerkzaamheden verplicht melden bij het Kadaster met een KLIC melding en moeten ervoor zorgen dat graafwerkzaamheden zorgvuldig (kunnen) worden uitgevoerd. De WIBON wordt gehandhaafd door het Agentschap Telecom, onderdeel van het ministerie van economische zaken. Het Agentschap bezoekt ook graaflocaties en kan bij overtredingen onder meer boetes opleggen. Onderzoek en conclusie In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante hoogspanningslijnen, buisleidingen of telecomverbindingen aanwezig, waarmee voor voorliggende projectontwikkeling bestemmingsplanmatig rekening moet worden gehouden. Op het moment van daadwerkelijke realisering van de voorgenomen ontwikkeling zal tenminste drie werkdagen voor de aanvang van de graafwerkzaamheden door degene die de graafwerkzaamheden, uitvoert via een Klick-melding (moeten) worden meegedeeld waar en wanneer wordt gegraven.
De ontwikkeling vormt zodoende geen belemmering voor kabels en leidingen.
4.14 Duurzaamheid, energie en klimaatadaptatie Beleid en normstelling Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energie zuinigheid. Onderzoek en conclusie Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor energie neutrale gebouwen (ENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De nieuwbouw van de kampeerhuisjes zal hieraan voldoen. Mede met het oog op de gewenste kwaliteitsslag wordt in de nieuwe situatie duurzaam gebouwd. De te nemen duurzame maatregelen zijn een speerpunt van de ontwikkeling en zijn onder meer: de gebouwen worden gasloos verwarmd en voorzien van 'slimme' thermostaten; een lage EPC van kampeerhuisjes; onderzoek naar inkopen van duurzame stroom; een optimale situering kampeerhuisjes en waar mogelijk voorzien van zonwering en overstekken op zuidgevels; natuurontwikkeling op de park en ten zuiden van de Korte Moermondsweg. Duurzaamheid wordt ook nagestreefd in het materialenpaspoort van de bebouwing en de wijze van bouwen (ten minste deels prefab, teneinde zware bouwactiviteiten op het park zelf te voorkomen).
48/642
49/642
Hoofdstuk 5
Financiële uitvoerbaarheid
Volgens artikel 6.12 van de Wro dient tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. Het projectgebied is eigendom van de initiatiefnemer. De kosten van deze ontwikkeling zijn derhalve volledig voor rekening van de initiatiefnemer. Met de gemeente Schouwen-Duiveland is een anterieure overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat de kosten van de gehele projectontwikkeling, de voorbereiding en de uitvoering daarvan, door de initiatiefnemer worden gedragen. De raad heeft vastgesteld dat de initiatiefnemer een solvabele partij is, die over voldoende financiële draagkracht beschikt om de voorziene ontwikkeling uit te voeren. Op basis van een verrichte raming van de kosten en de financieringsopzet is vastgesteld dat sprake is van een sluitende exploitatie en dat er geen onvoorziene hoge kosten te verwachten zijn. Bovendien is gebleken van een behoefte aan de projectontwikkeling. Daarmee is de financiële uitvoerbaarheid van de projectontwikkeling afdoende gewaarborgd.
50/642
bijlagen bij toelichting
51/642
52/642
Bijlage 1
53/642
Inrichting Camping Zonnedorp
Bijlage 2
55/642
Inrichtings- en beheersplan
Vakantiepark Zonnedorp Ontwerpvoorstel miva-woningen
1
Ruimtelijke opzet In het kader van een grootschalige kwaliteitsimpuls van Vakantiepark Zonnedorp, is het gehele terrein herontwikkeld. Daarmee is op het park een strandachtige sfeer gecreëerd met duurzame recreatieverblijven. De standplaatsen voor stacaravans krijgen meer ruimte. Ook wordt de infrastructuur op het vakantiepark verbeterd en worden aan de noordzijde 31 kampeerhuisjes gerealiseerd. Het gehele vakantiepark wordt centraal bedrijfsmatig beheerd. Permanente bewoning van de miva-kampeerhuisjes wordt niet toegestaan. Vakantiepark Zonnedorp heeft het bosperceel aan de noordzijde van het vakantieparkterrein aangekocht, om op deze locatie zes miva-kampeerhuisjes te realiseren (zie Figuur 1: Weergave werkzaamheden vernieuwde aanleg Vakantiepark Zonnedorp, met rood omcirkeld).
Figuur 1: Weergave werkzaamheden vernieuwde aanleg Vakantiepark Zonnedorp (bron: VakantieparkZonnedorp, november 2017).
2
Miva-kampeerhuisjes De nieuwe miva-woningen worden gerealiseerd voor een specifieke doelgroep: mindervaliden. De woningen worden uitgevoerd als mindervaliden-kampeerhuisjes (vandaar de afkorting: miva-huisjes). Dit betreft een uitbreiding en aanvulling op de reeds aanwezige verblijfstypen op Vakantiepark Zonnedorp. In afwijking van het gemeentelijk beleid, waar voor standaardkampeerhuisjes een maximum oppervlakte van 75 m2 is toegestaan, wordt voor de oppervlakte van de beoogde kampeerhuisjes een uitzondering gemaakt. Deze afwijking geldt expliciet voor onderhavige plansituatie en de specifieke doelgroep van mindervaliden. De miva-kampeerhuisjes hebben een groter grondoppervlakte dan standaard kampeerhuisjes, van maximaal 100 m2, inclusief (aangebouwde/inpandige) berging. Het volledige gebruiksprogramma voor mindervaliden is op de begane grond: toilet, badkamer en slaapkamer. Het toilet en de badkamer zijn ruimer dan in standaardvakantiehuisjes. Ook de slaapkamer heeft een ruimere omvang, zodat het bed rondom met een rolstoel bereikbaar is. Daarnaast hebben de miva-kampeerhuisjes onder andere brede deuren en zijn de drempelloos. Op de bovenverdieping zijn een slaapkamer en badkamer voor begeleiders of familieleden.
De zes nieuwe miva-kampeerhuisjes die binnen het plangebied worden gerealiseerd, sluiten aan bij de bouwstijlvan de bestaande kampeerhuisjes op Vakantiepark Zonnedorp. De eenheden worden gerealiseerd als stijlvolle karakteristieke Zeeuwse bebouwing. De bebouwing bestaat uit één laag met een hoge kap, waarbij de wanden zwarte (gepotdekselde) damwandprofielen krijgen en een oranje dakbedekking (zie Figuur 2: Gevels en plattegrond miva-kampeerhuisjes en Figuur 3: Ontwerp en positie zes miva-kampeerhuisjes). Bij de bouw wordt bovendien rekening gehouden met de aspecten: duurzaam bouwen, klimaatbestendigheid, licht en duisternis en circulair bouwen. De miva-kampeerhuisjes zijn en blijven onderdeel van Vakantiepark Zonnedorp. De mivakampeerhuisjes richten zich op de verhuur en gebruik voor mindervaliden. Van uitponden is geen sprake. Het centrale beheer, onderhoud, verhuur en eigendom behoort tot het vakantiepark. Dit is als zodanig geborgd in de regels van dit bestemmingsplan.
Figuur 2: Gevels en plattegrond miva-kampeerhuisjes.
3
Ontwerp Naar aanleiding van de opmerkingen van de gemeente en de provincie, is het ontwerp op een aantal punten aangepast. De aanpassingen bestaan uit: het handhaven van een tien meter brede groenstrook aan de noord- en westzijde. De plaats van de woningen is hierop aangepast. Anders dan de huidige 31 woningen, is het uitgangspunt hier ‘boswoningen’.
Figuur 3: Ontwerp en positie zes miva-kampeerhuisjes.
4
Herkenbaar op de tekening zijn de volgende onderdelen: 1. Randbeplanting langs de Rampweg. Dit valt buiten het werkgebied. 2. Groenstrook van tien meter op eigen terrein aan de noordzijde. 3. Groenstrook van tien meter op eigen terrein aan de westzijde. 4. Aanwezige sloot. Deze blijft gehandhaafd in de nieuwe opzet. 5. Akoestische lijn: de rode lijn waar de gebouwen binnen moeten vallen.
Figuur 4: Terreindoorsnede.
Figuur 5: Luchtfoto van het perceel.
5
Figuur 6: Bouwrijp maken van het perceel.
6
Voorbereidingen Om het terrein geschikt te maken voor de bouwactiviteiten zijn de volgende voorbereidingen nodig: • Rooien van de beplanting met wortel en tak op het terrein (zie figuur 6, weergegeven in rood). Gezien de dichtheid van de bebouwing en de aanleg van wegen en paden, is het onmogelijk om hier bomen te handhaven. De beplanting in de toekomstige singel wordt zoveel mogelijk behouden en geborgd voor de toekomst. • Snoeien en afzetten van beplanting die een gevaar vormt voor de toekomst. Na het rooien van de beplanting buiten deze strook, wordt in deze strook beplanting – die een gevaar vormen voor de toekomst – gesnoeid of afgezet. • Aanvullen met streekeigen plantsoorten. Vervolgens wordt de strook aangevuld met streekeigen plantsoorten, zodanig dat er in de toekomst een gesloten struweel ontstaat. • Hekwerk om schade en inbreuk te voorkomen. De rand aan de bouwzijde wordt afgezet met een hekwerk tijdens de bouwperiode, om schade en inbreuk in de plantstrook zoveel mogelijk te voorkomen. Aan het eind van de bouwperiode wordt de randbeplanting nogmaals beoordeeld voor een erkende en vakkundige expert (E.T.W.) en waar nodig hersteld en aangevuld.
7
Figuur 7: Indeling van het perceel.
8
Oppervlakte- / terreinindeling Het perceel van 3850 m2 is verdeeld in de volgende onderdelen: A. Randbeplanting van tien meter breed 1175 m2 B. Woningen 600 m2 C. Beplanting op terrein 280 m2 D. Verharding wegen en parkeren 390 m2 E. Verharding rondom woning 300 m2 F. Overig terrein 1105 m2
Toelichting aan de hand van boven staande opsomming A. Randbeplanting De randbeplanting is tien meter breed. De bestaande beplanting wordt in deze strook zoveel mogelijk behouden, waar nodig gesnoeid of afgezet. De rand wordt tijdens de bouwperiode afgezet met een hekwerk ter bescherming beplanting. Op de open plaatsen wordt de beplanting aangevuld met streekeigen soorten, zodanig dat er minimaal vier planten per 9 m2 staan. Zie Plantlijst voor het assortiment. B. Woningen De woningen op het terrein zijn zodanig gepositioneerd, dat ze binnen de gestelde akoestisch grens staan. In dit schrijven wordt er op de woningen niet verder ingegaan, zie ook miva-kampeerhuisjes. C. Beplanting op het terrein Op verschillende plaatsen tussen de woningen zijn groenstroken voor het verkrijgen van enige privacy. Het uitgangspunt is om deze als los groeiende groepen aan te planten, niet als strakke haag. Dit om het boskarakter van het terrein te versterken. De beplanting bestaat uit inheemse soorten en worden in twee of drie rijen aangeplant. Afhankelijk van de aanwezige ruimte. Zie Plantlijst voor het assortiment. D. Wegen en parkeren. De toegangsweg op het perceel heeft een breedte van 4.00 meter en bestaat uit een klinkerverharding. Dit in verband met de doelgroep, want er moet rekening gehouden worden met mensen slecht ter been zijn.
De parkeerplaatsen zijn hier ook op aangepast en hebben een breedte van minimaal 3.50 meter. De rijbaan sluit aan op de bestaande verharding binnen de grenzen van Vakantiepark Zonnedorp. De afwatering van de verharding vindt plaats op het terrein, om verdroging van het terrein tegen te gaan. De uitwerking van dit systeem wordt in een vervolgstap verder uitgewerkt. E. Verharding rondom woning. Rondom de woning komt een strook van ca 1.00 meter halfverharding. Dit om het onderhoud aan en rondom de woning zo goed mogelijk uit te kunnen voeren. Deze strook kan ook dienen voor infiltratie van het regenwater vanaf het dak van de woning. Vanaf de parkeerplaats tot aan de woning komt een verhard pad voor een goede toegankelijkheid van de woning. Dit pad is ca 1.20 meter breed.
9
F. Overige terrein De rest van het terrein wordt ingezaaid met een bloemenmengsel dat geschikt is voor een schaduwrijke omgeving. Op dit deel worden ook ca 50 bomen geplant om het boskarakter te versterken. Zie Plantlijst voor het assortiment.
Plantlijst.
10
Zuidzijde vakantiepark Natuuruitbreiding Met de beoogde uitbreiding aan de noordzijde van Vakantiepark Zonnedorp verdwijnt een bosperceel en neemt de bebouwing toe. Op basis van het provinciaal beleid is voor deze ontwikkeling compensatie noodzakelijk. Ter compensatie van het bosperceel, ter compensatie van de legalisatie van het parkeerterrein en ter compensatie van de landschappelijke inpassing rondom de voormalige fruitboomgaard, wordt ten zuiden van het vakantiepark, aan de overkant van de weg bij het parkeerterrein, de aanwezige natuur uitgebreid. De realisatie en instandhouding van de uitbreiding van de natuur wordt als voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Zoals weergeven in Figuur 8: Locatie met omgeving blijft het bestaande bos ten zuiden van de Korte Moermondsweg behouden en wordt het versterkt. Het naastgelegen weiland wordt getransformeerd voor natuurontwikkeling in de vorm van grasland dat glooiend wordt aangelegd. Dit om water in het gebied langer vast te houden. Dat bevorderd een specifieke flora. Struiken en bomen worden zo geplaatst, dat er aansluiting is met het achtergelegen terrein van Slot Moermond. Door het gebied wordt een ruiterpad aangelegd, dat aansluit op bestaande ruiterpaden in de omgeving.
De natuurlijke aanleg van het gebied komt overeen met de omgeving en versterkt de ruimtelijke kwaliteit van het vakantiepark en de omgeving. De aan te brengen beplanting bestaat uit inheemse soorten. Vanwege de openbare toegankelijkheid van de locatie is recreatief medegebruik hier mogelijk. Het terrein sluit daarbij aan op zijn omgeving.
Figuur 8: Locatie met omgeving.
11
Figuur 9: Indeling percelen, huidige situatie met huidige gebruik.
12
Huidige situatie De percelen zijn op dit moment in gebruik bij Vakantiepark Zonnedorp. In de huidige situatie onderscheiden de percelen zich in verschillende onderdelen. Namelijk: • Parkeren • Uitlaatgebied voor honden • Bos • Grasland • Sport en spel Parkeren Binnen de huidige situatie is er ruimte voor het parkeren van 61 auto’s. Deze situatie ontstond voor aankoop door de huidige eigenaar. Hierdoor is het niet bekend sinds wanneer deze parkeergelegenheid precies in gebruik is. Op dit moment bestaat het parkeerterrein uit een halfverharding van gebroken puin met schelpen. Het is goed toegankelijk. Het functioneert op dit moment goed. Het parkeerterrein heeft een oppervlakte van ongeveer 1580 m2. Uitlaatgebied voor honden Een klein deel naast het parkeerterrein is ingericht als uitlaatplaats voor honden. Dit is toegankelijk voor gasten van Vakantiepark Zonnedorp. Het gebied is omsloten met een sloot en bereikbaar via een dam. De uitlaatplaats heeft een oppervlakte van ca 300 m2. Bos Op een deel van het terrein ontstond in de loop der jaren een bos. Het ontstaan van dit bos is niet geheel duidelijk. Het is aannemelijk dat een dit deel een kwekerij was, dat nooit gerooid is. Dat vermoeden is ontstaan door het assortiment aan bomen dat aanwezig is.
De samenstelling van de aanwezige bomen bestaat aan de noordzijde vooral uit beuken en berken met langs de noordgrens een rij dennen. Aan de zuidzijde bestaat het assortiment uit eiken en elzen. De kwaliteit is redelijk goed, ondanks de aanwezige bramen en de hoge waterstand in de winter. Vanaf de randen van het bos is een goed uitzicht richting het naastgelegen natuurgebied. Het bos heeft een oppervlakte van ca 5800 m2. Grasland Dit was landbouwgrond tot enkele jaren geleden. De kwaliteit van de grond is zodanig dat goede landbouw hier nagenoeg niet mogelijk is. Het perceel is een aantal jaren geleden ingezaaid met gras en wordt een of twee keer per jaar gemaaid. Een of twee keer per jaar is er een activiteit vanuit het vakantiepark verder heeft het geen functie op dit moment.
13
Figuur 10: huidig ontwerpvoorstel.
14
Toekomst Vakantiepark Zonnedorp stelde een plan op voor meerwaarde van het gebied voor het vakantiepark en de omgeving. Dit plan is in hoofdlijnen uitgewerkt. De genoemde onderdelen zijn: • Parkeren • Uitlaatgebied voor honden • Bos • Grasland • Waterpartij/laagten Parkeren Het parkeerterrein wordt op zijn huidige plaats gehandhaafd. Het aantal parkeereenheden blijft gelijk. Het enige wat nodig is, is mogelijk een kwaliteit verbetering. Uitlaatgebied voor honden Dit onderdeel functioneert goed en zal als zodanig behouden blijven. Bos Het huidige bos wordt behouden in zijn huidige vorm. Op verschillende plaatsen komt een aanvulling van struiken. Dit op plaatsen waar leegten dreigen te ontstaan. In het bosje komt een doorgang van ongeveer 3.00 meter breed ten behoeve van het ruiterpad. Grasland Dit deel zal de grootste metamorfose ondergaan. Dit deel vindt aansluiting bij het achterliggende terrein, door het beeld en de uitstraling. Binnen het gebied worden laagten aangelegd die het water op het terrein vasthouden in een natte periode en dit langzaam terug geven aan hun omgeving. Deze inrichting wordt beeldbepalend voor het terrein. Hierdoor ontstaan een naadloze aansluiten op het achtergelegen natuurgebied.
Er worden streekeigen struiken en bomen aangeplant aan de zuidkant van het bestaande bosje en een groep met beplanting ter hoogte van de dam in het midden van het perceel aan de Korte Moermondsweg. Verder komen er enkele vrijstaande bomen in het terrein volgens aanleg tekening. De nieuw aan te brengen beplanting is in vierkante meters gelijk aan het aantal vierkante meters wat gerooid wordt in het bos aan de Rampweg. Waterpartij/laagten In het grasland wordt een laagten aangelegd in een natuurlijke vorm en met verschillende diepten. De waterloopstructuur heeft gevarieerde flauwe oevers. De waterloop wordt niet verbonden met de waterloopstructuur in de omgeving. Dit geeft mogelijkheden voor een specifieke flora en fauna. Een juiste diepte zal in een vervolg onderzocht en vastgesteld worden.
15
Aanleg Parkeerterrein Parkeerterrein blijft in de huidige vorm in grote lijn gehandhaafd. Het terrein wordt aangelegd in halfverharding. De toplaag wordt voorzien van een voldoende dikke laag schelpen. Verder wordt waar nodig afwatering verbeterd. Rondom het parkeerterrein wordt een Zeeuwse haag aangeplant van verschillende inheemse soorten.
Uitlaatgebied Aan dit deel wordt nagenoeg niets aangepast. Het functioneert naar behoren. Het is een mooi afgebakend gebied. Bos In het bos zijn geen aanpassingen. Op het huidige sport- en speelveld komt de oversteek van het ruiterpad. In het bos wordt kritisch gekeken naar bestaande beplanting of deze veilig is voor de komende jaren. Aan de oostzijde komt er een uitbreiding van het bos op het huidige grasperceel . De oppervlakte van de uitbreiding is gelijk aan de te rooien hoeveelheid aan de Rampweg. Alle nieuwe aanplant bestaat uit inheemse soorten. Grasland/laagten Hier is de grootste aanpassing op het terrein. Het gehele terrein gaat namelijk op de schop. Het voorstel is een waterloopstructuur met een uitbreiding van beplanting volgens aanleg tekening. Door deze aanpassing gaat de huidige grasvegetatie geheel verloren. Het terrein wordt opnieuw geprofileerd en ingezaaid met een ruwgrasmengsel. Na de nieuwe aanleg heeft het grasland geen noemenswaardige hoogteverschillen in het terrein. Het wordt onder profiel afgewerkt richting de waterpartij. De waterloop wordt afgewerkt met flauwe gevarieerde oevers. Er wordt geen gebruik gemaakt van een beschoeiing of andere randversteviging. De diepte van de bodem is gevarieerd en wordt in een later stadium bepaald. Uitgangspunt is dat het verzamelde infiltreert.
16
Meerwaarde van het gebied voor het vakantiepark en de omgeving Om de verkeersveiligheid op het terrein te vergroten, wordt het ruiterpad langs de Korte Moermondsweg verlegd. Hiervoor is medewerking nodig van de eigenaar van het perceel ten noordwesten van het vakantiepark. Als dit problemen geeft, is er ook de mogelijkheid om het ruiterpad rond dit perceel aan te leggen. Het gebied wordt een onderdeel van de natuurontwikkeling in de directe omgeving. Door het gebied ten zuiden van het ruiterpad vrij te houden van paden, ontstaat hier een rustig gebied voor ontwikkeling van flora en fauna. De aanvulling aan beplanting in dit deel dient hierbij als vervanging voor de te rooien beplanting aan de Rampweg.
Beheer Parkeerterrein Het onderhoud op het parkeerterrein bestaat uit het regelmatig vlakken van de schelpenverharding. En het beheren van de grasranden. De haag rondom het parkeerterrein wordt een keer per jaar gesnoeid en uitgemaaid. Uitlaatgebied voor honden Regelmatig wordt het terrein gemaaid en worden de zakjes van het hondentoilet gewisseld. Bestaande bos Het bos heeft bewezen zich de afgelopen jaren goed in stand te kunnen houden. Het vraagt daarom weinig tot geen onderhoud. In hoeverre er dood hout geruimd moet worden, staat ter discussie. Het uitgangspunt hier is: zolang het geen gevaar vormt voor de omgeving wordt er niet ingegrepen. Het enige dat men hier moet monitoren, is de ontwikkeling van de bramen binnen het gebied. Ditmag niet de overhand krijgen. Tot op heden geeft dit geen problemen. Nieuwe aanplant Het beheer van de nieuw aan te planten struweel zal zich beperken tot het één á twee keer uitmaaien van de nieuw aan te planten vlakken. Dit voor een periode van twee á drie jaar. Dit is afhankelijk van de groeisnelheid. Er wordt overwogen om de nieuwe aanplant in te zaaien met klaver dit om het onderhoud nog meer te beperken. Zodra de beplanting de grasvegetatie overgroeid, stopt het maaien. In deze periode wordt ook de uitgevallen beplanting ingeboet. Het beheer van de bomen vraagt wat meer aandacht.
Gedurende de eerste vijf jaar na aanplant, wordt regelmatig gecontroleerd en minimaal één keer per jaar gesnoeid. Na deze periode heeft de boom zich zodanig ontwikkeld dat snoeien niet meer noodzakelijk is. Een uitzondering hierop is bij stormschade of vandalisme. Ook dienen na deze periode de boompalen te worden verwijderd. Grasland Het grasland en de oevers worden één keer per jaar gemaaid en afgeruimd.
17
Oppervlakte verdeling na herinrichiting Borging uitvoering en kwaliteit Om de uitvoering en kwaliteit te borgen, is de aanbeveling om de werkzaamheden door een erkend bedrijf uit te laten voeren. Een van de experts is gekwalificeerd als European Tree Worker. Met hen is een meerjarige overeenkomst aangaan. Dat bevorderd doelgericht werken en geeft een beter inzicht in de financiële gevolgen. Planning De planning bestaat uit het jaarlijks opstellen van de noodzakelijke werkzaamheden, waarin de werkzaamheden en de periode van uitvoer worden omschreven. Het heeft de voorkeur om deze planning schriftelijk vast te leggen. Dit als archief voor belanghebbende partijen.
18
74/642
Bijlage 3
75/642
Landschappelijke waarde Bosperceel Rampweg
Notitie landschapswaarde uitbreidingslocatie Camping Zonnedorp Visie vanuit landschap en beplanting. Datum: oktober 2022 Locatie: