rapport-monitor-integriteit-en-veiligheid-2022.pdf
Tekst van het document
Ik ben voorzichtiger met het plaatsen van berichten die gaan over de inhoud van mijn werk
66%
Ik kijk minder op een of meerdere sociale media platformen
33%
Ik ben voorzichtiger met het plaatsen van berichten die gaan over mijn privéleven
32%
Ik plaats minder of helemaal geen reacties meer
29%
Ik plaats minder of helemaal geen berichten meer
26%
Ik heb een persoon of organisatie geblokkeerd op het platform
21%
Ik ben gestopt met gebruik van een of meerdere sociale media platformen
13%
Ik heb een persoon of organisatie gerapporteerd aan het platform
10%
Anders
3%
0%
2.5
20%
40%
60%
80%
100%
Nazorg, reactie en optreden organisatie
Meerderheid betrokkenen heeft geen behoefte aan nazorg Zeven op de tien politieke ambtsdragers geven aan naar aanleiding van het meest recente incident van agressie of geweld geen nazorg te hebben ontvangen, maar dat dit ook niet nodig was. Van de overgebleven 30 procent, noemt net iets meer dan de helft dat er voldoende nazorg is geweest. Dit beeld is vergelijkbaar met 2020. Volgens tien procent is er niet of nauwelijks op het incident gereageerd. In twee procent van de gevallen was de nazorg niet voldoende (tabel 2.13). Tabel 2.13 – Nazorg naar aanleiding van meest recent incident12 Basis: politieke ambtsdragers die zelf een incident van agressie of geweld hebben meegemaakt (n=1.329) Er is voldoende nazorg geweest
2014
2016
2018
2020
2022
10%
11%
9%
16%
17%
Er is nazorg geweest, maar die was onvoldoende
2%
1%
2%
3%
2%
Er is niet of nauwelijks op het incident gereageerd
10%
8%
10%
8%
10%
Er was geen nazorg, maar dat was ook niet nodig
78%
79%
79%
73%
71%
12
De vraag is in 2020 iets breder gesteld dan alleen nazorg: Heeft u begeleiding/nazorg ontvangen of is er op een andere manier aandacht besteed aan het incident?
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
30 van 114
Aard en ernst incident van invloed op behoefte aan nazorg Of men behoefte aan nazorg heeft, is mede afhankelijk van de aard en ernst van het incident. Degenen die te maken hadden met minder ernstige incidenten geven vaker aan (81%) dat er geen nazorg nodig was dan politieke ambtsdragers die een ernstig incident hebben meegemaakt (45%). De groep die het incident als ernstig beoordeelde, geeft vaker aan nazorg te hebben ontvangen (tabel 2.14). Volgens net iets meer dan een op de vijf ambtsdragers die een ernstig incident mee maakte, is er niet of nauwelijks op het incident gereageerd. Tabel 2.14 – Nazorg naar aanleiding van meest recent incident, naar ernst van incident (schaal van 1-7) Minder ernstig (1-4)
Ernstig (5-7)
Totaal
(n=950)
(n=379)
(n=1.329)
Er is voldoende nazorg geweest
13%
27%
16%
Er is nazorg geweest, maar die was onvoldoende
1%
6%
3%
Er is niet of nauwelijks op het incident gereageerd
6%
23%
8%
Er was geen nazorg, maar dat was ook niet nodig
81%
45%
73%
Een vergelijkbaar beeld is te zien bij de aard van het incident. Politieke ambtsdragers die te maken hadden met verbale agressie (76%) of intimidatie (59%) geven vaker aan dat er geen nazorg nodig was dan collega-ambtsdragers die zijn bedreigd (32%) of fysiek zijn belaagd (42%). Acht op de tien ambtsdragers die negatieve of discriminerende opmerkingen hebben meegemaakt geven aan geen nazorg nodig te hebben.
2.6
Omgang met agressie en geweld door organisatie
Politieke ambtsdragers iets minder tevreden over nazorg bij incidenten De meerderheid van de politieke ambtsdragers (74%) vindt ongeacht of zij zelf een incident hebben meegemaakt, dat de organisatie in het algemeen adequaat reageert op incidenten van agressie en geweld. Dit is iets lager dan in 2020, maar vergelijkbaar met de periode daarvoor (2016-2018). Ook de tevredenheid over de nazorg die wordt verleend naar aanleiding van incidenten is lager dan in 2020, maar bevindt zich op een vergelijkbaar niveau als 2016 en 2018 (tabel 2.15). Tabel 2.15 – Reactie en nazorg bij incidenten Basis: alle politieke ambtsdragers (n=3.033)13, percentage (helemaal) mee eens met stelling
2016
2018
2020
2022
De organisatie reageert adequaat op incidenten
76%
73%
79%
74%
Nazorg incident is door de organisatie goed geregeld
61%
54%
63%
57%
Er zijn geen grote verschillen tussen de bestuurslagen waar het gaat om de reactie van de organisatie op incidenten. Wel zijn er verschillen ten aanzien van de nazorg. Politieke ambtsdragers bij waterschappen zijn hierover het meest te spreken, gevolgd door ambtsdragers bij gemeenten en provincies (tabel 2.16).
13
Bij de berekening van de percentages is de categorie ‘weet niet’ buiten beschouwing gelaten.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
31 van 114
Tabel 2.16 – Reactie en nazorg bij incidenten, naar bestuurslaag Basis: alle politieke ambtsdragers (n wisselt)14, percentage (helemaal) mee eens met stelling
Totaal De organisatie reageert
Gemeenten
Provincies
Waterschappen
2018
2020
2022
2018
2020
2022
2018
2020
2022
2018
2020
2022
73%
79%
74%
73%
79%
74%
73%
73%
73%
77%
83%
76%
54%
63%
57%
54%
63%
57%
42%
52%
47%
66%
71%
65%
adequaat op incidenten Nazorg incident is door de organisatie goed geregeld
Van de politieke ambtsdragers die een incident hebben meegemaakt, vindt 54 procent dat de nazorg door de organisatie goed is geregeld. Van degenen die hebben aangegeven daadwerkelijk nazorg/begeleiding te hebben ontvangen na een incident, vindt 64 procent dat de nazorg goed is geregeld. Wanneer gekeken wordt naar de verschillende functies binnen de gemeente blijkt dat raadsleden minder vaak tevreden zijn over de reactie op incidenten en de nazorg dan wethouders en burgemeesters. Ook vinden ze minder vaak dat de organisatie adequaat reageert op incidenten (tabel 2.17). Tabel 2.17 – Reactie en nazorg bij incidenten, naar functie Basis: alle politieke ambtsdragers (n wisselt)15, percentage (helemaal) mee eens met stelling
Gemeenten De organisatie reageert
Burgemeesters
Wethouders
Raadsleden
2018
2020
2022
2018
2020
2022
2018
2020
2022
2018
2020
2022
73%
79%
74%
87%
87%
86%
84%
90%
85%
70%
76%
71%
54%
63%
57%
81%
74%
70%
69%
77%
73%
49%
59%
53%
adequaat op incidenten Nazorg incident is door de organisatie goed geregeld
Twee derde vindt dat organisatie zich voldoende inzet om incidenten te voorkomen Twee op de drie politieke ambtsdragers zijn van mening dat de organisatie voldoende doet om incidenten te voorkomen. Dit cijfer is in de periode 2016-2022 met enige schommelingen afgenomen (tabel 2.18). Gemiddeld vindt een op de drie ambtsdragers dat zij voldoende voorlichting of training hebben gehad over de omgang met agressie en geweld door burgers. Vrijwel alle politieke ambtsdragers zeggen te weten wanneer het gedrag van burgers de grens overgaat van wat acceptabel is. Ze weten vervolgens in iets mindere mate wat ze in deze situatie kunnen doen. Provinciale bestuurders en Statenleden zijn minder tevreden over wat de organisatie doet aan preventie van agressie en geweld in vergelijking met bestuurders van waterschappen. Ook hebben zij minder vaak training gehad en weten zij minder goed wat zij kunnen doen als burgers onacceptabel gedrag vertonen (tabel 2.19).
14 15
Bij de berekening van de percentages is de categorie ‘weet niet’ buiten beschouwing gelaten. Idem.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
32 van 114
Tabel 2.18 – Houding t.a.v. preventie, voorlichting en training Basis: alle politieke ambtsdragers (n wisselt)16, percentage (helemaal) mee eens met stelling
2016
2018
2020
2022
76%
69%
73%
67%
33%
29%
33%
33%
Ik weet wanneer gedrag van burgers de grens overgaat van wat acceptabel is
-
-
89%
92%
Ik weet wat ik kan doen als gedrag van burgers niet acceptabel is
-
-
-
73%
Organisatie doet voldoende om agressie en geweld door burgers te voorkomen Ik heb voldoende voorlichting/training gehad over hoe om te gaan met agressie en geweld door burgers
Tabel 2.19 – Houding t.a.v. preventie, voorlichting en training Basis: alle politieke ambtsdragers (n=3.033)17, percentage (helemaal) mee eens met stelling
Gemeenten Organisatie doet voldoende om
Provincies
Waterschappen
2018
2020
2022
2018
2020
2022
2018
2020
2022
68%
73%
67%
63%
70%
64%
80%
83%
76%
30%
33%
33%
24%
27%
27%
27%
34%
33%
-
90%
91%
-
91%
95%
-
90%
92%
-
-
73%
-
-
61%
-
-
68%
agressie en geweld door burgers te voorkomen Ik heb voorlichting/training gehad over hoe om te gaan met agressie en geweld door burgers Ik weet wanneer gedrag van burgers de grens overgaat van wat acceptabel is Ik weet wat ik kan doen als gedrag van burgers niet acceptabel is
In vergelijking met burgemeesters en wethouders vinden raadsleden minder vaak dat de organisatie voldoende doet om agressie en geweld door burgers te voorkomen (tabel 2.20). Daarnaast zijn zowel wethouders als raadsleden minder te spreken over de mate waarin zij voorlichting en training hebben gehad over de omgang met agressie en geweld. Tabel 2.20 – Houding t.a.v. preventie, voorlichting en training, naar gemeentefunctie Basis: alle politieke ambtsdragers (n=3.033)18, percentage (helemaal) mee eens met stelling Organisatie doet voldoende om agressie en geweld door burgers te
Burgemeesters
Wethouders
Raadsleden
84%
79%
64%
65%
37%
31%
97%
92%
91%
88%
75%
73%
voorkomen Ik heb voldoende voorlichting/training gehad over hoe om te gaan met agressie en geweld door burgers Ik weet wanneer gedrag van burgers de grens overgaat van wat acceptabel is Ik weet wat ik kan doen als gedrag van burgers niet acceptabel is
16
Bij de berekening van de percentages is de categorie ‘weet niet’ buiten beschouwing gelaten. De stelling ‘Ik weet wanneer het gedrag van burgers de grens overgaat van wat acceptabel is’ is nieuw in de vragenlijst van 2020. De stelling ‘Weet wat ik kan doen als gedrag van burgers niet acceptabel is’ is nieuw in de vragenlijst van 2022. Een vergelijking met eerdere metingen is daarom niet mogelijk. De categorie ‘weet niet’ is buiten beschouwing gelaten. 18 Bij de berekening van de percentages is de categorie ‘weet niet’ buiten beschouwing gelaten. 17
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
33 van 114
2.7
Invloed van agressie en geweld
Het risico om in aanraking te komen met agressie of geweld kan van invloed zijn op de wijze waarop politieke ambtsdragers hun werk doen en besluiten worden genomen. Zo zegt ruim een kwart van de politieke ambtsdragers dat het risico om in aanraking te komen met agressie en geweld, de beslissingen van het bestuur beïnvloedt. Een veel lager percentage (7%) zegt dat het hun eigen beslissingen beïnvloedt (tabel 2.21). Eveneens een kwart zegt dat het risico om in aanraking te komen met agressie van invloed is op het persoonlijke leven en bij iets minder dan de helft heeft de mogelijke confrontatie met agressie invloed heeft op hun omgang met sociale media. Negen procent heeft naar eigen zeggen wel eens overwogen om te stoppen als politieke ambtsdrager vanwege ervaringen met agressie en geweld. Met name onder politieke ambtsdragers bij provincies heeft het risico in aanraking te komen met agressie en geweld invloed op het eigen gedrag en dat van collega’s. Tabel 2.21 – Invloed van agressie en geweld op gedrag van politieke ambtsdragers Basis: alle politieke ambtsdragers (n wisselt)19, percentage (helemaal) mee eens met stelling
Gemeenten
Provincies
Water-
Totaal
schappen Het risico om in aanraking te komen met agressie en geweld beïnvloedt de beslissingen van het bestuur Het risico om in aanraking te komen met agressie en geweld beïnvloedt mijn beslissingen Het komt wel voor dat standpunten van collega’s beïnvloed worden door agressie en geweld
27%
37%
23%
27%
8%
8%
4%
7%
19%
26%
11%
19%
9%
12%
6%
9%
25%
24%
16%
24%
45%
52%
34%
45%
Ik heb wel eens overwogen om te stoppen als politieke ambtsdrager doordat ik te maken had met agressie en geweld Het risico om in aanraking te komen met agressie en geweld beïnvloedt mijn persoonlijke leven Het risico om in aanraking te komen met agressie en geweld beïnvloedt mijn sociale-mediagebruik
19
De stelling ‘Ik weet wanneer het gedrag van burgers de grens overgaat van wat acceptabel is’ is nieuw in de vragenlijst van 2020. De stelling ‘Weet wat ik kan doen als gedrag van burgers niet acceptabel is’ is nieuw in de vragenlijst van 2022. Een vergelijking met eerdere metingen is daarom niet mogelijk. De categorie ‘weet niet’ is buiten beschouwing gelaten.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
34 van 114
Zoals hiervoor opgemerkt, heeft negen procent van de politieke ambtsdragers wel eens overwogen om te stoppen met hun werk doordat zij te maken hadden met agressie en geweld. Dit aandeel is gegroeid sinds 2020, toen zes procent wel eens overwoog om te stoppen. Bij de overige stellingen is het beeld in lijn met dat van eerdere jaren (tabel 2.22). Tabel 2.22 – Invloed van agressie en geweld op gedrag van politieke ambtsdragers Basis: alle politieke ambtsdragers (n wisselt)20, percentage (helemaal) mee eens met stelling21 Het risico om in aanraking te komen met agressie en geweld beïnvloedt mijn beslissingen Het komt voor dat standpunten van collega’s beïnvloed worden door agressie en geweld
2016
2018
2020
2022
6%
6%
8%
7%
24%
14%
22%
19%
-
-
6%
9%
Ik heb wel eens overwogen om te stoppen als politieke ambtsdrager doordat ik te maken had met agressie en geweld
20
De stelling ‘Ik weet wanneer het gedrag van burgers de grens overgaat van wat acceptabel is’ is nieuw in de vragenlijst van 2020. De stelling ‘Weet wat ik kan doen als gedrag van burgers niet acceptabel is’ is nieuw in de vragenlijst van 2022. Een vergelijking met eerdere metingen is daarom niet mogelijk. De categorie ‘weet niet’ is buiten beschouwing gelaten. 21 Deze tabel betreft alleen de stellingen die in eerdere jaren zijn uitgevraagd.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
35 van 114
2.8
Melden en bespreken van incidenten
Om meer zicht te krijgen op de reactie van politieke ambtsdragers op agressie en geweld in de praktijk hebben we vijf mogelijke voorvallen beschreven. Iedere politieke ambtsdager kreeg willekeurig drie van de vijf voorvallen van agressief of gewelddadig gedrag voorgelegd met de vraag of ze deze incidenten zouden bespreken met anderen. Dat kan variëren van het bespreken met collega’s tot het opnemen van contact met het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur of het melden van het incident bij de politie. Bij alle voorvallen bespreekt het overgrote deel van de politieke ambtsdragers (85% of meer) de kwestie met collega’s (figuur 2.11). Uit de casussen blijkt dat er een samenhang is tussen de ernst van het incident en de bereidheid om het te melden of aangifte te doen. Relatief ernstige incidenten zoals dreigen met geweld, het spugen in het gezicht en het openbaar maken van het huisadres (‘doxing’), zijn vaker redenen voor politieke ambtsdragers om een interne melding te doen of contact te zoeken met de politie. Als de situatie is opgelost, zoals het voorval bij de inspraakbijeenkomst laat zien (casus verbale agressie face to face), wordt hiervan minder vaak een interne melding gedaan. Verbale agressie (zowel online als offline) wordt in vergelijking met de andere incidenten minder vaak gemeld of aangegeven bij de politie.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
36 van 114
Figuur 2.11– Reacties van politieke ambtsdragers naar aanleiding van de bedreigende situaties (% zeker/waarschijnlijk melden/bespreken Basis: alle politieke ambtsdragers (n=3.033)22
Casus 1
Bedreiging (face to face). Buiten bij uw werkplek wacht iemand u op. Deze persoon dreigt met geweld.
Casus 2
Fysiek geweld (face to face). Tijdens een afspraak wordt een man zo boos dat hij u in uw gezicht spuugt.
Casus 3
Intimidatie (online). Iemand stuurt u via Facebook een bericht waarbij hij dreigt uw huisadres openbaar te maken. Verbale agressie (online). Onder een van uw berichten op Twitter reageert een anonieme burger dat u een oplichter bent en dat u ontslagen zou moeten worden. Dit is de derde keer dat u deze reactie krijgt van deze persoon. Verbale agressie (face to face). Tijdens een inspraakbijeenkomst verheft een vrouw haar toon, en zegt “jullie moeten je schamen!” en “jullie geven niets om mij!”. De persoon ziet er emotioneel uit. U gaat een gesprek met haar aan, waarna zij weer enigszins kalmeert.
Casus 4
Casus 5
100% 90% 80% 70%
97%
97%
95%
87%
84%
86%
80%
85%
72%
60%
62%
50% 40%
92%
63%
58% 51%
45%
38%
30%
31%
20%
35% 29% 19%
10%
23%
25% 2% 2%
0% Bedreiging (f2f) Fysiek geweld (f2f)
Intimidatie (online)
Verbale agressie (online)
7%
Verbale agressie (f2f)
bespreken collega interne melding maken melding doen bij politie aangifte doen bij de politie contact opnemen met ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur
22
Alle politieke ambtsdragers kregen willekeurig drie van de vijf situaties voorgelegd.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
37 van 114
2.9
Intern ongewenst gedrag
Naast uitingen van agressie en geweld van burgers, ondernemers en andere personen van buiten de organisatie (externe agressie), kunnen politieke ambtsdragers ook te maken krijgen met ongewenst gedrag vanuit de eigen organisatie. Het kan hierbij gaan hier om kwetsende of kleinerende opmerkingen, schelden, roddelen, iemand buitensluiten of ongelijk behandelen, bedreiging, (seksuele) intimidatie, fysieke agressie of vernieling van voorwerpen. 23 Elf procent van de politieke ambtsdragers heeft in de twaalf maanden voorafgaand aan het onderzoek te maken gehad met een of meer gevallen van intern ongewenst gedrag (figuur 2.12).24 In 2020 was dit 13 procent. Deze lichte daling kan te maken hebben met het vele thuiswerken tijdens de coronapandemie, waardoor er mogelijk minder incidenten op de werkvloer waren. De vraag is of deze daling zich in de toekomst voortzet, nu er weer vaker op kantoor wordt gewerkt. Vrouwelijke politieke ambtsdragers hebben bijna drie keer zo vaak te maken met intern ongewenst gedrag (20%) dan hun mannelijke collega’s (7%). Van de raadsleden is twaalf procent hiermee geconfronteerd, bij burgemeesters en wethouders is dit respectievelijk elf en zeven procent, nagenoeg gelijk aan het beeld van 2020.
Omdat het aantal incidenten bij provincies en waterschappen in absolute zin laag is, wordt in deze paragraaf verder geen onderscheid gemaakt tussen de decentrale overheden. Figuur 2.12 – Ervaringen met intern ongewenst gedrag, naar bestuurslaag Basis: alle politieke ambtsdragers (n=2.765)25 20%
10%
13%
11%
13%
11%
9%
11%
13% 8%
0% Totaal
Gemeenten
2020
Provincies
Waterschappen
2022
Incidenten Ongeveer de helft van de politieke ambtsdragers die te maken hadden met intern ongewenst gedrag geeft aan dat het incident onderdeel was van een reeks incidenten. Net iets minder dan de helft van de betrokkenen had te maken met een eenmalig incident (figuur 2.13).
23
Deze inleiding is ook aan respondenten getoond, voordat zij de vraag over intern ongewenst gedrag kregen voorgelegd. Deze vragen zijn voor het eerst gesteld in 2020. 25 De letterlijke vraag luidde: Hoe vaak heeft u zelf in de afgelopen twaalf maanden te maken gehad met intern ongewenst gedrag? 24
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
38 van 114
Figuur 2.13 – Frequentie incidenten van intern ongewenst gedrag Basis: politieke ambtsdragers die intern ongewenst gedrag hebben meegemaakt (n=296) 6% Eenmalig incident 45%
Onderdeel van reeks incidenten
49%
Zeg ik liever niet
In de meeste gevallen is er met iemand gesproken over het incident (84%). Dit betrof meestal collega’s (59%), partner (52%), vrienden (23%) en het gezin of de familie (18%) (figuur 2.14). Figuur 2.14 – Bespreken incidenten van intern ongewenst gedrag (meerdere antwoorden mogelijk) Basis: politieke ambtsdragers die intern ongewenst gedrag hebben meegemaakt (n=296) Niemand
16%
Mijn collega’s
59%
Mijn partner
52%
Vrienden
23%
Mijn gezin/familie
18%
Interne vertrouwenspersoon
7%
Externe vertrouwenspersoon
4%
Bedrijfsarts/huisarts
1%
Psycholoog
1%
Iemand anders
19% 0%
20%
40%
60%
80%
Zes op de tien betrokkenen hebben na het incident van intern ongewenst gedrag te maken gehad met nadelige gevolgen. Dit is meer dan bij de incidenten die door mensen van buiten de organisatie worden veroorzaakt. In die gevallen ondervindt de helft van de betrokkenen nadelige effecten (zie paragraaf 2.4).
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
39 van 114
3
Ervaringen medewerkers
Dit hoofdstuk gaat in op de mate waarin medewerkers van de Rijksoverheid (inclusief uitvoeringsorganisaties, agentschappen en zelfstandige bestuursorganen), gemeenten, provincies en waterschappen in de twaalf maanden voorafgaand aan het onderzoek26 te maken hebben gehad met agressie en geweld en hoe zij dat hebben beleefd. De uitkomsten in dit hoofdstuk zijn ontleend aan een enquête onder 1.434 medewerkers uit het panel van ICTU. Naast totaalcijfers worden uitkomsten per bestuurslaag gepresenteerd. In 2016 is er ook een meting gedaan onder medewerkers. Waar mogelijk worden de resultaten vergeleken met 2016. Vanwege veranderingen in de vraagstelling was dit niet altijd mogelijk.
3.1
Prevalentie van agressie en geweld
Een op drie medewerkers geconfronteerd met agressie Van de medewerkers die aangeven wel eens contact te hebben met burgers 27, is in het jaar voorafgaand aan de vragenlijst 33 procent minimaal één keer slachtoffer geworden van agressie, bedreiging of intimidatie (figuur 3.1). Verbale agressie kwam het meest voor, 30 procent heeft hier mee te maken gehad. Bedreiging/intimidatie (13%) en fysieke agressie (2%) kwam beduidend minder voor. Medewerkers van gemeenten hadden het meest te maken met agressie en geweld, dat geldt voor zowel verbale agressie, bedreiging en fysieke agressie. Figuur 3.1 – Ervaring met agressie en geweld naar bestuurslaag Basis: alle medewerkers met burgercontacten (n=971) 38%
40% 35% 30%
35%
33% 30% 26%
25%
26% 26% 23% 20%
20% 15%
16% 13%
13% 10%
10% 5%
18%
7%
2%
3%
2%
1%
2%
0% Totaal (n=969)
Rijk (n=451)
Slachtofferschap totaal
Gemeenten (n=349)
Verbale agressie
Provincie (n=86) Waterschap (n=83)
Bedreiging/intimidatie
Fysieke agressie
Driekwart van de medewerkers die in de afgelopen 12 maanden te maken hebben gehad met agressie en geweld, geeft aan meerdere incidenten van agressie en geweld hebben meegemaakt. In de overige gevallen gaat het om een eenmalig incident (26%).
26
27
De enquête liep in maart 2022. Aan medewerkers die nooit contact hebben met burgers is de vraag niet gesteld.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
40 van 114
Vormen van agressie en geweld Bij verbale agressie gaat het voornamelijk om schelden, schreeuwen, kwetsen of negatieve of discriminerende opmerkingen (online en offline). Fysieke agressie heeft betrekking op duwen, slaan, schoppen, spugen, vastgrijpen, verwonden, fysiek hinderen, obstructie en gooien met/vernielen van voorwerpen. Bedreiging is een concrete uiting om iemand, of diens naasten, wat aan te doen. Intimidatie is vaak minder concreet en/of indirect en roept vooral een gevoel van onveiligheid bij de getroffene op. Bedreiging en intimidatie kunnen verschillende vormen aannemen: onder druk zetten, provoceren, chanteren, vernielen van persoonlijke bezittingen, stalken, seksuele intimidatie, versturen van een dreigbrief of e-mail, uitingen via sociale media of het op andere wijze afgeven van een ‘signaal’.
Zowel online als offline agressie Verbale agressie, bedreiging en intimidatie tegenover overheidsmedewerkers wordt zowel online als offline geuit. Onder medewerkers die te maken hadden met verbale agressie, was in 56 procent van de gevallen sprake van offline (face to face) agressie.28 In ruim vier op de tien gevallen betrof het verbale agressie die online werd geuit. Bij bedreigingen en intimidatie is de verhouding tussen online en offline vormen vergelijkbaar (figuur 3.2). Figuur 3.2 – Verhouding offline en online agressie Basis: medewerkers die te maken hadden met verbale agressie (n=260) en bedreiging/intimidatie (n=116) Verbale agressie
44%
56%
Bedreiging/intimidatie
46%
Offline 54%
Online
Vrouwelijke medewerkers vaker te maken met verbale agressie dan mannelijke collega’s Vrouwelijke medewerkers hebben vaker te maken met verbale agressie dan hun mannelijke collega’s Mannen worden vaker geconfronteerd met fysieke agressie. Met bedreiging/intimidatie hebben mannen en vrouwen ongeveer even vaak te maken (zie tabel 3.1).
28
Aan respondenten is gevraagd om het aantal incidenten van verbale agressie op te splitsen in het aantal offline en online gevallen. Datzelfde is gevraagd voor het aantal gevallen van bedreiging of intimidatie. Per respondent is het percentage online en offline incidenten bepaald en hiervan is het gemiddelde genomen. Er is niet voor gekozen om de verhouding te berekenen op basis van de som van het aantal incidenten van alle medewerkers samen, omdat medewerkers die veel incidenten hebben meegemaakt dan relatief zwaar meetellen.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
41 van 114
Tabel 3.1– Ervaring met agressie en geweld naar geslacht Basis: alle medewerkers met burgercontacten (n=971)
Totaal
Verbale agressie
Bedreiging /
Fysieke agressie
intimidatie Mannen
29%
27%
13%
4%
Vrouwen
37%
33%
14%
1%
Totaal
33%
30%
13%
2%
Bij frequenter contact kans op agressie en geweld groter Bij medewerkers die dagelijks contact hebben met burgers is de kans op incidenten het grootst (tabel 3.2). Meer dan de helft van de medewerkers met dagelijkse burgercontacten had in het afgelopen jaar te maken met agressie of geweld (54%), tegenover een op de vijf (19%) die minder dan eenmaal per week in contact zijn met burgers. Tabel 3.2– Ervaring met agressie en geweld naar intensiteit burgercontacten Basis: medewerkers met burgercontacten (n=971)
% Dagelijks
54%
Enkele keren per week
28%
Minder dan eenmaal per week
19%
Geen burgercontacten
Niet gevraagd
Vergelijking met agressie en geweld in 2016 In 2016 is er voor het laatst een meting gedaan naar het voorkomen van agressie en geweld onder overheidsmedewerkers. In verband met een kleine verandering in de vraagstelling, is het maken van een zuivere vergelijking in de prevalentie niet mogelijk. In 2016 vroegen we aan medewerkers of zij wel of niet in hun dagelijks werk contact hebben met burgers. Vervolgens onderzochten we in de groep die ‘ja’ antwoordde op deze vraag hoe vaak incidenten van agressie voorkwamen. Omdat we inzicht wilden krijgen in de invloed van de frequentie van burgercontacten, hebben we in 2022 de vraag uitgebreid met een frequentieschaal van burgercontacten, namelijk: ‘dagelijks’, ‘enkele keren per week’, ‘minder dan eenmaal per week’ en ‘nooit’. Zoals te lezen is in tabel 3.2 is het voorkomen van agressie en geweld afhankelijk van de frequentie van burgercontacten. In 2016 had in totaal 30 procent van de medewerkers met burgercontacten in het dagelijkse werk te maken met een incident van agressie en geweld, in 2022 is het in de gehele groep die bij het uitvoeren van hun werk wel eens burgercontacten heeft 33 procent. Dat betekent dat er sprake is van een lichte stijging, die is toe te schrijven aan een toename bij medewerkers van de gemeenten en waterschappen (zie figuur 3.3).
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
42 van 114
Figuur 3.3 – Ervaring met agressie en geweld, naar bestuurslaag. Vergelijking 2016 (dagelijkse burgercontacten) en 2022 (wel eens burgercontacten) 50%
38%
40%
33% 30%
26% 26%
2022
26% 23% 20%
20%
21%
2016
10% Rijk
3.2
Gemeenten
Provincies
Waterschappen
Uitingsvorm en ernst van incidenten
Om inzicht te krijgen in de aard, uitingsvorm en ernst van de incidenten is overheidsmedewerkers die het afgelopen jaar te maken hadden met agressie en geweld, een aantal vragen gesteld over het meest recente incident.
Agressie met name via telefoon en in persoon In 2022 werden uitingen van agressie en geweld vooral gedaan via de telefoon (34%) en face to face (33%). Wel is er ten opzichte van 2016 sprake van een afname van het aandeel incidenten dat face to face wordt geuit, en neemt het aandeel via de e-mail juist toe. Anders dan bij politieke ambtsdragers, waar sinds 2014 agressie via sociale media flink is toegenomen, blijft dit aandeel bij overheidsmedewerkers beperkt tot 6 procent (tabel 3.3). Tabel 3.3 – Uitingsvorm van het meest recente incident, per jaar Basis: medewerkers die een incident hebben meegemaakt, n=285 (2022)
2016
2022
Telefonisch
32%
34%
Face to face
57%
33%
5%
19%
Sociale media/ internet
1%
6%
Brief
3%
2%
Anders
2%
6%
Negatieve/discriminerende opmerkingen worden relatief vaak per e-mail geuit (29%), en juist minder vaak telefonisch (25%). Verbale agressie wordt met name face to face geuit (42%, ten opzichte van 22% en 19% voor respectievelijk intimidatie en negatieve opmerkingen).
Bijna driekwart incidenten ‘minder ernstig’ Uitgaande van het meest recente incident zijn zeven op de tien incidenten (70%) als ‘minder ernstig’ beoordeeld, dat wil zeggen een score van 1, 2, 3 of 4 op een schaal van niet ernstig (1) tot zeer ernstig (7) (figuur 3.4). In 2016 waren deze percentages exact gelijk.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
43 van 114
Figuur 3.4 – Ervaren ernst van incidenten per bestuurslaag* Basis: medewerkers die een incident hebben meegemaakt (n totaal=285)
100% 80%
30%
36%
70%
64%
Totaal
Rijk (n=130)
27%
60% 40%
73%
20% 0% Gemeenten (n=113)
aandeel (zeer) ernstig (als % van totaal aantal incidenten) aandeel minder ernstig (als % van totaal aantal incidenten) * Het aantal respondenten werkzaam bij een provincie (20) of een waterschap (22) dat te maken heeft gehad met agressie en geweld in het afgelopen jaar is te klein om nader uit te splitsen. Zij tellen wel mee in het totaalcijfer.
Omgerekend naar alle medewerkers met burgercontacten heeft 23 procent in de afgelopen 12 maanden te maken gehad met een als ‘minder ernstig’ ervaren incident. Tien procent had te maken met een incident dat als (zeer) ernstig is ervaren. In 2016 ging het in totaal om negen procent dat te maken had met een (zeer) ernstig incident.29
Richtpunt van agressie met name op de organisatie In het overgrote deel van de gevallen is de geuite agressie gericht op een medewerker als vertegenwoordiger of onderdeel van zijn organisatie. Daarnaast komt het bij ongeveer een op de vijf medewerkers voor dat de agressie (ook) gericht is op hem of haar persoonlijk (tabel 3.4). Tabel 3.4 – Richtpunt van agressie (meerdere antwoorden mogelijk), naar bestuurslaag* Basis: medewerkers die zelf een incident van agressie of geweld hebben meegemaakt
Totaal
Rijk
Gemeente
(n=285)
(n=113)
(n=130)
Op mij persoonlijk of mijn familie / vrienden
19%
21%
18%
Op mij als vertegenwoordiger / onderdeel van de organisatie
84%
80%
85%
Op mij als vertegenwoordiger / onderdeel van een specifieke groep**
2%
3%
2%
Anders
6%
8%
4%
* Het aantal respondenten werkzaam bij een provincie (20) of een waterschap (22) dat te maken heeft gehad met agressie en geweld in het afgelopen jaar is te klein om nader uit te splitsen. ** Bijvoorbeeld op basis van geslacht, politieke partij, etniciteit, seksuele voorkeur.
Bij zowel verbale agressie, intimidatie en negatieve/discriminerende opmerkingen (de drie meest voorkomende vormen van agressie richting overheidsmedewerkers) was de dader in de meeste gevallen een burger. Intimidatie door een ondernemer kwam daarna het meest voor (tabel 3.5).
29
Onder medewerkers met burgercontacten.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
44 van 114
Tabel 3.5 – Type dader, naar type agressie Basis: medewerkers die zelf een incident van agressie of geweld hebben meegemaakt (n=1.046) (meerdere antwoorden mogelijk)
Totaal (n=285)
Verbale agressie (n=156)
Negatieve / Intimidatie
discriminerende
(n=67)
opmerkingen (n=48)
Dader is onbekend
2%
2%
1%
4%
Burger (geen ondernemer)
72%
80%
55%
66%
Ondernemer
17%
13%
27%
20%
Persoon (vermoedelijk) betrokken bij
3%
3%
2%
3%
12%
5%
21%
21%
georganiseerde misdaad en/of ondermijning Iemand anders
3.3
Bespreken, aangifte en registratie
Bijna acht op de tien overheidsmedewerkers (79%) die werden geconfronteerd met agressie of geweld hebben het incident met ten minste één ander besproken (tabel 3.6). Dit is meestal een collega of de direct leidinggevende. Het contactpunt Rijksrecherche (niet opgenomen in tabel) werd slechts één keer genoemd, het Huis voor Klokkenluiders geen enkele keer (ook niet opgenomen in tabel). In 2016 besprak 58 procent het incident, wat betekent dat een toenemend aantal medewerkers ervoor kiest om een incident te bespreken. Tabel 3.6 – Bespreken van incidenten naar bestuurslaag* Basis: medewerkers die zelf een incident van agressie of geweld hebben meegemaakt (n=285)
Totaal
Rijk
Gemeenten
(n=130)
(n=113)
Nee, incident niet besproken
21%
29%
19%
Ja, met collega
53%
50%
54%
Ja, met leidinggevende
44%
46%
43%
Ja, met de politie (maar niet om aangifte te doen)
4%
4%
4%
Ja, met vertrouwenspersoon binnen mijn organisatie
2%
4%
2%
Anders
8%
10%
8%
*Het aantal respondenten werkzaam bij een provincie (20) of een waterschap (22) dat te maken heeft gehad met agressie en geweld in het afgelopen jaar is te klein om nader uit te splitsen.
Of medewerkers het incident bespreken, hangt mede af van de ernst van een incident. Degenen die het voorval als (zeer) ernstig hebben ervaren, bespreken het incident in 85 procent van de gevallen. Minder ernstige incidenten worden minder frequent besproken, namelijk in 73 procent van de gevallen.
56%
56% van de melders is (zeer) positief over de wijze waarop de melding/bespreking van het incident is opgepakt, 34 procent heeft hier geen uitgesproken mening over en 10 procent is (zeer) ontevreden.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
45 van 114
Aangifte bij vijf procent incidenten Bij vijf procent van de incidenten wordt aangifte gedaan; in de helft van de gevallen door de betrokkene zelf en anders door de organisatie. Aangiftes worden met name gedaan bij ernstige incidenten (9%, ten opzichte van 1% voor niet-ernstige incidenten). Van bedreiging werd in geen van de negen gevallen aangifte gedaan, bij intimidatie ging het om vier procent van de gevallen. Het percentage aangiften bij verbale agressie is zes procent. Van negatieve of discriminerende opmerkingen wordt in één procent van de gevallen aangifte gedaan (tabel 3.7). Het percentage incidenten waarvan aangifte wordt gedaan, is in vergelijking met 2016 gedaald: toen deed 13 procent aangifte. Met name de aangiftebereidheid bij bedreiging en intimidatie lijkt afgenomen. De aangiftebereidheid is bij minder ernstige incidenten harder gedaald dan bij ernstige incidenten. Niettemin is bij ernstige incidenten sprake van een halvering van het aangiftepercentage. Tabel 3.7 – Percentage aangiften naar type en ernst incident (% aangifte gedaan) Basis: medewerkers die zelf een incident van agressie of geweld hebben meegemaakt (n=285)
2016
2022
Type incident Bedreiging Intimidatie
17%
0 van de 9 incidenten* 4%*
Verbale agressie
12%
6%
Fysieke agressie
35%
3 van de 4 incidenten
Negatieve en/of discriminerende opmerkingen
-
1%
Seksuele intimidatie of andere ongewenste omgangsvormen
-
0 van 1 incident
Ernstig
19%
9%
Minder ernstig
9%
1%
Totaal
13%
5%
Perceptie van ernst incident
*Bedreiging en intimidatie zijn in voor het eerst 2022 apart uitgevraagd. Negatieve en/of discriminerende opmerkingen en seksuele intimidatie of andere ongewenste omgangsvormen waren niet opgenomen in de vragenlijst van 2016.
Reden om niet te bespreken: agressie hoort bij het werk Medewerkers hebben verschillende redenen om het voorval niet te bespreken, maar geven voornamelijk aan dat dergelijke incidenten bij het werk horen (48%, figuur 3.5) of dat men het incident niet ernstig genoeg vond (45%). Dit geldt oók voor medewerkers die het incident als ernstig hebben ervaren: 39 procent geeft aan dat zij het niet ernstig genoeg vonden om te bespreken. Dezelfde twee redenen worden het vaakst genoemd als verklaring waarom men geen aangifte heeft gedaan, maar de ernst van het incident weegt hier zwaarder in de overweging.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
46 van 114
Figuur 3.5– Redenen om incident niet te bespreken en om geen aangifte te doen Basis: medewerkers die een incident niet hebben besproken, medewerkers die geen aangifte hebben gedaan
48%
Dergelijke incidenten horen bij mijn werk
28% 45%
Ik vond het daar niet ernstig genoeg voor
59% 16%
Het incident is ter plekke opgelost
Ik heb er niet aan gedacht Heeft geen zin, er wordt toch niets mee gedaan Anders
Niet besproken (n=64)
18% 14%
Geen aangifte gedaan (n=273)
6% 10% 9% 8% 16%
Meeste incidenten worden niet geregistreerd Een beperkt deel van de incidenten wordt geregistreerd door de organisatie: één op de vijf betrokkenen (22%) meent met zekerheid te kunnen zeggen dat dit is gedaan (tabel 3.8). Sommige respondenten weten het niet (16%). In de overige gevallen is er geen registratie (62%). In 2016 was een even groot deel (21%) van de betrokkenen er zeker van dat er een registratie had plaatsgevonden. Bij gemeenten ligt de registratiegraad hoger dan bij het Rijk, maar deze is sinds 2016 niet verder toegenomen. Tabel 3.8 – Registratie incident door organisatie volgens betrokkenen (% geregistreerd) Basis: medewerkers die zelf een incident van agressie of geweld hebben meegemaakt (n=285)
Zeker wel
Zeker niet
Weet niet
Totaal
22%
62%
16%
Rijk (n=113)
16%
61%
22%
Gemeenten (n=130)
25%
62%
13%
*Het aantal respondenten werkzaam bij een provincie (20) of een waterschap (22) dat te maken heeft gehad met agressie en geweld in het afgelopen jaar is te klein om nader uit te splitsen.
Ernstige incidenten worden volgens betrokkenen weliswaar iets vaker geregistreerd dan minder ernstige incidenten, maar in beide gevallen wordt meer dan de helft niet geregistreerd (tabel 3.9).
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
47 van 114
Tabel 3.9 – Registratie incident door organisatie volgens betrokkenen (% geregistreerd) Basis: medewerkers die zelf een incident van agressie of geweld hebben meegemaakt (n=285)
Zeker wel
Zeker niet
Weet niet
Verbale agressie (n=156)
19%
68%
14%
Intimidatie (n=67)
23%
54%
23%
Negatieve/discriminerende opmerkingen (n=48)
27%
63%
10%
24%
57%
19%
Type incident
Perceptie van ernst incident Ernstig (n=134) Minder ernstig (n=150)
19%
67%
13%
Totaal
22%
62%
16%
3.4
Nadelige gevolgen
Vier op tien medewerkers ervaren nadelige gevolgen na incident Vier op de tien medewerkers die te maken hadden met externe agressie of geweld, hebben hiervan nadelige effecten ervaren (42%). In 2016 lag dit percentage iets lager, namelijk op 37 procent. Het meest genoemde negatieve effect betreft een afname van het werkplezier. Dit geldt voor een derde van de betrokkenen (32%). Dit is een verschil van zes procent ten opzichte van 2016 (figuur 3.6). Daarna volgen effecten op de geestelijke gezondheid (12%). In 2022 is er ook gevraagd naar het effect op het socialemediagedrag van de medewerkers. Vijf procent noemt dat externe agressie of geweld hier van invloed op is. Dat is een groot verschil met de politieke ambtsdragers, van hen geeft een kwart aan dat er effecten zijn op het gebruik van sociale media. Figuur 3.6 – Ervaren effecten na incident, per jaar Basis: overheidsmedewerkers die een incident hebben meegemaakt 58%
Geen effecten
63% 32%
Effecten op werkplezier
24% 5%
Effecten op sociale media
12% 11%
Effecten op geestelijke gezondheid Effecten op lichamelijke gezondheid Materiële effecten Anders Effecten (totaal)
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
2022 2016
2% 3% 0% 0% 8% 11% 42% 37%
48 van 114
Sociale media: met name minder of geen reacties meer plaatsen Vijf procent van de medewerkers gaf aan dat het incident effecten had op het sociale mediagebruik. We vroegen aan hen welke specifieke effecten dat waren. De drie meest genoemde hebben te maken met het plaatsen en reageren op berichten, namelijk: minder of geen reacties meer plaatsen (55%), zelf minder of geen berichten meer plaatsen (44%) en voorzichtiger worden met het plaatsen van berichten over het werk (37%) en het privéleven (35%). Het minder gebruiken of helemaal stoppen met een platform in het algemeen komt ook voor, maar wordt minder vaak genoemd, door ongeveer een kwart. Als laatste benoemt ook iets meer dan een kwart dat zij een persoon hebben geblokkeerd op sociale media.
Aard en ernst incident van invloed op nadelige gevolgen De ernst van het incident is van invloed op de mate waarin medewerkers negatieve gevolgen ervaren. Zes op de tien medewerkers die te maken hebben gehad met een ernstig incident, hebben hiervan negatieve gevolgen ondervonden, tegenover een kwart bij minder ernstige incidenten. Binnen deze groep is het incident vooral van invloed op het werkplezier (43%) en geestelijke gezondheid (22%). Een vergelijkbaar beeld is te zien in relatie tot de aard van het incident. Uitgaande van het meest recente incident ervaren medewerkers die geconfronteerd werden met intimidatie vaker negatieve effecten (60%) dan collega’s die te maken hadden met verbale agressie (33%).
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
49 van 114
3.5
Nazorg, reactie en optreden organisatie
Meerderheid betrokkenen heeft geen behoefte aan nazorg Zeven op de tien (73%) geven aan naar aanleiding van het incident geen nazorg te hebben ontvangen, maar dat dit ook niet nodig was. Veertien procent van de betrokkenen zegt dat er voldoende nazorg is geweest. Volgens twaalf procent is er niet of nauwelijks op het incident gereageerd. In een enkel geval was de nazorg niet voldoende (tabel 3.10). Er zijn geen significante verschillen in de tevredenheid over de nazorg bij de verschillende bestuurslagen. Wel is ten opzichte van 2016 de behoefte aan nazorg toegenomen, van 22 procent naar 27 procent van de slachtoffers. Tabel 3.10 – Reactie en nazorg bij incidenten, naar bestuurslaag Basis: alle medewerkers (n wisselt), percentage (helemaal) mee eens met stelling Totaal
Rijk
Gemeente
Er is voldoende nazorg geweest
14%
12%
15%
Er is nazorg geweest, maar die was onvoldoende
0%
1%
0%
Er is niet of nauwelijks op het incident gereageerd
12%
14%
12%
Er was geen nazorg, maar dat was ook niet nodig
73%
73%
73%
*Het aantal respondenten werkzaam bij een provincie (20) of een waterschap (22) dat te maken heeft gehad met agressie en geweld in het afgelopen jaar is te klein om nader uit te splitsen.
Ernst incident van invloed op behoefte aan nazorg Of men behoefte aan nazorg heeft, is onder andere afhankelijk van de ernst van het incident. Degenen die te maken hadden met minder ernstige incidenten geven vaker aan (85%) dat er geen nazorg nodig was dan medewerkers die een ernstig incident hebben ondervonden (63%). De groep die het incident als ernstig beoordeelde, geeft vaker aan nazorg te hebben ontvangen (tabel 3.11). Volgens een op de vijf medewerkers die een ernstig incident meemaakten, is er niet of nauwelijks op het incident gereageerd. Tabel 3.11 – Nazorg naar aanleiding van meest recent incident, naar ernst van incident (schaal van 1-7) Minder ernstig (1-4)
Ernstig (5-7)
Totaal
Er is voldoende nazorg geweest
10%
18%
14%
Er is nazorg geweest, maar die was onvoldoende
0%
1%
0%
Er is niet of nauwelijks op het incident gereageerd
5%
19%
12%
Er was geen nazorg, maar dat was ook niet nodig
85%
63%
73%
Twee derde tevreden over reactie organisatie bij incidenten De meerderheid van de medewerkers (68%) vindt dat de organisatie adequaat reageert op incidenten van agressie en geweld (tabel 3.12). Degenen die een incident hebben meegemaakt, zijn hierover iets minder tevreden (63%). De nazorg is volgens zes op de tien ambtenaren goed geregeld.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
50 van 114
Tabel 3.12 – Reactie en nazorg bij incidenten, naar meemaken incident in afgelopen 12 maanden Basis: alle medewerkers, percentage (helemaal) mee eens met stelling
Totaal
Heeft incident
Heeft nazorg
(n=823)
meegemaakt
ontvangen
(n=283)
(n=39)
De organisatie reageert adequaat op incidenten
68%
63%
83%
Nazorg incident is door de organisatie goed geregeld
63%
60%
85%
Van de medewerkers die een incident hebben meegemaakt, vindt 60 procent dat de nazorg door de organisatie goed is geregeld. Van degenen die hebben aangegeven daadwerkelijk nazorg/begeleiding te hebben ontvangen na een incident, vindt 85 procent de nazorg goed geregeld.
Leidinggevenden positiever over reactie organisatie op incidenten Er is een groot verschil in de inschatting over de nazorg tussen medewerkers die een leidinggevende functie hebben en medewerkers in een niet-leidinggevende positie. De leidinggevenden zijn ruimschoots positiever ingesteld daarover. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop de organisatie reageert op incidenten (tabel 3.13). Tabel 3.13 – Reactie en nazorg bij incidenten, naar het hebben van een leidinggevende functie Basis: alle medewerkers, percentage (helemaal) mee eens met stelling
Leidinggevend
Niet-leidinggevend
(n=118)
(n=695)
De organisatie reageert adequaat op incidenten
73%
68%
Nazorg incident is door de organisatie goed geregeld
75%
61%
Meerderheid vindt dat organisatie zich voldoende inzet om incidenten te voorkomen Zeven op de tien overheidsmedewerkers zijn van mening dat hun organisatie voldoende doet om incidenten te voorkomen (figuur 3.7). Er zijn daarin geen verschillen tussen de vier verschillende bestuurslagen. Minder dan de helft vindt echter dat zij voldoende voorlichting of training hebben gehad over de omgang met agressie en geweld door burgers, en online intimidatie. De helft vindt dat er in zijn organisatie een duidelijke norm is geformuleerd op basis waarvan medewerkers weten waar de grenzen liggen, de andere helft weet dit dus niet. Toch geven negen op de tien medewerkers aan dat zij weten wanneer het gedrag van burgers de grens overgaat van wat acceptabel is en driekwart weet ook wat hij of zij kan doen als gedrag van burgers niet acceptabel is.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
51 van 114
Figuur 3.7 – Houding t.a.v. preventie, voorlichting en training Basis: alle medewerkers (n wisselt), percentage (helemaal) mee eens met stelling
Ik weet wanneer het gedrag van burgers de grens overgaat van wat acceptabel is
92%
Ik weet wat ik kan doen als gedrag van burgers niet acceptabel is
75%
Ik vind dat mijn organisatie voldoende doet om agressie en geweld door burgers te voorkomen in mijn organisatie is een duidelijke norm geformuleerd op basis waarvan medewerkers weten waar de grenzen liggen Ik heb voldoende voorlichting/training gehad over hoe om te gaan met agressie en geweld door burgers Ik vind dat mijn organisatie voldoende doet om online intimidatie te voorkomen
(Helemaal) mee eens
Neutraal
7% 1%
15%
70%
50%
45%
39%
9%
19%
25%
28%
35%
11%
25%
27%
26%
(Helemaal) mee oneens
Medewerkers die een incident hebben meegemaakt voelen zich over het algemeen sterker in hun kennis over en handelingsmogelijkheden bij agressie en geweld. Zo weet 83 procent van de medewerkers die agressie hebben meegemaakt wat zij kunnen doen als gedrag van burgers niet acceptabel is, tegenover 71 procent van de medewerkers die geen incident hebben meegemaakt (tabel 3.14). Opmerkelijk is ook het verschil in de tevredenheid met voorlichting en training over hoe om te gaan met agressie: degenen die ervaring hebben met agressie en geweld zijn hierover meer tevreden dan de rest.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
52 van 114
Tabel 3.14– Houding t.a.v. preventie, voorlichting en training Basis: alle medewerkers (n wisselt), percentage (helemaal) mee eens met stelling
Totaal Ik weet wanneer gedrag van burgers de grens overgaat van wat acceptabel is Ik weet wat ik kan doen als gedrag van burgers niet acceptabel is Mijn organisatie doet voldoende om agressie en geweld door burgers te voorkomen In mijn organisatie is een duidelijke norm geformuleerd op basis waarvan medewerkers weten waar de grenzen liggen Ik heb voldoende voorlichting/training gehad over hoe om te gaan met agressie en geweld door burgers Ik vind dat mijn organisatie voldoende doet om online intimidatie te voorkomen
Heeft incident meegemaakt
Heeft geen incident meegemaakt
92%
95%
90%
75%
83%
71%
70%
67%
72%
50%
51%
49%
45%
54%
40%
39%
35%
41%
Bij de provincies is het aandeel dat vindt voldoende voorlichting en training te hebben gehad opvallend lager (27%) dan bij de overige bestuurslagen (tussen 41% en 50%). Ook blijven de provincies iets achter als het gaat om het uitdragen van een duidelijke norm over de grenzen van wat niet meer acceptabel is (tabel 3.15). Tabel 3.15 – Houding t.a.v. preventie, voorlichting en training Basis: alle medewerkers (n wisselt), percentage (helemaal) mee eens met stelling Mijn organisatie doet voldoende om agressie en geweld
Rijk
Gemeente
Provincie
Waterschap
66%
73%
65%
68%
41%
48%
27%
50%
37%
40%
35%
43%
90%
93%
95%
87%
69%
79%
68%
79%
44%
54%
38%
49%
door burgers te voorkomen Ik heb voldoende voorlichting/training gehad over hoe om te gaan met agressie en geweld door burgers Ik vind dat mijn organisatie voldoende doet om online intimidatie te voorkomen Ik weet wanneer gedrag van burgers acceptabele grens overgaat Ik weet wat ik kan doen als gedrag van burgers niet acceptabel is In mijn organisatie is een duidelijke norm geformuleerd op basis waarvan medewerkers weten waar de grenzen liggen
Medewerkers in een leidinggevende functie zijn positiever over de organisatie dan niet-leidinggevenden: 81% vindt dat zijn organisatie voldoende doet om agressie en geweld door burgers te voorkomen, onder niet-leidinggevenden is dit 69%. Hetzelfde geldt voor het aanwezig zijn van een duidelijke norm over de grenzen van wat niet meer acceptabel is: 59% van de leidinggevenden, en 49% van de niet-leidinggevenden is het daar mee eens. Dit beeld zagen we ook bij de reactie van de organisatie op incidenten.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
53 van 114
3.6
Invloed van agressie en geweld
Het risico om in aanraking te komen met agressie of geweld kan van invloed zijn op de wijze waarop overheidsmedewerkers hun werk doen en besluiten worden genomen. Zo zegt een derde van de medewerkers dat het voorkomt dat standpunten van collega’s beïnvloed worden door agressie en geweld (figuur 3.8). Twaalf procent zegt dat het risico om in aanraking te komen met agressie en geweld de beslissingen van de leidinggevende beïnvloedt. Een bijna even groot percentage (10%) zegt dat het hun eigen beslissingen beïnvloedt. De invloed op het persoonlijke leven is iets groter, 14 procent geeft aan dat hier sprake van is. Eveneens een kwart zegt dat het risico om in aanraking te komen met agressie van invloed is op hun omgang met sociale media. Ongeveer een op de twintig geeft aan wel eens te hebben overwogen om een andere baan te zoeken vanwege ervaringen met agressie en geweld. Figuur 3.8 – Perceptie van invloed agressie en geweld op besluiten Basis: medewerkers met burgercontacten (n min=921*), percentage (helemaal) mee eens met stelling
Komt voor dat standpunten van collega's beïnvloed worden door agressie en geweld
36%
Risico om in aanraking te komen met agressie beïnvloedt beslissingen van mijn leidinggevende
12%
Risico om in aanraking te komen met agressie beïnvloedt mijn sociale media gebruik 14%
Risico om in aanraking te komen met agressie beïnvloedt mijn beslissingen
10%
64%
15%
Mee eens
Neutraal
51%
14%
72%
13%
77%
Heb wel eens overwogen om een andere baan te 5% 5% zoeken doordat ik te maken had met agressie 0%
44%
24%
34%
Risico om in aanraking te komen met agressie beïnvloedt mijn persoonlijke leven
19%
90%
20%
40%
60%
80%
100%
Mee oneens
In vergelijking met 2016 is het percentage medewerkers dat van mening is dat de eigen standpunten worden beïnvloed door het risico op agressie en geweld niet veranderd (11 procent in 2016). Hetzelfde geldt voor de standpunten van collega’s (37% in 2016) 30.
30
De overige stellingen in figuur 3.8 zijn in 2016 niet gevraagd.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
54 van 114
De medewerkers van provincies zeggen het minst vaak, in verhouding tot de andere bestuursorganen, dat standpunten van collega’s beïnvloed worden door agressie en geweld (tabel 3.16). Daarentegen denken zij juist vaker dan gemiddeld dat de beslissingen van leidinggevenden worden beïnvloed door het risico op agressie. Bij de waterschappen beïnvloed het risico op agressie en geweld het sociale media gebruik van de medewerkers het minst. Tabel 3.16 – Perceptie van invloed agressie en geweld op besluiten Basis: medewerkers met burgercontacten (n min=921*), percentage (helemaal) mee eens met stelling
Totaal
Rijk
Gemeenten
Provincies
Waterschap
(n=426)
(n=333)
(n=82)
(n=80)
12%
12%
12%
18%
17%
36%
33%
39%
27%
40%
10%
10%
10%
13%
7%
14%
16%
13%
14%
5%
34%
37%
33%
37%
22%
4%
6%
4%
6%
3%
Het risico om in aanraking te komen met agressie en geweld beïnvloedt de beslissingen van mijn direct leidinggevende Het komt wel voor dat standpunten van collega's binnen mijn organisatie beïnvloed worden door agressie en geweld Het risico om in aanraking te komen met agressie en geweld op het werk beïnvloedt mijn beslissingen Het risico om in aanraking te komen met agressie en geweld op het werk beïnvloedt mijn persoonlijke leven Het risico om in aanraking te komen met agressie en geweld op het werk beïnvloedt mijn sociale media gebruik Ik heb wel eens overwogen om een andere baan of functie te zoeken doordat ik (of mijn familie/vrienden) te maken had ... *de n weergeven bij rijk, gemeenten, provincie en waterschappen betreft de minimale n.
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
55 van 114
4
Beleid organisaties
Dit hoofdstuk geeft een beeld van de wijze waarop organisaties in het openbaar bestuur omgaan met agressie en geweld. De uitkomsten zijn gebaseerd op een enquête onder 180 organisaties in het openbaar bestuur en interviews met 26 organisaties (zie bijlage voor de onderzoeksverantwoording). Voordat we de resultaten van de enquête beschrijven, gaan we eerst kort in op de rechtspositie van politieke ambtsdragers en medewerkers en het wettelijk kader.
4.1
Rechtspositie
Agressie en geweld tegen politieke ambtsdragers en overheidsmedewerkers vormen een belemmering voor het goed functioneren van het openbaar bestuur. De Arbeidsomstandighedenwet schrijft voor dat overheidsorganisaties als werkgever zorgen voor de veiligheid en gezondheid van hun medewerkers en hiervoor beleid ontwikkelen.31 Het is wettelijk verplicht om de risico’s voor werknemers te inventariseren en maatregelen te nemen om de risico’s zo veel mogelijk te beperken.32 Voor politieke ambtsdragers is dit minder eenduidig, aangezien zij een andere rechtspositie hebben. Dagelijks bestuurders en volksvertegenwoordigers zijn geen ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet 2017 (zie artikel 3 AW).33 De rechtspositie van politieke ambtsdragers is vastgelegd in de Gemeentewet, Provinciewet en Waterschapswet en gedelegeerde regelgeving. In het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers zijn bepalingen opgenomen over onder meer het salaris, onkostenvergoedingen, neveninkomsten, ziekte en ontslag, scholing en bewaken en beveiligen.
4.2
Wettelijk kader
Hoewel politieke ambtsdragers geen ambtenaar zijn, kunnen zij net als medewerkers gebruikmaken van de faciliteiten van hun organisatie. In die zin zijn de bepalingen ten aanzien van medewerkers ook relevant voor politieke ambtsdragers. De Nederlandse Arbeidsinspectie toetst in de praktijk of (overheids-)organisaties voldoen aan de wettelijke (Arbo-) verplichtingen op het terrein van agressie en geweld. Dat doet zij aan de hand van elf criteria die een afgeleide zijn van de richtlijnen van het programma Veilige Publieke Taak (VPT): 1 2 3 4 5 6 7 8 9
Risico-inventarisatie en -evaluatie Procedure om incidenten te melden, te registreren en te analyseren Voorlichting, instructie en training over agressie en geweld aan medewerkers Aanwezigheid protocol voorkomen agressie en geweld Huisregels voor bezoekers en cliënten Organisatorische en personele maatregelen Bouwkundige en/of technische voorzieningen voor tegengaan agressie en geweld Alarmsysteem met een adequate alarmprocedure Regeling voor opvang, ondersteuning en nazorg na een incident
31
Artikel 3 Arbowet. Artikel 5 Arbowet. 33 Zie ook de (gewijzigde) Memorie van Toelichting op de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Kamerstukken II 20102011, 32550, nr. 6). 32
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
56 van 114
10 Regeling gericht op het aanpakken van de dader(s) 11 Periodieke evaluatie van beleid en maatregelen tegen agressie en geweld Op Rijksniveau zijn de meeste onderwerpen uitgewerkt in de Arbocatalogus Rijk. 34 Voor de omgang met agressie en geweld is een onderverdeling gemaakt in het voorkomen, beperken en afhandelen van incidenten. Bovenop de minimumafspraken worden eventueel zwaardere maatregelen genomen als de risico’s voor werknemers groter zijn. Er worden vier risicocategorieën onderscheiden, oplopend van categorie A (situaties waarin nauwelijks risico op agressie en geweld bestaat) tot categorie D (het is eigen aan de functie dat de werknemer van tijd tot tijd gepast geweld moet gebruiken). Vanaf risiconiveau B worden medewerkers getraind om de-escalerend op te treden en is er minimaal jaarlijks in het team een gesprek over de afspraken en maatregelen op het gebied van agressie en geweld. Ongeacht het risiconiveau worden alle incidenten geregistreerd in het Agressie Registratiesysteem Overheid (ARO). 35
4.3
Beleid agressie en geweld
De voorzitter van het dagelijks bestuur (DB) wordt bij verreweg de meeste decentrale overheden als eindverantwoordelijke beschouwd voor het agressie- en geweldbeleid, zowel voor het algemeen bestuur (de raad) als het dagelijks bestuur (het college). 36 Bij het Rijk worden voornamelijk de (hoofd)directeur en de secretaris-generaal als eindverantwoordelijke gezien door de betrokken functionarissen (tabel 4.1). Tabel 4.1 – Eindverantwoordelijkheid voor beleid ten aanzien van agressie en geweld (aantallen) Indicator
Gemeenten
Provincies
Waterschappen
Rijk37
(n=133)
(n=8)
(n=10)
(n=29)
Gemeentesecretaris
Provinciesecretaris
Secretaris-
(Hoofd)directeur
(98), burgemeester
(6), Commissaris
directeur (10)
(15), Secretaris-
(19)
van de Koning (1),
Eindverantwoordelijk voor beleid t.a.v. Medewerkers
generaal (4),
gedeputeerde (1)
anders (4)
Leden college van B&W
Burgemeester (113),
Commissaris van de
Dijkgraaf (9),
(GS/dagelijks bestuur)
gemeentesecretaris
Koning (7), anders
dagelijks bestuur
(13)
(1)
(10)
Leden gemeenteraad
Burgemeester (100),
Commissaris van de
Dijkgraaf (8),
(PS/algemeen bestuur)
griffier (22)
Koning (6),
dagelijks bestuur
Statengriffier (1)
(2)
-
-
anders (1) NB: Alleen bestuursorganen of functionarissen weergegeven die in minimaal 10 procent van de gevallen zijn genoemd.
34
https://www.aofondsrijk.nl/arbocatalogus-rijk/ https://www.aofondsrijk.nl/arbocatalogus-rijk/arbocatalogus-agressie-en-geweld/risicocategorieen/ 36 Vanwege de leesbaarheid is gekozen voor de terminologie van gemeenten. 37 Voor de leesbaarheid is gekozen voor de term ‘Rijk’. Deze categorie omvat ministeries, agentschappen en zelfstandige bestuursorganen (zbo’s). Strikt genomen vallen zbo’s niet onder de ministeriële verantwoordelijkheid en kunnen zij om die reden niet zonder meer tot het Rijk worden gerekend. In de praktijk zien we wel dat met name kleinere zbo’s aansluiten bij het agressie- en integriteitsbeleid van het ministerie waar zij onder vallen en hierin hun eigen accenten zetten. 35
Monitor Integriteit en Veiligheid 2022
57 van 114
Aanwezigheid organisatienorm Gemeenten, provincies en waterschappen besteden op verschillende manieren aandacht aan de omgang met agressie en geweld tegen politieke ambtsdragers en medewerkers. De meeste (decentrale) overheden beschikken over een interne meldingsprocedure voor medewerkers en voorzieningen voor de opvang van de betreffende medewerker na een incident. Bij politieke ambtsdragers van de gemeente zijn deze voorzieningen minder vaak getroffen. Ook zijn medewerkers vaker getraind in de omgang met agressie en geweld dan politieke ambtsdragers. Dat beeld wordt bevestigd vanuit de enquête: 33 procent van de politieke ambtsdragers vindt dat zij voldoende zijn getraind om met agressie en geweld om te gaan, onder medewerkers ligt dit percentage hoger (45%) (zie hoofdstuk 3). Uit tabel 4.2 komt naar voren dat het beleid voor medewerkers doorgaans verder is ontwikkeld dan voor bestuurders en volksvertegenwoordigers. Verder valt op dat er nog relatief weinig overheden zijn die specifieke regels hebben voor de omgang met agressie op sociale media. Dit wordt onderstreept door medewerkers in de enquête. Het valt ook op dat de aanwezigheid van een norm voor onacceptabel gedrag positiever wordt ingeschat door organisaties (tussen 64% en 84%) dan door medewerkers zelf (tussen 44% en 54%, zie paragraaf 3.6).
Tabel 4.2 – Tien onderdelen van het agressie- en geweldbeleid, per bestuurslaag en doelgroep Organisaties waarin het onderdeel is van het beleid (aantallen)
Gemeenten
Er is een duidelijke norm voor (on)acceptabel gedrag Weten wat zij moeten doen bij niet-acceptabel gedrag Onderwerp afgelopen 2 jaar besproken Huisregels voor burgers en andere externen Communicatie dat agressie nooit wordt getolereerd Interne meldingsprocedure voor agressie en geweld Afspraken/voorzieningen voor opvang na incident Afgelopen 2 jaar getraind in omgang met agressie en geweld Standaard voorlichting agressie voor nieuwe collega’s Regels voor omgang met agressie via sociale media
Provincies en waterschappen38
Rijk
beleid voor college (n=46)
beleid voor raad
beleid voor medewerkers39
beleid voor medewerkers
beleid voor medewerkers
(n=52)
(n=92)
(n=13)
(n=23)
31
31
77
9
17
41
41
84
10
17
27
26
74
10
16
25
25
65
8
9
22
22
59
6
9
33
34
89
12
19
28
31
81
10
19
12
9