CConstaterende datSchiermonnikoog
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl. 3 - Bewonersonderzoek Nieuw-Dokkum - Schiermonnikoog

Raadsvergadering 15 april 2025, gemeente SchiermonnikoogBij agendapunt: Gewijzigd projectplan aardgasvrij eiland21.187 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

20

De combinaHe van de gesprekken aan de deur met degenen die de enquête niet wilden invullen en de resultaten van de enquête zelf, laten dus zien dat ruim meer dan de hel? van alle inwoners een negaHeve houding ten opzichte van het project ‘gasvrij eiland’ hebben en/of de gemeente wantrouwen. Uit onderzoek is bekend dat een te sterke top-down benadering van grote veranderingen zoals de warmtetransiHe, tot een klein draagvlak leidt en dat draagvlak toeneemt naarmate meer over een project wordt gecommuniceerd en inwoners acHef parHciperen in een project. De afgelopen twee jaar is meermaals over het project gecommuniceerd in de Groene Courant, zijn meerdere informaHebijeenkomsten gehouden, hebben twee energie adviseurs en één energiecoach gesprekken gevoerd met inwoners, zijn talkshows gehouden en online terug te kijken en hebben medewerkers van de projectgroep huis-aan-huis gesprekken gevoerd in Nieuw Dokkum. Daarnaast is er een werkgroep opgericht (die ook acHef werk levert) om de communicaHe en parHcipaHe zo goed mogelijk vorm te geven, waarin ook enkele inwoners van de wijk (en van de rest van het eiland) zieng hebben, net zoals in een andere werkgroep die gericht is op de technische aspecten.

Kortom, er is veel geïnvesteerd in het betrekken van de inwoners bij het project (wat ook blijkt uit het resultaat dat alle respondenten uit Nieuw Dokkum minimaal van het project gehoord hebben). Dat, gegeven deze aanpak, toch meer dan de hel? van de inwoners negaHef tegenover het project staat, is opvallend. Om deze bevindingen wellicht te kunnen verklaren is gekeken naar verschillen tussen groepen. Echter, lee?ijd, type huis (huur/koop), inkomen, opleiding en woonduur laten geen significante groepsverschillen zien op de mate waarin men posiHef of negaHef denkt over het project. Overige groepsverschillen zullen in de volgende secHe worden beschreven.

3.3 Enkele specifieke groepen In het kort Met betrekking tot de sociale factoren uit het sociaal profiel zijn verschillen tussen groepen geanalyseerd om meer zicht te krijgen op de bevindingen omtrent draagvlak, maar ook om specifiekere aanbevelingen te kunnen doen. Al met al zijn er relevante groepsverschillen op basis van opleidingsniveau en inkomen te onderscheiden, vooral op de individuele factoren zoals aetude, kennis, waargenomen gedragscontrole en betrokkenheid. Dit betekent dat er voor deze groepen andere elementen in een parHcipaHeaanpak belangrijk kunnen zijn (bijvoorbeeld wanneer het gaat over informaHeoverdracht). Het verdient aanbeveling om met deze groepsverschillen rekening te houden bij de volgende stappen in het project, door extra acHes in te zexen om inwoners met een prakHsche opleiding, een benedenmodaal inkomen, huurders en eilanders, meer betrokken te krijgen (onder andere in samenwerking met de woningcorporaHe en andere stakeholders) door te kijken wat zij nodig hebben en wat zij belangrijk vinden. Ondanks dat er enkele groepsverschillen zijn gevonden die relevant zijn voor het vervolgtraject, kunnen de negaHeve bevindingen omtrent draagvlak niet worden toegeschreven aan een bepaalde groep.

21

Om meer zicht te krijgen op de bevindingen omtrent draagvlak, zijn structureel de verschillen tussen groepen geanalyseerd. Dit is gedaan in de totale dataset (Nieuw Dokkum en de rest van het eiland gezamenlijk, n = 160). Aspecten die zijn onderzocht zijn lee?ijd, opleidingsniveau, inkomen, type woning (huurwoning, n = 103 vs. koopwoning, n = 56) en lengte van wonen op het eiland. Om de overzichtelijkheid te bewaren worden de resultaten alleen weergegeven indien er een verschil tussen groepen aanwezig is. Een van de observaHes uit de gesprekken aan de deur is dat veel oudere inwoners zijn gesproken. Meerdere oudere inwoners hebben aangegeven dat ze niet mee willen doen aan de warmtetransiHe, ze geven aan dat ze er niet veel van weten, dat ze vinden dat dat iets is voor de jongere generaHe en dat ze op hun lee?ijd geen hypotheek meer willen nemen (ze denken dat dat noodzakelijk zal zijn om de noodzakelijke investeringen te kunnen doen). Het is mogelijk dat ouderen over verschillende aspecten anders denken dan jongeren. Om die reden zijn de resultaten telkens uitgesplitst naar lee?ijd en is gekeken of er lee?ijd gerelateerde verschillen zijn. Om lee?ijdsgroepen te creëren, is gekeken naar de verdeling van lee?ijd binnen de gehele dataset. De gemiddelde lee?ijd is 65 jaar (met een standaarddeviaHe van 15.9 jaar).

Er is uiteindelijk voor gekozen om drie lee?ijdsgroepen te maken (45 jaar en jonger, n = 31, tussen de 46 en 64 jaar, n = 42 en 65 jaar en ouder, n = 76). Gezien de enigszins ongelijke grooxe van de groepen is het hierbij belangrijk om de resultaten voorzichHg te interpreteren. Twee groepen zijn gecreëerd met betrekking tot opleiding: inwoners met een meer prakHsche opleiding (lagere school, lager beroepsonderwijs, middelbaar (voortgezet of beroeps-) onderwijs afgerond, n = 77) zullen worden vergeleken met inwoners met een meer theoreHsche opleiding (hoger beroepsonderwijs of universiteit, n = 74). Voor inkomensniveau geldt dat er drie groepen zijn gemaakt; beneden modaal (n = 47), modaal (n = 17) en boven modaal, (n = 40) zoals aangegeven in de vragenlijst. Gezien de ongelijke grooxe van de groepen is het hier wederom belangrijk om de resultaten enigszins voorzichHg te interpreteren. 41 andere respondenten gaven aan het inkomensniveau niet te weten of niet te willen zeggen, en 15 respondenten hebben deze vraag niet ingevuld. Er is ten sloxe een groepsvariabele gemaakt om de lengte van het wonen op het eiland als groepsindicator te gebruiken (lee?ijd – woonduur op Schiermonnikoog). Hierbij zijn drie groepen gehanteerd: mensen die 13 jaar of korter op het eiland wonen (n = 48), mensen die er langer dan 13 jaar wonen (n = 70) en mensen die er hun hele leven al wonen (n = 30).

Hierbij is ook te zien dat de groepen enigszins ongelijk verdeeld zijn. Ook zijn er correlaHeanalyses uitgevoerd tussen de duur dat inwoners op Schiermonnikoog wonen en verschillende variabelen uit het sociaal profiel die relevant zijn voor draagvlak (waaronder de houding ten opzichte van het project en vertrouwen). Betrokkenheid Betrokkenheid bij het thema is ten opzichte van andere casussen gemiddeld te noemen (zie figuur 1). Het gaat bij deze factor over zaken als zelf iets willen doen om Schiermonnikoog te verduurzamen, met dorpsgenoten in gesprek willen over het onderwerp, het nodig vinden om Schiermonnikoog te verduurzamen en interesse in het onderwerp duurzaamheid. Hierbij worden verschillen tussen groepen gevonden, behalve tussen lee?ijdsgroepen. Ten eerste geven mensen met een meer prakHsche opleiding aan minder betrokkenheid te ervaren (gemiddelde score 3.3) dan mensen met een meer theoreHsche opleiding (gemiddelde score 3.8). Ook beneden modaal inkomensgroepen voelen zich minder betrokken bij het thema (gemiddelde score 3.3) dan mensen met een (boven) modaal inkomen (gemiddelde score 4.0). Daarnaast is er een verschil tussen huurders en eigenaarbewoners gevonden: huurders voelen zich minder betrokken dan eigenaar-bewoners (gemiddelde score 3.3 vs. 3.7). Ten sloxe maakt het ook uit hoelang men op het eiland woont: inwoners die op

22

Schiermonnikoog zijn geboren geven aan het minst betrokken te zijn (3.1), vergeleken met inwoners die er langer dan 13 jaar wonen (3.5) en inwoners die er korter dan 13 jaar wonen (3.9). Het verdient aanbeveling om met deze groepsverschillen rekening te houden bij de volgende stappen in het project, door extra acHes in te zexen om inwoners met een prakHsche opleiding, een beneden-modaal inkomen, huurders en eilanders, meer betrokken te krijgen (onder andere in samenwerking met de woningcorporaHe) door te kijken wat zij nodig hebben en wat zij belangrijk vinden. Waargenomen gedragscontrole Naast betrokkenheid laat ook waargenomen gedragscontrole (de mate waarin men denkt zelf stappen te kunnen zexen om te verduurzamen) relevante groepsverschillen zien: zo ervaren huurders significant lagere gedragscontrole (gemiddelde score 2.7) dan eigenaar-bewoners (gemiddelde score 3.4). Ook voor opleidingsniveau geldt dat er groepsverschillen zijn: prakHsch opgeleiden scoren hier lager op (gemiddelde score 3.0) dan theoreHsch opgeleiden (gemiddelde score 3.4). Voor inkomen gelden ook significante groepsverschillen op waargenomen gedragscontrole: inwoners met een beneden modaal inkomen geven aan minder controle te ervaren (gemiddelde score = 2.8) vergeleken met inwoners met een modaal (gemiddelde score = 3.3) of boven modaal inkomen (gemiddelde score = 3.6).

Voor lee?ijd wordt er geen significant verschil gevonden op de schaal waargenomen gedragscontrole, maar wel op twee items, namelijk op het idee voldoende kennis en middelen te hebben om maatregelen te kunnen nemen om het huis te verduurzamen en op de vraag om er extra voor te betalen waarbij de groep oudere bewoners steeds hoger scoort dan de overige twee lee?ijdsgroepen. Vooral huurders, mensen met een prakHsche opleiding dan wel lager inkomen en tot op zekere hoogte ook jongere inwoners, kunnen dus baat hebben bij informaHe en handelingsperspecHef om het huis te verduurzamen. Opleiding en inkomen Als er wordt gekeken naar verschillen tussen opleidingsniveau, dan worden de volgende groepsverschillen gevonden: Mensen met een prakHsche opleiding wonen gemiddeld langer op het eiland (40 jaar) dan mensen met een theoreHsche opleiding (24 jaar). Ook zijn zij minder vaak lid van een vereniging op Schiermonnikoog dan mensen met een theoreHsche opleiding (p <.05) en geven zij vaker aan iets minder mensen te kennen op het eiland (p = .065). Naast waargenomen gedragscontrole en betrokkenheid zoals hierboven omschreven, zijn er ook op vijf andere individuele factoren significante verschillen gevonden: bewoners met een prakHsche opleiding vinden verduurzaming minder belangrijk (aetude: gemiddelde 4.07 vs.

gemiddelde 4.57 voor mensen met een theoreHsche opleiding) en zijn minder bekend met technieken (gemiddelde 2.72 vs. gemiddelde 3.24). Daarnaast hebben prakHsch opgeleiden een lagere intenHe om binnen een jaar of vijf jaar hun huis (verder) te verduurzamen dan theoreHsch opgeleiden (gemiddelden 3.8 en 4.4 voor prakHsch opgeleiden tegenover gemiddelden 4.9 en 5.9 voor theoreHsch opgeleiden). PrakHsch opgeleiden schrijven daarnaast minder verantwoordelijkheid voor de verduurzaming toe aan de community (gemiddelde 3.1) dan theoreHsch opgeleiden (gemiddelde 3.7), waarbij het vooral gaat om lagere scores op de eigen verantwoordelijkheid en die van mensen in de buurt. Ook de verantwoordelijkheid voor de gemeente als los item laat verschillen zien: Mensen met een prakHsche opleiding schrijven ook minder verantwoordelijkheid voor verduurzaming (gemiddelde 3.7) toe aan de gemeente dan theoreHsch opgeleiden (gemiddelde 4.1). Ten sloxe hebben mensen met een theoreHsche opleiding meer het idee dat hun individuele bijdragen ook daadwerkelijk effect hebben (locus of control, gemiddelde 3.9) vergeleken met mensen met een prakHsche opleiding (gemiddelde 3.5).

23

Qua parHcipaHe lijkt het er op dat theoreHsch opgeleiden vaker willen meehelpen dan prakHsch opgeleiden en theoreHsch opgeleiden geven ook vaker aan dat zij acHef betrokken zijn bij het project, vergeleken met prakHsch opgeleide mensen. Beide resultaten zijn niet staHsHsch significant (p < .10), maar de patronen zijn desalniexemin relevant. Wanneer wordt gekeken naar verschillen tussen inkomensgroepen, is ten eerste te zien dat mensen met een hoger inkomen vaak korter op het eiland wonen vergeleken met de andere twee inkomensgroepen. Net als voor opleidingsniveau, zijn er vooral verschillen op de individuele factoren gevonden (naast betrokkenheid en waargenomen gedragscontrole). Mensen met een beneden modaal inkomen vinden verduurzaming minder belangrijk dan de overige twee inkomensgroepen (gemiddelde 4.2 tegenover 4.6 voor de andere twee groepen), zijn minder bekend met de technieken (gemiddelde 2.8 tegenover 3.0 en 3.4 voor de andere twee groepen), en hebben relaHef minder vaak acHe ondernomen om hun huis te verduurzamen dan mensen met een modaal of boven modaal inkomen en zijn ook minder van plan om dit binnen vijf jaar te doen. De eigen verantwoordelijkheid voor de energietransiHe wordt door mensen met een beneden modaal inkomen het laagst ingeschat (gemiddelde 3.2) vergeleken met mensen met een modaal, dan wel boven modaal inkomen (gemiddelden 3.6 en 4.0, respecHevelijk).

Ten sloxe blijkt ook hier dat mensen met een hoger inkomen meer het idee hebben dat hun individuele bijdragen ook daadwerkelijk effect hebben (locus of control, gemiddelde 4.0) dan mensen met een beneden modaal of modaal inkomen (gemiddelden 3.6 en 3.4, respecHevelijk). Al met al zijn er relevante groepsverschillen op basis van opleidingsniveau en inkomen te onderscheiden, vooral op de individuele factoren zoals aetude, kennis en locus of control. Dit betekent dat er voor deze groepen andere elementen in een parHcipaHeaanpak belangrijk kunnen zijn (bijvoorbeeld wanneer het gaat over informaHeoverdracht). Type woning (huur- vs. koopwoning) Het is goed denkbaar dat opleidingsniveau en inkomen met elkaar verweven zijn, evenals de observaHe of men in een huur- of koopwoning woont. Met betrekking tot dit laatste aspect zijn er ook enkele groepsverschillen gevonden. Huurders kennen iets vaker minder mensen (p < .05) en geven iets vaker aan dat zij vertrouwen hebben in hun buurtgenoten bij het oplossen van een probleem (p = .084) vergeleken met eigenaar-bewoners. Ook benoemen huurders relaHef vaker dat zij geen problemen ervaren in de buurt.

Huurders geven daarnaast aan dat zij verduurzaming minder belangrijk vinden (gemiddelde 4.0) vergeleken met eigenaar-bewoners (gemiddelde 4.5) en hebben zij minder vaak acHe ondernomen om hun huis te verduurzamen en zijn zij dit ook minder snel van plan binnen één of vijf jaar. Zij leggen tevens de verantwoordelijkheid meer bij energiebedrijven (gemiddelde 3.9) en minder bij zichzelf (gemiddelde 3.2) vergeleken met eigenaar-bewoners (gemiddelden 3.3 en 3.7, respecHevelijk). Ten sloxe bleek uit de analyses dat relaHef veel eigenaar-bewoners vaker aangeven mee te willen helpen (wellicht door de hogere ervaren gedragscontrole): 51 van de 89 eigenaarbewoners gee? aan mee te willen helpen, tegenover 12 van de 48 huurders. Ouderen Schiermonnikoog hee? een relaHef grote groep oudere inwoners en wijkt daarin af van bijvoorbeeld het gemiddelde van Nederland. In figuur 3 staat de samenstelling van de bevolking weergegeven. In de figuur is eveneens de verdeling van de inwoners uit Nieuw Dokkum die de vragenlijsten hebben ingevuld naar lee?ijdscategorie weergegeven. Te zien is dat de groep inwoners die de vragenlijst ingevuld hee? de samenstelling van de gehele bevolking van het eiland redelijk benaderd en representaHef kan worden geacht met betrekking tot lee?ijd.

24

samenstelling per leeftijdscategorie (>15 jaar) 50% 45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 15-25

26-45

SF Nieuw Dokkum

46-65

ICQ

65+

Schiermonnikoog

Figuur 3 Samenstelling bevolking Schiermonnikoog naar leePijdsgroep (bron: CBS) en de leePijd-samenstelling van de inwoners die de vragenlijst van het bevolkingsonderzoek in Nieuw Dokkum hebben ingevuld (SF Nieuw Dokkum) en de inwoners die de vragenlijst voor de geïnformeerde voorkeuren in Nieuw Dokkum hebben ingevuld (ICQ).

Het enige groepsgerelateerde verschil dat is gevonden refereert naar onderlinge uitwisseling. Ten eerste is er een negaHeve correlaHe tussen lee?ijd en onderlinge uitwisseling (r = -.41, p<.001), wat betekent dat een hogere lee?ijd gepaard gaat met minder ervaren onderlinge uitwisseling. Ook als we drie lee?ijdsgroepen (20-45 jaar vs. 46-65 jaar vs. 66+-ers) vergelijken zien we dit patroon: oudere bewoners rapporteren dat ze minder ervaren dat men iets voor elkaar doet (gemiddelde score 3.52) vergeleken met de andere twee groepen (gemiddelde score 4.08 en 3.98). Hoewel uit de gesprekken aan de deur is gebleken dat in de volgende stappen in het project extra aandacht voor ouderen gewenst is, omdat een deel daarvan aangeven dat ze niet mee willen (of kunnen) doen in het project om van het aardgas af te gaan, blijkt uit de resultaten van de vragenlijsten geen grote verschillen tussen verschillende lee?ijdsgroepen. De relaHef negaHeve houding ten opzichte van het project kan ook niet verklaard worden door lee?ijd (zie figuur 4).

25

houding ten opzichte van project naar leeftijdscategorie 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 15-25

26-45

46-65

positief

positief met kritische opmerkingen

neutraal

negatief vanwege specifieke aspecten

66+

geheel negatief Figuur 4 De houding ten opzichte van het project om Schiermonnikoog gasvrij te maken afgezet tegen leePijd. N.B. de hoge score voor de categorie ‘neutraal’ voor 15 tot 25 jarigen wordt veroorzaakt door de kleine omvang van de groep van die leePijd (1 persoon).

Oorspronkelijke bewoners en ‘import’ Ook is gekeken naar de verschillen tussen groepen mensen die kort, dan wel lang op het eiland wonen. Dit is eerst alleen binnen Nieuw-Dokkum gedaan. In verband met het hoge gemiddelde is ervoor gekozen om groepen te definiëren van mensen die 16 jaar of korter op het eiland wonen (24 personen) en mensen die er langer dan 16 jaar wonen. Hieruit blijkt dat mensen die 16 jaar of korter op het eiland wonen, vaker aangeven minder vertrouwen in de gemeente te hebben (14 keer, ten opzichte van 7 mensen die aangeven dit vertrouwen wel te hebben). Voor mensen die langer dan 16 jaar op het eiland wonen, zien we dat dit patroon andersom is; meer mensen geven aan wél (26 personen) dan geen (17 personen) vertrouwen te hebben in de gemeente. Daarnaast wordt gevonden dat mensen die langer op het eiland wonen minder controle ervaren op hun gedrag (dit impliceert een behoe?e aan handelingsperspecHef) dan mensen die er relaHef kort wonen (gemiddelde score 2.74 vs 3.24), en dat mensen die langer op het eiland wonen minder vinden dat de community verantwoordelijk is voor de energietransiHe (gemiddelde score 3.17 vs. 3.69). Uit de deurgesprekken is daarnaast gebleken dat er door sommige inwoners een verschil gemaakt wordt tussen wat zij oorspronkelijke eilanders noemen en gemigreerde inwoners van de vaste wal.

Ook uit de gesprekken met stakeholders blijkt hetzelfde. Uit de deurgesprekken blijkt dat sommige oorspronkelijke eilanders de houding tegenover het project koppelen aan het oorspronkelijk eilanderschap of een import-eilander zijn. Het zijn in hun ogen de voormalige bewoners van het vasteland die nu op Schiermonnikoog wonen die de verduurzamingsprojecten een warm hart toedragen en acHef ondersteunen. Deze betreffende oorspronkelijke inwoners staan meer negaHef tegenover de verduurzamingsprojecten.

26

Dit wordt bevesHgd door enkele groepsverschillen die worden gevonden binnen de gehele dataset. In dit geval zijn er drie groepen gemaakt: geboren eilanders, mensen die er al lang wonen (14 jaar of langer, maar niet hun hele leven) en mensen die er korter dan 14 jaar wonen. Deze analyse bevesHgt dat inwoners die geboren zijn op het eiland, het minst betrokken zijn bij de verduurzaming van het eiland (gemiddelde 3.1 vs. 3.8 en 3.5 voor de groepen die langere of kortere Hjd van hun leven op Schiermonnikoog wonen). Verantwoordelijkheid voor de energietransiHe wordt door de geboren eilanders en door mensen die langer op het eiland wonen minder toegeschreven aan de community (beide gemiddelden 3.3) vergeleken met de groep die er het meest kort woont (0-13 jaar). Ook aan de overheid wordt er minder verantwoordelijkheid toegeschreven door de oorspronkelijke bewoners (gemiddelde 3.4) vergeleken met de andere twee groepen (3.7 en 4.0). Daarnaast hebben geboren eilanders minder het idee dat hun individuele acHes bijdragen aan een groter geheel (locus of control, gemiddelde 3.3) vergeleken met de andere twee groepen (gemiddelden 3.7 en 3.9). Ten sloxe geven geboren eilanders minder vaak aan acHef betrokken te zijn bij het project en geven zij relaHef iets vaker aan dat zij het project slechts van naam kennen.

Dit impliceert dat geboren eilanders minder goed van het project afweten dan de andere twee groepen. Ondanks dat er enkele groepsverschillen zijn gevonden die relevant zijn voor het vervolgtraject, lijkt het erop dat we de negaHeve bevindingen omtrent draagvlak niet kunnen toeschrijven aan een bepaalde groep. Een passende verklaring voor de eerdergenoemde negaHeve houding ten opzichte van het project is uit de analyse van verschillende groepen dus niet naar voren gekomen. Vooralsnog is er met de data geen volledig sluitende verklaring gevonden voor de discrepanHe tussen het sociale profiel en de houding tegenover het project en de discrepanHe tussen de focus vanuit de projectorganisaHe op communicaHe naar inwoners en het betrekken van inwoners en de houding tegenover het project.

27

4. Geïnformeerde voorkeuren drie technieken 4.1 Belangrijke aspecten voor inwoners De ICQ is ingevuld door 60 bewoners van de wijk Nieuw-Dokkum, waaronder 30 huurders en 30 eigenaar-bewoners. Respondenten zijn gemiddeld 59 jaar oud (standaarddeviaHe 14.8) en de meeste mensen hebben een MBO (n = 20) of HBO (n = 14) opleiding afgerond. Net als bij de social fingerprint vragenlijst, zijn de resultaten van de ICQ gebaseerd op de antwoorden van de bewoners die wel deel hebben genomen. Het is relevant te bedenken dat we van degenen die niet deel hebben genomen, niet weten wat ze vinden, behalve dan van degenen die acHef hun medewerking weigeren (met opgaaf van redenen in de gesprekken aan de deur). Aspecten die belangrijk worden gevonden In de ICQ vragenlijst met betrekking tot de technische voorkeuren is gevraagd om aan te geven welke aspecten bewoners belangrijk vinden in de besluitvorming voor de keuze voor de nieuwe warmtetechniek. Als antwoord konden ze kiezen uit een aantal voorbenoemde aspecten, maar ook een eigen aspect als vrije invoer benoemen. Voor huiseigenaren zijn meer aspecten opgenomen, aangezien voor hen ook de investering in de aanschaf en installaHe van belang kunnen zijn, waar dat voor huurders niet van belang is. De scores zijn weergegeven in figuur 5. Voor zowel huurders als eigenaren springt het aspect geluidsoverlast er duidelijk uit.

Figuur 5: Antwoorden op de vraag welke aspecten inwoners belangrijk vinden voor de besluitvorming over de nieuwe warmtetechniek. De aspecten die door meer dan de helP van de inwoners zijn genoemd, dus belangrijk vinden, zijn in een fellere kleur weergegeven. Onderscheiden naar huur en koop huizen.

28

Op de tweede plaats worden de kostenaspecten van belang gevonden. Voor de eigenaren ligt daarbij de nadruk op de kosten van de investering voor de aanschaf en installaHe (die huurders niet hoeven te maken), voor de huurders ligt de nadruk op de kosten van het gebruik (die ook de eigenaren niet onbelangrijk vinden). Voor eigenaren geldt dat ze het ook belangrijk vinden als er eventuele aanpassingen aan hun woning gedaan zouden moeten worden (niet alleen gerelateerd aan kosten, maar ook aan bijv. mogelijke overlast). Verder geven inwoners aan dat de manier waarop er met storingen wordt omgegaan van belang is, voor eigenaar-bewoners is dit het sterkst. Ten sloxe valt de ruimte die de nieuwe techniek in het huis vraagt op. Ook dat aspect wordt als relaHef belangrijk door beide groepen benoemd. Dit alles betekent dat beide groepen vinden dat in de keuze voor een nieuwe warmtetechniek, vooral rekening moet worden gehouden met de mate waarin een techniek leidt tot geluidsoverlast, de kosten die de techniek met zich meebrengt (zowel wat betre? investeringen als gebruik), de wijze waarop met storingen wordt omgegaan, het ruimtebeslag binnenshuis en eventuele aanpassingen in huis.

Het gegeven dat de kosten een belangrijk aspect worden gevonden sluit aan bij de observaHe dat de veronderstelde hoge kosten voor een deel van de inwoners reden is voor een negaHeve houding ten opzichte van het project. Aspecten die onbelangrijk worden gevonden In de vragenlijst is ook gevraagd om aan te geven welke aspecten voor inwoners juist niet belangrijk zijn in de keuze voor een nieuwe warmtetechniek. Daarbij waren de antwoordmogelijkheden gelijk aan die van de vraag naar wat inwoners belangrijk vinden. De resultaten zijn weergegeven in figuur 6, waarin duidelijk zichtbaar is dat inwoners duidelijk minder vaak hebben aangegeven dat een aspect onbelangrijk wordt gevonden. O?ewel, over het algemeen benoemen veel inwoners verschillende aspecten expliciet als belangrijk, maar de niet als expliciet belangrijk benoemde aspecten kunnen niet zomaar uit de afweging voor een techniek worden weggelaten - zo onbelangrijk zijn ze niet.

Figuur 6: Antwoorden op de vraag welke aspecten inwoners NIET belangrijk vinden voor de besluitvorming over de nieuwe warmtetechniek. De aspecten die het meest zijn genoemd, dus het minst belangrijk worden gevonden, zijn in een fellere kleur weergegeven. Onderscheiden naar huur en koop huizen.

29

De resultaten van wat als onbelangrijk wordt gezien, vormen een minder goed bruikbare ondersteuning voor de keuze voor een nieuwe warmtetechniek, omdat de meest genoemde aspecten door een behoorlijke minderheid van de inwoners wordt genoemd. De resultaten sluiten wel goed aan bij de belangrijke aspecten; de belangrijkste aspecten worden slechts door een klein aantal inwoners expliciet als onbelangrijk benoemd. De aspecten die het meest als onbelangrijk worden genoemd zijn overlast door werkzaamheden aan de straat, het mogelijkerwijs moeten veranderen van energieleverancier, het kiezen van een collecHeve oplossing en voor huurders of er aanpassingen aan de woning nodig zijn. Deze resultaten geven geen aanleiding tot een andere conclusie met betrekking tot wat belangrijk wordt gevonden. Als in de keuze voor een nieuwe techniek de mogelijke opHes verschillen wat betre? de werkzaamheden die in de straat moeten worden uitgevoerd, het veranderen van energieleverancier en de mate waarin het een collecHeve (versus individuele) oplossing is, dan zouden die kenmerken een minder grote rol in de keuze spelen. Verschil met gas Een aantal aspecten verschillen niet tussen de drie opHes die zijn voorgelegd, maar zijn wel als voorwaarden voor de techniekkeuze benoemd.

Die voorwaarden zijn dat de nieuwe warmtetechniek zal leiden tot een reducHe van CO2 uitstoot, dat het elektriciteitsnetwerk het aankan, dat het niet duurder zal zijn dan verwarmen met gas, dat woningen goed geïsoleerd moeten zijn en dat radiatoren in de woningen geschikt zijn voor de betreffende techniek. Expliciet is aangegeven dat indien de beoogde nieuwe techniek een substanHële CO2-uitstoot hee?, of het elektriciteitsnetwerk het niet aankan of als het duurder is dan verwarmen met gas, dat die techniek dan niet zal worden ingevoerd. Wat betre? de isolaHe en de radiatoren is aangegeven dat dit niet tot verschillende acHes leidt voor de verschillende opHes. Als een woning onvoldoende geïsoleerd is, zal deze geïsoleerd moeten worden, ongeacht de techniekkeuze.

30

De inwoners hebben aangegeven in de vragenlijst hoe belangrijk ze de verschillen met het verwarmen met gas vinden. Alle voorwaarden worden door een meerderheid van de inwoners genoemd, het meest wordt genoemd dat het niet duurder moet zijn dan gas (zie figuur 7).

Figuur 7: Mate waarin verschillen van de nieuwe warmtetechniek met de verwarming met aardgas belangrijk worden gevonden.

De belo?es die zijn gedaan met betrekking tot deze voorwaarden zullen natuurlijk nagekomen moeten worden, maar het belang daarvan blijkt nog nadrukkelijker uit deze antwoorden. Daar komt bij dat inwoners het relaHef belangrijk vinden dat hun woning voldoende geïsoleerd is voor de nieuwe warmtetechniek en dat hun radiatoren geschikt zijn. Dit kan niet helpen om de keuze voor een nieuwe techniek te maken, maar het is wel van belang dit te realiseren, omdat noodzakelijke aanpassingen door een belangrijk deel van de inwoners niet posiHef zullen worden ontvangen.

4.2 Geïnformeerde voorkeuren: Vrije inbreng Aan het eind van de vragenlijst is aan de inwoners de gelegenheid geboden om aanvullend aan alle antwoorden en toelichHngen die ze al hebben gegeven, nog ideeën of wensen voor het duurzaam maken van hun woning, wijk of eiland, op te schrijven. Ook na de vragen over wat men al dan niet belangrijk vindt, kon men een toelichHng geven. De inwoners die daar iets hebben ingevuld, hebben daar over het algemeen onderstreept wat voor hen van belang is, en wat in de eerdere resultaten al is vermeld (bijvoorbeeld dat de kosten niet te hoog moeten zijn, of dat het belangrijk is dat er snel op storingen kan worden gereageerd door een monteur op het eiland). Enkele inwoners geven aan dat ze in de uitvoering van de nieuwe warmtetechniek graag maatwerk per woning zouden willen zien. Hieronder volgen enkele quotes ter illustraHe van de bovengenoemde resultaten: “De werking en de kosten op de lange termijn zijn voor mij belangrijk, zo zuinig mogelijk op alle fronten”.

31

“ik wil zelf bepalen hoeveel water ik gebruik en hoe vaak of hoe lang ik douche bijvoorbeeld”. “ik betaal nu 100 euro voor gas en stroom per maand. Ik zou veel moeten investeren en dan veel duurder uit zijn. Wie gaat daar voor kiezen?” “Bij storingen: hoe lang duurt het voordat ze op het eiland zijn? Uit ervaring met andere bedrijven weten we dat we alBjd langer moeten wachten dan als je op de wal woont”. “Voor het krijgen van een duurzame oplossing is enig ingrijpen aan de toevoer noodzakelijk, ik heb er vertrouwen in dat dit zo goed mogelijk zal worden aangepakt met de kortst mogelijke overlast. enige overlast is niet te vermijden en acceptabel bij een duurzamere oplossing van de verwarming van huizen en water". “Het moet beslist niet tot geluidsoverlast en hogere maandelijkse kosten leiden !!!!!!” “Het moet aantrekkelijker en makkelijker gemaakt worden om hierin mee te gaan, zowel financieel als qua service en begeleiding. Daarnaast is het nog geen 'proven technology' en kunnen de vooruitzichten wijzigen. Zie wat er nu met zonnepanelen en teruglevering gebeurt.” “Gasleidingen niet verwijderen, zou alBjd nog gebruikt kunnen worden voor waterstofgas. - Ga echt per huis kijken wat er mogelijk is en neem de mensen stap voor stap mee. Anders haken ze af.” “Dat je na verloop van Bjd niet ineens duurder uit bent dan met gas door o.a. vaste lasten of ook al doe je zuiniger je o.a.

door terugleveringskosten duurder uit bent. - storingsmonteur op het eiland. (niet aeankelijk van de veerboot) - Kan het elektriciteitsnet (van/naar) het eiland het verwerken? geluidsoverlast/verbruik (lucht-water) warmtepomp? --> monotoon geluid??” “Als er niet wordt gekozen voor een warmtenet, waar gaat al het geld voor de subsidie dan heen? Krijgt ieder huishouden geld voor investeringen?!”

4.3 Geïnformeerde voorkeuren: algemene waardering drie technieken In de vragenlijst is daarnaast per techniek (nadat informaHe is gegeven en is gevraagd in hoeverre verschillende kenmerken worden gezien als voordelen of nadelen) gevraagd om een totaaloordeel over de techniek te geven, op een schaal van 1 tot 10 (hoe hoger het cijfer, hoe meer iemand het een goede mogelijkheid vindt). De totaaloordelen van de drie technieken staan weergegeven in tabel 2. Het is van belang te beseffen dat we met deze vraag naar een totaaloordeel niet hebben gevraagd om een keuze voor één van de drie mogelijke opHes te maken. Dat betekent dat de techniek met het hoogste gemiddelde totaaloordeel niet noodzakelijkerwijs ook de techniek is die de inwoners zouden kiezen als hen gevraagd zou worden om een keuze voor één van de drie te maken. In combinaHe met de verderop beschreven beoordeling van voor-en nadelen van de verschillende kenmerken van de drie technieken, gee? het totaaloordeel wel een beeld van de wenselijkheid ervan.

32

Tabel 22 Totaaloordelen van de drie warmteketel met warmtetechnieken, verdeeld naar aansluiHng op huurders en eigenaren van koopwoningen.

lucht-water warmtepomp

elektrische warmtepomppaneel

warmtenet

huurwoning Gemiddeld oordeel

5,10

4,76

5,43

Aantal inwoners

29

29

30

StandaarddeviaHe

2,83

2,46

2,54

koopwoning Gemiddeld oordeel

5,77

4,07

5,63

Aantal inwoners

30

30

30

StandaarddeviaHe

2,36

2,18

2,5

Gemiddeld oordeel

5,44

4,41

5,53

Aantal inwoners

59

59

60

StandaarddeviaHe

2,6

2,33

2,5

Totaal

Hoewel er enige verschillen zichtbaar zijn tussen huurders en eigenaren van koopwoningen, zijn deze verschillen niet-significant; er is dus geen verschil in totaaloordeel tussen eigenaren en huurders. Er worden ook geen significante verschillen gevonden als we kijken naar lee?ijd en opleidingsniveau. Zowel voor eigenaren als voor huurders (en dus ook voor beiden samen) is het totaaloordeel voor de lucht-water warmtepomp van rond de 4 duidelijk lager dan voor de beide andere technieken. De warmteketel met aansluiHng op het warmtenet en het elektrisch warmtepomppaneel krijgen een vergelijkbaar totaaloordeel (5.4 en 5.5). Een gemiddeld cijfer als totaaloordeel zegt niet alles. Wat tevens van belang is, is hoe dat gemiddelde is opgebouwd, dus welke individuele oordelen er zijn gegeven door de inwoners en daarmee de spreiding van de gegeven antwoorden. Dit is voor huurders en eigenaren samen weergegeven in figuur 8.

33

Totaaloordeel warmteketel met warmtenet

Totaaloordeel lucht-water warmtepomp

Totaaloordeel electrisch warmtepomppaneel

Figuur 8: Frequen7everdelingen van de cijfers gegeven als totaaloordeel voor de drie technieken (eigenaars en huurders samen). Mate waarin verschillen van de nieuwe warmtetechniek met de verwarming met aardgas belangrijk worden gevonden.

In de figuur is te zien dat voor de lucht-waterwarmtepomp meer dan de hel? van de inwoners (n = 39) een onvoldoende hee? gegeven en dat het aantal lage cijfers relaHef groot is. Voor de beide andere technieken hee? ongeveer de hel? een voldoende totaaloordeel gegeven en de hel? een onvoldoende. Hier lijken de antwoorden dus meer in balans te zijn. Een ruime meerderheid van de inwoners gee? hiermee te kennen dat een lucht-water warmtepomp wat hen betre? een onvoldoende krijgt en het gemiddelde totaaloordeel van de lucht-water warmtepomp is duidelijk het laagst. Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat de lucht-water warmtepomp minder passend wordt gezien dan de beide andere technieken en dat de inwoners daarmee een voorkeur lijken te hebben voor de warmteketel met aansluiHng op een warmtenet of een elektrisch warmtepomppaneel.

34

In de gemiddelde cijfers en de frequenHeverdelingen vallen nog twee zaken op. Allereerst zijn de gemiddelde totaaloordelen relaHef laag. Ook de twee hoogste oordelen zijn net wel, net niet voldoende (5,4/5,5). De inwoners zijn als groep dus niet heel posiHef over de technieken. Dat lijkt te passen bij het eerder beschreven relaHef negaHeve oordeel over het van het aardgas af gaan van de hele wijk. In de tweede plaats valt op dat bij alle drie de technieken er een grote groep inwoners er een laag (onvoldoende) totaaloordeel over gee?, ook voor een warmteketel met aansluiHng op een warmtenet en een elektrisch warmtepomppaneel. In geval de uiteindelijk keuze op een van die twee technieken zou vallen, dan lijkt de hel? van de inwoners er geen warm voorstander van en een behoorlijk deel zelfs totaal geen voorstander (totaaloordeel 1,2 of 3). Wat de keuze ook wordt, de hel? van de inwoners beoordeelt het op dit moment als negaHef, wat kan impliceren dat er onvoldoende draagvlak is. In het verdere traject zal hier nadrukkelijk aandacht voor nodig zijn en gerichte acHes voor moeten worden ontwikkeld en ingezet.

4.4 Geïnformeerde voorkeuren: Voordelen, nadelen en belang aspecten warmteketel met aansluiLng op warmtenet

Figuur 9: Weergave van de verschillende oordelen van de aspecten van de techniek: waargenomen rela7eve voordelen en nadelen. De aspecten in een felle kleur worden door bewoners ook als belangrijk beschouwd. Niet alle aspecten zijn in deze figuur opgenomen. Wanneer het aspect als ’onbelangrijk’ (gemiddelde score rond de 0) werd aangeduid, is deze niet vermeld. In bijlage 4 staan de gemiddelden op alle aspecten.

In Figuur 9 worden de verschillende oordelen van de aspecten van de techniek weergegeven. Voor eigenaar-bewoners (groen) zijn er grofweg drie voordelen voor een warmteketel met aansluiHng op een warmtenet te onderscheiden: het oplossen van storingen (met een beduidend hoger gemiddelde vergeleken met de andere aspecten), onderhoud gedaan door het warmtebedrijf en het hebben van een eigen warmtemeter. Dit impliceert voor eigenaar-bewoners het belang van eigen regie en (graHs) ondersteuning indien nodig. Twee nadelen die door eigenaar-bewoners worden benoemd zijn dat de straat open moet en de gebruikskosten per maand. De overige stellingen komen op gemiddelde scores rond het nulpunt (‘onbelangrijk’) uit.

35

Voor huurders (paars) geldt dat er ook drie voordelen te onderscheiden zijn, maar de scores hiervan liggen dichter bij elkaar: het niet hoeven te betalen van aansluitkosten, het oplossen van storingen en het hebben van een eigen warmtemeter. Twee van de drie benoemde voordelen komen overeen met die van eigenaar-bewoners. Betaalbaarheid is een belangrijk voordeel voor deze groep, net als (graHs) ondersteuning indien nodig (en enigszins ook regie). Door huurders worden beduidend meer nadelen benoemd en die zijn ook iets meer uitgesproken (iets hogere scores), namelijk: het niet kunnen overstappen naar een ander warmtebedrijf, de maandelijkse kosten, dat de straat open moet, de gebruikskosten per maand en de installaHe in huis. Dit impliceert wederom het belang van eigen regie en betaalbaarheid voor deze groep, naast de te verwachten overlast van werkzaamheden. Er zijn drie aspecten die door huurders als ‘onbelangrijk’ worden beschouwd.

4.5 Geïnformeerde voorkeuren: voordelen, nadelen en belang aspecten warmtepomppaneel

Figuur 10: Weergave van de verschillende oordelen van de aspecten van de techniek: waargenomen rela7eve voordelen en nadelen. De aspecten met een felle kleur worden door bewoners ook als belangrijk beschouwd. Niet alle aspecten zijn in deze figuur opgenomen. Wanneer het aspect als ’onbelangrijk’ werd aangeduid, is deze niet vermeld. In bijlage 4 zijn de gemiddelden van alle aspecten opgenomen.

In figuur 10 worden de verschillende oordelen van de aspecten van het elektrisch warmtepomppaneel weergegeven. Eigenaar-bewoners (groen) zien ten eerste relaHef veel nadelen aan deze techniek. Het grootste voordeel betre? echter de prijs van stroom voor deze techniek, maar dit is een relaHef lage gemiddelde score (rond de 2). Er komen daarnaast nog drie andere aspecten op een posiHef gemiddelde uit, maar deze scores zijn allen gemiddeld onder de 1. Er zijn dus geen hele uitgesproken voordelen voor eigenaar-bewoners aan deze techniek. Er worden meer negaHeve scores (nadelen) gevonden voor deze techniek, maar ook hier zijn de scores relaHef laag. Het grootste nadeel voor eigenaar-bewoners zijn de relaHef hoge aansluitkosten. Andere nadelen die worden genoemd zijn de plek die het apparaat binnen inneemt, aanpassingen van de meterkast en het zelf moeten regelen van onderhoud.

36

Het enige echte voordeel voor huurders (paars) is dat zij geen aansluitkosten hoeven te betalen. Daarnaast geven zij posiHeve scores aan de ruimte die er moet zijn op het dak en de prijs van stroom voor deze techniek, maar deze scores zijn relaHef laag en kunnen ook als ‘onbelangrijk’ worden aangemerkt. Er worden dus wederom meer negaHeve scores (nadelen) gevonden voor deze techniek, met twee meest uitgesproken nadelen gerelateerd aan kosten, namelijk de servicekosten en dat energieleveranciers soms geld in rekening brengen voor het terug leveren van stroom op het net. Andere nadelen zijn de plaats voor het apparaat binnen, en de installaHe die 4 à 5 dagen duurt. De overige aspecten hebben scores die tussen 0 en -2 liggen en daarmee eerder als ‘onbelangrijk’ kunnen worden geduid. Tussen huurders en eigenaar-bewoners zijn meer verschillen geobserveerd in hoe zij tegen deze techniek aankijken, vergeleken met de oordelen over de warmteketel met aansluiHng op het warmtenet.

37

5. Conclusies en aanbevelingen De lokale samenleving waar de mensen elkaar kennen en voor elkaar klaarstaan, maar waarvan meerdere stakeholders en inwoners zeggen dat veel onderlinge relaHes ook relaHef weinig diepgang hebben, zal gezamenlijk het traject om van het gas af te gaan moeten doorlopen. Er sluimeren meerdere scheidslijnen tussen groepen in deze samenleving die op dit moment niet heel duidelijk aan de oppervlakte komen. Echter, het project om van het gas af te komen draagt het risico in zich om deze scheidslijnen te accentueren en zou dus kunnen leiden tot een splijtzwam in de samenleving. Als specifieke groepen (zoals bijvoorbeeld ouderen, prakHsch opgeleiden, mensen met een laag inkomen etc.) structureel minder of zelfs niet parHciperen en uiteindelijk te maken krijgen met de implementaHe van een nieuwe verwarmingstechniek, dan zou dat tot een tweedeling kunnen leiden. Het is zaak om ervoor te zorgen dat iedereen voldoende aansluiHng krijgt en houdt. Uit de gesprekken met de stakeholders blijkt dat zij op hoofdlijnen een redelijk beeld hebben van wat er lee? op het eiland met betrekking tot het project ‘Aardgasvrij eiland’. Dat beeld komt vooral naar voren als de informaHe uit alle gesprekken wordt samengevoegd, individuele stakeholders zien vaak een deel van het geheel.

Het is duidelijk voor alle stakeholders dat de parHcipaHe nog onvoldoende gerealiseerd is, ondanks een groot aantal acHes in dat verband. Verschillende stakeholders schaxen daarnaast het draagvlak onder de inwoners posiHever in dan feitelijk het geval is. Daarnaast zijn er enkele stakeholders die meer betrokken zouden willen worden dan tot nu toe het geval is. Dat leidt tot de conclusie dat de mate waarin stakeholders en inwoners zich betrokken voelen wordt onderschat binnen het project. Aangezien alle stakeholders expliciet op parHcipaHe zijn gericht en de onderlinge samenwerking een precair en complex proces is geweest, zou een verklaring voor de onderschaeng kunnen zijn dat de focus op het proces is verward met het (gewenste) resultaat daarvan. Daarnaast is de conclusie dat aanvullende of andere acHes noodzakelijk zijn om tot een toename in de parHcipaHe te komen. De social fingerprint laat posiHeve indicaHes van de sociale indicatoren zien voor Nieuw Dokkum: er zijn op de individuele factoren bijvoorbeeld gemiddelde tot hoge scores gevonden. Aetude, kennis en ervaren controle zijn niet uitgesproken hoog te noemen, wat verklaard kan worden door de onderliggende groepsverschillen.

Daarnaast wordt er op de sociale invloed factoren relaHef hoog gescoord: een patroon van sociale cohesie dat aanwezig is op een klein eiland als Schiermonnikoog, waarbij mensen voor elkaar klaar staan en elkaar vertrouwen. Er is daarnaast relaHef laag vertrouwen in de gemeente. Verder kunnen er door relaHef veel mensen zowel problemen als successen worden opgenoemd. Ten sloxe wordt er relaHef hoog gescoord op de parHcipaHe factoren; de inwoners kennen het project, willen relaHef vaak misschien of wel meehelpen en geven aan relaHef betrokken te zijn bij het thema. Op dit laatste aspect worden overigens ook groepsverschillen gevonden, net als op waargenomen gedragscontrole, wat aangee? dat verschillende groepen (op basis van bijvoorbeeld opleiding of inkomen) andere behoe?en kunnen hebben als het aankomt op communicaHe en parHcipaHe. De groepsverschillen kunnen echter de negaHeve bevindingen omtrent draagvlak niet verklaren, maar er is een completer beeld ontstaan van de verschillende patronen en dynamieken die mogelijk allemaal op het draagvlak inspelen. Om over te kunnen gaan tot een geïnformeerde keuze voor een verwarmingstechniek, is in de ICQ vragenlijst informaHe gegeven over deze technieken en vervolgens gevraagd naar een oordeel. Hieruit blijkt dat er geen hoge scores werden gegeven op alle drie de technieken.

Er lijkt dus geen techniek te zijn waar iedereen redelijk posiHef over is en voor alle drie de technieken geldt dat er grote groepen

38

zijn die het een laag cijfer geven. Aan de bovenkant is er dus niet heel duidelijk een oplossing die eruit springt. Aan de onderkant is dat voor één oplossing wel enigszins het geval is, aangezien de lucht-water warmtepomp beduidend lager wordt beoordeeld dan de beide andere technieken. Er zijn geen grote verschillen tussen huurders en eigenaar-bewoners of andere groepen gevonden als het aankomt op deze oordelen van de technieken. Als we kijken naar de stellingen over de drie verschillende oplossingen, dan is hetzelfde patroon zichtbaar; er zijn bijna geen stellingen die voor iedereen heel posiHef of negaHef zijn, behalve voor enkele factoren die te maken hebben met kosten, geluidsoverlast, en enigszins voor ruimtegebruik. Dit zijn voor de meeste mensen belangrijke factoren bij het beoordelen van een technische oplossing. Oordelen op de onderliggende factoren voor de lucht-water warmtepomp worden over het algemeen iets negaHever ingeschat dan voor de andere twee oplossingen. Op basis van de geïnformeerde voorkeuren lijkt de lucht-water warmtepomp de minst voor de hand liggende keuze. Dat wordt ondersteund door het grote belang dat wordt gehecht aan het voorkomen van geluidsoverlast, wat in meer of mindere mate wel het gevolg zal zijn bij een keuze voor deze techniek.

Een duidelijke voorkeur voor één van de twee andere opHes is niet direct uit de geïnformeerde voorkeuren af te leiden, maar er zijn wel enkele relevante observaHes. Slechts een beperkt aantal aspecten die als een voordeel of nadeel worden, wordt ook als belangrijk gezien en de relaHeve scores zijn niet heel hoog (het zijn dus geen enorm grote voordelen of nadelen). Inwoners geven aan iets meer nadelen te zien van het elektrisch warmtepomppaneel en iets meer en sterkere voordelen van de warmtepomp met aansluiHng op het warmtenet. Dat betekent niet dat de warmtepomp met aansluiHng op een warmtenet favoriet is, het gee? wel aan dat een keuze voor een elektrisch warmtepomppaneel mogelijk meer (maatwerk) aanpassingen of specifieke acHes vraagt. De genoemde voordelen en nadelen van de verschillende technieken kunnen worden gebruikt in de techniekkeuze en de verdere vormgeving van het traject. Zo worden de aansluitkosten van het elektrisch warmtepomppaneel, als een belangrijk nadeel beoordeeld door huiseigenaren. TegelijkerHjd worden financiële gevolgen als nadelig beoordeeld. Indien wordt gekozen voor deze techniek, zou door bijvoorbeeld financiële regelingen dit nadeel mogelijk kunnen worden verkleind. Inwoners van Nieuw Dokkum hechten veel belang aan de financiële gevolgen van de techniekkeuze.

Dit blijkt uit zowel de zorgen die worden geuit over de haalbaarheid van het project, als in de voorkeuren op de ICQ. Uit de social fingerprint blijkt dat verschillende groepen baat zouden hebben bij concreet handelingsperspecHef en begeleiding bij wat zij zelf zouden kunnen doen, en dat geldt ook voor de financiële aspecten van de warmtetransiHe. Voor huurders is het belangrijk om hierbij intensiever samen te werken met de woningcorporaHe. Dit alles bij elkaar genomen laat zien dat het voor mensen in Nieuw Dokkum gaat om betaalbaarheid, regie en onaZankelijkheid. Dit beeld wordt bevesHgd door de deur-aan-deur gesprekken: mensen maken zich zorgen om de betaalbaarheid en uitvoerbaarheid (specifiek voor de -relaHef grote- groep oudere bewoners in de wijk). Dit past ook bij het sociaal profiel, bijvoorbeeld door de lagere scores op waargenomen gedragscontrole. Voor het vervolg van het project is het daarom van belang om ervoor te zorgen dat inwoners voldoende regie ervaren. Welke techniek ook gekozen wordt, er zal dan een grote groep inwoners zijn die niet (volledig) achter de keuze zal staan. Bovendien zijn er voor elke keuze belangrijke nadelen door de bewoners geïdenHficeerd, waarvoor idealiter eerst oplossingen gevonden worden. Aangezien het draagvlak voor de warmtetransiHe op het eiland sowieso al niet groot blijkt te zijn, vormen de bezwaren een risico.

39

Helemaal gecombineerd met het wankele vertrouwen dat er in sommige stakeholders en het project lijkt te zijn. Om conflicten zoveel mogelijk te voorkomen, zou in eerste instanHe gewerkt moeten worden aan de ervaren urgenHe om de warmtetransiHe gezamenlijk te maken. TegelijkerHjd dient er aan het vertrouwen in het project en de partners gewerkt te worden. Beide processen kunnen op verschillende wijze vormgegeven (zie aanbevelingen). Verder is het goed om te realiseren dat de voorwaarden die aan de techniekkeuze zijn verbonden, zoals dat het project niet wordt doorgezet als de nieuwe manier van verwarmen duurder is dan verwarmen met gas, door een ruime meerderheid belangrijk worden gevonden. Het is belangrijk dat de belo?es met betrekking tot die voorwaarden worden nagekomen. De resultaten van zowel de social fingerprint als de geïnformeerde voorkeuren kunnen mogelijk een eerste posiHeve aanvulling vormen in het transiHetraject. Immers, hiermee is veel informaHe opgehaald van de inwoners van Nieuw Dokkum en zijn veel opvaengen en oordelen specifiek met betrekking tot de warmtetransiHe en de specifieke technieken in kaart gebracht.

Wanneer de techniekkeuze wordt gemaakt op basis van deze informaHe en dit in de communicaHe van de keuze duidelijk wordt onderbouwd en de vervolg stappen worden vormgegeven op basis van onder andere de ervaren voor-en nadelen, dan zou dat waarschijnlijk een posiHef effect op het draagvlak hebben. Er zal echter meer nodig zijn dan dat om tot een succesvolle en voldoende gedragen implementaHe van een nieuwe warmtetechniek te komen. Aanbevelingen De combinaHe van resultaten uit de verschillende onderdelen van het onderzoek, in combinaHe met de uitvoering van het project en de lokale context, laat wat betre? de houding tegenover het project een beeld zien dat niet direct eenduidig te interpreteren is. Bij nadere beschouwing van de situaHe valt op (onder andere uit het sociaal profiel, maar ook uit gesprekken) dat de bekendheid met het project onder inwoners groot is. Er is veel over gecommuniceerd en er zijn in een relaHef lange periode verschillende acHes opgezet om bewoners te betrekken. Toch heerst er bij veel inwoners een negaHeve houding omtrent het project. Die negaHeve houding is voor verschillende inwoners gebaseerd op verschillende aspecten. Zo is er vanuit verschillende hoeken (stakeholders en inwoners) commentaar op onderdelen van de aanpak en/of parHjen die hierbij betrokken zijn.

Er zijn bijvoorbeeld zorgen over de financiële haalbaarheid van de plannen (voor groepen in de wijk), er is ontevredenheid over het niet nakomen van afspraken of onrust doordat het voor bewoners lijkt alsof bepaalde keuzes al zijn gemaakt, informaHe komt volgens bewoners niet of laat bij hen terecht (of in een minder passende vorm), er zijn enkele stakeholders (en inwoners) die meer bij het project betrokken willen worden en er zijn inwoners die geen of weinig vertrouwen hebben in de gemeente. Daarnaast is het leeuwendeel van de personen binnen de betrokken organisaHes geen inwoner van Schiermonnikoog, wat bijdraagt aan het beeld dat bij een deel van de inwoners lee? dat het project niet vanuit de lokale gemeenschap komt en wordt gedragen. Al deze aspecten houden verband met de transparanHe (open houding, aanspreekbaarheid, ontvankelijkheid voor ideeën, wensen en ervaringen van inwoners en afleggen van verantwoording voor keuzes en eventuele fouten) en daarmee de ervaren betrouwbaarheid van de projectorganisaHe (voor velen de gemeente)4. Door meer en specifiek transparant te werken, kan het ervaren vertrouwen in de gemeente en het project worden verhoogd. Aanbeveling 1: Het vergroten van de betrokkenheid

4

de Bruijn, D., Noordewier, Y. & Santpoort, R. (2023). Naar vertrouwen in een betrouwbare overheid: Deel 1: De responsieve lokale overheid. Utrecht: Movisie

40

Hoewel parHcipaHe een belangrijk uitgangspunt in het project is, is de constatering dat dit nog niet voldoende is geslaagd. De focus in de verstrekte informaHe en communicaHe lijkt sterk te hebben gelegen in het overbrengen van kennis. Hiernaast werden, aansluitend bij de plannen vanuit de gemeente, de reacHes van inwoners opgehaald. Dat is door een deel van de inwoners gezien als een plan van ‘bovenaf’ waar mensen van ‘buitenaf’ over komen vertellen. Stem daarbij de communicaHe af op de inwoners en niet op de inhoud van het project vanuit de projectorganisaHe. Dit sluit ook aan bij de bevinding uit de stakeholdersanalyse dat meerdere stakeholders constateerden dat ze te weinig vanuit het gezichtspunt van de inwoner hebben gehandeld en dat soms hebben vormgegeven vanuit hun eigen verwachHng van dat gezichtspunt in plaats van dat aan de inwoners te vragen. Het is daarom ten eerste aan te bevelen om betrokkenheid te vergroten, bijvoorbeeld door het vervolgtraject naar aanleiding van dit onderzoek goed vorm te geven. Wat wordt er met de zorgen en overwegingen van bewoners gedaan? Doe dit in de dialoog in plaats van dat de gemeente of andere projectpartners ‘een oplossing gaan verzinnen'. Kortom, dit onderzoek is een goede aanleiding om de rest van het traject met meer betrokkenheid vorm te geven.

Het onderzoek zelf is een signaal dat de parHjen de mening van de bewoners als uitgangspunt willen nemen, maar samen moeten ze op zoek naar hoe dit vormgegeven kan worden. Probeer hierbij ook tegemoet te komen aan de behoe?e aan regie en autonomie voor bewoners. Op welke manier dragen zij al bij aan de doelstellingen van het project, en op welke manier kunnen ze dit nog meer doen? Op vergelijkbare wijze kan gezocht worden naar manieren om de (inhoudelijke) betrokkenheid van stakeholders te vergroten bij het project. Aanbeveling 2: Het bouwen aan vertrouwen Het niet nakomen van afspraken (bijvoorbeeld vanwege een te strakke planning), het niet duidelijk beantwoorden van vragen, het niet serieus nemen van ervaringen zoals dat door een deel van de inwoners wordt vermeld, leidt tot een verminderd vertrouwen. Om vertrouwen in de gemeente en het project te vergroten, begint het met doen wat je zegt en duidelijke en transparante communicaHe. Vertrouwen is gebaat bij het nakomen van afspraken en indien dat niet gebeurt een transparante communicaHe daarover. Voor sommige bewoners blijkt een gebrek aan vertrouwen: zorg er bij deze groep in elk geval voor dat alles transparant wordt vastgelegd en dat alle informaHe toegankelijk is. Maak ook duidelijk wie over welke beslissing is gegaan en zal gaan en welk mandaat bewoners hebben.

Communiceer daarnaast ook wat je met de signalen gaat doen van bewoners die aangeven dat ze zich niet serieus genomen voelen. Het is hierom ook verstandig om de planning niet te krap te maken, omdat daarmee het risico van overschrijding van de planning toeneemt. Hoewel sommige inwoners vinden dat het project te langzaam gaat, zijn alle inwoners gebaat bij een zorgvuldige uitvoering waar iedereen aan mee kan doen. Juist processen in de parHcipaHe en het betrekken van inwoners kosten Hjd. Het is verstandig om die Hjd in voldoende mate te nemen en bij toekomsHge acHes niet de druk van het projectplan als leidend te nemen, maar de mogelijkheden van de inwoners om informaHe tot zich te nemen, te verwerken en zich daarover een mening te vormen. Aanbeveling 3: Een maatwerk aanpak richHng verschillende groepen. Verder valt op dat Schiermonnikoog bestaat uit een kleine gemeenschap, met een hoge sociale cohesie en waar men veel vertrouwen in elkaar hee?. TegelijkerHjd lijkt de sociale cohesie ook van funcHonele aard te zijn; van oudsher is men immers op elkaar aangewezen, iets wat op een eiland sterker lee? dan in een gemiddelde wijk. Eilanders hebben veelal een sterkere hang naar autonomie en zelfvoorzienendheid5, hetgeen past bij dit geschetste beeld. Daarnaast zijn er onderscheidende 5

Mela, M. (2023). Beyond autarky: Discourses of Islandness-As-Heritage in Islands’ Energy TransiGons. Islands Studies Journal, 18(2), pp. 1-25.

41

groepen op het eiland, die het niet alHjd met elkaar eens zijn, wederom ook in relaHe tot het project. De scheidslijn tussen verschillende groepen is voor zowel stakeholders als inwoners niet duidelijk aan te geven. Wellicht is die scheidslijn ook niet duidelijk of, zoals een stakeholder aangaf, communiceren inwoners wellicht liever niet waar ze mee zixen, maar gedragen ze zich er wel naar. Het is wel duidelijk dat er verschillende groepen op het eiland zijn die niet zomaar kunnen of willen parHciperen in het aardgasvrij maken van het eiland of daar niet zomaar in mee kunnen of willen gaan. Voorbeelden van groepen die in deze mogelijkheden of moHvaHe verschillen zijn mensen met een laag inkomen die zich de technologische opHes niet zouden kunnen veroorloven, mensen die werken op het moment dat doorgaans parHcipaHeacHes worden uitgevoerd en mensen die het nut van stoppen met het gebruik van aardgas onzin vinden. Ook zijn er groepen (waaronder oudere bewoners) die niet willen dat hen iets wordt opgelegd zolang zij nog eigenaar zijn van de woning. Ook zijn er wellicht groepen of individuen die al (deels) zelf hebben verduurzaamd en hier vragen over hebben, bijvoorbeeld of hen verplicht wordt om mee te doen aan de uiteindelijk gekozen verwarmingsopHe.

Het kan voor hen helpend zijn als zij gerust kunnen worden gesteld (waarbij ook inhoudelijke argumenten kunnen worden gegeven wat vanuit het project de overwegingen zijn geweest om een bepaalde afslag wel of niet te nemen). Zo kan er per groep gekeken worden naar een passende oplossing. Er zijn ook groepsverschillen gevonden voor de sociale factoren van het sociaal profiel, onder andere op basis van inkomen, opleidingsniveau, type woning, woonduur op het eiland en lee?ijd. Verschillende groepen zijn bijvoorbeeld meer of minder betrokken bij het thema en ervaren in meer of mindere mate controle over hun gedrag. Het vergroten van betrokkenheid kan er dus voor deze groepen ook anders uitzien. Al met al geldt dus een aanbeveling voor een maatwerk aanpak om verschillende groepen te betrekken. Huurders ervaren bijvoorbeeld minder controle om hun huis te verduurzamen dan eigenaar-bewoners, en in zekere zin is dat ook niet te voorkomen gezien de centrale rol van de woningcorporaHe. Desalniexemin kan ook deze groep informaHe gebruiken om verduurzamingsmaatregelen te nemen om energie (en daarmee kosten) te besparen door dingen die zij zelf kunnen doen of laten. Het is belangrijk dat deze groep ook handelingsperspecHef ervaart, door concrete informaHe te geven, liefst in samenwerking met de woningcorporaHe en de huurdersvereniging.

Het is voor meerdere groepen noodzakelijk dat er vanuit het project herhaaldelijk en over langere Hjd informaHe wordt gegeven, waarmee urgenHe aan kan worden gewakkerd. Daarnaast zijn mensen met een meer prakHsche opleiding bijvoorbeeld minder betrokken bij verenigingen, dus wanneer er een acHe via verschillende verenigingen zou worden opgezet, is het belangrijk om te realiseren dat er hiermee bepaalde groepen minder goed worden bereikt, en dat hier aanvullende acHes voor moeten worden bedacht (in samenwerking met bijvoorbeeld de energiecoach of andere relevante stakeholders uit de wijk). Aanbeveling 4: In vervolgacHes voor parHcipaHe is het van belang om aan te sluiten bij de bewoners. Dit betekent niet alleen lexerlijk de wijk ingaan, maar zorg er in het contact met de bewoners voor dat zij (en hun vragen, opmerkingen, zorgen en wensen) het uitgangspunt vormen. Neem mensen hierin serieus en heb oog voor hun overwegingen. Sluit bijvoorbeeld aan bij de behoe?e aan autonomie en de noodzaak tot transparanHe. Ga het contact met inwoners aan, zonder dat er hier achter een (verborgen) agenda schuilgaat, bijvoorbeeld over een keuzemoment dat er voor deze bewoners aan zit te komen. Het is belangrijk om bewust aanwezig te zijn, bewust van de context en overwegingen die voor mensen belangrijk zijn.

Zo kan er uiteindelijk ook meer verbinding worden gezocht met de gemeenschap, wat passend is bij de nieuwe visie van de gemeente. Zorg ervoor dat degenen die in gesprek gaan met inwoners daadwerkelijk over de noodzakelijke communicaHeve vaardigheden beschikken en verzorg eventueel aanvullende trainingen op dat vlak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Schiermonnikoog&id=06cf0bd7-6ceb-41f5-9f5d-2299134655c8