12-02 - bijlage 1 - AVG
Tekst van het document
"Spaanse furie" uitgebarsten, maar de oorzaak ervan was niet religieus geweest.Een bankconsortiumin Genua, dat als handelsstadsinds 1381 door de rivaal Venetië was overvleugeld in de handel op de Levant, had in dienst van de Spaansekoning intussenzich gespecialiseerdin het omzetten van de onregelmatige aanvoervan zilver uit Amerika (waarmee de gecompliceerdehandel in West-Azië en naar Oost-Azië werd gefinancierd) in een regelmatige sfoom van goud naar Antwerpen, dat bij gelegenheid ook als het internationale"handelswisselkantoor"diende voor de noodzakelijkeuitbetalingen in goud in de regio, zoalsaan de Spaansehuursoldatendie in de Nederlandenwaren gestationeerd(syllabus:137-138).
Toen de Spaansekoning niet langer in staat was geweest om de schuldendienstte betalen blokkeerden de Genuesebanken de goudstroom naar Antwerpen en sloegen de niet betaalde Spaansetroepen aan het muiten, waarna de stad werd geplunderd - een gevolg van machtspolitiek die de gevreesdekoning vernederde.De uitkomst van "de val van Antwerpen" (1585) was een uitstroom van hoofdzakelijk hugenootsevluchtelingen (of asielzoekers),die met hun kapitaal(goederen),kennis en kunde, naar Londen, Hamburg maar ook naar Amsterdam als bestemmingtrokken - een uitkomst ook, die als een "in de schoot gevallen godsgeschenk"aan de inmiddels gevestigde Republiek der Zeven Provinciën niet alleen de gelegenheid bood om slagvaardiger de Spanjaardente bestrijden, maar ook het veÍïnogen gaf om in navolging van Portugal, de lange afstand-handel op Indië te gaan ondememen. viii). De praktijken van wat later zou worden genoemd:"het mercantilisme" impliceerden,naast de productie van de goederen,niet alleen de lange afstand-handel,de boekhouding& statistiek(als het lange termijn-geheugen),de financiering en het protectionistischeoptreden; ook opendenze de weg naar verdere kolonisatie, de bevolkingspolitiek èn naar de later gebleken grootschaligeslavenhandel- daarbd was het bemachtigenvan geldmiddelen voor de kooplieden/bestuurdersde sterkstedrijfveer geworden.
11
l. In het begrip van o'mercantilisme"schuilt echter een ccvear: er bestondenin werkelijkheid grote verschillen in de manieren waarop het"algemeen belangl'per afzonderlijke staat daadwerkelijk werd gediend; historisch gezien ontwikkelden zich in de habitats verschillende varianten van het mercantilisme. Pas in de 20' eeuw werd het begrip "mercantilisme" door de Zweedsemarktliberale econoom Heckscher ín een gezaghebbendestudie (1931) ondergebracht in een nieuw concept waarin naast het vormen van de nationale eenheid het vestigen van staatsmacht als het ultieme doel werd gesteld,en het bevorderenvan economischegroei het aangewezenmiddel daartoe was (syllabus: I 3 1-l6l ). 2. Na een kritisch debat tussenkeynesiaanseeconomenin de Depressiejaren'30 ("beggor thy neighbour") wordt hier het mercantilisme als volgt gekarakteriseerd.In de vorming enlof versterking van de natiestatenstond het strevennaar het "algemeenbelang" zelf in dienst van de ontwikkeling van de staatsmachtals doeleinde.Voor de natie (d.w.z. voor het staatshoofden diens begunstigden)wordt dan de volgende overlevingsstrategiezichtbaar: een perïnanente netto geldinstroom (cash "ílo*) stimuleert de economie en verschaft (inter)nationaal militaire en politieke macht; deze geldstroom ontstaat uit de internationale handel die is gebaseerd op de ongelijke ruil.
Daartoe moest het internationale handelsverkeer worden onderworpen aan een eigen beschermend stelsel van regulering en toezicht, waaraan de ontwikkeling van een relatief kostbaar ambtenarenapparaatwas verbonden. De bestuurlijke instrumenten waren naast de monetaire politielc marktregulering & handelspolitiek, kolonisatiepolitiek, bevolkingspolitiek en het gebruik van statistieken - kenmerken die de ingrediënten zijn van eenpredotiesffategie. $9. De Verlichtingl: monetaire aspecten van heí mercantilkme Het handelskapitalismeen het mercantilismemarkeerdensuccessievelijkde overgangsprocessen van de besloten, kleine agrarischemiddeleeuwsegemeenschappenaar de relatief open, econornischsnel groeiendesamenlevingen van de Reformatieperiodeen daarna,zelfs tot vèr na de periode van de EuropeseVerlichting: [ca.1650- ca.l800]. (i). Uit de economischeontwikkelingen in de middeleeuwenwas gebleken dat door het voortgaandeproces van geldscheppingvoor het gebruik van het geld als ruilmiddel het mogelijk was geworden om nieuwe activiteiten in de handel en nijverheid te ontwikkelen en te financieren, hetgeen weer een impuls gaf aan een verdere arbeidsverdeling en vemriming van de marktsector:een grotere geldhoeveelheidbevorderdeinteractief de circulatie van de goederenen de werkgelegenheid,maar het geschieddeook omgekeerd:minder geld in de economie leidde tot minder economischeactiviteit.
Daaruit was het inzicht ontstaandat geld een eigen rol speelt in het economische proces en in een land welvaart of armoedebrengt - het geld als ruilmiddel in de economieis níet "neutraal". Maar de vraag was allereersthoe een vergroting van de geldhoeveelheidin de economie daadwerkelijk verkregen kon worden indien het land niet zelf de beschikkinghad over goud- of zilvermijnen. Op grond van hun wereldbeeld kwamen de mercantilisten tot de conclusie dat uit het sluiten van voor hen gunstige internationalehandelscontracten,d.w.z. uit het afdwingen van de ongelijke ruil, een pennanentenetto instroom van hoeveelhedenongemuntgoud en zilver (bullion) in de economiemoest worden verkregen.De opvatting dat de handel eenzero-sumgame was, was niet alleen ontleend aan de wereld van de statische,kleinschalige agrarischebeslotengemeenschappen in de woege Middeleeuwenwaarin werd veronderstelddat het totaal van de grondbezit, in de wereld een gegevenconstanteis; ook had de ervaring rijkdom, met name de hoeveelheid fusieke geleerd dat bij de ruilhandel tussentwee markpartijen het voordeel van de sterksteten koste ging van de andere
parru. pit uitgangspuntwerd door de voorstandersvan het mercantilismeook toegepastop de handel tussende natiestaten,met als gevolg dat in sommige landen van staatswegeeen strategischehandelspolitiekwerd ontwikkeld om als eigen land tegenover de overige staten op een systematischeen soms gewelddadige wijze een permanent handelsoverschot te creëren. Oorspronkelijk overheerste daarbij in sommige landen het standpunt van de Bullionists, namelijk dat het land "rijker" zou worden als het per saldo over meer goud en zilver kon beschikken; daaromwerd bijvoorbeeld in 1703 in Engelandde uitvoer van zilver verboden. (ii). Het begrip "geld" heeft evenwel meer dan één betekenis:het is allereersteen waardemeterof rekeneenheid. Daarnaastverwrlde het niet alleen de rol van ruilmiddel of pasmunt in de inkomenssfeer,maar het fungeert ook, zoals hierboven is beschreven, in de vermogenssfeer als een productiemiddel voor het verkrijgen van kapitaalgoederenen financiële rijkdom; het "geld" heeft dus zowel een monetat (geld) als een financieel aspect(kapitaat).
En daarmeeontstond ook in de periode van het mercantilismeeen wezenlijk probleem dat van alle tijden is: geld dat in een samenleving als kapitaal voor handen is maar als zodanig niet wordt benut, kan onder bepaalde economische omstandighedenveranderen in een teveel aan geld als ruilmiddel, zodat (uitgedrukt in de bestaande hoeveelheid producten) dan het geld een proces van geldontwaarding ondergaat, dat in de inkomenssfeer in prijsinflatie tot uitdrukking komt. Of het overtollige geld kan, naast het verrichten van extra investeringen, worden benut voor speculatieve doeleinden in de veÍmogenssfeer dan wel worden Íumgewend om in de maatschappij politieke invloed uit te oefenen. Vanwege de verwarring in de praktijk over de rol van geld was het voor de mercantilistische bestuurdersdus van het grootste belang om enerzijds geldmiddelen uit het buitenland aan te trekken, maar anderzijds te verhinderen dat de verkregengeldhoeveelheiddoor prijsstijgingen van de te verhandelengoederenzijn koopkracht zou verlie-
t2
zen. Om een doeltreffendegeld- en handelspolitiekte kunnen voeren moestende bestuurdersen kooplieden dus een inzicht hebben in de relaties tussen de betalingsbalans,de belangrijkste wisselkoersen,de binnenlandseprijzen en de binnenlandsegeldhoeveelheid. Dat inzicht werd in de periode [ca.1600-ca.1800]bij stukjes en beetjes verkregen door enkele kooplieden, ambtenaren en natuurfilosofen, die gaandeweg erin slaagden om voor dezepuzzle een oplossing te vinden en de grondslaglegden voor vier met elkaar verbonden"theorieën" (of correcter:hypothesen)van monetaireanalysedie een verklaring gaven van het proces van het intemationale betalingsverkeer en de effecten ervan op de binnenlandse economie, en die later in de economischevakliteratuur bekend kwamen te staan als de theorieën van de betalingsbalans, de naïeve Kwantiteitstheorie, de handelsbalqnsevenwichtenen de kooplcrachtpariteit. Een uitgebreid overzicht van de monetairehypothesenvan het mercantilismeis te vinden te vinden in de syllabus (pp 131l6l). Hiermee wordt de uitgebreide,maar noodzakelijkegeschiedenisvan het mercantilismeafgesloten;met deze kennis van zaken kan de analysevan het huidige neomercantilismeworden opgestart($13) - een voortzetting van de predatiepraktijkenin de voÍïn van de methodiek vanfinancialisatie, is te vinden in de syllabus(deel V.2.2). $10.
De Verlichtin gII: economisch getijkheidsideatlsme en economisch evenwichtsdenken In de laatste periode van de EuropeseVerlichting ontstond ook een ommekeerin het economisch denken ($6), dat werd ingeleid en geïnspireerd door het pionierswerk van de zogeheten Fysiocraten en daarna geleidelijk werd ontwikkeld door de Klassieke economen (the Classical Dynamics). Daarin werd nagedachtover de gevolgen van de economischegroei in de "lange termijn". Tenslottevolgt hier de terugkeernaar de NK-econoom Marshall ($a). A. De Fysiocraten [ca.1750- ca.l790l Het verzet van de Fysiocraten was gericht tegen de mercantilistische praktijken in Frankrijk. tn Engeland werd de economischegrondslagvan dit verzet door Adam Smith aangepasten uitgewerkt en daarnain het "Vrije Westen" geleidelijk ontwikkeld door generatieseconomen van de Klassieke economie. Hier volgen na een inzicht in het werk van de Fysiocratenkorte verwijzingen naar het economischdenkenvan Smith, Malthus, Ricardo en Mill. (i). Het optreden van de Fysiocraten) in Frankrijk moet, zoals steeds bij economischebeschouwingen,in de maatschappelijke context van de desbetreffendetijd worden gezien; daarin speeldentenminste twee factoren een belangrijke rol: in de landbouw (of agrarischeeconomie) en in de bewustwording van de bevolking zelf. I .
Allereerst was er sprakevan de ontrvikkeling van eenduale economie.In het Frankrijk van de l8e eeuw bestond nog een halÊfeodale samenleving waarin enerzijds, gericht op het buitenland onder invloed van de mercantilistischepolitiek zich een betrekkelijk moderneexportsectorhad ontwikkeld, maar anderzijdsin het binnenlandde sffuctuur van de landbouw, nijverheid en handel statísch en dus achterlijk was gebleven: op de hiërarchisch bestuurdelanderijen van zowel de erfadel als de Kerk werd nog op de fraditionele wijze in kleine bedrijven de landbouw bedreven,terwijl in de stedennog de gilden van de ambachtsliedenen de kooplieden met hun strikte regelgeving de aard, omvang en richting van het nationale handelsverkeerbepaalden.In deze nog hoofdzakelijk agrarischemaatschappijwerden vooral de (doorgaanskleine) boeren geffoffen, en wel in het bijzonder door twee soorten wetgeving: de conffole op de graanhandelen het systeemvan de directe belastingen. De graanhandel werd door de overheid volledig gecontroleerd om de graanprijzen (en daarmee de kosten van het levensonderhoudvan de beroepsbevolking,en dus de lonen) laag te houden, zodat de productiekostenin de exportindustrieën(en dus de exportprijzen) laag konden blijven; er werd bewust een aanbodoverschotvan graan gecreëerddat niet zelfstandigmocht worden geëxporteerd.De boerenonfvingen derhalveeen laag bruto-inkomen.
Maar dat inkomen werd ook nog eens zwunr belast: een deel van de opbrengst diende regelrecht aan de landeigenarente worden afgestaan,terwijl bovendien in de vorïn van directe belasting een taille werd geheven. De (adellijke) landeigenarenbehoefdenzelf geen winst- of grondbelastingte betalen - het lange voortduren (la longue durée) van de maatschappelijkeongelijkheid was een voedingsbodemvoor de Revolutie van 1789. 2. Ook vond, als gevolg van de grote inkomensongelijkheid,een proces van maatschappelijkebewustwording plaats in de samenlevingen. De overgang van de feodale samenlevingen naar een internationale orde van natiestaten in Europa had geleid tot een ingrijpende verandering van het denken over de relatie van de individuele mens tot zijn gemeenschap.tn de middeleeuwenwas nog door de Scholasticihet belang benadruktvan de gemeenschap als geheel, die onder de permanentecontrole stond van de koning en de Kerk, waarbij o.a. werd verkondigd dat het gezagvan de koning een Goddelijke instelling was.
Maar in de daaropvolgendeperiode van het mercantilisme ging, enerzijdsvanwege de ontwikkeling van het stadslevenin de laat-renaissancetijden vooral door de strijdbare beweging van het groeiendeprotestantismetegenoverde rooms-katholiekeKerk en anderzijdsvanwege het complexere internationaalgeworden handelsverkeer,het maatschappelijkdenken en handelenvan het individu steeds meer een rol van betekenisspelen. 3. Er ontstond eenrationalistisch en op de bescherming van het individu gericht nqtuurrecht, dat moest dienen om aan de burgers de grondrechten te geven om hen tegen de willekeur van de koning te beschermendoor te stellen dat iedere mens met gelijke, onvervreemdbarerechten wordt geboren, met daaronder het recht op de vrijheid van economisch handelen en het recht op privaat eigendom. Deze opvatting van het natuurrecht heeft later Adam Smith (en de andere Klassieken na hem) ertoe gebracht om de productiefactor arbeid te hanteren als de enig juiste
13
grondslag voor de waardebepaling van de goederen op grond van de arbeidswaardeleer - in la longue durée van dit socialebewustwordingsproceswerd tevensde kiem gelegd voor de Revolutie van 1789. 4. Aan het nafuurrechtwerd halverwege de l8'eeuw door de Fysiocratenhet concept van de "natuurlijke orde" verbonden,dat stelt dat het menselijke handelenwordt geleid door universele "natuurlijke wetten", die men op grond van redeneren kan ontdekken, maar niet zelf kan beheersen. Anders gezegd, tegenover de natuurlijke ordening van boven af krachtens de Goddelijke Wil, kwam de ontwikkeling te staan van een "republikeinse" natuurlijke orde van onder af, op grond van de menselijkerede. Volgens de Fysiocratenwas ieder individu zelf het beste in staat om zijn eigen belang te kennen en te behartigen: "laissez-faire,laissez-passer; le mondeva alors de lui-même".D.w.z. indien alle ingezetenen(als de individuele producentenen consumentenvan die tijd, gezamenlijkopgevat)in dat rationelehandelenwerden wijgelaten, dan zou daarmeeook het belang van de gemeenschapals geheelhet meesteworden gediend,en aldus zou de door God geschapen,maar met de menselijke rede overeenstemmende "natuurlijke orde der dingen" op de bestewijze worden benaderd.
Met hun geloof in de belangenharmonievan de Voorzienigheidschiepen de Fysiocraten de christelijk-deistischeillusie dat via de vrije markt "varrzel?'meer welvaart voor iedereenzou ontstaan. 5. Dit optimistischebeginselvan de "belangenharmonid' dat later vervangenzou worden door het beginselvan de o'vrije markt", werd door de natuurfilosoof Adam Smith, na diens verblijf in Frankrijk, in zijn boek The Wealth of Nations overgenomen en uitgewerkt tot het principe van het marktmechanisme waarin het proces van de prijsvorming (als het sturende proces van informatieoverdracht onder de noodzakelijke voorwaarde van volledig vrije mededingíng) als een "Invisible Hqnd' de economische activiteiten naar een resultaat zou leiden dat "vanzelf' tot ieders voordeel dient Met deze reflectie op het concept van de "vrije markt" heeft Adam Smith op zijn beurt de grondslaggelegd voor het latere economischevenwichtsdenkenvan de "Klassieken" en de neoklassieke economen. In navolging van o.a.
de grootgrondbezitterBoisguilbert(1646-1714) en de bankier Cantillon 1ca.1685-1734), ontwierpen de Fysiocraten een stationair systeemvan een agrarische economie waarin een everwichtige samenhang van de verschillendesectorenin het productieproceswordt weergegeven.In hun analyseffachtten zij, in hun reactie op de mercantilistischepraktijken, aan te tonen dat de welstand in Frankrijk niet kon ontstaandoor de opeenhopingvan edelmetaalbij een élite met behulp van een protectionistischbuitenlandshandelsbeleid,maar dat deze wordt gerealiseerddoor de ffsieke productie van goederen(Q) in het eigen land met behulp van natuurlijke hulpbronnen(N) en met eigen arbeidskrachten(L), volgens een rondgaandehandelsstroom,met als de productiefunctie: Q = f(L,N). Een representatievan deze handelsstroomis het TableauÉcoromique (1758), dat wel wordt beschouwdals de eerste abstractie van een evernvichtr'geeconomische kringloop van goederen en geld: het heeft de grondslag gevormd van het statischealgemeneevermvichtsmodel van Walras in 1874 - dit neoklassiekemechanismeheeft gestaan model voor zowel het systeemvan de Nationale Rekeningenals dat van de Input/Outpuhanalyse, die beide in de 20" eeuw zijn ontworpen(syllabus:162-163). B. Wer Klassiekeeconomen: Smith, Malthus, Ricardo en Mill Í1723-18731 (i).
Adam Smith (1723-1790) voerde in zijn analyse van het Mercantile Systemeen rij van argumenten aan om de internationale handel wij te laten en dus de bescherming van de eigen binnenlandseproducenten tegen de buitenlandse concurenten af te schaffen, omdat deze tot de vorming van monopolies en aldus tot nadeel van de samenlevingzou leiden. Hij bepleitte, in zijn strijd tegen het Engelsemercantilisme,per bedrijfstak het systeem van wije concurrentietussenmin of meer economischgelijkwaardige (d.w.z. "atomistisch kleine") ambachtelijke bedrijven, waardoor,naast het individuele voordeel voor de deelnemers,een verbeteringvan de welvaart van de maatschappijals geheel zou worden bereikt. Maar cruciaal in zijn betoog is de gesteldehypothese,dat de concurrentie niet alleen in economischopzicht intensief dient te zijn, maar ook dat deze in moreel opzicht "naar behoren" geschiedt;slechts dàn zou de "lrwisible Hand' (The Theory of Moral Sentiments;|719)economischefficiënt en maatschappelijk effectiefzijn (syllabus:I 63- 188). (ii). ThomasRobert Malthus ( 1768-l 834) I . Omstreeks 1800 bestond in Engeland veel armoedeowaarvoor verschillende oorzaken waren aan te wijzen. Allereerst werden, na de Franserevolutie in 1789, in Europa, o.à.
tussen Frankrijk en Groot-Brittannië opnieuw verschillendeoorlogen uitgevochten(1793-1815),waardoor het internationalehandelsverkeerernstig werd belemmerd, en in Engeland een gebrek aan bestaansmiddelenwas ontstaan. Van groter belang waren echter de maatschappelijke gevolgen van het overgangsprocesvan de Industriële Revolutie, waarin de zelfstandige ("atomistisch" kleine) ambachtsliedende concurrentiestr|d met de fabrikanten begonnen te verliezen. Geleidelijk moest het traditionelehandwerk plaatsmaken voor de met stoom aangedrevenmachine,en de kleinschaligewerkplaatswerd vervangen door de grootschalige fabriek, waarin ook de organisatie van het productieproces essentieel werd veranderd (met als gevolg o.a. de opstand der"Luddieten": ca. l8l2). Onder invloed van de gebeurtenissenin
t4
Frankrijk en Groot-Brittannië was ook bij de vertegenwoordigers van de Britse intelligentsia belangstelling ontstaanvoor de mogelijke sociaal-politiekegevolgenvan de FranseRevolutie voor hun eigen land. 2. Malthus had, vooruitlopend op de (volgens hem kortzichtige) aangekondigdebevolkingspolitiek van de toenmalige Britse staatsman,theyounger tlilliam Pitt, in zijn Essay on the Principle of Population(FEP, 1798) een alternatievebevolkingstheorieontwikkeld. HU ging op grond van twee premissenvoor zijn analyseervan uit dat in een land A met een voldoende groot grondoppervlak enerzijds de bevolkingsgroei zich sneller volffekt dan wat anderzijdsde gemiddelde arbeidsproductiviteit(Sapt) van de natie aan levensmiddelenkan voortbrengen,d.w.z. dat de bevolkingsgrootte volgens een meetkundige rij (bijvoorbeeld parabolisch gekromd) groeit maar de gapt van de voedselvoorziening volgens een rekenkundige rij (lineair of recht evenredig) toeneemt. Hieruit trok hij vervolgensde conclusiedat in het land A als gevolg van de ontstaneoverbevolkingde bevolkingsgroeiuiteindelijk door een gebrek aan middelen van bestaan(als een ultimate check) zou worden gestuit.
Malthus baseerdede eerstepremisseop de economischeontwikkeling van de VerenigdeStatenvan het Amerika uit zijn tijd, waar voor de (naar de l'llild lllesf') migrerende kolonisten de groeimogelijkhedennog onbegrensd leken te zijn en de bevolkingsomvangin25jaar was verdubbeld;zolang daar de "grenzen aan de groei" uitbleven kon dus in principe de bevolking iedere25 jaarrzich opnieuw verdubbelen.De grondslagvan zijn trveedepremisse ontleendehtj aan Engeland,waar de meestontwikkelde landbouwtechniekenzoudenbestaan.Hij concludeerdedat weliswaar lrl'25 jaar tijd daar de ffsieke landbouwopbrengstkon zijn verdubbeld, maar dat in de daarop volgende periode van25 jaar een volgende verdubbelingniet meer mogelijk zou zijn. Voor het vinden van oplossingenvoor het reducerenvan de te verwachten overbevolking verondersteldehij vervolgens dat in land A in het reproductieproces twee beperkende factoren werkzaam kunnen zijn:. facÍoren die het geboortecijfer verlagen Qtreventive checks)en factorendie het sterftecijferverhogenQtositivechecl<s). Zie de syllabus(pp 188-l9l). 3.
Evenwel bekend met de praktijken van de Britse workhouse-cultuuren de onbarmhartigeuitvoering van de Poor Laws, trachtte Malthus in de tweede editie van het Essay (StP) zijn harde politieke conclusie te matigen door rz theorie voor de aÍmen een maatschappelijke ontsnappingsroute open te laten: er zou nog een derde categorie groeibeperkendefactoren bestaan,die hij onderbracht onder de noemer van de check of moral restraint. De politieke conclusie veranderdedaarmeein de boodschapdat "de armen" door morele zelfbeheersingzelf hun lot zouden kunnen verbeteren. Maar door deze morele voorwaarde Íurn de beide premissen toe te voegen beging Malthus in wetenschappelijkopzicht een doodzonde:deze gedragsbeperkingenzouden immers in de praktijk per individu op een verschillendewijze worden nageleefd; dezetoegevoegdederdevoorwaardeis dus niet objectiveerbaar.Aldus had Malthus, zonder het te willen, in het SEP zijn bevolkingstheorietegen wetenschappelijketoetsing en falsi fi c atie geitmmuniseerd.
Maar de zaak verandert,indien vanwegehet proces van de globalisering de wereldeconomiewordt opgevat als een gehe.e/.In een degelijke economie vindt het handelsverkeervan de wereldpopulatieplaats op het gesloten oppervlak van de aardbol, waarvan aan het verïnogen tot herstel van de uiputting en de vervuiling Ssieke tolerantiegrenzenzijn gesteld- de conclusievan het Rapport van de Club van Rome (1972). Zie ook $5. (iii). David Ricardo (1772-1823)wordt wel als de grondleggervan de westersetheoretischeeconomiebeschouwd. Karakteristiek was zijn methode van onderzoek. In tegenstelling tot de werkwijze van Smith en Malthus, die hun theorieënin een historisch-maatschappelijke context ontwikkelden en deze van een empirischeinhoud trachttente voorzien, volgde Ricardo de weg van de abstractie. Hij was ervan overfuigd geraakt dat het bedrijven van economischepolitiek moest zijn gebaseerdop een heldere economischeanalyse,en dat deze op zijn beurt alleen kon worden verkregendoor van de hoofdzakenrigoureus de bijzaken te scheiden.Deze methode hield in dat hij, uitgaandevan evident lijkende vooronderstellingen,in het kader van een economischmodel de niet-economische variabelen als vaststaand beschouwde en dus buiten beschouwing liet, Dat had echter tot gevolg dat ook de uitspraken,die als resultatenceterisparibus uit het model werden afgeleid, een non-contextueelkarakter hadden.
Toch werden deze empirisch ongetoetstemodelconclusiesals universelewetmatighedengepresenteerd,en mogelijk als adviezenvoor economisch-politiekedoeleindeningezet.De analytischemethodevan Ricardo werd bovendien paradigmatiscft voor het economisch denken van de neoklassieken. l. Ricardo en Malthus verschilden van mening over het effect van de internationalehandel op de groei van de Britse economie,en dus over het antwoord op de waag op welk wijze het bestede kapitaalaccumulatie(d.w.z. de winstneming) kon worden bevorderd. Terwijl Malthus, die al een aantal jaren werkzaam was voor de East India Company, stelde dat het vooral de lange afstand-handel in luxe producten was die voor de ondememers de noodzakelijke winsten genereerden,was Ricardo ervan overtuigd dat de internationale handel de ontwikkeling van de winstvoeten slechts gunstig beïhvloedt indien die goederen worden ingevoerd die tot gevolg hebben dat de kosten van levensonderhoudvan de productiefactor arbeid zouden dalen. Of anders gesteld, tenvijl Malthus, vanuit een sociaal-economischeinvalshoek, de vraagftant van de economie had benadrukt en daarbij, in tijden van economischeneergang,de inkomensverdelingals een instrumenÍ voor welvaartsverbeteringhad gekozen, was
15
Ricardovanuit een financieel-economisch van econostandpunttot het oordeelgekomen,dat de hoofdoorzaak mischeachteruitgang aande aanbokant(deproductiekosten!) vande economiemoestwordengezocht. Met zijn methodevan economischdenkenbrachthij (tegenoverde absolutekostenverschillen-opvatting van Smith) de theorievan de internationalehandelanalytischeenstapvooruit door te stellendat er reedsinternationaal handelsverkeer tussenlandenontstaatindien in de internationaleproductieprocessen per product relatieve kostenverschillen optreden.De verklaringwerdgegevenaande handvaneenrekenvoorbeeld, waarinper landveel productenworden voortgebrachten een aantalervan internationaalwordt verhandeld.De theorie die op deze is gebaseerdis later in de neoklassiekeliterafuur: de theorie van de comparatieve ceteris paribus-methodiek kostenvoordeIengenoemd. 2. Ricardowasmeergeurteresseerd in het ontwerpenvaneensluitende"theorie"danin h* vindenvande evidente - de Oostenrijks-Amerikaanse van de maatschappelijke verandering determinanten historicus/econoom Schumpeteromschreef dit alsvolgt(syllabus:216): I do not think that Ricardo ever did much historical reading. But this is not what I mean. The trouble with him is akin to the trouble I have, in this respectwith my American students,who have plenty of historical material pusheddown their throats.
But it is to no purpose.They lack the historical sensethat no aÍnount of factual study can give. This is why it is so much easierto make theoristsof them than economists.
We zien hier het contrast met de werkwijzen van Smith en Malthus. Terwijl Adam Smith, in zijn reactie op de praktijken van het mercantilisme, had geprobeerd de aard en de oorzaken van de economische ontrvikkeling van een land te verklaren in een historisch-maatschappelijkecontext, en Malthus op zijn beurt deze verklaringen, veertig jaar later in een veranderendemaatschappij, aan een kritisch onderzoek onderwierp, kwam Ricardo, betreffendehet economischhandelenvan de ingezetenenvan een land, tot het formuleren van theorieën die níet aan ruimte en tijd gebonden waren. Het waren theorieën (of conecter: hypothesen) die van de vakgenoten een universele status kregen en uit dien hoofde, naar men dacht (of hoopte), konden worden ingezet als instrumenten voor het realiserenvan praktischeoplossingendan wel voor het bereikenvan economisch-politiekedoeleinden. Maar we zien ook een andercontrast.Tegenoverde optimistischemaatschappijvisievan Smith aan het begin van de lndustriële Revolutie namelijk dat een grotere arbeidsverdeling(naast meer welstand voor de "happy.few") "vanzelf'tot welvaartsontwikkelingvoor de "velen" leidt, ontstondomsffeeks1800,halverwegede eerstefase van de Industriële Revolutie, een pessimistischemaatschappijvisievan zowel Malthus (overbevolking, hongersnoden) als van Ricardo (aftemende meeropbrengsten,economischestagnatie).
Voor een inzicht in zijn monetaire analyse en beschouwingenover geldpolitiek, maar ook voor interessevoor zijn bijdragen aan het economisch denken m.b.t. andere problemen in de reële economie in de historischmaatschappelijkecontext, wordt venilezennaar de syllabus(pp 20a-218). (iv). John Stuart Mill (1806-1873),tijdgenoot van Marx en Thorbecke,wordt beschouwdals de laatsteKlassieke econoom die een grote invloed heeft uitgeoefendop het westerseeconomischdenken. Zijn n 1848 verschenen Princíples of Political Economy was tot het eind van de 19' eeuw het standaardwerk voor economen, waaruit begrippenals het voorwaardelijke"voorzorgsbeginsel"of de later zó genoemdequasi-collectievegoederen,ook in de Nederlandseschoolboekenterecht zijn gekomen. Hij onpopte zich ook als een invloedrijk filosoof, die een open oog had voor de grote veranderingen in de Britse maatschappij. Voor zijn beschouwingen wordt verwezen naár het boek zelf; hier volgen slechtsenkele fragmenten. l.
Intelfectueel aangespoorddoor zijn vader James (die destijds behoorde tot de kring van de philosophical radicals rond Bentham ($a) en een wiend was van Ricardo) was hij op zijn tiende jaar al in staat om literaire werken uit de KlassiekeOudheid in het Grieks en Latijn te lezen,had hij op zijn vijftiende jaar zich de beginselen van de logica en Political Economyeigengemaakten had hij, 19jaar oud, het totale werk van Bentham uitgegeven. Een jaar later kreeg hij een zenuwinzinking, toen hij zich begon te realiseren wat de gevolgen voor de maatschappij konden zijn van een realisatie van deze,tot het "nutsrekenen" gereduceerde,versie van het utilitarisme van Bentham, met diens streven naar het "algemene geluk" en de daarbij behorendedwingende instituties. Hij voelde zich gedwongen om op zoek te gaan naar een humanerevariant ervan, die een vollere invulling van het maatschappelijkeleven kon geven en de ruimte bood aan autonoom individueel handelen; deze ervaringen maakten hem tot een voorvechter van een liberale democratie (syllabus: 221-236). 2. Mill had begrepen dat in het tijdperk van "laissez-faire" een overheid op een aantal terreinen de mogelijkheid moet hebben om het "algemene welzijn" te verbeterenmaÍr dat daarbij het risico bestaat daÍ zij in haar handelen bij een aantal burgers op een ongewenstewijze het particuliere domein betreedt.
Hij noemt (in navolging van Alexis de Tocqueville, (syllabus:710)overigenseen anderebedreiging van de individuele vrijheid, die juist in een democratie ontstaat, namelijk dat de meningen van een niet of in onvoldoende mate geihformeerd 'omondig" publiek, beïhvloed door volksmenners,de besluiworming van politici, bestuurdersen rechters gaan beheersen (J.S.Mill:328-329):
15
The public collectively is abundantly ready to impose, not only its generally nÍuïow views of its interests,but its abstract opinions, and even its tastes,as laws binding upon individuals. And the present civilization tends so strongly to make the power of personsacting in massesthe only substantialpower in society,that there never was more necessityfor surrounding individual independenceof thought, speech, and conduct, with the most powerlul defences, in order to maintain that originality of mind and individualíty of character,which are the only sourceof any real progress,and of most of the qualities which meke the human race much superior to any herd of animals. [. .. ] Perhapsthis is evsn more important in a democracy than in any other form of political society; becausewhere public opinion is sovereign,an individual who is oppressedby the sovereigndoes nol as in most other statesof things, find a rival power to which he can appealfor relief, or, at all events,for sympathy. Voor Mill zelf betekende het streven naar "geluk": het cultiveren van een aantal fundamentele waarden, zoals "vrijheid", "diversiteit" en "gerechtigheid", die echter kunnen worden uitgehold door "the tyranny of the majority"
- niet toevallig is de vrijheid van individuele zelfontplooiing apart door Mill aan de orde gesteld in zijn boek: On Liberty. (v). Het was tenslottede NK-econoorn Marshall (1842-1924),die had begrependat een ceterisparibus "algemeen evenwicht"-model géén representatievan de ontwikkeling van een maatschappijkan zijn. Hij beperktezich tot de partiële evenwichtsanalysevan de afzonderlijke markt met een cweat, namelijk de erkenning dat de NK-docffine fundamentelegebrekenvertoont voor het oplossenvan maatschappelijkeproblemen(syllabus:269): The Meccaof the economistlies in economicbiologyratherthanin economicdynamics.But biologicalconceptions aremore must thereforegive a relativelylargeplaceto mechanical complexthan thoseof mechanics;a volume on Foundations analogies;and frequentuse is madeof the term "equilibrium",which suggestsomethingof staticalanalogy.This fact, combinedwith the predominant attentionpaidin the presentvolumeto the normalconditionsof life in the modernage,has suggested the notionthatits centralideais "statical",ratherthan"dynamical".But in fact it is concerned throughoutwith the forcesthat causemovement:and its key-noteis that of dynamics,ratherthan statics.t...1 Thus we beginby isolatingthe primaryrelationsof supply,demandandpricein regardto a particularcommodity.We reduceto inactionall otherforcesby the phrase"otherthingsbeingequal":we do not supposethat they
are inert,but for the time we ignoretheir activity.This sensiblemen or unconsciously, scientificdeviceis a greatdealolderthan science:it is the methodby which,consciously havedealtfrom time immemorialwith everydifficultproblemof ordinarylife. Dit citaat coffespondeertmet het advies van Rostow aan het slot van ($4): het oplossen van maatschappelijke problemen in een snel veranderendewereld is met ceterisparibus mechanistischeevenwichtsanalyseonmogelijk. $11. Gebreken van de NK-doctrine: de ontleding van het marktfalen De eerste econoom die inhoudelijk kritiek op het partiële evenwichtsdenkenvan Marshall uitoefende was de Italiaan Sraffa ( I 898-1983),die naar het Britse Cambridgewas verhuisd en in 1926 erop had gewezendat onder de voorwaardenvan "volledig vrije mededinging" een ondernemingníet de evenwichtshoeveelheidbereikt zolang de KT:-marginaleen de gemiddelde LT-kosten blijven dalen ten gevolge van factoren waarop de onderneming zelf geen invloed heeft, d.w.z. indien dit proces wordt bepaald door de externe schaalvoordelenvan de bedrijfstak. Daarom zou men, volgens Sraffa, voor het bereiken van een optimale hoeveelheid, het vvm-model moeten vervangen door marktvorunen die zich uitstrekken tot aan de voÍrn van het bedrijfstakmonopolie, opdat de prijsafzet-krommevan de ondernemingniet langer volledig prijselastischis (zodat ook de marginale opbrengstenkromme daalt), d.w.z.
tot de markfvormenwaarin tenminsteéén koper of verkopereen wezenlijke invloed heeft op de prijsvorming in de markt. l. Een beschrijving en formulering van de marktvorm van monopolistischeconcurrentie,waarin niemand van de zeer vele verkopers(vertegenwoordigdin "the representativefirm": Marshall) de afzetprijs individueel kan beihvloeden,werd in 1933 zowel door de Britse economeJ.Robinson(1903-1983)als door de Amerikaanseeconoom Chamberlin (1899-1967) gepubliceerd;Chamberlin was in zijn marginale analysemeer omvattend omdat hij niet alleen expliciet de gevarieerdheidvan de producten en de verkoopkostenin zijn berekeningenbetrok, maar ook zich waagde aan de beschnjving van een oligopolie, met vèrstrekkendekonsekwentiesvoor het antitrust-beleid, door erop te wijzen dat bij een klein aantal aanbiedersonvermijdelijk wederzijdse beïnvloeding ontstaat en door te stellen dat monopolie-prijszetting ook kan plaatsvinden zonder dat er op aantoonbare wrjze sprake is van collusie. Mw. Robinson wist daarentegenm.b.t. de prijstheorie de analyse van imperfect competition met behulp van grafieken succesvol in diagrammen te verwerken, die in elk geval na WO II in de leerboeken van de microeconomiewerden gebruikt. 2.
Een aanval op de onvolledigheid van de theorie van het algemeenevenwicht van Ilalrss werd ingezet door Keynes die, geconfronteerdmet de grote werkloosheid in de periode van de Grote Depressie,in de General Theory het ontbrekenvan de arbeidsmarktals manco in het neoklassiekemodel aanwijst. Een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de mqto-economie op financieel gebied werd (eveneens)geleverd door een aantal Zweedse economen,zoals Lundberg (businesscycles),Ohlin (internationalehandel) en Myrdal Qtolitical economy),met als
L7
de voortrekkersde econoom en historicus Heckscher(mercantilisme)en de dwars denkendeMcksell (monetaire economie)die evenalsKeynes,zij het op een anderewijze, was beïhvloed door de geschriftenvan Malthus. 3. De implicaties van de reële NK-marktdynqmiek zijn begrependoor Polányi Károly (1886-1964).Hier volgt een korte beschouwingvan The Great Transformation,onderverdeeldin de punten a en b (syllabus:404414). a. Polányi, die zich niet als een keynesiaannoch als een marxist beschouwde,hanteerdeals aangrijpingspuntvoor zijn analyse het begrip "embeddedness",in de zin dat vóór 1800 in politiek, religieus en sociaal opzicht de bedrijvigheid van de markten (en dus het bedrijfsleven) was ingebed in de maatschapprj.Te beginnen met Adam Smith, was door de Klassiekeen neoklassiekeeconomengeleidelijk het beeld geschapendat de maatschappijkon worden opgevat als een systeemvan markten waarvan "vanzelf' een evenwichtige ordening plaatsvindt en waar dankzij economischegroei materiële welvaart wordt gecreëerd.Aangemoedigd door de economischesuccessen van de zich ontwikkelende Industriële Revolutie, waarin als het gevolg van de o'technischevooruitgang" via de markten steedsmeer productenhun weg van de producent naar de consumentvonden, maar de sociale structuur van de maatschappijdoor de productieprocessenhardhandigwerd bewerkt en waarin de economischerol van de Staatnaar de achtergrondwas
gedrongen,werd door de volgendegeneratieseconomende doctrine ontwikkeld dat, voor de bevorderingvan de voorspoedin de maatschapprj,het marktmechanismehet enige aangewezeninsffument - "de markt"werdtot dedominante wasgebleken maatschappelijke institutieverklaard(K.Polanyi:60): Ultimatelythat is why the controlof the economicsystemby the marketis of overwhelmingconsequence to the whole organization of society:it meansno lessthantherunningof societyasan adjuncto themarket.lnsteadof economy being embeddedin social relations,social relations are embeddedin the economic system.The vital importanceof the economic factor to the existenceof society precludesany other result. b. Wat de neoklassiekeeconomenop grond van het Walras-model(waarin nota bene het geld géén afzonderlijke invloed op de reële economie zou uitoefenen), met het dogma van de "disembeddedmarkef' wilden bereiken, konden de politici in de l9' (en de eerstehelft van de 20') eeuw echter niet realiseren.[n het omvangrijke deel II legt Polányi uit waarom dit het geval was. Daartoemaaktehij, kortweg gesteld,een onderscheidtussenwerkelijke productenen zgn.
"fictieve koopwaren" ffictitiotts commodities).Terwijl de werkelijke koopwaren voor de markt worden geproduceerd,zijn de drie fictieve koopwaren (land, arbeid en geld) daarvoor niet bestemd- op morele en/of religieuze gronden zouden de natuur en de mens immers niet in marktprijzen kunnen worden gewaardeerd; bovendienwerd om monetaireredenende beschikbaarheidvan geld door de staat beheerst. Maar niet alleen het bestaanvan de fictieve koopwaren zov het "ontbedden" van de markt uit de maatschappUin de praktijk onmogelijk maken. De oplossing die de neoklassiekeeconomenomstreeks1870 gevondendachtente hebben in de gouden standaard als valuta-maatstaf,is echter conffaproductief gebleken.
Hoewel de opzet was geweestom de landsgrenzenvoor internationaalvrijhandelsverkeeropen te stellen terwijl de rol van de natiestaat verder kon worden teruggedrongen,gebeurde het tegenovergestelde,doordat het handhaven van de monetaire regels ter bewaking van de externe waarde van de valuta's een te z\lare economischetol eiste van de bevolking van de landen met een betalingsbalanstekort.De gevolgen ervan waren vanwege de dalende lonen, de stijgende werkloosheid en het toenemendeaantal faillissementenniet alleen de roep om beschermingtegen de verslechterendelevensomstandigheden en, daaruit voorfvloeiend, een groeiendnationalismedat uitmondde in vormen van handelsprotectionisme;ook begonnen Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, de Verenigde Staten en Japan aan hun koloniën een formele status te geven om op deze satellietstatende eigen opgelopen economischelasten te kunnen afi'ventelen,waardoor de onderlinge rivaliteit tussen deze landen onomkeerbaarwerd verscherpt en, volgens Polányi, nahet échec van het systeemvan de "balance of power" na 1890, de omstandighedenwerden geschapenvoor de uitbarsting van een wereldoorlog - de gouden standaard fungeerde in de praktijk níet als de officiële spil van een objectief geacht werkend valuta-transactiemechanisme, mÍLarhet bevorderde wèI, tot het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914,,en in het Interbellum daarna, de ongelijkheid in de
inkomens- en verrnogensverhoudingen tussende landen onderling, en in de landen zelf. De TweedeWereldoorlog barste los in 1939- ingrijpen door de overhedenin het democratische"wije Westen"was plotseling dringend geboden! 4. Tenslottehad de Hongaars-Amerikaanseconoom F.M. Bátor in zijn kritiek op de NK-doctrine in zijn Anatomy of marketfailure ( 1958) verklaard dat ten gevolge van de dogmatischvoorgeschreveno'optimale"(: evenwichts-) productie- en consumptieomvang op papier: in werkelijkheid vier market externslities waren ontstaandie positieve maar vooral negatieve effecten hadden en hebben op de menselijke en natuurlijke habitats, zoals enerzijds de vergiftiging van de landbouw en anderzijdsde vervuiling van de kustgebieden, of bijvooràeeld handelsoorlogen. Doch na de dood van Keynes in 1946 werd in het keynesiaansgewordeneconomisch-politiekeklimaat van de VS door de NK-economen,met als de ideoloog Von Hayek en als de voorman de monetair-econoomMilton Friedman, een monetaristische contrarevolutie ingezet, die steeds meer de economie van het "vrije Westen" is gaan overheersen(syllabus:342-359;610-627)- langsdezeweg, ingezetin $6, kan waag [Vll niet worden beantwoord. $12.
De transformatie van de marktz de complexiJïcatievan de maaíschoppij Polányi had niet kunnen vermoedendat na 1980, toen zowel de VS (Reagan)als het VK (Thatcher) het politieke besluit hadden genomen om de "fictieve koopwaren" te laten verkopen, staatsactiviteitente privatiseren en de markten in het Westen"vrlj" te maken, alsnog de "ontbedding van de markt" in gang werd gezet.
18
1. Want ten gevolge van o.a. de uitvinding van de programmeerbaremicroprocessor(1971), de introductie van het openbaaren commercieelgewordenwereldwijde internet en de versneldegirale wereldwijde ontwikkeling van het geld, krediet en bankwezenwerd, in de "globalisering" van de markten", de opmars van de individualisering van de burgers voortgezet,verdween het noodzakelijke democratischebesef van collectieve verantwoordelijkheid en werd de ondermtjning van de democratischewaardenin beweging gebracht.Aldus is 80 jaar na de publicatiesvan Polányi en van Von Hayek (beide in 1944) de wereld van het "vrije Westen" opnieuw radicaal veranderd: tegenwoordig wordt door de multinationale bedrijven alles wat leeft, wat levenloos is of wat nog niet bestaat, verkocht aan de meest biedendepartlj, zoveel mogelijk onder het regiem van Just in Time - het gevolg van de processenvan technificatie, commercialisatieen financialisatie van de maatschappijheeft echter geleid tot de toenemendecomplexiteit van de socialestructuurvan de habitatsen het afbrekenvan de natuurlijke ecosystemen. 2. Een dergelijke gang van zaken had de Oostenrijks-Amerikaanseeconoom Schumpetervoorzien in zijn boek Capitalism, Socialism and Democracy Q9a2;1950) - een ontwikkelingsprocesvan de maatschapp| dat hij het proces van "creative destruction" noemde.
In het concept van "cerrying out new combinations" had Schumpeter vijf aspectengenoemd: 1) de introductie van een nieuw product; 2) de introductie van een nieuw productieproces; 3) het openen van een nieuw afzetgebied;a) het benutten van nieuwe grondstoffen; 5) het realiseren van een nieuwe organisatievan bedrijvigheid (zoals het creërenvan een monopoliepositie). In 1982 werd echter door Nelson en Winter benadruktdat het onderscheidtussende technologischeen de organisatorischebeschouwingen,"between capabilities and behavior, betweendoing and choosingl' níet moet worden overffokken. En consistent met het mechanistischeAnglo/Amerikaanse economisch denken, lieten ze in hun publicatie: An Evolutionary Theory of Economic Change (pp 277-278) het organisatorischeaspectvan innovatie geheel buiten beschouwing:"wefocus on 'technologicalprogress', as that term is commonly understood,and put aside the phenomenaof organízatíonalinnovation". Doch besef van de complexificatie van de habitatsontbreekt. Zij kónden in hun NK-opvatting van een evolutionistischproces ook niets anders doen dan een mechanistisch groeimodel (pp 206-272) te gebruiken en daarbij als hulpmiddel de econometie te hanteren.Maar juist het aspect van "organisatie" is van cruciaal belang, omdat uit de bevindingen van o.a. de economeffist E.
Mansfield was gebleken dat in het gekoppeldeproces van technologt pushldemandpull uiteindelijk de gebruiker (consumentof producent) de keuze bepaalt op grond van zijn preferenties die maatschappelijk, dus door de habitats, zijn geconditioneerd.Het gaat niet alleen om het strategischhandelen van de multinationsls die voortdurend hun nieuwe producten in de markt zetten,maar vooral om de (genetischof anderszinsbepaalde)organisatievan het aanpassingsgedragvan een populatie aan de veranderendehabitat, zoals Darwin honderdvijftig jaar geleden aan de inwoners van Groot-Brittannië had uitgelegd (App.4,n8l) - aanpassingsgedrag dat in de natuurlijke habitats, fenotypisch en genotypisch, slechts duurzaam zich volffekt in de o'langetermijn". Daarom wordt vanwege het korte termijn-denken,het concepfueelgeheelvan de NK-doctrine en de econometrienu: "oikonomos" genoemd. 3. Wie wil nadenkenover een aantaleconomischevraagstukkenvan de lange termíjn, komt ongetwijfeld terecht in het gebied van de Industríal Organization.
De bevindingen van dit vakgebied, dat betrekking heeft op de veranderingen van de structuren van de organisaties en de bedrijfstakken èn op het aanpassingsgedragvan de marktparticipanten,vertonen namelijk grote gelijkenissenmet de activiteiten van de kooplieden en fabrikanten die, al eeuwengeledenin de periode van het mercantilisme,waren gericht op de realisatievan de tijdrovende en riskante lqnge afstand-handel ($7-$9). Tamelijk recentelijk verkregen kennis uit de literatuur van Industrial Organization geeft bovendien een inzicht in het traject dat moet worden afgelegd om tot een duurzame wijze van productie èn consumptie te komen, namelijk via specifieke concufferendesamenwerkingsverbandenDe theoretisch-economische grondslagvan deze specifiekecollectieve activiteiten wordt, als het voorgesteldealternatieveconcept in de ECD-syllabus: "mutualiteit" (of symbiose)genoemd.Ook maakt het vakgebied van Industríal Organization het mogelijk om, in tegenstellingtot de mechanistischeceterís paribus-groeitheorieënvan oikonomos,in termen van het ecologischhabítat-"denken& doen" de processenvan de opkomst èn de ondergangvan organisaties,nationale economieënen ideologieën(!) te begrijpen,in "de langetermijn" (syllabus,deel III). 4. De complexificatie van de maatschapprjkan slechtsworden begrepenin een werkelijk evolutionistisch kader. Toch kan op een 3-dim.
dwarsdoorsnedevan het tijdsverloop worden afgebeeldwat de reële complicatieszijn van de marktdynamiek, indien men zich het volgende voorstelt. Recht vooruit, is een breed spectrumte zien, met aan het ene uiteinde een grensgebiedA, waar de "technischevooruitgang" plaatsvindt en met aan het andereuiteinde grensgebiedB waar het economischebedrijfsleven expandeert.TussenA en B ontwikkelt zich het maatschappelijk middenveld in "de economischekringloop" onder externe druk (zoals van de wereldoverbevolkingen de veranderingvan "het klimaat"). [n de "lange termijn" verspreidende activiteiten van A onder het mom van"Al' zich richting B, terwijl vanuit B met de leuze "TINA" het omgekeerdegebeurt - dezetegengesteldebewegingen vergrotende complexiteit van de habitats.Onder zulke omstandighedenwerd in 2005 door het weekblad "Science" de kwestie-Malthusaan de orde gesteld.In deze dwarsdoorsnedevan "de lange termijn" werd in 2007 de kwestieMalthuslt'exl gepositioneerdvoor een nieuwe ronde van onderzoekvoor de beantwoordingvan vraag IVll.
19
r $13. Intermez;zoll: de complexiftcutie van de hubitats in een evoluíionistisch kader Met de verworven kennis m.b.t. de praktijken van het mercantilismeen de gebrekenvan het mechanistischevenwichtsdenken wordt voor het vinden van een antwoord op vraag [VU, allereerst gezocht naar een begrip van de "lange termijn" en wordt gebruik gemaakt van de drie kernwagen van het wetenschappelijk onderzoek in [K]: [Kl] Ontologie: wat is het waargenomenverschijnsel? [K2] Epistemologie:wat is ervan kenbaqr? [K3] Methodologie:hoe is het kenbarete verklaren? 1. Wat betreft de beantwoordingvan [Kl] is de toelichting kort: in de NK-doctrine wordt m.b.t.
de "lange termijn" de eerstekernvraagniet beantwoord: [Kl]: : ïAl.Want vanwege het dominante sffevennÍulr het eigen profijt van het grootschaligeinternationalebedrijfslevenwordt (tenminsteweer sinds 1980) in de praktijk slechtshet zicht op de korte termijn nuttig en lonend geacht.Ook onder de "ceteris paribus"-voorwaarde van het evenwichtsdenken kàn dus niet de complexe dynamiek van de economischeprocessenworden onderzocht.De beantwoording van [K2] en [K3] is in het onderzoekgewoonlijk gekoppeld.Wordt consistentmet: [Kl] : IOI voor het onderzoekvan de complexificatie van de maatschappij,krachtens[K2] en [K3] de analysevan de korte termijn-problemenlangs een kloktijd-pad econometrischtelkens verlengd in die van de "lange termijn" (of naar "de toekomst"), dan kunnen de prognoses van de maatschappelijkeeffecten van de economischeactiviteiten op de menselijke en natuurlijke habitats van de langere termijn slechts berusten op de exercities van de comparatieve statica van het eeuwenoudegeïdealiseerdeeconomischevenwic,fursdenken, terwijl juist de dynamiek van de economischegroei in de huidige 4-dim. werkelijkheid steedsmeer chaotischetaferelenin de habitatstot gevolg heeft. 2.
\n dezebeschouwingwordt daarentegenjuist [K1] benut om, in de analysevan de economischeprocessenvan de korte duur èn van "de lange termijn" wat betreft de structuur en de context ervan een onderscheid te maken tussen,of correcter: het contrast te tonen van, de perceptievan het "z|n" en die van het 'oworden".De positieve beantwoording van [KlJ maakt het vergroten van het empirische potentieel van de methodiek mogelijk. De introductie van [Kl] geeft namelijk de mogelijkheid om een probleemgebiedX op te vatten als een dynamisch systeem X waarin voor oplossingenm.b.t. de complexificatie van de habitats in "de lange termijn", naast de subsystemen,, aspectsystemenkunnen worden gebruikt (syllabus, Ter Introductie). In dit kader kunnen op grond van de epistemologie(of kennisleer) en de methodologie de onderzoekersmet behulp van een geconstrueerdehypothese een kennistheoretischware uitspraak doen over een geobserveerd verschijnsel in de ffsieke werkelijkheid - bijvoorbeeld dat: "gedurendede laatstex jaren het geo$sisch klimaat versneldverandert",op grond van een alom getoetsteen uiteindelijk geaccepteerdeanalysewaaruit blijkt op welke wijze en/of door welke factoren dit gebeurt.
De voortgang van de wetenschap in een specifiek onderzoeksgebied geschiedt op grond van een trial qnd error-eliminatie in een empirische cyclus: [observatie - inductie - deductie hypothese- toetsing - (her)evaluatie- acceptatie- theoriel, in het kader van een vakwetenschappelijkparadigma (syllabus,deelII.2.l, $9: T.S.Kuhn). m.b.t. 3. Veronderstelbovendiendat een a priori onzekerverlopendempirisch-wetenschappelijkonderzoeksproces eer bepaaldverschijnselof probleemgebiedX kan worden afgebeeldop een traject: A" - B. Op dit níetlineaire traject tracht men tot een verklaring of oplossing te komen waarvan de uitspraken moeten worden getoetst en deze mogelijk worden geaccepteerd.Het voortraject: A'... A is vóórwetenschappelijken betreft [Kl]: wat is die werkelijkheid?; het biedt de ruimte voor het gebruik van inspiratie, intuïtie en analogie. Zie hieronder het schema[K]: A'- A
I \ryaarnemingen (grondslag)
ï inspiratie intuïtie (geloof) (vermoeden)
B ... B'(toepassingen)
wetenschap (redeneren,toetsen)
Wat betreft het schema [K] richten de vertegenwoordigers van de "Mainstream"-wetenschappers het onderzoek uitsluitend op de ffajecten: A"- - - A'en A --- B; het ffaject: A' ... A wordt, opgevat als metaffsisch terrein, taboe verklaard: [Kl] = l0l Dawentegen is in de opvatting van sommige wetenschappershet toevoegen van het vóórwetenschappelijkegedeelte:A'... A aan het onderzoeksproceslangs het traject: A" - B zinvol gebleken;want het geeft een creatieve ruimte aan de onderzoeker voor het gebruik van een analogon in de vorm van aspectsystemenyoor het vinden van oplossingen. Het gegeven A' ... A-traject kan dus niet worden gebruikt voor het verklaren van de uitspraakvan het resultaatvan A ---- B; daarvoor zijn de adequatebevindingenm.b.t.{tX2l; tK3l) vereist. Het traject: B ... B'wordt in de beide kampen gebruikt voor maatschappelijketoepassingen.Het traject: B ... C' is níet gebaseerdop de empirischecyclus). 4. Tegenoyer"oikonomos" wordt hiermee als economisch alternatief het concept van "oikophysls" geplaatst. r
20
$14. Veneenvoudigingvan de habitat-complexiteit I: de kwestie-Mal/&zsNext l. Om "de lange termijn" op een ecologisch-economísche wijze te kunnen begrijpen wordt een probleemgebiedX geïntroduceerdwaarop multidisciplinair onderzoekmogelijk is vanuit de natuurwetenschappen, maar ook vanuit de socialewetenschappenèn de ethiek. Daartoewordt in de syllabusde problematiekX momentqan(d.w.z. als een "lange termijn"-dwarsdoorsnede)opgesplitstin de tien onderling samenhangende maatschappelijkeproblemendie als de subsystemenvan systeem X tezamen"de kwestie-MalthusNexf' worden genoemd(zie ook Hobson, $6 ): [Pll [P2] [P3] [P4] [P5]
Structurele overbevolking, of het eerste waagstuk van de onomkeerbare maatschappelijkeinstabiliteit (Malthus' dictum). Relatieve maar ook absoluteschaarstevan drinkwateq voedingsmiddelen,energiedragers,grondstoffen en leefruimte, of de implicaties van de TweedeHoofdwet (THW) van de thermodynamica. Inkomensvorming, of het vraagstuk van de effrciënt gedachte $rsieke productie en distributie van de middelen van bestaanin de economischekringloop. Geldonn'vaarding,of het vraagstukvan de onbeheersteprijsvorming van de producten. Inkomensongelijkheid,of het waagstuk van een onrechtvaardigbevondenverdeling van het in geld gewaardeerdemaatschappelijkproduct (Thucydid es'dictum).
2. Het zijn stuk voor stuk problemen die voor een land de ontwikkeling van de welvaart maar ook de sociale stabiliteit of zelfs de vrede in gevaar kunnen brengen, en die alleen op grond van een breed maatschappelijk draagvlakmet een (maar in deze volgorde!) op"geweten" en wetenschapgebaseerdesociaal-economische politiek ten dele kunnen worden opgelost. De problemen [Pl] en [P2], door Malthus op zijn manier behandeld, zijn fundamenteelen bestaanal vele duizendenjaren; ze hebbentot volksverhuizingenen tot de ontwrichting van de desbetreffendehabitatsgeleid. Ze vorrnen,zo is de vooronderstellingin deze syllabus,regionaal,nationaalen internationaal,tezamenmet de overige drie met elkaar verbondenconventioneleeconomischeproblemende grondslagvan de kwestie-MalthusNert.Maar ook zijn deze vijf subsystemen[Pl] ím [P5] teruggekoppeldmet de aspectsystemen(zie $15). Bovenop deze vijf basisproblemendie verbondenzijn met de markttransacties,zijn echter gedurendede laatste twee honderd jaar tenminste vijf economischeproblemen ontstaan die kunnen worden toegeschrevenaan de versneldgemonetiseerdeontwikkeling van de markten; dezeproblemenhebbende kans dat de maatschappijwordt gedestabiliseerd,vergroot: [P6] [P7] [P8] [P9] Pl0l
Toenemendevermogens-en machtsongelijkheid,of de implicaties van Thucydides'dictum. Toenemendesffucturelewerkloosheid,of het vraagstukvan de individuele verpaupering. Versneldetechnologischeontwikkeling, of het waagstuk van de toenemendeindividuele socialeonwijheid. Toenemende"negatieve marktexternaliteiten" (l), of de problematiek van de sociale en politieke desintegratievan de maatschapprj. Toenemende"negatieve marktexternaliteiten"(2),of de problematiek van de desintegratievan de natuurlijke ecosystemen.
3. In de tijd genomen,is de sterk toegenomenveÍTnogensongelijkheid [P6] aan [P3], [P4] en [P5] gekoppeld,en de grootschalig geworden werkloosheid [P7] is verbonden met [Pl] en [P3]. De problemen: [P6] en [P7] zijn pas ontstaanna het begin van de lndustriële Revolutie. Hoewel krachtensde darwinistischeevolutietheorievan nature er verschillenvan kracht en macht bestaantussende leden van de populatie van een diersoort,is in de "progressie" van de mens als de geëvolueerdeprimaat een versnelling van dezemachts-en vennogensverschillenontstaan.Wat betreft [P7] is een peÍrnanent overschot van arbeidskrachtenpas ontstaantoen, allereerst in Groot-Brittannië, vanaf ca.l800 een toenemenddeel van de mechanischte verrichten arbeid door de stoommachinewerd overgenomen. De onderlinge terugkoppelingsprocessen in de habitats m.b.t. de problemen [P0lJ Vm [Pl0] worden hier bijeengebracht onder de noemer van "Boyle 3 concept", dat is ontleend aan diens "mechqnical philosophy" ("elementaire materie& beweging"(deel IIl, n16). 4. De laatstedrie problemen,[P8] Vm [P10], zijn ca.l50 jaar geledengesignaleerd,maar ze zijn pas een eeuw geleden maatschappelijkzichtbaar geworden.
De versnelling van de "technologischevernieuwing": [P8] is het aandrijvingsmechanismevan de maatschappelijkeveranderingen.Dit mechanismeis niet alleen gekoppeld aan [P6] en [P7], het manifesteertzich ook in [P9] en [Pl0l en in [Pl] Vm [P5]. Het probleem [PlO], dat nauw verbonden is met het waagstuk van de versnellende opwarming van de planeet, is zelf gekoppeld aan de problemen [Pl] ím [P3]; het probleem [P9] staat niet los van [P3] t/m [P5]. Deze tien problemen leiden gezamenlijk in toenemendemate tot het reële gevÍur dat ze de rechtsstaatvan een democratischenatie definitief verwoesten(zie het lot van Athene,App.l ). Vanwege het op de korte termijn gerichte, marktgeoriënteerdeparadigma van de westerseNK-doctrine worden onvermijdelijk de lange termijn-gevolgen van de dynamiek van de kwestie-Malthuslt'errin de economischeanalyses m.b.t. de habitats buiten beschouwinggelaten ($13). Oplossingenvan de complexiteit van deze problemen zullen in een dergelijk kader van onderzoekniet te vinden zijn. Zie bijvoorbeeld de eerder gedanevoorspelling m.b.t. de "klimaatverandering"(2018) n Tengeleide.3.$aím $10.
2L
$15. Vereenvoudigingvan de habitat-complexiteit II: de evolutionaireaspectsystemen {Fl;F2;F3} Wie verderzoekt in de "zwarte doos van het menselijkgedrag" naarde "instincten"($6) vindt, behalveVeblen,de analysesvan o.a. Hegel (1770-1831:bevrijdingsideologie; het "Itrereld-lK'); van Marx (i8i8-1883: "systematischeconcuÍrentiedwang");J.Duesenberry0949: consumptiedrang, "keepingup with the Joneses");L.von Berta(1971:.The lanfl (1968: General SystemTheory); F.Braudel(1949: La longue durée) en N.Georgecu-Roegen Entropy Law and the EconomicProcess).Wat betreft de laatstedrie onderzoekershet volgende: l. De maatschappelijke ontwikkeling is in de tweedehelft van de 20' eeuw in allerlei opzichtendusdanigexplosief verlopendat von Bertalanfl! (1901-1972)in het voorwoord van zijn boek betreffendeal wat aan onderwerpente qua onderzoekenvalt, van een nieuw paradigmaspreektwaarin "niet scheidbaarqua inhoud,maar onderscheiden intentie" drie samenhangendeaspectenverbonden zijn:- {systemsscience; systems technologt; systemsphilosophy|. Dit laatsteaspectwordt op zijn beurt onderverdeeldin: {systemsontologt: systemsepistemologli systems values\.