CConstaterende datSchiermonnikoog
Koppel je AI →
Document · PDF

12-02 - bijlage 1 - AVG

Raadsvergadering 21 augustus 2025, gemeente SchiermonnikoogBij agendapunt: Ingekomen Stukken19.282 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

De klimaatstreepjescode 2025 óf de roulette: roage orr roir? $1. Verondersteldat aan de economendie inmiddels hebbennagedachtover de schadelijkelange termijn-gevolgen voor het leefklimaat van de habitatsvanwege het opportunistischekorte termijn-economisch"doen en laten" van de kabinetten in de afgelopen vier decennia, de volgende bureaucratischgeformuleerde vraag lv0l wordt voorgelegd: of de termen "economische groei" en een "schoon milieu" wel met elkaar verenigbaar zijn zodat voortaanten gerievevan het maatschappelijkbestuuqde term "groene groef in het ambtelijk narratief kan worden gebruikt. Indien velen van hen inmiddels zich professioneelhadden of hebben ontwikkeld in het kader, of zelfs in het vakgebied,van de huidige toegepasteneoklqssiefreCNK) economiezullen sommigendeze vraag, indien zó gesteld, toch vermoedelijk met "neen" beantwoorden.Want intellectueel verzet tegen bestaandeondoordachtemeningen, seculiereovermachtof tegen een dominantereligie (of ideologie) bestaatal duizendenjaren (syllabus,App.l). De koninklijke weg van de ontkenning is de methode van de weerlegging, die 2400 jaar geleden tijdens de Atheense Verlichting door Socrateswerd bedachten o.a. in de wiskunde voor de bewijsvoering wordt toegepast. Hieronder volgt, ter voorbereiding van een passend antwoord op de bovenstaandevraag, in vogelvlucht een overzicht van het westerseeconomischdenken m.b.t.

het "richten en inrichten" van een maatschappelijk"goede orde": nu niet meer alleen in het kader van de economischeanalyse maar ook als een beschouwing van het machtspolitieke"denken & doen'oin de ontwikkeling van de habitatsvan het "Vrije Westen"($16-$18). Dit relaas omvat fwee nauw verbonden verhaallijnen als de rode draad van het betoog: het onderwerp van de "lange termijn" en de eeuwige noodzaakvan energiegebruik"in tijd en ruimte": twee coëvolutionaire processen die belichaamdzijn in de habitats.NB. Verwijzingen in de tekst betreffende uirwerkingen in de ECD-syllabus. $2. Het procesvan de ontkenningvan de waag [V0l begint met de ontologischewaag: wat is "groei"? Een econoom die, geheel in beslag genomen door zijn dagelijkse bezigheden,niet goed had geluisterd zou de gesteldevraag vermoedelijk beantwoorden,met bijvoorbeeld: 2 à 3 %. Of anders gesteld, de processenvan de 'oconsumptie& productie", of van het "vraag en aanbod", gaan in de economischepraktijk dikwijls met veel fosieke inspanningengepaard,maar in het NK-economisch denken verlopen ze metafusischals het ware vanzelfin een energetischperpetuummobile.

Wie echter over "groei" spreekt,kan beter zich niet uitdrukken in commerciëlerekenkundemaar nadenkenover datgenewat ons dagelijks voortbeweegt:niet alleen vanwege de verplichtingen, loyaliteit en ambities maar allereerstdoor het fosieke gebruik van energie, dat in de productie van de goederenen dienstenresulteertin de uitstoot van afvalwarmte en afvalmaterie("fijnstof'), in de vorïn van entropie- eenrealiteit die in 1865 was vastgelegdin de TweedeHoofdwet van de Thermodynamica,en die geldt als de universelerandvoorwaardevan het leven op de planeet* de natuurwet op grond waarvan het bestaanvan een mogelijk bestaanbaarperpetuum mobíle telkenmale werd en wordt weerlegd.Hierna maken we een anderuitstapjenaar de natuurwetenschap(syllabus:826-827). $3. Het inzicht, dat het proces van de groei of van het voortleven van de oryanismen:"mens, dier en plant" een metabolistíschprocesis, was ontstaanin het vakgebiedvan de medischewetenschap. (i). In de fweedehelft van de l9'eeuw werd, vanuit de embryologie,in defysiologie het traditioneleonderzoek naar de organen uitgebreid naar het onderzoek van de cel- en weefselsffucturenervan.

Maar ook was al bij een aantal biologen de verwachting gewekt dat de functies van de organen van de levende organismen waren te herleidentot de chemischeen ffsische processen,die aan de basis van het leven staanof zelfs het bestaanvan een vis viva zouden demonstreren.Een belangrijk onderdeel van het onderzoek richtte zich op de gekoppelde problemen van de ademhaling en transport van gassen (respiratie), de vertering van voedsel (digestie) en de uitscheiding van afvalstoffen (excretie), omdat al eeuwenlang werd vermoed dat, tenminste bij de levende zoogdieren,een verbandbestondfussenhet inademenvan lucht, het verbruik van voedselen het warm houdenvan het lichaam. Dankzij de snelle ontwikkeling van de kennis van de scheikundeen natuurkunde,de technologische vernieuwingen van de meetapparatuuren de inspanningen van de onderzoekerswerd binnen vijftig jaar het ontluikende vakgebiedvan de biologie (evenalsdat van de geneeskunde)tot het niveau van een natuurwetenschap gebracht- vóór het einde van de l9' eeuw werd door biologen, chemici, Ssici en wiskundigen bevestigddat een levend dier zoals een hond, bij wijze van spreken,zelf een "warmtemachine" is. (ii).

De doorbraakin de standvan de kennis en de technologievan de fusiologie ontstond,doordat de onderzoekers het concept van "het behoud van energie" begonnente begrijpen, dat door Mayer (als scheepsartsin dienst van de VOC aan boord van de Java op weg naar Nederlands-lndië) in 1840 op zijn manier was ontdekt, door Joule (andersom)veelvuldig werd beproefden in een algemenecontext door Helmholtz werd geconfirmeerd. Vanaf de jaren '60 was het vraagsfuk van de energiebolansin het metabolisme,dat eerder door Mayer aan de geworden; het hulpmiddel orde was gesteld,een fundamenteelthema in de bestuderingvan de respiratieprocessen geconstrueerde respiratie/calorie-meter werd door de energiefusioloog was de calorimetrie. Met een speciaal

Rubner (1854-1932) met kleine en grote honden een aantal experimentenuitgevoerd (18S9-1894) die moesten bevestigen dat de Eerste Hoofdwet van de thermodynamica ook in de biologie geldt. De uitkomsten van de metingen bevestigden het vermoeden dat de hond een o'warmtemachine"is; Rubner kon trouwens zich niet voorstellen dat de EHW niet van toepassingzou zijn op anderediersoorten,,zoals een zeehond- een vis viva is nooit ontdekt, wèl het DNA. Aldus hadden ffsiologen reeds in de tweede helft van de 19' eeuw ontdekt dat een levend organisme een dissípatief thermodynamisch systeem is dat, onder het regiem van de EHW en de THW in een permanente verbinding staat met het "milieu", dat als "voedselbron" èn als "afvalput" fungeert voor de energie- en materieuitrvisselingendie voor het verrichten van de noodzakelijke arbeid ter vervulling van de levensfunctiesvan het organisme zowel fficiënt als ffictief zijn. Met deze twee begrippen zijn we teruggekeerd in het vakgebied van "de economie", in het bijzonder naar de totstandkomingvan de NK-economie. $4.

In de tweede helft van de t9' eeuw was ten gevolge van de eerstefase van de Industriële Revolutie (van de "lichte industrie") intussenin de economischontwikkelde Westerselanden naastde categorievan de ondernemers een middenklassevan burgersontstaandie een koopkrachtige marknraagbegowren uit te oefenen;in Londen en Parijs werden de eerste warenhuizen geopend. Daarmee kwam voor de consumentenen producenten steeds nadrukkelijker de vraag aan de orde of voor een bepaald product wel deTniste prijs werd betaald. (i). De westerseeconomieënwaren intussen in de tweede fase van de Industriële Revolutie terechtgekomen(de "zware industrie"); de marktliberale opvolgers van de Klassiekeeconomenwaren niet meer geïhteresseerdin de oorzaken en gevolgen van de economischegroei, dus niet meer in de vraag wat "economischegroei" werkelijk betekent. Het aandachtsveldvan het lange termijn-denken werd vervangen door de korte termijn.

Zij beperkten zich in hun evenwichtsdenkentot het gebied van de "economische kringloop" en richtten hun aandacht op de vraagstukkendie door de Klassiekenniet konden worden opgelostop grond van de arbeidskostentheorie,zoals die van de prijsvorming en van de optimale allocatie van goederenen diensten.Voor het vinden van oplossingenwerd op grond van het "nutsrekenen"van de jurist en natuurfilosoof Bentham (1748-1832) en de ontwikkeling van de natuurwetenschappenen de wiskunde een begin gemaakt met de mathematisering van de processenvan de westerseconsumptie en productie - het tijdperk van het marginalisme was aangebroken(syllabus:260-266). (ii). Tussen 1871 en 1874 werd op drie plaatsen in Europa, zowel in Wenen (Carl Menger) als in Manchester (William Jevons) als in Lausanne(Léon Walras), maar onaftrankelijk van elkaar, als een nieuw insffument voor economisch onderzoek de marginole nut-analyseingevoerd, die de grondslag voor een algemene prijstheorie vormde. Deze economischeonderzoekersmaakten de vooronderstellingendat de consumentvoortdurend pnjsbewust (of: "rationeel") handelt en dat hij met de beschikking over de volledige kennis van de markttransacties(en in de geest van Bentham) naar maximale behoeftebewediging streeft.

Centraal stond het concept van het dalende marginalenut (of grensnut)voor de consumenten.Enkele invloedrijke bijdragen waren reedseerdergegevendoor Dupuit (1844) in Frankrijk en door Gossen(1854) in Pruisen. l. Later werd de marginalistischeanalyseook op de aanbodkantvan de economietoegepast;centraalstond hierin de reeds bekende ervaringswet van de afnemendefysieke marginale opbrengsten(of afiremendemeeropbrengsten), die voorheen door de Klassieke economenwas gehanteerd.Initiatieven op dit terrein waren al eerder genomen door de marginalistenCournot (1838) en Von Thtinen (1826). Hun economischeonderzoek werd geabstraheerd van de specifieke sociale context. De maatschapptjwerd ceterisparibus nu opgevat als een markteconomie;de Political Economy van de Klassiekenwerd vervangen door Principles of EconomicsvanAlfred Marshall (1S90). 2. De problematiek van de economischegroei & verdeling van de welvaart waaÍmee destijds de Klassieke economen ($10), ieder op een eigen wijze (Smith, Malthus, Ricardo, Mill, Marx),zich bezig hadden gehouden, leek vanwege de toenemendebreedte-en diepte-investeringenin de kapitaalgoederenindustrie in de tweede helft van de 19' eeuw in een aantal westerse landen te zijn opgelost.

In de plaats ervan werd de aandachtvan de economen in vooral Frankrijk, Groot-Brittannië, Oostenrijk, Duitsland en de Verenigde Staten gevestigd op de vraagstukken van de productie, distributie, prijsvorming en prijsstabilisatie van de in principe "evenwíchtigl' geachte kringloop-economie. Toch wÍls vanwege de publicaties van o.a. Malthus, Marx, Jevons, von BóhmBawerk, Fisher, Wicksell en Hawtrey ook meer aandacht ontstaan voor het waagstuk van de economische recessies. (iii). Het vakgebied van de "Algemene Economie", dat vanaf het begin van de Reformatie geleidelijk het onderzoeksgebiedvan de Klassieke Economie was geweest, trok pas weer de aandachtvan de westerseNKeconomenná de ïlall Street Crash (1929) vanwegede indrukwekkendeindustrialisatieprestaties van de USSR na 1930. Doch de beschrijving van het proces van de "economischegroei" vond en vindt plaats binnen het kader van de NK-economie. Zie wat betreft een overzicht van de modellen van economischegroei: de syllabus(deel IV.3.7). Een systematischoverzicht(1990) van de economischegroeitheorieënvan de periode[ca.1750-ca.1980] is in vier gedeeltengeschrevendoor de Oekraï'ens-AmerikÍanseeconoom Walt Rostow (1916-2003).

l. Vanwegehet heilige geloof van de Klassieke en neoklassiekeeconomenin het evenwichtsconceptvan de "wet van Say" (en de ideologie van de automatischevenwicht brengende"vrije "markt" (laissez-fairel) is het onderwerp van de "conjunctuurgolven" (businesscycles) in de periode [ca.1800-ca.1930],na de tegenwerpingenvan Malthus tegen het evenwichtsdenken,slechts bestudeerddoor enkele Institutionalisten zoals, naast Veblen en Mitchell, de statistisch-historicusJuglaq en enige andereheterodoxeeconomen,zoals Man<en later Schumpeter. Volgens Mitchell kon uit de statistischegegevensde conclusie worden getrokken dat een conjunctuurbeweging ontstaat in de monetaire sector, doordat het bankwezen eigen kansen ziet om winsten te behalen en kredieten versffekt die specifieke ondernemingen moeten verlokken om bij een relatief lage geldmarktrente nieuwe investeringsprojectenuit te voeren óf doordat het bedrijfsleven in een gunstig geworden ondernemersklimaat,met stijgende prijzen, mogelijkheden ziet om zelf het initiatief te nemen en nodige bankkredietenopneemt. Maar, stelde Mitchell, vanwege de endogeenverlopendeprocessenheeft iedereconjunctuurgolf een eigen karakteristiek wanneereen depressieweer in een opgaandebeweging resulteertwaarin intussende structuurvan de maatschapprj is veranderd. 2.

Schumpeterwas daarentegenvan mening dat juist niet-monetairefactoren vooral de oorzaken vorrnen van het ontstaan van een conjunctuurgolf. Opgeleid aan de universiteit van Wenen volgens de methodiek van de toenmalige OostenrijkseSchool, wees hij erop dat de verkregen statistischegegevensslechtscorrelaties beffeffen en methodologisch-inductiefníet eenverklarrng kunnen geven (tenzij de "wet van de grote getallen" geldt); nodig is immers een bestuderingvan een aantalniet-economischefactoren als de desbetreffendebijzonderheden,doordat in een economische cyclus de maatschapprjstructureel telkens méé verandert. De methodologie is, met andere woorden, fundamenteel gericht tegen het neoklassiekeceteris paribus-evenwichts-denken,omdat het niet de 'omarktkrachten"zijn die in de vermeende frictie-wije markten het ruilproces aansturen,maar het telkens de individuele entrepreneurbetreft die in de ontstaneonzekereomstandighedenzijn economischetransactiesuitvoert - in het dynamischeeconomischeproceszou een evenwichtjuist nooit worden bereikt(syllabus,deel IIL3.3). Niet verrassendgeeft Schumpeter,in zijn overzicht van "crises en conjunctuurgolven" een beschrijving vÍur economische veranderingenwaaraan zowel monetaire als niet-monetaire hypothesen verbonden zijn. Vanwege zijn radicaalvernieuwendeinzichten wordt Schumpeterwel tot de "quasi-institutionalisten"gerekend(zie $12). (iv).

Het derdegedeelteheeft betrekking op de periode |939-ca,l980l waarin vanaf het begin, noodzakelijk op de agendateruggekeerd,ook het onderwerp van de economischegroei de aandachtvan de neoklassiekemaar nu ook van de Keynesiaanseeconomenhad gevraagd.Daarin bewandeltRostow methodologischzowel de a prioristische en deductieve weg waarlangs van enkele mathematischegroeimodellen {Harrod/Domar; Solow/Swan; Kaldor} een korte beschouwingwordt gegeven(Hl5) als de weg van de inductie die door het statistischeonderzoekwas opengelegd, waaruit de Oekraiens-Amerikaanseeconoom Kuznets op grond van zijn historisch-comparatief internationale bevindingen zes macro-economischekarakteristieken (morphologt) van moderne economische groei had gedistilleerd. In Nederland waren, gebaseerdop de verworven inzichten van de verschillende soorten groeimodellen in de jaren '60, de zgn. conjunctuur/structuur-modellenontwikkeld en destijds voor beleidsdoeleindenin gebruik genomen die evenwel op een ceteris paribus statistischwÍurgenomen economischewerkelijkheid waren gebaseerd, zoals in Nederland in 1975 het empirische jaargangenmodelmet vaste technische coëfficiënten ("clay-clay"model) dat vanwege het afzetgedeelte"Vintafl' werd genoemd (H. den Hartog/Th.C.M.J. van de Klundert/H.S.'ljan:49-l10) en, eveneensvan het CenfraalPlanbureau,het FREIA-model (1983). (v).

Tenslottekomt Rostow zelf in deel IV van zijn boek (pp a80-a85) bij de onvermijdelijke vraag hoe op een systematischewijze de wezenlijke niet-economischefactoren: het statistischeRostow-residu,in de analyse van economischegroei kunnen worden geïncorporeerd.Hij geeft evenwelomet een verwijzing naar het genoemde citaat betreffendeMarshall (Sl0), géén specifiek antwoord doch slechtshet advies: "[...] as I argued ín"The Processof Economic Growth", one must accept, in consequence,a bíological theory of iteversible process rather than a neo-Newtoniantheory of equilibrium". Niet zonder reden had Rostow in zijn boek zich tot een nieuwe generatieeconomengericht met een credo: "ín the hope that, without abandoning modern tools of analysis, they may bridge the chasm of 1870 and reestablish continuity with the humane, spacious, principled tradítion of classícalpolitical economy". Wat betreft het aspect van de "niet-economischefactoren" had hij zelf, op zoek naar de dynamiek van de "technische vooruitgang" en in de context van een veranderendemaatschappij,in navolging van o.a. Auguste Comte, eenStufentheorievan 5 fasen van economischeontwikkeling ontworpen.

Toch is gebleken,en blijkt, dat ook dezeteleologischebenaderingniet toereikend is voor verklaringen van de uitkomsten- de thesevan de ECDsyllabus is, dat het menselijk gedragvooral in "de langetermijn" door evolutionairefactorenwordt bepaald(Sl3).

r $5. Interm ezzo l: waí "groene groef' werkelijh vermag Voor degenedie m.b.t. vraag [VOl niet begrepenheeft wat "groene groei" werkelijk had kunnen betekenen,wordt verwezennaar de publicatie in 1977van de econoomHerman Daly, waarin het conceptvan "steady growth" wordt gedefinieerd (pp 14-49): as an economy with constant stocks of people and artifacts, maintained at some desired, sfficient levels by low rates of maintainance "throughpnt". D.w.z. gedefinieerd als een vervangings- (of een "nulgroei"-)economie.Destijdswas dit conceptrealistischontwikkeld, met de toenmaligeomvang van de wereldbevolking van ongeveer4 mld. (!) bewoners,nog geen vijftig jaar geledende helft van nu (Zie Aperqu.3G\. {"Rood of zwart"?>. Voor de bestuurdersdie anno 2025 in het kader van de toegepasteNK-economie, aan de speeltafelbewust"inzetten" op de vertraagdebesluitvorming(2030,2035,2040,..., etc.) in de voortgangvan de mechanistischeeconomischegroei, volgt hier een verwijzing naar een korte inleiding in de ecologie. (i). Voor de mens als de toppredator in de voedselketens,is de productie van de voedingsmiddelen(als het belangrijkste onderdeelvan het wereldvoedselvraagstuk)dus rechtstreeksverbondenmet de beschikbaarheidvan de biomassa,die wordt verkregen uit de land- en tuinbouw en de visserij.

Deze bedrijfstakken zijn op hun beurt aflrankelijk van de processenvan de.fotosynthesevan de autotrofe organismenop de planeet, die hun habitat hebbenop het land en in de oceanen- zonder de beschermingvan deze ecosystemenverdwijnen de mogelijkheden van het voortbestaanvan de heteroffofeorganismen(zoals de mens). Cruciaal is, naastde noodzaakom de mariene ecosystementegen schadelijkeinvloeden te bescheÍïnen,de kwaliteit van de bodemgesteldheidvan het vasteland, die weliswaar altijd door natuurlijke factoren wordt belhvloed maar vooral, en steedsintensiever,door menselijke activiteiten (vervuiling, vergiftiging, verwoesting) wordt aangetast.Een inzicht in de wisselwerkingen tussen de vegetatieen de bodem is o.a. te vinden in het relaas van de bioloog Van Dobben, die erop wees dat degene"die aan de vegetatieraakt, aan de bodem raakt" (App.s.a). (ii). In het bijna vergetenspoor van Malthus en in navolging van o.a.

Odum, Hardin, Boulding en Daly, houdt de Amerikaansepoliticoloog Ophuls al tientallenjaren zichbezig met de economischeproblematiekvan de inmiddels duidelijk waarneembaargeworden"grenzen aande groei" en, vanwegede toenemendeoverbevolking en de errnee samenhangendebovenmatig stijgende productie: de uitputting van de natuurlijke hulpbronnen en de vervuiling, vergiftiging en verwoesting van het "natuurlijk milieu" op de planeet,met als gevolg het politieke vraagstukvan de absoluÍe economischeschaarste. In zijn publicatie Ecologt and the Politics of Scarcity (1977), in drie gedeelten,geeft hij in het eerstegedeelte een inleiding in de ecologie en vervolgenseen overzicht van de bevindingen van o.a. de ecoloog Ehrlich, die op het wereldniveaude bevolkingsgroeihad afgezettegenoverde behoefteaan bestaansmiddelenen aan beschikbare hulpbronnen en een inventarisatiehad gegevenvan de schadedie intussendoor het bedrijfsleven aan natuurlijke ecosystemenwas toegebracht,preluderendop de verwachte verdubbeling van de wereldbevolking in 2010. Het die juist halverwege eerstedeel wordt afgeslotenmet een korte inleiding in het vraagstukvan de energieschaarste de jaren '70 in een aantal westerse landen tot de economische problemen van "stagflatie": {prijsinflatie; economischestagnatie;werkloosheid)had geleid. (iii).

In deel 2 wordt een aantal politieke dilemma's genoemddie van alle tijden zijn; maar deze worden verdiept ten gevolge van het ontstaanvan absolute (of ecologische) schaarste,zoals de conflicten: individuele vrijheid contra collectieve veiligheid, particularisme/cenffalisme,eigenbelang/algemeenbelang, en in die laatste tegenste.lling:het nieuwe probleem van de snel toenemendeinkomens- en vooral vermogensongelijkheidin de marktgedrevenmaatschapprjen.Een nieuw en groot ethischdilemma was destijds(in de jaren '70 van aardolieschaarste) de keuze tussenenerzijdsmeer investeringenin de luchtverrnrilendeen natuuryerwoestendesteenkolenindustrieen anderzijds de stimulering van het gebruik van kernenergieen of zelfs het bevorderen van het onderzoek van kernfusie, wÍurvan de lange termijn-gevolgenvolstrekt onbekend zijn * een ernstig ongeluk kan immers een groot gebied voor duizenden jaren onbewoonbaar maken. Overigens werd al spoedig na de bijna-ramp van de kerncentralevan Three Mile tsland (1979) en de katasffofe van Cernobyt' (1986) maar ook na het verdwijnen van de olietekorten, de nucleaire optie door het publiek in een aantal westerselanden afgewezen.In het algemeen gesteld, is de "technologicalftx" geen panaceeom de toegenomenecologischeschaarstete bestrijden. [n tegenstelling tot de bewering van Francis Bacon, is de natuur niet te ovenvinnen; wèl is ervan alles te leren. (iv).

Met de "tragedy of the commons"(1968) van Hardin (die de overexploitatievan de hulpbronnenhad belicht) voor ogen die om een radicale oplossing vraagt,tracht Ophuls (pp I 42-166) een uitweg te vinden die in principe aansluit bij de dwangbenaderingvan Hobbes in de Leviathan (syllabus, deel11.2.2)maar die in de praktijk in de geestvan Rousseau(volgens "the general will') het algemeenbelang behartigt, met behulp van instituties die aan de bevolking een bepaald minimum van "ecologische beschaafdheid"(ecological virtue) opleggen - overheden zouden (volgens een índicatief plan) de weg van richtlíjnen moeten volgen: "ceríainly, democracyas we know it cannot conceivably survive". In elk geval moest de weg naar een "Brove New World', Huxley (1932) èf een gedwongenafgangnaar een "SpaceshipEarth" (Boulding: 1966)worden voorkomen.

(v). Het moge intussenduidelijk zijn dat de termen: "groene groei" en een "schoon milieu" slechtseen "vrolijk" perspectief (of een illusie) voorspiegelen dat bij de bevolking rustgevende(of nostalgische)associatiesmoet opwekken m.b.t. een gewÍunde gezapigewereld van weleer wÍur het consumptieprocesnog overzichtelijk en het economischeproductieprocesnog inzichtelijk was. Of anders gesteld, waar de oceanenoneindig groot en nog onvervuild leken te zijn, in de kustwateren nog voldoende vis te vangen was, de stranden nog ongerept werden gelaten en jonge zeehondjestot hun geluk nog niet stukjes plastic en hout opvraten. Het taalgebruik betreft een semantiekdie ontleendkon zijn aan de "Newspeak" van GeorgeOrwell, ïn NineteenEighty-Four; of van wie ook? (vi). Dertig jaar na WO II had, na de waarschuwingvoor de " Limits to Growth" (1972) van de Club van Rome, een keerpunt in de evolutie van"humanity" kunnen ontstaan(Apergu.3G.$8)in het verzet tegen het neomercantilisme. Maar het tegendeelis geschied- ontstaanis in 1980 de "groeiparadox" (syllabus, kn geleíde). I $6. Reflectíet "de lange termijnn Met behulp van de korte les uit de ecologie die de ontkenning op de waag [VOf bevestigt is weliswaar een antwoord gegeven, maar er kan nog geen sprake zijn van de weerlegging van de leerstukken of de doctrine van de NK-economie.

Daarom is het noodzakelijk om de economischepraktijken te onderzoeken,die voortkomen uit het menselijk gedragdat is ontleendaan de ideologie van de automatischevenwicht brengende"vrije markt". Daaftoewordt de vraag [Vl I gesteld:<hoe is het mogelijk dat sinds de jaren '60 van de 20' eeuw,de argumenten van de kritisch-denkendeeconomen en de waarschuwingenvan de natuurwetenschappersin de maatschapprj werden en worden genegeerdï>. (i). Voor een eersteantwoord gaan we terug naar de l9e eeuw. Verwezenwordt naar het socialistischactivisme, de geschriftenvan Marx en het verzet van de Duitse Historische School (syllabus, deel ÍV.2.3.2). tn de tweede helft van de l9' eeuw ontwikkelde zich het intellectueelverzet tegen de mechanistischedoctrine van het laissez-faire van de Klassiekenen neoklassiekenop verschillendewijzen in de VerenigdeStatenen in Groot-Brittannië. 1. Voor een onderzoeknaar de sociaal-economische beweegredenenvan het individuele menselijk gedragkan men om te beginnen gebruik maken van de expertise van eerdereheterodoxe onderzoekers,zoals Veblenen Hobson, die de gebrekenvan het evenwichtsmarktdenkenblootsteldenÍuul het daglicht van de "Verlichting" (Sl0).

Voor dit doel wordt gebruik gemaakt van een analogon.Zoals in het geval van autopecheen monteur onder de motorkap onderzoekt wat aan het mechaniek ontbreekt, zó ook kan een onderzoeker in de "black box" van het menselijk gedrag proberen te vinden wat de mankementenvan het marktmechanismezijn. Hier volgen enkele fragmentenuit de syllabus(deel 1V.2.3.4). (ii). Thorstein Bunde Veblen(1857-1929) l. Veblen is vermoedelijk de eersteonderzoekergeweestdie systematischde mogelijkheden heeft onderzochtom voor de bestaandeconventioneleeconomieeen alternatiefsysteemte bedenkenwaarin de ceteris paribus-clausule wordt vervangendoor een concept van veranderlijke instituties die in de analysevan de economischeproblemen het economischgedragvan de actorenkunnen verklaren. Hij was tot het inzicht gekomendat de NK-economische theorie statisch van aard is terwijl de industrialisatievan Groot-Brittannië aan de maatschapprjeen onbekende dynamiek gaf die niet, zoals Marx had beweerd,een teleologischen deterministischkarakter had, maar alleen in een evolutionair en een probabilistischkader kan worden begrepen.In dat kader kon volgens hem geen zinnige economischeanalyse plaatsvinden indien in een onderzoek als mogelijk verklarende factoren de veranderende ijke omstandighedenwerden buitengesloten. maatschappel 2.

Een belangrijk onderwerp dat steedsmeer gewicht kreeg, waren immers de economischeen financiële activiteiten van de Big Businer.ren het in zijn ogen sociaal-afuijkende gedrag van de zo gehetenAmerikaanse "captains of industryf' dat trouwens vanwege het geihduceerdeproces van emulation bij de bevolking een eigen dynamiek van hebzucht opriep * er was een goede reden voor om deze variabele factoren als veranderlijke "instituties" te inventariserenen deze in een sociaal-economische samenhangte onderzoeken. Doch in de cultuur van een maatschappijbepalen natuurlijk ook de bestendigeinstituties, zoals de gewoonten, gebruiken en weffen, het individuele gedrag.

In het bijzonder zouden, psychisch evolutionair ontwikkeld, bij de mens drijfveren van sociaal gedrag bestaandie Veblen "instincten" noemde en die de grondslag van zijn economische analyse voÍrnen: l) de overlevingsdrangvan de eigen soort Qtarental instinct),2) nieuwsgierigheid(idle curiosity), 3) het arbeidsethos (workmonship) en 4) het eigenbelang (ocquisitíveness), waarbij de eerste drie instincten een lange termijn-karakter hebben maar het vierde instinct, om als individu te overleven, allereerstop het "hier en nu" is gericht - in de genen zou evolutionair een mechanismevan twee onderling tegengesteldedrijfveren ("antogonisticfactors") zijn ingebouwd die de mens aanzettentot een gedrag dat mogelijk voor menigeen een welvaart tot gevolg heeft óf dat daarentegenaan "de velen" de welvaart onthoudt; d.w.z. níet alleen de eenzijdigehedonistischeaandrangà la Bentham. 3. In zijn beschouwingvan de Amerikaansemaatschappljzag Veblen eentweedeling van economischeactiviteiten die hij enerzijds op grond van vooral de eerstedrie instincten toeschreef aan de werkzaamheid van de actoren in de

ambachten of in de technische beroepen (industrial or technological employments), die het "worden" van de maatschappij verwerkelijken en anderzijds de activiteiten die hij als "ceremonieel gedrag" bestempelde dat allereerst door het vierde instinct van de betrokkenen wordt aangedreven en gericht is op de conventionele activiteiten van maatschappelijkestatusen het uiterlijk vertoonod.w.z. op het culturele "zljn". 4. In The Theory of BusinessEnterprise (l9A$l.l.at Veblen niet alleen zien hoe de traditionele ambachtsmande eigendom van zijn productiemiddelenverliest en als een vakbekwame zelfstandigeondernemertot een arbeidskracht in loondienst wordt gedegradeerd(in het proces waÍwan Marx n Das Kapital de analyse en de maatschappelijke gevolgen had beschreven),maar ook hoe in de Verenigde Staten de eigenaren van de ondernemingen geleidelijk hun ceremoniële activiteiten uitbreidden naaÍ pecaniary employments.Terwijl de actoren in de industrieleberoepenzich inzetten voor de realisatievan de productie voor de sociale doeleinden,bekommerenin hun ceremonieelgedrag de bestuurdersen aandeelhouderszich om de vergroting van de winst, waardoor volgens Veblenjuist de conflicten ontstaanfussen,wat ruim een eeuw later wordt genoemd,de "makers" en de "takers" .

Hij rekent daarmeeaf met de illusie (of het sprookje) van de NK-economie dat de grote bedrijven (of de "vrije markt" volgens de verkondigde Nevvspeak)voor de meesteneen voortgaandewelvaart opleveren; het is volgens Veblen juist andersom:"industry is carried on for the sake of business,and not conversily'' - het bedrijfsleven veroorzaakt" il lfare" (syllabus,deel V: T.Judt). 5.ln The Theory of the Leisure Class ( I 899) had hij overigens,niet tot eigen ongenoegen,ironisch beschrevenhoe deze lieden in hun conspicuous consumption mau al te graag hun pronkzucht en zucht naar maatschappelijke status ten toon spreiden,maar ook in hun opzichtige verkwisting en predatiegedraghun macht en machtsmisbruik willen demonstreren* het is immers ook een verslavend gedrag dat later in de periode van de "roaring twentíes" bij de middenklassegevoelensvan jaloezie en de behoeftevan kopieergedragopwekte, maar dat menig roekeloze bourgeoiszou bezurenin de "Great Crash" van Wall Street,die Veblen zelf net niet meer beleefde.Elders brengt hij de genoemdetweedeling tussen industrieel en ceremonieelgedrag ook tot uitdrukking in de cultuur van het academischonderwijs: de wetenschappersworden in hun beroepsethieken nijverheid willens nillens geconfronteerd met de capriolen van het bestuurlijke gedrag van de "captains of erudition". (iii). John A. Hobson (1858-1940) l.

Geboren in het EngelseDerby waar orde en regelmaatheerstemÍur de armoedevan de inwoners volgens het vigerende geloof en de heersendemarktideologie aan hun onbekwaamheidwerd geweten, werd Hobson zich geleidelijk ervan bewust dat, ondankshet marktliberalismeen de verplichte gang naar de Kerk, gerechtigheidin zijn eigen wereld ver te zoeken was. Nadat hij de grammar school had afgerond, het contact met de Kerk had verbroken en o.a. de sociologie van Spencer had bestudeerden On Liberty van Mill had gelezen,was zijn belangstellinggewekt voor socialewaagstukken.Na cursussenin Cambridgeen een klassiekeopleiding in Oxford te hebben gevolgd, werd hij bernvloed door de kunstcriticus Raskin (1819-1900) en later door de socioloog Hobhouse(1864-1929)en de politicoloog Wallas(1858-1932).tngrijpendook waren zijn ervaringenalsjournalist tijdens de Boerenoorlog in Zuid-Afrika in 1899 die hem aanzettentot de publicatie van het boek Imperíalism (1902), dat gretig door Lenin werd geplagieerd. 2. Ziin academischeloopbaanwas al direct na de publicatie van The Pltysiologt of Industry (1889) afgelopenna de vernietigenderecensieervan door Edgeworth (zie m.b.t. de 2-dim. NK:'welfare box": Pareto, sylabus:591-592).

Hobson richtte zijn pijlen van kritiek op de doctrine van het laissez-foire, namelijk dat de markten, eenmaaldoor de overheid wijgelaten, de oplossingenzouden bieden voor de (hier later: in $la) te noemendrie basisproblemen {[3] Vm tP5]]. De markten zouden namelijk de meestemateriële welvaart produceren([P3]) en de consumenten zouden als klanten tegen redelijke prijzen "koning" zijn. Want de verdeling van het binnenlandsproduct, en ervan afgeleid het binnenlandsinkomen, zou billijk geschieden([P5l) en de prijzen van de producten zouden op grond van de gemaakte kosten en de gebleken nutspreferenties van de consumenten de feitelijke schaarste conect weerspiegelen([P4]). Bovendien zou de productiecapaciteitvan de economie voortdurendvolledig worden benut (de "wet van Say"). Maar de langdurige periode van economischerecessiesin de tweede helft van de l9' eeuw wees voor het overgrote deel van de bevolking op het tegendeel - van de gepredikte zegeningen van de markteconomie Qtel."trickle down"-effect, dankzij de"vicegerents of God'; Adam Smith), d.w.z. van de destijds door de neoklassiekeeconomenvoorgespiegeldewelvaart, wÍrs voor "de velen" weinig of niets terechtgekomen (Thucydides'dictum). 3.

Hij weet het falen van de Britse loissez-faire-economieaan het theoretischeonvermogen van de economen om voor de problematiek van {[3] Vm tP5l] in de praktijk adequateoplossingente vinden; in het bijzonder hekelde hij, zoals Veblen in de VerenigdeStatendeed,de ongelijke inkomensverdelingdie voortkwam uit de systematische toepassingvan de neoklassiekedoctrine van de verschillen van de marginalistischefactorproductiviteit.

Ontologisch verwierp Hobson daarbij de conventioneleperceptievan de werkelijkheid van de economenwaarin de scheidingtussende "positieve" en "normatieve" economieformeel plaats vindt in termen van het "zun", omdat in de snelle industrialisatievan de Britse maatschappij,zoals altijd vanwegede onderlinge afhankelijkheid aan de economischeactiviteiten, politieke, ethischeen sociale aspectenwaren verbonden- het was niet mogelijk om de problematiek van {[3] ím tP5l] te behandelenzonder een beschouwing van de snel veranderendemaatschappelijke context van het "worden". 4. Hobson bepleitte voor het bereiken van een "goede orde", een humanistischeeconomie waarin de negatieve effecten van de werking van de "wue markt" op de maatschapprjin de economischepolitiek zouden moeten worden opgenomen;de theoretischeeconomie zou dan niet alleen betrekking moeten hebbenop land, producten, prijzen en geld, maar ook op de mens en de maatschappij.Zelf is hij, in het kader van de neoklassiekeeconomie gebleven,niet in staatgeweestom een alternatieftheoretisch-consistent economischmodel van de werkelijkheid te ontwerpen. Desalnietteminhad hij met zijn ethisch-economischewereldopvatting een grote invloed op de Britse economischepolitiek, in het bijzonder op het overheidsbeleidvan Labour na de TweedeWereldoorlog.

In hun kritiek op de NK-doctrine haddende beide heterodoxeeconomengewezenop het belang van het economisch denken in de "lange termijn", dat was nauw verbondenmet de langdurigeontwikkeling van de habitatsvan het "Vrije Westen". In de ECD-syllabus wordt deze ontwikkeling van de habitatsgedurendeachtereenvolgensde Renaissance,de Reformatie en de Verlichting, opgevat als de processenvan maatschappelijkeherschepping, coëvolutieen bewustwording[ca.1200- ca.l800]. $7. De Renaissance: hernleawde grondbeginselen van het huidige maatschappelijk denken De Renaissanceis geen vast omlijnd concept; het behelst een ontwikkelingsproces:de "wedergeboofte" van de belangstelling voor de klassieke Griekse en Romeinse culturen, wÍurvan de Florentijnse poëet Petrarca (13041374),die geïnspireerdwas geraaktdoor de geschriftenvan de politicus, filosoof en redenaarCicero (106-43 vC), als de belangrijkste propagandist wordt beschouwd. De Renaissancewordt gewoonlijk geassocieerdmet de culturele rijkdom die vooral is te vinden in de oude Noord-Italiaanse steden, zoals Florence, Pisa, Genua en Venetië.Minder bekend is dat veel geschriftenvan Griekse, Helleensemaar ook van Arabische natuurfilosofenen theologen,na de verdrijving van de Moren uit het toenmalige Spanje in 1085, met name in Toledo uit het Grieks en Arabisch in het Latijn werden vertaald, d.w.z.

dat veel geschriften ervan vanuit het Oost-Romeinserijk via Constantinopel, Bagdad en Al-Andalus (756) vanaf de 12' eeuw geleidelijk (en vanaf 1439 versneld door de uitvinding van de typologischeboekdrukkunst)in Europa en dus ook in Noord-Italië beschikbaarwaren gekomen. (i). De periode van de Renaissance[ca.1200- ca.l500] wordt gekenmerktdoor de transitie van de autarkie in de relatief stabielesamenlevingen(beheerstdoor de almachtige"Keizer & Paus"), waarin op de lokale en regionale gereguleerdwerden verhandeld,naar het post-feodale markten de landbouwoverschottenvan de gemeenschappen tijdperk. Daarin hadden kooplieden vooral in de textielnijverheid o.a. het zgn. Verlagsysteemingevoerd, door buiten de steden aan niet-georganiseerde(en dus goedkope) thuiswerkers (toen óók al!) verschillende soorten handwerk uit te bestedenvoor de bewerking van de grondstoffenen de productie van de benodigdehalffabrikaten. Daardoor ontstondenbelangenconflictentussende kooplieden en de inmiddels in de stedengevestigdegilden, die zijn te herleidentot het fundamenteleconflict tussenefficiencyen equity (billijkheid). In feite werd op deze wijze door een aantal koopmansbedrijven een soort van handelskapitalisme ingevoerd dat de grondslag vormde voor de latere vorïnen van het mercantilisme (zie hieronder: $16-$18).

Aldus kreeg een aantal kooplieden geleidelijk de beschikking over de middelen die hen, als de opkomendefinanciers van het maatschappelijkbestuur, in staat stelden om voor henzelf een passendemaatschappelijke"goede orde" in te richten. Hiermee in samenhangwas in een aantalstedenin het toenmaligeNoord-[talië georganiseerdintellectueel verzet ontstaan tegen de jurisdictie van de keizer en later tegen het als dwingend ervaren rooms-katholieke kerkrecht(App.3). (ii). Uit de ondergangvan de feodalemaatschappUen ontwikkelden Noord-ltaliaansestedenzich tot stadstaten,die een eigen vorm van ze(bestuur hadden gekozen maar herhaaldelijk werden geconfronteerdmet de dreiging van een interventie door enerzijds een Duitse keizer en/of anderzijds een paus. Om de onderlinge rivaliteit van de republiekente beheersenwerd in het systeemvan zelfbestuur,in Lombardije en Toscane,geleidelijk de vorm van de podestà ingevoerd, waarbij de oorspronkelijk benoemdeconsul als de machthebberwerd vervangendoor een gekozen vertegenwoordigervan een andere stadstaatdie als onpartijdig en onkreukbaarwerd beschouwd en de statusvan oppeffechteren topambtenaarkreeg (en als zodanig werd betaald),maar die zelf nooit een autocratisch heerserkon zijn.

Toch bleek dat met de opkomst van nieuwe families van welgesteldekooplieden (gente nuova) in de republieken tegenover de gevestigdepodesrà verschillende facties werden gevormd die ieder voor zich de macht trachttente grijpen, en aldus het gevaardreigde dat de moeizaambevochtendemocraííewerd uitgehold. Oorzakenvan het interne verval van de stadstatenwerden toegeschrevenaan de groeiendewelvaart, de hebzucht, de comrptie en het ermee gepaard gaande verlies van het verantwoordelijkheidsbesefvan de burgers. Daarmee kwamen de volksvertegenwoordigersvoor het verkrijgen van een "goede orde", voor het fundamenteleprobleem

te staanom te kiezen: voor de individuele vrijheid van de burgers(of: interne wijheid van de staat:zie Athene) óf voor de collectieve veiligheid (of: externewijheid van de staat:zie Sparta).De uitkomst was dat aan het einde van de 13' eeuw, al dan niet vrijwillig, door de republieken de machtsgreepvan een "sterke mar" (signore) was geaccepteerd,waarbij de "wije burgers" tot onderdanen werden gereduceerd,met de bijkomende democratischpolitieke schadedat het leiderschaperfelijk werd gemaakt en dat dus in "de lange termijn" dynastieën ontstonden. Niet langerkon de leiding van de stadstaatof republiek door de bevolkngvrljwil/lg worden gekozen.Toch was er één uitzondering: de stadstaatVenetië,waarin de gekozen doge als staatshoofdin de 14'eeuw van zijn politieke macht was ontdaan; weliswaar werd voortaan de republiek besfuurd door een kiescollege van veÍïnogende kooplieden (la Signoria), maÍu óók was de Staat een geestelijkewijhaven voor prominentenatuurhlosofen(zoals Galileo Galilei) en kunstenaars(zoals Giovanni Bellini) geworden- Venetiëverloor de onaflrankelijkheidin 1797. (iii). In de Renaissance-periode werd, naast het machtspolitieke"denken en doen" in de steden,door rationele theologenen natuurfïlosofennagedachtover diepgaandethema's,zoals "materie en beweging" en "ruimte en tijd", maar vooral ook over de christelijke moraliteit. l.

Al ver vóór de 13'eeuw waren binnen de rooms-katholiekeKerk over de natuurverschijnselenverschillende interpretatiesvan de kerkleergevormd,zodat zowel bij de kerkdienarenals bij de natuurf,rlosofenverwarring en onenigheid was ontstaanover de stelligheid van een bepaald dogma. Maar de verspreiding van de "heidense" geschriften van Aristoteles in de christelijke wereld omsffeeks 1200 aan de universiteit van Parijs (in de karolingischetijd een kathedraalschool,later de Sorbonne),had de scholastischeleiders van de Kerk genoodzaakt tot optreden. Weliswaar was Aristoteles in staat geweestom op een aantal wezenlijke nafuurfilosofischevragen een bevredigend antwoord te geven, maar zijn humanistischemoraalfilosofie vormde ook een gevíur voor de Kerk - een dilemma, dat al in l2l0 en 1215 leidde tot een verbod op het onderwijs van de natuurfilosofie van Aristoteles aan de faculteit van de Kunsten in Parijs. Één van de kunsten betrof de kunst (technè) van de welsprekendheid- een sprekendvoorbeeldis bijna drie eeuwenlater Machiavelli (1469-1527)geweest(516). 2.

Pas nadat paus Gregorius IX in l23l had afgekondigd dat het (achteraf praktisch "ongezuiverd" gebleken) filosofische werk van Aristoteles in de basisopleiding (van juristen, medici en theologen) voor de studie kon worden gebruikt, werden diens verhandelingenmet extra belangstelling bestudeerd.Als de opvolger van de dominicaansemonnik en universitair docent Albert de Grote die zich fundamenteelin deze materie had verdiept, zocht Thomasvan Aquino naaÍ een oplossing voor het genoemdedilemma, opdat in de kerkleer de tegenstelling tussen geloof en rede kon worden overbrugd. Het uitgangspunt voor een oplossing was voor Thomas een compromis: de opvatting dat voor het begrijpen van natuurverschijnselentwee gescheiden wegen naar de Waarheid leiden: via de tekst van de Bijbel (Gods llroord) maaÍ ook via de aristotelischefïlosofie (de natuur opgevat als Gods Í{erken). Vanwegedeze benaderingkonden nu theologende mogelijkheid aangrijpenom de leerstellingenvan Aristoteles diepgaanderte onderzoekendoor met behulp van lrypothesenmeerdere gedachte-experimentenuit te voeren. Bijvoorbeeld gaf het verbod op het ontkennen van de Almacht van God, aan hen de intellectueleruimte om te speculerenover de eeuwigheid,oneindigheiden de grote leegtevan de kosmosen over de "materie en beweging" van de ondermaansewereld. 3.

De geschriftenvan Aristoteles waren nu ook 'ovoervoor natuurfilosofen" geworden.Van wezenlijk belang was (en is) het onderwerp van de verandering, waarvan Aristoteles vier soorten had onderscheiden.Zo hadden in de 14' eeuw sommige natuurFrlosofen,zoals Buridanus en Ockham (Occamb Razor) en de wiskundigen van het Merton College in Oxford wat betreft de "verandering van plaats" m.b.t. de mechanica belangrjke uitspraken gedaan over: de aard van de beweging (snelheid, versnelling), de beschrijving van de bewegingen van een punfinassa(kinematica) en de oorzaken van de bewegingenvan vaste lichamen (dynamica). Bovendien wist de theoloog en natuurfilosoof Oresmeomstreeks1350 in Parijs óók een meetkundig bewijs te geven van de eenparíg versneldebeweging langs de extensielijn van de tijd, natuurlijk in de vonn van een hypotheseom de lnquisitie te ontlopen. 4. Uit andere windstreken kwamen, naast de nieuw verkregen informatie, zelfs nieuwe producten naar Europa vanwege de befaamde ontdekkingsreizen,o.a. enerzijds van de Venetiaansekoopman Marco Polo (1271-1295) naar het Verre Oostenen anderzijdsvan de GenuesezeevaarderColumbus (1451-1506)in Spaansedienst naar het gebied in het Westen dat naderhand de Nieuwe Wereld werd genoemd - overigens komt het onderwerp van de financíering van deze activiteiten pas later ($9) voor het eerst aan de orde.

Maar intussen was in de Renaissance-periodeen geheel andere wind opgestoken- een wind van religieus verzet in de boezemvan de rooms-katholiekeKerk, o.a. vanwegede inconsístentiesvan de kerkleer en de corrupte praktijken van zowel de simonie (zoals het verhandelen van kerkelijke functies door zowel bisschoppen als verrnogendevorsten of leenmannen)als die van heï pelagisnisme (zoals de uitgifte van aflaatbrieven:de "zondige meÍls" werd in staat gesteld om tegen betaling, opgevat als het verrichten van "goede werken", gedurendeenige tijd na zijn dood, middels zijn zíel, zich door het vagewur te laten louteren om daarmeezijn kans op de toelating

tot het eeuwige leven te vergroten). Op deze wijze kon de Kerk over meer financiële middelen beschikken: (een ceteris paribus "witt/wino'- opzet?), waaffnee in de samenleving gaandewegmeer "pracht en praal" aan de onderdanige bevolking kon worden vertoond maar vooral meer economischeen politieke macht kon worden gekocht. Aldus werd in de Renaissance-tijdgaandewegook het geestelijkklimaat geschapenwaarin, in het begin van de l6' eeuw, Maarten Luther (1483-1546) de voorïnan werd van het protestants-christelijkverzet tegen het klerikale machtsmisbruik van de Kerk. Overigens was reeds eerder in West-Europa georganiseerdverzet ontstaan door de ambachtsgildentegen het misbruik van macht door de kooplieden in het seculierehandelsverkeer. 5. Al ver vóór de ontdekkingsreizenbuiten Europa bestondhandelsverkeertussenWest-Europaen NO-Europa, dat (in het spoor van de Vikingen) in de 12' eeuw was ontwikkeld en werd beheerstdoor de Honzekooplieden,die vanwege de grote transportrisico's maar ook om monopolistische onderhandelingsmachtte kunnen uitoefenen, in groepsverbandreisden.Een anderehandelsstroomwas o.a. via de jaarmarkÍen van Troyesin de 13' eeuw op gang gekomen tussen de Noord-Italische stadstatenen Vlaanderen; de gangmakers waren de twee grote interregionale handelsrivalenGenuaen Venetië.

Genua dreef als eerste[taliaansestadstaatsinds 1277 handel op Vlaanderen,met als vermoedelijk gevolg dat ter financiering van het wederzijdse goederenverkeerook de eerstegouden munten in Genua werden geslagen,en níet in de bloeiendenijverheidsstadFlorence.Op de jaarmarktenwerden de wederzijds ontstanevorderingentussende kooplieden (die dus ook als bankiers handelden) contant en later, noodzakelijk geworden, met schuldbewijzen verrekend, die later promessenwerden genoemd (als de voorloper van het papieren bankgeld), maar in Venetië door de girobanken al eerder in de vorÍn van cedole werden gebruikt. Een dergelijk gesloten promessen-circuit is een vroeg voorbeeld van een kredieUgoederen-kringloopin een economie (zoals in Amsterdam in de 17" eeuw). De grondslagvan dezebetalingstechniekwas een voÍïn van boekhoudendie aan het einde van de 13'eeuw door de bankiers van de Medici in Florencewas ingevoerd (en veel later als de methodiek van het dubbelboekhouden was uitgewerkÍ door de Venetiaansewiskundige Luca Pacioli in 1494). 6. De stadstaatVenetië was sinds 1297 een republiek met een eigen handelspolitiek.Al in de 14" eeuw bediende de Staat zich van "mercantilistische" pral<tijken om de concuÍrentie te dwarsbomen; één ervan was het zgn. systeem van de handelsgaleien(galere da mercato).

De bouw van deze schepenwerd door de Staat georganiseerd en voorgefinancierd; vervolgens werden de galeien aan consortia van kooplieden verhuurd zodat de vervoerskosten werden verlaagd.Om de transportrisico'ste dekken werd gewoonlijk in een konvooi gevaren.Bovendien bestond toen al een systeem van scheepvaartverzekeringenmaar ook begon de Staat, in de plaats van belastingheffïng, vastrentende leningen aan te trekken - los gemaakt van de klinkende munt was het geld fiduciair geworden,d.w.z. men moest voortaanin de opgedruktewaardevan het schuldpapiervertrouwenhebben. Het voorbeeld van de ondernemingsdrangvan Venetië werd in de 15' eeuw nagevolgd: allereerst door de Porfugesekoning Johan I, die niet alleen ontdekkingsreizenorganiseerdemaar ook en passant een aantal eilanden zoals Madeira koloniseerde en vervolgens in deze zaken door diens jongere zoon Hendrik "de Zeevaarder" (13941460) werd nagevolgd, die de lange afstand-economieuitbreidde om op West-Afrika handel te kunnen drijven maar daar zich ook richtte op de slwenhandel om de profdtelijk geworden plantagesvan de bemachtigde koloniën te kunnen voorzíen van de benodigde arbeidskrachten(: "energiedragers") - met de lange afstand-handelvan de Portugezenbegon, in West-Europageëvolueerduit het handelskapitalismeeen begin van de eerste fase van het mercantilisme. $8.

De Reformatiez de coëvolutie van religie en natuurtllosotie In de coëvolutie van het handelsverkeermet het veranderendegeestelijk leven ontstondende sociale veranderingen in de habitatssneller en kwam, achterafzo genoemd,de Reformatie[ca.1500- ca.1650] in beweging. (i). In de veranderingvan het geestelijk klimaat als de context van het maatschappelijk"denken en doen" werd pionierswerk verricht door Desiderius Erasmus (ca.1467-1536)die, oorspronkelijk opgevoed in de geest van de moderne devotie van Geert Groote (1340-1384), o.a. aan de Sorbonnehad gestudeerden tijdens zijn studie daar onder de indruk was geraakt van het christelijk humanisme.Later bekend om zijn geleerdheiden om zijn kennis geraadpleegddoor vorsten en bisschoppen, wist hij in het "Europa van toen" een correspondentie-netwerkop te zetten waarin hij contacten legde met renaissance-humanistischevoortrekkers, zoals de Engelse Oxford-theoloog John Colet (1467-1519),die hem had geïnspireerdom de eersteKerkvaderszoals Origenesen Hiëronymus in het Grieks te lezen en de Zwitserse uitgever Johann Froben van Basel (ca.1460-ca.1527),die voor Erasmus de uitgever was van o.a.

het Nietme Testament(1516), dat uit het Grieks parallel in het Latijn was vertaald - de publicatie, die Luther zelf later in het Duitse vertaaldeen eryan dankbaargebruik maakte.Overigenshad Erasmus naderhand in het geloof zich gedistantieerd van Luther, omdat hij, bernvloed door Origenes, een voorvechter van de vrije wil was geworden (tenwijl Luther, in navolging van Augustinus, ervan een tegenstanderwas gebleven), maar ook doordat hijzelf in de praktijk van de religie de argwaan van de Kerk had gewekt (App.2).

(ii). Infussen was in Zwitserland een andere voÍrn van protestantisme in opkomst, waarvan de verschillen gekenmerktwerden zowel door de persoon Zwngli (1484-1531)als prediker, als door diens standplaatsen habitat Ziirich. Terwijl zijn tijdgenoot Luther in Saksen als gewezen monnik en nu voorÍnnstaand theoloog zijn theoretisch werk deed en weinig van de wereld had gezien, was Zwingli na zijn opleiding gedurende tien jaar werkzaam geweest als pauselijk aalmoezenier in het Zwitserse leger van huursoldaten dat interregionaal moest optreden en daarbij niet zachtzinnig te keer ging. Inmiddels had ook in anderestedenhet protestantismevoet aan de grond gekregen,zoals in 1529 in Basel, waar Oecolampadius(1482-1531) met zijn kennis van het Grieks en Hebreeuws in l5l5 en 1516 Erasmus had bijgestaan in diens vertaalarbeid voor de herziening van het Nieuwe Testament, en in het onaflrankelijke Straatsburg,waaÍ eveneenshet christelijk humanisme invloed had gekregen en Martin Bucer (1491-1551) een brug trachtte te slaan fussen een "nieuw Rome" en een "nieuw Jeruzalem".

Een andere latere illustere protestantse voorganger was JohannesCalvijn (1509-1564), geboren in het Franse Picardië, die met de introductie van aangepastegeloofsbeginselen(canon) en een nieuw-gestructureerdegeloofsgemeenschap(ecclesia) n de Kerk zelfs een alternatievereligie gaf aan het christendom,inclusief een hernieuwd geloof in "de" predestinatie.Maar tenslotte ontstond een resolute reactie van rooms-katholieke zijde, in de voÍrn van de Contrareformatie. ln 1540 werd dejezui:etenordedoor de paus erkend, ter verdediging van het "algemeen" geloof. (iii). Het toenemendeprotestantseverzet tegen de orthodoxie van de rooms-katholiekeKerk ging, vermoedelijk niet toevallig, in de fweede helft van de l6'eeuw gepaardmet een verschuiving van de economischemacht vanuit het Heilige Roomse Rijk (waarin, dankzij de bemachtiging van grote hoeveelhedenedelmetaal in Amerika, het religieuze Spanje tot omstreeks 1600 in militair opzicht het sterkste land "ter wereld" was geweest) naar de protestantsegebieden in het Noordwesten van Europa,waar het geestelijkeklimaat aanhet denkereen voor het verrichten van zelfstandig natuurwetenschappelijkonderzoek meer vrijheid bood, maar vooral ook doordat de Italiaanse gilden relatief hoge loonkosten doorberekenden in de prijzen en in de Nederlanden en Engeland de afzetmarkten zich onfwikkelden voor de goedkopere producten.

In Antwerpen was bijvoorbeeld een sterke groei ontstaan in de textielnijverheid en in de productie van kleden. Wezenlijk voor de economische,culturele en religieuze ontwikkeling van de Zuidelijke Nederlandenzou echter de vestiging van de drukkerijen en uitgeverijen in deze stad worden. Met de komst (1555) vanChristopher Plantijn werd van de havenstadAntwerpen,als een prominent gewordencentrum van de toenmalige"wereldhandel",eenste meer haar internationaleallure bevestigd. ln het kader van de bestaandenatuurfïlosofie werd het verzet tegen de aristotelische leer van de vier elementen van de kosmos voortgezetdoor de volgelingen van de Zwitserse Paracelsus(1493-1541) die de Scheppingals een "chemischeonWouwing van de natuur" opvatten en door anderebeoefenaarsvan de alchemie (zoals de Belgische chemisch-geneeskundige Van Helmont (1579-1644).Maar ook elders in de geneeskundevond weerleggingplaats, zoals door de anatoom Vesaliusvan Brussel(1514-1564)en door l4rilliamHarvey (1578-1657)die ontdekt had dat het bloed door het gehele lichaam circuleert Toch ontstonden ook nieuwe inzichten wat betreft de methodiek van de natuurfïlosofie ("het nieuwe leren")o enerzijds in de voïïn van utopieën èf zelfs van een plan van aanpak, zoals het stichtende werk van Francis Bacon (The Great Instauration) voor het institutionaliseren van het natuurkundig onderzoek en het onderwijs (het negotium)

omwille van het staatsbelangen van het christelijk algemeen nut, en anderzijdsmet de komst van de onderling concurrerendemechanistischefilosofieën van Descartesen Gassendi. (iv). RenéDescartes(1596-1650)wordt wel beschouwdals de grondleggervan de mechanistischenatuurfïlosofie. Hij besloot, in tegenstellingtot de oplossing van Thomas van Aquino ruim 350 jaar vóór hem, een metalsica te ontwerpen die, met de "Regels voor het richten ven de geesf' als grondslag, het ontwikkelen van toetsbare hypothesen in de natuurwetenschapmogelijk maakt. Daarbij maakte hij de wezenlijke veronderstelling dat de materiële verschijnselendie in wiskundige termen worden beschrevenniet noodzakelijk conesponderenmet de verschijnselen die men zintuiglijk gewaarwordt. Want Descarteswas, tegenover de opvatting van Francis Bacon dat het "nieuwe leren" slechtsop grond van experimentenen langs de weg van de methodologischeweg van de inductie wordt verkregen, ervan overtuigd geraakt dat de zintuiglijke gewiulrwordingen misleidend kunnen zijn en dat de zekerhedenm.b.t. de fosieke werkelijkheid alleen met behulp van de zgn. Universele Wiskunde op grond van de infuitie en het redeneren (langs de weg van de deductie), konden worden verkregen ("cogito ergo sum".

Een hulpmiddel daarbij was zijn concept van een ruimtelijk coórdinatensysteem, dat zijn naam draagt en naderhand een grondslag vormde van de analytische meetkunde - met de mathematisering van de natuurwetenschap is door Descartesde grondslag gelegd van de zgn. WetenschappelijkeRevolutie tn Europa. (v). Pierre Gassendi (1592-1655) is in de geschiedenisvan de natuunvetenschapminder bekend geworden dan Descartesen Galilei. Toch is voor de ontrvikkeling van de scheikundeen de natuurkundezijn deeltjesopvattingvan de complexe ffsieke werkelijkheid van wezenlijke betekenisgebleken. De acceptatievan zijn denkbeeldenvond allereerst plaats in Engeland, waar in de eindfase van de later begonnen Engelse renaissance-tijddoor de natuuronderzoekersenerzijds de aristotelische filosofie en anderzijds de natural magic en de alchemie beoefend

L0

werd, mÍur waar ook sommigen van hen, onder invloed gekomen van de publicaties van Galilei, Descartesen Bacon, open kwamen te staan voor een andere mechanistische filosofie, terwijl intussen het primaat van het experimenteren, het onderkennen en ondernemen (het negotium) de weg had vrijgemaakÍ voor het begin van de Industriële Revolutie, waarvan de stoommachine letterlijk de aandrijver werd. De mogelijkheid van een andere nieuwe natuurf,rlosofiediende zich evenwel voor hem aan toen in 1643 Torricelli als eersteerin slaagdeom het bestaan van een vacuíim aan te tonen. Dit werd voor Gassendi het aangrijpingspunt van zijn atomistische wereldbeeld,dat hij ontleendeaan de geschriftenvan de Hellenistischefilosoof Epicarus en de Romeinsedichter Lucretius, die op hun beurt hun inspiratie hadden ontleend aan de atoomhypothesevan de praesocratische natuurfilosofen Leucippus en Democritus (5" eeuw vC), die echter eerst door Plato (en veel later door de roomskatholieke Kerk) als "goddeloos" was verworpen. (vi). Aldus werd tegenoverhet tanendevertrouwen van natuuronderzoekersin de juistheid van de aristotelische natuurfilosofie zowel door de paracelsianenals door de volgelingen van Galilei een concuÍrentiestrijdgevoerd om "het nieuwe leren" in een nieuwe. wetenschap te verankeren waarin nafuurverschijnselenkonden worden verklaard.

De laatsten,de "mechanisten", richtten zich vooral op de beweging van de materie (verandering van plaats) in de afzonderlijke natuurverschijnselen,terwijl de alchemisten zich concenffeerdenop de veranderingen van de sffuctuur van de materie.De lerse natuuronderzoekerRobert Boyle (1627-1691)zou in de tweede helft van de 17' eeuw de beide soorten verandering dieper gaand onderzoeken en de term "mechanical philosophy" introduceren,waarin de natuurverschijnselenworden herleid tot het concept: "elementaire materie & beweging" (als de "two catholic principles"), terwijl na hem in de 18'eeuw op het terrein van de chemie (Black, Priestly, Cavendish en Lavoisier) en, in de l8'en 19Éeeuw, in de ontluikende vakgebieden van de geologie (Cuvier, Hutton, Lyell) en de biologie (Linnaeus, Lamarck, Darwin, Wallace),alle vier soortenveranderingvan Aristoteles werden onderzocht, en de natuurlijke processengeleidelijk ook in de lange termijn konden worden begrepen- er kwam een coëvolutie op gang van de variëteiten van een nieuwe natuurfilosofie, waarin zich gaandewegeen contrast aftekende tussen het mechanistisch scheikundig denken (of in een latere fase: de wetenschappelijke discipline van de chemie) en het mechanistischnatuurkundigdenken(of naderhand:de discipline van de ffsica). (vii). Intussenhad het christendomvan Calvijn zich sterk ontwikkeld in het westelijk deel van de "Lage landen".

In de tweede helft van de 16 eeuw vonden tenminste twee met elkaar verbonden opmerkelijke gebeurtenissen plaats, in termen van machtspolitieken verzet (actie en reactie) te weeg gebrachtdoor het oppennachtigeSpanje en het ogenschijnlijk nietige Genua, die het lot van de bevolking van "de Nederlanden" fundamenteelzouden veranderen. Ten eerste was in de Nederlanden (een winganest van de Spaansekoning Philips II) in 1566 om vooral religieuze maar ook sociaal-economische redeneneen opstanduitgebroken,waarin de heiligenbeeldenin kloosters en kerken werden verwoest ("de beeldenstorm"),en die naderhando.a. vanwege de aangekondigdeinvoering van de tíendepenning-belasting(10% omzetbelasting)tot de 'tachtig jaar durende" bewijdingsoorlog leidde (15681648). Ten tweede was in 1576 in Antwerpen de zgn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Schiermonnikoog&id=a3078d6b-b0cd-44bb-af30-d72c58c3bdaf