Bijlage Rapport Inzicht in armoede 2025
Tekst van het document
Huishoudens met een inkomen onder de armoedegrens en relatief lage vaste lasten tellen niet meer mee als arme huishoudens. Van moeilijk te vermijden extra uitgaven voor zorg bovenop de basispremie en het eigen risico, zoals eigen bijdragen aan medicijnen of extra kosten voor vervoer door ziekte, zijn nog onvoldoende gegevens beschikbaar. Datzelfde geldt voor gegevens over aflossingen van problematische schulden en kosten voor kinderopvang en woon-werkverkeer. Voor dit soort kosten en alle andere uitgaven worden daarom standaardbedragen voor het desbetreffende type huishouden gebruikt, de zogenoemde minimumvoorbeeldbegrotingen. Het Nibud heeft de juistheid van deze bedragen voor 35 verschillende typen huishoudens opnieuw getoetst en vastgesteld. Tot slot wordt nu ook rekening gehouden met het vermogen: als een huishouden een inkomen onder de armoedegrens heeft, maar wel voldoende reserves om minimaal een jaar van te leven, wordt dit huishouden niet als arm meegeteld. Het gaat om het direct besteedbare vermogen, dus de nettowaarde van een eventuele eigen woning en pensioentegoeden worden hierin niet meegerekend. Omvang van armoede volgens nieuwe meetmethode Volgens de nieuwe meetmethode leefden in 2023 540.000 Nederlanders (3,1%) in armoede, waaronder 115.000 minderjarige kinderen (3,6%). Dit is minder dan met de oude meetmethoden.
Zo bedroeg volgens de voorlopige cijfers het aantal personen dat deel uitmaakt van een huishouden met een inkomen tot 101% van het sociaal minimum in 2023 774.000 (4,6%), waaronder 147.200 kinderen 14 Zie: CBS, Nieuwe meetmethode CBS, SCP en Nibud brengt armoede scherper in beeld, 17 oktober 2024.
november 2025, versie 1.3
- 18 -
Inzicht in armoede 2025 (4,6%). Naast die 540.000 inwoners in armoede is er echter een nog grotere groep die het niet veel beter heeft. In totaal maken 1,2 miljoen Nederlanders deel uit van een huishouden dat maximaal 25% meer te besteden heeft dan de huishoudens die met de nieuwe methode als arm worden aangemerkt. Dat de armoede volgens de nieuwe meetmethode lager is, is een aanwijzing dat het een deel van de minima ondanks alles toch lukt om te bezuinigen op hun vaste lasten en/of wat vermogen op te bouwen om op terug te kunnen vallen. Hoewel de omvang van de armoede dus kleiner is volgens de nieuwe meetmethode, is de trend hetzelfde: volgens alle meetmethoden daalde de armoede in Nederland in de afgelopen jaren, althans tot en met 2022 (zie ook paragraaf 3.2.1). Deze daling is toe te schrijven aan de dalende werkloosheid, loonstijgingen, coronasteunmaatregelen, energiemaatregelen en maatregelen die de koopkracht verbeterden, waaronder de verhoging van het minimumloon. Verder is het aantal armen volgens deze meetmethode weliswaar gedaald, maar het aantal werkende armen neemt toe. Bovendien komen werkende armen volgens CBS, Nibud en SCP gemiddeld meer inkomen te kort dan mensen met een bijstandsuitkering: in 2023 was dit tekort gemiddeld 23% voor werkende armen en 6% voor bijstandontvangers.
Voor een groeiend deel van de werkenden is betaald werk dus geen garantie tegen armoede. Dit hangt samen met de voortschrijdende flexibilisering van de arbeidsmarkt, waardoor het aantal zelfstandigen zonder personeel, deeltijdwerkers en oproepkrachten toeneemt. Zij lopen relatief veel risico op armoede (zie ook paragraaf 3.2.3). Figuur 3.1 Aandeel inwoners in armoede volgens nieuwe meetmethode 2022 en 2023 6% 5,3%
5,2%
5% 4,3% 4%
3,4%
3,1%
3,3%
4,2%
3,2%
3% 2% 1% 0% Nederland
Maassluis
Vlaardingen 2022
Schiedam
2023
Figuur 3.1 geeft weer welk aandeel van de inwoners van Nederland en de drie gemeenten in armoede leeft volgens de nieuwe meetmethode. Het gaat dus om personen die deel uitmaken van een huishouden met een combinatie van een laag inkomen en/of hoge vaste lasten èn onvoldoende reserves, waardoor er te weinig overblijft om rond te komen. In de grafiek is te zien dat het aandeel inwoners dat in armoede leeft in Maassluis ongeveer gelijk is aan dat in Nederland, terwijl het in Vlaardingen en vooral in Schiedam beduidend hoger is. Bij benadering zou het in 2023 gaan om 1.100 Maassluizers, 3.000 Vlaardingers en 4.000 Schiedammers. Verder is te zien dat het aandeel arme inwoners in alle drie de gemeenten is afgenomen van 2022 op 2023, maar in minder sterke mate dan gemiddeld in Nederland.
november 2025, versie 1.3
- 19 -
Inzicht in armoede 2025 Op basis van de nieuwe meetmethode is de armoedegrens in 2023 gemiddeld: • • • •
€ 1.510 netto per maand voor een alleenstaande (bij een huur van € 590 en energielasten van € 145); € 2.535 netto per maand voor een paar met twee kinderen tot en met 12 jaar; € 2.910 netto per maand voor een tweeoudergezin met twee puberkinderen; € 2.500 netto per maand voor een eenoudergezin met twee pubers.
Als het huishouden een vermogen heeft dat hoger is dan de armoedegrens op jaarbasis, dan is er geen sprake van armoede. Voor een alleenstaande lag dat bedrag in 2023 op € 18.145, voor een stel met twee jonge kinderen was dat € 30.405. De nieuwe meetmethode levert ook een andere top-20 op van Nederlandse gemeenten wat betreft het aandeel inwoners dat in armoede leeft. Figuur 3.2 laat de top-20 zien volgens het wettelijk sociaal minimum (wsm) en volgens de nieuwe meetmethode. In totaal zijn 15 gemeenten in beide lijsten te vinden, waaronder Vlaardingen en Schiedam. Maassluis bevindt zich volgens beide criteria dicht bij het Nederlands gemiddelde. Met de nieuwe meetmethode verdwijnen Nijmegen, Vlissingen, Almelo, Zandvoort en Harlingen uit de top-20 om plaats te maken voor Vlieland, Schiermonnikoog, Diemen, Pekela en Utrecht.
Figuur 3.2 Top-20 van gemeenten met hoogste aandeel armoede, inclusief positie Maassluis aandeel personen in huishoudens met aandeel personen in armoede volgens positie inkomen tot 101% wsm, 2023* nieuwe meetmethode, 2023** 1 Rotterdam 9,7% Amsterdam 6,6% 2 Amsterdam 9,2% Vaals 6,4% 3 Den Haag 8,5% Rotterdam 6,2% 4 Heerlen 8,2% Den Haag 6,1% 5 Groningen 7,7% Vlieland 6,0% 6 Arnhem 7,4% Schiermonnikoog 5,5% 7 Vaals 7,3% Groningen 5,3% 8 Enschede 7,1% Schiedam 5,2% 9 Kerkrade 6,9% Heerlen 4,7% 10 Maastricht 6,9% Arnhem 4,6% 11 Nijmegen 6,7% Kerkrade 4,6% 12 Leeuwarden 6,5% Diemen 4,5% 13 Vlissingen 6,2% Maastricht 4,5% 14 Almelo 6,1% Delft 4,3% 15 Delft 6,1% Leeuwarden 4,3% 16 Schiedam 6,1% Enschede 4,3% 17 Vlaardingen 6,0% Pekela 4,2% 18 Zandvoort 5,9% Vlaardingen 4,2% 19 Eindhoven 5,8% Utrecht 4,1% 20 Harlingen 5,8% Eindhoven 4,1% … 47 Maassluis 4,8% … 53 Maassluis 3,2% *Voorlopige cijfers; voor heel Nederland bedraagt dit aandeel 4,6%. **Voor heel Nederland bedraagt dit 3,1%.
Maassluis en Vlaardingen komen met de nieuwe meetmethode lager op de ranglijst dan met het sociaal minimum: Maassluis daalt zes plaatsen en Vlaardingen één plaats. Schiedam stijgt juist acht november 2025, versie 1.3
- 20 -
Inzicht in armoede 2025 plaatsen en komt daarmee in de landelijke armoedetop-10. Schiedamse huishoudens met een laag inkomen hebben dan ook relatief vaak een laag vermogen en/of hoge vaste lasten. Zoals blijkt uit paragraaf 3.2.2, is het doorsnee vermogen van huishoudens in alle drie de gemeenten lager dan in Nederland, maar vooral in Schiedam en Vlaardingen. In het bijzonder hebben veel Schiedamse huishoudens die in een huurwoning wonen – en dat zijn er relatief veel: zo’n 51% – een zeer laag vermogen. Verder heeft een deel van de Schiedamse huishoudens te maken met een hoge huur, omdat in Schiedam een relatief groot deel van de huurwoningen in particuliere handen is. Tot slot zijn ook de energiekosten er relatief hoog, zoals in de volgende paragraaf wordt toegelicht. Energiearmoede De laatste jaren zijn de energiekosten een steeds groter deel gaan uitmaken van de vaste lasten van huishoudens. Er is zelfs sprake van ‘energiearmoede’: sommige huishoudens hebben moeite met het betalen van de energierekening, raken in de financiële problemen door de hoge energieprijzen of leven in een onvoldoende verwarmde woning. Huishoudens met een laag inkomen worden hierdoor onevenredig hard geraakt, omdat zij relatief vaak in slecht geïsoleerde huizen wonen.
Bovendien zijn huurders (en ook woningbezitters met onvoldoende budget) niet in de gelegenheid om hun woning ingrijpend te verduurzamen. Figuur 3.3 Aandeel huishoudens met laag inkomen en òf hoge energierekening òf woning met lage energetische kwaliteit *Cijfers over 2024 zijn voorlopig 14% 12% 10%
11,7% 9,5% 9,1%
8%
8,9%
8,8%
7,4%
7,5%
6,3%
6%
5,7%
9,0% 7,2% 6,3% 4,3% 3,6%
4%
7,5% 6,2%
5,2% 4,7%
2% 0% 2019
2020
2021
2022
Nederland
Maassluis
Vlaardingen
2023
2024*
Schiedam
In samenwerking met het CBS heeft TNO energiearmoede in Nederland in kaart gebracht naar aard, omvang en regionale spreiding. Om een indicatie te geven van de energiearmoede, toont figuur 3.3 het aandeel huishoudens met een laag inkomen en òf een hoge energierekening òf een woning met een lage energetische kwaliteit. 15 In de grafiek is te zien dat het aandeel energiearme huishoudens in Vlaardingen tot en met 2023 rond het Nederlands gemiddelde lag, in Maassluis iets daarboven en in Schiedam ruim daarboven. Verder is te zien dat dit aandeel de afgelopen jaren in alle drie de gemeenten en ook in heel Nederland een dalende trend vertoonde, maar sinds 2023 weer stijgt. Van 15 Zie: TNO, Energiearmoedekaart Nederland. Definities:
• • •
Laag inkomen = gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen niet hoger dan 130% van de lage inkomensgrens (zie ook bijlage 2 van deze Armoedemonitor). Hoge energierekening = hoger dan gemiddelde energierekening van woning met energielabel C (basisjaar 2019). Lage energetische kwaliteit = woning met een verwacht energieverbruik hoger dan het gemiddelde verwachte energieverbruik voor woningen met energielabel C (basisjaar 2019).
november 2025, versie 1.3
- 21 -
Inzicht in armoede 2025 2022 op 2023 steeg het in Maassluis van 4,3% naar 5,2%, in Vlaardingen van 3,6% naar 4,7% en in Schiedam van 6,3% naar 7,2%. Bij benadering gaat het in 2023 om 800 Maassluise huishoudens, 1.600 Vlaardingse huishoudens en 2.600 Schiedamse huishoudens. Volgens de voorlopige cijfers zet de stijging zich in alle drie de gemeenten voort in 2024. Daarbij valt op dat de toename in Vlaardingen bovengemiddeld sterk is. Dat het aandeel energiearme huishoudens in Vlaardingen lange tijd rond het Nederlands gemiddelde lag, terwijl het aandeel huishoudens met een laag inkomen er relatief hoog is, komt vooral door de relatief hoge energetische kwaliteit van de Vlaardingse woningen. Uit de energielabels blijkt namelijk dat de energiezuinigheid van Vlaardingse woningen dicht bij het Nederlandse gemiddelde ligt, terwijl de Maassluise woningen in het algemeen iets minder energiezuinig zijn en de Schiedamse woningen nog minder energiezuinig. Schiedam telt dan ook in verhouding zeer veel vooroorlogse en 19e-eeuwse woningen. 16 De toename van het aandeel energiearme huishoudens in de drie gemeenten komt echter niet alleen door de stijgende energieprijzen, maar ook doordat het aandeel huishoudens met een laag inkomen is gestegen (zie paragraaf 3.2.1). Overigens verschilt ook de eigendom van de woningen.
In alle drie de gemeenten lag het aandeel koopwoningen in 2024 onder het Nederlands gemiddelde (57%), maar in Vlaardingen (47%) en Schiedam (49%) was het lager dan in Maassluis (55%). Het aandeel corporatiewoningen was in Maassluis 39%, in Vlaardingen 41% en in Schiedam 31%, tegenover 28% gemiddeld in Nederland. Het aandeel particuliere huurwoningen was in Maassluis 6%, in Vlaardingen 12% en in Schiedam 20%, tegenover 14% gemiddeld in Nederland. In Maassluis en Vlaardingen ligt het aandeel sociale huurwoningen dus ruim boven het Nederlands gemiddelde en het aandeel particuliere huurwoningen ruim daaronder. In Schiedam is het aandeel sociale huurwoningen slechts iets hoger dan het landelijk gemiddelde, terwijl het aandeel particuliere huurwoningen er in verhouding zeer groot is. Tot nu toe zijn de cijfers volgens de nieuwe meetmethode voor armoede niet beschikbaar op een lager aggregatieniveau dan de gemeente, en dan nog uitsluitend over de jaren 2022 en 2023. Om toch een beeld te schetsen van de ontwikkeling van de armoede door de jaren heen en van de omvang van de armoede in de wijken en buurten, wordt in de volgende paragraaf gebruik gemaakt van inkomensstatistieken, zoals die ook in voorgaande edities van de Armoedemonitor zijn gepresenteerd.
16 Zie ook: Kenniscentrum, Woononderzoek MVS 2022, januari 2023.
november 2025, versie 1.3
- 22 -
Inzicht in armoede 2025
3.2 Inkomens, vermogens en schulden Gemiddeld inkomen Het gemiddelde inkomen geeft een eerste indruk van de welvaart in een gemeente. Figuur 3.4 laat de ontwikkeling zien van het gemiddeld besteedbaar huishoudensinkomen in Nederland en de drie gemeenten. De provincie Zuid-Holland is weggelaten, omdat de curve daarvan vrijwel samenvalt met die van heel Nederland. De cijfers zijn afkomstig van het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek van het CBS. Studentenhuishoudens zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. Het jaar 2022 is het recentste jaar waarover definitieve gegevens beschikbaar zijn. De cijfers over 2023 zijn voorlopig. Figuur 3.4 Ontwikkeling gemiddeld besteedbaar huishoudensinkomen (x 1.000) *Cijfers over 2023 zijn voorlopig € 60 € 55 € 50 € 45 € 40 € 35 € 30 € 25 € 20 2012
2013
2014
2015
Nederland
2016
2017
Maassluis
2018
2019
Vlaardingen
2020
2021
2022
2023*
Schiedam
Het gemiddeld besteedbaar huishoudensinkomen ligt in Maassluis net onder het Nederlands gemiddelde en in Vlaardingen en Schiedam wat verder daaronder. Tussen Vlaardingen en Schiedam is er nauwelijks verschil in dit opzicht. Verder is te zien dat dit inkomen in alle drie de gemeenten is gestegen in 2022, ongeveer in dezelfde mate als in heel Nederland. Volgens de voorlopige cijfers is de toename in 2023 in Vlaardingen en Schiedam in lijn met de landelijke toename en in Maassluis iets sterker. Dit hangt waarschijnlijk samen met de vele nieuwbouw in Maassluis, waarin relatief vaak huishoudens komen te wonen die net wat meer te besteden hebben (zie voetnoot in paragraaf 3.2.3). Inkomensverdeling Het gemiddelde inkomen zegt echter nog niet zo veel over de armoede. De verdeling van het inkomen is minstens even belangrijk. Daarom laat figuur 3.5 de inkomensverdeling zien in verschillende gebieden. Om tot deze verdeling te komen, zijn alle Nederlandse huishoudens ingedeeld in vijf even grote groepen op basis van hun besteedbare inkomen. In de eerste 20%-groep zitten de huishoudens met de laagste inkomens en in de vijfde 20%-groep de huishoudens met de hoogste inkomens. Het CBS ziet de eerste en tweede 20%-groep samen als de lage inkomens, de derde en vierde 20%-groep samen als de middeninkomens en de vijfde 20%-groep als de hoge inkomens.
Studentenhuishoudens zijn hierin niet meegeteld. Het besteedbaar jaarinkomen dat in 2022 bij deze inkomensgroepen hoorde is: • eerste 20%-groep: inkomens tot € 25.000; • tweede 20%-groep: inkomens van € 25.000 tot € 35.900; • derde 20%-groep: inkomens van € 35.900 tot € 51.100; • vierde 20%-groep: inkomens van € 51.100 tot € 71.900; • vijfde 20%-groep: inkomens van meer dan € 71.900.
november 2025, versie 1.3
- 23 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 3.5 Inkomensverdeling particuliere huishoudens o.b.v. besteedbaar inkomen 2022 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
15,7%
15,5%
14,4%
18,6%
18,8%
15,1%
21,0%
21,4%
22,7%
22,2%
16,7%
22,0%
22,1%
29,5%
Maassluis
Vlaardingen
Schiedam
Rotterdam
20,0%
20,3%
19,0%
20,0%
19,0%
21,2%
20,0%
19,5%
20,0%
19,9%
20,0%
21,3%
Nederland
Zuid-Holland
1e 20%-groep
22,1% 21,0%
2e 20%-groep
3e 20%-groep
18,5% 22,5%
4e 20%-groep
5e 20%-groep
In de grafiek is te zien dat de provincie Zuid-Holland in verhouding veel huishoudens telt met een heel laag inkomen (eerste 20%-groep) en ook net iets meer met een hoog inkomen (vijfde 20%-groep). In onze provincie is er dus een relatief grote spreiding in inkomens. In Maassluis zijn zowel de lage- als de hoge-inkomensgroep in verhouding kleiner dan in heel Nederland; Maassluis telt relatief veel huishoudens met een middeninkomen. In Vlaardingen en Schiedam is juist de lage-inkomensgroep relatief groot, terwijl de middeninkomensgroep redelijk vergelijkbaar is met die van heel Nederland (wel met het zwaartepunt bij de lagere middeninkomens) en de hoge-inkomensgroep een stuk kleiner. In Rotterdam is het aandeel lage inkomens echter nog veel groter, zoals in de laatste kolom is te zien: maar liefst 52% van de huishoudens heeft daar een laag inkomen.
3.2.1 Huishoudens met een laag inkomen Laag inkomen Om een wat beter beeld te krijgen van de armoede in de drie gemeenten laat figuur 3.6 het aandeel huishoudens zien met een laag inkomen, in dit geval een inkomen tot 110% van het sociaal minimum (zie bijlage 2 voor een beschrijving van het sociaal minimum en andere inkomensbegrippen). Figuur 3.6 Aandeel huishoudens met inkomen tot 110% wsm *Cijfers over 2023 zijn voorlopig
16% 14% 12%
11,5%
10%
9,5%
11,3%
9,1%
8% 6% 4% 2012
2013
2014
Nederland
november 2025, versie 1.3
2015
2016
Zuid-Holland
2017
2018 Maassluis
2019
2020 Vlaardingen
2021
2022
2023*
Schiedam
- 24 -
Inzicht in armoede 2025 Het aandeel huishoudens met een besteedbaar inkomen tot 110% van het sociaal minimum is de afgelopen jaren in alle drie de gemeenten afgenomen: in Maassluis sinds 2014 (maar wel met kleine toenames in 2016 en 2020), in Vlaardingen sinds 2017 en in Schiedam sinds 2016. De daling was in Maassluis en Vlaardingen in lijn met de landelijke afname, maar in Schiedam was deze sterker (sterker zelfs dan het landelijk gemiddelde). Hierdoor was het aandeel huishoudens met een laag inkomen in 2022 voor het eerst in lange tijd in Schiedam kleiner dan in Vlaardingen. De oorzaak van de sterkere afname in Schiedam is vermoedelijk de oververhitte woningmarkt in combinatie met de gunstige ligging ten opzichte van Rotterdam. Hierdoor zijn de laatste jaren relatief veel jonge hoogopgeleiden in Schiedam komen wonen, die zich in het geval van een ruimere woningmarkt in Rotterdam zouden hebben gevestigd. Van 2021 op 2022 is het aandeel huishoudens met een besteedbaar inkomen tot 110% van het sociaal minimum in Maassluis afgenomen van 9,2% naar 9,1%, in Vlaardingen gelijk gebleven op 11,5% en in Schiedam afgenomen van 11,9% naar 11,3%. Volgens de voorlopige cijfers over 2023 is het aandeel huishoudens met een laag inkomen echter in alle drie de gemeenten en ook in Nederland weer toegenomen.
Bij benadering gaat het in 2023 om 1.400 Maassluise huishoudens, 4.000 Vlaardingse huishoudens en 4.200 Schiedamse huishoudens (zie ook figuur 3.14 aan het einde van deze paragraaf). De toename is een gevolg van de huidige economische recessie. Langdurig laag inkomen Een ruime meerderheid van de huishoudens met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum in onze regio, zo’n 62%, leeft al minstens 4 jaar op rij van een dergelijk laag inkomen. Dit is relevant, want hoe langer de armoede duurt, des te lastiger het is om er weer uit te raken. Figuur 3.7 laat de ontwikkeling zien van het aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen. Figuur 3.7 Aandeel huishoudens met minimaal 4 jaar inkomen tot 110% wsm *Cijfers over 2023 zijn voorlopig 9% 8% 7,1%
7%
7,0%
6%
5,8% 5,6%
5% 4% 3% 2014
2015
2016
Nederland
2017 Zuid-Holland
2018
2019 Maassluis
2020
2021
Vlaardingen
2022
2023*
Schiedam
Dit aandeel is de afgelopen jaren in alle drie de gemeenten afgenomen: in Maassluis en Vlaardingen sinds 2021 en in Schiedam sinds 2019. Ook deze afname is in Schiedam sterker dan in Vlaardingen en Maassluis en bovendien sterker dan het Nederlands gemiddelde. Hierdoor is in 2022 ook het aandeel huishoudens dat langdurig leeft van een laag inkomen in Schiedam onder het niveau van dat van Vlaardingen gedoken. Van 2021 op 2022 daalde het in Maassluis van 5,7% naar 5,6%, in Vlaardingen stabiliseerde het op 7,1% en in Schiedam daalde het van 7,4% naar 7,0%. Volgens de voorlopige cijfers hield de afname nog een klein beetje aan in 2023: in alle drie de gemeenten daalde dit aandeel met nog eens 0,1%-punt. Het gaat in 2023 om ongeveer 800 Maassluise huishoudens, 2.200 Vlaardingse huishoudens en 2.300 Schiedamse huishoudens (zie ook figuur 3.14 aan het einde van deze paragraaf).
november 2025, versie 1.3
- 25 -
Inzicht in armoede 2025 Dit bedrag hoort bij 110% van het sociaal minimum Met ingang van 1 juli 2025 is 110% van het wettelijk sociaal minimum gelijk aan een netto maandinkomen exclusief vakantietoeslag van afgerond: • € 1.431 voor een alleenstaande van 21 jaar tot de pensioenleeftijd; • € 2.044 voor een paar van 21 jaar tot de pensioenleeftijd; • € 1.599 voor een gepensioneerde alleenstaande; • € 2.189 voor een gepensioneerd paar. Andere inkomensgrenzen Om een nog completer beeld te geven van de omvang en de ernst van de armoede in de drie gemeenten, laat figuur 3.8 de aandelen huishoudens zien bij verschillende inkomensgrenzen. Figuur 3.8 Aandelen lage inkomens naar inkomensgrens 2022 (besteedbaar huishoudensinkomen, aandeel van sociaal minimum) 25% 3,0%
20%
2,3%
2,3% 15%
2,4%
2,4%
2,4% 10%
2,7%
2,4%
2,6%
2,5% 3,2%
2,6% 2,7%
2,7%
3,2%
2,9%
2,6%
2,9%
2,8%
3,9%
3,6%
7,6%
7,7%
Vlaardingen
Schiedam
2,4%
3,3%
3,0%
3,1%
5% 6,3%
7,4%
Nederland
Zuid-Holland
6,0%
0%
≤101%
101%-110%
110%-120%
Maassluis 120%-130%
130%-140%
140%-150%
Uit de grafiek blijkt dat de omvang van de armoede in Maassluis dicht bij het Nederlands gemiddelde ligt, maar dat de ernst net iets minder is: het aandeel met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum is iets kleiner dan gemiddeld in Nederland, terwijl het aandeel met een inkomen tussen de 120% en 150% van het sociaal minimum iets groter is. In Vlaardingen en Schiedam is zowel de omvang als de ernst van de armoede bovengemiddeld groot. Daarbij valt op dat het aandeel met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum net iets groter is in Schiedam, terwijl het aandeel met een inkomen tussen de 110% en 150% in Vlaardingen groter is. Verder is het verschil in armoede tussen Vlaardingen en Schiedam nu groter dan in de vorige Armoedemonitor (waarin inkomensgegevens over 2020 zijn gebruikt). De verschillen in armoede tussen de drie gemeenten zijn vooral te verklaren uit het opleidingsniveau van de bevolking. In 2023 was het aandeel inwoners van 15 tot 75 jaar met alleen basisonderwijs, vmbo of mbo 1 in Maassluis 30,8%, in Vlaardingen 32,3% en Schiedam 32,4%, tegenover 26,3% voor Nederland. Het aandeel inwoners met hbo of wo was in Maassluis 27,5%, in Vlaardingen 23,4% en in Schiedam 25,7%, tegenover 32,5% voor heel Nederland. Verder leven jongeren vaker in armoede dan ouderen (zie paragraaf 3.4.4).
Maassluis en Vlaardingen tellen in verhouding wat meer kinderen en vooral meer ouderen dan Schiedam; Schiedam telt relatief veel jonge volwassenen. In 2024 was het aandeel 65-plussers in Maassluis 23,0%, in Vlaardingen 20,8% en in Schiedam 17,5%, tegenover 20,5% voor heel Nederland. november 2025, versie 1.3
- 26 -
Inzicht in armoede 2025 Armoede onder kinderen Minderjarige kinderen leven in alle drie de gemeenten veel vaker in armoede dan gemiddeld in Nederland en ook veel vaker dan volwassen in de MVS-regio, blijkt uit de figuren 3.9 tot en met 3.11. Figuur 3.9 Aandeel personen in huishoudens met inkomen tot 110% wsm Maassluis *Cijfers over 2023 zijn voorlopig 18% 16% 14%
12,5% 11,8%
11,9%
12%
11,5%
11,1% 10,5%
10,3%
10,0%
10% 8%
9,9% 8,9%
8,8%
8,4%
8,5%
8,2%
7,8%
6%
7,4%
7,9%
7,3%
7,0%
7,4%
4% 2% 0% 2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
Nederland alle personen
Nederland kinderen
Maassluis alle personen
Maassluis kinderen
2022
2023*
Figuur 3.10 Aandeel personen in huishoudens met inkomen tot 110% wsm Vlaardingen *Cijfers over 2023 zijn voorlopig 18% 16%
15,1%
15,3%
14,5%
14,4% 13,2%
14%
12,7%
12,9% 11,9%
11,9%
11,9%
9,0%
9,0%
9,2%
2021
2022
2023*
12% 10%
10,7%
10,5%
10,7%
10,3%
8%
9,7%
9,5%
9,6%
2018
2019
2020
6% 4% 2% 0% 2014
2015
november 2025, versie 1.3
2016
2017
Nederland alle personen
Nederland kinderen
Vlaardingen alle personen
Vlaardingen kinderen
- 27 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 3.11 Aandeel personen in huishoudens met inkomen tot 110% wsm Schiedam *Cijfers over 2023 zijn voorlopig 18%
15,9%
16%
15,6%
15,5% 14,4% 13,3%
14%
13,1% 11,7%
12% 10%
12,0%
11,9%
11,8%
11,1% 9,7%
11,3%
10,7%
8%
10,2%
9,5%
9,3%
8,6%
10,4%
9,0%
6% 4% 2% 0%
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
Nederland alle personen
Nederland kinderen
Schiedam alle personen
Schiedam kinderen
2022
2023*
In de grafieken is te zien dat het verschil in armoede tussen minderjarige kinderen en personen van alle leeftijden in Nederland klein is, terwijl het in alle drie de gemeenten een stuk groter is. Dit komt doordat in onze regio juist huishoudens met een laag inkomen vaak en/of veel kinderen hebben. Verder is te zien dat het aandeel kinderen dat deel uitmaakt van zo’n huishouden de laatste jaren in alle drie de gemeenten een dalende trend vertoonde (in Maassluis en Vlaardingen afgewisseld met een lichte stijging in 2016 en 2020). Daarbij valt op dat de afname in Schiedam sterker was dan in Maassluis en Vlaardingen. Tot enkele jaren geleden had van de drie gemeenten Schiedam het grootste aandeel kinderen in armoede, maar sinds 2020 geldt dit voor Vlaardingen. Van 2021 op 2022 daalde dit aandeel in Maassluis van 10,3% naar 8,9%, in Vlaardingen stabiliseerde het op 11,9% en in Schiedam daalde het van 11,1% naar 9,7%. Volgens de voorlopige cijfers is het aandeel kinderen in armoede in 2023 in Vlaardingen gelijk gebleven, terwijl het in Maassluis en Schiedam juist is gestegen. Het gaat in 2023 om ongeveer 700 Maassluise kinderen, 1.600 Vlaardingse kinderen en 1.500 Schiedamse kinderen (zie ook figuur 3.14 aan het einde van deze paragraaf). Dat in onze regio relatief veel kinderen in armoede leven is zorgelijk, omdat armoede kinderen kan belemmeren in hun ontwikkeling.
17 Kinderen die in armoede opgroeien hebben een grotere kans om later als volwassene in armoede te leven dan kinderen die niet in armoede opgroeien. Uit onderzoek van het CBS blijkt dat kinderen die in 1995 in een gezin met een laag inkomen woonden, 25 jaar later in een eigen huishouden een armoederisico hadden van 9,6%. In totaal maakte bijna 5,5% van de inwoners van Nederland in 2020 en 2021 deel uit van een huishouden met een laag inkomen. Voor wie in armoede is opgegroeid is de kans om als volwassene in armoede te leven dus ongeveer twee keer zo groot als voor wie niet in armoede is opgegroeid. Aan de andere kant blijkt uit deze cijfers ook dat zo’n 9 van de 10 volwassenen die in armoede zijn opgegroeid de armoede zijn ontstegen. 18
17 De
afwezigheid van hulpbronnen (zoals onderwijsniveau, arbeidsparticipatie, welvaart, gezinsstabiliteit en mentale gezondheid van de ouders) kan een risico betekenen voor de ontwikkeling van kinderen, vooral in de eerste 1.000 dagen van het leven en zeker als er meerdere hulpbronnen tegelijkertijd ontbreken. Met name kinderen uit bijstandsgezinnen worden hierdoor geraakt: onder kinderen die in 2006 in Nederland zijn geboren en die opgroeien in een gezin met een bijstandsuitkering is bij 9% sprake van een opeenstapeling van vier risicofactoren. Bij kinderen in een gezin zonder bijstand is dat bij 0,2% het geval (bron: CBS, Vooral kinderen uit bijstandsgezinnen geen kansrijke start, 21 maart 2023 en CBS, Kansrijke start: de eerste 1000 dagen van een kind, 1 juni 2023). 18 CBS, Meeste mensen ontstijgen armoederisico van hun ouders, 16 maart 2023.
november 2025, versie 1.3
- 28 -
Inzicht in armoede 2025 Economische zelfstandigheid van mannen en vrouwen Vrouwen zijn minder vaak economisch zelfstandig dan mannen. Daardoor lopen zij een groter risico op armoede. Overigens wordt het verschil tussen vrouwen en mannen wat dit betreft al jaren steeds iets kleiner. Economisch zelfstandig betekent in dit geval dat het persoonlijke inkomen ten minste bijstandsniveau bedraagt. Figuur 3.12 laat zien dat in 2022 het aandeel economisch zelfstandige mannen in Maassluis iets boven het Nederlands gemiddelde lag, in Vlaardingen iets daaronder en in Schiedam nog iets verder daaronder. Het aandeel economisch zelfstandige vrouwen lag in alle drie de gemeenten iets onder het landelijke en het provinciale gemiddelde. Figuur 3.12 Economisch zelfstandigen naar geslacht 2022 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
83,1%
83,9%
82,5%
81,6%
80,8%
69,1%
68,3%
67,8%
66,6%
66,4%
Nederland
Zuid-Holland
Maassluis
Vlaardingen
Schiedam
man
vrouw
Loonkloof wordt steeds kleiner Het gemiddelde uurloon van vrouwen was in 2024 10,5% lager dan dat van mannen. In 2010 was dit verschil nog 19%. De laatste jaren lopen vrouwen het loonverschil sneller in. In 2024 verdienden mannen gemiddeld € 30,32 per uur, vrouwen € 27,15. In 2024 was het gemiddelde bruto jaarloon (inclusief bijzondere beloningen) van vrouwelijke werknemers 32% lager dan dat van mannelijke werknemers. Twee derde van dit loonverschil komt doordat vrouwen minder uren werken. Mannen werken vaker in een voltijdbaan (63%) dan vrouwen (23%). Dat het verschil in lonen steeds kleiner wordt, is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan het steeds hogere opleidingsniveau van vrouwen. De uurlonen van jonge mannen en vrouwen verschillen dan ook weinig van elkaar. Vrouwen tussen 25 en 30 jaar verdienen per uur zelfs iets meer dan mannen van dezelfde leeftijd. Bij dertigers verdienen vrouwen gemiddeld iets minder dan mannen en dat verschil loopt op tot 18% bij 55- tot 60-jarigen. Bij mannen is het gemiddelde uurloon het hoogst voor werknemers van 50 tot 60 jaar, bij vrouwen ligt de top bij 40- tot 50-jarigen. In het onderwijs liep het loonverschil het meest terug: van 16% in 2010 naar 1% in 2024.
Voor het eerst is er nu ook een grote bedrijfstak waar de uurlonen van mannen en vrouwen vrijwel gelijk zijn: in het openbaar bestuur verdienen mannen gemiddeld per uur nog 1 cent meer dan vrouwen. Bron: CBS, Loonverschil tussen mannen en vrouwen steeds kleiner, 29 april 2025
november 2025, versie 1.3
- 29 -
Inzicht in armoede 2025 Kerncijfers van huishoudens met een laag inkomen De figuren 3.13 en 3.14 laten de kerncijfers zien van huishoudens met een laag inkomen. Figuur 3.13 toont de definitieve cijfers over 2022 en figuur 3.14 de voorlopige cijfers over 2023. 19 Figuur 3.13 Kerncijfers huishoudens met besteedbaar inkomen tot 110% van sociaal minimum 2022 Arme huishoudens Arme huish. (%) Langd. arme hh Langd. arme hh (%) Arme personen Arme personen (%) Arme kinderen Arme kinderen (%)
Maassluis 1.400 9,1% 800 5,6% 2.300 7,0% 600 8,9%
Vlaardingen 3.900 11,5% 2.200 7,1% 6.400 9,0% 1.600 11,9%
Schiedam 4.100 11,3% 2.300 7,0% 6.500 8,6% 1.300 9,7%
MVS 9.300 11,0% 5.800 6,8% 15.200 8,5% 3.480 10,4%
Z-Holland 175.700 10,7% 101.900 6,7% 277.000 7,8% 58.500 8,4%
Nederland 732.000 9,5% 415.700 5,8% 1.122.200 6,7% 218.100 6,9%
Figuur 3.14 Kerncijfers huishoudens met besteedbaar inkomen tot 110% van sociaal minimum 2023* Arme huishoudens Arme huish. (%) Langd. arme hh Langd. arme hh (%) Arme personen Arme personen (%) Arme kinderen Arme kinderen (%)
Maassluis 1.400 9,4% 800 5,5% 2.500 7,4% 700 9,9%
Vlaardingen 4.000 11,7% 2.200 7,0% 6.600 9,2% 1.600 11,9%
Schiedam 4.200 11,7% 2.300 6,9% 6.900 9,0% 1.500 10,4%
MVS 9.700 11,3% 5.800 6,7% 16.000 8,8% 3.700 10,9%
Z-Holland 182.100 11,0% 101.400 6,7% 287.200 8,0% 60.700 8,7%
Nederland 755.800 9,7% 413.000 5,7% 1.163.900 6,9% 230.300 7,3%
* Voorlopige cijfers
19 ‘Arm’ wil zeggen dat het huishoudensinkomen ten hoogste 110% van het sociaal minimum bedraagt. ‘Personen’ zijn
personen van alle leeftijden, inclusief kinderen. ‘Kinderen’ zijn minderjarigen, dus personen jonger dan 18 jaar.
november 2025, versie 1.3
- 30 -
Inzicht in armoede 2025
3.2.2 Vermogens en probleemschulden Vermogens Huishoudens met een laag inkomen zijn extra kwetsbaar voor financiële problemen als zij weinig of geen vermogen hebben. Het vermogen is het saldo van alle financiële bezittingen en schulden. Bezittingen zijn onder meer bank- en spaartegoeden, effecten, een eigen woning, overig onroerend goed en ondernemingsvermogen. Schulden omvatten onder meer schulden ten behoeve van de financiering van een eigen woning en consumptief krediet. Pensioentegoeden worden niet meegeteld, omdat deze niet direct opneembaar zijn. Figuur 3.15 Doorsnee vermogen particuliere huishoudens 2022 (x 1.000) € 160 € 135,3
€ 140 € 120
€ 105,2
€ 100,4
€ 100 € 80 € 56,7
€ 55,5
Vlaardingen
Schiedam
€ 60 € 40 € 20 €0 Nederland
Zuid-Holland
Maassluis
Figuur 3.15 toont het doorsnee huishoudensvermogen in Nederland, Zuid-Holland en de drie gemeenten. In alle drie de gemeenten ligt het doorsnee vermogen onder dat voor heel Nederland, maar in Vlaardingen en Schiedam is het aanzienlijk lager dan in Maassluis. De onderlinge verschillen tussen huishoudens zijn echter groot. Om daarvan een beeld te geven, laat figuur 3.16 de doorsnee vermogens zien van huishoudens in een eigen woning en huishoudens in een huurwoning. Tot slot laat figuur 3.16 het doorsnee vermogen zien van huishoudens in verschillende inkomensgroepen. Hiervoor zijn alle huishoudens in Nederland naar gelang het besteedbaar inkomen ingedeeld in vijf even grote groepen. De eerste 20%-groep bevat de 20% huishoudens met de laagste inkomens in Nederland en de vijfde 20%-groep de 20% huishoudens met de hoogste inkomens. Figuur 3.16 Doorsnee huishoudensvermogen naar inkomensgroep 2022 Nederland Zuid-Holland Maassluis Vlaardingen Schiedam
1e 20%-groep -€ 1.500 -€ 1.500 -€ 900 -€ 800 -€ 1.100
2e 20%-groep € 12.500 € 12.400 € 12.800 € 12.300 € 11.500
3e 20%-groep € 135.300 € 136.800 € 133.180 € 126.000 € 138.400
4e 20%-groep € 311.400 € 310.200 € 308.000 € 303.380 € 299.100
5e 20%-groep € 672.900 € 680.700 € 605.300 € 603.100 € 622.900
Uit deze tabel blijkt allereerst dat de verschillen in vermogen veel groter zijn dan de verschillen in inkomen, zoals die blijken uit de toelichting bij figuur 3.4 in paragraaf 3.2. Verder valt op dat de eerste 20%-groep (huishoudens met een besteedbaar jaarinkomen tot € 25.000) in alle vijf de getoonde gebieden een negatief doorsnee vermogen heeft. Met andere woorden: het doorsnee huishouden in de laagste-inkomensgroep heeft meer schulden dan bezittingen.
november 2025, versie 1.3
- 31 -
Inzicht in armoede 2025 Probleemschulden Van 2018 tot 2021 vertoonde het aandeel huishoudens met geregistreerde problematische schulden een licht dalende trend, zowel in heel Nederland als in de drie gemeenten. Die trend is vooral toe te schrijven aan de over het algemeen gunstige economische ontwikkelingen in die jaren en ook aan steunmaatregelen in het kader van de coronapandemie en de energiecrisis. Sinds 2021 stijgt het aandeel huishoudens met probleemschulden echter weer, zoals in figuur 3.17 te zien is. De hoge inflatie, in het bijzonder voor energie en huisvesting, is zeer waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak hiervan (zie ook paragraaf 2.1). Figuur 3.17 Aandeel huishoudens met probleemschulden 18% 16% 14%
13,9%
13,5%
11,9%
12%
11,0%
10%
8,8%
9,2%
7,7%
2021
8% 6%
15,7%
15,0%
13,2%
12,7% 9,9%
10,2%
8,1%
8,8%
8,9%
2022
2023
2024
4% 2% 0%
Nederland
Maassluis
Vlaardingen
Schiedam
In de grafiek is te zien dat het aandeel huishoudens met probleemschulden in alle drie de gemeenten boven het landelijk gemiddelde ligt, vooral in Vlaardingen en Schiedam. In 2024 betrof het 1.640 Maassluise huishoudens, 4.780 Vlaardingse huishoudens en 6.110 Schiedamse huishoudens. Bijna nergens in Nederland is het schuldenprobleem groter dan in Schiedam; alleen in Rotterdam heeft een nog groter deel van de huishoudens probleemschulden, namelijk 16,5%. Het CBS combineert data uit inmiddels 14 verschillende schuldenregistraties om dit aandeel te bepalen. Er zijn echter geen gegevens beschikbaar over onderhandse leningen, dat wil zeggen leningen bij familie, vrienden of kennissen. Het schuldenprobleem kan in werkelijkheid dus nog groter zijn. Omdat het CBS de meetmethode heeft gewijzigd, gaan de cijfers in deze grafiek niet verder terug dan het jaar 2021. 20 20 In de huidige definitie is er sprake van geregistreerde problematische schulden als aan een of meer van de volgende
voorwaarden is voldaan: 1. Als ten minste één persoon in het huishouden een belastingschuld heeft die in de afgelopen 12 maanden oninbaar is geleden. 2. Als ten minste één persoon in het huishouden ten minste 15 maanden een overige belastingaanslag heeft openstaan én het totale schuldbedrag ten minste € 50 is. 3. Als ten minste één persoon in het huishouden ten minste 27 maanden een toeslagbedrag heeft openstaan én het totale schuldbedrag ten minste € 50 is. 4. Als ten minste één persoon in het huishouden een betalingsachterstand bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) heeft van minimaal 3 maanden én het schuldbedrag (het totaal bedrag van de niet betaalde termijnen) minimaal € 270 bedraagt. 5. Als ten minste één persoon in het huishouden een betalingsachterstand voor een door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) uitgekeerde uitkering heeft die ten minste 36 maanden openstaat, en waarbij de initiële schuld meer dan € 2.400 bedroeg. 6. Als ten minste één persoon in het huishouden een betalingsachterstand voor een door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) uitgekeerde uitkering heeft die ten minste 36 maanden openstaat, én waarbij uitgaande van de bijstandsnorm de persoon niet in staat is om dat bedrag in de komende 36 maanden af te lossen.
november 2025, versie 1.3
- 32 -
Inzicht in armoede 2025 Knelpunten in de schuldenketen in beeld gebracht In 2024 is een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) gepubliceerd naar de knelpunten en de verbetermogelijkheden in de schuldenketen. In dit kader worden de uitkomsten samengevat. In 2023 telde Nederland ongeveer 730.000 huishoudens met problematische schulden, oftewel 8,8% van alle huishoudens. De maatschappelijke kosten van de schuldenproblematiek worden geschat op tenminste 8,5 miljard euro per jaar, ofwel bijna 1% van het bruto binnenlands product (bbp). Het overgrote deel van deze kosten wordt niet door de verschillende partijen in de schuldenketen opgebracht, maar afgewenteld op de samenleving. Naast de directe kosten die de verschillende partijen in de schuldenketen maken, gaat het ook om indirecte kosten: problematische schulden gaan vaak gepaard met langdurige stress, wat weer kan leiden tot verzuim, productiviteitsverlies en extra zorgkosten. Die 8,5 miljard euro is dus een conservatieve schatting (‘stevige onderschatting’) van het welvaartsverlies. De onderzoeker stelt dat het overheidsbeleid ten aanzien van de gehele keten tot nu toe onvoldoende effectief is om de hoge maatschappelijke kosten van problematische schulden te beteugelen. De belangrijkste knelpunten in de schuldenketen zijn volgens dit onderzoek: • Gebrek aan samenhang is een overkoepelend probleem.
De manier waarop het stelsel is ingericht zorgt ervoor dat elke partij prikkels heeft om vooral haar eigen rol in de keten te spelen. • De schuldenketen is complex en kent veel onderlinge afhankelijkheden, wat de schuldenproblematiek vergroot. • Om het ontstaan van problematische schulden te verminderen, moeten zowel de onderliggende oorzaken als de kanalen waarlangs schulden ontstaan worden aangepakt. Onvoldoende inkomen, gewijzigde levensomstandigheden, (structurele) overbesteding, verslavingen, de huidige consumptiemaatschappij waarin mensen verleid worden tot (impuls)aankopen en complexe wet- en regelgeving kunnen allemaal een rol spelen.
7. 8.
9.
10.
11. 12. 13. 14.
Om dit te berekenen wordt 5% van de bijstandsnorm voor het betreffende verslagjaar vermenigvuldigd met 36 (maanden). Hierbij wordt de bijstandsnorm van een alleenstaande tussen de 21 jaar en de AOW-leeftijd gehanteerd. Indien de vordering al 36 maanden openstaat en het totale openstaande bedrag hoger is dan het vermenigvuldigde bedrag wordt dit gezien als een probleemschuld. Als ten minste één persoon in het huishouden een bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) geregistreerde betalingsachterstand heeft. Als ten minste één persoon in het huishouden een betalingsachterstand voor de eigen bijdrage voor de Wet langdurige zorg (Wlz) of Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) heeft die ten minste 36 maanden openstaat, én waarbij uitgaande van de bijstandsnorm de persoon niet in staat is om het bedrag in de komende 36 maanden af te lossen. Om dit te berekenen wordt 5% van de bijstandsnorm voor het betreffende verslagjaar vermenigvuldigd met 36 (maanden). Hierbij wordt de bijstandsnorm van een alleenstaande tussen de 21 jaar en de AOW-leeftijd gehanteerd. Indien de vordering al 36 maanden openstaat en het totale openstaande bedrag hoger is dan het vermenigvuldigde bedrag wordt dit gezien als een probleemschuld.
Als ten minste één persoon in het huishouden een Wet Mulder-boete heeft waarvan de tweede aanmaning ten minste twee maanden openstaat, of zich al in een ernstigere wanbetalersfase bevindt én het totale bedrag van de boetes die zich minimaal in deze fase bevinden boven de € 50 is én een persoon met maximaal 5 kentekens voorkomt in het bestand. Als ten minste één persoon in het huishouden een bijstandsvordering heeft die ten minste 36 maanden openstaat én waarbij uitgaande van de bijstandsnorm de persoon niet in staat is om dat bedrag in de komende 36 maanden af te lossen. Om dit te berekenen wordt 5% van de bijstandsnorm voor het betreffende verslagjaar vermenigvuldigd met 36 (maanden). Hierbij wordt de bijstandsnorm van een alleenstaande tussen de 21 jaar en de AOW-leeftijd gehanteerd. Indien de vordering al 36 maanden openstaat en het totale openstaande bedrag hoger is dan het vermenigvuldigde bedrag wordt dit gezien als een probleemschuld. Als ten minste één persoon in het huishouden in het Centraal curatele- en bewindregister (CCBR) is opgenomen op grond van verkwisting en/of problematische schulden. Als ten minste één persoon in het huishouden een bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) geregistreerde schuldregeling heeft. Als ten minste één persoon in het huishouden ten minste zes maanden de zorgpremie niet betaald heeft.
Als ten minste één persoon in het huishouden een traject in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) volgt.
november 2025, versie 1.3
- 33 -
Inzicht in armoede 2025 •
•
• •
•
• •
Om problematische schulden te voorkomen, is het belangrijk om kritisch te kijken naar de kanalen waarlangs mensen schulden kunnen aangaan. De kredietmarkt in Nederland is weliswaar voor een belangrijk deel gereguleerd, maar dit geldt (nog) niet voor delen van de markt, zoals ‘buy now, pay later’ en kleine kredieten die zich opstapelen en tot hoge schulden kunnen leiden. Naar mate het proces van invordering langer duurt en er meerdere schuldeisers zijn, ontstaat een lose-lose-situatie. Dan zitten schulden mensen in de weg, krijgen de schuldeisers hun vorderingen niet terugbetaald en lopen de kosten voor partijen en de samenleving scherp op. Om meer mensen te helpen bij het oplossen van problematische schulden is het noodzakelijk om het bereik, de kwaliteit en de effectiviteit van de schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsanering te verbeteren. In bredere zin geldt dat er geen mechanisme is dat een praktijk van leren en verbeteren stimuleert én hieraan inhoudelijke standaarden ontleent die algemeen worden toegepast. Een traditie van meer evidence-based werken, zoals in grote delen van de zorgsector gebeurt, is nog onvoldoende van de grond gekomen. Er is geen goed beeld van welke benaderingen en interventies in de schuldhulpverlening bewezen effectief zijn en welke niet. Een ander overkoepelend probleem is het gebrek aan informatie.
Door het ontbreken van een helder en compleet overzicht van hun schulden beschikken mensen niet over het financiële inzicht om verstandige keuzes te maken. Dit terwijl schuldeisers vaak op basis van onvolledige informatie de kredietwaardigheid en betaalcapaciteit moeten bepalen. Incassopartijen hebben ook geen volledig overzicht, waardoor er onvoldoende rekening gehouden kan worden met het bestaansminimum van de debiteur. Ook duurt het oplossen van schulden onnodig lang, doordat huishoudens en hulpverleners veel tijd kwijt zijn aan het maken van een actueel overzicht van de schuldenpositie.
Een substantiële verlaging van het aantal mensen met problematische schulden – en de daarmee gepaard gaande maatschappelijke kosten – kan volgens dit onderzoek alleen worden gerealiseerd als er niet alleen aanpassingen in, maar ook van het bestaande systeem plaatsvinden. Er zijn drie wegen om potentieel omvangrijke baten, oftewel minder maatschappelijke kosten, te realiseren: 1. Voorkomen dat mensen (weer) in problematische schulden terechtkomen; 2. Verlagen van de kostenoploop; 3. Verkorten van de totale doorlooptijd. De zes essentiële aanpassingen in en van het systeem zijn: 1. een integraal overzicht van schulden; 2. één loket voor overheidsincasso; 3. een wettelijke zorgplicht van gerechtsdeurwaarders; 4. met een collectief afbetalingsplan wordt de afloscapaciteit van een debiteur verdeeld over alle schuldeisers naar rato van hun vordering; 5. een traject van leren en verbeteren om de kwaliteit van de schuldhulpverlening te verbeteren; 6. één helder schuldentraject. Naast bovengenoemde hervormingen stelt de onderzoeker ook 14 praktische maatregelen voor die op de kortere termijn een bijdrage kunnen leveren aan het verlagen van problematische schulden. Voor de maatschappij als geheel zijn de kosten van de zes essentiële maatregelen naar verwachting lager dan de baten.
Dit betekent betere uitkomsten voor mensen met problematische schulden en hierdoor zijn we als samenleving beter af, aldus de onderzoeker. Bron: Ernst van Koesveld, ABDTOPConsult, Naar een beter werkende schuldenketen, IBO problematische schulden, in opdracht van Rijksoverheid, 2024
november 2025, versie 1.3
- 34 -
Inzicht in armoede 2025
3.2.3 Kenmerken van huishoudens met een laag inkomen Het aandeel huishoudens met een laag inkomen varieert vooral naar gelang de woonwijk en -buurt, de herkomst van de leden van het huishouden en het type inkomen. Hierna worden deze verschillen in beeld gebracht. In het verlengde van de gegevens over de voornaamste inkomensbron wordt ook ingegaan op het aandeel werkende armen en de ontwikkeling daarin. Verder wordt ingegaan op de ervaren gezondheid en eenzaamheid onder inwoners met een laag inkomen. Laag inkomen per woonwijk en -buurt Figuur 3.18 toont de aandelen huishoudens met een besteedbaar inkomen tot 110% van het sociaal minimum per gemeente en per wijk over 2020 (zoals weergegeven in de vorige Armoedemonitor) en 2022 (het recentste jaar waarover definitieve cijfers beschikbaar zijn). Van de wijk Polderbuitengebied zijn over 2020 geen gegevens beschikbaar, omdat er toen nog een andere wijk- en buurtindeling van kracht was in Schiedam. De wijk- en buurtindelingen van de drie gemeenten zijn te vinden in bijlage 3. Figuur 3.18 Aandeel huishoudens met een besteedbaar inkomen tot 110% wsm per wijk 2020 en 2022 *Van Polderbuitengebied zijn over 2020 geen gegevens beschikbaar 9,1% 9,7%
MAASSLUIS 5,8% 6,2%
Taanschuurpolder
13,4% 14,5%
Dijkpolder Sluispolder
12,1% 13,1%
Kapelpolder
12,1% 12,0% 6,0% 6,5%
Burgemeesterswijk 2,5% 2,2%
Steendijkpolder
1,5%
Wilgenrijk
3,4%
VLAARDINGEN
11,5% 12,0%
Centrum
11,9% 11,8%
Westwijk
14,0% 15,3%
Vettenoordse Polder
14,4% 15,0% 9,2%
Oostwijk
10,4%
2022
9,1% 10,1%
Vlaardinger Ambacht
2020
13,5% 13,8%
Holy-Zuid 9,8% 9,7%
Holy-Noord SCHIEDAM
11,3% 12,1%
Centrum
11,7% 12,3%
12,1% 13,0%
Oost 8,4% 9,0%
West
12,6% 13,8%
Zuid 4,3% 4,5%
Kethel
18,2%
Nieuwland
20,0%
15,5% 15,4%
Groenoord 7,5% 7,5%
Woudhoek 2,0% 2,1%
Spaland/Sveaparken
5,4%
Polderbuitengebied* 0%
november 2025, versie 1.3
5%
10%
15%
20%
25%
- 35 -
Inzicht in armoede 2025 Uit deze grafiek blijkt ten eerste dat de verschillen tussen de wijken het grootst zijn in Schiedam. In die gemeente zijn de wijken vrij homogeen van opzet, met overwegend hetzelfde woningtype uit dezelfde periode. Daardoor lijken de bewoners ook meer op elkaar, bijvoorbeeld wat betreft het inkomen. Dit heeft geleid tot een relatief hoge mate van geografische segregatie, dat wil zeggen dat armere en rijkere inwoners in Schiedam meer gescheiden van elkaar wonen dan in Maassluis en Vlaardingen. In die gemeenten zijn de wijken wat gevarieerder wat betreft woningaanbod en daardoor ook wat betreft de inwoners en hun inkomens. Arme en rijke inwoners ontmoeten elkaar steeds minder In het SCP-onderzoek ‘De leefwerelden van arm en rijk’ is gekeken hoe de leefwerelden van de 20% meest welvarende en de 20% minst welvarende Nederlanders in de leeftijd van 30 tot en met 59 jaar zich tussen 2011 en 2020 hebben ontwikkeld. Hoewel Nederland in vergelijking met andere landen niet erg gesegregeerd is, blijkt uit dit onderzoek dat leefwerelden in tien jaar tijd wel eenzijdiger zijn geworden. Zowel de armste als de rijkste inwoners van Nederland ontmoeten in hun buurt, op het schoolplein, bij familie en op hun werk vooral mensen die net als zij weinig of juist veel welvaart hebben.
Vooral in en rond de Randstad en Eindhoven zijn de leefwerelden van rijke Nederlanders eenzijdig. Arme stedelingen hebben vaker een eenzijdige leefwereld dan arme mensen elders. Tussen 2011 en 2020 zagen arme mensen vooral de welvaart in hun buurt verder afnemen. Verder valt op dat in het oosten van Groningen, in de zuidelijke Randstad en in Zuid-Limburg de leefwereld van inwoners met de laagste welvaart vaak eenzijdig is. Deze toename van gescheiden leefwerelden is reden tot zorg, omdat dit namelijk gepaard gaat met ongelijke kansen en het staat sociale samenhang en begrip tussen mensen in de weg. In het onderwijssysteem en op de woning- en arbeidsmarkt liggen wel kansen om ervoor te zorgen dat arm en rijk elkaar (weer) meer ontmoeten. De hernieuwde aandacht voor het verbeteren van wijken biedt kansen om eenzijdige leefwerelden terug te dringen. Daarnaast kan een nieuwe kijk op hoe we arbeid hebben georganiseerd, ervoor zorgen dat leefwerelden van mensen elkaar raken. Bron: SCP, De leefwerelden van arm en rijk, 5 april 2024
Verder blijkt dat in de meeste wijken het aandeel huishoudens met een laag inkomen is afgenomen van 2020 op 2022, vooral in Wilgenrijk, Dijkpolder (Maassluis), Westwijk, Oostwijk (Vlaardingen), Nieuwland en Zuid (Schiedam). In de meeste van deze wijken was het aandeel huishoudens met een laag inkomen relatief hoog. Dit geldt niet voor Wilgenrijk, maar daar is het totaal aantal huishoudens klein (circa 340 in 2022), waardoor de mutaties uitgedrukt als percentage al gauw groot zijn. Bovendien is deze wijk sterk uitgebreid en de bewoners van nieuwbouwwoningen hebben over het algemeen wat hogere inkomens. 21 Daarnaast zijn er wijken waar het aandeel lage inkomens juist licht is toegenomen. Dit geldt voor Steendijkpolder, Kapelpolder (Maasluis), Centrum, Holy-Noord (Vlaardingen) en Groenoord (Schiedam). Per saldo is het aandeel huishoudens met een laag inkomen echter in alle drie de gemeenten afgenomen, zoals al bleek uit figuur 3.6 in paragraaf 3.2.1. Voor een deel is de sterkere afname van de armoede in sommige wijken toe te schrijven aan sloop en nieuwbouw. In Maassluis vond in de afgelopen twee jaar vooral sloop en nieuwbouw plaats in de wijk Sluispolder (in de buurten Sluispolder Oost, Sluispolder West en Binnenstad).
In Vlaardingen gaat het om Westwijk (Floris de Vijfdelaan), Oostwijk (Zeevaardersbuurt, Vijfsluizen), Holy-Zuid (Vogelbuurt) en Centrum (Indische Buurt, Rivierzone). In Schiedam betreft het vooral de wijk Nieuwland. Daarnaast zijn in Groenoord-Zuid al veel huishoudens verhuisd, vooruitlopend op de sloop die daar gaat plaatsvinden. De armoede is niet in elk van deze wijken afgenomen. Zoals gezegd, geldt dat vooral voor Westwijk,
21 Zie bijvoorbeeld: CBS, Helft nieuwbouw bewoond door huishoudens uit hogere inkomensklassen, 11 november 2022.
november 2025, versie 1.3
- 36 -
Inzicht in armoede 2025 Oostwijk (Vlaardingen) en Nieuwland (Schiedam). Sloop en nieuwbouw vormen dan ook slechts een gedeeltelijke verklaring voor de afname van de armoede in een specifieke wijk. De figuren 3.19 tot en met 3.21 laten de aandelen huishoudens met een laag inkomen per buurt zien. De verschillen op buurtniveau zijn veel groter dan op wijkniveau, met uitschieters tot zo’n 30%. Figuur 3.19 Aandeel huishoudens met inkomen tot 110% wsm per buurt in Maassluis 2022 * Exclusief buurten met minder dan 100 huishoudens Bloemenbuurt Componistenbuurt Kapelpolder Binnenstad Sluispolder West Burgemeesterswijk Vertobuurt Bomendal Sluispolder Oost MAASLUIS Koningshoek Taanschuurpolder Steendijkpolder Noord Het Balkon Vogelbuurt Steendijkpolder Zuid Wilgenrijk
23,4% 19,0% 15,8% 13,7% 13,0% 11,2% 11,2% 11,0% 10,8% 9,1% 8,9% 5,8% 3,0% 2,8% 2,4% 2,2% 1,5%
0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
Figuur 3.20 Aandeel huishoudens met inkomen tot 110% wsm per buurt in Vlaardingen 2022 * Exclusief buurten met minder dan 100 huishoudens
Zuidbuurt
21,1% 20,1%
Vogelbuurt Noord
16,7% 16,3% 16,2% 14,6% 14,3% 13,5% 13,2% 12,4% 12,2% 11,8% 11,5% 10,5% 10,4% 10,1% 9,9% 9,7% 8,9% 8,6% 7,7%
Vogelbuurt Zuid Babberspolder Oost Statenbuurt Centrum VLAARDINGEN Hoevenbuurt Wetering Babberspolder West Loper Zuid 3,9% 3,4% 2,3% 2,2%
Hofbuurt Oranjebuurt 0,4% 0,0%
Park Holy Noord 0%
november 2025, versie 1.3
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
- 37 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 3.21 Aandeel huishoudens met inkomen tot 110% wsm per buurt in Schiedam 2022 * Exclusief buurten met minder dan 100 huishoudens Nolensbuurt De Meesterbuurt Troelstrabuurt Cartonnagebuurt Mozartbuurt Goenoord-Zuid Wibautbuurt Frankenland Boylebuurt Natuurkundigenbuurt Eilandenbuurt Groenoord-Noord Spieringshoek Van Zantenbuurt Sandersbuurt Fabribuurt Binnenstad Staatsliedenbuurt Brandersbuurt Hollandiabuurt Singelkwartier Newtonbuurt Bachplein Kethel-Dorp Marconibuurt SCHIEDAM Walvisbuurt Van Beethovenbuurt Schiehart Toneelspelersbuurt Stadserf Schildersbuurt Ambachtenbuurt Stationsbuurt Noletbuurt Maasboulevard Kastelenbuurt Schrijversbuurt Tuindorp Glasbuurt Wetenschappersbuurt Polderwetering Liduinabuurt Botenbuurt Bijdorp De Plantage Distillateursbuurt Haverschmidtkwartier Vakbondsliedenbuurt De Vlinderhoven De Akkers Sveafors De Velden De Gaarden en Windas Nassaukwartier Oranjekwartier Sveaborg en Sveadal Zwaluwbuurt Sveaholm Harga
30,4% 28,9% 27,0% 25,3% 24,4% 20,4% 18,9% 18,7% 18,6% 18,5% 16,9% 16,3% 16,2% 15,7% 15,7% 15,6% 13,8% 13,3% 13,3% 13,2% 12,9% 12,6% 12,2% 12,2% 11,4% 11,3% 11,1% 9,1% 8,5% 8,4% 7,9% 7,8% 7,7% 7,7% 7,6% 7,5% 7,4% 7,3% 6,6% 6,4% 6,3% 6,0% 5,8% 5,7% 4,7% 4,6% 4,3% 4,1% 3,6% 3,3% 2,8% 2,5% 2,0% 1,7% 1,7% 1,1% 0,8% 0,8% 0,0% 0,0%
0%
november 2025, versie 1.3
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
- 38 -
Inzicht in armoede 2025 Laag inkomen naar herkomst van de hoofdkostwinner Huishoudens van migranten (eerste generatie) hebben bijna drie keer zo vaak een laag inkomen als huishoudens van personen met een Nederlandse achtergrond. Huishoudens van kinderen van migranten (tweede generatie) zitten hier tussenin. Dat is te zien in figuur 3.22. Dat kinderen van migranten economisch succesvoller zijn dan hun ouders, komt doordat de tweede generatie hoger opgeleid en beter geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving dan de eerste. Figuur 3.22 Aandeel huishoudens met inkomen tot 110% wsm per herkomstgroep hoofdkostwinner 2022
migrant
18,5%
kind van migrant(en)
9,9%
5,8%
Nederlands
0% Maassluis
21,4% 22,7% 21,4% 20,1%
11,6% 13,0% 11,2% 11,1%
7,8% 8,1% 7,0% 7,1%
5% Vlaardingen
10% Schiedam
15% Zuid-Holland
20%
25%
Nederland
De verhoudingen verschillen van gemeente tot gemeente. Zo is in Schiedam het aandeel huishoudens met een laag inkomen onder de huishoudens van Nederlandse herkomst het hoogst van de drie gemeenten, terwijl het onder huishouden van migranten en kinderen van migranten juist het laagst is. Een eerste verklaring hiervoor is dat Schiedam een relatief groot aandeel ouderen met een laag inkomen telt, en ouderen zijn relatief vaak van Nederlandse herkomst. Daarnaast speelt het aandeel (kinderen van) migranten onder de totale bevolking mogelijk een rol hierin. Dit is in Schiedam al langere tijd aanmerkelijk groter dan in Maassluis en Vlaardingen. Laag inkomen naar belangrijkste inkomensbron Het is niet verrassend dat het aandeel huishoudens met een laag inkomen ook sterk varieert naar gelang het type inkomen. Dat is te zien in figuur 3.23. Er is vooral een fors verschil tussen huishoudens met een inkomen uit arbeid (als werknemer of zelfstandige) en huishoudens met een zogenoemd overdrachtsinkomen, dat willen zeggen een pensioen of een uitkering. Verder maakt het ook veel uit om welk type overdrachtsinkomen het gaat. Van de huishoudens die leven van bijstand of een uitkering wegens werkloosheid heeft zo’n 80% een laag inkomen. Van de huishoudens die leven van een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid is dit ongeveer een kwart.
Van de huishoudens die leven van een pensioen loopt het uiteen van 1 op de 9 in Maassluis tot 1 op de 6 in Schiedam. Hoewel in alle drie de gemeenten ouderen minder vaak in armoede leven dan jongeren, telt Schiedam in vergelijking met de andere gemeenten een groot aandeel ouderen die alleen AOW hebben en daarnaast geen of slechts een heel klein bedrijfspensioen. Tot slot heeft van de huishoudens die leven van een inkomen uit arbeid slechts zo’n 2% tot 3% een laag inkomen. Dit zijn de zogenoemde werkende armen.
november 2025, versie 1.3
- 39 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 3.23 Aandeel huishoudens met inkomen tot 110% wsm per belangrijkste inkomensbron 2022 79,7% 82,5% 78,7% 81,7% 81,1%
werkloosheid/bijstand
23,8% 26,8% 25,1% 25,1% 23,7%
arbeidsongeschiktheid
10,9% 12,7% 16,7% 14,2% 12,0%
pensioen
1,9% 2,4% 2,6% 2,3% 2,2%
inkomen als werknemer of zelfstandige
0% Maassluis
10%
Vlaardingen
20%
30%
Schiedam
40%
50%
Zuid-Holland
60%
70%
80%
90%
Nederland
Werkende armen Uit de vorige figuur bleek dat betaald werk voor de meeste huishoudens lonend is, want slechts een klein deel van de huishoudens die leven van een inkomen als werknemer of zelfstandige heeft een laag inkomen. Uitgaand van de inkomensgrens van 110% van het sociaal minimum betrof het in 2022 in Maassluis ongeveer 170 huishoudens (1,9% van de huishoudens die leven van betaald werk), in Vlaardingen 490 huishoudens (2,4%) en in Schiedam 620 huishoudens (2,6%). Vooral zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) en flexwerkers (deeltijdwerkers en oproepkrachten) lopen risico op armoede ondanks het verrichten van betaald werk. Het aantal zzp’ers en flexwerkers groeit al enkele decennia. Door de voortschrijdende flexibilisering van de arbeidsmarkt in combinatie met de huidige economische recessie neemt het risico op armoede onder de werkenden toe. Figuur 3.24 toont de ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een laag inkomen onder de huishoudens die leven van betaald werk. Tot ongeveer 2013, het dieptepunt van de kredietcrisis, nam het aantal armen onder de werkenden toe. Vanaf ongeveer 2013 herstelde de Nederlandse economie zich en begon dit aandeel af te nemen. Aan deze daling lijkt een einde te zijn gekomen.
Van 2021 op 2022 is het aandeel armen onder de werkenden in Schiedam nog afgenomen van 2,9% naar 2,6%, maar in Maassluis is het gestabiliseerd op 1,9% en in Vlaardingen is het licht toegenomen van 2,3% naar 2,4%. Volgens de voorlopige cijfers is het in 2023 in alle drie de gemeenten toegenomen en bovendien in sterkere mate dan gemiddeld in Nederland. Bij benadering betrof het in 2023 200 Maassluise huishoudens, 600 Vlaardingse huishoudens en 700 Schiedamse huishoudens.
november 2025, versie 1.3
- 40 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 3.24 Aandeel huishoudens met inkomen tot 110% wsm onder huishoudens die leven van inkomen uit arbeid *Cijfers over 2023 zijn voorlopig 5% 5%
4,3% 3,9%
4% 4%
3,8% 3,6%
3,1% 2,9%
3%
3,1%
2,9%
3% 2%
3,5%
3,8%
2,5%
2,6% 2,9%
2,7%
2,8%
2,2%
2,1%
2,1%
2019
2020
2,6% 2,3%
2,9%
2,3%
2%
2,3%
2,4%
1,9%
1,9%
2021
2022
2,3%
1% 1% 0% 2015
2016
2017 Maassluis
2018 Vlaardingen
Schiedam
2023*
Nederland
Om de persoonlijke levenssfeer van de inwoners te beschermen zijn er geen inkomensgegevens van individuele huishoudens beschikbaar. Om toch een beter beeld te krijgen van waar de meeste werkende armen te vinden zijn, geven de figuren 3.25 tot en met 3.27 per buurt weer welk deel van de huishoudens die leven van betaald werk een laag inkomen heeft. Als deze aandelen worden vergeleken met het aandeel huishoudens met een laag inkomen onder alle huishoudens (zie de figuren 3.19 tot en met 3.21), blijken er opvallende verschillen te zijn. Soms gaat een relatief hoog aandeel lage inkomens samen met een relatief hoog aandeel werkende armen. Dit geldt voor Kapelpolder (Maassluis), Hoofdstedenbuurt, Vogelbuurt Zuid, Vogelbuurt Noord (Vlaardingen), De Meesterbuurt en Troelstrabuurt (Schiedam). Er zijn echter ook buurten waar het aandeel werkende armen vrij dicht bij het stedelijk gemiddelde ligt, terwijl het aandeel lage inkomens relatief hoog is. Dit doet zich voor in Bloemenbuurt, Componistenbuurt (Maassluis), Zuidbuurt (Vlaardingen), Cartonnagebuurt en Mozartbuurt (Schiedam). In deze buurten wonen waarschijnlijk relatief veel gepensioneerden met een laag inkomen en/of personen jonger dan de AOW-leeftijd die leven van een uitkering. Tot slot zijn er buurten waar het aandeel huishoudens met een laag inkomen niet heel hoog is, maar waar wel relatief veel werkende armen wonen.