Bijlage Rapport Inzicht in armoede 2025
Tekst van het document
Inzicht in armoede 2025
Inzicht in armoede 2025 Hoe ontwikkelt de armoede zich? Wat zijn de gevolgen van de recessie? Hoe effectief is het beleid?
november 2025 versie 1.3
november 2025, versie 1.3
E: kenniscentrum@schiedam.nl T: 14010 W: mes.incijfers.nl
-1-
Inzicht in armoede 2025
Inhoud Bestuurssamenvatting ...................................................................................................... 2 1.
Inleiding..................................................................................................................... 5
2.
Context ...................................................................................................................... 7
3.
2.1
Economische ontwikkelingen .................................................................................................. 7
2.2
Bestaansonzekerheid ............................................................................................................. 12
Ontwikkeling van de armoede .................................................................................. 18 3.1
Nieuwe meetmethode voor armoede.................................................................................... 18
3.2 Inkomens, vermogens en schulden ........................................................................................ 23 3.2.1 Huishoudens met een laag inkomen ................................................................................. 24 3.2.2 Vermogens en probleemschulden .................................................................................... 31 3.2.3 Kenmerken van huishoudens met een laag inkomen ....................................................... 35 3.3 Voorzieningengebruik............................................................................................................ 46 3.3.1 Bijstand .............................................................................................................................. 46 3.3.2 Bijzondere bijstand en minimaregelingen ......................................................................... 51 3.3.3 Schuldhulpverlening .......................................................................................................... 55 3.3.4 Kenmerken van huishoudens met armoede- en/of schuldenvoorzieningen .................... 60 3.3.5 Kenmerken van huishoudens met collectieve aanvullende verzekering .......................... 68
4.
Effectiviteit van het armoede- en schuldenbeleid ..................................................... 72 4.1
Beleidsdoelen......................................................................................................................... 72
4.2 Benchmarkresultaten ............................................................................................................ 73 4.2.1 Benchmark Werk & Inkomen ............................................................................................ 73 4.2.2 Monitor Vroegsignalering Schulden .................................................................................. 76 4.3
5.
Effectiviteit............................................................................................................................. 79
Conclusies en aanbevelingen .................................................................................... 85 5.1
Conclusies .............................................................................................................................. 85
5.2
Aanbevelingen ....................................................................................................................... 89
Bijlage 1: Juridische grondslagen ..................................................................................... 90 Bijlage 2: Oorspronkelijke meetmethoden voor armoede ................................................ 91 Bijlage 3: Wijk- en buurtindelingen ................................................................................. 93
november 2025, versie 1.3
-1-
Inzicht in armoede 2025
Bestuurssamenvatting Nadat het enkele jaren bovengemiddeld goed ging, raakte de Nederlandse economie medio 2023 in een recessie. Ondanks de recentelijke groei van het bruto binnenlands product blijven de meeste economische parameters (zoals productie, consumptie, investeringen, werkloosheid) nog altijd achter bij de lange termijn trend. Omdat de inkomensstatistieken ruim twee jaar achterlopen, zijn de gevolgen van deze recessie voor de armoede in Maassluis, Vlaardingen en Schiedam nog niet volledig zichtbaar in de cijfers. Wel is duidelijk dat het op de meeste punten minder goed gaat dan twee jaar geleden.
Jarenlange afname van lage inkomens, kinderen in armoede en werkende armen lijkt ten einde Nu het economisch wat minder gaat, lijkt zowel Nederland als de MVS-regio zich op een omslagpunt te bevinden wat betreft de ontwikkeling van de armoede. In de definitieve inkomensstatistieken over het jaar 2022 is het nog niet goed te zien, maar uit de voorlopige cijfers over 2023 kan – met een kleine slag om de arm – worden geconcludeerd dat na een jarenlange afname het aandeel huishoudens met een laag inkomen is toegenomen. Hetzelfde geldt voor het aandeel kinderen dat in armoede leeft en het aandeel werkende armen. Alleen het aandeel langdurig arme huishoudens is in 2023 nog verder afgenomen. Het aandeel huishoudens met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum (sociaal minimum is bijstandsniveau) nam in de periode 2017-2021 in alle drie de gemeenten af. In Schiedam was de afname het sterkst, sterker nog dan het landelijk gemiddelde. Volgens de voorlopige cijfers is het aandeel huishoudens met een laag inkomen in 2023 echter in alle drie de gemeenten toegenomen. Ook het aandeel kinderen dat deel uitmaakt van een huishouden met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum vertoonde jarenlang een dalende trend. Volgens de voorlopige cijfers is de armoede onder kinderen in 2023 in Vlaardingen gelijk gebleven, maar in Maassluis en Schiedam gestegen.
Bovendien blijkt ook in deze editie van de Armoedemonitor weer dat kinderen relatief vaak in armoede leven, in de MVS-regio nog veel vaker dan gemiddeld in Nederland. Armoede in de eerste levensjaren kan grote gevolgen hebben voor de ontwikkeling van kinderen. De kans dat zij later als volwassene ook in armoede zullen leven is ongeveer twee keer zo groot als die van kinderen die niet in armoede opgroeien, blijkt uit onderzoek van het CBS. Het aandeel werkende armen (huishoudens die leven van betaald werk, maar desondanks een inkomen tot 110% van het sociaal minimum hebben) nam af sinds ongeveer 2013. Volgens de voorlopige cijfers is het aandeel werkende armen in 2023 in alle drie de gemeenten toegenomen en bovendien in sterkere mate dan gemiddeld in Nederland. In de meeste gevallen blijft betaald werk een effectief middel om uit de armoede te komen, maar het vormt steeds minder een echte garantie daartegen. Vooral zelfstandigen zonder personeel, deeltijdwerkers en oproepkrachten lopen een hoog risico op armoede ondanks het verrichten van betaald werk. Alleen de afname van de langdurige armoede (het aandeel huishoudens dat al minstens 4 jaar op rij leeft van een inkomen tot 110% van het sociaal minimum) is nog niet ten einde: volgens de voorlopige cijfers is dit aandeel in 2023 in alle drie de gemeenten afgenomen.
Dit neemt niet weg dat een ruime meerderheid van de arme huishoudens al jaren in armoede leeft. De duur van armoede is relevant, want na verloop van tijd wordt het steeds lastiger om er weer uit te raken. Probleemschulden zijn toegenomen, veel huishoudens hebben weinig reserves Nadat het aandeel huishoudens met geregistreerde problematische schulden in de periode 2018-2020 licht afnam, vertoont het sinds 2021 in alle drie de gemeenten een stijgende trend. De hoge inflatie en de economische recessie zijn vermoedelijk de belangrijkste oorzaken hiervan. Het aandeel probleemschulden ligt in de hele MVS-regio boven het Nederlands gemiddelde, vooral in Schiedam en
november 2025, versie 1.3
-2-
Inzicht in armoede 2025 Vlaardingen. Huishoudens in onze regio hebben in vergelijking met het landelijk gemiddelde ook een laag doorsnee vermogen (dat is het saldo van alle financiële bezittingen en schulden, exclusief pensioentegoeden). Veel huishoudens in onze regio zijn daardoor kwetsbaar voor financiële tegenslagen, met name in Schiedam. Nieuwe meetmethode: Schiedam in landelijke armoedetop-10 In 2024 introduceerden CBS, Nibud en SCP een nieuwe meetmethode voor armoede. Hierbij wordt een huishouden als arm aangemerkt als het een laag inkomen heeft en/of hoge vaste lasten èn weinig vermogen. Met de nieuwe meetmethode valt het armoedepercentage lager uit dan het aandeel huishoudens met een inkomen op of rond het sociaal minimum. Volgens deze methode is de armoede in de MVS-regio heel licht afgenomen van 2022 op 2023. De afname is in alle drie de gemeenten minder sterk dan gemiddeld in Nederland. Bovendien is de op deze wijze gemeten armoede in Schiedam relatief hoog: deze gemeente staat in 2023 op de 8e plaats in de landelijke armoedetop-10. Een toenemend deel van de vaste lasten bestaat uit energiekosten. In sommige huishoudens is dan ook sprake van energiearmoede. Huishoudens met een laag inkomen worden hierdoor onevenredig hard geraakt, omdat juist zij relatief vaak in slecht geïsoleerde huizen wonen.
In de afgelopen jaren vertoonde het aandeel huishoudens met een laag inkomen en òf een hoge energierekening òf een woning met een lage energetische kwaliteit in alle drie de gemeenten een dalende trend. Sinds 2023 stijgt dit aandeel echter in alle drie de gemeenten. Dit komt niet alleen door de gestegen energieprijzen, maar ook doordat het aandeel huishoudens met een laag inkomen toeneemt. Gebruik van armoede- en schuldenvoorzieningen is toegenomen In 2024 is het aantal ontvangers van bijstand en van schulphulpverlening in de MVS-gemeenten toegenomen ten opzichte van 2022, terwijl het aantal ontvangers van bijzondere bijstand en minimaregelingen gelijk is gebleven. Als gevolg hiervan is het aandeel personen dat deel uitmaakt van een huishouden met een of meer armoede- of schuldenvoorzieningen in alle drie de gemeenten gestegen. Omdat de toekenning van de voorzieningen afhankelijk is van het huishoudensinkomen, is het gerechtvaardigd om aan te nemen dat alle leden van deze huishoudens in armoede leven. Gedurende 2024 was de toename van het aantal bijstandsuitkeringen in de MVS-regio sterker dan in vergelijkbare gemeenten en samenwerkingsverbanden. Daar staat tegenover dat de herinstroom na 12 maanden in onze regio gedurende 2024 relatief laag was. De uitstroom is dus relatief duurzaam. Het vinden van betaald werk is wederom de belangrijkste reden voor uitstroom uit de bijstand.
Het aandeel huishoudens met schuldhulp onder de huishoudens met probleemschulden (ofwel het bereik van de schuldhulpverlening) is ten opzichte van 2022 gestegen. Het is nog altijd niet erg groot, maar het accepteren van schuldhulp is dan ook niet verplicht. Vermoedelijk spelen schaamte en gebrek aan inzicht in de eigen financiën een rol in dit lage bereik. De uitval bij schuldhulpverlening (het aandeel huishoudens dat het schuldhulptraject niet afmaakt) vertoonde in de afgelopen jaren een sterk dalende trend, die in 2024 is gestabiliseerd. Hoewel de werkwijze gelijk is, zijn er flinke verschillen tussen de gemeenten wat betreft uitval: in Maassluis en Vlaardingen is de uitval gedaald, maar in Schiedam is ze gestegen. Vermoedelijk is de groei van het bereik van de schuldhulpverlening mede het gevolg van de vroegsignalering van schulden: doordat probleemschulden nu sneller in beeld zijn, krijgen meer huishoudens sneller schuldhulp aangeboden. Het aandeel hulpacceptaties steeg flink in Vlaardingen, maar daalde licht in Schiedam en Maassluis. Relatief veel armoede onder specifieke leeftijdsgroepen, vrouwen en migranten Onder de personen die in armoede leven, en die dus zijn aangewezen op armoede- en schuldenvoorzieningen, zijn relatief veel kinderen, jongeren tot 25 jaar en volwassenen van 50 tot en met 64 jaar.
De toename van het voorzieningengebruik was het sterkst onder twintigers. Ook zijn er onder de voorzieningengebruikers meer vrouwen dan mannen, al was de toename van het voorzieningengebruik onder mannen wel sterker dan onder vrouwen. Verder betreft het relatief vaak migranten en – in mindere mate – kinderen van migranten, in het bijzonder met als herkomst de november 2025, versie 1.3
-3-
Inzicht in armoede 2025 Nederlandse Cariben en Marokko. De toename van het voorzieningengebruik was het sterkst onder (kinderen van) migranten uit Midden- en Oost-Europa en de Nederlandse Cariben. Ervaren gezondheid onder lage inkomens is verslechterd, eenzaamheid is toegenomen in Maassluis Omdat er een verband is tussen armoede enerzijds en een slechte gezondheid en eenzaamheid anderzijds, worden ook deze problemen beschreven in de Armoedemonitor. Zowel in Maassluis als in Schiedam is het aandeel inwoners met een laag inkomen dat de eigen gezondheid als (zeer) goed ervaart afgenomen. Er is duidelijk verschil tussen de inkomensgroepen: hoe hoger het inkomen, des te beter de (ervaren) gezondheid. De eenzaamheid onder inwoners met een laag inkomen is in Maassluis toegenomen en in Schiedam afgenomen. Ook tussen inkomen en eenzaamheid bestaat een sterke samenhang: hoe hoger het inkomen, des te lager de eenzaamheid. Van Vlaardingen zijn hierover geen cijfers beschikbaar. Armoede en bestaansonzekerheid hebben verstrekkende gevolgen De gevolgen van armoede en bestaansonzekerheid zijn vaak verstrekkend. Uit onderzoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en de Commissie Sociaal Minimum blijkt dat inkomensonzekerheid vaak psychologische onzekerheid tot gevolg heeft.
Dat kan leiden tot een laag welbevinden, eenzaamheid, depressiviteit, lichamelijke klachten en slechtere werkprestaties. Bovendien veroorzaken inkomens- en psychologische onzekerheid vaak levensonzekerheid. Dat wil zeggen dat ze belangrijke keuzes in het leven bemoeilijken: uit huis gaan, gaan samenwonen en kinderen krijgen is voor mensen die kampen met bestaansonzekerheid minder vanzelfsprekend, en soms zelfs onmogelijk. Als het gaat om bestaansonzekerheid beïnvloeden inkomen, werk, gezondheid, woonsituatie, opleiding, sociale relaties en zingeving elkaar. Een probleem op een van deze levensterreinen gaat dan ook vaak samen met problemen op andere levensterreinen. Deze problemen zijn deels van persoonlijke aard, maar hebben ook maatschappelijke oorzaken, zoals de flexibilisering van de arbeidsmarkt, de krapte op de woningmarkt, de mate van kansengelijkheid in het onderwijs of de toegankelijkheid van de zorg. Bovendien hebben ze vrijwel altijd maatschappelijke gevolgen, in de vorm van onderbenutting van menselijk kapitaal, hogere zorgkosten, hoge maatschappelijke kosten door probleemschulden, afname van sociale cohesie en gering vertrouwen in de overheid en publieke instellingen.
Kortom: economische recessie vergroot armoede, maar ontwikkeling schuldhulp is vrij positief Het lijkt er dus op dat het aandeel huishoudens met een laag inkomen is toegenomen, evenals het aandeel kinderen dat in armoede leeft en het aandeel werkende armen. Ook het aandeel huishoudens met probleemschulden en het aandeel huishoudens dat leeft in energiearmoede zijn toegenomen. Het is lastig om op basis van deze ontwikkelingen uitspraken te doen over de effectiviteit van het armoedeen schuldenbeleid, want de toename van de armoede is vooral toe te schrijven aan de huidige economische recessie. De conjunctuur fluctueert sterker dan de gezamenlijke inspanningen van de drie gemeenten en Stroomopwaarts om armoede en probleemschulden te bestrijden. Hierdoor gaat het algauw slechter met de armoede, zodra het economisch tegenzit. Het is dan ook niet verrassend dat het aandeel inwoners dat deel uitmaakt van een huishouden met een of meer armoede- of schuldenvoorzieningen is toegenomen. De ontwikkeling in de schuldhulpverlening is echter grotendeels positief: het bereik onder huishoudens met probleemschulden is in alle drie de gemeenten toegenomen en de uitval is afgenomen in Maassluis en Vlaardingen. Verder is het aandeel hulpacceptaties in de vroegsignalering van schulden flink toegenomen in Vlaardingen, maar iets afgenomen in Schiedam en Maassluis.
Tot slot is het aandeel langdurig arme huishoudens afgenomen, maar daaraan komt vermoedelijk een einde als de recessie wat langer aanhoudt. Het is dan ook van groot belang dat de drie gemeenten en Stroomopwaarts waakzaam blijven wat betreft de gevolgen van de recessie voor de armoede en schulden in onze regio.
november 2025, versie 1.3
-4-
Inzicht in armoede 2025
1. Inleiding De Armoedemonitor van 2023 stond grotendeels in het teken van de zeer hoge inflatie waarmee Nederland te maken kreeg van eind 2021 tot medio 2023. Inmiddels is de inflatie gezakt naar minder extreme waarden en nu bevindt ons land zich in een economische recessie. Op de meeste terreinen blijft de groei achter bij de lange termijn trend; alleen de woningmarkt verkeert nog altijd in een oververhitte toestand. Deze editie van de Armoedemonitor gaat onder meer over de gevolgen van de huidige recessie voor de armoede in Maassluis, Vlaardingen en Schiedam.
Aanleiding De Armoedemonitor is ontstaan vanuit de wens om armoede te bestrijden door slimmer gebruik te maken van data. In de afgelopen tien jaar kwam er steeds meer aandacht voor de mogelijkheden van datakoppeling en -analyse. Het Kenniscentrum zag hierin kansen om een veel completer en gedetailleerder beeld te krijgen van de omvang van de armoede, de mensen die erdoor worden geraakt en de kenmerken van die mensen. De uitkomsten van de eerste Armoedemonitor in 2017 konden op zo veel interesse rekenen, dat deze sindsdien om het andere jaar wordt uitgevoerd. De huidige monitor is de vijfde editie. Onderzoeksopzet In dit onderzoek wordt armoede op verschillende manieren benaderd. Ten eerste is gekeken naar huishoudens met een laag inkomen en/of hoge vaste lasten en weinig reserves. In 2024 is namelijk een nieuwe methode geïntroduceerd voor het meten van armoede. Hierin worden cijfers over inkomen, uitgaven en vermogen gecombineerd. Ten tweede wordt gebruik gemaakt van de reeds bekende inkomensstatistieken, omdat er op basis van de nieuwe meetmethode slechts beperkt cijfers beschikbaar zijn. Hierbij wordt, in overeenstemming met vorige Armoedemonitors, de armoedegrens getrokken bij een inkomen tot 110% van het sociaal minimum. Er zijn definitieve inkomensstatistieken beschikbaar over het jaar 2022 en voorlopige over 2023.
Ten derde zijn gegevens over het gebruik van armoede- en schuldenvoorzieningen geanalyseerd. Het gaat om cijfers van 2024 over bijstand, bijzondere bijstand, minimaregelingen en schuldhulpverlening. Deze gegevens zijn dus niet alleen actueler dan de inkomensstatistieken, maar ze zijn ook beschikbaar tot op persoonsniveau, waardoor de mogelijkheden voor analyse optimaal zijn. Daarnaast schetst dit rapport een beeld van de effectiviteit van het armoede- en schuldenbeleid. Dit gebeurt aan de hand van een reeks evaluatievragen die zijn afgeleid van de beleidsdoelstellingen. Naast de al genoemde gegevensbronnen is hiervoor ook gebruik gemaakt van benchmarkgegevens van Divosa, de brancheorganisatie van sociale diensten in Nederland. Waar dit relevant is, worden ook uitkomsten van andere onderzoeken van het Kenniscentrum aangehaald, zoals het in 2022 uitgevoerde Woononderzoek MVS en de periodieke onderzoeken op het terrein van leefbaarheid, veiligheid en welzijn. Verder worden sommige uitkomsten nader geduid met onderzoeken van derden, zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Deze worden beschreven in aparte kaders. Leeswijzer Hoofdstuk 2 gaat over de context van armoede. De eerste paragraaf behandelt de economische ontwikkelingen in Nederland en de gevolgen daarvan voor de koopkracht.
De tweede paragraaf beschrijft wat armoede inhoudt naast geldgebrek en hoe bestaansonzekerheid doorwerkt op alle levensterreinen. Hoofdstuk 3 gaat in op de ontwikkeling van de armoede. De eerste paragraaf beschrijft de ontwikkeling van de armoede volgens de nieuwe meetmethode. Ook energiearmoede komt hierbij aan bod. Vervolgens wordt ingegaan op hoe inkomens, vermogens en probleemschulden zich hebben ontwikkeld. Hierbij ook worden de kenmerken beschreven van de leden van huishoudens met een laag inkomen, wat betreft woonwijk en -buurt, herkomst, belangrijkste inkomensbron,
november 2025, versie 1.3
-5-
Inzicht in armoede 2025 ervaren gezondheid en eenzaamheid. In het verlengde van de gegevens over de belangrijkste inkomensbron wordt tevens ingegaan op het aandeel werkende armen en de ontwikkeling daarin. De derde paragraaf beschrijft eerst (het gebruik van) de afzonderlijke armoede- en schuldenvoorzieningen en daarna de kenmerken van de gebruikers wat betreft leeftijd, geslacht, herkomst en woonwijk. Daarbij wordt in het bijzonder ingegaan op de kenmerken van de gebruikers van de collectieve aanvullende verzekering (CAV), waarover in deze editie van de Armoedemonitor voor het eerst gegevens beschikbaar zijn. Hoofdstuk 4 brengt de effectiviteit van het armoede- en schuldenbeleid in kaart. Eerst worden de beleidsdoelen beschreven, zoals die zijn vastgelegd in de Regionale Nota Armoede en Schulden. Daarna wordt aandacht besteed aan benchmarkgegevens. Tot slot wordt een beeld geschetst van de effectiviteit van het beleid aan de hand van een reeks evaluatievragen. Hierbij wordt terugverwezen naar bevindingen uit eerdere paragrafen. Bijlage 1 somt de juridische grondslagen voor deze Armoedemonitor op. Bijlage 2 beschrijft de vijf methoden die tot nu toe werden gebruikt om armoede te meten. Bijlage 3 geeft de wijk- en buurtindelingen van de drie gemeenten weer. De bestuurssamenvatting is te vinden aan het begin van dit rapport.
november 2025, versie 1.3
-6-
Inzicht in armoede 2025
2. Context Dit hoofdstuk schetst de context van armoede. De eerste paragraaf gaat in op de economische ontwikkelingen in Nederland en de gevolgen daarvan voor de koopkracht. De tweede paragraaf beschrijft wat armoede inhoudt naast geldgebrek en hoe bestaansonzekerheid doorwerkt op alle levensterreinen.
2.1 Economische ontwikkelingen Nederland verkeert sinds medio 2023 in een economische recessie Nadat het enkele jaren bovengemiddeld goed ging, raakte de Nederlandse economie medio 2023 in een recessie. Dat is te zien in figuur 2.1. De zogenoemde conjunctuurklokindicator van het CBS toont hierin de afwijking van de groei ten opzichte van de langetermijntrend. Deze indicator is het ongewogen gemiddelde van 12 onderliggende indicatoren, waaronder productie, consumptie, investeringen, werkloosheid, woningprijzen, producentenvertrouwen en consumentenvertrouwen. De langetermijntrend kan worden gezien als de ‘normale’ groei. Omdat het CBS sinds oktober 2024 een andere meetmethode toepast, heeft de curve een vloeiender verloop gekregen dan bij de vorige Armoedemonitor. Figuur 2.1 Conjunctuurklokindicator CBS voor Nederland (afwijking ten opzichte van de langetermijntrend) 1 0,8 0,6 0,4 0,2 jan-25
apr-25
jul-24
okt-24
jan-24
apr-24
jul-23
okt-23
jan-23
apr-23
jul-22
okt-22
apr-22
jan-22
jul-21
okt-21
jan-21
apr-21
jul-20
okt-20
jan-20
apr-20
jul-19
okt-19
jan-19
apr-19
jul-18
okt-18
jan-18
apr-18
jul-17
okt-17
jan-17
-0,2
apr-17
0
-0,4 -0,6 -0,8 -1
In de grafiek is te zien dat de coronacrisis van 2020-2021 in verhouding niet heel ernstig was – althans in economisch opzicht – en relatief korte tijd aanhield. Vanaf de lente van 2021 lag de economische groei al weer boven het gemiddelde. De groei nam toe tot september 2022 en begon toen af te nemen, onder meer als gevolg van de energiecrisis die ontstond na de inval van Rusland in Oekraïne. Sinds medio 2023 ligt de groei onder het gemiddelde. In de herfst van 2024 leek het er even op dat het dieptepunt was bereikt, want toen krabbelde de economie weer iets op. De handelsoorlog, die de Verenigde Staten begin 2025 startten door de aankondiging en vervolgens introductie van hoge importheffingen, zet echter opnieuw een rem op de economische ontwikkeling. Alleen de Nederlandse woningmarkt is nog altijd oververhit, met aanhoudend stijgende woningprijzen tot gevolg. De inflatie is minder extreem dan voorheen, maar wel relatief hoog Figuur 2.2 toont de ontwikkeling van de inflatie op basis van de maandelijkse jaarmutatie van de consumentenprijsindex (CPI). De CPI is het prijsniveau voor een pakket goederen en diensten dat een gemiddeld Nederlands huishouden aanschaft. Het gaat om de prijsstijging ten opzichte van 12 maanden eerder. De prijzen voor energie zijn hierin meegeteld. november 2025, versie 1.3
-7-
Inzicht in armoede 2025 Figuur 2.2 Jaarmutatie consumentenprijsindex 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% apr-25
jan-25
okt-24
jul-24
jan-24
apr-24
jul-23
okt-23
jan-23
apr-23
jul-22
okt-22
jan-22
apr-22
okt-21
jul-21
apr-21
jan-21
okt-20
jul-20
jan-20
apr-20
jul-19
okt-19
jan-19
apr-19
jul-18
okt-18
jan-18
-2%
apr-18
0%
-4%
Lange tijd schommelde de inflatie rond de 2%, wat vaak wordt gezien als een ‘gezonde’ waarde. In de periode 2020-2021 werd de economie afgeremd door de coronacrisis en lagen de prijsstijgingen langere tijd onder de 2%. Daarna begon de inflatie toe te nemen tot ongekend hoge waarden, vooral als gevolg van de energiecrisis. Vanaf de herfst van 2022 nam het tempo van de prijsstijgingen af; ruim een jaar lang stegen de prijzen steeds minder snel. In oktober 2023 was er zelfs sprake van een kleine prijsdaling. Daarna stegen de prijzen echter weer en momenteel schommelt de inflatie tussen ongeveer 3% en 4%. Dat is aan de hoge kant, niet alleen voor het functioneren van de nationale economie, maar ook in vergelijking met de meeste andere Europese landen. De doorsnee koopkracht is in 2022 gedaald, maar de ontwikkeling verschilt sterk per persoon Vooral als gevolg van de energiecrisis is in 2022 de koopkracht van de doorsnee Nederlander gedaald. Dit is te zien in figuur 2.3. Helaas lopen de inkomensstatistieken altijd minimaal twee jaar achter, dus de meest recente ontwikkelingen zijn niet te zien in deze grafiek. De grijze lijn geeft de mediane koopkrachtontwikkeling weer, dat wil zeggen die van de doorsnee Nederlander. Vanaf 2021 nam de groei van de koopkracht af, om in 2022 zelfs negatief te worden. In dat jaar daalde de koopkracht dus (-1,1%).
Volgens de voorlopige cijfers is de koopkracht in 2023 weer een klein beetje gestegen (+0,3%), maar niet voldoende om de koopkrachtdaling van 2022 te compenseren. Figuur 2.3 Koopkrachtontwikkeling van personen in Nederland (%) *Cijfers over 2023 zijn voorlopig 20 15 9,6
10 5
1,5
0
-1,1
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
2022
2023*
-2,9
-5
-8,4
-10 mediaan
20e percentiel
40e percentiel
60e percentiel
80e percentiel
mediaan*
20e percentiel*
40e percentiel*
60e percentiel*
80e percentiel*
november 2025, versie 1.3
-8-
Inzicht in armoede 2025 De koopkrachtontwikkeling verschilt echter sterk van persoon tot persoon. Om een idee te geven van de spreiding, zijn alle personen ingedeeld in groepen naar gelang de koopkrachtontwikkeling van hun huishouden. Het zogenoemde 20e percentiel bevat de personen waarvoor geldt dat 20% van de populatie een gelijke of lagere koopkrachtontwikkeling heeft ondervonden. Een vijfde deel van de Nederlanders is er dus even veel of minder op vooruit gegaan dan dit percentiel en vier vijfde deel juist meer. Het 40e percentiel bevat de personen waarvoor geldt dat 40% van de populatie een gelijke of lagere koopkrachtontwikkeling heeft ondervonden. Twee vijfde deel van de Nederlanders is er dus even veel of minder op vooruit gegaan dan dit percentiel en drie vijfde deel juist meer, enzovoort. De gekleurde lijnen in figuur 2.3 laten zien dat de koopkrachtontwikkeling sterk uiteenliep. Zo heeft het 20e percentiel in 2022 een sterke koopkrachtdaling (-8,4%) doorgemaakt. De koopkracht van het 40e percentiel daalde minder sterk (-2,9%), terwijl de koopkracht van het 60e percentiel steeg met 1,5% en die van het 80e percentiel met 9,6%. De koopkrachtontwikkeling hangt samen met huishoudenstype, inkomensbron en inkomensgroep De koopkrachtontwikkeling hangt vooral samen met de samenstelling van het huishouden, het soort inkomen waarvan men leeft en de hoogte van dat inkomen.
Figuur 2.4 laat de koopkrachtontwikkeling in 2022 zien van personen in verschillende typen huishoudens. Uit de grafiek blijkt dat personen in huishoudens met kinderen er iets op vooruit zijn gegaan, terwijl personen in huishoudens zonder kinderen erop achteruit zijn gegaan. In de vorige Armoedemonitor was een vergelijkbaar beeld te zien. Alleen is in 2022 de meerderheid erop achteruitgegaan, terwijl dat in 2021 voor een minderheid gold. Figuur 2.4 Mediane koopkrachtontwikkeling van personen naar samenstelling huishouden 2022 (%)* *Blauw staat voor stijging, geel voor daling
eenoudergezin
paar met kind(eren)
overig meerpersoonshuishouden
eenpersoonshuishouden
paar zonder kind -3,5
-2,5
-1,5
-0,5
0,5
1,5
2,5
3,5
4,5
Figuur 2.5 laat de koopkrachtontwikkeling zien naar belangrijkste inkomensbron. Hieruit blijkt dat vooral de koopkracht van ontvangers van bijstand en overige sociale voorzieningen (dat wil zeggen uitkeringen waarvoor geen premie wordt geheven) is gestegen. De koopkracht van ontvangers van een werkloosheidsuitkering is ongeveer gelijk gebleven, terwijl de koopkracht van gepensioneerden, ontvangers van andere uitkeringen, werkenden (als zelfstandige of in loondienst) en studenten is gedaald. Dit beeld is heel anders dan in de vorige Armoedemonitor. Toen bleek uit de voorlopige cijfers over 2021 dat vooral werkenden (in loondienst of als zelfstandige) erop vooruit waren gegaan, terwijl ontvangers van een zogenoemd overdrachtsinkomen (pensioen, uitkering, bijstand of studiefinanciering) erop achteruit waren gegaan. In reactie op de hoge inflatie eisten veel werknemers
november 2025, versie 1.3
-9-
Inzicht in armoede 2025 een hoger loon van hun werkgever en veel zelfstandigen verhoogden hun tarieven. Zodoende konden werkenden erop vooruitgaan. De hoogte van de bedrijfspensioenen ligt echter vast in de regelementen van pensioenfondsen en de hoogte van de AOW, de bijstand en uitkeringen wordt bepaald in de politieke besluitvorming. Figuur 2.5 Mediane koopkrachtontwikkeling van personen naar belangrijkste inkomensbron 2022 (%)* * Blauw staat voor stijging, geel voor daling
bijstand overige sociale voorziening uitkering werkloosheid studiefinanciering inkomen als werknemer uitkering arbeidsongeschiktheid inkomen als overige zelfstandige inkomen als directeur-grootaandeelhouder inkomen als zelfstandig ondernemer uitkering inkomensverzekering pensioen -3,5
-2,5
-1,5
-0,5
0,5
1,5
2,5
3,5
4,5
De politieke besluitvorming in 2022 was er vooral op gericht om de gevolgen van de hoge inflatie te beperken voor de allerlaagste inkomens. Deze groep dreigde immers als eerste onder het bestaansminimum te duiken. Door de genomen maatregelen zijn vooral bijstandontvangers erop vooruitgegaan. Daarnaast speelt wellicht mee dat generieke maatregelen, zoals het energieplafond, voor huishoudens met een laag inkomen een relatief groot verschil konden maken. Figuur 2.6 toont de koopkrachtontwikkeling per inkomensgroep. Hiervoor zijn alle huishoudens ingedeeld in tien even grote groepen, naar gelang hun inkomen. Dit is gedaan op basis van het gestandaardiseerd inkomen. Dat wil zeggen dat de hoogte van het inkomen is gecorrigeerd voor verschillen in grootte en samenstelling van het huishouden. De eerste 10%-groep heeft het laagste inkomen en de tiende 10%-groep het hoogste. Uit de grafiek blijkt dat alleen de laagste-inkomensgroep er in koopkracht op vooruit is gegaan, terwijl de overige inkomensgroepen er in koopkracht op achteruit zijn gegaan. Hierbij valt op dat de middeninkomens er sterker op achteruit zijn gegaan dan de hogere inkomens.
november 2025, versie 1.3
- 10 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 2.6 Mediane koopkrachtontwikkeling personen naar inkomenscategorie 2022 (%)* * Blauw staat voor stijging, geel voor daling 1e 10%-groep 2e 10%-groep 9e 10%-groep 8e 10%-groep 10e 10%-groep 7e 10%-groep 6e 10%-groep 5e 10%-groep 4e 10%-groep 3e 10%-groep -3,5
-2,5
-1,5
-0,5
0,5
1,5
2,5
3,5
4,5
Ook dit beeld wijkt sterk af van de vorige Armoedemonitor. Toen bleek uit de voorlopige cijfers over 2021 dat de hoge en middeninkomens erop vooruit waren gegaan (de hoge inkomens iets meer dan de middeninkomens), terwijl de lage inkomens erop achteruit waren gegaan. In 2022 is dit dus tot op zekere hoogte gerepareerd, althans voor de allerlaagste inkomens.
november 2025, versie 1.3
- 11 -
Inzicht in armoede 2025
2.2 Bestaansonzekerheid In de vier voorgaande edities van deze Armoedemonitor werd het al vaak gesteld: armoede is meer dan geldgebrek. Om die reden werd telkens aandacht besteed aan de samenhang tussen een (te) laag inkomen en problemen op andere levensterreinen, zoals een slechte gezondheid en eenzaamheid. In deze paragraaf wordt die samenhang uitgebreid beschreven aan de hand van het overkoepelende begrip bestaansonzekerheid. Hierbij wordt gebruik gemaakt van enkele grote onderzoeken en beleidsdocumenten die de laatste jaren in Nederland zijn verschenen. 1 De drie vormen van bestaansonzekerheid Volgens de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) brengt onvoldoende bestaanszekerheid drie verschillende vormen van onzekerheid met zich mee, die alle drie consequenties hebben voor het gedrag. Het gaat om inkomensonzekerheid, psychologische onzekerheid en levenslooponzekerheid. 2 Mensen die geen inkomenszekerheid hebben, stellen belangrijke financiële beslissingen uit of nemen ze helemaal niet. Het voortdurend op zoek zijn naar voldoende inkomen kan tot stress en afname van mentale vermogens leiden, doordat gevoelens van schaarste de gedachten gaan overheersen. Dit leidt tot een focus op de korte termijn en soms ook tot minder verstandige beslissingen.
De psychologische onzekerheid die het gevolg is van bestaansonzekerheid kan leiden tot lichamelijke klachten, eenzaamheid, depressiviteit, een laag welbevinden en slechtere werkprestaties. Het constant moeten zoeken naar nieuw werk of het moeten voldoen aan hoge eisen om het werk te behouden, leidt tot extra belasting. Psychologische onzekerheid en inkomensonzekerheid vallen vaak samen, zeker wanneer er geen partner is met voldoende inkomenszekerheid. Wanneer een tijdelijk arbeidscontract geen eigen keuze is, kan dit tot nog meer stress leiden. Mensen met tijdelijke contracten ervaren dit vaak als een vorm van ongelijke behandeling en een gebrek aan erkenning en waardering: de werkgever investeert niet in hen (bijvoorbeeld door middel van opleidingen), zij ontvangen minder loon, hebben slechtere arbeidsvoorwaarden en minder kansen op promotie. Tot slot is er nog levenslooponzekerheid. Het gebrek aan bestaanszekerheid kan mensen ervan weerhouden om risico’s te nemen. Dat geldt zeker voor belangrijke keuzes in het leven, zoals het wisselen van baan of het krijgen van kinderen. Uit huis gaan, gaan samenwonen en kinderen krijgen kan voor mensen die kampen met bestaansonzekerheid een probleem zijn. Overigens wijst de Commissie Sociaal Minimum erop dat bestaansonzekerheid niet alleen gevolgen heeft voor individuen, maar ook voor de maatschappij als geheel.
Zij noemt onder meer: onderbenutting van menselijk kapitaal, hogere zorgkosten, hoge maatschappelijke kosten door probleemschulden, afname van sociale cohesie en gering vertrouwen in de overheid en publieke instellingen.3 De zeven levensterreinen waarop bestaansonzekerheid tot uiting komt De Commissie Sociaal Minimum stelt dat bestaanszekerheid gaat over zeven levensterreinen: voldoende inkomen, werk dat loont, een goede gezondheid, betaalbare en duurzame huisvesting, een adequate opleiding, gezonde sociale relaties en een zinvol leven. Hierna worden deze levensterreinen gebruikt om de bestaansonzekerheid in Nederland te beschrijven.
1 De inspiratie voor deze paragraaf kwam vooral van de volgende publicatie: Mark Franken, Christine Kuiper & Pien van der
Sanden, Bestaanszekerheid onder druk, de stand van zaken, Movisie, 2022. 2 M. Kremer, R. Went & A.I. Knottnerus (redactie), Voor de zekerheid, de toekomst van flexibel werkenden en de moderne organisatie van arbeid, Den Haag, 2017, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. 3 Commissie Sociaal Minimum, Een zeker bestaan, naar een toekomstbestendig stelsel van het sociaal minimum, 30 juni 2023.
november 2025, versie 1.3
- 12 -
Inzicht in armoede 2025 Inkomen Ondanks de coronapandemie en de energiecrisis was de economische ontwikkeling in de afgelopen jaren gunstig. Toch profiteert niet iedereen hiervan mee. Zo blijkt uit figuur 3.7 in paragraaf 3.2.1 dat het aandeel langdurig arme huishoudens in Maassluis en Vlaardingen – net als in veel andere Nederlandse gemeenten – is toegenomen in de periode 2017-2020, ondanks de hoogconjunctuur in die jaren. Schiedam vormt hierop een uitzondering: daar is het aandeel langdurig arme huishoudens in die periode afgenomen. Daar komt bij dat de hoge inflatie en sterk gestegen energieprijzen een negatieve impact hebben op alle huishoudens, maar in het bijzonder op huishoudens die al in een kwetsbare positie verkeren. Verder lijken schulden hoofdzakelijk te ontstaan bij inkomens die structureel ontoereikend zijn voor het betalen van normale vaste lasten, en veel minder als gevolg van verkwisting of financieel wanbeheer. In 2023 vond een maatschappelijk debat plaats over de vraag of de maatregelen voor inkomensondersteuning toereikend zijn. De Commissie Sociaal Minimum concludeerde van niet en pleitte voor verhoging van de bijstand, wat ook is gebeurd. Daarnaast stelde zij dat de taakverdeling tussen Rijk en gemeenten wat betreft het beleid inzake de bestaanszekerheid niet in balans is, waardoor er steeds grotere verschillen ontstaan tussen gemeenten.
4 Werk Betaald werk levert naast maatschappelijke waarde niet alleen een inkomen op, maar ook een dagstructuur, sociale contacten, status, persoonlijke ontwikkeling, zelfvertrouwen en zingeving. Voor vrijwilligerswerk geldt in grote lijnen hetzelfde, met uitzondering van het inkomen. Verreweg de meeste mensen met een betaalde baan verdienen voldoende om in hun onderhoud te voorzien, maar dat geldt niet voor iedereen. Er is een groeiende groep werkende armen. Vooral deeltijdwerkers, oproepkrachten en zelfstandigen zonder personeel lopen risico op armoede ondanks het verrichten van betaald werk. Van alle betaald werkenden in Nederland heeft 57% een vast contract, 27% een flexibel contract (tijdelijk contract eventueel met uitzicht op vast, uitzendkracht of oproepkracht), 13% is zelfstandige zonder personeel (zzp’er) en 4% is zelfstandige met personeel (zmp’er) of meewerkend gezinslid. 5 De arbeidsparticipatie is niet onder alle groepen gelijk. Vooral migranten, mensen met een beperking en chronisch zieken hebben minder vaak betaald werk. Verder komen 55-plussers minder makkelijk aan nieuw werk wanneer ze hun baan verliezen. Tot slot blijkt dat veel langdurig werklozen ook in economisch gunstige tijden geen werk vinden. Dit heeft natuurlijk consequenties voor het gemiddelde inkomen in deze groepen en voor hun bestaanszekerheid.
Bovendien profiteren flexwerkers minder van door de werkgever betaalde scholingsmogelijkheden en ze hebben vaak lagere inkomens, een hogere werkdruk en minder carrièremogelijkheden. Voor zzp’ers geldt in grote lijnen hetzelfde. 6 Flexwerkers en zzp’ers hebben zodoende een grotere bestaansonzekerheid, helemaal wanneer zij geen vermogen en geen partner met voldoende inkomen hebben. Bovendien heeft van de flexwerkers en zzp’ers die wel een partner hebben, een steeds groter deel een partner met ook een flexibel contract of werk als zelfstandige. Het aandeel huishoudens waarbij beide partners een vast contract hebben, is afgenomen van 50% in 2005 tot 43% in 2014. 7
4 Commissie Sociaal Minimum, Een zeker bestaan II, 28 september 2023. 5 Bron: Flexbarometer TNO, ABO, FNV & CBS; de genoemde cijfers betreffen het eerste kwartaal van 2025.
6
Uit onderzoek van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI-KNAW) blijkt dat jongvolwassenen met een flexibele arbeidsrelatie minder welzijn ervaren dan leeftijdsgenoten met een vaste arbeidsrelatie. Dit geldt vooral voor jongeren zonder een hoger onderwijsdiploma. Bijna 1 op de 5 jongeren met een flexibele arbeidsrelatie is ongelukkig, tegenover 1 op de 9 jongeren met een vaste arbeidsrelatie. Bron: NIDI-KNAW, Flexibele arbeidsrelaties verminderen welzijn van jongvolwassenen, 28 februari 2025. 7 M. Kremer, R. Went & A.I. Knottnerus, (redactie), Voor de zekerheid, de toekomst van flexibel werkenden en de moderne organisatie van arbeid, Den Haag, 2017, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Het gaat om het aandeel onder alle huishoudens, waaronder dus ook eenpersoonshuishoudens.
november 2025, versie 1.3
- 13 -
Inzicht in armoede 2025 Gezondheid Gezondheid wordt deels bepaald door individuele factoren, zoals genetische aanleg en leefstijl, en deels door maatschappelijke factoren, zoals de toegankelijkheid en kwaliteit van de gezondheidszorg, de woonomstandigheden of de sociale steun die iemand uit het eigen netwerk ontvangt. Bovendien is er sprake van een wisselwerking tussen gezondheid en andere leefgebieden. Een slechte gezondheid maakt het moeilijker in het eigen onderhoud te voorzien: chronisch zieken hebben veel minder vaak een baan dan de gemiddelde Nederlander en als ze een baan hebben werken ze vaak minder uren. Omgekeerd veroorzaakt bestaansonzekerheid stress. Langdurige stress is schadelijk voor de gezondheid en gaat vaak samen met minder gezond gedrag en een verminderd denk- en ‘doenvermogen’. 8 Verder kost een gezondere leefstijl, met goede voeding en sportbeoefening, vaak ook extra geld. Zo zijn ongezonde levensmiddelen vaker in de aanbieding dan gezonde en is gezonde voeding in de afgelopen decennia relatief sterk in prijs gestegen. Daarnaast hebben mensen met financiële problemen soms de neiging om doktersbezoek uit te stellen of achterwege te laten, uit angst voor de kosten.
9 Tot slot kunnen sociaal isolement en eenzaamheid, waarmee bestaansonzekerheid vaak samen gaat, leiden tot verminderde weerstand, hartproblemen, mentale problemen, depressies en een lagere levensverwachting. 10 Wonen Al sinds 2018 is de Nederlandse woningmarkt sterk oververhit. 11 Er is een toenemend tekort aan betaalbare woningen, vooral als gevolg van de bevolkingsgroei, de toename van het aandeel eenpersoonshuishoudens (waardoor het gemiddeld aantal bewoners per woning is gedaald) en de vergrijzing in combinatie met de extramuralisering van de zorg (waardoor steeds meer ouderen steeds langer thuis blijven wonen). Verder zijn de regels voor het ‘passend toewijzen’ van sociale huurwoningen sinds 2016 strenger en moesten woningcorporaties verhuurderheffing gaan betalen (tot 2023). Hierdoor kwamen ze krapper bij kas te zitten en verkochten ze een deel van hun bezit. Als gevolg daarvan is het aanbod aan sociale huurwoningen afgenomen, terwijl de vraag juist is toegenomen vanwege de sterk gestegen huizenprijzen. Vooral starters en huishoudens met een modaal inkomen kunnen hierdoor steeds moeilijker een passende en betaalbare woning vinden. Bovendien zorgde de extreme stijging van de energieprijzen voor een verdere toename van de woonlasten. Huishoudens met een laag inkomen worden hierdoor onevenredig hard geraakt, omdat zij vaak in minder energiezuinige huizen wonen.
Het maakt deze huishoudens ook kwetsbaarder voor andere financiële tegenslagen. Opleiding Goed onderwijs kan de basis leggen onder een zeker bestaan. Toch is er ook in het onderwijs soms sprake van kansenongelijkheid, bijvoorbeeld omdat ouders geen geld hebben om een laptop te kopen of omdat zij hun kinderen niet kunnen helpen met huiswerk. Daarnaast is een aanzienlijk deel van de Nederlanders laaggeletterd. Zij hebben moeite met lezen, schrijven en rekenen, en zijn vaak ook digitaal minder vaardig. Hoewel de schattingen uiteenlopen, zou het in Nederland om tot wel 2,5 miljoen personen kunnen gaan. 12 Laaggeletterden leven relatief vaak in armoede en hebben vaak 8 Deze term is in zwang geraakt door een andere publicatie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR):
Weten is nog geen doen, een realistisch perspectief op redzaamheid, 2017. De WRR betoogt dat zelfredzaamheid wordt niet alleen bepaald door intelligentie en cognitieve vaardigheden, maar ook door temperament, zelfcontrole en overtuiging. Het gaat om een combinatie van denk- en ‘doenvermogen’. Stressvolle situaties, zoals echtscheiding, faillissement, ontslag of het krijgen van een kind, zetten zowel het denk- als het doenvermogen onder druk. 9 Volgens onderzoek van Nivel binnen het Consumentenpanel Gezondheidszorg heeft in 2024 8% van de mensen afgezien van een doktersbezoek, een medisch onderzoek of een behandeling met medicijnen. 10 Het opleidingsniveau is van grote invloed op het inkomen en op de gezondheid: Nederlanders met alleen basisonderwijs leven gemiddeld nog geen 57 jaar in goede gezondheid, terwijl dit voor Nederlanders met een HBO- of WO-opleiding ruim 70 jaar is (bron: CBS Statline). 11 Voor een uitgebreidere beschrijving zie: Kenniscentrum, Woononderzoek MVS 2022, januari 2023. 12 Overigens gaat het hierbij om heel verschillende groepen, waaronder mensen die nooit hebben leren lezen en schrijven maar het wel zouden kunnen leren, mensen met een verstandelijke beperking die niet in staat zijn het goed te leren en mensen met een taalachterstand die het Nederlands onvoldoende beheersen, maar in hun eigen taal wel kunnen lezen en schrijven.
november 2025, versie 1.3
- 14 -
Inzicht in armoede 2025 weinig bestaanszekerheid. Tot slot is er het probleem van uitvallers en thuiszitters: naar schatting 5% van de leerlingen past om uiteenlopende redenen niet binnen het reguliere onderwijs. Het gebrek aan scholing en de negatieve ervaringen met onderwijs hebben vaak gevolgen voor de rest van hun leven. Sociale relaties Sociale relaties kunnen de gevolgen van bestaansonzekerheid voorkomen of verzachten. Vrienden en familieleden kunnen een vangnet vormen bij nadelige levensgebeurtenissen, zoals baanverlies, woningnood of beëindiging van een relatie. Dat kan met financiële of praktische hulp, maar ook met emotionele steun. Mensen in een kwetsbare positie hebben echter vaak een minder groot sociaal netwerk. Enerzijds kost het onderhouden van dat netwerk vaak geld, denk aan de kosten om naar familie of vrienden te reizen, gezamenlijk te eten of activiteiten te ondernemen. Anderzijds weerhouden schaamte, onzekerheid en gebrek aan zelfvertrouwen mensen er soms van om hulp te vragen. Bovendien ervaren veel betrokkenen het terugvallen op partner of ouders als niet wenselijk, omdat het in geval van ouders een hooguit tijdelijke oplossing biedt en het in het geval van de partner tot een ongelijkwaardige relatie leidt. Hierbij lijkt sprake te zijn van een vicieuze cirkel.
Vanwege onzekere toekomstverwachtingen gaan mensen minder snel langetermijnverbintenissen aan, zoals een duurzame relatie, samenwonen of kinderen krijgen. 13 Tegelijkertijd heeft dat weer tot gevolg dat die mensen minder vaak een netwerk hebben dat geschikt is om de gevolgen van bestaansonzekerheid op te vangen. Zingeving Het zevende levensterrein, zingeving, speelt een rol in elk van de eerste zes. Bij zingeving gaat het onder meer om autonomie (eigen keuzes kunnen maken), het realiseren van het eigen potentieel (zich kunnen ontwikkelen, tot bloei kunnen komen) en het bijdragen aan een groter doel (van betekenis zijn voor anderen). Deze drie elementen zijn in de eerste zes levensterreinen op verschillende wijzen aan de orde gekomen. Samenvattend over bestaansonzekerheid Het begrip bestaansonzekerheid illustreert bij uitstek de samenhang tussen een (te) laag inkomen en andere problemen. Inkomensonzekerheid heeft vaak psychologische onzekerheid tot gevolg, wat kan leiden tot een laag welbevinden, eenzaamheid, depressiviteit, lichamelijke klachten en slechtere werkprestaties. Bovendien veroorzaken inkomens- en psychologische onzekerheid vaak levensonzekerheid. Dat wil zeggen dat ze belangrijke keuzes in het leven bemoeilijken: uit huis gaan, gaan samenwonen en kinderen krijgen is voor mensen die kampen met bestaansonzekerheid minder vanzelfsprekend, en soms zelfs onmogelijk.
Als het gaat om bestaansonzekerheid beïnvloeden inkomen, werk, gezondheid, woonsituatie, opleiding, sociale relaties en zingeving elkaar. Een probleem op een van deze levensterreinen gaat dan ook vaak samen met problemen op andere levensterreinen. Deze problemen zijn deels van persoonlijke aard, maar hebben ook maatschappelijke oorzaken, zoals de flexibilisering van de arbeidsmarkt, de krapte op de woningmarkt, de mate van kansengelijkheid in het onderwijs of de toegankelijkheid van de zorg. Bovendien hebben ze vrijwel altijd maatschappelijke gevolgen, in de vorm van onderbenutting van menselijk kapitaal, hogere zorgkosten, hoge maatschappelijke kosten door probleemschulden, afname van sociale cohesie en gering vertrouwen in de overheid en publieke instellingen.
13 Ook uit onderzoek van het NIDI-KNAW blijkt dat veel jonge stellen het krijgen van kinderen uitstellen als ze onvoldoende
economische zekerheid ervaren. Zie: CBS, Economische positie partners van invloed op geboorte van eerste kind, 28 november 2024 en NIDI-KNAW, Veel jongvolwassenen worstelen met eisen ouderschap, 28 februari 2025.
november 2025, versie 1.3
- 15 -
Inzicht in armoede 2025 Verdeeld over het land: regionale verschillen in Nederland In het onderzoek Eigentijdse ongelijkheid uit 2023 onderscheidt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) vier typen hulpbronnen of kapitaal: economisch kapitaal (inkomen, vermogen, opleidingsniveau, arbeidsmarktpositie), sociaal kapitaal (sociale netwerken, vrienden, kennissen), cultureel kapitaal (kennis hebben van maatschappelijke codes en zich ernaar kunnen gedragen) en persoonskapitaal (lichamelijke en psychische gezondheid, aantrekkelijkheid). Op basis van de aanwezigheid van deze kapitaaltypen worden zeven sociale klassen geïdentificeerd: de werkende bovenlaag (19,9%), de jonge kansrijken (8,6%), de rentenierende bovenlaag (12,2%), de werkende middengroep (24,9%), de laagopgeleide gepensioneerden (18,1%), de onzekere werkenden (10,0%) en het precariaat (6,3%). Het nieuwe onderzoek Verdeeld over het land borduurt hierop voort en gaat dieper in op regionale verschillen. Ook besteedt het aandacht aan de leefwerelden en maatschappelijke overtuigingen van Nederlanders. De sociale klassen verschillen van elkaar wat betreft leefwerelden (hoe mensen hun eigen leven binnen de maatschappij ervaren, vormgeven en waarderen). Zo ervaren onzekere werkenden en leden van het precariaat bovengemiddeld veel discriminatie. Ook bij jonge kansrijken komt discriminatie verhoudingsgewijs vaak voor.
Sociale uitsluiting wordt het meest gemeld door de onzekere werkenden en komt ook bij het precariaat relatief vaak voor. De leden van de werkende middengroep voelen zich eveneens vaker buiten de samenleving staan dan gemiddeld. Verder blijkt dat hoe hoger de sociale klasse is, des te vaker de leden zichzelf zien als mensen die het getroffen hebben in het leven (zogenoemde luck beliefs). Dit geldt het sterkst voor de werkende bovenlaag. Ook zijn zij er het meest van overtuigd dat zij gunstig toeval herkennen en hun kansen benutten. Onzekere werkenden en leden van het precariaat melden eerder dat het toeval tegen hen werkt. Tot slot blijkt dat de mate van onwelbevinden (diepe ontevredenheid met het eigen leven) het grootst is onder de onzekere werkenden, gevolgd door het precariaat. Ook onder jonge kansrijken is dit iets hoger dan gemiddeld. Niet alleen de leefwerelden, maar ook de maatschappelijke overtuigingen (wat men vindt van de samenleving, de politiek en het beleid) van de sociale klassen lopen uiteen. Dit uit zich bijvoorbeeld in de tegenstelling economisch rechts versus economisch links. De werkende en rentenierende bovenlaag zijn relatief vaak rechts georiënteerd, terwijl het precariaat en de onzekere werkenden het vaakst links zijn. Op de dimensie cultureel progressief versus cultureel conservatief zijn de verschillen tussen de klassen nog iets duidelijker.
De jonge kansrijken zijn het vaakst progressief, op enige afstand gevolgd door de werkende bovenlaag. De laagopgeleide gepensioneerden blijken het meest conservatief en ook mensen uit het precariaat en de onzekere werkenden neigen tot conservatisme. Verder blijkt dat hoe hoger de sociale klasse is, des te meer men de politiek als responsief ervaart. Dat wil zeggen dat men invloed op de politiek ervaart en vindt dat de overheid voldoende voor hun doet. Dit geldt het meest voor de werkende bovenlaag, op enige afstand gevolgd door de jonge kansrijken en de rentenierende bovenlaag. De lagere sociale klassen ervaren de politiek juist als minder responsief. Iets dergelijks geldt voor de tevredenheid over de democratie en het institutioneel vertrouwen (het vertrouwen in de Tweede Kamer, de rechtspraak, de gemeenteraad, de politie en de vakbonden). Het maatschappelijke onbehagen (een mengeling van maatschappelijk pessimisme, toenemende sociaaleconomische kwetsbaarheid en een ervaren verlies van gemeenschapszin, ideologie en vertrouwen in het menselijk kunnen) is het hoogst bij de onzekere werkenden, maar bij het precariaat en de laagopgeleide gepensioneerden ligt de score eveneens boven het landelijk gemiddelde. Bij de werkende bovenlaag en de jonge kansrijken is er juist minder maatschappelijk onbehagen dan gemiddeld.
In dit onderzoek zijn vier verschillende gebiedsindelingen gebruikt. De provincie blijkt een slechte voorspeller van het klassenlidmaatschap te zijn. De indeling in krimpgebied, anticipeergebied, de Randstad en de rest van Nederland heeft zelfs nog minder voorspellende kracht. Het gemeentetype (universiteitsstad, kleinschalige gemeente, kleinstedelijke gemeente of november 2025, versie 1.3
- 16 -
Inzicht in armoede 2025 welvarende woongemeente) verklaart al iets meer van de verschillen. De fijnmazige indeling in 50 gebieden, namelijk de 40 COROP-regio’s en de 10 grootste gemeenten, voorspelt het klassenlidmaatschap het best. Toch is ook hier de verklaringskracht beperkt. Wat betreft regionale verschillen vallen vier zaken op. Ten eerste loopt er een ‘kapitaalstrook’ diagonaal door Nederland, van COROP-regio IJmond naar het zuidoosten van Noord-Brabant. Hier is het economisch kapitaal bovengemiddeld groot. Dit economisch kapitaal is juist relatief laag in de grensgebieden, Flevoland en het hele zuidwesten van het land, vooral in Rotterdam. Deze tegenstelling is groter dan die tussen de Randstad en de zogenoemde achterstandsregio’s. Ten tweede zijn er binnen de provincies verschillen wat betreft het totaalkapitaal. In Groningen zijn deze verschillen het grootst, maar ook in Zuid-Holland zijn er forse verschillen, vooral tussen COROP-regio Delft en Westland enerzijds en Rotterdam anderzijds. Ten derde blijkt dat de drie laagste sociale klassen overwegend economisch links en cultureel conservatief zijn, terwijl de werkende bovenlaag juist economisch rechts en cultureel progressief is. De jonge kansrijken vertonen als enige sociale klasse de combinatie van economisch links en cultureel progressief.
Tot slot blijkt dat de sociale klasse de beste voorspeller is van de leefwerelden en maatschappelijke overtuigingen, beter dan het opleidingsniveau of de sociaaleconomische status. In de COROP-regio Groot-Rijnmond exclusief Rotterdam (waarbinnen Maassluis, Vlaardingen en Schiedam zich bevinden) valt op dat het sociaal en cultureel kapitaal duidelijk lager zijn dan gemiddeld in Nederland. Verder is het economisch kapitaal er iets ondergemiddeld. Het persoonskapitaal is ongeveer gelijk aan het landelijk gemiddelde. In deze regio is de werkende middengroep oververtegenwoordigd, evenals het precariaat. De jonge kansrijken zijn hier juist ondervertegenwoordigd. De hoofdconclusies van dit onderzoek zijn: • De geografische context is van ondergeschikt belang voor structurele ongelijkheid, leefwerelden en maatschappelijke overtuigingen. • De grootste geografische contrasten komen naar voren bij de meest fijnmazige gebiedsindeling, namelijk die van de 40 COROP-gebieden en de G10-gemeenten. • Bij alle vier de gebiedsindelingen zijn individuele verschillen, zoals leeftijd, geslacht, huishoudenstype en migratieachtergrond, belangrijker voor de eigen hulpbronnen dan de plek waar men woont. • Specifieke gebiedskenmerken, zoals het aandeel kennisintensieve bedrijven of het werkloosheidspercentage, zijn van weinig belang voor de hulpbronnen.
Dit komt doordat Nederland een compact, dichtbevolkt land is met een goede fysieke infrastructuur; er zijn geen echt geïsoleerde regio’s binnen ons land. • Alleen wat betreft het plaatsgebonden ressentiment (de mate waarin men vindt dat de politiek onvoldoende oog heeft voor de eigen regio) heeft de gebiedsindeling meestal meer verklaringskracht dan de sociale klasse. Het contrast is het grootst tussen de COROP-gebieden Delfzijl, Oost-Groningen en Overig Groningen enerzijds, waar het plaatsgebonden ressentiment hoog is, en Amsterdam en Utrecht anderzijds, waar het juist laag is. Het SCP pleit voor het beperken van klassentegenstellingen en stelt dat een puur economische aanpak hiervoor waarschijnlijk onvoldoende is. Zij wijst vooral in de richting van het investeren in middelen die belangrijke levensovergangen ten goede komen: in het onderwijs, het betreden en verlaten van de arbeidsmarkt, het vormen van een huishouden en ouder worden. Daarnaast pleit zij ervoor om het beleid in verschillende sectoren beter te coördineren. Het gaat dan om de stelsels van onderwijs, kinderopvang, arbeidsregulering, sociale zekerheid, gezondheidszorg, pensioen, huisvesting en belasting.
Tot slot breekt zij een lans voor ‘proportioneel universalisme’: alle burgers moeten toegang hebben tot basisvoorzieningen, zoals onderwijs, gezondheidszorg en huisvesting, en daarnaast moet aanvullende steun worden geboden aan degenen voor wie deze voorzieningen niet toereikend zijn. Bron: SCP, Eigentijdse ongelijkheid, 7 maart 2023 en Verdeeld over het land, 5 juni 2025
november 2025, versie 1.3
- 17 -
Inzicht in armoede 2025
3. Ontwikkeling van de armoede Dit hoofdstuk beschrijft allereerst de ontwikkeling van de armoede in Maassluis, Vlaardingen en Schiedam volgens de nieuwe meetmethode. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan energiearmoede. De tweede paragraaf behandelt de ontwikkeling van de inkomens in onze regio, waarbij ook vermogens en schulden aan bod komen. Daarnaast worden de kenmerken beschreven van de leden van huishoudens met een laag inkomen, wat betreft: woonwijk en -buurt, herkomst, belangrijkste inkomensbron, ervaren gezondheid en eenzaamheid. Hierbij wordt ook ingegaan op het verschijnsel werkende armen. Het laatste deel van dit hoofdstuk beschrijft uitgebreid de afzonderlijke armoede- en schuldenvoorzieningen, het gebruik daarvan en de kenmerken van de gebruikers wat betreft leeftijd, geslacht, herkomst en woonwijk.
3.1 Nieuwe meetmethode voor armoede Tot nu toe werd armoede in Nederland gemeten met vijf verschillende methoden. Deze methoden hadden verschillende uitkomsten en dat leidde met regelmaat tot onduidelijkheid. Dit was voor het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) aanleiding om een nieuwe, gedeelde meetmethode te ontwikkelen.14 Daarnaast was het nodig om recht te doen aan recente ontwikkelingen als de sterk gestegen woon- en energielasten en aan wat de Nederlandse samenleving tegenwoordig beschouwt als minimale levensbehoeften. De nieuwe methode wordt hierna beschreven, de vijf oorspronkelijke zijn te vinden in bijlage 2. Niet alleen inkomen, maar ook vaste lasten en vermogen Waar de oude methoden uitsluitend het inkomen gebruiken om te bepalen of er sprake is van armoede (zij het met onderling verschillende inkomensbegrippen en -grenzen), kijkt de nieuwe methode ook naar de vaste lasten en het vermogen. Voor de moeilijk te vermijden uitgaven aan wonen, energie en zorg (basispremie en eigen risico zorgverzekering) wordt zo veel mogelijk uitgegaan van de werkelijk uitgegeven bedragen. Huishoudens met een inkomen boven de armoedegrens die relatief veel moeten betalen aan vaste lasten, worden zodoende toch als arm aangemerkt.