Bijlage Rapport Inzicht in armoede 2025
Tekst van het document
Dit geldt voor Binnenstad (Maassluis), Lage Weide (Vlaardingen), Newtonbuurt, Fabribuurt, Marconibuurt en Spieringshoek (Schiedam). Dat juist Schiedam (veel buurten met) een hoog aandeel werkende armen telt, hangt ook samen met de leeftijdsopbouw van de totale bevolking. Vergeleken met het Nederlandse gemiddelde tellen Maassluis en Vlaardingen veel ouderen, die doorgaans niet meer werken. In Schiedam is de bevolking vergeleken met heel Nederland juist jong en behoren relatief veel inwoners tot de beroepsbevolking.
november 2025, versie 1.3
- 41 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 3.25 Aandeel huishoudens met inkomen tot 110% wsm onder huishoudens die leven van betaald werk in Maassluis Binnenstad Kapelpolder Bloemenbuurt Sluispolder West Sluispolder Oost Componistenbuurt Bomendal Vertobuurt Burgemeesterswijk Taanschuurpolder MAASSLUIS Koningshoek Het Balkon Steendijkpolder Noord Steendijkpolder Zuid Vogelbuurt Wilgenrijk
5,2% 4,1% 3,0% 2,9% 2,8% 2,7% 2,4% 2,0% 1,9% 1,9% 1,9% 1,4% 0,9% 0,8% 0,7% 0,6% 0,0%
0%
2%
4%
6%
8%
10%
Figuur 3.26 Aandeel huishoudens met inkomen tot 110% wsm onder huishoudens die leven van betaald werk in Vlaardingen Hoofdstedenbuurt Zuidbuurt Vogelbuurt Zuid Vettenoordse Polder Oost Vogelbuurt Noord Lage Weide Kruidenbuurt Statenbuurt Hoogkamer Centrum Hoevenbuurt Oostbuurt Babberspolder Oost VLAARDINGEN Indische Buurt Vaart Zuid Vaart Noord Maasboulevard Babberspolder West Hofbuurt Wetering Babberspolder Noord Loper Noord Drevenbuurt Loper Zuid Oranjebuurt
4,5% 3,4% 3,3% 3,3% 3,2% 3,2% 3,1% 3,0% 3,0% 2,8% 2,6% 2,6% 2,4% 2,4% 2,0% 1,8% 1,7% 1,7% 1,6% 1,5% 1,5% 0,8% 0,0% 0,0% 0,0% 0,0%
0%
november 2025, versie 1.3
1%
2%
3%
4%
5%
6%
7%
8%
9%
10%
- 42 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 3.27 Aandeel huishoudens met inkomen tot 110% wsm onder huishoudens die leven van betaald werk in Schiedam Newtonbuurt Fabribuurt Boylebuurt De Meesterbuurt Troelstrabuurt Marconibuurt Spieringshoek Nolensbuurt Goenoord-Zuid Frankenland Eilandenbuurt Liduinabuurt Stationsbuurt Binnenstad Wibautbuurt Schrijversbuurt Groenoord-Noord Mozartbuurt Van Zantenbuurt Staatsliedenbuurt Schildersbuurt Natuurkundigenbuurt Sandersbuurt Maasboulevard Glasbuurt De Plantage Singelkwartier Wetenschappersbuurt SCHIEDAM Brandersbuurt Kastelenbuurt Cartonnagebuurt Schiehart Haverschmidtkwartier Bachplein Vakbondsliedenbuurt Noletbuurt Distillateursbuurt Walvisbuurt Oranjekwartier De Akkers Tuindorp Hollandiabuurt Botenbuurt Ambachtenbuurt Van Beethovenbuurt Toneelspelersbuurt Sveafors Sveaholm Sveaborg en Sveadal De Velden De Vlinderhoven De Gaarden en Windas Harga Zwaluwbuurt Kethel-Dorp Nassaukwartier
5,4% 5,3% 5,3% 4,8% 4,6% 4,4% 4,3% 4,1% 4,0% 4,0% 3,9% 3,8% 3,8% 3,6% 3,5% 3,5% 3,4% 3,3% 3,3% 3,3% 3,3% 3,3% 3,2% 3,1% 3,1% 3,0% 2,9% 2,8% 2,6% 2,2% 1,9% 1,9% 1,8% 1,8% 1,7% 1,7% 1,7% 1,7% 1,7% 1,5% 1,4% 1,4% 1,3% 1,2% 1,1% 1,1% 1,0% 0,0% 0,0% 0,0% 0,0% 0,0% 0,0% 0,0% 0,0% 0,0% 0,0%
0%
november 2025, versie 1.3
2%
4%
6%
8%
10%
- 43 -
Inzicht in armoede 2025 Ervaren gezondheid onder inwoners met een laag inkomen Zoals blijkt uit figuur 3.28, is zowel in Maassluis als in Schiedam het aandeel inwoners met een laag inkomen dat de eigen gezondheid als (zeer) goed ervaart gedaald. In Maassluis nam dit aandeel af van 57% in 2020 naar 53% in 2023. In Schiedam daalde het van 49% in 2022 naar 42% in 2024. Over Vlaardingen zijn geen gegevens beschikbaar. In vergelijking met inwoners met een midden- of hoog inkomen zijn dit lage waarden: in 2023 ervoer in Maassluis van de inwoners met een middeninkomen 77% de eigen gezondheid als (zeer) goed en van de inwoners met een hoog inkomen 88%. In Schiedam ervoer in 2024 73% van de inwoners met een middeninkomen de eigen gezondheid als (zeer) goed en 82% van de inwoners met een hoog inkomen. Er is dus een sterke samenhang tussen een inkomen en (ervaren) gezondheid. Figuur 3.28 Ervaren gezondheid onder inwoners met een laag inkomen* (% goed tot zeer goed) * Over Vlaardingen zijn geen gegevens beschikbaar Maassluis 2023
53%
Maassluis 2020
57%
Schiedam 2024
42%
Schiedam 2022
49%
0%
10%
20%
30%
40%
50%
60%
70%
80%
90%
100%
De cijfers van Maassluis zijn afkomstig uit de Buurtmonitors Leefbaarheid, Veiligheid en Welzijn van 2020 en 2023. De voorlaatste meting vond dus plaats tijdens de coronapandemie, maar in Maassluis had dit geen drukkende werking op dit aandeel. Sterker nog, het aandeel was zelfs iets gestegen: van 54% in 2018 naar 57% in 2020. De cijfers van Schiedam zijn afkomstig uit de Monitor Gezondheid, Bewegen en Sport 2022 en de Monitor Leefbaarheid en Veiligheid 2024. In Schiedam bereikte het aandeel inwoners met een laag inkomen dat de eigen gezondheid als (zeer) goed ervaart in 2021 een dieptepunt met slechts 37%. De huidige score is hoger dan toen, maar in vergelijking met eerdere metingen vrij laag. Dat dit aandeel juist in Schiedam sterk daalde tijdens de pandemie, hangt vermoedelijk samen met de relatief jonge bevolking van Schiedam. Juist jongeren ervoeren toen een sterke achteruitgang van hun gezondheid. Eenzaamheid en sociaal isolement onder inwoners met een laag inkomen De eenzaamheid en het sociaal isolement onder Maassluizers met een laag inkomen zijn iets toegenomen in de periode tussen de laatste twee Buurtmonitors. Dit blijkt uit figuur 3.29. De scores op vier van de vijf de stellingen zijn in 2023 minder gunstig dan in 2020, vooral voor de stelling ‘er zijn maar weinig mensen waarmee ik kan praten’.
Alleen de uitkomst van de stelling ‘er is niemand die speciaal belangstelling voor me heeft’ is vrijwel ongewijzigd. Omgerekend in een rapportcijfer voor het sociale leven gaat het om een daling van een 7,0 naar een 6,8. In figuur 3.30 is voor Schiedam op de stelling ‘ik voel mij gesteund door familie en/of vrienden’ een duidelijke verbetering te zien en op de overige vier stellingen een (heel) lichte verbetering. Uitgedrukt in een rapportcijfer gaat het om een stijging van een 6,5 naar een 6,7. Over Vlaardingen zijn geen gegevens beschikbaar. Ook tussen inkomen en eenzaamheid bestaat een sterke samenhang. Maassluizers met een laag inkomen komen, zoals hiervoor vermeld, in 2023 uit op een 6,8, Maassluizers met een middeninkomen op een 8,1 en Maassluizers met een hoog inkomen op een 8,5. In 2024 gaven Schiedammers met een laag inkomen hun sociaal leven een 6,7, Schiedammers met een middeninkomen een 7,8 en Schiedammers met een hoog inkomen een 8,3.
november 2025, versie 1.3
- 44 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 3.29 Sociaal isolement onder Maassluizers met een laag inkomen (% (helemaal) mee eens) Er zijn maar weinig mensen waarmee ik kan praten
26%
35% 68%
Ik voel mij gesteund door familie en/of vrienden
77%
16% 13%
Ik voel me vaak in de steek gelaten
13% 12%
Er is niemand die speciaal belangstelling voor me heeft
26% 23%
Ik heb behoefte aan meer contact met mensen
0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% 2023
2020
Figuur 3.30 Sociaal isolement onder Schiedammers met een laag inkomen (% (helemaal) mee eens) 34% 35%
Er zijn maar weinig mensen met wie ik kan praten Ik voel mij gesteund door familie en/of vrienden
68%
Ik voel me vaak in de steek gelaten
17% 19%
Er is niemand die speciaal belangstelling voor me heeft
16% 18%
77%
28% 31%
Ik heb behoefte aan meer contact met mensen
0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% 2024
november 2025, versie 1.3
2021
- 45 -
Inzicht in armoede 2025
3.3 Voorzieningengebruik Deze paragraaf begint met een beschrijving van de armoede- en schuldenvoorzieningen: bijstand, bijzondere bijstand/minimaregelingen en schuldhulpverlening. Voor het eerst zijn hierbij ook gegevens beschikbaar over de collectieve aanvullende verzekering (CAV) voor minima. Verder wordt ingegaan op de energietoeslag en de regelingen voor de opvang van ontheemde Oekraïners, die ten tijde van de vorige Armoedemonitor net van kracht waren geworden. Daarna wordt een beeld geschetst van de huishoudens die gebruik maken van een of meer armoede- of schuldenvoorzieningen.
3.3.1 Bijstand Op 31 december 2024 telden de drie MVS-gemeenten samen 5.353 lopende bijstandsuitkeringen. De uitkeringen zijn betaald aan 5.342 personen. In totaal hebben 11 personen een uitkering op grond van meer dan één bijstandswet (namelijk een combinatie van IOAW en PW, zie hierna). Figuur 3.31 laat de aantallen bijstandsuitkeringen zien per regeling en per gemeente, in 2022 en 2024.
Figuur 3.31 Bijstandsuitkeringen per regeling en gemeente, 2022 en 2024 (aantallen) 2.500
0
1 81
67
0 67
5 95
2.000 1.500 1.000 2 27
0 24
707
762
2022
2024
500
2.213
2.269
2022
2024
2.164
2.026
0 Maassluis
Vlaardingen PW
IOAW/IOAZ
2022
2024 Schiedam
Bbz
Bij de vorige Armoedemonitor, met peildatum 31 december 2022, waren er 5.157 lopende bijstandsuitkeringen. In de tussenliggende twee jaar is het aantal bijstandsuitkeringen in de MVS-regio dus toegenomen met 3,8%: in Maassluis met 6,8%, in Vlaardingen met 1,8% en in Schiedam met 4,9%. Gedurende enkele jaren groeide het aantal bijstandontvangers in Vlaardingen sneller dan in Schiedam, maar in de afgelopen twee jaar was dat omgekeerd. Hierdoor is het verschil tussen deze twee gemeenten wat betreft het aantal bijstandontvangers weer kleiner geworden. Verder ligt het aantal bijstandontvangers in Maassluis aanzienlijk lager dan in de andere twee gemeenten, niet alleen in absolute zin, maar ook in verhouding tot de bevolking. Eind 2024 betrof het per 1.000 inwoners in Maassluis 21,5 bijstandontvangers, in Vlaardingen 30,2 bijstandontvangers en in Schiedam 27,1 bijstandontvangers. Van alle eind 2024 lopende bijstandsuitkeringen is 97,0% toegekend op grond van de Participatiewet (PW) en 3,0% op grond van de Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers of Zelfstandigen (IOAW/IOAZ). In 2022 was er ook nog een handvol uitkeringen op grond van het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen (Bbz), maar in 2024 was daarvan geen enkele meer over.
In alle drie de gemeenten is het aantal PW-uitkeringen toegenomen, terwijl het aantal IOAW/IOAZ-uitkeringen, dat toch al laag was, licht is afgenomen.
november 2025, versie 1.3
- 46 -
Inzicht in armoede 2025 Inkomsten naast de bijstand Gedurende het kalenderjaar 2024 hadden in totaal 1.766 bijstandsontvangers inkomsten naast de bijstand, ofwel 33,1% van het totaal aantal bijstandsontvangers op 31 december 2024. Dit is iets minder dan in 2022: toen waren het er 1.855, ofwel 36,1%. Het gaat altijd om inkomsten die lager zijn dan het sociaal minimum, want anders was er geen recht op bijstand. Figuur 3.32 laat de kerncijfers zien over inkomsten naast de bijstand. In alle drie de gemeenten is het doorsnee bedrag aan neveninkomsten gestegen, in Maassluis heel licht en in Vlaardingen en Schiedam iets sterker. Echter, alleen in Schiedam is sprake van een reële stijging, dat wil zeggen een stijging die de inflatie in de tussenliggende periode (7,3%) overtreft. In Maassluis is sprake van een reële daling, terwijl de toename van de doorsnee neveninkomsten in Vlaardingen precies voldoende is om de inflatie te compenseren. Figuur 3.32 Kerncijfers inkomsten naast bijstand Maassluis 2022 2024 Doorsnee maandinkomsten € 298 € 300 Aantal ontvangers met inkomsten 316 310 Aandeel ontvangers met inkomsten 43,0% 39,5% Aandeel maanden met inkomsten 64,1% 72,6%
Vlaardingen 2022 2024 € 329 € 354 779 742 34,0% 31,8% 66,3% 68,6%
Schiedam 2022 2024 € 366 € 400 760 714 35,9% 32,1% 64,3% 71,0%
Net als bij de vorige Armoedemonitor, is het aantal bijstandontvangers met neveninkomsten in alle drie de gemeenten afgenomen. Procentueel is die afname nog iets sterker, omdat het totaal aantal bijstandontvangers in alle drie de gemeenten is toegenomen. Verder is het aandeel maanden waarin deze bijstandontvangers inkomsten genoten in alle drie de gemeenten toegenomen. Vergeleken met 2022 zit er nu dus iets meer continuïteit in de neveninkomsten. De figuren 3.33 tot en met 3.35 laten per gemeente zien om wat voor neveninkomsten het gaat, zowel in 2024 als 2022. De percentages zijn berekend door het aantal maandbedragen van een specifieke inkomstensoort te delen door het totaal aantal maandbedragen. Figuur 3.33 Inkomsten naast bijstand naar soort Maassluis (percentage van het aantal maanden waarin inkomsten zijn genoten) 39,1% 40,4%
inkomsten in loondienst 23,1% 21,4%
alimentatie uitkering arbeidsongeschiktheid
11,2% 10,1%
AOW/bedrijfspensioen
10,5% 10,0% 4,6% 5,4%
overige inkomsten uitkering werkloosheid
3,7% 1,9%
Ziektewet/ziekengeld
3,3% 2,5%
uitkering asielzoeker/gedoogde
1,8% 1,3%
inkomsten als zelfstandige
1,4% 2,1%
belastingkorting/toeslag
0,8%
inkomsten partner
0,4% 0,7%
0%
4,1%
5%
10% 2024
november 2025, versie 1.3
15%
20%
25%
30%
35%
40%
45%
2022
- 47 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 3.34 Inkomsten naast bijstand naar soort Vlaardingen (percentage van het aantal maanden waarin inkomsten zijn genoten) 37,4% 39,4%
inkomsten in loondienst alimentatie
17,0%
20,0%
13,4% 11,6%
AOW/bedrijfspensioen
13,2% 15,1%
uitkering arbeidsongeschiktheid Ziektewet/ziekengeld
5,3% 3,0%
overige inkomsten
4,3% 4,6% 2,8% 2,6%
uitkering werkloosheid uitkering asielzoeker/gedoogde
1,4% 0,9%
belastingkorting/toeslag
1,2%
inkomsten als zelfstandige
0,8% 1,7%
3,9%
0,2% 0,2%
inkomsten partner 0%
5%
10%
15% 2024
20%
25%
30%
35%
40%
45%
2022
Figuur 3.35 Inkomsten naast bijstand naar soort Schiedam (percentage van het aantal maanden waarin inkomsten zijn genoten) 39,4% 42,0%
inkomsten in loondienst 18,5% 19,5%
alimentatie uitkering arbeidsongeschiktheid
10,2% 10,1%
AOW/bedrijfspensioen Ziektewet/ziekengeld
5,0% 4,5%
overige inkomsten
4,8% 4,5%
uitkering werkloosheid
2,8% 3,0%
belastingkorting/toeslag
1,9% 2,4%
uitkering asielzoeker/gedoogde
0,8% 0,7%
inkomsten als zelfstandige
0,2% 1,3%
inkomsten partner
0,1% 0,7%
0%
5%
10% 2024
november 2025, versie 1.3
16,3%
11,4%
15%
20%
25%
30%
35%
40%
45%
2022
- 48 -
Inzicht in armoede 2025 Neveninkomsten uit werk in loondienst komen met voorsprong het meest voor. Daarna volgen alimentatie, pensioen en uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid. 22 Over het algemeen zijn de verschillen tussen de gemeenten niet zo groot. Ook de verschillen tussen de jaren 2022 en 2024 zijn beperkt. In Maassluis is het opvallendste verschil ten opzichte van de vorige meting dat het aandeel maandbedragen in de vorm van belastingkortingen en toeslagen sterk is afgenomen. Voor Vlaardingen geldt dat ook. Verder is daar het aandeel maandbedragen aan alimentatie en AOW- of bedrijfspensioen toegenomen, terwijl het aandeel uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid is afgenomen. Deze twee typen neveninkomsten zijn daardoor zelfs van positie gewisseld in de rangorde. In Schiedam is het aandeel maandbedragen in de vorm van belastingkortingen en toeslagen minder sterk afgenomen dan in de andere twee gemeenten. Vooral het aandeel maandbedragen aan uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid is er toegenomen. Dit afwijkende beeld in Schiedam wordt mogelijk verklaard doordat de beroepsbevolking daar groot is in vergelijking met Maassluis en Vlaardingen. In die twee gemeenten wonen in verhouding juist meer gepensioneerden en meer kinderen.
Uitstroom uit de bijstand In 2024 werd van in totaal 956 bijstandsontvangers de uitkering beëindigd: 151 uit Maassluis, 438 uit Vlaardingen en 367 uit Schiedam. In 2022 bedroeg het aantal beëindigingen 1.259. In 2024 is het dus 24,1% lager. Echter, als de reden ‘zelfstandig beroep of bedrijf’ niet wordt meegeteld (zie de toelichting hierna), gaat het om een daling van 13,2%. Figuur 3.36 laat de redenen van beëindiging zien in 2022 en 2024. Figuur 3.36 Redenen voor beëindiging bijstand, 2022 en 2024 (aantallen) 256
Arbeid in dienstbetrekking/uitkering ziekte 133 154
Verhuizing naar andere gemeente Bereiken AOW-gerechtigde leeftijd
89
Ander inkomen
71
Aangaan relatie
69 60
133
89
44 56
Oorzaak bij partner
40 43
Overlijden Geen inlichtingen
31
Zelfstandig beroep of bedrijf
26
Gaan volgen van onderwijs met studiefinanciering
25
Verhuizing naar buitenland
17 17
Niet verschenen op herhaalde oproep inlichtingenplicht
6 8
Niet verschenen op herhaalde oproep re-integratiegesprek
5 7
77 188
44
100 95
Overig 0
2024
332
100
200
300
400
2022
22 Overigens zijn er ook bijstandontvangers die vrijwilligerswerk verrichten. In 2024 gold dat voor 519 bijstandontvangers:
106 uit Maassluis, 176 uit Vlaardingen en 237 uit Schiedam. Dit gebeurt in het kader van sociale activering.
november 2025, versie 1.3
- 49 -
Inzicht in armoede 2025 De met voorsprong meest voorkomende reden voor beëindiging van bijstand was in 2024, net als in 2022, het vinden van betaald werk in loondienst (of eventueel het ontvangen van een Ziektewetuitkering, wat een voorziening voor werknemers is). Dit betrof 27% van de beëindigingen, tegenover 26% in 2022: in Maassluis steeg dit aandeel van 27% naar 31%, in Vlaardingen daalde het van 28% naar 24% en in Schiedam steeg het van 24% naar 28%. Het toeleiden van bijstandontvangers naar betaald werk is dus nog altijd nastrevenswaardig, ook al omdat van de huishoudens met betaald werk slechts een relatief klein deel in armoede leeft (zie figuur 3.23 in paragraaf 3.2.3). Toch is betaald werk geen garantie tegen armoede, want het aandeel van de huishoudens met betaald werk dat in armoede leeft groeit (zie figuur 3.24 in paragraaf 3.2.3). In de meeste categorieën is het aantal beëindigingen in 2024 lager dan in 2022. Dit geldt in het bijzonder voor het aantal beëindigingen met als reden zelfstandig beroep of bedrijf. Dit heeft te maken met de coronacrisis, waarvan de nasleep in 2022 nog speelde. Een flink aantal zelfstandigen kwam door de coronamaatregelen in financiële problemen en was genoodzaakt een beroep te doen op bijstand.
Toen deze ondernemers na de lockdowns hun bedrijf weer voortzetten, werd hun bijstandsuitkering beëindigd met als reden ‘zelfstandig beroep of bedrijf’. Figuur 3.37 Redenen voor beëindiging bijstand per gemeente 2024 (aandelen) Arbeid in dienstbetrekking/uitkering ziekte
24%
Verhuizing naar andere gemeente
31%
14% 16%
8%
15% 13% 14%
Bereiken AOW-gerechtigde leeftijd 6%
Ander inkomen
8% 9%
7% 7% 8%
Aangaan relatie
6% 4% 5%
Oorzaak bij partner
3%
Overlijden
1%
6%
3% 3% 3%
Geen inlichtingen Zelfstandig beroep of bedrijf
2% 1%
4%
2% 3% 2%
Gaan volgen van onderwijs met studiefinanciering
Verhuizing naar buitenland
2% 2% 2%
Niet verschenen op herhaalde oproep inlichtingenplicht
1% 0% 2% 1% 0% 0%
Niet verschenen op herhaalde oproep re-integratiegesprek
9%
Overig 0% Schiedam
28%
Vlaardingen
11%
10%
14%
20%
30%
40%
Maassluis
Figuur 3.37 toont de redenen voor beëindiging in 2024 per gemeente. De verschillen tussen de gemeenten zijn beperkt. Opvallend is vooral dat verhuizing naar een andere gemeente in Maassluis veel minder vaak reden van beëindiging is dan in Vlaardingen en Schiedam.
november 2025, versie 1.3
- 50 -
Inzicht in armoede 2025
3.3.2 Bijzondere bijstand en minimaregelingen In het kalenderjaar 2024 hebben 4.034 inwoners van de MVS-regio een uitkering ontvangen in het kader van de bijzondere bijstand of minimaregelingen: 608 uit Maassluis, 1.707 uit Vlaardingen en 1.720 uit Schiedam. Het totaal aantal van 4.034 ontvangers in 2024 is exact gelijk aan dat van 2022. Regelingen waarvan (voorheen) geen data beschikbaar waren – concreet: de collectieve aanvullende verzekering (CAV) – zijn hierin niet meegeteld, net zomin als relatief nieuwe tijdelijke regelingen, zoals de energietoeslag (ET) en de opvang van ontheemde Oekraïners (GOO/POO). Worden deze regelingen wel meegeteld, dan hebben 16.078 inwoners van de MVS-regio een uitkering ontvangen op grond van een of meer minimaregelingen: 2.867 uit Maassluis, 6.813 uit Vlaardingen en 6.398 uit Schiedam. Figuur 3.38 toont de aantallen per 1.000 inwoners. Figuur 3.38 Aantal ontvangers bijzondere bijstand/minimaregelingen per 1.000 inwoners Maassluis Vlaardingen Schiedam 2022 2024 2022 2024 2022 2024 Aantal ontvangers per 1.000 inw.* 54,0 78,5 71,9 88,2 67,0 77,9 w.v. ‘oorspronkelijk’ min.beleid 17,5 16,7 22,8 22,1 21,1 20,9 CAV 45,0 47,0 40,0 ET** 49,6 51,7 67,5 57,9 62,2 54,6 GOO/POO 3,7 0,7 2,5 4,0 4,7 1,2 *Let op: in 2024 is de CAV meegeteld, terwijl daarvan in 2022 geen cijfers beschikbaar waren.
**Betreft betalingen van de energietoeslag 2023, in de periode van 1 oktober 2023 tot 1 juli 2024.
Omdat voor het eerst de CAV is meegeteld in het gebruik van minimaregelingen, is het niet verwonderlijk dat het aantal gebruikers per 1.000 inwoners van alle regelingen samen in 2024 hoger uitvalt dan in 2022. Dit geldt voor alle drie de gemeenten, blijkt uit de eerste regel van de tabel. In verhouding tot het aantal inwoners is het gebruik van regelingen die vallen onder het ‘oorspronkelijke’ minimabeleid (dus exclusief CAV, ET en GOO/POO) in alle drie de gemeenten echter licht gedaald ten opzichte van 2022. Dit komt doordat het aantal ontvangers van oorspronkelijke regelingen (ongeveer) gelijk is gebleven, terwijl de bevolking in alle drie de gemeenten licht is gegroeid. Hierna wordt ingegaan op de afzonderlijk genoemde regelingen. Collectieve aanvullende verzekering (CAV) De collectieve aanvullende verzekering (CAV) is een relatief betaalbare zorgverzekering voor minima, die wordt aangeboden door DSW Zorgverzekeraar. Omdat de uitvoering van deze regeling is uitbesteed, waren er in vorige edities van de Armoedemonitor geen gegevens over de CAV beschikbaar. In deze editie is dit wel het geval. Op 27 maart 2025 hadden maar liefst 8.562 inwoners van de MVS-gemeenten de collectieve aanvullende verzekering: 1.644 uit Maassluis, 3.609 uit Vlaardingen en 3.269 uit Schiedam. Het is daarmee een voorziening met zeer veel gebruikers, maar niet zo veel als de energietoeslag.
Paragraaf 3.3.5 gaat dieper in op de gebruikers van de CAV. Energietoeslag (ET) De energietoeslag die in deze Armoedemonitor wordt behandeld is de energietoeslag 2023, die liep van 1 oktober 2023 tot 1 juli 2024. Sinds 1 juli 2024 is het niet meer mogelijk energietoeslag aan te vragen. In totaal is aan 10.849 inwoners van de MVS-regio energietoeslag uitbetaald: 1.899 uit Maassluis, 4.471 uit Vlaardingen en 4.489 uit Schiedam. Dat is – net als landelijk – iets minder dan in 2022, toen 11.829 inwoners van de MVS-regio energietoeslag ontvingen. De energietoeslag is echter nog altijd de regeling met het meeste gebruikers. De afname bedroeg MVS-breed 8,3%, maar de ontwikkeling verschilde per gemeente: in Maassluis was er een toename van 8,4%, terwijl er in Vlaardingen een afname van 10,7% was en in Schiedam een afname van 9,4%. De doelgroepen waren echter niet exact hetzelfde: in Vlaardingen en Schiedam werd de energietoeslag toegekend aan huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum, terwijl deze in Maassluis ook is toegekend aan huishoudens met een inkomen tussen de 120% en 150% van het sociaal minimum. Tot deze laatste groep behoorden 220 Maassluise huishoudens. Zij kregen een lager bedrag dan november 2025, versie 1.3
- 51 -
Inzicht in armoede 2025 huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum: € 500 in plaats van € 1.300. 23 Echter, ook zonder die extra doelgroep was het bereik in Maassluis bovengemiddeld. In Maassluis lag het bereik ruim boven het landelijk gemiddelde, in Vlaardingen iets eronder en in Schiedam was het ongeveer gelijk aan het landelijk gemiddelde. Opvang ontheemde Oekraïners (GOO/POO) Het aantal ontvangers van leefgeld op grond van de Gemeentelijke en Particuliere Opvang Oekraïners (GOO en POO) is in zowel Maassluis als Schiedam sterk afgenomen, terwijl het in Vlaardingen is toegenomen. Bij de vorige Armoedemonitor was het aantal uitkeringen aan Oekraïners in Vlaardingen juist relatief laag. Echter, in mei 2023 is in Vlaardingen het tijdelijke dorp Mrija geopend voor de opvang van zo’n 1.000 Oekraïners. Daarna verhuisden veel ontheemden vanuit de tijdelijke opvang in Maassluis en Schiedam naar Vlaardingen. Figuur 3.39 toont per gemeente voor de meest voorkomende vergoedingen op grond van het minimabeleid het aantal betalingen per 1.000 inwoners. MVS-breed is de rangorde vergelijkbaar met de vorige Armoedemonitor: de meeste betalingen zijn voor bewindvoering (ook wel beschermingsbewind genoemd), gevolgd door energietoeslag, opvang van Oekraïners (GOO/POO), individuele inkomenstoeslag en budgetbeheer. Wel zijn er enkele flinke verschillen tussen de gemeenten.
Zo zijn er in Vlaardingen en Schiedam veel meer betalingen voor bewindvoering dan in Maassluis. Budgetbeheer komt juist in Maassluis het meest voor en in Schiedam het minst. Deze twee instrumenten zijn min of meer communicerende vaten, met dit verschil dat bewindvoering plaats vindt na toetsing door de rechter, terwijl dit bij budgetbeheer niet het geval is. Verder zijn er in Vlaardingen veel meer betalingen op grond van de GOO en POO. Zoals gezegd, is dit terug te voeren op de opening van het tijdelijke dorp Mrija in Vlaardingen in 2023. Figuur 3.39 Meest voorkomende vergoedingen minimabeleid per 1.000 inwoners 2024* Maassluis Vlaardingen Schiedam bewindvoering 39,2 81,0 75,7 energietoeslag 51,8 58,0 54,6 GOO/POO 6,9 38,1 8,4 individuele inkomenstoeslag 10,8 14,0 13,1 budgetbeheer 13,5 9,7 3,5 inrichtingskosten woning 3,2 3,1 2,3 rechtsbijstand 1,6 3,2 2,7 griffierecht 0,7 1,7 1,7 woonkosten 0,3 1,0 2,1 reiskosten 5,3 0,3 0,3
MVS 71,0 55,4 19,8 13,0 7,8 2,8 2,7 1,5 1,3 1,3
*Let op: deze tabel geeft het aantal betalingen weer per 1.000 inwoners, figuur 3.38 geeft het aantal ontvangers per 1.000 inwoners weer.
De figuren 3.40 tot en met 3.42 laten de aantallen betalingen per gemeente zien voor 2022 en 2024. De belangrijkste verschillen tussen die twee jaren zijn de afname van de GOO/POO in Maassluis en Schiedam in combinatie met een toename in Vlaardingen sinds de opening van Mrija. Verder is het aantal betalingen van energietoeslag in Maassluis hoger dan in 2022 en in Vlaardingen en Schiedam lager, zoals hiervoor is beschreven.24
23 In tegenstelling tot Maassluis hebben de gemeenten Vlaardingen en Schiedam de energietoeslag ook toegekend aan
zelfstandig wonende studenten met een eigen energierekening. Dit betrof in totaal slechts 51 huishoudens. Bij deze groep ging het om een bedrag van € 900. 24 Ter toelichting bij de figuren 3.40 tot en met 3.42: sinds 1 april 2022 bestaat de individuele studietoeslag niet meer als een vorm van bijzondere bijstand. Per 1 april 2024 geldt de studietoeslag als een separate uitkering. Sinds medio 2020 bestaat de vrijwilligerspremie niet meer in Maassluis en Vlaardingen. De enige vrijwilligerspremie in Vlaardingen in 2022 (zie figuur 3.41) is mogelijk een verkeerde boeking of ontstaan doordat de ontvanger tijdens de aanvraag is verhuisd.
november 2025, versie 1.3
- 52 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 3.40 Meest voorkomende vergoedingen minimabeleid Maassluis, 2022 en 2024 (aantal maandbetalingen) 1.892 1.750
energietoeslag 1.431 1.392
budgetbeheer/bewindvoer.kosten rechtelijk 492
budgetbeheer niet-rechtelijk
623
395 416
individuele inkomenstoeslag 251
GOO/POO
882
195 153
reiskosten
118 80
inrichtingskosten woning
60 86
rechtsbijstand huur en vastrecht
38 28
griffierecht
25 25
woonkosten
12 5
individuele studietoeslag
0 14
aanvullende bijstand jonger dan 21 jaar
0 0
vergoeding vrijwilligerswerk
0 0
0
500 2024
1.000
1.500
2.000
2022
Figuur 3.41 Meest voorkomende vergoedingen minimabeleid Vlaardingen, 2022 en 2024 (aantal maandbetalingen) 6.259 6.233
budgetbeheer/bewindvoer.kosten rechtelijk 4.476
energietoeslag GOO/POO
1.494
2.943
1.078 1.094
individuele inkomenstoeslag
753 949
budgetbeheer niet-rechtelijk rechtsbijstand
244 231
inrichtingskosten woning
240 189
griffierecht
129 108
woonkosten
75 56
huur en vastrecht
72 43
reiskosten
24 12
individuele studietoeslag
12 62
aanvullende bijstand jonger dan 21 jaar
11 37
vergoeding vrijwilligerswerk
0 1
0
november 2025, versie 1.3
5.069
1.000
2.000
2024
2022
3.000
4.000
5.000
6.000
7.000
- 53 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 3.42 Meest voorkomende vergoedingen minimabeleid Schiedam, 2022 en 2024 (aantal maandbetalingen) 6.218 6.220
budgetbeheer/bewindvoer.kosten rechtelijk 4.491
energietoeslag 1.074 1.097
individuele inkomenstoeslag 690
GOO/POO budgetbeheer niet-rechtelijk
289 372
rechtsbijstand
220 204
inrichtingskosten woning
191 184
woonkosten
174 71
griffierecht
141 106
vergoeding vrijwilligerswerk
53 71
huur en vastrecht
45 57
reiskosten
26 9
aanvullende bijstand jonger dan 21 jaar
7 30
individuele studietoeslag
0 34
0
november 2025, versie 1.3
5.026
2.447
1.000
2.000
2024
2022
3.000
4.000
5.000
6.000
7.000
- 54 -
Inzicht in armoede 2025
3.3.3 Schuldhulpverlening Op 31 december 2024 waren er 1.493 actieve trajecten schuldhulpverlening: 174 in Maassluis, 718 in Vlaardingen en 597 in Schiedam. Op 31 december 2022 waren het er 1.141. In de tussenliggende twee jaar is dit aantal dus toegenomen met 30,9%. Daarmee is het ongeveer terug op het niveau van medio 2020 (1.442). De toename ten opzichte van 2022 bedroeg in Maassluis circa 26%, in Vlaardingen circa 35% en in Schiedam circa 27%. Gedurende het jaar 2024 hebben 1.168 cliënten zich aangemeld voor schuldhulp: 139 uit Maassluis, 460 uit Vlaardingen en 569 uit Schiedam. De jongste was 19 jaar en de oudste 83 jaar. Figuur 3.43 toont de leeftijden van de aanmelders. Uit de grafiek blijkt dat het zwaartepunt ligt bij jongeren; ongeveer de helft van de aanmelders is 35 jaar of jonger. Een eerste verklaring hiervoor is dat jongeren gemiddeld een lager inkomen hebben dan ouderen. Daarnaast zou een rol kunnen spelen dat jongeren wat impulsiever zijn dan ouderen en/of nog minder financiële vaardigheden hebben. Verder is het aannemelijk dat jongeren vaker in de gelegenheid zijn schulden aan te gaan door de manier waarop zij aankopen doen. Zo wordt bij online aankopen vaak de optie geboden om achteraf te betalen, waardoor het inzicht in de eigen financiële positie verslechtert. Het geld staat immers nog op de bankrekening, maar er is al wel een verplichting aangegaan.
Kortom, er zijn zowel individuele als systemische factoren in het spel. Figuur 3.43 Aanmelders schuldhulpverlening naar leeftijd 2024 MVS (aantallen) 60 50 40 30 20 10 0 19 21 23 25 27 29 31 33 35 37 39 41 43 45 47 49 51 53 55 57 59 61 63 65 67 69 71 73 77 80 83
Van de 1.493 cliënten die eind 2024 schuldhulp ontvingen hadden er 127 een schuldregeling: 10 in Maassluis, 64 in Vlaardingen en 53 in Schiedam. In 2022 waren dit er nog 286. Het aantal schuldregelingen is in de tussenliggende twee jaar dus afgenomen met 56%. Voor deze sterke afname bestaan twee verklaringen. Ten eerste is met ingang van 1 juli 2023 de aflosperiode voor bemiddeling en saneringskrediet (zie volgende alinea) verkort van 36 naar 18 maanden. Doordat deze trajecten veel sneller worden afgerond zijn er ook minder lopende regelingen. Ten tweede zou ook het systeem van vroegsignalering (zie paragraaf 4.2.2) een rol kunnen spelen in de afname van het aantal schuldregelingen. Doordat probleemschulden nu sneller in beeld zijn, krijgen meer huishoudens sneller schuldhulp. Het is goed denkbaar dat dankzij die snelle hulp soms ingrijpender maatregelen, zoals een schuldregeling, kunnen worden voorkomen. Er zijn drie vormen van schuldregeling: bemiddeling, saneringskrediet en betalingsregeling. Bij bemiddeling wordt een schikking getroffen met de schuldeisers om anderhalf jaar lang af te lossen op maximale afloscapaciteit tegen finale kwijting, dat wil zeggen dat de schuld die na die periode resteert wordt kwijtgescholden.
Bij een saneringskrediet neemt de Kredietbank de schulden over en lost de cliënt anderhalf jaar op maximale capaciteit af aan de Kredietbank, met kwijtschelding van de restschuld. Het voordeel hiervan is voor schuldeisers dat zij direct worden afbetaald en voor cliënten november 2025, versie 1.3
- 55 -
Inzicht in armoede 2025 dat zij met nog maar één schuldeiser te maken hebben, namelijk de Kredietbank. Bij een betalingsregeling betaalt de cliënt een maandelijks bedrag tot de schulden volledig zijn afgelost. In 2024 ging het bij 78% van de schuldregelingen om bemiddeling, bij 17% om een saneringskrediet en bij 6% om een betalingsregeling. In 2022 waren deze aandelen 91%, 7% en bij 2%. In verhouding zijn er in 2024 dus minder gevallen van bemiddeling, ongeveer even veel saneringskredieten en meer betalingsregelingen. Figuur 3.44 laat de kerncijfers per gemeente zien. Figuur 3.44 Kerncijfers schuldhulpverlening (SHV) Maassluis 2022 2024 cliënten SHV per 1.000 inw. % schuldregelingen gemiddelde schuld doorsnee schuld doorsnee aantal schuldeisers doorsnee looptijd (maanden) doorsnee maandinkomen
3,8 16% € 46.478 € 30.064 14 22 € 1.712
4,8 6% € 35.013 € 30.689 22 27 € 1.516
Vlaardingen 2022 2024 6,8 27% € 34.729 € 23.247 15 22 € 1.368
9,3 9% € 47.254 € 19.221 15 26 € 1.252
Schiedam 2022 2024 5,7 27% € 37.221 € 23.396 15 18 € 1.463
7,3 9% € 35.053 € 25.955 14 30 € 1.311
In deze tabel is te zien dat in alle drie de gemeenten het aantal cliënten schuldhulpverlening is toegenomen, maar in Schiedam en vooral in Vlaardingen is het aantal per 1.000 inwoners veel hoger dan in Maassluis. Wat betreft Vlaardingen speelt vermoedelijk mee dat er extra inzet is gepleegd, in de vorm van een preventiemedewerker in wijkteam West. Het aandeel cliënten met een schuldregeling is in alle drie de gemeenten gedaald, vooral in Vlaardingen en Schiedam. De belangrijkste reden hiervoor is dat de aflosperiode van de schuldregeling is gehalveerd, zoals hiervoor al werd toegelicht. Het doorsnee schuldenbedrag is in Maassluis ongeveer gelijk gebleven, in Vlaardingen gedaald en in Schiedam gestegen. Tegelijkertijd is het doorsnee besteedbaar huishoudensinkomen in alle drie de gemeenten gedaald. Overigens heeft geen enkele van de 127 huishoudens met een schuldregeling een hoog inkomen: het hoogste huishoudensinkomen bedraagt nog geen € 3.000 per maand. Dat is ruim onder het gemiddelde in onze regio. Verder valt op dat vooral in Vlaardingen het verschil tussen het doorsnee en het gemiddelde schuldenbedrag groot is. Dit komt doordat in Vlaardingen enkele huishoudens een zeer hoge schuld hebben, tot bijna een half miljoen euro. Die zeer hoge schulden trekken het gemiddelde omhoog. Het gemiddelde schuldenbedrag is dan ook gestegen in Vlaardingen.
Ook in Schiedam is dit het geval, terwijl het in Maassluis is gedaald. 25 Verder is het doorsnee aantal schuldeisers in Maassluis gestegen en in Vlaardingen en Schiedam (ongeveer) gelijk gebleven. Tot slot is de doorsnee looptijd in alle drie de gemeenten toegenomen. Het is onduidelijk wat hiervan de oorzaak is. Mogelijk speelt het toegenomen aandeel betalingsregelingen hierin een rol. Bij betalingsregelingen kan de looptijd flink oplopen, omdat er wordt afgelost tot de gehele schuld is afbetaald.26 Uiteraard zijn deze waarden voortdurend aan verandering onderhevig. Dat het aantal huishoudens met een schuldregeling vrij klein is, maakt bovendien dat het toeval hierin een behoorlijke rol speelt. Inkomensbronnen van huishoudens met schuldregeling De 127 huishoudens die een schuldregeling hebben leven voor het overgrote deel van betaald werk. Figuur 3.45 laat de inkomensbronnen van deze huishoudens zien. Voor de hele MVS-regio gaat het in 95% van de gevallen om salaris (of in een enkel geval een Ziektewetuitkering, wat een voorziening voor werknemers is), bij 3% gaat het om bijstand en bij 2% om een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Ten opzichte van de vorige Armoedemonitor is in Maassluis het aandeel met salaris iets afgenomen. Waar in 2022 5% (1 huishouden) leefde van bijstand, leefde in 2024 10% (ook 1 huishouden) van een
25 Ter vergelijking: de gemiddelde schuld in heel Nederland was in 2024 € 42.786, zie: NVVK, Jaarverslag 2024. 26 In 2024 was de langst lopende betalingsregeling 41 maanden oud, dus bijna 3,5 jaar.
november 2025, versie 1.3
- 56 -
Inzicht in armoede 2025 uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. In Vlaardingen en Schiedam is het aandeel dat leeft van betaald werk juist toegenomen. In Vlaardingen leefde in 2022 21% van de huishoudens met een schuldregeling van een uitkering en in 2024 was dit nog 8%. In Schiedam had in 2022 11% van een uitkering, maar in 2024 leefden alle Schiedamse huishoudens met een schuldregeling van betaald werk. Overigens was in de vorige Armoedemonitor, dus in 2022 ten opzichte van 2020, het aandeel huishoudens dat leeft van betaald werk in alle drie de gemeenten toegenomen. De huishoudens die in financiële problemen raken leven dus steeds vaker van betaald werk. Zoals bleek in paragraaf 3.2.3, heeft dan ook een toenemend deel van de werkenden een laag inkomen. Figuur 3.45 Inkomensbronnen van cliënten met schuldregeling 100%
5%
10%
95%
90%
90%
4% 2% 14%
1%
2% 6%
1% 3% 7%
92%
89%
2024
2022
80% 70% 60% 50% 40%
79%
100%
30% 20% 10% 0% 2022
2024 Maassluis
salaris/Ziektewet
2022 Vlaardingen
bijstand
arbeidsongeschiktheid
2024 Schiedam
AOW/Anw
werkloosheid
Uitstroom uit schuldhulpverlening In 2024 werden 293 schuldhulptrajecten beëindigd: 37 in Maassluis, 125 in Vlaardingen en 131 in Schiedam. De belangrijkste reden voor uitstroom uit de schuldhulpverlening is het succesvol afronden van het traject bij Stroomopwaarts. Zoals blijkt uit figuur 3.46, gold dit voor 73% van de beëindigingen. In 2022 was dit nog 64%, maar toen was van 14% van de beëindigingen onbekend wat de reden was tegenover 0% in 2024. Van de overige cliënten van wie de schuldhulp werd beëindigd kreeg 11% hulpverlening elders, bijvoorbeeld een traject in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (Wsnp) of hulp van het Regionaal Bureau Zelfstandigen (RBZ). Verder voldeed 9% niet aan de verplichtingen. Bij deze cliënten was dus sprake van uitval. Daarnaast regelde 5% van de cliënten het aflossen zelf. Tot slot werd bij 2% de schuldhulp beëindigd vanwege verloop, bijvoorbeeld omdat de cliënt verhuisde naar een andere regio of overleed. Het komt voor dat cliënten beginnen aan een schuldhulptraject, maar dit niet afmaken. In eerdere edities van de Armoedemonitor ging het meestal om cliënten die de informatiebijeenkomst bezochten, maar daarna niet verder gingen met het traject. Dit kwam waarschijnlijk doordat de zwaarte van een schuldregeling – die toen bovendien nog 3 jaar duurde – hen afschrikte.
In andere gevallen verstrekte de cliënt niet de benodigde informatie over de schulden of ontstond er gedurende de looptijd van de schuldregeling een nieuwe schuld. In deze gevallen voldoet de cliënt niet aan de eisen die gelden voor schuldhulpverlening, wordt de hulp beëindigd en is er sprake van uitval. In de afgelopen jaren vertoonde de uitval bij schuldhulpverlening een gestaag dalende trend, van 47,2% in 2018, naar 23,4% in 2020, naar 8,5% in 2022. In 2024 bedroeg de uitval 8,9%, waarmee de dalende trend lijkt te zijn gestabiliseerd.
november 2025, versie 1.3
- 57 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 3.46 Redenen voor beëindiging schuldhulpverlening, 2022 en 2024 succesvol afgerond bij Stroomopwaarts
64%
andere vorm van hulpverlening (Wsnp, RBZ)
73%
11%
6%
9% 8%
cliënt voldoet niet aan verplichtingen
5% 6%
cliënt regelt zelf / komt niet in aanmerking verloop (verhuizing, overlijden, etc.)
2% 1%
onsuccesvol afgerond bij Stroomopwaarts
0% 1%
onbekend/overig
0%
14%
0%
10%
20%
2024
30%
40%
50%
60%
70%
80%
2022
Figuur 3.47 laat de redenen voor beëindiging van schuldhulpverlening zien per gemeente. In 2024 bedroeg de uitval in onze regio 9%: in Maassluis 5%, in Vlaardingen 6% en in Schiedam 12%. In 2022 was dit 8%: respectievelijk 7%, 8% en 9%. In Maassluis en Vlaardingen is dus sprake van een daling, terwijl het in Schiedam is gestegen. Waarschijnlijk is dit verschil tussen de gemeenten toeval; de werkwijze is in ieder geval in alle drie de gemeenten hetzelfde. Wat betreft het aandeel ‘succesvol afgerond bij Stroomopwaarts’ (de meest voorkomende reden voor beëindiging) zijn de verschillen tussen de gemeenten dan ook beperkt. Verder valt op dat andere vormen van hulpverlening in Schiedam veel minder vaak de reden van beëindiging zijn dan in de andere twee gemeenten. Figuur 3.47 Redenen voor beëindiging schuldhulpverlening per gemeente 2024 76% 70% 73%
succesvol afgerond bij Stroomopwaarts 3%
andere vorm van hulpverlening (Wsnp, RBZ)
18% 16%
cliënt voldoet niet aan verplichtingen
6% 5%
cliënt regelt zelf / komt niet in aanmerking
6% 3% 5%
verloop (verhuizing, overlijden, etc.)
2% 2% 0%
onsuccesvol afgerond bij Stroomopwaarts
1% 0% 0%
0% Schiedam
november 2025, versie 1.3
10%
12%
20%
30%
Vlaardingen
40%
50%
60%
70%
80%
90% 100%
Maassluis
- 58 -
Inzicht in armoede 2025 Bereik van de schuldhulpverlening Ten opzichte van 2022 is in 2024 in alle drie de gemeenten het bereik van de schuldhulpverlening gestegen. Weliswaar is het aantal huishoudens met probleemschulden gestegen (zoals al bleek uit figuur 3.17 in paragraaf 3.2.2), maar het aantal huishoudens met schuldhulp is sterker gestegen. Figuur 3.48 laat zien hoe het bereik van de schuldhulpverlening zich heeft ontwikkeld. 27 In alle drie de gemeenten is het bereik toegenomen. Vooral in 2024 was het bereik in Vlaardingen echter flink wat groter dan in Maassluis en Schiedam. Dit verschil lijkt te worden veroorzaakt door de extra inzet van een preventiemedewerker in het wijkteam West in Vlaardingen. Het bereik is nog altijd niet erg groot, maar het accepteren van schuldhulp is dan ook niet verplicht. Schaamte en gebrek aan inzicht in de eigen financiën spelen vermoedelijk een rol in het lage bereik. Figuur 3.48 Bereik schuldhulpverlening, 2022 en 2024 16%
15,0%
14%
12,7%
12%
10%
9,8%
11,9%
10,6%
9,8%
10,5%
8,9%
8% 6% 4% 2% 0% 2022
2024
Maassluis
2022
2024
Vlaardingen
2022
2024
Schiedam
2022
2024 MVS
27 In de vorige Armoedemonitor zijn gegevens over probleemschulden met peildatum oktober 2021 gebruikt. Dit waren toen
de recentste beschikbare cijfers. In deze editie worden de cijfers van januari 2022 vergeleken met januari 2024. Zie voor meer cijfers: CBS, Schuldenproblematiek in beeld, 29 november 2024.
november 2025, versie 1.3
- 59 -
Inzicht in armoede 2025
3.3.4 Kenmerken van huishoudens met armoede- en/of schuldenvoorzieningen Deze paragraaf beschrijft de kenmerken van de leden van huishoudens in onze regio met een of meer armoede- of schuldenvoorzieningen. Het gaat om de kenmerken leeftijd, geslacht, herkomst en woonwijk. Zodoende kan een beter beeld worden verkregen van de inwoners die in armoede leven. In de paragrafen 3.3.1 tot en met 3.3.3 (over de afzonderlijke armoede- en schuldenvoorzieningen) ging het telkens over de aantallen ontvangers, dus over de hoofdaanvragers van de voorzieningen. Bij het al dan niet toekennen van deze voorzieningen wordt echter niet de financiële situatie van de hoofdaanvrager, maar die van het hele huishouden als uitgangspunt genomen. Om die reden is het gerechtvaardigd om aan te nemen dat alle leden van de desbetreffende huishoudens – ‘voorzieningengebruikers’ genoemd – in armoede leven. Op 1 januari 2025 waren MVS-breed 27.133 personen lid van een huishouden met een of meer armoede- of schuldenvoorzieningen. Hieronder waren 6.625 minderjarige kinderen. Dit is inclusief de relatief nieuwe regelingen voor de opvang van Oekraïense ontheemden (GOO/POO) en de energietoeslag (ET) en ook inclusief de collectieve aanvullende verzekering (CAV), waarover in deze editie van de Armoedemonitor voor het eerst gegevens beschikbaar zijn.
Door dit verschil in brongegevens is een vergelijking met het aantal uit de vorige Armoedemonitor niet zinvol. Exclusief de CAV maar inclusief de ET en GOO/POO leefden op 1 januari 2025 25.321 inwoners van de MVS-regio in armoede, waaronder 6.220 kinderen. Op 1 januari 2023 waren dit 25.698 personen, waaronder 6.466 kinderen. Uitgedrukt als percentage van de totale bevolking is de armoede (op basis van voorzieningengebruik inclusief ET en GOO/POO, maar exclusief CAV) in onze regio gedaald van 13,5% naar 12,9%. Specifiek voor kinderen daalde dit aandeel van 17,6% naar 16,6%. Op deze wijze gemeten steeg het armoedepercentage in Maassluis van 11,6% naar 12,3%, terwijl het in Vlaardingen daalde van 14,3% naar 13,7% en in Schiedam daalde van 13,5% naar 12,5%. Dat het percentage in Maassluis is gestegen is mede het gevolg van het ruimere toekenningsbeleid voor de energietoeslag in die gemeente (zie paragraaf 3.3.2). Helemaal zuiver is deze vergelijking dus niet. Bovendien was de ET een tijdelijke regeling, op grond waarvan vanaf 1 juli 2024 geen aanvragen meer konden worden ingediend. In figuur 3.49 wordt daarom de ontwikkeling van het armoedepercentage weergegeven volgens de oorspronkelijke meetmethode, dus op basis van het gebruik van bijstand, schuldhulp en minimaregelingen, exclusief ET, GOO/POO en CAV.
Omdat de vergelijking met de oorspronkelijke regelingen de meest zuivere is, wordt die in de rest van dit hoofdstuk getoond. Figuur 3.49 Armoede op basis van voorzieningengebruik MVS 2022 en 2024* *Voorzieningen: bijstand, schuldhulp en minimaregelingen, excl. ET, GOO/POO en CAV 14% 12,0%12,0%
12% 10% 8%
11,2% 10,8%
10,9% 10,1%
9,8% 10,0% 7,9% 8,1% 6,9%
6,1% 6,5%
7,5%
7,2% 7,5%
6% 4% 2% 0% Maassluis alle personen 2022
november 2025, versie 1.3
Vlaardingen alle personen 2024
Schiedam kinderen 2022
MVS kinderen 2024
- 60 -
Inzicht in armoede 2025 Volgens de oorspronkelijke meetmethode leefden op 1 januari 2025 14.714 inwoners van de MVS-regio in armoede, waaronder 4.192 kinderen. Op 1 januari 2023 gold dat voor 13.686 personen, waaronder 3.954 kinderen. Uitgedrukt als percentage van de totale bevolking is de armoede (op basis van voorzieningengebruik exclusief de ET, GOO/POO en CAV) in onze regio gestegen van 7,2% naar 7,5%. In Maassluis steeg het van 6,1% naar 6,5%, in Vlaardingen van 7,9% naar 8,1% en in Schiedam van 6,9% naar 7,5%. Voor kinderen steeg dit aandeel in onze regio van 10,8% naar 11,2%. In Maassluis steeg het van 9,8% naar 10,0%, in Vlaardingen bleef het gelijk op 12,0% en in Schiedam steeg het van 10,1% naar 10,9%. Niet alleen gemeten naar het huishoudensinkomen (zie paragraaf 3.2.2), maar ook gebaseerd op voorzieningengebruik leven kinderen in onze regio dus vaker in armoede dan volwassenen. Dat kinderen relatief vaak deel uitmaken van een huishouden met een laag inkomen komt doordat hun ouders meestal relatief jong zijn en nog aan het begin van hun carrière staan. In onze regio geldt dat in nog sterkere mate dan gemiddeld in Nederland, want er zijn hier relatief veel huishoudens met een laag inkomen en ouders beginnen hier relatief jong aan kinderen.
Dat kinderen relatief vaak deel uitmaken van een huishouden met een of meer voorzieningen komt vooral doordat hun ouders relatief vaak een laag inkomen hebben en daarnaast ook doordat er minimaregelingen speciaal voor kinderen zijn, zoals de regelingen van de Stichting Leergeld en het Jeugdfonds Sport en Cultuur. Overigens maken niet alle huishoudens die daar recht op hebben daadwerkelijk gebruik van alle voorzieningen. De exacte omvang van het niet-gebruik kan op grond van de beschikbare gegevens niet worden vastgesteld. Dit komt vooral doordat de doelgroep niet volledig in beeld is: het is niet exact bekend hoeveel huishoudens voldoen aan de voorwaarden voor de verschillende armoede- en schuldenvoorzieningen, laat staan welke huishoudens precies. 28 Uit onderzoek van de Universiteit Leiden blijkt dat er twee belangrijke redenen zijn waarom rechthebbenden geen gebruik maken van voorzieningen. Ten eerste denkt een deel van hen ten onrechte dat zij niet in aanmerking komen (of ze zijn helemaal onbekend met de voorzieningen). Ten tweede zijn sommige rechthebbenden bang om een schuld op te bouwen. Veel voorzieningen werken immers met voorschotten. Daarbij vindt later, als het inkomen definitief is vastgesteld, een afrekening plaats.
Dit risico om een schuld op te bouwen is voor sommige rechthebbenden reden om geen gebruik te maken van deze voorzieningen, ook al hebben zij die wel nodig. Veel van deze mensen hebben eerder een terugvordering gehad en hun ervaring gaat vaak gepaard met onbegrip en wantrouwen tegen de overheid. 29 De toeslagenaffaire is het meest indringende voorbeeld daarvan. Voorzieningengebruik naar leeftijdsgroep De ontwikkeling van het aantal voorzieningengebruikers is niet hetzelfde onder alle leeftijdsgroepen. Figuur 3.50 toont voor de jaren 2022 en 2024 en per leeftijdsgroep het aantal personen dat deel uitmaakt van een huishouden met een of meer armoede- of schuldenvoorzieningen, exclusief ET, GOO/POO en CAV. In de grafiek is te zien dat het aantal voorzieningengebruikers over de hele linie is toegenomen, maar de mate waarin verschilt per leeftijdsgroep. De sterkste toename is te zien onder twintigers. De leeftijdsgroep van 55-59 jaar is de enige die een afname laat zien en in de groep van 45-49 jaar is de toename zeer klein. Figuur 3.51 laat over 2024 de cijfers per gemeente zien. In afwijking van figuur 3.50, die aantallen toonde, gaat het hier om aandelen. De grafiek illustreert ten eerste dat het aandeel voorzieningengebruikers het laagst is in Maassluis (6,5% van alle Maassluizers, zoals hiervoor al werd vermeld), hoger Schiedam (7,5%) en het hoogst in Vlaardingen (8,1%).
De aandelen verschillen echter per leeftijdsgroep. Zo is de armoede in Maassluis vooral lager onder kinderen jonger dan 10 jaar, onder twintigers en onder 50-64-jarigen. De armoede in Maassluis is relatief hoog onder tieners en 28 Dit heeft te maken met de bescherming van de persoonlijke leefsfeer: gemeenten hebben geen toegang tot alle relevante
gegevens van individuele huishoudens, zoals het inkomen, tenzij die huishoudens deze gegevens vrijwillig verstrekken. 29 Zie: CBS, Waarom maken mensen geen gebruik van sociale voorzieningen?, 29 mei 2024.
november 2025, versie 1.3
- 61 -
Inzicht in armoede 2025 veertigers. In Vlaardingen is de armoede relatief hoog onder twintigers en onder 45-54-jarigen. In Schiedam leven in vergelijking met de rest van de regio vooral 65-plussers vaak in armoede. Deze stad telt dan ook relatief veel ouderen met alleen AOW, of met slechts een heel klein bedrijfspensioen. Ook ontvangen sommige migranten (waarvan er in Schiedam relatief veel wonen) een onvolledige AOW-uitkering, omdat zij zich pas na hun 15e verjaardag in Nederland hebben gevestigd. Figuur 3.50 Aantal voorzieningengebruikers per leeftijdsgroep MVS 2022 en 2024 1.400 1.200 1.000 800 600 400 200 0
2022
2024
Toch is de armoede onder ouderen in verhouding laag. De belangrijkste conclusie uit figuur 3.51 is juist dat vooral kinderen en jongeren vaak in armoede leven. In onze regio is dat nog sterker het geval dan landelijk (zie de figuren 3.9 tot en met 3.11 in paragraaf 3.2.1). Onder volwassenen is armoede beduidend lager, maar deze loopt wel op richting de pensioengerechtigde leeftijd – al geldt dit voor Maassluis in mindere mate. Personen van middelbare leeftijd die hun baan verliezen komen immers vaak moeilijk weer aan het werk; van hen wordt een relatief groot deel afhankelijk van armoedevoorzieningen. Onder 65-plussers is de armoede verreweg het laagst. Dit is vooral te danken aan de AOW die, hoewel het niet om heel grote bedragen gaat, toch beduidend hoger is dan de bijstand. 30 Overigens hebben 65-plussers ook relatief veel gebruik gemaakt van de energietoeslag, die niet in deze cijfers is meegenomen. Figuur 3.51 Aandeel voorzieningengebruikers per leeftijdsgroep en gemeente 2024 14% 12% 10% 8% 6% 4%
2% 0%
Maassluis
Vlaardingen
Schiedam
30 Koen Caminada, hoogleraar aan de Universiteit Leiden en lid van de Commissie Sociaal Minimum, stelt dat kindregelingen
(in het bijzonder toeslagen en belastingkortingen) in Nederland relatief sober zijn en er te vaak niet in slagen kinderen boven de armoedegrens te trekken, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de AOW, die veel senioren wel boven de armoedegrens trekt. Bron: Koen Caminada, Armoederisico kinderen (publieksversie).
november 2025, versie 1.3
- 62 -
Inzicht in armoede 2025 Voorzieningengebruik naar geslacht Onder mannen is het voorzieningengebruik iets sterker toegenomen dan onder vrouwen, maar het aandeel mannen dat afhankelijk is van deze voorzieningen is nog altijd lager dan het aandeel vrouwen. Dit blijkt uit figuur 3.52. Bij de vorige meting in 2022, toen het economisch bovengemiddeld goed ging, was het voorzieningengebruik juist sterker afgenomen onder mannen. Figuur 3.52 Voorzieningengebruikers naar geslacht MVS 2022 en 2024 10% 8%
7,8%
7,5%
7,2%
6,8%
6% 4% 2%
0% mannen
vrouwen 2022
2024
Figuur 3.53 laat zien dat er ook verschillen zijn binnen de regio. In alle drie de gemeenten zijn vrouwen vaker afhankelijk van armoedevoorzieningen dan mannen, maar het verschil tussen beide geslachten is in Schiedam groter dan in Maassluis en Vlaardingen. Figuur 3.53 Voorzieningengebruikers naar geslacht per gemeente 2024 10% 7,9%
8% 6,3%
8,2%
7,9% 7,0%
6,6%
6% 4% 2% 0% Maassluis
Vlaardingen mannen
Schiedam
vrouwen
Dat vrouwen vaker in armoede leven dan mannen komt vooral doordat zij veel vaker in deeltijd werken: in 2023 gold dit voor 65% van de vrouwen, tegenover 18% van de mannen.31 Hierdoor hebben vrouwen gemiddeld genomen een lager inkomen en maken zij vaak ook minder carrière. Het stichten van een gezin speelt hierin een cruciale rol. Jonge vrouwen hebben gemiddeld een hoger inkomen dan jonge mannen, omdat zij meestal meer opleiding hebben genoten. Echter, vrouwen die kinderen krijgen gaan vaak in deeltijd werken, terwijl mannen die kinderen krijgen in overgrote meerderheid voltijds blijven werken. Hierdoor hebben iets oudere mannen gemiddeld een hoger inkomen dan hun vrouwelijke leeftijdsgenoten. Mannen van middelbare leeftijd en ouder hebben meestal ook meer opleiding genoten dan vrouwen van die leeftijd. 31 Het gaat hier om personen van 15 tot 65 jaar die geen onderwijs volgen en minder dan 35 uur per week betaald werken.
Bron: CBS, Twee keer zoveel vrouwen als mannen niet op zoek en niet beschikbaar voor werk, 14 november 2024.
november 2025, versie 1.3
- 63 -
Inzicht in armoede 2025 Voorzieningengebruik naar herkomstgroep De verschillen in voorzieningengebruik tussen de herkomstgroepen zijn groot. Van de inwoners van Nederlandse herkomst is 3,6% afhankelijk van armoedevoorzieningen, terwijl dat voor bijvoorbeeld de inwoners van Nederlands-Caribische herkomst voor wel 23,7% geldt. Dit blijkt uit figuur 3.54. Figuur 3.54 Aandeel voorzieningengebruikers per herkomstgroep MVS 2022 en 2024 30% 25%
18,7% 18,4%
20% 15% 10% 5%
23,7% 22,9%
12,1% 11,7%
10,3% 10,1% 3,6% 3,5%
5,3% 3,9%
24,3% 23,8%
23,6% 21,8%
11,0% 10,2%
5,5% 5,1%
4,1% 3,4%
0%
2022
2024
Het voorzieningengebruik is in verhouding het sterkst toegenomen onder inwoners uit Midden- en Oost-Europa. In onze regio gaat het daarbij vooral om personen uit Bulgarije en Polen. Ook onder inwoners uit overig Amerika & Oceanië (bijvoorbeeld uit de Dominicaanse Republiek, Brazilië of Colombia) en de Nederlandse Cariben is de toename in voorzieningengebruik relatief groot. Overigens zijn er ook bevolkingsgroepen waarbij het voorzieningengebruik is afgenomen. Dit geldt in het bijzonder voor inwoners uit overig Afrika (bijvoorbeeld Somalië, Ethiopië, Eritrea, Kaapverdië). Ook onder inwoners uit overig Europa (bijvoorbeeld voormalig Joegoslavië, Portugal en de vroegere Sovjet-Unie, waaronder Oekraïne) en Marokko is de armoede licht afgenomen. Figuur 3.55 Aantal voorzieningengebruikers naar herkomst MVS 2022 en 2024 4.500 4.000 3.500 3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500 0
4.128 4.042
1.707 1.606 594 399
2.507 2.174 1.356 1.301 742 683
657 633
2022
november 2025, versie 1.3
1.367 1.370
1.217 1.110 111 100
306 264
2024
- 64 -
Inzicht in armoede 2025 Het opleidingsniveau vormt de belangrijkste verklaring voor de verschillen tussen herkomstgroepen wat betreft het bijstandsgebruik. Dit concludeert het CBS (zie het kader hieronder). Daarnaast kan ook discriminatie op de arbeidsmarkt een rol spelen, blijkt uit onderzoek van het SCP. 32 Opleidingsniveau belangrijkste verklaring voor verschillen in bijstand tussen herkomstgroepen Van de totale Nederlandse bevolking ontving 4,2% op enig moment gedurende het eerste kwartaal van 2022 een bijstandsuitkering. Vooral migranten uit Marokko en overig BuitenEuropese landen ontvingen vaak bijstand. Voor alle Buiten-Europese herkomstgroepen geldt dat de tweede generatie aanzienlijk minder bijstand ontving dan de eerste generatie (de migranten). Onder de tweede generatie van Marokkaanse, Surinaamse en Nederlands-Caribische herkomst was het aandeel met bijstand hoger dan het landelijk gemiddelde. Bij personen die zich nieuw in Nederland vestigden is de bijstandsafhankelijkheid hoog, met name bij personen die als migratiemotief asiel hebben. De bijstandsafhankelijkheid neemt wel af bij een langere verblijfsduur.
Om de verschillen in bijstandsafhankelijkheid tussen herkomstgroepen nader te onderzoeken, is de samenhang met verschillende relevante kenmerken onderzocht: leeftijd, geslacht, type huishouden, het volgen van een studie, het ontvangen van andere uitkeringen, zorggebruik en opleidingsniveau. Uit regressieanalyses bleek dat de groepen waarbinnen het aandeel personen met bijstand flink groter is dan gemiddeld (Marokkaanse, Turkse, Nederlands-Caribische, Surinaamse en overig Buiten-Europese migranten) het verschil afneemt na correctie voor de andere kenmerken, maar wel blijft bestaan. Voor de tweede generaties die vaker dan gemiddeld bijstand ontvangen (de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Nederlands-Caribische tweede generatie) geldt ook dat er met name een afname plaatsvindt na correctie voor opleidingsniveau. De verschillen in bijstandsafhankelijkheid die het CBS vond voor geboorteland en herkomstland hangen ten dele dus samen met een andere samenstelling van deze groepen. Wanneer hiermee rekening wordt gehouden, dan blijkt dat de achtergrondkenmerken (in volgorde van belang) opleidingsniveau, zorggebruik, type huishouden, het volgen van een studie en het ontvangen van een andere uitkering samenhangen met de kans dat iemand gebruik maakt van de bijstand. Verschillen naar geboorteland en herkomstland worden na correctie kleiner, maar blijven wel aanwezig.
Het verschil dat na correctie overblijft hangt mogelijk samen met achtergrondkenmerken die geen onderdeel zijn van deze studie, zoals beheersing van de Nederlandse taal en deelname aan sociale netwerken. Bron: CBS, Verschillen in bijstandsafhankelijkheid tussen herkomstgroepen, 30 oktober 2023
Overigens zijn de verhoudingen tussen de herkomstgroepen in absolute aantallen heel anders, zoals blijkt uit figuur 3.55. Als de aantallen wordt geteld, blijkt dat personen van Nederlandse herkomst de grootste groep vormen onder de inwoners die in armoede leven. Dit komt doordat personen van Nederlandse herkomst verreweg de grootste groep vormen onder de totale bevolking. Ook inwoners uit overig Azië (bijvoorbeeld Syrië, Irak, Afghanistan) en Turkije vormen relatief grote groepen onder de inwoners die in armoede leven. Figuur 3.56 toont voor 2024 de aandelen per gemeente. Over het geheel genomen is het voorzieningengebruik het hoogst in Vlaardingen en het laagst in Maassluis, maar dit geldt niet voor alle herkomstgroepen in dezelfde mate. Zo leeft in Schiedam een relatief groot deel van de Middenen Oost-Europeanen in armoede, terwijl het aandeel Marokkaanse en Surinaamse inwoners in armoede daar lager is dan in Maassluis en Vlaardingen. In Maassluis leven juist relatief veel inwoners uit overig Europa in armoede. In Vlaardingen geldt dat vooral voor inwoners van Turkse en NederlandsCaribische herkomst.
32 Zie: SCP, Op afkomst afgewezen, juni 2015. Dit onderzoek werd in de vorige Armoedemonitor al aangehaald.
november 2025, versie 1.3
- 65 -
Inzicht in armoede 2025 Figuur 3.56 Aandeel voorzieningengebruikers naar herkomst per gemeente 2024 *Aantal Maassluise voorzieningengebruikers van Indonesische herkomst ligt onder rapportagedrempel 35% 30%
26,8% 21,0%
25%
15,3%
15% 10% 5%
22,5%21,5%
20,2%
20%
7,1% 4,0% 3,9% 3,7% 2,8% 2,2%
6,5% 5,2% 4,7%
12,0% 8,7% 9,5%
30,7% 27,4%
27,7% 27,0%
19,6%
17,4%
14,3%
14,0%
12,6% 10,8% 5,7% 3,5%
10,0% 7,5%
0%
Maassluis
Vlaardingen
Schiedam
Voorzieningengebruik naar woonwijk Vanzelfsprekend verschilt het aandeel voorzieningengebruikers ook van wijk tot wijk. Figuur 3.57 illustreert dit. De wijken Aalkeetpolder (Maassluis), Broekpolder (Vlaardingen), Schiedamse Havens en Industriegebied (Schiedam) zijn niet weergegeven, omdat het aantal voorzieningengebruikers daar onder de rapportagedrempel valt. Dit zijn dan ook stuk voor stuk buurten met (zeer) weinig inwoners. Verder zijn er wat betreft Polderbuitengebied (Schiedam) over 2022 geen cijfers beschikbaar, omdat dit gebied toen nog geen aparte wijk was. Eind 2022 is de Schiedamse wijk- en buurtindeling gewijzigd en met ingang van 2024 heeft het CBS deze wijziging doorgevoerd in alle statistieken. De actuele wijken buurtindelingen van de drie gemeenten zijn te vinden in bijlage 3. Uit deze grafiek blijkt ook dat de verschillen tussen de wijken het grootst zijn in Schiedam. Zoals al in paragraaf 3.2.3 werd beschreven, heeft dit te maken met het feit dat de wijken in Schiedam homogener van samenstelling zijn dan in Maassluis en Vlaardingen, bijvoorbeeld wat betreft de woningvoorraad en de inkomens van huishoudens. Wijken waar het voorzieningengebruik relatief hoog is zijn Dijkpolder (Maassluis), Westwijk, Holy Zuid (Vlaardingen), Groenoord en Nieuwland (Schiedam).