Bijlage ontwerp-wijzigingsplan Polderweg 260
Tekst van het document
Stikstof Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) – dat juli 2015 van kracht werd – berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit leidde tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempel- en grenswaarden die bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden. In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak kan maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb).
Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Sinds de vernieuwing van AERIUS Calculator op 16 september 2019 kan correct berekend worden of er überhaupt sprake is van stikstofdepositie op relevant Natura 2000-gebied. Daarbij dient zowel de bouw/aanlegfase als de gebruiksfase doorgerekend te worden. Bij een uitkomst boven de 0 is het sinds 11 oktober 2019 in (beperkte mate) mogelijk om toestemming te krijgen voor nieuwe activiteiten waarbij stikstofdepositie een rol speelt. Voor 2020 wordt er een drempelwaarde verkend voor stikstofdepositie, zodt het vergunningsproces voor veel (kleine) activiteiten weer in gang kan worden gezet. Het projecteffect is berekend met behulp van de AERIUS calculator. Stap 1 van de toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten is gevolgd. De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied. Omdat het projecteffect niet meer is dan 0,00 mol/ha/jr, geldt er op basis van stap 1 uit het stappenplan
28
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
‘Toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten’ geen vergunningplicht. Een nader onderzoek naar stikstofdepositie is daarom niet nodig. Het volledige rapport inclusief Aerius berekeningen (kenmerk 18081666/BMO/stikstof) is opgenomen als bijlage 3 bij de toelichting.
4.4.3 Conclusie Het wijzigingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk welke significante gevolgen kunnen hebben voor enige in de ruimte omgeving gelegen Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling van de gevolgen voor deze gebieden is derhalve niet vereist. Met inachtneming van de algemene zorgplicht en de specifieke zorgplicht voor vogels overeenkomstig de Wet natuurbescherming, kunnen de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder dat vaste rust- en verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied van beschermde soorten wordt aangetast.
4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Algemeen Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie.
De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones). Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. Deze begrippen zijn in de wet eenduidig gedefinieerd, en in de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, en een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat er (beperkt) kwetsbare objecten (kunnen) worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6 /jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan.
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
29
wijzigingsplan Polderweg 260
Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron. Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens (de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit). Gesteld kan worden dat aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron niet meetelt voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt.
4.5.2 Beoordeling Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risicocontouren groter dan 10-6 /jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande figuur.
Afbeelding 7- Plangebied op uitsnede risicokaart Risicovolle inrichtingen Uit de risico-inventarisatie blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen zijn in de nabije omgeving. Voor zowel het PR (risicocontour) als het GR (invloedsgebied) geldt dat de planlocatie niet binnen de risicocontouren valt van bedrijven die zich op nog grotere afstand bevinden en wel risicovol zijn. Transport gevaarlijke stoffen over de weg In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen spoorlijnen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via bu isleidingen Op circa 160 meter ten westen van het plangebied ligt een aardgasleiding (W521-06) met een druk
30
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
van 40 bar en een diameter van 16 inch. Deze aardgasleiding ligt op een meter diepte. Er geldt bij de aardgasleiding een vrijwaringszone van 5 meter, hierbinnen mag niet gebouwd worden. Er geldt een inventarisatiegebied van 170 meter, waarbij het groepsrisico moet wordeverantwoord als er binnen deze zone een toename plaatsvindt van het aantal mensen als gevolg van nieuwe ontwikkelingen. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling net in het inventarisatiegebied van de buisleiding ligt en het aantal mensen toeneemt, is voor de volledigheid en zekerheid het groepsrisico nader verantwoord. Verantwoording groepsrisico De betreffende leiding loopt ver buiten het plangebied. De bijdrage van dit plan aan het aantal slachtoffers als gevolg van een calamiteit is daardoor gering. Deze ruimtelijke onderbouwing biedt dan ook geen mogelijkheden voor maatregelen die het groepsrisico verlagen. Om die reden beperkt de verantwoording zich tot de mogelijkheden van zelfredzaamheid en rampenbestrijding. Om dat te kunnen beoordelen, is inzicht nodig in het maatgevende scenario. Voor een aardgastransportleiding is dat de (volledige) breuk van de leiding. Weliswaar komen lekken aan een leiding vaker voor dan een breuk, maar in een studie door het RIVM (“Achtergronden bij de vervanging van zoneringsafstanden hoge druk aardgastransportleidingen van de N.V.
Nederlandse Gasunie”, 2008) blijkt dat het risico van leidinglekken verwaarloosbaar is ten opzichte van het risico van leidingbreuk. Een breuk kan veroorzaakt worden door ernstige beschadiging door bijvoorbeeld graafwerkzaamheden. Indien de leiding ineens breekt, komt een grote hoeveelheid aardgas vrij, die in de meeste gevallen direct zal ontsteken. Hierdoor ontstaat een (verticale) fakkel die afhankelijk van de eigenschappen van de aardgastransportleiding tot een hoogte van enkele honderden meters kan reiken. Buiten deze fakkel kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van de warmtestraling. Buiten de 100% letaliteitszone zijn personen tegen de warmtestraling beschermd indien ze zich binnen een gebouw bevinden. Daar het plangebied gelegen is buiten de 100%-letaliteitszone is het rampscenario bestrijdbaar. Om de aanwezigen in het gebied zo goed mogelijk te kunnen helpen is het van belang dat: 1. De bereikbaarheid van het blootgestelde gebied voldoende is; 2. De inzetbaarheid van middelen mogelijk is (bluswatervoorzieningen en inzet materieel); 3. Er voldoende opstelmogelijkheden zijn in het blootgestelde gebied. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten via diverse ontsluitingen. Ook is de wandel- en fietsroute toegankelijk voor hulpdiensten. Binnen het plangebied is voldoende ruimte voor opstelmogelijkheden.
Voor de brandweer dienen voldoende bluswatervoorzieningen in het gebied aanwezig te zijn met het oog op effectbestrijding en nazorg. Via de Broekkade en de Polderweg kan er van de risicoplek af gevlucht worden. Qua zelfredzaamheid is het relevant dat de gebouwen bescherming bieden tegen warmtestraling. Voor de personen in het plangebied betekent dit dat zij afgeschermd zijn door de lintbebouwing aan de Polderweg. Tevens dienen zij bij een incident met de aardgastransportleiding binnen te blijven en niet te vluchten. In dit geval maakt het niet uit of de personen goed of verminderd zelfredzaam zijn. Zij kunnen immers het beste binnen blijven. Uit onderzoek van DCMR naar externe veiligheid van 9 januari 2012 (kenmerk: 21319975) blijkt het aspect externe veiligheid voor de huidige situatie (met de wijzigingsgebied) geen belemmering te zijn. Afstemming brandweer / veiligh eidsregio Rotterdam-Rijnmond
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
31
wijzigingsplan Polderweg 260
In afstemming met de brandweer en veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond is afgesproken dat woningsprinklers conform NEN 2077 worden gerealiseerd. Het aanbrengen van een sprinklersysteem betekent dat: De bewoners bij het ontstaan van brand door het inwerking treden van dit blussysteem worden gealarmeerd en zichzelf in veiligheid kunnen brengen. Het alarm hiervoor zal wel gekoppeld moeten worden aan het blussysteem; Een ontstane brand zal door het sprinklersysteem beperkt van omvang blijven, waardoor uitbreiding nauwelijks mogelijk is. In voorkomende gevallen zal de brand ook geblust kunnen worden door het sprinklersysteem. Op basis van bovenstaande genomen maatregelen om de veiligheid van bewoners te garanderen, de in de woning aanwezige personen kunnen zichzelf op tijd in veiligheid brengen, en de omvang van een ontstane brand beperkt blijft hebben de brandweer en VRR voor dit specifieke project van zeven woningen voor wat betreft de bereikbaarheid een positief advies afgegeven.
4.5.3 Conclusie Gelet op het advies van de VRR en de Visie Externe Veiligheid zijn in het wijzigingsplan voorwaardelijke verplichtingen in de regels opgenomen (zie regels artikel 4.6.3) die borgen dat sprake is van een aanvaardbare situatie ten aanzien van zelfredzaamheid en brandbeveiliging. Gezien het lage groepsrisico en de mogelijkheden die het wijzigingsplan biedt om maatregelen in de regels op te nemen, is de gemeente Schiedam van mening dat uitvoering van het wijzigingsplan op een verantwoorde wijze plaats kan vinden.
4.6 Geluid 4.6.1 Algemeen Op grond van de Wet geluidhinder zijn normen gesteld met betrekking tot de maximale geluidsbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen. Op grond van de Wet geluidhinder moet aan deze normen worden voldaan indien een woning binnen een wettelijke geluidszone is gelegen. Het plangebied is gelegen binnen de geluidzones van enkele wegen, een spoorweg en van bedrijventerreinen.
4.6.2 Beoordeling Het rapport 'Akoestisch onderzoek Polderweg 260 te Schiedam' met projectnummer 2181114.v2 is als separate bijlage 4 aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Onderstaand worden de conclusies uit dit onderzoek kort benoemd. Beoordeling wegverkeerslawaai De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeer- en spoorweglawaai is in dit rapport berekend, middels de Standaard Rekenmethode 2 voor wegverkeer- en spoorweglawaai. De hoogst berekende geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai overschrijdt op geen enkel punt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er is geen sprake van een hogere waarde voor wegverkeerslawaai. Beoordeling spoorwegverkeerslawaai De hoogst berekende geluidsbelasting ten gevolge van spoorweglawaai overschrijdt op een diversel punten de voorkeursgrenswaarde van 55 dB op woningen A tot en met F. Er wordt wel voldaan aan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van 68 dB voor railverkeerslawaai. Derhalve dient er een procedure hogere waarde te worden ingediend voor spoorweglawaai voor woningen A tot en met F.
32
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Beoordeling indu strielawaai Na berekening wordt geconcludeerd dat de geluidbelasting door industrie de voorkeurswaarde niet overschrijdt.
4.6.3 Besluit hogere waarden Op grond van het bepaalde in artikel 4.10 Besluit geluidhinder kunnen hogere waarden (geluid) worden vastgesteld indien de voorkeursgrenswaarde voor railverkeerslawaai wordt overschreden. Hogere waarden (geluid) kunnen worden vastgesteld tot maximaal 68 dB. Voor zes van de zeven nieuwe woningen wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden. De maximaal toe te kennen hogere waarde wordt echter niet overschreden. Het besluit hogere waarden is gelijktijdig met het voorliggende wijzigingsplan in procedure gebracht.
4.6.4 Conclusie In het kader van spoorwegverkeerslawaai dient er een hogere waarde te worden vastgesteld voor spoorweglawaai voor zes van de nieuwe woningen.Na toekenning van hogere waarden voldoet het wijzigingsplan aan de Wet geluidhinder. Om te borgen dat blijvend wordt voldaan aan de Wet geluidhinder zijn in de regels nog enkele specifieke bepalingen opgenomen (zie regels artikel 9).
4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1 Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO 2 ) en zwevende deeltjes (PM 1 0 en PM 2 ,5 ) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen.
Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies. Nationaal Samenwerkingsprogramma Lu chtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om er voor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM).
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
33
wijzigingsplan Polderweg 260
AMvB en NIBM (niet in betekenende mate) De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De AMvB en Regeling "Niet in betekenende mate" bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie, maar ook om de personen in de omgeving daarvan.
4.7.2 Beoordeling In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan kan gesteld worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO 2 , PM 1 0 en PM 2 ,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald. In de volgende figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2 , PM 1 0 en PM 2 ,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2017 (toetspunten gelegen langs de Polderweg, Kerkweg en 's- Gravelandseweg).
34
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Afbeelding 8 - Indicatieve aanduiding plangebied met meetpunten Uit bovenstaand figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO 2 en PM 1 0 langs de gemonitorde wegen ter hoogte van het plangebied voor de voornoemde stoffen respectievelijk maximaal 27,9 en 19,8 µg/m3 is. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 µg/m3 voor PM 2 ,5 . Deze is in het plangebied maximaal 11,9 µg/m³. De daggemiddelde grenswaarde voor PM 1 0 van 50 µg/m³ mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 7,5 overschrijdingsdagen voor. In tabel 2 zijn deze bevindingen kort opgesomd.
Tabel 2 - Achtergrondwaarden en grenswaarden Bovendien is de trend dat in de toekomst de emissies en daarmee gepaard gaande achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
4.7.3 Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen.
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
35
wijzigingsplan Polderweg 260
4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.8.1 Algemeen De Wet milieubeheer beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving of ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen zoveel mogelijk te voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken worden door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wet milieubeheer gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een 'goede ruimtelijke ordening' eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies zoals wonen. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. In dit geval is er geen sprake van functiescheiding, aangezien er naast wonen veel bedrijven in de omgeving aanwezig zijn. Om deze reden wordt de onder beschreven omgevingstype ‘gemengd gebied’ gehanteerd. De locatie behoort dus tot de tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd.
De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object. Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is.
4.8.2 Beoordeling De omgeving van de Polderweg 260 kan aangemerkt worden als een gemengd gebied omdat er een sterke menging is van wonen en bedrijven. Aan de Polderweg is er een verscheidenheid van wonen en bedrijvigheid. Het planvoornemen is om de huidige bestemming ‘’agrarisch – caravanstalling’’ om te zetten tot bestemming ‘’wonen’’. Het voornemen is om 7 woningen te realiseren. Gelet op de beoogde ontwikkeling, welke geluidsgevoelige objecten toevoegt aan het gebied, is een verdere beoordeling in het kader van bedrijven- en milieuzonering noodzakelijk. Onderstaande tabel geeft de omliggende mogelijke hindergevoelige adressen weer. In de derde kolom is weergegeven wat de afstand wordt met de toekomstige bebouwing.
36
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Tabel 3 - Afstanden tot nabijgelegen bedrijven De op nabij gelegen caravanstalling valt onder milieucategorie 2 (SBI-2008: 5221), hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter (gelet op het omgevingstype gemengd gebied). De voorgenomen planontwikkeling ligt net buiten deze richtafstand. De perceelgrens van het planvoornemen is op 8,5 meter gelegen van de stalling. Echter, wordt er in het planvoornemen op minimaal 10 meter van de bedrijfsvoering bouwvlakken ingetekend. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter. Voor de beide bedrijven aan de Kiotoweg is in het bestemmingsplan Bedrijventerrein Noordwest (NL.IMRO.0599.BP1027BedrvnterNW-oh01) beschreven dat er alléén bedrijven zijn toegestaan t/m milieucategorie 3.2. Voor deze categorie geldt in een gemengd gebied de richtafstand 50 meter. De planlocatie ligt dus niet binnen de richtafstand van deze bedrijven, hierbij is ook gekeken naar de maximale planologische situatie van de bedrijfslocaties (zie onderstaande figuur). Het bedrijf aan de Sheffieldstraat 89 (milieucategorie 5.3) is als uitzondering opgenomen in het bestemmingsplan Bedrijventerrein Noordwest, hiervoor geldt een richtafstand van 700 meter in een gemengd gebied. De planlocatie ligt buiten de richtafstand van dit bedrijf (zie tabel 3).
Afbeelding 9 - Plangebied in relatie tot milieuzonering nabijgelegen bedrijven
4.8.3 Conclusie Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
37
wijzigingsplan Polderweg 260
4.9 Archeologie 4.9.1 Algemeen De gemeente Schiedam heeft een archeologisch beleid en beleidsinstrumenten ontwikkeld, waaronder de beleidsnota 'Archeologische Monumentenzorg gemeente Schiedam' en de 'Archeologische Waardenkaart Schiedam' (januari 2008). Hiermee is een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen gewaarborgd. Het beleid sluit aan op en komt mede voort uit het Rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem, voor documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is en dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.
De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.
4.9.2 Beoordeling De gronden binnen het plangebied hebben allen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Op grond van deze dubbelbestemming geldt een bouwverbod (met afwijkingsbevoegdheid) en een vereiste tot het hebben van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden welke de aanbevolen oppervlakte- en dieptematen overschrijden. Een archeologisch onderzoek is verplicht gesteld om af te kunnen wijken van het bouwverboden of om de omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden te kunnen verlenen. Voor de locatie is reeds een Programma van Eisen opgesteld voor het archeologisch onderzoek. Na uitvoering van het onderzoek kan worden bepaald of en in hoeverre de locatie verder in ontwikkeling kan worden genomen.
4.9.3 Conclusie Met inachtneming van de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' is het archeologisch belang voldoende afgedicht. Voordat tot uitvoering van eventuele concrete bouwplannen kan worden overgegaan moet een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Het Programma van Eisen voor dit onderzoek is in principe beschikbaar.
38
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Hoofdstuk 5
Planbeschrijving
5.1 Algemeen Het wijzigingsplan geeft uitvoering aan twee wijzigingsbevoegdheden uit het vigerende bestemmingsplan Polderwetering.
5.2 Doelstellingen Insteek is toepassing te geven aan de doelstelling om op vrijwillige basis te komen tot sanering van (agrarische) bedrijfsactiviteiten in het gebied. Daarbij wordt de mogelijkheid geboden om ter compensatie voor sloop en sanering van bedrijfsfuncties op beperkte schaal woningbouw te realiseren. Naast woningbouw vindt ook ontwikkeling van groengebieden plaats, doordat in een deel van het plangebied de functie wordt gewijzigd naar Groen-2. Beoogd wordt hiermee een landschappelijke en functionele kwaliteitsverbetering te realiseren in het gebied.
5.3 Uitgangspunten De uitgangspunten voor wijziging van het bestemmingsplan zijn vastgelegd in de voorwaarden voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheden.
5.4 Ontwikkelingen Het wijzigingsplan maakt de bouw van in totaal zeven nieuwe woningen mogelijk, met de aanleg van een groengebied. Op afbeelding 10 is een indicatieve weergave gegeven van de door de initiatiefnemer beoogde ontwikkeling.
Afbeelding 10 - Indicatieve weergave beoogde ontwikkeling
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
39
wijzigingsplan Polderweg 260
40
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Hoofdstuk 6
Juridische aspecten
6.1 Algemene juridische opzet In dit bestemmingsplan wordt de planologisch-juridische basis gelegd voor het perceel Polderweg 260. Het wijzigingsplan heeft een belangrijke functie als toetsingskader voor bouwaanvragen en het toekomstige gebruik van de gronden en gebouwen. Het plan is opgesteld op basis van de SVBP2012 en het IMRO 2012. Het wijzigingsplan vormt feitelijk de vertaling van de relevante wijzigingsbevoegdheden uit het vigerende bestemmingsplan Polderwetering. Op de verbeelding (plankaart) is te zien waar en welke bestemmingen van toepassing zijn. Eveneens is op de verbeelding de exacte omvang en ligging van het plangebied vastgelegd. De regels in het wijzigingsplan zijn overgenomen uit het geldende bestemmingsplan en daar waar nodig aangepast aan de actuele standaard bestemmingsplanregels van Schiedam. Op enkele aspecten is maatwerk opgenomen in de regels, om te waarborgen dat aan de voorwaarden voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid wordt voldaan danwel om specifieke aspecten met betrekking tot de uitvoerbaarheid te waarborgen. Opbou w regels De regels zijn als volgt gestructureerd: Hoofdstuk 1 van de regels geeft de algemene bepalingen weer. Het betreft de begripsbepalingen (artikel 1) waarin de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd.
In artikel 2 (wijze van meten) wordt aangegeven hoe de voorgeschreven maatvoering (zoals goothoogte, bouwhoogte, inhoud en oppervlakte) in het plan gemeten moet worden. In hoofdstuk 2 zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. Per bestemming is bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels gelden. Tevens zijn waar mogelijk flexibiliteitsbepalingen opgenomen of zijn regels gesteld die er op toezien dat de uiteindelijke aanvragen omgevingsvergunning voldoen aan het gestelde in de wijzigingsbevoegdheden die ten grondslag liggen aan het wijzigingsplan. In hoofdstuk 3 staan aanvullende bepalingen die, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, voor het hele plangebied gelden. Hierbij kan worden gedacht aan de algemene afwijkingsregeling, die het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft om op ondergeschikte punten van de regels in hoofdstuk 2 af te wijken; Hoofdstuk 4 van de regels heeft betrekking op het overgangsrecht en de slotbepaling.
6.2 Bestemmingen 6.2.1 Groen-2 De structurerende groenvoorzieningen in het plangebied zijn bestemd als "Groen-2''. Binnen deze bestemming zijn ondergeschikte watergangen, watervoorzieningen, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden toegestaan. Binnen de bestemming 'Groen - 2' worden de aanwezige natuur- en landschapswaarden behouden en waar mogelijk versterkt.
6.2.2 Wonen De gronden bestemd voor de functie wonen, inclusief de daarbij behorende tuinen, erven, ontluitingsweg en parkeervoorzieningen, zijn bestemd als Wonen. Binnen de functie Wonen is ook de uitoefening van mantelzorg en een aan huis verbonden beroep of
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
41
wijzigingsplan Polderweg 260
bedrijfsmatige activiteit toegestaan. Voorwaardelijke verplichtingen In de regels voor de bestemming Wonen zijn in artikel 4.6 drie voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Door deze verplichtingen is gebruik van de gronden voor de functie Wonen aan voorwaarden gekoppeld. In artikel 4.6.1 van de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot een inrichtingsplan voor het plangebied. Voor de beoogde ontwikkeling zijn nog geen concrete aanvragen omgevingsvergunning ingediend. In de toekomstige situatie is sprake van een herverkaveling van het perceel. Dit heeft onder andere ook tot gevolg dat een aantal eigenaren gezamenlijk verantwoordelijk worden voor het beheer en onderhoud van de secundaire watergangen. De bestaande ontsluitingsweg op het perceel blijft in principe behouden en zal (vermoedelijk) als mandelig eigendom aan de toekomstige woningeigenaren behoren. Ditzelfde geldt voor het te realiseren groengebied aan de oostzijde van het plangebied. Gelet op deze situatie is op dit moment nog onvoldoende concreet inzichtelijk te maken hoe het beheer en onderhoud van het gebied in de toekomst wordt vormgegeven. Ook is nog niet specifiek duidelijk welke maatregelen in het plangebied kunnen worden getroffen ter verbetering van de landschappelijke, ecologische en waterhuishoudkundige situatie en om het plangebied waterrobuust en klimaatbestendig te maken.
Ook is nog niet uitgewerkt hoe het perveel verkabeld wordt. Mede om die reden wordt in de regels van het wijzigingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen waardoor het gebruik van de gronden voor de functie Wonen pas is toegestaan wanneer een inrichtingsplan voor het plangebied is uitgewerkt en deze door de gemeente akkoord is bevonden. Met het inrichtingsplan wordt inzichtelijk hoe het terrein wordt ingedeeld en komen aspecten als maaiveldverhoging, toegankelijkheid van de watergangen, inrichting en beheer van het groengebied en de situering van de woningen / bouwkavels aan bod. Hiermee is geborgd dat op een verantwoorde wijze met deze aspecten wordt omgegaan. In artikel 4.6.2 van de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot de instandhouding van het bestaande asfaltpad binnen het plangebied. Deze verplichting vloeit voort uit de Wet bodemkwaliteit. Voordat tot eventuele aanpassing of verwijdering van de bestaande ontsluitingsweg wordt overgegaan moet eerst nader bodemonderzoek worden verricht of moet een sanering plaatsvinden. In artikel 4.6.3 van de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van het gebruik van de woningen. Dit gebruik is alleen toegestaan wanneer aan bepaalde eisen ten aanzien van brandveidligheid wordt voldaan.
Wanneer niet aan deze brandveiligheidseisen wordt voldaan, hetzij conform het advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (bijlage 2 bij), hetzij op een andere manier vergelijkbaar, mogen de hoofdgebouwen niet voor een woonfunctie in gebruik worden genomen.
6.3 Dubbelbestemmingen 6.3.1 Leiding - Hoogspanningsverbinding Westelijk van het plangebied is een hoogspanningsverbinding aanwezig. De belemmeringszone van deze verbinding valt voor een klein deel binnen het plangebied. Deze is met een dubbelbestemming aangeduid op de verbeelding. Ter plaatse geldt binnen de op de verbeelding aangegeven belemmeringszone een bouwverbod. Voor het aanleggen van werken en werkzaamheden binnen deze dubbelbestemming is een omgevingsvergunning vereist. Afwijken van het bouwverbod of het verlenen van een omgevingsvergunning is mogelijk indien de belangen van de leidingbeheerder niet worden geschaad.
42
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Overigens wordt geen bouw van woningen beoogd binnen de dubbelbestemming.
6.3.2 Waarde - Archeologie Voor het gehele plangebied geldt één archeologische (verwachtings)waarde (zie Archeologie). Deze verwachtingswaarde wordt beschermd door de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Binnen deze dubbelbestemming is in de regels een bouwverbod en aanlegvergunning gegeven voor bouwen graafwerkzaamheden welke de in de regels genoemde oppervlakte en dieptemaat overschrijden. Ontheffing of aanlegvergunning kan pas worden verleend nadat een archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Aan het verlenen van een ontheffing of aanlegvergunning kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden. Hierdoor kunnen mogelijk aanwezige monumenten in de bodem worden behouden gekoppeld aan de reguliere bouwvergunning. Aanvullend is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waardoor deze bij het verkrijgen van nadere informatie geheel of gedeeltelijk kan worden verwijderd.
6.3.3 Waterstaat - Waterkering Het westelijke deel van het plangebied grenst aan de Polderwetering en het dijklichaam van de Polderweg. De waterkerende functie is op de verbeelding aangeduid als 'Waterstaat - Waterkering'. Deze dubbelbestemming dient ter bescherming en instandhouding van de waterkering en de waterbeheersing. In de regels is bepaald dat alleen gebouwd mag worden volgens de van kracht zijnde bestemming van deze gronden, mits de belangen van de waterkering zich daartegen niet verzetten. Bouwen ten behoeve van een van kracht zijnde bestemming is pas mogelijk na toestemming van burgemeester en wethouders, waarbij advies wordt ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Een vergelijkbare regeling geldt voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de aanleg van werken en werkzaamheden. Overigens wordt geen bouw van woningen beoogd binnen de dubbelbestemming. Los van het planologisch kader uit dit wijzigingsplan zijn er daarnaast mogelijk activiteiten of werkzaamheden waarvoor een meldings- of vergunningplicht geldt op grond van regelgeving van het hoogheemraadschap. Dit met name waar het werkzaamheden betreft binnen de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering of in of nabij de watergangen rondom het plangebied.
6.4 Overige bepalingen 6.4.1 Algemene aanduidingen Het perceel valt binnen diverse onderzoekszones volgend uit de Wet geluidhinder. In lijn met het moederplan Polderwetering is het perceel daarom voorzien van de aanduiding "Geluidzone".
6.4.2 Algemene afwijkingsregels In het bestemmingsplan is zoveel mogelijk met recht bestemd. In aanvulling hierop is een aantal 'Algemene afwijkingsregels' opgenomen. Om te voorkomen dat kleine meetfouten tot grote gevolgen leiden en om enigszins flexibel met maatvoeringen om te kunnen gaan, zijn enkele afwijkingsmogelijkheden opgenomen om in geringe mate te kunnen afwijken van genoemde maten, oppervlaktes enzovoorts. Daarnaast zijn afwijkingen opgenomen ten behoeve van het oprichten van openbare nutsdoeleinden en geluidwerende voorzieningen.
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
43
wijzigingsplan Polderweg 260
6.4.3 Algemene gebruiksregels Het toegelaten gebruik van de gronden is geregeld in de individuele bestemmingen. Een aantal zaken geldt uniform voor het gehele plangebied en zijn daarom benoemd in de 'Algemene gebruiksregels'. Parkeren Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt de vereiste dat, om parkeerproblemen te voorkomen, voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid. Om dit te waarborgen is in de planregels een regeling met betrekking tot parkeren opgenomen. De hoofdregel is dat bij nieuwe ontwikkelingen voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd op eigen terrein. Onder een nieuwe ontwikkeling wordt daarbij zowel het oprichten van bebouwing verstaan, als het veranderen, wijzigen of uitbreiden van bestaand gebruik. De vraag of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid wordt beantwoord op basis van de bij de regels gevoegde parkeernormen, de berekenwijze van de parkeerbehoefte uit de door het college vastgestelde 'Parkeernormen en Mobiliteitsmanagement 2017' en de uitgebreide jurisprudentie die op dit onderdeel is ontstaan. De bij de regel gevoegde parkeernormen zijn de normen zoals deze op 17 augustus 2017 door het college zijn vastgesteld. Daarbij geldt aanvullend dat de parkeerplaatsen qua aard, plaats en inrichting bruikbaar en bereikbaar moeten zijn. De voorschriften uit het Handboek Openbare Ruimte vormen hierbij het uitgangspunt.
De regeling kent een afwijkingsbevoegdheid voor die gevallen dat het niet mogelijk of wenselijk is de parkeergelegenheid (volledig) op eigen terrein te realiseren, en op een 'andere wijze' wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dit betreft een standaard bepaling.
6.4.4 Overige algemene regels Tot slot kent het plan enkele algemene wijzigingsregels voor geringe afwijkingen en met het oog op de goede bescherming van de waterkering. Ook is het overgangsrecht in een aantal regels geformuleerd en is de slotregel opgenomen.
44
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
7.1 Economische uitvoerbaarheid Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het voorliggende wijzigingsplan biedt de mogelijkheid om in plaats van de exploitatie van een agrarisch bedrijf of caravanstallingsbedrijf maximaal zeven woningen te bouwen. Het vaststellen van een dergelijke planologische wijziging kan in beginsel aanleiding geven tot planschade. De kans op planschade wordt in dit geval gering geacht. Wel zijn in de met de eigenaar gesloten anterieure exploitatieovereenkomst afspraken opgenomen waarmee is vastgelegd dat de eigenaar alle eventuele uit te keren kosten die gemoeid zijn met vergoeding van planschade voor haar rekening neemt. Dit betekent dat eventuele gegronde planschadeclaims niet financieel afgehandeld worden door de gemeente Schiedam worden maar door de initiatiefnemer. Exploitatieplan Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en artikel 6.2.1 van het besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient, indien sprake is van één van de in artikel 6.2.1 van het Bro genoemde bouwactiviteiten, een exploitatieplan te worden vastgesteld.
Een exploitatieplan heeft onder meer tot doel om te komen tot een adequaat publiekrechtelijk kostenverhaal, het realiseren van een goede inrichting van de openbare ruimte door middel van het stellen van locatie-eisen en het bieden van een goede grondslag om de verdeling van woningbouwcategorieën te ondersteunen. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is, staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Indien een exploitatieplan vereist is moet de gemeenteraad het exploitatieplan tegelijk vaststellen met de planologische maatregel die het bouwen mogelijk maakt. Een gemeente behoeft geen exploitatieplan op te stellen indien het kostenverhaal al op een andere manier geregeld is ('anderszins verzekerd') en tevens locatie-eisen en regels voor woningbouwcategorieën niet nodig zijn. Die laatste situatie kan zich voordoen wanneer met alle eigenaren een overeenkomst is gesloten waarin de inrichting van de locatie en het kostenverhaal is geregeld. Het voorliggende plan ziet op de bouw van maximaal zeven nieuwe woningen. Hiermee is sprake van een bouwplan waarvoor een exploitatieplan verplicht is. Met de eigenaar van het perceel is in februari 2021 een anterieure exploitatieovereenkomst gesloten.
Hierin zijn afspraken gemaakt over onder andere het kostenverhaal zoals bedoeld in de Wro en over diverse locatie-eisen die aan de inrichting van het gebied worden gesteld. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en er is ook verder geen reden om aanvullende locatie-eisen in een exploitatieplan te stellen. Opstelling van een exploitatieplan is niet nodig.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het wettelijk verplicht vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept wijzigingsplan, inclusief de watertoets, voorgelegd het Hoogheemraadschap van Delfland. De opmerkingen van het hoogheemraadschap zijn verwerkt in het ontwerp-wijzigingsplan. Inspraak
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
45
wijzigingsplan Polderweg 260
Het wijzigingsplan is opgesteld op basis van wijzigingsbevoegdheden in het geldende bestemmingsplan. Omdat het gaat om een uitwerking binnen de kaders van het vastgestelde bestemmingsplan is geen mogelijkheid geboden tot inspraak op een concept wijzigingsplan. Een ieder heeft de mogelijkheid een zienswijze op het ontwerp-wijzigingsplan in te dienen.
46
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Bijlagen bij de toelichting
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
47
wijzigingsplan Polderweg 260
Bijlage 1 Bodemonderzoek
48
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Bijlage 2 Ecologische quickscan
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
49
wijzigingsplan Polderweg 260
Bijlage 3 Stikstofonderzoek
50
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Bijlage 4 Akoestisch onderzoek
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
51
wijzigingsplan Polderweg 260
52
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1
INLEIDENDE REGELS
Begrippen
1.1 plan Het wijzigingsplan Polderweg 260 met identificatienummer NL.IMRO.0606.BP00101-0001 van de gemeente Schiedam. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 (bru to) vloeroppervlakte: totale oppervlakte van kantoren, winkels, horeca, bedrijven of maatschappelijke voorzieningen met inbegrip van de daartoe behorende inpandige ruimten, zoals gemeenschappelijke ruimten, magazijnen en dienstruimten. 1.4 aan hu is gebonden beroep / (bedrijfs-)activiteiten: het door de bewoner in een woning of daarbij behorend bijgebouw uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid (geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen) of het hebben van een bed and breakfast, met een ruimtelijke uitstraling welke in overeenstemming is met de woonfunctie. 1.5 aanbou w: een gebouw dat is gebouwd aan een hoofdgebouw en dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw, maar daar functioneel wel onderdeel van kan uitmaken.
1.6 aandu iding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar, ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.7 aandu idingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.8 achtergevel: de van de weg gekeerde gevel van een gebouw die parallel of nagenoeg parallel loopt aan de voorgevel. 1.9 antenne-installatie: installatie bestaande uit een antennestaaf, -spriet (al dan niet met dwarssprieten) of -schotel, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in één of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. 1.10 antennedrager: antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
53
wijzigingsplan Polderweg 260
1.11 archeologisch waardevol gebied: gronden waar archeologische waarden aanwezig of te verwachten zijn. 1.12 archeologische waarde: de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische sporen en relicten. 1.13 bebou wing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.14 bed and breakfast: het in een woning of woonschip verstrekken van toeristisch nachtverblijf met maximaal vier bedden en twee kamers. 1.15 bedrijf: elke volwaardige onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken en installeren van goederen. 1.16 bedrijfsgebou w: een gebouw dat noodzakelijk is voor de uitoefening van ter plaatse toegestane (bedrijfs-)activiteiten, hieronder wordt geen bedrijfs- of dienstwoning verstaan. 1.17 bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein, noodzakelijk moet worden geacht. 1.18 begane grondlaag: de eerste op, of nagenoeg op, het maaiveld gelegen bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een onderbouw. 1.19 beperkt kwetsbaar object: beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.20 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak.
1.21 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.22 bijbeh orend bou wwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.23 bijgebou w: een vrijstaand gebouw, dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.24 bou wen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
54
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
1.25 bou wgrens: de grens van een bouwvlak. 1.26 bou wlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kap(verdieping). 1.27 bou wperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.28 bou wperceelgrens: de grens van een bouwperceel. 1.29 bou wvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.30 bou wwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.31 coffeeshop: een inrichting waar naast het verstrekken van alcoholvrije dranken tevens handel en/of gebruik van softdrugs plaatsvindt. 1.32 cu ltu u rhistorische waarden: de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied. 1.33 dagrecreatie: een recreatieve activiteit waarbij geen nachtverblijf mogelijk is. 1.34 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw.
1.35 dakkapel: een constructie ter vergroting van een gebouw, die onder de nok van een dakvlak is gelegen en waarbij de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst. 1.36 dakopbou w: een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich in of boven de oorspronkelijke dakgoot bevindt. 1.37 detailhandel: het bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending, alsmede ondersteunende horeca 1 (lichte horeca) waarbij geen mogelijkheid wordt geboden tot het ter plekke consumeren van etenswaren en maaltijden.
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
55
wijzigingsplan Polderweg 260
1.38 dienstverlenend bedrijf: inrichting ten behoeve van het bedrijfsmatig verlenen van diensten, op commerciële dan wel niet commerciële basis, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder mede begrepen publiekgerichte dienstverlening op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch of cosmetisch gebied. 1.39 dienstverlening: het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. 1.40 eengezinswoning: een zelfstandig, al dan niet zijdelings aaneengebouwd, grondgebonden gebouw dat enkel één woning omvat. 1.41 erf: het al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat hoofdgebouw. 1.42 erker: een ondergeschikte uitbouw in of aan de gevel van het hoofdgebouw, met een maximale horizontale diepte van 1,0 meter en een maximale breedte van 2/3 van de breedte van de gevel waaraan wordt gebouwd. 1.43 erotisch getinte vermaaksfu nctie: een vermaaksfunctie, welke gericht is op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal.
1.44 extensieve recreatie: recreatief (mede)gebruik van gronden, zoals wandelen, fietsen, varen, zwemmen, vissen en daarmee gelijk te stellen activiteiten, dat geen specifiek beslag legt op de ruimte behoudens ruimtebeslag door voet-, fiets- en ruiterpaden en rust- en picknickplaatsen, en die in hoofdzaak gericht zijn op natuur- en landschapsbeleving. 1.45 garagebedrijf: een dienstverlenend bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor verkoop, onderhoud en reparatie van motorvoertuigen, met dien verstande dat de verkoop van motorbrandstoffen is uitgezonderd. 1.46 gebou w: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.47 gelu idgevoelig object: een geluidgevoelig object als bedoeld in de Wet geluidhinder. 1.48 gelu idszone - indu strie: een geluidszone, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege het gezoneerd industrieterrein de waarde van 50dB(A) niet te boven mag gaan.
56
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
1.49 gelu idzoneringsplichtige bedrijven: bedrijven zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 3 van het Besluit omgevingsrecht, welke in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken. 1.50 geschakelde woning: een woning waarvan het hoofdgebouw aan minimaal één zijde door middel van een aanbouw of aangebouwde overkapping aan een op een aangrenzend bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd. 1.51 geu rgevoelig object: een geurgevoelig object als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij. 1.52 gezoneerd indu strieterrein: een terrein waarop bedrijven zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 3 van het Besluit omgevingsrecht zijn toegelaten, welke in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken. 1.53 groepsrisico: de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongeval op een transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. 1.54 grootsch alige detailhandel: detailhandelsbedrijven met een bruto vloeroppervlakte van meer dan 1.500 .
1.55 h alfvrijstaande woning / 2-onder-1-kapwoning: een woning die deel uitmaakt van een blok van twee woningen, waarvan het hoofdgebouw aan één zijde aan het op het aangrenzend bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd. 1.56 h avengebonden kantoor: een zelfstandig kantoor verbonden aan een havengebied of waarvan de bedrijfsactiviteiten uitsluitend of in hoofdzaak ten dienste staan van water- en/of havengebonden bedrijven. 1.57 h oofdgebou w: een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.58 h oreca(bedrijf): a. horeca 1 (lichte horeca): horecabedrijven die in beginsel, maar niet uitsluitend, alleen overdag en 's avonds behoeven te zijn geopend, hoofdzakelijk zijn gericht op het al dan niet ter plaatse consumeren van ter plaatse verstrekte etenswaren en maaltijden en daardoor slechts in beperkte mate hinder voor omwonenden veroorzaken, zoals een automatiek, broodjeszaak, cafetaria, shoarma/grillroom, croissanterie, koffiebar, lunchroom, ijssalon, snackbar, tearoom, traiteur, bistro, grand-café en restaurant (met bezorg- en afhaalservice); b.
horeca 2 (middelzware horeca): horecabedrijven die in beginsel ook delen van de nacht geopend zijn en die daardoor aanzienlijke hinder voor omwonenden kunnen veroorzaken, zoals een bierhuis, biljartcentrum, café, proeflokaal en zalenverhuur (ten behoeve van feesten en muziek/dansevenementen); c. horeca 3 (zware horeca): horecabedrijven die voor een goed functioneren ook 's nachts geopend zijn en die tevens een groot aantal bezoekers aantrekken en daardoor grote hinder voor de
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
57
wijzigingsplan Polderweg 260
omgeving met zich mee kunnen brengen, zoals een dancing, discotheek, nachtclub of partycentrum. 1.59 h otel: een bedrijf of inrichting geheel of in overwegende mate gericht op het verschaffen van logies per nacht al dan niet in combinatie met het verstrekken van consumpties en/of dranken. 1.60 kamerverh u u r: het bedrijfsmatig verhuren van onzelfstandige woonruimten aan derden. 1.61 kampeermiddel a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan; b. enig ander onderkomen of ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelten daarvan, voor zover niet zijnde een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is vereist; één en ander voor zover de onder a en b bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 1.62 kap: een afdekking van een gebouw in een gebogen vorm dan wel met één of meer schuine zijden met een dakhelling van ten minste 30° en ten hoogte 70°. 1.63 kas: een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van vruchten, bloemen of planten. 1.64 kwetsbaar object: kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.