Bijlage ontwerp-wijzigingsplan Polderweg 260
Tekst van het document
Polderweg 260
wijzigingsplan Polderweg 260
Inhoudsopgave T oelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4
5 5 5 5 6
Beschrijving bestaande situatie
Ontstaansgeschiedenis Ruimtelijke en functionele beschrijving Cultuurhistorische waarden en monumenten
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4
Inleiding
Aanleiding en doelstelling Ligging plangebied Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer
Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3
5
7 7 7 8
Beleidskader
9
Rijksbeleid Provinciaal beleid Beleid hoogheemraadschap Gemeentelijk beleid
9 10 11 13
Hoofdstuk 4 Planologische en milieutechnische randvoorwaarden
21
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9
21 25 26 27 29 32 33 36 38
Water en klimaatadaptatie Milieueffectrapportage Bodem Flora en fauna Externe veiligheid Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Archeologie
Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4
Algemeen Doelstellingen Uitgangspunten Ontwikkelingen
Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3 6.4
Juridische aspecten
Algemene juridische opzet Bestemmingen Dubbelbestemmingen Overige bepalingen
Hoofdstuk 7 7.1 7.2
Planbeschrijving
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
39 39 39 39 39
41 41 41 42 43
45 45 45
Bijlagen bij de toelichting
47
Bijlage 1 Bijlage 2
48 49
2
Bodemonderzoek Ecologische quickscan
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Bijlage 3 Bijlage 4
Stikstofonderzoek Akoestisch onderzoek
Regels
53
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
ALGEMENE REGELS
Anti-dubbeltelregel Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene wijzigingsregels Overige regels
Hoofdstuk 4 Artikel 15 Artikel 16
Bestemmingsregels
Groen - 2 Wonen Leiding - Hoogspanningsverbinding Waarde - Archeologie Waterstaat - Waterkering
Hoofdstuk 3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14
INLEIDENDE REGELS
Begrippen Wijze van meten
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
50 51
OVERGANGS- EN SLOTREGELS
Overgangsrecht Slotregel
53 53 62
65 65 67 70 72 74
77 77 78 79 80 81 83 84
85 85 86
BIJLAGEN
87
Bijlage 1 Bijlage 2
88 95
Parkeernormen Advies VRR
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
3
wijzigingsplan Polderweg 260
4
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding en doelstelling Het perceel Polderweg 260 in Schiedam is een voormalig agrarisch bedrijfsperceel, bebouwd met onder andere een kas. De agrarische functie is reeds langere tijd vervallen, het perceel wordt gebruikt als bedrijfsmatige caravanstalling. Beoogd wordt de bestaande functie te wijzigen in lijn met de mogelijkheden zoals het geldende bestemmingsplan deze via twee wijzigingsbevoegdheden biedt. De bestemming Agrarisch wordt gewijzigd naar Wonen en Groen-2, waarbij wordt beoogd de bouw van in totaal zeven woningen mogelijk te maken.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied betreft het perceel Polderweg 260 in Schiedam (zie afbeelding 1). Het perceel ligt in een overgangsgebied van het stedelijk gebied van Schiedam naar het polderlandschap van Midden-Delfland. Het gebied rondom de Polderweg ligt ingeklemd tussen de bedrijventerreinen 's-Gravelandsepolder (Schiedam) en Noord-West (Rotterdam).
Afbeelding 1 - Indicatieve ligging plangebied
1.3 Geldende bestemmingsplannen In het plangebied is momenteel een bestemmingsplan van kracht. Het voorliggende wijzigingsplan wijzigt voor het plangebied de vigerende bestemmingslegging. Het geldende bestemmingsplan is 'Polderwetering', vastgesteld door de gemeenteraad op 18 december 2012 (plan-idn NL.IMRO.0606.BP0016-0002). Als afbeelding 2 is een uitsnede van de website Ruimtelijke Plannen weergegeven met daarop zichtbaar de basisgegevens van het vigerende bestemmingsplan.
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
5
wijzigingsplan Polderweg 260
Afbeelding 2 - Huidige bestemmingslegging
1.4 Leeswijzer Het wijzigingplan bestaat uit drie delen: de toelichting: hierin worden de overwegingen beschreven die hebben geleid tot het geven van een bepaalde bestemming, evenals een uitleg van de gebruikte bestemmingen; de regels: hierin wordt per bestemming een omschrijving gegeven van het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de in dit plan begrepen gronden, en; een verbeelding/plankaart, met daarop aangegeven de bestemmingen van alle gronden. De inhoud van de toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige situatie van het plangebied. In hoofdstuk 3 is een beknopt overzicht opgenomen van de belangrijkste beleidsvisies van de diverse overheden die relevant zijn voor het plangebied. De gevolgen of effecten op de planologische en milieutechnische aspecten worden in hoofdstuk 4 beschreven. De visie op het plangebied is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 worden de gehanteerde bestemmingen met bijbehorende regeling beschreven. Hoofdstuk 7 heeft betrekking op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
6
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Hoofdstuk 2 situatie
Beschrijving
bestaande
2.1 Ontstaansgeschiedenis Voor een uitgebreide beschrijving van de geschiedenis van de locatie en de regionale context wordt verwezen naar het moederplan Polderwetering uit 2012. Het voorliggende wijzigingsplan ziet op het perceel Polderweg 260. Dit perceel is van oudsher in gebruik geweest voor agrarische bedrijvigheid. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan Polderwetering in 2012 is naast de agrarische bedrijfsvoering ook het gebruik als caravanstalling toegestaan. De afgelopen periode is het perceel voor die functie in gebruik geweest. De bestaande kassen op het perceel zijn reeds lang niet meer voor de teelt van agrarische producten in gebruik. Het kassencomplex voldoet feitelijk niet meer aan de hedendaagse eisen binnen de glastuinbouwsector en is daartoe ook niet meer (relatief eenvoudig) bruikbaar te maken.
2.2 Ruimtelijke en functionele beschrijving Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 4.500 m² en is deels bebouwd met een kas van circa 2.200 m² groot. Daarnaast is een deel van het terrein verhard ten behoeve van de bedrijfsmatige caravanstalling. Het onbebouwde deel van het perceel is feitelijk ook geheel in gebruik voor de stalling van caravans. Het perceel is met een eigen ontsluiting aangesloten op de Polderweg. Deze is in zuidelijke richting aangesloten op de Polderdwarsweg en de Van Vlissingenstraat. Als afbeelding 3 is een luchtfoto van de bestaande situatie weergegeven.
Afbeelding 3 - Luchtfoto bestaande situatie
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
7
wijzigingsplan Polderweg 260
De beoogde ontwikkeling vindt plaats achter het bebouwingslint langs de Polderweg. Vanaf de Polderweg is het perceel toegankelijk via een toegangsweg welke wordt behouden. In lijn met de wijzigingsbevoegdheden wordt een deel van het perceel omgezet naar de functie wonen. Dit betreft het deel waarop nu de kas aanwezig is. Het oostelijke deel van het perceel is onbebouwd. Hier wordt beoogd de bestemming te wijzigen naar Groen-2.
2.3 Cultuurhistorische waarden en monumenten Van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing op het perceel is geen sprake. Qua structuur is sprake van een bebouwingslint langs de Polderweg. Deze blijft in stand. De (feitelijk) gebiedsvreemde kas wordt vervangen door een aantal woningen op dezelfde plek. De landschappelijke structuur wordt hiermee niet aangetast en als uitwerking van de wijziging van functies wordt op een deel van het terrein de groene landschappelijke structuur versterkt. Het gebied kent een dubbelbestemming waarmee eventuele archeologische waarden beschermd zijn.
8
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Hoofdstuk 3
Beleidskader
Dit hoofdstuk geeft een beknopt overzicht van het relevante ruimtelijk beleid voor het bestemmingsplan op nationaal, provinciaal en gemeentelijk schaalniveau. Per beleidsstuk is aangegeven in hoeverre deze haar doorwerking heeft in het wijzigingsplan.
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie NOVI Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, op onze leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio’s vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. In aanloop naar de Omgevingswet komt er één rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 naar de Eerste en Tweede Kamer gestuurd. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. Dit toekomstperspectief voor Nederland is: 1. Een klimaatbestendige delta; 2. Duurzaam, concurrerend en circulair; 3. Kwaliteit van leven in stad en dorp: met een aantrekkelijke woon- en leefomgeving en een goede verbondenheid van stad en land.
De ontwikkelingen zijn gericht op kwaliteit, met gecontroleerde en doordachte groei waar dat nodig is, waardoor diversiteit in wonen, een stedelijk netwerk, prettige woonmilieus, met rust en ruimte maar ook vitale en leefbare regio's ontstaan; 4. Nabijheid en betrouwbare verbindingen; 5. Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk. Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomstperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. De NOVI geeft in relatie tot het voorliggende wijzigingsplan geen specifieke opgaven. In algemene zin wordt geconcludeerd dat het plan bijdraagt aan het realiseren van rijksambities, zoals een een toekomstbestendige, aantrekkelijke woonomgeving.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De nationale belangen uit de NOVI die juridisch borging vragen zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Een aantal rijksbelangen wordt met dit besluit geborgd in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen van overheden. Onderwerpen die aan bod komen zijn: rijksvaarwegen, de mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundament, grote rivieren, de Waddenzee en het waddengebied, defensie, hoofdwegen en landelijke spoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen, primaire waterkeringen, de ecologische hoofdstructuur, het IJsselmeergebied, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en de ruimtereservering voor de parallelle Kaagbaan. Geen van deze rijksbelangen is van toepassing op het plangebied. Het wijzigingsplan is daarmee in overeenstemming met het bepaalde in het Barro.
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
9
wijzigingsplan Polderweg 260
3.2 Provinciaal beleid Het provinciale omgevingsbeleid wordt gevormd door de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening die per 1 april 2019 in werking zijn. Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot één integraal Omgevingsbeleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet, die mogelijk in 2022 in werking treedt. Met haar omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan geeft men richting door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven zoals geformuleerd in de provinciale omgevingsvisie. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening.
3.2.1 Provinciale omgevingsvisie De Omgevingsvisie omvat de volgende wettelijk verplichte plannen: de ruimtelijke structuurvisie, het milieubeleidsplan, het regionale waterplan, het verkeers- en vervoersplan en de natuurvisie. Ten aanzien van sturing wil de provincie meer ruimte en vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. Men werkt vanuit een aantal principes en kaders, als waarborg voor kwaliteit. Deze sturingsprincipes zijn: opgavegericht, provinciaal belang, maatwerk (gebiedsgericht, uitgaan van passend schaalniveau, ruimte voor differentiatie). Vanuit provinciaal belang is beleid ontwikkeld voor twaalf 'Opgaven Omgevingskwaliteit', waar men samen met andere overheden en maatschappelijke partners aan werkt. Bij deze opgaven horen diverse beleidsuitwerkingen (samenhangende beleidskeuzes). Onderstaand zijn de voor dit wijzigingsplan relevante opgaven en beleidsuitwerkingen toegelicht. Wonen Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen. Het toevoegen van zeven woningen bevorderd de beschikbaarheid van voldoende passende woningen. Klimaatadaptatie Bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen.
Het transformeren van een bijna volledig bebouwd perceel naar slechts 20% bebouwing op het perceel heeft een positieve bijdrage op de vergroening van de ruimte. Hierdoor kunnen de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen beter opgevangen worden.
3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening Samen met de omgevingsvisie is de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld en op 1 april 2019 in werking getreden. In deze verordening vindt een juridische vertaling plaats van het beleid uit de omgevingsvisie. De verordening stelt regels met betrekking tot belangrijke ruimtelijke elementen die een doorwerking hebben in het bestemmingsplan. Onderwerpen die aan bod komen zijn onder andere de ladder voor duurzame verstedelijking, kantoren, bedrijven, detailhandel, veiligheidszonering oevers Nieuwe Maas, ruimtelijke kwaliteit, herbestemmen bestaande bebouwing buiten het bestaand stadsgebied, ecologische hoofdstructuur, molenbiotopen, windenergie, regionale waterkeringen, buitendijks bouwen en archeologie. Het wijzigingsplan is een uitwerking van het vigerende bestemmingsplan. Concluderend wordt gesteld dat het wijzigingsplan voldoet aan de provinciale verordening. Du u rzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
10
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder artikel 3.1.6. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Met de wijziging van de Laddersystematiek sinds 1 juli 2017 is het niet langer noodzakelijk in een ‘actuele regionale’ behoefte te voorzien (maar uiteraard wel nog steeds in een behoefte). Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt in vergelijking met de voorgaande Laddersystematiek een uitgebreidere motiveringsplicht. De provincie heeft hier in de Verordening Ruimte nadere invulling aan gegeven.
Het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) definieert zij als “het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.” Nieuwe stedelijke ontwikkeling dient primair plaats te vinden binnen het BSD. De onderhavige planlocatie maakt deel uit van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) van de gemeente Schiedam. De ontwikkeling zorgt voor een optimalisatieslag in het gebruik van het achtererfgebied. Door de betere benutting van het perceel, leidt de transformatie tot een opwaardering van de bebouwde ruimte. Daarnaast is er sprake van slechts zeven nieuwe woningen, waardoor de drempelwaarde van twaalf nieuwe woningen waarvoor de ladderplicht geldt, niet wordt bereikt. Tot slot is sprake van toepassing van een wijzigingsbevoegdheid uit een onherroepelijk bestemmingsplan.
3.3 Beleid hoogheemraadschap 3.3.1 Algemeen Algemeen Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota's verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op het gemeentelijke schaalniveau is het beleid van het Hoogheemraadschap van Delfland en van de Gemeente Schiedam relevant voor het plangebied. Dit beleid is een nadere uitwerking van de plannen die Europa, Rijk en provincie hebben op het gebied van waterbeheer. Hoogheemraadschap en gemeente zijn beide lagere overheden en hebben elk eigen verantwoordelijkheden. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor water in brede zin. De gemeente heeft een verantwoordelijkheid op meerdere beleidsthema's, waar onder water en klimaatadaptatie. De andere beleidsthema's komen in de paragraaf 'Gemeentelijk beleid' aan de orde. Het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Schiedam werken nauw samen en hebben daartoe de Wateragenda Schiedam 2016-2020 opgesteld. Er staan heldere afspraken in over het omgaan met water in en om de stad. Met de wateragenda pakken Schiedam en Delfland wateropgaven integraal op in samenhang met ruimtelijke ontwikkelingen, economie, recreatie, cultuurhistorie en maatschappelijke opgaven.
Voor een nadere uitwerking van deze overkoepelende doelstelling zijn vijf beleidsdoelen geformuleerd: Veilig water: veiligere waterkeringen langs de rivier en lands de boezemkanalen zorgen ervoor dat lagere delen van Schiedam niet overstromen. Droge voeten: Vanaf 2014 is naar aanleiding van de regelmatig terugkerende wateroverlast de
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
11
wijzigingsplan Polderweg 260
focus van zowel Schiedam als Delfland verschoven. Beide partijen zijn sterker gaan in zetten op het bestrijden van acute wateroverlast bij hevige regenbuien. Gezond water: Het Schiedamse watersysteem is uiterlijk in 2027 (doeljaar voor de Europese Kader Richtlijn Water), chemisch schoon en gezond én ecologisch robuust ingericht. Beleving van water: het Schiedamse watersysteem is zodanig ingericht dat de burgers en bezoekers van Schiedam de stad een aantrekkelijke woon-, werk-, en leefomgeving vinden. Duurzaamheid: het watersysteem levert een bijdrage in het beperken van gebruik van energie, grondstoffen en negatieve impact op het milieu.
3.3.2 Waterbeheerplan In het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP5) heeft het hoogheemraadschap haar ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor 'droge voeten', 'stevige dijken' en 'schoon water' zijn meerjarenprogramma's opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2021. Het hoogheemraadschap zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland, waar Schiedam deel van uitmaakt. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland daarbij ook aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het vergroten van het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen door initiatiefnemers bij ontwikkelingen. Voor de periode 2016-2021 wordt het beleid van het waterschap uitgevoerd volgens vier speerpunten: In stand houden: Investeringen in de infrastructuur worden op een adequate manier in stand gehouden. De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd.
Delfland werkt bij het bestendigen van beheer van de infrastructuur toe naar de levenscyclusbenadering. Investeren: Veranderende wetgeving en veranderingen in de omgeving vragen om aanpassing en verdere verbetering van het watersysteem, de waterkeringen en het afvalwatersysteem. Bij elk project, proces en activiteit worden de innovatieve mogelijkheden en de meest duurzame wijze van uitvoering meegenomen in de afwegingen. Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, sterker nog, waterbeheer is ook een taak van andere overheden zoals gemeenten en van burgers en bedrijven. Delfland wil het waterbewustzijn bevorderen door samenwerking met belanghebbenden en delen van verantwoordelijkheden. Flexibel en duidelijk: Partners komen een flexibel waterschap tegen die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Duidelijke kaders worden neergezet, zoals financieel gezond en bijdragen aan toekomstbestendig waterbeheer. Innovatie fungeert daarbij als aanjager om te blijven vernieuwen, mee te bewegen met veranderingen en te voorkomen dat het waterschap statisch wordt. Naast de Watertoets van het Hoogheemraadschap van Delfland dient aandacht te worden besteed aan de vereisten uit het Klimaatadaptatieplan Schiedam en het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) 2019-2023.
Om bestand te zijn tegen de gevolgen van klimaatverandering dient een plangebied bij nieuwbouw of herontwikkeling een bui, waarbij 60 mm neerslag valt in een uur tijd, te kunnen opvangen en bergen. Bij voorkeur wordt al het water dat valt vervolgens geïnfiltreerd in de bodem. Als dat niet mogelijk is, kan het water vertraagd worden afgevoerd naar nabijgelegen oppervlaktewater. Dat kan worden gerealiseerd door vertraagde oppervlakkige afstroming of via een hemelwaterriool. Het vuile afvalwater uit de bebouwing dient via een apart vuilwaterriool te worden aangesloten op het omliggende rioolstelsel en wordt zo afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie.
12
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Naast wateroverlast en droogte besteedt het klimaatadaptatieplan ook aandacht aan hitte en overstromingen. Zie voor een nadere uitwerking paragraaf 3.4 Gemeentelijk beleid, subparagraaf Duurzaamheidsbeleid.
3.3.3 Watervergunningen en Keur Delfland Los van de watertoets en de advisering in het voortraject van het wijzigingsplan heeft het hoogheemraadschap zelfstandige bevoegdheden op basis waarvan voor sommige ingrepen een vergunning- of meldplicht geldt. Bij de uitvoering van de watertoets en de advisering in het voortraject wordt gekeken in hoeverre een ontwikkeling vanuit het waterbeheer toelaatbaar is. Bij de vergunningverlening gaat het met name om uitvoeringsaspecten op moment dat de planvorming concreet is uitgewerkt. De Keur Delfland 2010 is een verordening die door het Hoogheemraadschap van Delfland is opgesteld op basis van de Waterschapswet. Hierin staan (verbods)bepalingen met de aanduiding voor welke handelingen een watervergunning nodig is teneinde het watersysteem en de afvalwaterzuivering op peil te houden of zelfs te verbeteren. Deze vergunning wordt door het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden afgegeven. In de 'Algemene regels behorende bij de Keur Delfland 2010' staan de algemene regels omtrent vrijstelling van de watervergunningplicht en algehele verboden op het verrichten van bepaalde handelingen. Voor alle handelingen die direct in of in de nabijheid van een waterlichaam of binnen een beschermingszone van een dijk worden uitgevoerd, is een Keurvergunning of Keurontheffing van het waterschap nodig.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Stadsvisie Op 28 september 2009 heeft de gemeenteraad de 'Stadsvisie Schiedam 2030' vastgesteld. Deze Stadsvisie geldt als een structuurvisie als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Stadsvisie wordt geconcludeerd dat het onmogelijk is om alle hoofdopgaven tegelijk uit te voeren. Daarom vormen de hoofdopgaven het kader waar, binnen de periode 2010-2030, ruimtelijke werkzaamheden uit voortvloeien. In de Stadsvisie worden acht ruimtelijke opgaven onderscheiden. Op deze opgaven wil de gemeente zich de komende jaren focussen. De onderstaande specifieke opgaven zijn met name relevant voor het plangebied. Versterken 'Groene Long' Voor de groengebieden wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijk inrichtingsniveau met goede gebruiksmogelijkheden voor de stedeling, gekoppeld aan een hoogwaardig beheer. Dit streven betreft onder andere het gebied Polderwetering. Daarnaast is het een opgave om het landschap van Midden-Delfland voor de toekomst te behouden en de functies voor boeren, recreanten en natuur te combineren. Met de Harreweg/Schiedamseweg, de Poldervaart en de Polderwetering/Schie als landschappelijke dragers worden verbindingen gelegd vanuit de stad naar het buitengebied. De groene en waterrijke dragers zijn van belang voor de ecologie en brengen het buitengebied ver de stad in.
De Poldervaart en de Schie verbinden Midden-Delfland met de Nieuwe Maas. De opgave is verder uitgewerkt in de 'Groenvisie'. Verbeteren woningvoorraad In de Stadsvisie wordt onder andere ingezet verbreden van de woningvoorraad naar doelgroepen die kapitaalkrachtiger zijn en een vergroting van de marktsector mogelijk maken. Hierdoor kan beter worden voldaan aan de vraag van midden- en hogere inkomensgroepen naar een wooncarrière in de stad, wordt ruimte geboden voor sociale stijging en wordt een impuls gegeven voor een breed en aantrekkelijk voorzieningenniveau. Gestreefd wordt naar het realiseren van een duurzame en kwalitatief hoogwaardige woon- en leefomgeving. De opgave is verder uitgewerkt in
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
13
wijzigingsplan Polderweg 260
de 'Woonvisie'.
3.4.2 Groenvisie In december 2020 is de Groenvisie Schiedam vastgesteld. Deze Groenvisie vervangt de eerdere Visie Openbare Ruimte, vastgesteld in september 2009. Bij de publieke discussie die in het kader van de Stadsvisie is gevoerd, is gebleken dat de openbare ruimte een belangrijk punt van aandacht is. Dit loopt uiteen van samenhang en uitstraling tot het functionele gebruik en de manier van beheren. De Visie Openbare Ruimte Schiedam (september 2009) ging over de betekenis en de uitstraling van de openbare ruimte, in samenhang met investeringsniveau en beheer. In de visie werd de samenhang tussen en de structuur binnen de openbare ruimte gedefinieerd. In de visie werd onder andere ingezet op verbetering van de uitstraling van de openbare ruimte door herstructurering van het bedrijventerrein. Ook de verbetering van de kwaliteit van de Schie als landschappelijke en groene drager voor het gebied werd benoemd. Begin 2015 is de GroenBlauwe Structuurvisie vastgesteld. Daarin wordt een visie gegeven op het toewerken van het toekomstige groenblauwe netwerk naar sfeer, gebruik, status entoekomstwaarde en de relaties tussen de verschillende onderdelen van het groenblauwe netwerk. Deze groenblauwe structuurvisie heeft de status van een structuurvisie conform de Wet ruimtelijke ordening. De visie beschrijft in hoofdlijnen een groenblauwe structuur die opgebouwd is uit drie grootheden.
Twee sterke eigen identiteiten met hun eigen invloeden en sferen, namelijk de wereld rond de rivier en het landschap van Midden-Delfland. De verbindende factor tussen deze twee werelden is het landschap in de Poldervaartpolder welke gekenmerkt wordt door een sterk centraal element, de naamdrager van de polder: de Poldervaart. Hiermee ligt een basis voor een grootschalige, robuuste groenblauwe structuur voor de stad. Over deze structuur ligt een fijnmaziger netwerk van groen- en blauwstructuren welke deze grootheden verbindt met aanpalende wijken en de binnenstad. De Groenvisie Schiedam zet het beleid zoals dat is vastgelegd in de Visie Openbare Ruimte en de Groenblauwe structuurvisie voort. Daarbij heeft een actualisatie plaatsgevonden vanwege recente ontwikkelingen en inzichten. Onderstaande afbeelding is de ambitiekaart afkomstig uit de Groenvisie. Hierop is te zien dat het plangebied ligt in een gebied dat is aangeduid als te versterken groenstructuur. Door sloop van de kas, sanering van de (agrarische) bedrijfsfunctie en het inrichten van een deel van het plangebied als groen wordt bijgedragen aan realisatie van deze ambitie.
14
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Afbeelding 4 - Groenvisie ambitiekaart
3.4.3 Woonvisie Op 29 september 2020 is de woonvisie 'Groei als kans voor de stad' vastgesteld. De woonvisie geeft een actuele kijk op het wonen in Schiedam en beschrijft de koers die de gemeente de komende 20 jaar wil volgen. De belangrijkste ambities van de woonvisie zijn: groei als kans voor de stad, wooncarrière voor alle Schiedammers, passende en herkenbare woonmilieus, passende woningen, groei van de kwaliteit van de woningvoorraad en de leefomgeving, een veilige en leefbare woonomgeving en verduurzaming van de bestaande bouw en nieuwbouw. Om deze ambities te realiseren gaat de woonvisie uit van: het toevoegen van 6.000 woningen en het vervangen van 1.000 woningen tot 2030; het realiseren van 2.000 passende woningen voor senioren; het gelijk houden van de sociale woningvoorraad (niveau 2018); versterken aanpak particuliere woningverbetering, inclusief verduurzamen bestaande woningen. De Woonvisie geeft in relatie tot het plangebied op zichzelf weinig beleidsmatige uitspraken. Het wijzigingsplan ziet op de toepassing van bestaande mogelijkheden uit het geldende
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
15
wijzigingsplan Polderweg 260
bestemmingsplan. De beoogde transitie van kleine (agrarische) bedrijfskavels naar woningbouw draagt bij aan het realiseren van de ambitie om beperkt ruim wonen in een groene setting te ontwikkelen. Op afbeelding 5 is dit aangeduid met nummer 1. Het wijzigingsplan past dus binnen de kaders van de Woonvisie.
Afbeelding 5 - Woonvisie, locaties lopende projecten
3.4.4 Duurzaamheidbeleid Algemeen Duurzaamheid ligt aan de basis van al het beleid en handelen van de gemeente Schiedam. Het specifieke beleid voor milieu, klimaatmitigatie en klimaatadaptatie is neergelegd in het Klimaatbeleid, het Klimaatadaptatieplan Schiedam, het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 en enkele uitwerkingen voor specifieke milieuthema's (bijvoorbeeld voor Geluid). Het Klimaatbeleid gaat in op het aanpakken van de oorzaken van klimaatverandering (mitigatie). Klimaatadaptatie betreft het aanpassen van Schiedam aan de gevolgen van klimaatverandering (adaptatie). Klimaatbeleid Op basis van het gemeentelijk Milieubeleidsplan wordt gestreefd naar het beperken van de milieuhinder en het verkleinen van de 'milieuruimte' in de stad. De ambitie is daarbij om de in gang gezette milieuverbeteringen minimaal vast te houden en te versterken, een goede balans te vinden en vast te houden tussen verstedelijking en de kwaliteit van de leefomgeving en leefbaarheid en duurzaamheid. Bij de uitwerking van het milieubeleid worden leefbaarheid (gericht op de directe leefomgeving, lokaal), duurzaamheid (gericht op de wereld, mondiaal) en cradle-to-cradle (alle gebruikte materialen kunnen na hun leven in het ene product nuttig worden ingezet in een ander product) als leidende principes gehanteerd.
Op 3 november 2020 heeft de gemeenteraad het klimaatbeleid 'Een wereld te winnen' vastgesteld.
16
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Het klimaatbeleid bouwt voort op de weg die is ingeslagen met het Programma Duurzaamheid, het Klimaatbeleidsplan 2016-2020 en het Klimaatadaptatieplan. De ambitie is om de uitstoot van broeikasgassen verder te verminderen en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering. Daarbij gelden als belangrijkste doelstellingen: 49% minder uitstaat van broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990; in 2050 is Schiedam CO2-neutraal; iedereen kan meedoen in de energietransitie; Schiedam is voorbereid op extreme weersomstandigheden; het vergroten van de biodiversiteit ven het versterken van de ecologische waarde in en buiten Schiedam. Om deze doelstellingen te bereiken wordt verder ingezet op de toepassing van zonne-energie, met als ambitie om in 2030 op 40% van de daken zonnepanelen te hebben. Ook is er ruimte voor andere vormen van hernieuwbare energie-voorziening, zoals windenergie, warmtepompen en warmte-koude opslag. De ambities zijn er op gericht om in 2050 voor wat betreft de woningen volledig aardgasvrij te zijn. Voor nieuwbouw en bij herstructurering geldt daarbij dat voldaan moet worden aan de wettelijke BENG-normen ten aanzien van energiezuinigheid en dat zoveel als mogelijk gebruikt wordt van duurzame en/of herbruikbare materialen. Een tweede belangrijke pijler van het klimaatbeleid is klimaatadaptatie.
Met het beleid wordt ingezet op een aanpassing van de stad aan de gevolgen van klimaatverandering. Ingezet wordt op het hebben van voldoende mogelijkheden voor waterberging in geval van wateroverlast door overvloedige regen, alsmede het beperken van her risico op instabiliteit van kaden en verzakkingen ten gevolge van droogte. Daarnaast wordt ook gekeken naar 'vergroenende' maatregelen om de gevolgen van hittestress bij extreem hoge temperaturen tegen te gaan. Dit laatste draagt, samen met natuurinclusieve maatregelen in de bebouwing, eveneens bij aan het versterken van de biodiversiteit in de stad. Het Klimaatbeleidplan legt ook een nadrukkelijke relatie met het realiseren van de Sustainable Development Goals (SDG's) van de Verenigde Naties. Als Global Goals gemeente heeft Schiedam zich tot doel gesteld om in de beleidsuitwerking in te zetten op duurzaamheid in brede zin: de integratie van sociale, economische en ecologische ontwikkeling. Het Klimaatbeleidplan vormt een belangrijke stap hierin. Klimaatadaptatieplan Schiedam Het Klimaatadaptatieplan Schiedam is op 12 maart 2019 vastgesteld door gemeenteraad. Het plan beschrijft in hoofdlijnen hoe Schiedam de komende jaren wil werken aan klimaatadaptatie, ofwel het aanpassen van de stad aan de gevolgen van de klimaatverandering. Het klimaatadaptatieplan gaat in op vier thema's: wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen.
De ambitie is om Schiedam in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te hebben ingericht, dezelfde ambitie die de landelijke overheden gezamenlijk hebben neergelegd in het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Als gevolg van klimaatverandering zullen kortdurende, extreme buien steeds vaker voor gaan komen, afgewisseld met langere periodes van extreme droogte. Doelstelling om bestand te zijn tegen wateroverlast is, dat een extreme bui kan worden verwerkt, waarbij 60 mm/uur valt. Om droogte tegen te gaan, wordt zoveel mogelijk water dat valt, opgenomen in de bodem en in het stedelijk watersysteem (vergroten van de 'sponswerking' van de stad), zodat het kan worden gebruikt in tijden van droogte. Doel daarvan is bodemdaling, funderingsschade, schade aan infrastructuur en schade aan natuur en ecologie zoveel mogelijk te beperken. Door klimaatverandering zullen vaker hittegolven voorkomen. Doelstelling is dat de opwarming van de stad bij een hittegolf maximaal 2 0 C hoger is dan van het omliggende buitengebied. Bomen en groen spelen een belangrijke rol in schaduw en verkoeling. Bouwtechnische voorzieningen dragen
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
17
wijzigingsplan Polderweg 260
eraan bij opwarming van gebouwen zoveel mogelijk te beperken. Doel is de gezondheid van Schiedammers zo min mogelijk te schaden en ook in tijden van hitte een aangenaam woon- en leefmilieu te behouden. Als gevolg van stijging van de zeespiegel en extreme buien kunnen de waterstanden op de rivier en in het hoofdwatersysteem van Delfland oplopen. Het risico op dijkdoorbraken wordt beperkt doordat de gezamenlijke overheden toezien op de veiligheid van de waterkeringen. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan beschrijft voor de periode 2019-2023 de doelen en eisen die worden gesteld aan de riolering en het beheer daarvan, zodat een goede invulling gegeven wordt aan de gemeentelijke watertaak van afvalwater, hemelwater en grondwater. In vergelijking met het voorgaande plan voor de periode 2014-2018 zijn de ambitieniveaus voor het onderwerp klimaatadaptatie verhoogd (van basis naar ambitieus). In lijn met het door het Rijk opgestelde Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie heeft de gemeente als doel om de stad klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Met dit vGRP worden de klimaatambities vertaald in concreet beleid voor stedelijk water.
De belangrijkste aandachtspunten zijn: aanpak van droogte (aandacht voor bodemdaling en kwetsbare funderingen); wateroverlast door hevige neerslag (ambitie: de stad moet 60 mm neerslag in 1 uur kunnen verwerken zonder dat een dergelijke hevige bui leidt tot overlast); actief betrekken van bewoners bij het klimaatadaptief inrichten van de stad. Doelen en functionele eisen Met de rioleringzorg in Schiedam worden doelen nagestreefd. De doelen voor de rioleringszorg zijn aangepast aan de nieuwe rol ten aanzien van het hemelwater en grondwater en sluiten goed aan bij het gedachtegoed van de invoering van de verbrede watertaken. De rioleringszorg in Schiedam dient de volgende doelen: Zorgplichten op orde; Klaar voor de toekomst; Maatwerk en innovatie; Meten en leren in de praktijk; Samenwerken op alle niveaus. In het vGRP wordt extra aandacht besteed aan het toetsbaar maken van doelen aan de hand van prestatie indicatoren. In het vGRP is een toelichting gegeven op hoe de doelen meetbaar zijn gemaakt. Samenwerking in de waterketen In het voorjaar van 2011 hebben het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven het Bestuursakkoord Water (BAW) gesloten.
De afspraken over de afvalwaterketen hebben als doel de doelmatigheid te verhogen, de kwaliteit van het beheer te verbeteren en de kwetsbaarheid te verminderen (de zogenoemde 3K's: kosten, kwaliteit en kwetsbaarheid). Om dit te bereiken is samenwerking in de keten essentieel. Het samenwerkingsverband Netwerk Afvalwaterketen Delfland (NAD) bestaat uit de gemeenten binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland en het hoogheemraadschap zelf. In de Bestuurlijke Overeenkomst Afvalwaterketen Delfland (22 november 2013) hebben deelnemers aan het NAD afspraken gemaakt over de invulling van het BAW. Als verdere uitwerking van het NAD is op gemeentelijk niveau met het hoogheemraadschap de afspraken verder uitgewerkt. In 2020 is een nieuwe bestuurlijke overeenkomst NAD aangegaan. Nieuw is dat ook de
18
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
waterbedrijven aan zullen sluiten in het samenwerkingsverband. De gebruikte afkorting NAD staat dan voor Netwerk wAterketen Delfland.
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
19
wijzigingsplan Polderweg 260
20
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Hoofdstuk 4 Planologische milieutechnische randvoorw aarden
en
Het al dan niet voldoen aan verschillende planologische en milieutechnische randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuw bestemmingsplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan getoetst op planologische en milieutechnische randvoorwaarden.
4.1 W ater en klimaatadaptatie In het kader van het wijzigingsplan moet de procedure van de watertoets worden doorlopen. Op basis hiervan wordt een waterparagraaf opgesteld, die bij een wijzigingsplan kan worden gevoegd. In de waterparagraaf worden de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten vastgelegd. De waterparagraaf is opgesteld in afstemming met het Hoogheemraadschap van Delfland. In de onderhavige paragraaf wordt zowel ingegaan op de resultaten van de watertoets als op de vereisten voor klimaatadaptatie.
4.1.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen in de Poldervaartpolder. Het waterpeil in deze polder is ter plaatse van de locatie vastgesteld op -3,35 m (peilgebied GPG2013OAP2). Binnen dit peilgebied is een afwijkend peil van toepassing voor de watergang aan de zuidzijde van het plangebied. Hier wordt een peil gehanteerd van -3,70 m (peilgebied GPG2013OAP2aj). Het plangebied valt hiermee in twee peilgebieden, waarbij de peilscheiding het plangebied min of meer in twee delen opdeelt. Het peil in de westelijk van het plangebied gelegen Poldervaart wordt op -0,90m gehouden (peilgebied GPG2013PVP4).
Afbeelding 6 - Plangebied geprojecteerd op de leggerkaart Het regulier en buitengewoon beheer en onderhoud van de twee secundaire watergangen aan de noord- en zuidzijde van het plangebied is de verantwoordelijkheid van de aangelanden. De primaire watergang aan de oostkant van het plangebied wordt beheerd en onderhouden door het
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
21
wijzigingsplan Polderweg 260
hoogheemraadschap. Rondom secundaire watergangen wordt beleidsmatig uitgegaan van onderhoudsstroken van 1,50 m breed (en 2,0 m hoog). Aan de noordkant van het plangebied is deze onderhoudsstrook geborgd doordat hier de ontsluitingsweg van het perceel ligt. Er is geen sprake van opgaande beplanting langs de watergang. Aan de zuidzijde van het plangebied is de watergang bereikbaar via een grastalud. Het plangebied ligt tussen twee polderkades in. Aan de westkant van het plangebied gaat het om de kade van de Poldervaart. De kade kent een buitenbeloop van 1:1,5 en een binnenbeloop van 1:5. De kruinhoogte ten opzichte van het aangrenzend peil is +0,60 m en de breedte van de kruin is 2 m. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan de kade rondom het bedrijventerrein Noord-West. Deze kade kent een buitenbeloop van 1:1,5 en een binnenbeloop van 1:3. De kruinbreedte van de kade is 2 m en de kruinhoogte ten opzichte van het aangrenzend peil is +0,60 m. De bodem ter plaatse van de Poldervaartpolder bestaat hoofdzakelijk uit kleiig zand en klei, afgewisseld met veen en venige klei. Dit pakket is ongeveer 15 m dik. De bovenkant van het eerste watervoerend pakket ligt op een hoogte van ongeveer NAP -18 m. De gronden binnen het wijzigingsplan zijn relatief laaggelegen, er is sprake van een hoogteverschil aflopend van west naar oost.
Het hoogteverschil tussen het maaiveld en het waterpeil in het gebied is beperkt (minder dan 0,50 m). Deze beperkte droogtelegging kan betekenen dat bij hevige neerslag het waterpeil in de sloten dusdanig snel stijgt dat deze boven het maaiveld komt te staan. In de huidige situatie is het 4.500 m² grote perceel voor circa 51% bebouwd. Achter de bebouwing (kas) is een semi-verhard terrein gelegen van circa 1.000 m². Voor tuinen hanteert het Hoogheemraadschap Delfland de verdeling 50% verhard en 50% onverhard, het terrein wordt op dezelfde manier berekend. Derhalve wordt van het terrein 500 m² gerekend als onderdeel van het verhard oppervlak en 500 m² als onverhard. Daarnaast is er op het perceel een asfaltpad gelegen van circa 300 m². Dit maakt een totaal van 3.600 m² verhard oppervlak op het perceel. Het overig oppervlak van het perceel, 900 m², wordt in deze globale berekening in de watersleutel als groen beschouwd.
4.1.2 Watersleutel Om de benodigde watercompensatie voor een ruimtelijke ontwikkeling te berekenen, heeft het Hoogheemraadschap van Delfland de Watersleutel ontwikkeld. De watersleutel toont het verschil tussen de benodigde waterberging in de huidige situatie en in de toekomstige situatie. In de nieuwe situatie (zie tabel 1) neemt het bebouwde oppervlak af. Het grondvlak van de nieuwe bebouwing is circa 600 m². Het totale oppervlak voor parkeren in het planvoornemen is 170 m². Het asfaltpad blijft behouden in het planvoornemen. Ook hier wordt voor de tuinen de verdeling 50% verhard / 50% onverhard gehanteerd. Derhalve wordt van de tuinen 1.000 m² gerekend als onderdeel van het verhard oppervlak en 1.000 m² als onverhard. Naast de tuinen bevat het planvoornemen 1.430 m² groen.
22
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
Tabel 1 - Veranderingen in grondgebruik verhard / onverhard Per saldo neemt de verharding in het plangebied dus af met 1.030 m². Water compenserende maatregelen zijn volgens de watersleutel dan ook niet noodzakelijk. Let op: uit oogpunt van een klimaatadaptieve inrichting dienen wel maatregelen te worden genomen om water op te vangen en te bergen in het plangebied.
4.1.3 Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. In de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een keurzone vastgesteld. Deze bestaat uit het waterstaatswerk (de daadwerkelijke kering) en een beschermingszone. Binnen het waterstaatswerk en de beschermingszone zijn op basis van de Keur Delfland beperkingen gesteld aan activiteiten die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. Uit de Leggerkaart van Delfland (zie afbeelding 6) blijkt dat er in het plangebied geen waterkeringen aanwezig zijn die van invloed zijn op dit plan. In de nabijheid is er wel een waterkering, inclusief beschermingszone die deels binnen het plangebied valt. Echter worden er binnen de beschermingszones geen woningen ontwikkeld. De situatie blijft daar ongewijzigd. De waterkering heeft dus geen invloed op het planvoornemen. Mogelijk is wel aanleg van kabels en leidingen binnen de beschermingszone nodig, of is sprake van werkzaamheden om kabels en leidingen aan te sluiten.
In de verdere planuitwerking zal hier wel concreet aandacht aan moeten worden besteed. Mogelijk is hiervoor ook een vergunningplicht van toepassing.
4.1.4 Oppervlaktewater In de nieuwe situatie is aan de begrenzing van het plangebied oppervlaktewater aanwezig. In het planvoornemen is rekening gehouden met bouwen op voldoende afstand van het oppervlaktewater. De drooglegging van het gebied is met 0,5 m beperkt. Bij het optreden van een hevige bui zal het water dat valt op het terrein afstromen naar het oppervlaktewater en zal het water in de watergangen stijgen, met een risico op overlopen van de watergangen. Daar komt bij dat het op een lager peil handhaven van de zuidelijke watergang niet wenselijk is. Voor een robuust systeem is het gewenst alle omliggende watergangen op hetzelfde peil te houden; in de huidige situatie dus op -3,35 m.
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
23
wijzigingsplan Polderweg 260
In het plangebied moet rekening worden gehouden met de beperkte drooglegging en met het overstromingsrisico van de aanliggende watergangen. Dat kan door de bebouwing en de inrit/toegangsweg op hoogte aan te leggen, ofwel door het overstromingsrisico te accepteren en de bebouwing afsluitbaar te maken, zodat het water niet naar binnen kan stromen.
Tabel 1 - Veranderingen in grondgebruik verhard / onverhard
4.1.5 Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied is geen water aanwezig. De afname van de verharding in het plangebied is een positieve ontwikkeling en heeft voordelige gevolgen voor het watersysteemkwaliteit en ecologie. Er zal niet worden gewerkt / gebouwd met vervuilende materialen, waardoor ook de chemische samenstelling niet achteruit zal gaan. Het projectgebied heeft vanwege het ontbreken van oppervlaktewater geen directe invloed op de kwaliteit van het oppervlaktewater, wel indirect, doordat hemelwater afstroomt naar het oppervlaktewater. Door de eventuele infiltratie van hemelwater in de bodem kan door de bodempassage een kwaliteitsverbetering plaatsvinden van het grondwater.
4.1.6 Afvalwater en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend Waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt in zijn algemeenheid de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het plangebied kent een bijzondere situatie. Het rioolstelsel ligt in de Polderweg en daarmee hoger dan het plangebied. In het plangebied dient een gescheiden rioleringsstelsel te worden aangelegd. Het vuile afvalwater kan via een drukriolering worden aangesloten op het riool in de Polderweg en wordt via dit riool afgevoerd naar de dichtstbijzijnde A.W.Z.I.. Het hemelwater dient te worden opgevangen en verwerkt binnen het plangebied.
Voor het opvangen, vasthouden en zo nodig vertraagd afvoeren van het hemelwater zijn creatieve en efficiënte maatregelen mogelijk, zoals open verharding onder de toegangsweg, parkeerplaatsen en terrassen, aanleg van bergingsvoorzieningen (bijvoorbeeld lagere delen in het terrein aanbrengen, zuiveringsmoeras, bergingskratten of -kelders), groene en waterbergende daken, mogelijk in combinatie met het realiseren van een 'grijswatersysteem' (benutten van hemelwater voor toiletspoeling, auto wassen en dergelijke). Voor aanpassingen aan het bestaande oppervlaktewatersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur Delfland. Dit geldt bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater.
24
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
4.1.7 Hittestress Als gevolg van klimaatverandering zullen hittegolven vaker voor gaan komen. Bebouwing en verharding zijn gevoeliger voor opwarming in tijden van (extreme) hitte dan het open buitengebied. Dit komt doordat bebouwing/verharding warmte gemakkelijker opneemt dan begroeiing. Hitte heeft geen directe, maar wel een indirecte relatie met water. Hittestress kan worden tegengegaan door verharding van de buitenruimte zo veel mogelijk te beperken, door het aanbrengen van begroeiing en het creëren van schaduwplekken. Bomen met grote boomkruinen hebben daarbij de voorkeur, omdat bomen niet alleen zorgen voor schaduw, maar ook water verdampen, waardoor onder de bomen een aangenaam verblijfsklimaat ontstaat. Bomen verliezen hun verkoelende werking bij gebrek aan water. Om hittestress tegen te gaan, krijgen dakvlakken en tuinen bij voorkeur een inrichting met veel (open) waterberging en groen. Sedumdaken of groene daken ('vegetatiedaken') worden in den lande al veel toegepast. Daken die ook water kunnen bergen (zogeheten 'polderdaken') worden steeds vaker toegepast en zijn ook effectief om het gebouw te verkoelen. Verder kunnen groene gevels een bijdrage leveren aan verkoeling van het gebouw. (Bijkomend voordeel van polderdaken en van vegetatiedaken is dat deze goed te combineren zijn met zonnepanelen.
Wanneer de daken ook vocht vasthouden, hebben zij zelfs een koelend effect op de zonnepanelen, wat het rendement van de panelen verhoogt en het risico op brand verkleint). Wanneer meer diversiteit in beplanting wordt aangebracht, levert dat een bijdrage aan de rijkdom van de natuur en biedt meer kansen voor de ecologie (ecosystemen). Een diverse natuurlijke omgeving biedt kansen voor dieren en een rijkere biodiversiteit. Naast de genoemde maatregelen kunnen bouwtechnische voorzieningen opwarming van gebouwen beperken (denk aan isolatie, luifels en zonwering, mogelijkheden om ramen open te kunnen zetten/natuurlijk te ventileren, beperken van grote glasoppervlakken, gebruik van reflecterende in plaats van absorberende bouwmaterialen. Het gebruik van airconditioning wordt afgeraden, gezien het energieverbruik, dat weer andere klimaatdoelen betreft).
4.1.8 Zettingen Het plangebied ligt in een gebied dat zettingsgevoelig is. Dat wil zeggen dat de bodem daalt. In de huidige situatie zakt de omgeving 1 tot 10 mm per jaar. Door de ondergrond zo 'nat' mogelijk te houden, wordt het zettingsproces vertraagd.
4.1.9 Conclusie Gelet op het voorgaande hoeven er in het kader van de planontwikkeling geen watercompenserende maatregelen getroffen te worden. Wel is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen met betrekking tot uitwerking van een inrichtingsplan.
4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Algemeen Het bevoegd gezag dient te beoordelen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Hiertoe staan in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage activiteiten opgesomd die mogelijk leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor activiteiten die genoemd staan in de eerste kolom van onderdeel C geldt dat zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, deze zijn dan ook direct m.e.r.-plichtig. In de eerste kolom van onderdeel D staan activiteiten opgesomd waarvan niet vaststaat of deze leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor dient dan ook een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden.
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
25
wijzigingsplan Polderweg 260
4.2.2 Beoordeling De voorgenomen ontwikkeling staat niet direct genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het dichtst in de buurt komt de beschrijving in de eerste kolom van onderdeel D onder 11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r.: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In de tweede kolom staan de drempelwaarden genoemd voor deze activiteit, hierbij gaat het erom of de activiteit betrekking heeft op één van de volgende genoemde punten: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het planvoornemen kan beter beschreven worden als een transformatie van bestaand stedelijk gebied in plaats van een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject, hierdoor past het planvoornemen strikt genomen niet binnen de definitie uit het Besluit m.e.r.. Bovendien wordt de drempelwaarde van 2.000 woningen met dit planvoornemen bij lange na niet gehaald, het gaat om het toevoegen van zeven woning. Derhalve is het hier niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn verderop in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen.
Uit die afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd hoeft te worden. Op grond van voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten en is het uitvoeren van een m.e.r.- beoordeling hier niet nodig.
4.2.3 Conclusie Gelet op de overige in dit hoofdstuk behandelde milieuaspecten wordt geconcludeerd dat het milieubelang van de planontwikkeling in voldoende mate is afgewogen. Op basis van de kenmerken van het project (in relatie tot de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Gelet op de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals opgenomen in deze paragraaf wordt geen MER opgesteld.
4.3 Bodem 4.3.1 Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient een bodemanalyse te worden verricht met het oog op de beoordeling van de realiseerbaarheid van bepaalde bestemmingen of bestemmingswijziging. In het kader van dit bestemmingsplan is een milieuhygiënisch bodemadvies opgesteld. De uitkomsten van het bodemadvies staan in de volgende alinea's beschreven.
4.3.2 Beoordeling Op de locatie is een bodemonderzoek uitgevoerd door Arnicon Groep. Uit het onderzoek is het volgende geconcludeerd: ''De locatie wordt geschikt geacht voor de beoogde bestemming, waarbij wordt aangemerkt dat bij de verwijdering of verandering van het asfaltpad saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn.'' Het huidig planvoornemen is om het asfaltpad te behouden in de huidige staat, hierdoor zijn saneringsmaatregelen niet nodig. Het volledige rapport is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd (kenmerk: C18-006-O-N).
26
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
wijzigingsplan Polderweg 260
4.3.3 Gebruiksbeperkingen Het rapport concludeert dat sprake is van een aanvaardbare situatie, mits het bestaande asfaltpad behouden blijft in de huidige vorm. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodemgeschiktheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Om dit te borgen is in de regels van het wijzigingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen, zodat bij eventuele verwijdering of aanpassing van het pad een nader toetsmoment mogelijk is ten aanzien van de noodzaak tot bodemsanering (zie regels artikel 4.6.2).
4.3.4 Conclusie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodemgeschiktheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Flora en fauna 4.4.1 Algemeen De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. In de toelichting van een bestemmingsplan moeten de gevolgen van het bestemmingsplan voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels.
4.4.2 Beoordeling Op 28 november 2018 is een biotooptoets uitgevoerd door een erkend ecoloog. Samen met het bronnen- en literatuuronderzoek zijn de bevindingen hiervan verwerkt in een flora- en faunarapportage, ook wel genoemd een ecologische quickscan. Uit de bureaustudie en de biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied wordt aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Wel is de zorgplicht conform de Wet natuurbescherming (Wnb), artikel 1.11 te allen tijde van toepassing. Specifiek wordt hier ook genoemd de zorgplicht voor vogels ingevolge artikel 3.1 Wnb: de werkzaamheden dienen buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden, of men dient te starten voor het broedseizoen en door te werken in het broedseizoen indien continue verstoring plaatsvindt (waarbij geadviseerd wordt het gebied voor het broedseizoen ongeschikt voor broedvogels te maken door, indien noodzakelijk, het groen te verwijderen). Indien de werkzaamheden starten binnen het broedseizoen, mogen deze pas uitgevoerd worden indien vooraf door een deskundig ecoloog op twee verschillende momenten is vastgesteld dat geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Voor het broedseizoen geldt geen vaste periode, maar globaal wordt uitgegaan van de periode half maart tot half augustus.
Beh ou d en versterking natu u r- en landschapswaarden Het achterste gedeelte van het perceel is aangewezen als Wro-zone – wijzigingsgebied 2 - te wijzigen in de bestemming ''Groen'' ten behoeve van het behoud en versterking van de natuuren landschapswaarden. Dit gedeelte van het planvoornemen wordt volledig als ‘’Groen’’ aangewezen. Daarnaast wordt bij het inrichtingsplan ook rekening gehouden met de natuurwaarden. Zo wordt er minder verharding gerealiseerd ten opzichte van de huidige situatie. Ten behoeve van de nieuwbouw worden er verschillende aanbevelingen gedaan met als doel de
wijzigingsplan Polderweg 260 (ontwerp)
27
wijzigingsplan Polderweg 260
ecologische structuren in de omgeving te versterken: voor vleermuizen zouden open stootvoegen aangebracht kunnen worden in muren, of vleermuiskasten kunnen worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op >2,5 meter hoogte in nieuw te bouwen woningen. Eveneens kunnen vleermuisstenen worden ingemetseld. het planten van bomen en struwelen voor vogels en vleermuizen verdient aanbeveling. Het beste zijn, ecologisch gezien, inheemse bes- en bloemdragende struiken en planten. er kunnen nestpannen of neststenen worden aangebracht ten behoeve van huismussen en gierzwaluwen. Deze beschermde soorten verliezen steeds meer nestmogelijkheden. voor huismussen blijken uit onderzoek zogenaamde mussenvides uitstekend te functioneren als nestplaats. Deze zijn gemakkelijk en relatief goedkoop in te bouwen in nieuwe woningen. Initiatiefnemer heeft aangegeven deze aanbevelingen bij de kopers van afzonderlijke woningen onder de aandacht te brengen. Daarnaast dient een inrichtingsplan te worden opgesteld voor het plangebied, met name voor de in te richten groenzone aan de oostkant van het perceel. Hierin kunnen eveneens aanbevelingen worden verwerkt. Het rapport 'Quickscan Wet Natuurbescherming Schiedam Polderweg 260 met kenmerk 1666/RSL/rap1 is als bijlage 2 aan deze toelichting toegevoegd.