CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 mer-beoordeling bp sGraveland Spaanse Polder

Gemeenteraad 31 oktober 2023, gemeente SchiedamBij agendapunt: Raadsbesluit ‘Reparatiebesluit bestemmingsplan ’s-Graveland en Spaanse Polder 202027.263 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Huidige situatie De resultaten zijn per wegvak opgenomen in bijlage 6. Hieronder zijn tekstueel de belangrijkste resultaten beschreven. Jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide In de huidige situatie is in geen van de wegvakken sprake van het overschrijden van de gestelde wettelijke norm van 40 μg/m³. De WHO-advieswaarde is gelijk aan de wettelijk norm waardoor hier ook aan voldaan wordt.

4 oktober 2023

BJ4342-MI-RP-230831-0756

24

Jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) In de huidige situatie is in geen van de wegvakken sprake van het overschrijden van de gestelde wettelijke norm van 40 μg/m³. De WHO-advieswaarde is strenger dan de wettelijk norm (20 μg/m³), ook aan deze advieswaarde wordt in alle wegvakken voldaan. Jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM2.5) In de huidige situatie is in geen van de wegvakken sprake van het overschrijden van de gestelde wettelijke norm van 25 μg/m³. In alle wegvakken ligt de concentratie lager dan 10 μg/m³. De hoogste concentratie is 9,3 μg/m³. Daarmee wordt ook voldaan aan de strengere WHO-advieswaarde (10 μg/m³). Aantal dagen overschrijding van de grenswaarde van de 24-uursgemiddelde concentratie fijnstof (PM10) Op maximaal 35 dagen per jaar mag de etmaalconcentratie van fijnstof (PM10) hoger liggen dan 50 μg/m³. In de huidige situatie ligt op 6 dagen per jaar de etmaalconcentratie hoger dan 50 μg/m³. Daarmee wordt voldaan aan de gestelde norm. Er bestaat geen WHO-advieswaarde voor dit criterium. Samenvattend wordt gesteld dat in de huidige situatie voor alle criteria aan de wettelijke normen en de WHO-advieswaarden (indien van toepassing) wordt voldaan. Effecten Jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide In de plansituatie is er in 12 van de 14 wegvakken sprake van een toename van de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide.

De hoogste toename bedraagt 3,1 μg/m³ op de Van Heekstraat. Omdat er sprake is van een worst-case situatie is de verwachting dat de concentratie in de toekomst lager zal liggen. In alle wegvakken wordt voldaan aan de wettelijke norm van 40 μg/m³. Omdat de WHOadvieswaarde gelijk is aan de wettelijk norm wordt ook daaraan voldaan. Jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) In de plansituatie is er in 8 van de 14 wegvakken sprake van een toename van de jaargemiddelde concentratie fijnstof PM10. De hoogste toename bedraagt 0,3 μg/m³ op de volgende wegen binnen het plangebied: Jan van Riebeeckweg, ’s-Gravelandseweg, Van Heekstraat en Ringersstraat. De WHO-advieswaarde is met 20 μg/m³ strenger dan de wettelijke norm. Ondanks de beperkte toename in de plansituatie wordt in alle wegvakken aan de WHO-advieswaarde voldaan. Jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM2.5) In de plansituatie is er in 5 van de 14 wegvakken sprake van een toename van de jaargemiddelde concentratie fijnstof PM2.5. De hoogste toename bedraagt 0,1 μg/m³. De hoogste concentratie blijft gelijk aan de huidige situatie (9,3 μg/m³). Hiermee komt de jaargemiddelde concentratie niet boven de wettelijke norm en WHO-advieswaarde uit.

Aantal dagen overschrijding van de grenswaarde van de 24-uursgemiddelde concentratie fijnstof (PM10) In de plansituatie blijft het aantal dagen dat etmaalconcentratie fijnstof PM10 wordt overschreden gelijk aan de huidige situatie (6 dagen), er is geen sprake van een toename en de norm (35 dagen) wordt ruimschoots gehaald. Er bestaat geen WHO-advieswaarde voor dit criterium. Samenvattend blijkt dat er in de plansituatie geen geval sprake is van overschrijding van de normen uit de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor het uitvoeren van de plannen (artikel 5.16 lid 1a). In de plansituatie wordt ook voldaan aan de WHO-advieswaarden waardoor de plannen geen belemmering vormen voor de ambities uit het Schone Lucht Akkoord.

4 oktober 2023

BJ4342-MI-RP-230831-0756

25

Conclusie: luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. Daarmee is het doorlopen van de m.e.r.-procedure niet aan de orde.

4 oktober 2023

BJ4342-MI-RP-230831-0756

26

4.7

Bedrijven- en milieuzonering

Voor het bestemmingsplan is voor het aspect bedrijven- en milieuzonering gekeken naar de afstanden tussen bedrijven en milieugevoelige functies zoals wonen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, ter plaatse van woningen een goed woon- en leefmilieu gegarandeerd kan worden en rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor het aspect bedrijven- en milieuzonering is niet gekeken naar industrielawaai, dit komt aan bod in het hoofdstuk dat in gaat op geluid. Huidige situatie Voor het bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van milieuzonering, waarbij bij het bepalen van de maximaal toegestane milieucategorie is gekeken naar de impact en ligging in relatie tot functies in de omgeving. Dit betekent dat er voldoende ruimtelijke scheiding is tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies zoals woningen. Op die manier wordt de overlast door bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. Voor de milieuzonering heeft de gemeente Schiedam de ‘Staat van Milieubelastende activiteiten’ uit de VNG-publicatie Bedrijven- en milieuzonering (2009) gebruikt. Het bedrijventerrein ’sGraveland en Spaanse Polder is en blijft in hoofdzaak een bedrijventerrein.

De aanwezige bedrijven vormen het uitgangspunt voor de milieuzonering. Hierin worden richtafstanden gebruikt tussen bedrijfsactiviteiten en gevoelige functies, de richtafstanden zijn als volgt. Tabel 4.1: Milieucategorisering volgens de VNG-publicatie 'Staat van Milieubelastende activiteiten' voor een gemengd gebied.'

Milieucategorie

Afstand in meters tot gevoelige functies

Aanwezig in plangebied?

1

10

Ja

2

10

Ja

3.1

30

Ja

3.2

50

Ja

4.1

100

Ja

4.2

200

Ja

5.1

300

Nee

5.2

500

Nee

5.3

700

Nee

6

1.000

Nee

Binnen het plangebied komt alleen bedrijvigheid voor met milieu categorisering van 1 tot en met 4.2. De categorieën 5 en 6 komen niet voor. Bij de milieuzonering is rekening gehouden met bestaande perceels- of inrichtingsgrenzen en de ligging van bestaande bebouwing. Door deze wijze van zoneren ontstaat een interne milieuzonering, waarbij lichtere vormen van bedrijvigheid aan de randen van het industrieterrein toegelaten zijn en op grotere afstanden zwaardere bedrijfsactiviteiten (tot milieucategorie 4.2). De interne milieuzonering is bepaald op basis van de afstand tot de bestaande woonbebouwing in de omgeving, zoals de woningen en woningbouwmogelijkheden langs de Polderweg en de toekomstige ontwikkeling van woningen op Schieveste. Deze wijze van zoneren vormt geen beperking van de bestaande rechten van de zittende bedrijven. Er is voor gekozen om de richtlijnen voor een gemengd gebied te volgen.

4 oktober 2023

BJ4342-MI-RP-230831-0756

27

Effecten Binnen het plan is er geen wijziging van de locatie waar woningen mogelijk zijn. Net buiten het plangebied zijn twee locaties waar woningen gebouwd kunnen worden, Schieveste en Polderweg. Aan de zuidzijde van Spaanse Polder zijn de toegestane milieucategorieën afgestemd op de ontwikkeling Schieveste. Ten noorden van het plangebied ligt de Polderweg, dit is een gebied waar woningen en (agrarische) bedrijven zijn toegestaan. Ten zuiden van het plangebied ligt Schieveste waar 3000 woningen ontwikkeld worden. Tussen Schieveste en het plangebied ligt de A20. De afstand tussen het bedrijventerrein en de toekomstige woningen in Schieveste is over het algemeen ruim 100 meter. In het zuidelijke deel van het plangebied is milieucategorisering tot en met categorie 4.1 toegestaan (zie onderstaande figuur). In het noorden ligt de afstand tot toekomstige woningen op sommige locaties op minder dan 100 meter, hier zijn de toegestane milieucategorieën op aangepast. In onderstaande figuur is de indeling van de milieucategorisering van het plangebied te zien.

Figuur 4.3: Indeling van het plangebied op basis van milieucategorisering

Conclusie: Het vaststellen van het bestemmingsplan heeft geen significant negatieve effecten op bedrijven- en milieuzonering. In het bestemmingsplan is rekening gehouden met gevoelige functies zoals woningen. Daarmee is het doorlopen van de m.e.r.-procedure niet aan de orde.

4 oktober 2023

BJ4342-MI-RP-230831-0756

28

4.8

Archeologie

De gemeente Schiedam heeft archeologisch beleid en beleidsinstrumenten ontwikkeld waarmee archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen geborgd zijn. Dit hoofdstuk is gebaseerd op het archeologisch beleid. Huidige situatie Het plangebied kent een lange geschiedenis waarbij de eerste bewoningssporen uit de IJzertijd en Romeinse tijd stammen. Bewoning lijkt voornamelijk op oeverzones van (voormalige) waterlopen te liggen, zoals de Schiedamse Schie en zijtakken daarvan. Ter hoogte van de Polderweg lag één van de zijtakken van de Schiedamse Schie. In het plangebied ligt een vindplaats waar een mogelijke dam met ontwateringssloten nog onder de ophogingsslagen aanwezig is. Rond de 10e en 11e eeuw werd het gebied ontgonnen, door de ontwatering van het veen daalde het maaiveld en werd het gebied kwetsbaar voor overstromingen. In de 12e eeuw leidde deze overstromingen tot afzetting van een kleipakket. Overstromingen maakte de aanleg van rivier- en polderdijken noodzakelijk. In het plangebied liggen nog verschillende dijktracés. De structuur van de dijk laat zien dat de Schie vroeger een sterk meanderende rivier was (met veel bochten). De dijken in het plangebied werden vroeger benut als woonplaats. In het hele plangebied zijn vindplaatsen uit de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen te verwachten, het gaat grofweg om de periode 1000 tot 1500.

De bewoningssporen liggen op wisselende dieptes, op sommige locaties ligt dit direct onder het maaiveld. De Schieoevers en de omgeving van de Polderweg hebben een verhoogde archeologische potentie door bewoning rond dijken, het gaat om bewoningssporen en vondsten vanaf 1200.

Figuur 4.4: Archeologische waardevolle gebieden 4 oktober 2023

BJ4342-MI-RP-230831-0756

29

Effecten Het hele plangebied heeft een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting. Dat maakt dat het uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is. Dit vervolgonderzoek kan bestaan uit het uitvoeren van archeologische begeleiding bij graafwerkzaamheden tijdens de herinrichting en het graven van proefsleuven voorafgaand aan de start van de herinrichting. In het bestemmingsplan is een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ opgenomen. Dit maakt dat er voor het hele gebied een bouwverbod geldt (met afwijkingsbevoegdheid) en dat een omgevingsvergunning verplicht is voor werkzaamheden die de aanbevolen oppervlakte- en dieptematen overschrijden. Om af te wijken van het bouwverbod of een omgevingsvergunning te kunnen verkrijgen is een archeologisch onderzoek verplicht gesteld. Daarvoor worden de volgende oppervlakte en dieptematen gehanteerd. Tabel 4.2: Richtlijnen voor archeologisch vervolgonderzoek per archeologische waarde

Waarde

Diepte activiteiten

Oppervlak activiteiten

Archeologie 1

> 1,0 meter beneden maaiveld

Ongeacht de oppervlakte

Archeologie 2

Ongeacht de diepte

> 100 m2

Archeologie 3

Ongeacht de diepte

> 200 m2

Archeologie 4

> 0,5 meter beneden maaiveld

> 200 m2

Archeologie 5

> 3 meter beneden maaiveld

> 200 m2

Archeologie 6

> 1 meter beneden maaiveld

> 200 m2

Archeologie 7

Dieper dan de huidige onderwaterbodem

> 200 m2

In de figuur hiernaast is de archeologische waardenkaart opgenomen, in combinatie met bovenstaande tabel is uit de figuur af te leiden op welke locaties er wanneer sprake is van de verplichting tot archeologisch vervolgonderzoek. Conclusie: Het vaststellen van het bestemmingsplan heeft geen significant negatieve effecten op in het gebied voorkomende archeologische waarden. Het gebied is eerder ontwikkeld. Bij (her)ontwikkeling zijn in het bestemmingsplan eisen opgenomen voor het al dan niet uitvoeren van archeologisch vervolgonderzoek. Daarmee is het doorlopen van de m.e.r.-procedure niet aan de orde.

Tabel 4.3: Archeologische waardenkaart van het plangebied

4 oktober 2023

BJ4342-MI-RP-230831-0756

30

5

Samenvatting en conclusies

De conclusies van de milieuaspecten zijn hieronder samengevat, daarna is een algemene conclusie gegeven.

5.1

Samenvatting

Milieuaspect

Welke effecten (kansen en risico’s) zijn er ten opzichte van de huidige situatie?

Is er sprake van onaanvaardbare gevolgen voor het milieu?

Water

Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk consoliderend van aard. Er zijn uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer opgenomen in de toelichting en regels van het bestemmingsplan.

Nee

Bodem

In het plangebied zijn verontreinigingen aanwezig, zoals teer en diverse puntbronnen. Deze zijn niet aangemerkt als spoedlocatie maar moeten op termijn wel gesaneerd worden. Bij toekomstige ontwikkelingen moet een actueel bodemonderzoek uitgevoerd worden en worden gehandeld naar de uitkomsten van dit onderzoek

Nee

Voor gebiedsbescherming is er geen sprake van een toename in stikstofdepositie als gevolg van het wijzigen van het bestemmingsplan. Het verschil met de huidige situatie bedraagt 0,00 mol N/ha/jaar. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is daarom niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan. Natuur

Externe veiligheid

Voor soortenbescherming geldt dat het bestemmingsplan geen directe nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt die van invloed zijn op het functioneren van de ecologie in het gebied. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan niet in de weg. Als er sprake is van concrete ontwikkelingen is aanvullend onderzoek nodig zoals in deze paragraaf is beschreven. Het is niet te verwachten dat er soorten worden verstoord, daarmee is een het doorlopen van de m.e.r.-procedure niet aan de orde. Het vaststellen van het bestemmingsplan heeft geen significant negatieve effecten op natuur. Binnen bestemmingsplan ’s-Graveland & Spaanse Polder zijn risicovolle inrichtingen volgens het Besluit en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi) niet toegestaan met uitzondering op één locatie (verkooppunt LPG). Bedrijven die wel toegestaan zijn hebben een milieucategorie van maximaal 4.1. Deze activiteiten hebben echter geen significante invloed op de externe veiligheid in het gebied.

Nee

Nee

Binnen ’s-Graveland & Spaanse Polder is ook sprake van beperkt kwetsbare objecten. Te denken valt dan aan gebouwen waarin minder grote aantallen personen een groot

4 oktober 2023

BJ4342-MI-RP-230831-0756

31

deel van de dag verblijven, zoals kantoren ondergeschikt aan de bedrijfsvoering. Nieuwe (zeer) beperkte objecten in de nabijheid van risicovolle bedrijven is uitgesloten. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk waardoor het groepsrisico toeneemt.

Geluid

Nieuwe bedrijven die zich in het plangebied vestigen worden door de DGMR getoetst aan de beschikbare geluidruimte. In het nieuwe bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen of nieuwe zoneplichtige wegen mogelijk gemaakt, nieuwe woningen komen niet binnen de geluidzone van de spoorlijn.

Nee

Luchtkwaliteit

In de plansituatie wordt de wettelijke norm en WHOadvieswaarde voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en fijnstof (PM10 en PM2.5) niet overschreden. Het aantal dagen dat de grenswaarde van de 24uursgemiddelde concentratie fijnstof wordt overschreden ligt op 6 dagen waarmee voldaan wordt aan de norm (35 dagen).

Nee

Bedrijven- en milieuzonering

Het plangebied is ingedeeld op basis van milieuzonering waarbij rekening is gehouden met gevoelige functies zoals wonen. De afstand van milieugevoelige bedrijvigheid tot woningen is voldoende.

Nee

Archeologie

Het plangebied heeft een hoge tot zeer hoge archeologische verwachting. In het bestemmingsplan zijn uitgangspunten opgenomen voor archeologisch vervolgonderzoek. Deze moeten bij toekomstige ontwikkelingen gehandhaafd worden.

Nee

5.2

Conclusies

In de voorgaande hoofdstukken is een beschouwing gegeven van de kenmerken van het plan, de omgeving van het plan en de mogelijke gevolgen van het plan op het milieu en de in de omgeving aanwezige waarden. Deze beschouwing geeft het bevoegde gezag, de gemeente Schiedam, de nodige informatie waarmee zij een afweging kan maken of zij het opstellen van een milieueffectrapport (MER) noodzakelijk acht. In de beoordeling van de milieugevolgen is aangesloten bij Bijlage III van de Europese Richtlijn milieueffectbeoordeling. In hoofdstuk 2 en 3 zijn de kenmerken van het plan (criterium 1) en de locatie en omgeving van het plan (criterium 2) beschouwd. Daaruit volgt dat de voorgenomen activiteit beperkt is tot het plangebied en er geen invloeden zijn op de omgeving. In hoofdstuk 4 zijn de potentiële effecten beschreven (criterium 3). Gebleken is dat er voor geen van de onderzochte aspecten sprake is van significant negatieve effecten. De gevolgen zijn allen lokaal en er zijn ter plaatse geen andere ontwikkelingen waarmee de effecten tot grote gevolgen zouden kunnen cumuleren. De conclusie is daarom dat, mits de voorgestelde maatregelen in acht worden genomen, er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

Op basis van de hiervoor opgenomen samenvatting van de effectstudies kan worden geconcludeerd dat, met het toepassen van de (noodzakelijke) mitigerende maatregelen, belangrijke nadelige milieugevolgen niet zullen optreden. Het opstellen van een MER en het uitvoeren van een m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.

4 oktober 2023

BJ4342-MI-RP-230831-0756

32

Bijlage 1: Wijzigingen nieuwe bestemmingsplan ten opzichte van bestemmingsplan 2005 Oppervlaktes bestemmingen 1. Er is sprake van een verandering in oppervlak van milieucategorieën en van groenoppervlak, deze veranderingen zijn opgenomen in onderstaande tabel. Het totaal aantal onttrokken en toegevoegde oppervlak bedrijventerrein is nagenoeg gelijk waardoor er per saldo geen sprake is van een toevoeging van bedrijventerrein in de directe bestemmingslegging. Daarmee is er per saldo sprake van inwisselbaarheid. Dit is geen relevante ontwikkeling voor de m.e.r.beoordeling. Van

Naar

Oppervlak (m2)

Oppervlak (ha)

Bedrijf milieucategorie 4

Bedrijf milieucategorie 3.2

139.250

13,925

Bedrijf milieucategorie 3

Bedrijf milieucategorie 4.2

77.000

7,7

Bedrijf milieucategorie 3

Bedrijf milieucategorie 4.1

38.000

3,8

Bedrijf milieucategorie 2

Bedrijf milieucategorie 3.1

29.500

2,95

Groen

Bedrijf milieucategorie 3.2

1.500

0,15

Kantoor*

Bedrijf milieucategorie 4.2

7.500

0,75

Kantoor*

Bedrijf milieucategorie 3.2

18.500

1,85

Bedrijf milieucategorie 3 & 4

Verkeer

14.000

1,4

Bedrijventerrein

Groen

13.500

1,35

Groen

Bedrijf milieucategorie nog niet bepaald

49.000

4,9

Totaal categorie verlaagd

139.250

13,925

Totaal categorie verhoogd

144.500

14,45

Totaal terrein toegevoegd

27.500

2,75

Totaal terrein onttrokken

28.500

2,75

Totaal toekomstige terrein toevoeging

49.000

4,9

* de bestemmingen kantoor die zijn omgezet naar bedrijventerrein kennen nog wel de functieaanduiding kantoor. De functie kantoor blijft daar toegestaan, het gaat om feitelijk aanwezige solitaire kantoorpanden in het gebied. 2. Het nieuwe plan biedt de mogelijkheid om een oppervlak van 4,9 hectare extra bedrijventerrein te realiseren door wijziging van de bestemming Groen naar onder andere de bestemming Gemengd 7. Dit gebeurt via een wijzigingsbevoegdheid (artikel 5.4). Dit is een relevante ontwikkeling voor de m.e.r.-beoordeling.

7 Hiervoor geldt dat een groot deel van de bestemming Groen niet als groenvoorziening is ingericht maar reeds is voorbelast of opgehoogd ten behoeve van de toekomstige vestiging van bedrijven.

4 oktober 2023

BJ4342-MI-RP-230831-0756

33

3. Met het nieuwe bestemmingsplan blijft de ontwikkeling van een relatief klein woongebied mogelijk aan de Polderweg. Dit gebied heeft een omvang van ongeveer 5 hectare en was ook al als woongebied bestemd in het plan uit 2005. Er vindt geen wijziging plaats in de planologische inhoud. Voor het gebied is een concept beeldkwaliteitsplan opgesteld welke in lijn is met het bestemmingsplan. In het beeldkwaliteitsplan is opgenomen dat er maximaal 30 woningen in dit gebied ontwikkeld kunnen worden. Dit is geen relevante ontwikkeling voor de m.e.r.beoordeling. 4. De mogelijkheid voor de realisatie van een nieuw station was al mogelijk in 2005 en blijft bestaan. Daarmee is dit een relevante ontwikkeling voor de m.e.r.-beoordeling Gebruiksregels 5. Grosso modo is er wat betreft de milieucategorisering sprake van een verhoging van 14,5 hectare en een verlaging van 14 hectare. Van verlaging is sprake in het zuiden van het plangebied, rond Schieveste. In het noorden van het plangebied is sprake van een verhoging. De Staat van Bedrijfsactiviteiten is geactualiseerd maar er zijn geen substantieel andere bedrijfstypen toegestaan met het nieuwe bestemmingsplan. Daarmee is dit geen relevante ontwikkeling voor de m.e.r.-beoordeling. 6.

In het bestemmingsplan 2005 was horeca mogelijk met een oppervlak van 250 m2 per vestiging toegestaan, deze mogelijkheid is in het nieuwe bestemmingsplan ingeperkt (zie artikel 3.6.2). Het oude plan bood daarmee ruimere mogelijkheden voor vestiging van zelfstandige horeca. Daarmee is dit een relevante ontwikkeling voor de m.e.r.-beoordeling. 7. In het gebied is ruimte voor volumineuze detailhandel, in het plan 2005 was dit ruimer mogelijk, met name op veel percelen langs de A20 en de ’s-Gravelandseweg. In het nieuwe plan is dit alleen mogelijk bij de bestaande en gevestigde bedrijven. Daarmee is er sprake van een inperking in het nieuwe plan en is dit een relevante ontwikkeling voor de m.e.r.-beoordeling. 8. In het plangebied is een etalagezone aangewezen, in deze zone zijn met het nieuwe plan zelfstandige kantoren toegestaan tot een oppervlak van 30.000 m2. Dit is een relevante ontwikkeling voor de m.e.r.-beoordeling. Bouwregels Wat betreft de primaire regels 9. In de bouwregels uit het plan 2005 was de maximale toegestane bouwhoogte 15 meter in het plangebied. Een uitzondering gold in de strook langs de A20 (zie punten 10 en 11). Op enkele verspreide locaties in het plangebied was er sprake van maatwerk qua bouwhoogten, met name bij specifiek bestemde kantoor- en horecalocaties.

In het nieuwe plan zijn deze algemene bouwregels grotendeels overgenomen, de standaard toegestane bouwhoogte blijft 15 meter. Ook het maatwerk voor de specifieke locaties is overgenomen. Daarmee is dit geen relevante ontwikkeling voor de m.e.r.-beoordeling. 10. In het zuiden van het plangebied in het deelgebied Spaanse Polder, langs de A20, is een zogenaamde etalagezone ingetekend. In 2005 was de maximale toegestane bouwhoogte in dit gebied 21 meter. In het nieuwe plan ziet de etalagezone alleen op een zone van 30 meter diep vanaf de zijde van de A20, waar een toegestane bouwhoogte van 40 meter geldt. Daarbuiten is de bouwhoogte verlaagt naar de reguliere 15 meter. In het zuiden van het deelgebied ’sGravelandsepolder, langs de A20, is eveneens sprake van een verhoging van de maximale bouwhoogte, van deels 21 en deels 28 meter in het oude plan, naar 40 meter in het nieuwe plan. 4 oktober 2023

BJ4342-MI-RP-230831-0756

34

Het totaal oppervlak in het bestemmingsplan waar de bouwhoogte is aangepast van 21 en 28 meter naar 40 meter is een kleine 40.000m2. Het totaal oppervlak waar de bouwhoogte is aangepast van 21 meter naar 15 meter is ongeveer 8.000m2. Bij een gemiddelde verdiepingshoogte van 3 meter is de mogelijke toename aan vloeroppervlak hierdoor ongeveer 200.000m2 8. Daarmee is dit een relevante ontwikkeling voor de m.e.r.-beoordeling. 11. In het nieuwe plan is de verplichting opgenomen om in de etalagezone (met een oppervlak van in totaal 20.000 m2) minimaal vier bouwlagen te realiseren. Daarmee wordt bij een worst-case invulling minimaal 80.000 m2 vloeroppervlak gerealiseerd. Hiervan mag slechts 30.000 m2 als zelfstandig kantoor gerealiseerd worden. Er geldt geen verplichting tot 100% bebouwing van het perceel, de eis van minimaal vier verdiepingen geldt alleen indien er gebouwd wordt. Het voorgaande bestemmingsplan 2005 bevatte geen verplichting tot een bepaalde minimale bouwhoogte (danwel bouwlagen). Wel was de etalagezone in de bestaande situatie nagenoeg geheel bebouwd met een-, twee- en drielaagsbebouwing, en kon op grond van het bestemmingsplan 2005 ook reeds substantieel hoger worden gebouwd dan volgens het nieuwe bestemmingsplan minimaal vereist is. Daarmee is dit een relevante ontwikkeling voor de m.e.r.-beoordeling. Wat betreft de afwijkingsmogelijkheden 12.

In het plan 2005 was er sprake van een vrijstellingsmogelijkheid om op diverse locaties die aangeduid waren als ‘hoogteaccent’, een bouwhoogte van 45 meter toe te staan. De aangeduide locaties bevinden zich met name langs de ’s-Gravelandseweg. Deze regeling is niet overgenomen in het nieuwe plan. Daarmee is dit een relevante ontwikkeling voor de m.e.r.-beoordeling. 13. Het nieuwe plan bevat de mogelijkheid om af te wijken van de maximaal toegestane bouwhoogte met maximaal 15 meter. Dit kan alleen onder aanvullende voorwaarden. Dit is een relevante ontwikkeling voor de m.e.r.-beoordeling.

8

Door de omzetting van Verkeer naar Groen op andere delen van het bedrijventerrein neemt het oppervlak per saldo minder toe.

4 oktober 2023

BJ4342-MI-RP-230831-0756

35

Bijlage 2: Waterparagraaf

4 oktober 2023

BJ4342-MI-RP-230831-0756

36

Waterparagraaf bestemmingsplan ’s-Graveland & Spaanse Polder 2020

10 november 2020

INHOUDSOPGAVE

blz.

1. INLEIDING

1

2. BELEID 2.1. Europa 2.2. Rijk 2.3. Provincie 2.4. Hoogheemraadschap van Delfland 2.5. Gemeente Schiedam

2 2 2 2 3 3

3. WATERDOELSTELLINGEN 3.1. Grondwater 3.2. Waterkwantiteit 3.3. Waterkwaliteit 3.4. Veiligheid 3.5. Riolering

5 5 5 5 5 5

4. HUIDIGE SITUATIE 4.1. Bodemgesteldheid 4.2. Grondwater 4.3. Oppervlaktewater 4.4. Waterkwaliteit en ecologie 4.5. Waterveiligheid 4.6. Riolering

6 6 6 6 7 7 8

5. WAARBORGEN DUURZAAM WATERBEHEER 5.1. Waterplan 5.2. Grondwater 5.3. Waterkwantiteit 5.4. Veiligheid tegen overstroming 5.5. Waterkwaliteit en ecologie 5.6. Riolering 5.7. Verwerking in bestemmingsplan

9 9 9 9 9 10 10 10

BIJLAGE Overlegreactie wettelijk vooroverleg Hoogheemraadschap van Delfland

12

1.

INLEIDING Aanleiding Het plangebied van het bestemmingsplan ’s-Graveland & Spaanse Polder 2020 ziet met name op de gelijknamige bedrijventerreinen ten noorden van de A20, tussen het Beatrixpark en de gemeentegrens met Rotterdam. Het geldende bestemmingsplan Spaanse Polder & ‘sGraveland 2004 is vastgesteld in 2005 en is om diverse redenen verouderd. De gemeente Schiedam heeft daarom een nieuw bestemmingsplan voor het gebied opgesteld. Het bestemmingsplan heeft in hoofdzaak een conserverend karakter, met het oog op het behoud van de bestaande situatie als grootschalig bedrijventerrein. Wel heeft een actualisatie plaatsgevonden naar de huidige stand van zaken in het gebied, diverse wettelijke ontwikkelingen en is recent beleid voor zover van toepassing verwerkt in het bestemmingsplan. De ambities zoals die zijn uitgewerkt in het kader van de gebiedsopdracht SchieDistrict, de gebiedsontwikkeling waar de bedrijventerreinen onderdeel van uitmaken, zijn daarbij met name leidend geweest in de doorgevoerde planologische wijzigingen. Afbeelding 1.1 geeft het plangebied van het bestemmingsplan weer.

Afbeelding 1.1. Plangebied bestemmingsplan ’s-Graveland & Spaanse Polder 2020 In het kader van het bestemmingsplan ’s-Graveland & Spaanse Polder 2020 moet de procedure van de watertoets worden doorlopen. Op basis hiervan wordt een waterparagraaf opgesteld, die bij het bestemmingsplan kan worden gevoegd. In de water- paragraaf worden de belangrijkste waterhuishoudkundige aspecten vastgelegd. De water- paragraaf is opgesteld in afstemming met het Hoogheemraadschap van Delfland. Leeswijzer In hoofdstuk 2 is het huidige beleid beschreven aan de hand van de leidende documenten en processen. In hoofdstuk 3 worden de doelstellingen met betrekking tot het waterbeleid besproken. In hoofdstuk 4 is de huidige waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied toegelicht. In hoofdstuk 5 wordt een overzicht gegeven van uitgangspunten, waarmee voor de toekomst de realisatie van duurzaam waterbeheer kan worden gewaarborgd.

1

2.

BELEID

2.1.

Europa

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is op 22 december 2000 officieel van kracht geworden. De richtlijn heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwater-lichamen (verbinding infiltratie en kwelgebieden). De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater.

2.2.

Rijk

Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Nationaal Waterplan Op 22 december 2009 is ook het Nationaal Waterplan vastgesteld door het Rijk. Inmiddels is dit plan geactualiseerd voor de periode 2016 tot en met 2021. Het plan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het Nationaal Waterplan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de bijbehorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Nederland voldoet met dit Nationaal Waterplan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Het Nationaal Waterplan 20162021 kent vijf ambities waaronder dat Nederland de veiligste delta in de wereld moet blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstromingen te vernieuwen.

Daarnaast wordt er gekozen voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit en zoet water beschikbaarheid. Een andere ambitie is dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht. Ook moet het bewustzijn van de bevolking met betrekking tot het duurzame en verantwoorde gebruik van en de omgang met water worden vergroot. Watertoets Omdat het aspect water in ruimtelijke plannen een mede ordenend principe is, is de watertoets geïntroduceerd. Deze watertoets is verplicht gesteld in november 2003 voor ruimtelij- ke plannen. De watertoets is een procedure, waarbij de initiatiefnemer in overleg met de waterbeheerders de waterhuishouding van een te ontwikkelen gebied inricht. Het belang- rijkste inhoudelijke doel van de watertoets is, dat initiatiefnemers ‘waterneutraal’ bouwen. Dit betekent voor het waterkwantiteitsaspect, dat niet meer water wordt afgevoerd uit het plangebied dan in de situatie voor de ruimtelijke ingreep. Voor de waterkwaliteit betekent dit in ieder geval dat de waterkwaliteit in en om het gebied niet mag verslechteren. Boven- dien mogen plannen de grondwatersituatie buiten het plangebied niet negatief beïnvloeden.

2.3.

Provincie Provinciaal Waterplan Zuid-Holland Het provinciaal Waterplan Zuid-Holland geeft antwoord op de vraag wat er in de periode 20162021 moet gebeuren om de provincie Zuid-Holland ook in de toekomst op een duurzame wijze veilig en leefbaar te houden. Het gaat daarbij om de volgende opgaven: - waarborgen van de veiligheid tegen overstromingen; - realiseren van mooi en schoon water; - ontwikkelen van een duurzame zoetwatervoorziening; - het realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem. Waterverordening Zuid-Holland In 2019 is de omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Daarin is onder andere vastgelegd dat voor bebouwing in de bebouwde kom, de norm voor de gemiddelde overstromingskans maximaal 1 keer per 100 jaar is. Deze norm is van toepassing vanuit het 2

oogpunt van berging en afvoer van regionale wateren. In de omgevingsverordening staan verder normen opgenomen voor regionale waterkeringen en zijn regels opgenomen ten aanzien van grote grondwateronttrekkingen.

2.4.

Hoogheemraadschap van Delfland

Waterbeheerplan In het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP5) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ zijn meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2021. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. Handreiking watertoets In 2012 heeft het Hoogheemraadschap de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld en daarna regelmatig geactualiseerd. De handreiking is specifiek geschreven voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Hoogheemraadschap van Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke en provinciale regelgeving.

Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming. Voorkomen moet worden, dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet worden gecompenseerd door extra waterberging aan te leggen. Daarnaast vindt Delfland het belangrijk dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. De vernieuwde watersleutel van juni 2020 berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Een belangrijk uitgangspunt in planvorming is het zogenaamde standstill-beginsel. Dit betekent dat de kans op wateroverlast in principe niet mag toenemen als gevolg van het ruimtelijk plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen dat de eventuele negatieve gevolgen van het ruimtelijk plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van het principe vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt.

Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd.

2.5.

Gemeente Schiedam

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan beschrijft voor de periode 2019-2023 de doelen en eisen die worden gesteld aan de riolering en het beheer, zodat een goede invulling gegeven wordt aan de gemeentelijke watertaak van afvalwater, hemelwater en grondwater. In vergelijking met het voorgaande plan voor de periode 2014-2018 zijn de ambitieniveaus voor het onderwerp klimaatadaptatie verhoogd (van basis naar ambitieus). In lijn met het door het Rijk opgestelde Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie heeft de gemeente als doel om de stad klimaatbestendig en water robuust in te richten. Om deze reden klimaatadaptatieplan ontwikkeld, waarin wordt ingegaan op ruimtelijke adaptatie en de omgang met weersextremen. 3

Met dit vGRP worden de klimaatambities vertaald in concreet beleid voor stedelijk water. De belangrijkste aandachtspunten zijn: 1. aanpak van droogte (aandacht voor bodemdaling en kwetsbare funderingen); 2. wateroverlast door hevige neerslag (ambitie: de stad moet 60 mm neerslag in 1 uur kunnen verwerken zonder dat een dergelijke hevige bui leidt tot overlast); 3. actief betrekken van bewoners bij het klimaatadaptief inrichten van de stad. Doelen en functionele eisen Met de rioleringzorg in Schiedam worden doelen nagestreefd. De doelen voor de rioleringszorg zijn aangepast aan de nieuwe rol ten aanzien van het hemelwater en grondwater en sluiten goed aan bij het gedachtegoed van de invoering van de verbrede watertaken. De rioleringszorg in Schiedam dient de volgende doelen: 1. Zorgplichten op orde; 2. Klaar voor de toekomst; 3. Maatwerk en innovatie; 4. Meten en leren in de praktijk; 5. Samenwerken op alle niveaus. In het vGRP wordt extra aandacht besteed aan het toetsbaar maken van doelen aan de hand van prestatie indicatoren. In het vGRP is een toelichting gegeven op hoe de doelen meetbaar zijn gemaakt. Klimaatadaptatieplan Het klimaatadaptatieplan is op 12 maart 2019 vastgesteld door gemeenteraad van Schiedam.

Het plan beschrijft in hoofdlijnen hoe Schiedam de komende jaren wil werken aan klimaatadaptatie: aan het aanpassen van de stad aan de gevolgen van de klimaatverandering. Het concept gaat in op vier thema’s: wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen. Het document geeft inzicht in ambitie, strategie en financiering. In het omgaan met de wateropgaven in Schiedam werken de gemeente en het hoogheemraadschap al lange tijd samen. Hoogheemraadschap en gemeente hebben een gezamenlijke Wateragenda met een uitvoeringsprogramma, waarin de samenwerkingsprojecten zijn neergelegd. In dit document zijn diverse gezamenlijke algemene doelstellingen vermeld voor de gemeente en het hoogheemraadschap.

Samenwerking in de waterketen In het voorjaar van 2011 hebben het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en drinkwaterbedrijven het Bestuursakkoord Water (BAW) gesloten. De afspraken over de afvalwaterketen hebben als doel de doelmatigheid te verhogen, de kwaliteit van het beheer te verbeteren en de kwetsbaarheid te verminderen (de zogenoemde 3K’s: kosten, kwaliteit en kwetsbaarheid). Om dit te bereiken is samenwerking in de keten essentieel. Het samenwerkingsverband Netwerk Afvalwaterketen Delfland (NAD) bestaat uit de gemeenten binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland en het hoogheemraadschap zelf. In de Bestuurlijke Overeenkomst Afvalwaterketen Delfland (22 november 2013) hebben deelnemers aan het NAD afspraken gemaakt over de invulling van het BAW. Als verdere uitwerking van het NAD is op gemeentelijk niveau met het hoogheemraadschap de afspraken verder uitgewerkt. In 2020 wordt een nieuwe bestuurlijke overeenkomst NAD aangegaan. Nieuw is dat ook de waterbedrijven aan zullen sluiten in het samenwerkingsverband. De gebruikte afkorting NAD staat dan voor Netwerk wAterketen Delfland.

4

3.

WATERDOELSTELLINGEN

3.1.

Grondwater De zorgplicht voor het grondwater heeft het karakter van een inspanningsverplichting; de gemeente dient inzicht te geven in het grondwaterregime, als aanspreekpunt te fungeren voor de burgers en bedrijven en mee te denken bij eventuele grondwaterproblemen. Het vinden van doelmatige oplossingen voor problemen gebeurt in de gemeente Schiedam in samenwerking met burger, bedrijven, gemeente, waterschap en provincie.

3.2.

Waterkwantiteit In de ‘Handreiking watertoets’ van het hoogheemraadschap van Delfland, zijn de verschillende randvoorwaarden van het hoogheemraadschap opgenomen met betrekking tot waterberging, veiligheid, water- kwantiteit en beheer en onderhoud. In deze handreiking wordt waterberging gedefinieerd als de hoeveelheid water die een gebied moet kunnen opvangen tijdens een korte periode, zonder dat er wateroverlast optreedt. Het uitgangspunt voor waterberging in stedelijk gebied is dat er een maatgevende ontwerpbui met een herhalingstijd van één keer per 100 jaar moet worden geborgen zonder noemenswaardige overlast te veroorzaken (waarmee aangesloten wordt op de norm uit de provinciale omgevingsverordening met een overstromingskans van maximaal 1 keer per 100 jaar).

3.3.

Waterkwaliteit Het uitgangspunt voor waterkwaliteit is het niet afwentelen van vervuiling (drietrapsstrategie schoonhouden, scheiden, zuiveren) en water te laten stromen van schoon naar vuil. Voor alle oppervlaktewater moet tenminste voldaan worden aan algemene waterkwaliteitsnormen (waaronder de door de Europese Unie vastgestelde normen voor prioritaire en prioritair gevaarlijke stoffen en de normen voor een aantal stoffen in de EU-richtlijn 76/464).

3.4.

Veiligheid In de legger van het hoogheemraadschap van Delfland zijn de ligging en de minimale afmetingen van de waterkeringen vastgelegd. Rondom de keringen is een Keurzone vastgesteld, welke bestaat uit de kernzone en een beschermingszone. Binnen de kernzone en beschermingszone zijn op basis van de Keur beperkingen gesteld aan de activiteiten, die het waterkerend vermogen van de kering nu en in de toekomst kunnen aantasten. Voor de kaden geldt, dat in de kernzone geen bebouwing is toegestaan en in de beschermingszone onder voorwaarden bebouwing mogelijk is. Dit om de stabiliteit van de kering te waarborgen. Beheer en onderhoud aan de kering moet te allen tijde mogelijk zijn. Hiervoor moeten stroken van ongeveer 5 m worden gereserveerd.

3.5.

Riolering Het scheiden van vuil en schoon water door afkoppelen kan een positief effect hebben op de kwaliteit van het oppervlaktewater en wordt daarom nagestreefd in de gemeente Schiedam. Water dat door hevige regenval de woning instroomt en tot schade leidt is ongewenst. Met de wetenschap dat klimaatsverandering een feit is, wil de gemeente Schiedam daar op voorsorteren door bij de aanleg van nieuwe rioolbuizen rekening te houden met klimaatverandering.

5

4.

HUIDIGE SITUATIE

In dit hoofdstuk wordt de huidige waterhuishoudkundige situatie beschreven. Hierbij is gebruik gemaakt van de relevante informatie uit de diverse beleidskaders van (met name) gemeente en het hoogheemraadschap.

4.1.

Bodemgesteldheid

In de toelichting op het peilbesluit is het volgende aangegeven ten aanzien van de bodem- opbouw: De bodem ter plaatse van de Poldervaartpolder bestaat hoofdzakelijk uit kleiig zand en klei, afgewisseld met veen en venige klei. Dit pakket is ongeveer 15 m dik. De bovenkant van het eerste watervoerend pakket ligt op een hoogte van ongeveer NAP -18 m. Het bebouwd gebied is opgespoten met zand uit de Nieuwe Waterweg. In het vGRP is aangegeven, dat in Schiedam met name het gebied ten noorden van de A20 zettingsgevoelig is. Het bedrijventerrein ligt door ophogingen hoger dan het maaiveld in de omgeving.

4.2.

Grondwater

In de toelichting op het peilbesluit, is aangegeven dat er in het Noorden van Spaanse Polder ‘sGraveland kwel op treedt, terwijl in het zuidelijk deel sprake is van wegzijging. De overlast van grondwater is in het gebied relatief beperkt. Alleen rondom een locatie aan de Fokkerstraat is in het verleden regelmatig overlast door grondwater gemeld.

4.3.

Oppervlaktewater

Het oppervlaktewaterbeheer berust bij het Hoogheemraadschap van Delfland. In het plan- gebied ligt de Schiedamse Schie. De Polderwetering is een zijtak van de Schiedamse Schie (gelegen aan de oostzijde) welke voor een klein deel door het plangebied loopt. De Schiedamse Schie en de Polderwetering zijn boezemwatergangen. Een boezemwatergang ontvangt water uit de polders en voert dat af. Het streefpeil van de boezem is NAP -0,43 m. De Schiedamse Schie (tot aan de Buitensluis) heeft de functie van vaarweg. Het beheer van de vaardiepte is de taak van de provincie Zuid-Holland. Langs de primaire watergangen zijn onderhoudszones opgenomen. Op de bijgaande afbeelding zijn de poldergebieden weergegeven. Het plangebied van ’s-Graveland & Spaanse Polder 2020 ligt voor een groot deel in de Poldervaartpolder (westelijk deel van het plangebied). Het streefpeil is daarbij overwegend -2,75 m (peilgebied I). Aan de noordkant van het plangebied, ten noorden van de Van Doornestraat en de ’s-Gravelandseweg geldt een zomerstreefpeil van NAP -2,96 m en een winterstreefpeil van NAP -3,01 m. Een belangrijk element in de waterbeheersing van de Poldervaartpolder is de afvoer van oppervlaktewater via een lange duiker dwars door het plangebied van dit bestemmingsplan. Feitelijk fungeert de duiker als persleiding.

Met de persleiding wordt oppervlaktewater vanaf de westkant van het plangebied, vanaf de Fokkerstraat, met behulp van een pompgemaal onder de Neherstraat en Ringersstraat in de richting van de Schie gevoerd. Het gemaal heeft een capaciteit van 120m3/min. De persleiding loost nabij het Ringerspad in de Schiedamse Schie. Vanwege dit belang is de persleiding aangeduid als primair water.

6

Het noordoostelijk deel van het plangebied ligt in de Oost-Abtspolder. Het gaat met name om gronden aan de noordkant van de Polderwetering en de Schiekade. Het streefpeil in dit peilgebied is daarbij overwegend NAP -3,5 m (peilgebied V). In kleine delen geldt een afwijkend peil, aan de noordkant van de Polderweg en een gebied aan de Schiekade. Op bijgaande afbeelding is de ligging van de diverse peilgebieden die binnen het plangebied voorkomen aangegeven. De peilgebieden worden feitelijk van elkaar gescheiden door het boezemwater van de Schiedamse Schie, de Bochtafsnijding in de Schie en de Polderwetering. Deze boezemwateren kennen een vastgesteld peil van -0,43m en staan in open verbinding met elkaar.

4.4.

Waterkwaliteit en ecologie De Schiedamse Schie en de Polderwatering maken onderdeel uit van het KRW- waterlichaam Oost Boezem. Het grondgebruik van het afwateringsgebied Oost Boezem bestaat uit stedelijk gebied, melkveehouderij en glastuinbouw. De waterkwaliteit is matig, onder andere door vervuiling door verbrandingsprocessen in het verkeer en afkomstig van coatings van de scheepvaart. Ook via regenwaterriolen en door uitspoeling uit het landelijk gebied vindt vervuiling plaats. De verwachting is dat door brongerichte maatregelen de uitspoeling van zware metalen uit het landelijk gebied zal afnemen. De ecologische toestand van de Oost Boezem is ook matig. De matige beoordeling wordt veroorzaakt door een lage bedekking aan drijvende en ondergedoken waterplanten, waardoor ook de soortensamenstelling van vissen en overige faunasoorten beperkt is. In het kader van het verbeteren van de ecologische situatie en het versterken van de waterkwaliteit zijn diverse maatregelen doorgevoerd. Zo is de Polderwetering aangeduid als natte ecologische zone , onder andere met een belangrijke functie als vispaaiplaats.

4.5.

Waterveiligheid Op bijgaande afbeelding 4.3 is de Boezemkade langs de Schiedamse Schie en de Polderwatering weergegeven. Ook de kering langs de Bochtafsnijding in de Schie is opgenomen (oranjegele lijnen). De kruinhoogte van de boezemkades liggen op NAP +0,10m. De kades langs de Schie en de Polderwetering kennen beide een buitentalud onderwaterbeloop van 1:2, een buitentalud bovenwaterbeloop van 1:1 en een binnenbeloop van 1:3. De kruinbreedte van de kade langs de Schie is 2,00m, de kruinbreedte langs de Polderwetering 1,50m. De kade langs de Bochtafsnijding heeft een buitentalud onder- en bovenwaterbeloop van 1:2,5 en een binnenbeloop van 1:4. De kruinbreedte is 3,00m. Aan de Schie ligt een aantal percelen aan de waterzijde van de kades. Het gaat dan om de jachthaven nabij de Algerastraat en enkele woon- en bedrijfspercelen aan de Polderweg en Schiekade. In alle gevallen gaat het om reeds lang bestaande situaties. 7

4.6.

Riolering In ’s-Graveland (Poldervaartpolder) is een gescheiden rioolstelsel aanwezig. Dit betekent dat het afvalwater en het hemelwater verzameld worden in afzonderlijke buizen. In de Spaanse Polder (polder Spangen) is een gemengd rioolstelsel aanwezig. Bij extreme neerslag vindt overstort plaats, waarbij ongezuiverd product op het oppervlaktewater wordt geloosd. Het afvalwater wordt onder vrij verval naar het gemaal ‘Blijdorp’ getransporteerd, vanwaar het getransporteerd wordt naar de waterzuiveringsinstallatie ‘Grote Lucht’.

8

5.

WAARBORGEN DUURZAAM WATERBEHEER

Het bestemmingsplan is in hoofdzaak consoliderend van aard. Voor het bestemmingsplan en eventuele (her)ontwikkelingen op termijn, wordt onderstaand benoemd op welke wijze invulling wordt gegeven aan de uitgangspunten van duurzaam waterbeheer. Daarbij wordt rekening gehouden met het waterplan en het vGRP van de gemeente. Tenslotte wordt aangegeven op welke wijze het watersysteem en de waterkeringen zijn verwerkt op de verbeelding van het bestemmingsplan.. 5.1 Waterplan In het waterplan is Schiedam ingedeeld in verschillende watersysteemgebieden. In de onderstaande tabel worden de aandachtspunten, wensen en eisen voor het bedrijventerrein ’s-Gravelandse Polder aangegeven. Tabel 5.1. Aandachtspunten, wensen en eisen bedrijventerrein ’s-Gravelandse Polder leidend spoor aandachtspunten, wensen, functionele eisen opmerkingen voldoende vasthouden, bergen en geen wateroverlast, voldoende 1. droge afvoeren van water bergingscapaciteit voeten 2. gezond schoonhouden van afstromend afstromende neerslag is schoon water hemelwater De gemeente houdt voor het bedrijventerrein ’s-Gravelandse Polder rekening met de eisen uit het waterplan. Een belangrijk element daarbij is de hernieuwde uitgifte van veel bedrijfspercelen binnen het plangebied in erfpacht.

Uitgangspunt bij hernieuwde 5.2 Grondwater Op de bedrijventerreinen ’s-Graveland en Spaanse Polder hebben in het verleden ophogingen met zand plaatsgevonden. Er is geen noemenswaardige hinder van grondwater, op een enkele melding uit het verleden aan de Fokkerstraat na. Het nieuwe bestemmingsplan vormt mede basis voor herontwikkeling van diverse oudere delen van het bedrijventerrein. Bij toekomstige ontwikkelingen kan door de verwezenlijking van voldoende drooglegging en goede ontwateringsvoorzieningen gezorgd worden voor een situatie zonder grondwateroverlast. 5.3 Waterkwantiteit De Poldervaartpolder voldoet niet geheel aan de waterbergingsopgave. De kritische locatie voor wateroverlast ligt daarbij echter (relatief) ver buiten het plangebied van het bestemmingsplan en betreft het gebied Bijdorp, op zo’n 700m afstand van het plangebied. Voor dit gebied wordt bij herinrichting gekeken hoe deze situatie kan worden verbeterd. Door in het algemeen maatregelen te treffen om water tijdens extreme neerslag elders in de polder vast te houden, wordt op termijn voldaan aan de waterbergingsopgave. Binnen het plangebied dient ook bij ontwikkelingen voldaan te worden aan de waterbergingsnormen van het hoogheemraadschap van Delfland.

Bij de uitwerking van ontwikkelingen wordt beoordeeld of er al dan niet extra waterberging gerealiseerd moet worden (indien er sprake is van een toename van het verhard oppervlak). Het merendeel van het gebied is momenteel al verhard. Van een substantiële toename aan oppervlakteverharding zal dan ook geen sprake zijn. Desondanks wordt bij de uitwerking van plannen voor herontwikkeling van bedrijfspercelen aandacht besteed aan waterberging. Een belangrijk aspect is de mogelijkheid om op bedrijfspanden groene of blauwe daken aan te leggen, eventueel in combinatie met de opwek en opslag van

duurzame energie. Met de aanleg van groenblauwe daken kan op perceelniveau worden bijgedragen aan piekberging van water. Ook draagt dit bij aan een meer geleidelijke afvoer van hemelwater naar het watersysteem. De piekbelasting wordt hiermee verminderd. 5.4 Veiligheid tegen overstroming Om de veiligheid tegen overstromingen te waarborgen is aan de polderkaden in het plangebied een aparte dubbelbestemming toegekend met een adviesverplichting. Dit betekent dat alvorens een omgevingsvergunning kan worden afgegeven, de aanvrager verplicht is toestemming te vragen aan het hoogheemraadschap van Delfland. Naast de omgevingsvergunning is veelal ook een watervergunning nodig voor werken op of nabij de kaden. De noodzaak hiertoe ligt vast in de Keur van het hoogheemraadschap. 5.5 Waterkwaliteit en ecologie Bij inrichting van nieuwe gebieden wordt aanbevolen om geen uitloogbare materialen toe te passen. De ecologische kwaliteit van de wateren binnen het plangebied is thans mede door de oeverinrichting beperkt. Bij nieuwe ontwikkelingen is het aspect ecologie nadrukkelijk aandachtspunt. Met name de inrichting van de oevers van de Schie tot een groene langzaam verkeersverbinding kan hier aan bijdragen. Een van de argumenten hiervoor is het verbeteren van de ecologische situatie. Daarnaast wordt momenteel nog gewerkt aan een visie voor de inrichting van de openbare ruimte.

Ook hierin is het onderwerp ecologie nadrukkelijk aanwezig, evenals het zodanig inrichten van de openbare ruimte dat deze gesteld staat voor de gevolgen van het veranderende klimaat. Dit betekent zowel grotere perioden van (extreme) droogte als ook vaker en intensievere regenval. Beoogd wordt het bedrijventerrein zodanig in te richten dat een goede waterkwaliteit ten allen tijde kan worden geborgd. In de structuurvisie is aangegeven dat de Polderwatering goede kansen biedt voor de aan- leg van natuurvriendelijke oevers. Verder is in de structuurvisie aangegeven, dat het toe- passen van groene daken, groene gevels, waterpleinen en waterberging in bermen bij bedrijventerreinen gewenst is. Als laatste is in de structuurvisie aangegeven, dat de Schie waardevol is voor vissen en daarbij het ontwikkelen van vispaaiplaatsen gewenst is. 5.6 Riolering In ’s-Graveland is reeds een gescheiden rioolstelsel aanwezig. In de Spaanse Polder is sprake van een gemengd stelsel. In dit gebied liggen thans riooloverstorten van het gemengd stelsel. Door het afkoppelen van verhard oppervlak van het riool kan de belasting van overstorten op de watergangen verminderd worden. Hiermee kan een verbetering van de waterkwaliteit gerealiseerd worden. Bij (her)ontwikkelingen streeft de gemeente daarom naar het afkoppelen van verhard oppervlak.

5.7 Verwerking in bestemmingsplan Op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan is een duurzaam waterbeheer op de volgende manieren verwerkt: - het aanwezige primaire watersysteem is op de verbeelding weergegeven en bestemd met de enkelbestemming Water. - De kernzone en beschermingszone behorende bij de waterkeringen en persleiding vanaf de Fokkerstraat, via de Neherstraat/Ringersstraat naar de Schie, zijn op de verbeelding weergegeven met de dubbelbestemming ‘Waterstaat-waterstaatkundige functie’. Binnen deze dubbelbestemming mag, in afwijking van de onderliggende enkelbestemming, alleen gebouwd worden ten behoeve van waterstaatsdoeleinden. Ten behoeve van de enkelbestemmingen kan alleen medewerking worden verleend aan bouwplannen nadat de waterstaatsbeheerder hierover is gehoord.

-

Op grond van het provinciaal beleid is langs de Bochtafsnijding in de Schie een aanduiding ‘vrijwaringszone - provinciale vaarweg’ opgenomen. Binnen de aanduidingsgrens zijn beperkingen gesteld aan de bouw van bouwwerken of het aanbrengen van beplanting. Afwijking van de regels is mogelijk na advies van de beheerder van de vaarweg. - Diverse bijzondere situaties zijn met een specifieke aanduiding op de verbeelding aangegeven. Denk aan de bedrijvigheid aan de Schiekade bij enkele scheepswerven, waar is gereguleerd dat een deel van het water mag worden gebruikt ten behoeve van deze bedrijfsvoering. Ook de gemalen in het plangebied zijn met een aanduiding benoemd, evenals de jachthaven aan de Polderweg. - Binnen een groot aantal primaire bestemmingen is tot slot de aanleg en instandhouding van waterlopen, waterbergingen en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk, evenals groenvoorzieningen. Dit maakt dat het bestemmingsplan in principe ruimte biedt om ook binnen bestemmingen die niet in hoofdzaak gericht zijn op borging van waterstaatsbelangen, maatregelen te faciliteren die bijdragen aan een duurzaam waterbeheer. De combinatie van regels en verbeelding maakt dat de borging van een duurzaam waterbeheer in het bestemmingsplan afdoende is.

In de voorbereiding van het nieuwe bestemmingsplan is door het hoogheemraadschap van Delfland een overlegreactie zoals bedoeld in artikel 3.1.1 Bro gegeven op het voorontwerp bestemmingsplan. De overlegreactie is als bijlage bij deze waterparagraaf gevoegd. De samenvatting en beantwoording van de overlegreacties is opgenomen in de Reactienota voorontwerp bestemmingsplan, die als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan is gevoegd. In vervolg van de procedure heeft het hoogheemraadschap ook een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Deze zienswijze is bij de vaststelling door de gemeenteraad in haar overwegingen meegenomen. De samenvatting en beantwoording van de zienswijze is opgenomen in de Nota zienswijzen, die bij het raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is gevoegd. .

Bijlage Overlegreactie voorontwerp bestemmingsplan van Hoogheemraadschap van Delfland

Hoogheemraadschap van

Delfland Aan burgemeester en wethouders van Schiedam t.a.v. de heer H.J. Solle Postbus 1501 3100 EA SCHIEDAM

UW BRIEF

12 november 2019 ONS KENMERK

1430901 DELFT

7 januari 2020

ONDERWERP

Watertoets voorontwerp bestemmingsplan 's-Graveland 8c Spaanse Polder 2020

Geacht college, In het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening heeft u het Hoogheemraadschap van Delfland het voorontwerp van het bestemmingsplan 's-Graveland Sl Spaanse Polder 2020 in Schiedam toegezonden. U verzoekt Delfland een reactie kenbaar te maken op het voorontwerp van het bestemmingsplan. Advies

Allereerst willen wij aangeven, dat Delfland enthousiast tegenover de vergroening van het Schie-gebied staat. De groene bestemmingen op de verbeelding zijn hierin een goede stap. Graag blijven wij met u in contact over de verdere uitwerking. Met betrekking tot de documenten bij het voorontwerp heeft u bij de indiening van het voorontwerp vermeld, dat onder meer de watertoets en de toelichting een actualisatie vereisen. Dit is ook onze bevinding en hoofdzakelijk de reden om op dit moment nog niet in te stemmen. Dit bestemmingsplan is in 2014 voor het eerst voor een informele watertoets ingediend. Het advies, dat destijds gegeven is, en het gevoerde overleg zijn gebaseerd op het beleid van toen. Op hoofdlijnen kloppen de meeste zaken nog steeds, maar het is van belang om een en ander te actualiseren. Wij verzoeken u, om voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, overleg te voeren met Delfland over de invulling hiervan. Hieronder treft u onze adviezen, opmerkingen en vragen aan. Wij verzoeken u het bestaande beleid aan de hand van deze adviezen, opmerkingen en vragen aan te passen. Toelichting

1. Op nagenoeg alle plattegronden en foto's van het plangebied ontbreekt de Bochtafsnijding van de Schie. Dit is een grote ruimtelijke verandering geweest, welke ook invloed op het plangebied in het noordoosten heeft. 2. Paragraaf 3.3, pagina 33 en paragraaf 4.1, pagina 45: Wij vragen u de huidige versie te actualiseren en contact hierover met ons op te nemen, alvorens het plan de ontwerpfase ingaat.

BIĴLAGE(N) contact postadres sector

C. Eggerding * t (015) 260 80 43 * e ceggerding@hhdelfland.nl Postbus 3061, 2601 DB Delft ’ website www.hhdelfland.nl Bestuur, Beleid en Communicatie - team Ruimtelijke planvorming

14309011 Watertoets voorontwerp bestemmingsplan 's-Graveland 8i Spaanse Polder 2020 I 2 van 5

3. Paragraaf 3.4.4, pagina 37-39 en paragraaf 3.4.10, pagina 43: Delfland is enthousiast over het verbeteren van de openbare ruimte door vergroening en aandacht voor het water. Wij blijven dan ook graag betrokken en willen meedenken over de invulling van de oevers en de kades. Voorbeelden hiervan zijn natuurvriendelijke inrichting, Kaderrichtlijn Water (KRW) en infrastructuur, zoals fietspaden of steigers. 4. Wat betreft de natuurvriendelijke oevers en de KRW zien wij de Schieoever in zuidoostelijke hoek van het plangebied als kansrijke plek voor verbeterde oevervegetatie (zie afbeelding 1). De noordelijke Schieoever langs OostAbtsbrug biedt wellicht mogelijkheden voor een natuurvriendelijke inrichting (zie afbeelding 2). In de Polderwetering en de uitloop daarvan in de Schie zijn maatregelen genomen (vispaaiplaats) om de ecologie te verbeteren (zie afbeelding 3, geblokte lijn). Deze plekken zien wij graag behouden. 5. Paragraaf 6.2.8, pagina 77: Vooruitlopend op deze invulling, spreken wij de voorkeur uit de kades/oevers vrij van steigers en andere afmeerconstructies te houden, dit met zicht op de groene en ecologische functies maar ook de functionaliteit van de waterkering. De bestemming "Water", zoals beschreven in deze paragraaf, botst ogenschijnlijk met deze voorkeur. Graag gaan wij hierover met u in gesprek. 6.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13308597/1