Bijlage 4 mer-beoordeling bp sGraveland Spaanse Polder
Tekst van het document
Paragraaf 5.3.8, pagina 70: Wij stellen het lopende contact over de inrichting van het woongebied aan de Polderwetering op prijs. Uit onze gegevens bleek, dat er in 2017 ook contact over de specifiekere watercompensatie voor toenemende verharding geweest is. Graag gaan wij hier bij een volgend overleg nader op in, als de inrichting van de Polderwetering relevant binnen dit bestemmingsplan is.
Afbeelding 2
Afbeelding 1
Afbeelding 3
Waterparagraaf
7. In lijn met de benodigde actualisatie van de waterparagraaf geven wij hier het algemene advies dit te doen aan de hand van de Handreiking watertoets voor gemeenten en bijlagen op https://www.hhdelfland.nl/overheid/ruimteliike-plannen. Bijlage 2 (vanaf pagina 50) in deze bijlagen beschrijft opzet, ínhoud en voorbeeldteksten. 8. Ook hier ontbreekt de Bochtafsnijding op de gebruikte afbeeldingen.
14309011 Watertoets voorontwerp bestemmingsplan 's-Graveland 8i Spaanse Polder 2020 I 3 van 5
9. Paragraaf 3.4, pagina 7: De keurzone wordt tegenwoordig "Waterstaatswerk" genoemd. Daarbij is het beleid rondom waterkeringen nu wat beperkt verwoord. Op pagina 5 van de bijlagen is de toelichting te vinden. 10. Paragraaf 4.1, pagina 9: Dit lijstje moet geactualiseerd worden. 11. Paragraaf 4.3, pagina 9: Er wordt hier gesproken over grondwateroverlast bij bedrijf Domat in de Fokkerstraat. Wij vragen u aan te geven, of dit nog steeds het geval is. 12. Paragraaf 4.4, pagina 10: De Polderwetering is weliswaar niet verbonden door open water, maar er is wel een inlaat naar de Poldervaart. Wat betreft de peilgebieden zijn er ook wijzigingen geweest, zie afbeelding 4 en 5 voor de huidige situatie. Desgewenst kunnen wij hier verder op ingaan.
zp-1.15/ wp
ļ.i
Afbeelding 4
2*t -2.95
lS a
2.9!
Afbeelding 5
13. Paragraaf 4.5, pagina 12: Zie de opmerkingen 3, 4 en 5 hierboven onder "Toelichting" aangaande ecologie, waterkwaliteit en KRW. De vispaaiplaats in de Polderwetering is gerealiseerd.
1430901 1 Watertoets voorontwerp bestemmingsplan 's-Graveland 81 Spaanse Polder 2020 j 4 van 5
14. Paragraaf 4.6, pagina 12: Het is verstandig na te gaan, of alle waterkeringen bekend zijn, zie ook de opmerkingen onder "Verbeelding". Ook de nieuwe waterkering bij de bochtafsnijding wordt hier niet benoemd. In afbeelding 6 treft u ter informatie het leggerprofiel van deze kering aan. Leggerprofiel 109: Kadevaknr. 316 Bochtafsnijding Schie Hoogte: NAP +0.10 m
10,0 m
onòerwaterbeloop
0,5m pp
bovenweterfoeloop
Afbeelding 6
15. Paragraaf 4.7, pagina 13: Bij de verdere ontwikkeling van het woongebied bij de Polderwetering zullen nieuwe afvalwatervoorzieningen nodig zijn. Ook hier wordt Delfland graag vroeg bij betrokken. 16. Paragraaf 5, pagina 15: Naast het consoliderende karakter is er ook de vergroening. Deze laatste wordt hier niet genoemd. Ook is het waterplan door de wateragenda opgevolgd. Verbeelding
17. De bestemming "Waterstaat-Waterkering" bij de bochtsnijding lijkt op de verbeelding wat ruim genomen in vergelijking met de legger van Delfland. Het is raadzaam om dit na te gaan via de link https: //www. hhdelfland.nl/overheid/beleid-en-reaelqevinq/leQqers 18. De polderkade langs de zuidzijde van bedrijventerrein Noord-West (noordzijde plangebied) is niet weergegeven. Wij verzoeken u deze aan de hand van bovengenoemde link op te nemen. 19. Onder de Neherstraat en Kingerstraat loopt een persleiding voor oppervlaktewater met de primaire status (zie afbeelding 7). Wellicht is het niet nodig, dat deze terugkomt op de verbeelding. Wel is het goed om van de aanwezigheid te weten.
; 's-Graveland
Afbeelding 7
1430901 1 Watertoets voorontwerp bestemmingsplan 's-Graveland 81 Spaanse Polder 2020 I 5 van 5
Regels
20. Paragraaf 18.3.2, pagina 38: Wij stellen het op prijs, dat de waterberging in de bestemming "Woongebied" aan de Polderwetering opgenomen is. Wat betreft de eis voor Polderwetering en de communicatie hierover uit 2017, blijven wij graag met u in gesprek. Wanneer de wateropgave is bepaald, moet de realisatie van de wateropgave als voorwaardelijke bepaling in de regels worden opgenomen, zodat er niet gebouwd kan worden, voordat invulling aan de watercompensatie gegeven is. Wij hebben hier voorbeelden van, als daar behoefte aan is. Overig
21. Er zou mogelijk sprake zijn van een woonbotenhaven in de noordoosthoek van het plangebied. Wij verzoeken u aan te geven, of dit een ontwikkeling is, die relevant binnen dit bestemmingsplan is. 22. In de communicatie uit 2017 over het woongebied aan de Polderwetering is gesproken van doorlopende watergangen tussen de woningen. Vanuit de beleidsregel "Dempen en graven" geldt voor secundaire watergangen een minimale breedte van 2,5 m op de waterlijn in verband met beheer en onderhoud, zie https://www.hhdelfland.nl/overheid/beleid-enreqelaevinq/documenten-beleidsreqels-1. 23. Aangaande de ontwikkeling binnen de enkelbestemming "Wonen" langs de Polderwetering blijven wij graag betrokken. Naast advisering in het kader van de watertoets over dit bestemmingsplan kan het zo zijn, dat een watervergunning of melding nodig is. Voor meer informatie over deze watervergunning of melding verwijzen wij u naar www.hhdelfland.nl/waterverqunninq-aanvraqen. Voor meer informatie of vragen kunt u zich wenden tot de contactpersoon, vermeld onderaan het voorblad van deze brief. Hoogachtend, Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland, namens deze, de Teamleider Ruimtelijke planvorming,
mevrouw F. van der Burght
Bijlage 3: Stikstofonderzoek
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
37
MEMO Toelichtende memo behorende bij Aerius-berekening ’s-Graveland en Spaanse Polder 2020 Auteur: NOX Advies, Dhr. M.H. van der Wielen Datum: 4 oktober 2023 Bijlage: Aerius-berekening
1
Inleiding
Het bedrijventerrein 's-Graveland en Spaanse Polder vormt een groot (industrieel) bedrijventerrein in Schiedam. Omdat bedrijventerreinen zich continu ontwikkelen en het laatste vigerende bestemmingsplan in 2005 is vastgesteld, is er behoefte aan een actueel planologisch kader voor dit bedrijventerrein. Om die reden is door gemeente Schiedam een nieuw bestemmingsplan, genaamd “ 's-Graveland en Spaanse Polder 2020” opgesteld. In dit plan wordt een adequate planologische regeling geboden. Onderdeel van de bestemmingsplanprocedure is een m.e.r-beoordeling, waarin de milieueffecten van het bestemmingsplan worden beschreven. Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk consoliderend van aard. Op een aantal aspecten wijkt het nieuwe bestemmingsplan af van het vigerende bestemmingsplan uit 2005. Omdat de planologische mogelijkheden het uitgangspunt vormen in dit stikstofonderzoek, zijn deze wijzigingen dus relevant voor de eventuele stikstofeffecten die kunnen optreden. Op grond van artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming dient bepaald te worden of voor een bestemmingsplan significante effecten kunnen optreden. Het plangebied ligt op een afstand van circa 8,7 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ en op ten minste 14,7 kilometer van stikstofgevoelige habitat van Natura 2000-gebied ‘Solleveld en Kapittelduinen’.
Om te bepalen of er vanuit het aspect stikstofdepositie significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van het plan kunnen optreden, is een Aerius-berekening uitgevoerd (versie Aerius 2022.2) voor de gebruiksfase. De Aerius-berekening is bijgevoegd. In deze memo worden de uitgangspunten en conclusie beschreven. Omdat er op dit moment geen bouwwerkzaamheden voorzien zijn of concreet aan de orde zijn, is de bouwfase niet onderzocht. Voor eventuele toekomstige bouwaanvragen zal te zijner tijd de bouwfase separaat worden onderzocht. 1
Afbeelding 1: Ligging plangebied en ligging Natura 2000-gebieden (bron: Aerius Calculator)
2
Wettelijk kader
Stikstofoxiden (NOx) komen vooral vrij bij verbranding van fossiele brandstoffen, bijvoorbeeld door het verkeer of stookinstallaties. Ammoniak (NH3) komt grotendeels vrij uit de landbouw en met name uit mest. Met de Wet natuurbescherming (Wnb) worden soorten en habitattypen van Natura 2000gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van NOx en NH3 een probleem met de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen van habitattypen en leefgebieden. 2
De Wet natuurbescherming is een wet die de bescherming van natuurgebieden, soorten en bos regelt. De wet is vanaf 1 januari 2017 van kracht. Met de invoering van deze wet zijn drie wetten vervallen, te weten de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. In de Wet natuurbescherming staat dat bij plannen en projecten bepaald moet worden of sprake is van significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Indien de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar komen, zijn significante gevolgen uitgesloten. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Hierbij wordt de stikstofdepositie inzichtelijk gemaakt met het rekenprogramma AERIUS Calculator en betreft de toetsingswaarde dus 0,00 mol N/ha/jaar (toename) op de hexagonen van de stikstofgevoelige habitat in de Natura 2000-gebieden.
3
Referentiesituatie
In een Aerius-berekening mag de referentiesituatie afgezet worden tegen het toekomstige gebruik. Voor een plan is het vaste jurisprudentie dat de feitelijke aanwezige planologisch legale situatie, ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, de referentiesituatie betreft. Daarmee is het gehele feitelijke bedrijventerrein, inclusief verkeersbewegingen, mobiele werktuigen, stookinstallaties etc. de referentiesituatie. Het gaat om enkele honderden bedrijven, waardoor het in beeld brengen van deze emissie lastig te overzien is. Omdat de referentiesituatie grotendeels dezelfde is als in de toekomstige situatie, is deze exercitie echter ook niet noodzakelijk. Omdat de referentiesituatie afgezet mag worden tegen de toekomstige situatie, is het voldoende om uitsluitend de wijzigingen in het bestemmingsplan te beschouwen en de verschillen in emissie hiervan met elkaar te vergelijken. Dit wordt in hoofdstuk 4 stapsgewijs gedaan.
4
Uitgangspunten stikstofonderzoek
In dit hoofdstuk wordt per wijziging die het bestemmingsplan “ ’s-Graveland en Spaanse Polder 2020” mogelijk maakt, inzichtelijk gemaakt welke gevolgen dit heeft voor het aspect stikstof. Dit is gedaan voor de stikstofemissie in de gebruiksfase van enerzijds stationaire emissies (stookinstallaties, mobiele werktuigen op terrein en stationaire emissies op terrein) en anderzijds wegverkeer. 3
4.1
Stationaire emissies
Het bestemmingsplan maakt uit oogpunt van stikstof drie soorten relevante wijzigingen mogelijk. A. Wijzigen van de milieucategorie of bestemming; B. Inperking van horeca en volumineuze detailhandel; C. Aanpassing van bouwhoogtes. Wijziging A: Wijzigen milieucategorie of bestemming diverse gronden In tabel 1 van het bestemmingsplan is een overzicht gegeven welke (planologische) wijzigingen optreden t.a.v. milieucategorie.
Tabel 1: wijzigingen in milieucategorie zoals mogelijk gemaakt in bestemmingsplan ’s-Graveland en Spaanse Polder 2020 .
In tabel 1 is de wijziging van “Bedrijventerrein” naar ‘Groen” nog niet opgenomen. Het gaat om 1,35 hectare. Het grootste deel hiervan betreft de omzetting van milieucategorie 4 naar “Groen”, een kleiner gedeelte wordt omgezet van milieucategorie 3 naar “Groen”. Worst-case is uitgegaan dat de helft van de bestemming “Bedrijventerrein” wordt gecategoriseerd in milieucategorie 3. 4
Omdat in dit stadium onbekend is of enerzijds een wijziging van de milieucategorie leidt tot een vestiging van een ander bedrijf en anderzijds welk bedrijf het bestaande bedrijf dan zal vervangen, is gerekend aan de hand van kengetallen. Dat is in deze fase van de planvorming de meest nauwkeurige methode. Als kengetal voor de uitstoot van stationaire emissies op bedrijventerreinen wordt de methode van Arcadis vaak gebruikt 1 . De kengetallen zijn afkomstig uit een onderzoek dat gebruik maakt van gegevens van het CBS uit 2012. Dit betreft een actualisatie van de kengetallen op basis van een onderzoek door Arcadis uit 2006. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 12 maart 2008 (nr. 200701994/1) geoordeeld dat zij de gehanteerde methodiek toereikend acht en de beschikbare emissiekengetallen voldoende betrouwbaar vindt om een goede inschatting te kunnen maken van de stikstofemissie op bedrijventerreinen. Het gaat om de volgende emissies per hectare bedrijventerrein.
Tabel 2: Emissiekengetallen per hectare gerelateerd aan milieucategorie over het jaar 2012 (bron: Rho Adviseurs en Arcadis)
Uit gegevens van ‘CBS Statline’ blijkt dat de emissie van NOx en NH3 veroorzaakt door de categorie ‘nijverheid’ en ‘stationaire bronnen’ gemiddeld genomen over de afgelopen jaren daalt, terwijl op basis van de IBIS gegevens blijkt dat de bruto omvang van bedrijventerreinen in Nederland toeneemt. Uit deze cijfers blijkt dus dat de algehele trend is dat de emissie per hectare bedrijf afneemt. De reden hiervoor ligt in de schonere technieken die zijn ontwikkeld. Worst-case is uitgegaan van de gemiddelde emissie per hectare die in 2012 aan de orde was.
1
Boukich A. Emissies toekomstige bedrijventerreinen, presentatie op het congres Geluid, Trillingen en Luchtkwaliteit 2013, Arcadis Arnhem:2013
5
Tabel 3: Totale emissie voor stationaire bronnen en nijverheid over de afgelopen jaren (bron: CBS)
6
In tabel 4 zijn de emissies die het gevolg zijn van de bestemmingswijzigingen in het bestemmingsplan “ ’s-Graveland en Spaanse Polder 2020” zo goed als mogelijk gekwantificeerd. Hierbij zijn een aantal uitgangspunten gedaan. ▪ De bestemming ‘Groen’ kent geen relevante NOx of NH3-emissie als gevolg van stationaire bronnen; ▪ De bestemming ‘Verkeer’ in de toekomstige situatie kent geen relevante NOx of NH3-emissie. Uiteraard zal er zich verkeer begeven over deze wegen, maar in tabel 3 is de emissie van stationaire bronnen het uitgangspunt. Verkeer maakt hier geen onderdeel van uit. Het verkeersaspect komt in paragraaf 4.2 aan bod; ▪ Wanneer zowel categorie 3 als 4 worden mogelijk gemaakt of wanneer “het nader te bepalen is”, dan is uitgegaan van een mix van 50% milieucategorie 3 en 50% milieucategorie 4. ▪ Voor de bestemming “Kantoor” is aangesloten bij de emissie die hoort bij milieucategorie 1-3. Kantoren behoren immers tot milieucategorie 1 op basis van de ‘VNG Brochure’. Vigerend bestemmingsplan (2005) Bestemming Hectare Emissie in Emissie in en milieukg kg categorie NOx/jaar NH3/jaar 1 Bedrijf cat 4.
13,9 10.425 765 2 Bedrijf cat 3 7,7 1.540 77 3 Bedrijf cat 3 3,8 760 38 4 Bedrijf cat 2 2,95 590 30 5 Groen 0,15 6 Kantoor 0,75 150 8 7 Kantoor 1,85 370 19 8 Bedrijf cat 3&4 1,4 665 46 9 Groen 4,9 10 Bedrijf cat 3&4 1,4 665 46 Totaal: 39 15.165 1.029 Tabel 4: Wijzigingen en gevolgen voor stationaire emissie in NOx en NH3 # wijziging
‘s_Graveland & Spaanse Polder 2020 Bestemming en Hectar Emissie in Emissie in milieue kg kg categorie NOx/jaar NH3/jaar Bedrijf cat 3.2 13,9 2.780 139 Bedrijf cat 4.2 7,7 5.775 424 Bedrijf cat 4.1 3,8 2.850 209 Bedrijf cat. 3.1 2,95 590 30 Bedrijf cat 3.2 0,15 30 2 Bedrijf cat 4.2 0,75 563 41 Bedrijf cat 3.2 1,85 370 19 Verkeer 1,4 Bedrijf cat. 3&4 4,9 2.328 159 Groen 1,4 Totaal: 39 15.286 1.023
Wijziging 9, zoals genoemd in tabel 4, betreft de wijzigingsbevoegdheid die is opgenomen in artikels 5.4 en 6.5 van de regels van het bestemmingsplan. Artikel 5.4 en artikel 6.5 bieden de mogelijkheid om de bestemming ‘Groen-1’ en ‘Groen – 2’ te wijzigen naar respectievelijk de bestemming ‘Gemengd’ en ‘Bedrijventerrein’. Daarnaast bestaat de mogelijkheid met deze wijzigingsbevoegdheden om de bestemming te wijzigen naar ‘Verkeer’, ‘Water’ en/of ‘Groen’ . Het oppervlak dat dit betreft, heeft een totale omvang van 4,9 hectare bedrijventerrein. Bij een wijziging naar de bestemming ‘Gemengd’ en ‘Bedrijventerrein’ zijn stationaire emissies in de toekomst mogelijk. Hoewel in werkelijkheid de wijzigingsbevoegdheid logischerwijs wordt ingevuld met groen- en watervoorzieningen en infrastructuur is worst-case uitgegaan dat het volledige oppervlak van 4,9 hectare wordt omgezet naar de bestemming ‘Gemengd’ en ‘Bedrijventerrein’. De bestemming ‘Gemengd’ laat bedrijvigheid toe tot maximaal milieucategorie 3.2. De bestemming ‘Groen – 2’ kan gewijzigd worden Daarom is rekening gehouden met 7
een emissie van 4,9 x 200 kg NOx/jaar en 4.9 kg x 10 kg NH3/jaar. Het gaat per saldo om 980 kg NOx/jaar en 49 kg NH3/jaar. Naast stationaire emissies zijn er ook gevolgen voor de verwachte verkeersaantrekkende werking. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.2. Wijziging B: Inperking horeca en volumineuze detailhandel In de gebruiksregels zijn aanpassingen doorgevoerd in de maximale oppervlaktes van ondergeschikte horeca bij bedrijven. Daarnaast is volumineuze detailhandel beperkt tot alleen de bestaande bedrijven. Deze beperking van de mogelijkheden zal met name gevolgen hebben voor de verkeersaantrekkende werking. Deze verkeersaantrekkende werking wordt redelijkerwijs lager door het wegvallen van deze mogelijkheden. Voor de stationaire emissies wordt deze wijziging niet relevant geacht. Wijziging C: Aanpassing in bouwregels In de bouwregels uit het plan 2005 was de maximale toegestane bouwhoogte 15 meter in het plangebied. Een uitzondering gold in de strook langs de A20 (etalagezone, zie volgende punten). Op enkele verspreide locaties in het plangebied was er sprake van maatwerk qua bouwhoogten, met name bij specifiek bestemde kantoor- en horecalocaties. In het nieuwe plan zijn deze algemene bouwregels grotendeels overgenomen, de standaard toegestane bouwhoogte blijft 15 meter. Ook het maatwerk voor de specifieke locaties is overgenomen.
Daarmee is dit geen relevante ontwikkeling vanuit stikstof. In het zuiden van het plangebied in het deelgebied Spaanse Polder, langs de A20, is een zogenaamde ‘etalagezone’ ingetekend. Het betreft een zone langs de A20 die wordt ingezet als 'etalage' van het gebied met overwegend gebouwen van minimaal vier lagen en een hoogwaardige uitstraling, gericht op het zichtbaar maken van de identiteit en kwaliteiten van dit bedrijventerrein. In deze etalagezone zijn (representatief gehuisveste) arbeidsintensieve bedrijven, kantoren en bedrijven met showrooms aanwezig. In 2005 was de maximale toegestane bouwhoogte in dit gebied 21 meter. In het nieuwe plan ziet de etalagezone alleen op een zone van 30 meter diep vanaf de zijde van de A20, waar een toegestane bouwhoogte van 40 meter geldt. Daarbuiten is de bouwhoogte verlaagt naar de reguliere 15 meter. In het zuiden van het deelgebied ’s-Gravelandsepolder, langs de A20, is eveneens sprake van een verhoging van de maximale bouwhoogte, van deels 21 en deels 28 meter in het oude plan, naar 40 meter in het nieuwe plan. Het totaal oppervlak in het bestemmingsplan waar de bouwhoogte is aangepast van 21 en 28 meter naar 40 meter is een kleine 40.000 m2. Het totaal oppervlak waar de bouwhoogte is aangepast
8
van 21 meter naar 15 meter is ongeveer 8.000 m2. Bij een gemiddelde verdiepingshoogte van 3 meter is de mogelijke toename aan vloeroppervlak hierdoor circa 200.000m2.2 In het nieuwe plan is de verplichting opgenomen om in de etalagezone (met een oppervlak van in totaal 20.000 m2) minimaal vier bouwlagen te realiseren. Daarmee wordt bij een worst-case invulling minimaal 80.000 m2 vloeroppervlak gerealiseerd. Hiervan mag slechts 30.000 m2 als zelfstandig kantoor gerealiseerd worden. Er geldt geen verplichting tot 100% bebouwing van het perceel, de eis van minimaal vier verdiepingen geldt alleen indien er gebouwd wordt. Het voorgaande bestemmingsplan 2005 bevatte geen verplichting tot een bepaalde minimale bouwhoogte (danwel bouwlagen). Wel was de etalagezone in de bestaande situatie nagenoeg geheel bebouwd met een-, twee- en drielaagsbebouwing, en kon op grond van het bestemmingsplan 2005 ook reeds substantieel hoger worden gebouwd dan volgens het nieuwe bestemmingsplan minimaal vereist is. In het plan 2005 was er sprake van een vrijstellingsmogelijkheid om op diverse locaties die aangeduid waren als ‘hoogteaccent’, een bouwhoogte van 45 meter toe te staan. De aangeduide locaties bevinden zich met name langs de ’s-Gravelandseweg. Deze regeling is niet overgenomen in het nieuwe plan.
Het nieuwe plan bevat de mogelijkheid om af te wijken van de maximaal toegestane bouwhoogte met maximaal 15 meter. Dit kan alleen onder aanvullende voorwaarden. Bovenstaande wijzigingen maken extra m2 aan bebouwing mogelijk. Verondersteld wordt dat deze extra bebouwing zal leiden tot verkeersaantrekkende werking maar niet tot extra stationaire emissies. Een groot deel van de bedrijven die zullen uitbreiden, zal naar verwachting deze grootschalige verbouwing aanpakken om het pand te verduurzamen (koppelkansen) of de uitbreiding energiezuinig (gasloos) willen of moeten realiseren. Het gaat immers om hoogwaardige en representatief gehuisveste bedrijven. Daarmee is het aannemelijk dat per saldo ook geen sprake is van extra emissie door gasgestookte installaties als gevolg van deze uitbreidingen, die planologisch mogelijk zijn. Voor het aspect verkeersaantrekkende werking zal het extra oppervlak wel van invloed zijn. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.2.
2
Door de omzetting naar bestemmingen ‘Verkeer’ en ‘Groen’ op andere delen van het bedrijventerrein neemt het oppervlak per saldo minder toe.
9
4.2
Verkeersaantrekkende werking
Goudappel heeft een doorrekening gemaakt van de verkeersaantrekkende werking in 2040 t.o.v. de autonome situatie 3 . In afbeelding 2 is een uitsnede van het verkeersmodel opgenomen. Hierbij is uitgegaan van werkdagintensiteiten. De cijfers zijn vermenigvuldigd met een factor 0,9 om weekdagintensiteiten te verkrijgen.
Afbeelding 2: Uitsnede verkeersmodel d.d. 28 september 2023 (bron: Goudappel B.V.)
3
Goudappel B.V., Stedelijke referentie Schiedam | Intensiteitsverschillen (abs). 28 september 2023
10
Op grond van het verkeersmodel van Goudappel worden op een aantal trajecten toenames (groen) en op een aantal trajecten afnames (rood) in verkeersbewegingen ten opzichte van de autonome situatie geprognotiseerd. Daar waar afnames resulteren, is in de referentiesituatie deze afname ingevoerd in het rekenprogramma Aerius. Daar waar toenames in verkeersbewegingen aan de orde zijn, zijn deze ingevoerd in de beoogde situatie. Wanneer de af- of toenames wegvallen in het heersende verkeersbeeld, is de rijlijn niet ingevoerd in Aerius. Dit is het moment als de toe- of afname nog maar enkele procentpunten van de heersende intensiteit is (autonome situatie). Om de vergelijking betrouwbaar te houden, is in zowel referentie- als beoogde situatie uitgegaan van het rekenjaar 2040. Voor de verdeling van het lichte en zware verkeer is uitgegaan dat 80% van het verkeer licht verkeer betreft en 20% zwaar verkeer. Dit komt overeen met de verhouding licht en zwaar verkeer bij gemengde bedrijventerrein, zoals bedoeld in de CROW Publicatie ‘toekomstbestendig parkeren’4. In werkelijkheid zal een deel van het verkeer ook middelzwaar verkeer betreffen. Worst-case is uitgegaan van uitsluitend zwaar verkeer. Dit betreft een worst-case situatie omdat er per saldo meer toenames dan afnames aan verkeersbewegingen aan de orde zijn.
5
Resultaten
In de toekomstige gebruiksfase bedraagt de emissie circa 18,6 ton NOx/jaar en 1.111 kg NH3/jaar. In de referentiesituatie bedraagt de emissie circa 18,1 ton NOx/jaar en 1.107 kg NH3/jaar. Per saldo is dus sprake van een toename van circa 500 kg NOx/jaar en een toename van circa 4 kg NH3/jaar.
Afbeelding 3: Resultaten berekening toekomstige situatie t.o.v. referentiesituatie (bron: Aerius)
4
CROW Publicatie, toekomstbestendig parkeren, december 2018
11
Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit plan vrijkomt leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar in de gebruiksfase ten opzichte van de referentiesituatie, zoals ook af te lezen is uit afbeelding 3. In bijlage 1 is de Aerius-berekening bijgevoegd.
6
Conclusie
In dit onderzoek zijn de stikstofeffecten in beeld gebracht van de wijzigingen die het bestemmingsplan “ ’s-Graveland en Spaanse Polder 2020” mogelijk maakt. Hierbij is een vergelijking gelegd met de bestaande planologische mogelijkheden uit het vigerende bestemmingsplan en de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan “ ’s-Graveland en Spaanse Polder 2020” biedt. Beschouwd zijn enerzijds de stationaire emissies (stookinstallaties, mobiele werktuigen op terrein en stationaire emissies op terrein) en anderzijds wegverkeer. Voor de stationaire emissies is een toename aan NOx van circa 130 kg/jaar en afname aan NH3 van circa 6 kg/jaar aan de orde wanneer de planologische mogelijkheden uit het bestemmingsplan “ ’sGraveland en Spaanse Polder 2020” maximaal worden benut. Voor het verkeer wordt een toename van circa 380 kg NOx/jaar en toename van circa 10 kg NH3/jaar verwacht op basis van de planologische mogelijkheden, rekening houdende met de eerder genoemde uitgangspunten. Hiermee is aangetoond dat met de planologische mogelijkheden een toename aan de hoeveelheid stikstofemissie (NOx en NH3) kan plaatsvinden. De Aerius-berekening laat echter ook zien, dat wanneer de planologische mogelijkheden ten volste benut worden, er geen stikstofdepositie resulteert op Natura 2000-gebieden. Het verschil met de referentiesituatie bedraagt namelijk 0,00 mol N/ha/jaar.
Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan.
6
Bijlage
Bijlage 1: Gebruiksfase t.o.v. referentiesituatie
12
Bijlage 1
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
NOX Advies 's-Graveland en Spaanse Polder 2020 , - Schiedam 's-Graveland en Spaanse Polder 2020 Effecten van planologische mogelijkheden uit het bestemmingsplan 's-Graveland en Spaanse Polder 2020 RYU2auyGU7gi 29 september 2023, 15:20 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar 's-Gravenland en Spaanse Polder autonome situatie 2040 (referentiesituatie) - Referentie 's-Gravenland en Spaanse Polder 2020 - Beoogd 2040
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hexagon
Gebied
Hoogste bijdrage 's-Gravenland en Spaanse Polder autonome situatie 0,14 mol/ha/j (referentiesituatie) - Referentie 's-Gravenland en Spaanse Polder 2020 - Beoogd 0,14 mol/ha/j Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname -
RYU2auyGU7gi (29 september 2023)
1.106,8 kg/j 1.110,9 kg/j 4176068 4176068
18,1 ton/j 18,6 ton/j
Solleveld & Kapittelduinen Solleveld & Kapittelduinen
2/8
Projectberekening
's-Gravenland en Spaanse Polder 2020 (Beoogd), rekenjaar 2040 Emissiebronnen 1 Industrie | Overig | Stationaire emissies milieucategorie en bestemmingen Verkeersnetwerk
RYU2auyGU7gi (29 september 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
1.023,0 kg/j 15,3 ton/j 87,9 kg/j 3.320,7 kg/j
3/8
Projectberekening
's-Gravenland en Spaanse Polder autonome situatie (referentiesituatie) (Referentie), rekenjaar 2040 Emissiebronnen 1 Industrie | Overig | Stationaire emissies milieucategorie en bestemmingen Verkeersnetwerk
RYU2auyGU7gi (29 september 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
1.029,0 kg/j 15,2 ton/j 77,8 kg/j 2.939,7 kg/j
4/8
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
1000 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). RYU2auyGU7gi (29 september 2023)
5/8
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "'s-Gravenland en Spaanse Polder 2020 " (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol N/ha/jr)
-
-
Onderstaand is een overzicht opgenomen van alle Natura 2000-gebieden (binnen de maximale rekenafstand van 25 km) waar in de "Beoogde situatie" een bijdrage groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend, maar waar in de "Projectberekening" (=verschilberekening) geen toe- of afname is berekend. Het effect vanuit de "Projectberekening" op deze gebieden is daarmee 0,00 mol/ha/jaar. Meijendel & Berkheide Westduinpark & Wapendal Solleveld & Kapittelduinen Voornes Duin Voordelta Krammer-Volkerak
RYU2auyGU7gi (29 september 2023)
6/8
Projectberekening
's-Gravenland en Spaanse Polder 2020 , Rekenjaar 2040
Er zijn meer dan 10 wegverkeer emissiebronnen in deze situatie en deze worden niet in de PDF getoond. Laad de PDF in Calculator in om alle bronnen in te zien (tot een maximum van 5000 bronnen). 1 Industrie | Overig Naam
Stationaire Uittreedhoogte emissies Warmteinhoud milieucategorie en Spreiding bestemmingen Locatie X:87264,61 Y:438538,3 Oppervlakte 148,19 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Standaard Profiel Industrie
RYU2auyGU7gi (29 september 2023)
8,0 m 0,280 MW 4m
NOₓ NH₃
15,3 ton/j 1.023,0 kg/j
7/8
Projectberekening
's-Gravenland en Spaanse Polder autonome situatie (referentiesituatie), Rekenjaar 2040
Er zijn meer dan 10 wegverkeer emissiebronnen in deze situatie en deze worden niet in de PDF getoond. Laad de PDF in Calculator in om alle bronnen in te zien (tot een maximum van 5000 bronnen). 1 Industrie | Overig Naam
Stationaire Uittreedhoogte emissies Warmteinhoud milieucategorie en Spreiding bestemmingen Locatie X:87264,61 Y:438538,3 Oppervlakte 148,19 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Standaard Profiel Industrie
8,0 m 0,280 MW 4m
NOₓ NH₃
15,2 ton/j 1.029,0 kg/j
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2022.2_20230808_506285819f Database versie 2022.2_506285819f Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RYU2auyGU7gi (29 september 2023)
8/8
NOX Advies Valkenierslaan 6 5062 CN, Oisterwijk www.noxadvies.nl info@noxadvies.nl
KvK-nummer: 77738861
Bijlage 4: Quickscan Flora & Fauna
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
38
FLORAEN FAUNAONDERZOEK SCHIEDAM – SPAANSE POLDER
Opdrachtgever
:
HaskoningDHV Nederland B.V. T.a.v. De heer R. Begheyn Postbus 8520 3009 AM Rotterdam
Vestiging
:
ABO-Milieuconsult B.V. Curieweg 19 2408 BZ Alphen aan den Rijn tel. +31 (0)172 449827
Projectnummer Periode onderzoek Datum rapportage
: : :
ANL23-8173 Augustus 2023 30 augustus 2023
Veldmedewerker:
De heer R.F.M. Sluijs (Ecoloog)
Projectadviseur:
De heer D.D.C.A. Bijl
Handtekening:
Dhr. R.J. van der Helm General Business Unit Manager Zonder toestemming van de opdrachtgever of ABO-Milieuconsult B.V. mag deze uitgave niet anders dan in zijn geheel worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van fotokopie, microfilm of welke andere wijze dan ook. Alle opdrachten worden uitgevoerd volgens onze Algemene Voorwaarden, zoals gedeponeerd bij de KvK Zuidwest-Nederland te Middelburg onder nr. 22065838. Op verzoek kunnen de Algemene Voorwaarden naar u worden toegestuurd.
INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE .................................................................................................................................. 2 1. INLEIDING ............................................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding ....................................................................................................................................... 3 1.2 Doel van het onderzoek .................................................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer ....................................................................................................................................... 3 2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK ............................................................................ 4 2.1 Bureaustudie ................................................................................................................................... 4 2.2 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 4 2.3 Effectenbeoordeling ........................................................................................................................ 4 3.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ........................................................................................... 5 3.1 Ligging plangebied.......................................................................................................................... 5 3.2 Algemene beschrijving van het plangebied .................................................................................... 6 4. WETTELIJK KADER ........................................................................................................................... 11 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten ................................................................................ 11 4.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland 20 februari 2019................................................................ 12 5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING ................................................................................ 13 5.1 Vleermuizen .................................................................................................................................. 13 5.2 Grondgebonden zoogdieren ......................................................................................................... 17 5.3 Vaatplanten ...................................................................................................................................
17 5.4 Vogels ........................................................................................................................................... 18 5.5 Amfibieën en reptielen .................................................................................................................. 19 5.6 Vissen ........................................................................................................................................... 20 5.7 Overige beschermde soorten ....................................................................................................... 20 5.8 Houtopstanden en bomen in het plangebied ................................................................................ 20 6. SAMENVATTING, CONCLUSIE EN OVERZICHTSTABEL ............................................................... 21 6.1 De zorgplicht zoals weergegeven in artikel 1.11 .......................................................................... 21 6.2 De zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 3.1 .......................................................................... 21 6.3 Overzicht van onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied ............... 22 6.4 Checklist groen bouwen ...............................................................................................................
22 LITERATUUR EN BRONVERMELDING ................................................................................................ 23
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
2/23
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding In opdracht van HaskoningDHV Nederland B.V. is een flora- en faunaonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het bedrijventerrein ‘s-Gravenland & Spaanse Polder te Schiedam. In 2015 is voor dit gebied eveneens een quickscan uitgevoerd. Aanleiding voor het onderzoek betreft het opstellen van een bestemmingsplan. 1.2 Doel van het onderzoek Deze quickscan flora en fauna heeft ten doel de voorgenomen plannen te toetsen aan de huidige natuurwetgeving, de Wet natuurbescherming, zodat duidelijk wordt welke maatregelen moeten worden getroffen om overtreding van deze wet te voorkomen. Het plangebied is onderzocht en beoordeeld op de aanwezigheid van en betekenis voor door de Wet natuurbescherming beschermde plant- en diersoorten. 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is de opzet van het onderzoek besproken en in hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op het plangebied. In hoofdstuk 4 is de reikwijdte en de doelstelling uit de Wet natuurbescherming beschreven. In hoofdstuk 5 worden conclusies getrokken uit de resultaten van het bureauonderzoek en het veldbezoek, waarna in hoofdstuk 6 de conclusies zijn samengevat.
Afbeelding 1: Ligging plangebied (rode kader) in stedelijke omgeving ten opzichte van Natura2000-gebied Oude Maas.
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
3/23
2. OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK Het onderhavige flora- en faunaonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten: een bronnen- en literatuuronderzoek en een biotooptoets (veldbezoek). De biotooptoets is door een ecoloog uitgevoerd op 27 augustus bij half bewolkt weer met af en toe een bui en circa 20ºc. 2.1 Bureaustudie Het bronnen- en literatuuronderzoek omvat een bureaustudie, waarbij kaarten zijn geraadpleegd (kenmerken van het landschap waarin het plangebied zich bevindt) en de reeds bekende verspreidingsgegevens van voorkomende beschermde soorten in de regio zijn geraadpleegd. In het bronnen- en literatuuronderzoek zijn het plangebied en het omliggende gebied in een straal van ongeveer 1,5 kilometer onderzocht. Er zijn diverse bronnen geraadpleegd om een beeld te krijgen van de verspreiding en mogelijk voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied. Aan de hand van deze informatie is een inschatting gemaakt of de betreffende soorten in het plangebied voor zouden kunnen komen, gezien de habitatvoorkeur van de betreffende soorten. Een overzicht van de gebruikte literatuur is opgenomen in de literatuurlijst, die is opgenomen in de bijlage van deze briefrapportage. 2.2 Veldonderzoek Naast een bureaustudie is een biotooptoets uitgevoerd. Dit betreft een veldbezoek met als doel een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied.
De bevindingen van het bronnenen literatuuronderzoek worden in het veld getoetst en indien nodig aangevuld. Op het moment dat een biotooptoets wordt uitgevoerd, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen nachtactief of in een bepaalde periode van het jaar afwezig. Daarom zijn de eisen die soorten/soortgroepen aan hun leefomgeving stellen met betrekking tot vaste rust- en verblijfplaatsen, voedselgebieden en migratierouten vergeleken en getoetst met de situatie in het veld. Op deze manier is ook het belang van het plangebied beoordeeld voor flora en fauna die niet zijn waargenomen gedurende de biotooptoets, maar desondanks toch mogelijk kunnen voorkomen ter plaatse van het plangebied. De resultaten van de biotooptoets betreffen uitsluitend waarnemingen binnen het plangebied. 2.3 Effectenbeoordeling Op basis van de veldkenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten, is beoordeeld voor welke beschermde soorten het plangebied van betekenis kan zijn. Bij deze toetsing is alleen gekeken naar de beschermde soorten uit de Wet natuurbescherming. Deze soorten hebben een Nederlandse of Europese bescherming en moeten worden getoetst op voorkomen en effect.
Wanneer effecten optreden of verbodsbepalingen worden overtreden, dan zijn er mogelijk maatregelen nodig om de effecten te voorkomen, verzachten of te compenseren om te voldoen aan de Wet natuurbescherming. Algemene soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing. Deze soorten zijn zodanig algemeen in Nederland dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt door de meeste projecten. Bovendien geldt voor deze soorten een vrijstelling van de verbodsbepalingen zoals weergegeven in artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Wel geldt de zorgplicht ex artikel 1.11.
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
4/23
3. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 3.1 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in Schiedam en betreft het industrieterrein ’s-Gravenland en Spaanse Polder. Het ligt tussen de straten Strickledeweg, Bokelweg, Nieuwpoortweg, Fokkerstraat, ’s Gravelandseweg, Polderweg en Schiekade. De Schiedamse Schie vormt eveneens een scheiding tussen het Rotterdamse gedeelte van Spaanse Polder en het plangebied in Schiedam. Op de onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; donkergroen). Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Binnen een straal van 10 kilometer ligt het volgende Natura 2000-gebied: Oude Maas 9 kilometer.
Afbeelding 2: Ligging plangebied (rode omlijning midden) in een straal van circa 5 kilometer ten opzichte van omgeving. Bron: Provincie Zuid-Holland.
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
5/23
3.2 Algemene beschrijving van het plangebied In het plangebied staan met name bedrijfspanden. De wegen op het bedrijventerrein zijn vrij breed, met overal parkeerplaatsen. Met name platanen, met af en toe een ander soort boom waaronder populier, esdoorn en eik, staan langs de wegen. De bebouwing in dit deel van het plangebied bestaat voornamelijk uit plaatstalen constructies, al dan niet op een fundering van één met baksteen. De daken zijn vrijwel allemaal plat of hebben een bitumen afdekking. Hieronder volgen enkele foto’s van de bouwaard van het over grote deel. Dit soort panden hebben vrijwel geen ecologische waarde. Het kan zijn dat op het dak scholekster, meeuwen en visdieven broeden.
Afbeelding 3: Foto-impressie plangebied over grote deel van de bebouwing
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
6/23
In het plangebied staat ook afwijkende bebouwing, in de zin van bedrijfspanden met meer dan twee verdiepingen. Zoals Nieuwpoortweg 11 (afbeelding 4), de Torendijk (’s Gravenlandseweg 388, afbeelding 5), tussen de Sandvikstraat en de Brauwweg (afbeelding 6) en Van Heekstraat 10 (afbeelding 7). Deze panden zijn ongeschikt bevonden voor vleermuizen, omdat nergens invliegopeningen aanwezig zijn.
Afbeelding 4: Nieuwpoortweg 11
Afbeelding 5: Torendijk
Afbeelding 6: gebouwen tussen Brauwweg en Sandviksstraat
Afbeelding 7: Van Heekstraat 10 (ONS Gebouw)
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
7/23
Schiekade 56 tot 94 bevat vrijstaande woningen met dezelfde bouwstijl. Wit baksteen, zonder open stootvoegen en een goed sluitend pannendak. Hier worden geen vleermuizen verwacht. Mogelijk broeden huismussen tussen de goot en de eerste rij pannen.
Afbeelding 8: Schiekade 56-94
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
8/23
Tevens zijn gebouwen aanwezig met gedeeltelijk bakstenen muren. Deze gebouwen, eveneens met platte daken, zijn geschikt voor vleermuizen indien zich flinke kieren in de muren bevinden, of indien open stootvoegen aanwezig zijn. Bij verreweg de meeste van de gebouwen was dit niet het geval. De aluminium daklijsten en boeidelen sluiten alle goed aan en openingen tussen kozijnen en muren zijn niet aanwezig.
Afbeelding 9: Bij verreweg de meeste van dit soort gebouwen in het plangebied zijn geen geschikte openingen voor vleermuizen aanwezig.
De gebouwen met baksteen waar wel potentie is voor vleermuizen worden besproken in §5.1.
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
9/23
In het plangebied liggen meerdere stukken grond braak. Braakliggende grond heeft potentie voor grondbroeders en voor verschillende soorten planten. Dit wordt besproken in §5.3 en 5.4.
Afbeelding 10: einde Algerastraat
Afbeelding 11: Jan van Riebeeckweg
Afbeelding 12: Jan van Riebeeckweg / Brauwweg
Afbeelding 13: Kommiezenlaan
Afbeeldingen 12 en 13: gebied achter Werf de Hoop aan de Schiekade
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
10/23
4. WETTELIJK KADER 4.1 Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). Voor de zoogdier-, amfibie- en reptielsoorten opgenomen in deze bijlage geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren bescherming behoeven. De andere in de bijlage opgenomen soorten worden om ecologische redenen beschermd.
Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. Verbodsbepalingen: Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Uitbreiding verbodsbepalingen en mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling: Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.
in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. t/m h. (niet van toepassing, zie wettekst). 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
11/23
4.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland 20 februari 2019 Artikel 8.1 vrijstelling ten behoeve van bestendig beheer of onderhoud en de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. 1. De verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de wet, gelden niet bij de uitvoering van handelingen in het kader van: -a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; -(b,c,d niet van toepassing, zie wettekst) 2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van de in bijlage 6 genoemde andere beschermde soorten: Aardmuis, Bastaardkikker, Bosmuis, Bruine kikker, Bunzing, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Gewone pad, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Kleine watersalamander, Konijn, Meerkikker, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Vos, Wezel en Woelrat. Bovenstaande soorten zijn derhalve niet beschermd bij de voorgenomen werkzaamheden, wel geldt de zorgplicht.
Afbeelding 14: afkadering plangebied
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
12/23
5. RESULTATEN EN EFFECTENBEOORDELING 5.1 Vleermuizen Resultaten bureauonderzoek De volgende gebouwbewonende soorten die voorkomen volgens verspreidingsgegevens kunnen van het pand in het plangebied gebruik maken, indien geschikte openingen aanwezig zijn: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en laatvlieger. Bomen van voldoende grootte zijn in het plangebied aanwezig, waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende soorten kan worden verwacht. Zomerverblijven bevinden zich vaak in (oude) bomen met holten. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger kunnen holten gebruiken als paarverblijf. Rosse vleermuis gebruikt met name oude landgoederen in een bosrijke omgeving. Deze soort wordt niet verwacht. Ruige dwergvleermuizen en watervleermuizen gebruiken als winterverblijfplaats ondergrondse objecten, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en (kasteel)kelders. Bij uitzondering worden deze soorten ook in de winter ook in boomholten aangetroffen. De bomen moeten worden onderzocht op holtes die voor vleermuizen geschikt zijn om in te verblijven, zoals ingerotte boomdelen, ingescheurde takken en loshangend schors. Resultaten veldbezoek Het terrein van Man Energy Solutions aan de Schiekade was afgesloten, zodat de achterkant niet kon worden onderzocht.
Dit geldt voor meer panden in het plangebied. Vanwege de bouwaard kan er bij de meeste panden vanuit worden gegaan dat de achterkant hetzelfde is als de voorkant. De panden in het plangebied met potentie voor vleermuizen worden op de volgende foto’s aangegeven. Het gaat dan met name om open stootvoegen die groot genoeg zijn en niet vol zitten met spinrag of cementresten.
Afbeelding 15: Strickledeweg 75 open stootvoegen
Afbeelding 16: Kommiezenlaan 30 open stootvoegen
Afbeelding 17: Van Heeklaan nr 41 en 32 en 24 tm 18
Afbeelding 18: 's-Gravelandseweg 246
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
13/23
Afbeelding 19: Fokkerstraat 580
Afbeelding 20: Fokkerstraat 517
Afbeelding 21: Calandstraat 96
Afbeelding 22: Regoutstraat
Afbeelding 23: Jan van Riebeeckweg
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
14/23
In het plangebied staan meerdere bomen. De meeste bomen zijn niet dik genoeg om holtes te hebben voor vleermuizen. Onder andere de bomen aan de Schiekade en Polderweg zijn wel dik genoeg en hebben ook los schors, waarachter vleermuizen kunnen verblijven. Deze gebieden zijn de enige grote groene gebieden in het plangebied en de omgeving daarvan en hebben daardoor waarschijnlijk ook een essentiële functie als foerageergebied voor meerdere soorten vleermuizen.
Afbeelding 24: bomen ten noorden van de Schiekade
Afbeelding 25: grote wilgen aan de Schiedamse Schie ter hoogte van de Algerastraat
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
15/23
Afbeelding 26: Bomen langs de Polderweg.
De bomen langs de Polderweg vormen een lijnvormig element, dat dienst kan doen als vaste vliegroute voor vleermuizen. De Schiedamse Schie kan ook zo’n vliegroute zijn. Op onderstaande kaart worden de mogelijke vliegroutes van vleermuizen weergegeven.
Afbeelding 27: Mogelijke vliegroutes van vleermuizen (blauwe lijnen)
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
16/23
Conclusie vleermuizen In het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden zijn meerdere voor vleermuizen geschikte openingen aanwezig in zowel de bomen als de gebouwen. Als foerageergebied heeft het plangebied waarschijnlijk een essentiële functie. Tevens zijn verschillende lijnvormige elementen die een vaste vliegroute van vleermuizen kunnen zijn. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is noodzakelijk om in kaart te brengen of vleermuizen in het plangebied verblijven, of het plangebied essentieel foerageergebied heeft en of de vliegroutes daadwerkelijk door vleermuizen worden gebruikt. Nader onderzoek naar foerageergebied is niet noodzakelijk indien het foerageergebied behouden blijft. Met betrekking tot de vliegroutes geldt dat nader onderzoek niet noodzakelijk is, indien in het donker wordt gewerkt zonder kunstlicht en geen licht op de routes te laten schijnen. Wel mag in de periode tussen eind oktober en begin maart onbeperkt met verlichting worden gewerkt, omdat vleermuizen zich dan in winterrust bevinden en geen gebruik maken van de routes. In de gebruikersfase mag dan eveneens geen licht op de routes schijnen. 5.2 Grondgebonden zoogdieren Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens komen boommarter en steenmarter. Boommarter heeft een groot areaal aan bos nodig.
Steenmarter is niet kieskeurig qua verblijfplaats, maar vereist wel een rustige omgeving. Voldoende schuil- en foerageermogelijkheden moeten eveneens in de buurt zijn. Resultaten veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) beschermde zoogdieren waargenomen. Het gebied aan de Schiekade en de andere gebieden met bomen (afb. 24, 25 en 26) zijn mogelijk geschikt als leefgebied van boommarter. Voor steenmarter zijn in vrijwel alle panden geen openingen gevonden. Sommige panden staan leeg of grenzen aan een braakliggend stuk grond, waardoor steenmarter mogelijk gebruik kan maken van deze panden. Conclusie grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten zoogdieren aangetroffen. Echter, het voorkomen van boommarter en steenmarter in het plangebied valt zonder nader onderzoek niet uit te sluiten. Voor eventueel aanwezige algemene zoogdieren, waaronder de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel, geldt de zorgplicht (zie §6.1). 5.3 Vaatplanten Resultaten bureauonderzoek Op basis van verspreidingsgegevens kunnen dreps, bokkenorchtis en muurbloem voorkomen.
Dreps staat op zonnige, open plaatsen op matig droge, vrij kalkarme, matig voedselrijke, lichte grond (löss, leem en zavel) en heeft als groeiplaats akkers (wintergraanakkers en speltakkers), soms langs spoorwegen (spoorwegterreinen), braakliggende grond, wegranden (open plekken in bermen van grote verkeerswegen), ruigten, ruderale plaatsen en storttereinen. Bokkenorchis staat op zonnige tot half beschaduwde, matig droge tot vochtige, warme, voedsel- en stikstofarme, basen- en kalkrijke, humushoudende zandgrond en mergel. Muurbloem groeit alleen op oude, verweerde muren van kerken, ruïnes, stadsmuren en forten die met zachte kalkspecie zijn gevoegd. Er worden in de verspreidingsgegevens meerdere rood lijst soorten vermeld. Deze soorten zijn niet beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten geldt de zorgplicht.
Flora- en faunaonderzoek, ’s-Gravenland en Spaanse Polder, ANL23-8173
17/23
Resultaten veldbezoek Beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen op de muren van de panden. Geconstateerd is dat het biotoop in het plangebied niet geschikt is voor muurloem, omdat oude kalkrijke stenen muren niet aanwezig zijn. Dreps is mogelijk aanwezig op het braakliggende stuk grond aan het einde van de Algerastraat (afb. 10). Daar is omgewerkt zand en lichte grond aanwezig. Bokkenorchis is niet aangetroffen en wordt niet verwacht, omdat matig droge tot vochtige zandgrond ontbreekt. Het water trekt snel de grond in op de braakliggende stukken, waardoor de grond met name droog is. Conclusie vaatplanten Nader onderzoek naar Dreps is noodzakelijk op het perceel achter de Algerastraat. In het overige gedeelte van het plangebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Rode lijst soorten komen mogelijk wel voor (deze soorten zijn niet meegenomen in het veldbezoek), hiervoor geldt de zorgplicht. Dit betekent dat de soort kan worden uitgegraven en worden verplaatst naar een vergelijkbaar habitat, of dat de bovenste laag zand wordt afgevoerd en als zaadbank wordt gedeponeerd in een geschikte habitat. 5.4 Vogels Resultaten bureauonderzoek In de verspreidingsgegevens worden over de afgelopen drie jaar vele vogelsoorten genoemd in Schiedam.
Verschillende soorten gebouwbewonende soorten, waaronder huismus en gierzwaluw, kunnen in het plangebied broeden indien geschikte openingen hiervoor aanwezig zijn. Nesten van roofvogels en uilen kunnen in de bomen in het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. Resultaten veldbezoek Verreweg de meeste panden in het plangebied hebben platte daken en zijn daarmee voor huismus en gierzwaluw ongeschikt. De enige daken met dakpannen die mogelijk geschikt zijn bevindingen zich in de woningen aan de Rolbrug (afb. 28) en aan de Schiekade 56-94 (afb. 8). In de aanliggende tuinen is genoeg groen en schuilmogelijkheid aanwezig voor leefgebied van huismus.
Afbeelding 28: woningen aan de Schiekade / Rolbrug
In de bomen ten noorden van de Schiekade (afb 24, 25 en 26) kunnen roofvogels en uilen broeden. Deze worden niet verwacht in de solitaire bomen in de rest van het plangebied. Mogelijk broeden hier wel eksters in. Overal in het plangebied waar groen aanwezig is, kunnen broedvogels broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Dit geldt ook voor de platte daken in het plangebied, waar scholekster, meeuwen en visdief op kunnen broeden.