Bijlage 4 mer-beoordeling bp sGraveland Spaanse Polder
Tekst van het document
RAPPORT Bestemmingsplan ‘s-Graveland & Spaanse Polder 2020 m.e.r.-beoordeling Klant:
Gemeente Schiedam
Referentie: BJ4342-MI-RP-230831-0756 Status:
Definitief/1
Datum:
4 oktober 2023
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Laan 1914 no.35 3818 EX Amersfoort Netherlands Mobility & Infrastructure +31 88 348 20 00 T +31 33 463 36 52 F info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Bestemmingsplan ‘s-Graveland & Spaanse Polder 2020 Sub titel: m.e.r.-beoordeling Referentie: BJ4342-MI-RP-230831-0756 Status: Definitief/1 Datum: 4 oktober 2023 Projectnaam: MER s-'Graveland & Spaanse Polder Projectnummer: BJ4342 Auteur(s): 909116 Opgesteld door: 909116 Gecontroleerd door: 923136 Datum: 27-9-2023 Goedgekeurd door: 907249 Datum: 4-10-2023
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderzins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
1
Inhoudsopgave 1
Inleiding
3
1.1
Achtergrond
3
1.2
Aanleiding
4
1.3
Waarom een m.e.r.-beoordeling?
5
1.4
Mogelijke samenhang met andere ontwikkelingen
5
1.5
Leeswijzer
6
2
Kenmerken plangebied
7
2.1
Ligging plangebied
7
2.2
Gebiedskenmerken ‘s-Graveland & Spaanse Polder
8
3
Kenmerken van het plan
11
4
Kenmerken van de mogelijke effecten
12
4.1
Water
12
4.2
Bodem
14
4.3
Natuur
16
4.3.1 4.3.2
Gebiedsbescherming Soortenbescherming
16 17
4.4
Externe veiligheid
20
4.5
Geluid
22
4.6
Luchtkwaliteit
24
4.7
Bedrijven- en milieuzonering
27
4.8
Archeologie
29
5
Samenvatting en conclusies
31
5.1
Samenvatting
31
5.2
Conclusies
32
Bijlagen
Bijlage 1: Wijzigingen nieuwe bestemmingsplan ten opzichte van bestemmingsplan 2005 Bijlage 2: Waterparagraaf Bijlage 3: Stikstofonderzoek Bijlage 4: Quickscan Flora & Fauna Bijlage 5: Interne memo externe veiligheid Bijlage 6: Luchtkwaliteitsonderzoek
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
2
1
Inleiding
1.1
Achtergrond
In de gemeente Schiedam ligt het bedrijventerrein ‘s-Graveland & Spaanse Polder. In 2005 is het bestemmingsplan ‘Spaanse Polder & ‘s-Graveland 2004’ vastgesteld. Bedrijventerreinen ontwikkelen zich continu, om de bedrijven rechtszekerheid te geven en ruimte te bieden om te groeien en ontwikkelen is het van belang dat een bestemmingsplan actueel is. Daarom is het plan uit 2005 herzien en geactualiseerd. Het nieuwe bestemmingsplan is hoofdzakelijk consoliderend van aard, waarbij voornamelijk het planologisch kader, zoals dit in 2005 is vastgesteld, is geactualiseerd. In tegenstelling tot het bestemmingsplan uit 2005 is de regeling, waar mogelijk, globaal en flexibel gemaakt om te kunnen inspelen op initiatieven die zich aandienen. Ook wordt er ruimte geboden voor revitalisatie van delen van het bedrijventerrein. Vanuit planologisch oogpunt bezien is het specifiek aanduiden van de zogenaamde etalagezone 1, in een strook direct langs de A20, met daarbij enkele specifieke bouw- en gebruiksregels, de meest relevante ontwikkeling in dat opzicht. Een duurzame en toekomstbestendige inrichting van de openbare ruimte vindt plaats binnen de bestaande planologische kaders. Het nieuwe bestemmingsplan betreft een actualisatie onder de huidige Wet ruimtelijke ordening (Wro).
De overgang naar het nieuwe wettelijke kader, in samenhang met het tijdsverloop van 15 jaar tussen de vaststelling van beide plannen, heeft met name voor de vormgeving van de regels en verbeelding de nodige gevolgen. De gemeente Schiedam heeft in 2020 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld voor het bedrijventerrein ‘s-Graveland en Spaanse Polder die het oude bestemmingsplan uit 2005 vervangt.
Figuur 1.1: Globale ligging van het bedrijventerrein 's-Graveland & Spaanse Polder in de gemeente Schiedam (rood omlijnd) [Google Maps, 2023]
1 Voor bedrijven op zichtlocaties van de bedrijventerreinen vereist dat meer aandacht voor hun uitstraling. De zone langs de Rijksweg A20 vormt bijvoorbeeld de etalage van het plangebied. Deze etalagezone is bedoeld voor representatieve, arbeidsintensieve bedrijven en bedrijfsgebonden kantoren. Deze panden moeten een minimale hoogte met vier bouwlagen en een bovengemiddelde architectonische uitstraling hebben.
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
3
1.2
Aanleiding
Nadat het bestemmingsplan is vastgesteld, heeft deze begin 2021 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Tegen het bestemmingsplan zijn in die periode zijn twee beroepsschriften ingediend. Op 31 mei 2023 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een tussenuitspraak gedaan op de beroepen tegen het bestemmingsplan ‘s-Graveland & Spaanse Polder 2020 [ECLI:NL:RVS:2023:2115]. Uit de hierboven genoemde tussenuitspraak blijkt dat het bestemmingsplan onvolledig is op de volgende twee punten: •
Er ontbreekt een volledige laddertoets Met de wijziging van het bestemmingsplan wordt een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk door wijziging van de bouwmogelijkheden. De toelichting bij het bestemmingsplan moet een beschrijving bevatten van de behoefte aan de ontwikkeling en indien van toepassing waarom deze behoefte niet in het bestaand gebied gerealiseerd kan worden. Het doel hierachter is de bevordering van zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder het voorkomen van onnodig ruimtebeslag en onaanvaardbare leegstand. De conclusie is dat een volledig onderzoek naar de behoefte in het bestemmingsplan ontbreekt, en dat deze moet worden verricht. De behoefte wordt getoetst met een zogenaamde laddertoets.
•
Er is geen m.e.r.-beoordeling uitgevoerd 2 De Raad van State stelt dat het bestemmingsplan moet worden aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie D11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (zie onderstaande tabel). Als argumentatie wordt gesteld dat het plan een aanzienlijke toename in bouwmassa mogelijk maakt bij de voorziene ontwikkeling van de etalagezone; de maximale bouwhoogte wordt 40 meter waar dit eerst 21 meter was. Ook voorziet het plan in een uitbreiding van de toegestane functies, waaronder zelfstandige kantoren en overige bedrijvigheid binnen de etalagezone. Met het plan worden de in het Besluit m.e.r. genoemde drempelwaarden niet overschreden, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld.
Tabel 1.1: Relevant onderdeel uit categorie D van het Besluit m.e.r.
D11.2
Activiteiten
Gevallen
Plannen
Besluiten
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
1)
een oppervlakte van 100 hectare of meer,
2)
een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of
3)
een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
2
De gemeente Schiedam heeft ervoor gekozen voor het bestemmingsplan geen m.e.r.-beoordeling uit te voeren omdat zij het bestemmingsplan als een doorontwikkeling van het bestaand binnenstedelijk bedrijventerrein zagen.
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
4
1.3
Waarom een m.e.r.-beoordeling?
Om het milieubelang volwaardig mee te kunnen nemen in de besluitvorming over activiteiten of plannen die (mogelijke) nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu moet in Nederland soms een milieueffectrapportage (m.e.r.) procedure worden doorlopen. In de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. is aangegeven voor welke activiteiten of plannen dat geldt. In onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. staan de activiteiten en plannen vermeld die direct m.e.r.plichtig zijn. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten of plannen belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze projecten of plannen staan of niet, of in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r.. Als een project of plan onder onderdeel D valt dient een m.e.r.-beoordeling opgesteld te worden om te onderzoeken of belangrijke nadele milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Figuur 1.2: Schematische weergave van de m.e.r.-procedure
Op grond van artikel 2, lid 5 Besluit m.e.r. dient, voor activiteiten of plannen die wel zijn genoemd in onderdeel D, maar onder de drempelwaarden blijven, evenwel een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.‐ beoordeling’ te worden gemaakt om te bezien of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig. Dit toetsingskader staat schematisch weergegeven in Figuur 1.2. De Raad van State heeft de mogelijkheid voor een herstelbesluit geboden. Hiermee bestaat de mogelijkheid om de tekortkomingen zoals beschreven in paragraaf 1.2 binnen een gestelde termijn aan te vullen en op te lossen, waarna het bestemmingsplan opnieuw vastgesteld kan worden. In dat kader wordt er een vormvrije m.e.r.-beoordeling doorlopen, dat is dit rapport. De gemeenteraad kan in haar reparatiebesluit op basis van dit rapport een besluit nemen over de noodzaak van opstelling van een milieueffectrapportage.
1.4
Mogelijke samenhang met andere ontwikkelingen
In de omgeving van het plangebied vinden verschillende ontwikkelingen plaats. In deze m.e.r.-beoordeling zijn deze ontwikkelingen in de directe omgeving in samenhang beschouwd met het bestemmingsplan ‘sGraveland & Spaanse Polder, om eventuele cumulatieve effecten onder de loep te nemen. Er is één ontwikkeling relevant voor cumulatie, dat is het volgende: Schieveste Tussen het station Schiedam Centrum en de rijksweg A20 worden met het plan Schieveste circa 3000 woningen gerealiseerd. Dit gebied grenst aan het plangebied ’s-Graveland & Spaanse Polder in het zuiden. Het bestemmingsplan Schieveste 2021 (NL.IMRO.0606.BP0046-0003) is inmiddels vastgesteld (en onherroepelijk in werking getreden) en is opgenomen in het regionale verkeersmodel dat gebruikt is voor de onderzoeken bij deze m.e.r.-beoordeling. De effectbeoordelingen en conclusies daarover in deze notitie hebben daarmee met deze mogelijke cumulatie rekening gehouden.
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
5
Overig Andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied zijn er niet. De impact van nieuwe ontwikkelingen op grotere afstand, zoals de transformatie van delen van Nieuw-Mathenesse en de Rotterdamse Merwe-Vierhavens, reikt niet tot het voorliggende plangebied ofwel de gevolgen zijn meegenomen in de onderzoeken bij deze m.e.r.-beoordeling. In het Rotterdamse deel van de Spaanse Polder en op het bedrijventerrein Noord-West vindt de doorontwikkeling en revitalisatie van de bedrijventerreinen in principe plaats binnen de kaders van de vigerende bestemmingsplannen.
1.5
Leeswijzer
De m.e.r.-beoordeling toetst de activiteiten in lijn met de inhoudelijke vereisten zoals beschreven in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. (EU-richtlijn 2014/52/EU). Hierin worden criteria genoemd die in de m.e.r.-beoordeling aan de orde moeten komen alvorens beoordeeld kan worden of wel of niet sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. De criteria betreffen op hoofdlijnen 1) kenmerken van het project, 2) locatie/ omgeving van het project en 3) kenmerken van de potentiële effecten. Hoofdstuk 2 geeft een nadere beschrijving van de ligging van het plangebied en de in de omgeving aanwezige omgevings- en natuurwaarden. Hoofdstuk 3 gaat in op de voorgenomen activiteiten, hierbij zijn de kenmerken van het project beschreven en is gegaan op onder andere de projectomvang, cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. In hoofdstuk 4 zijn de potentiële effecten van het project op de omgeving beschouwd. Tot slot worden in hoofdstuk 5 de samenvatting en de conclusies beschreven.
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
6
2
Kenmerken plangebied
Dit hoofdstuk gaat in op de ligging van het plangebied en de gebiedskenmerken.
2.1
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in de gemeente Schiedam en wordt in het zuiden begrensd door de rijksweg A20 en het multifunctionele gebied Schieveste. In dit gebied ligt ook het trein-, bus-, tram- en metrostation Schiedam Centrum aan de spoorlijn Den Haag-Rotterdam. Ten westen ligt het sportpark Thurlede en het Prinses Beatrixpark, dit gebied is relatief groen. Ten noorden liggen de bedrijventerreinen Rotterdam Noord-West en het Rotterdamse deel van Spaanse Polder en wordt het gebied begrensd door de 'sGravelandseweg, Polderweg en Schiekade. Ten oosten liggen de Schie en de Strickledeweg. De uitloper van de Schiedamse Schie loopt door het plangebied en vormt een fysieke en ruimtelijke scheiding tussen de delen ’s-Graveland en Spaanse Polder. Onderstaande figuur laat de globale begrenzing van het plangebied zien. De spoorlijn tussen Den Haag en Rotterdam en de snelweg A20 vormen structurele elementen in het gebied en een duidelijke begrenzing. De spoorlijn ligt verhoogd op een groen talud, waar door een onderdoorgang een verbinding is met het westelijk gelegen Prinses Beatrixpark. De A20 ligt verhoogd op een dijklichaam met viaducten die de verbinding vormen met Schiedam. Ook de Schie die door het gebied loopt vormt een structurerend element.
Figuur 2.1: Globale begrenzing van bestemmingsplan ‘s-Graveland & Spaanse Polder
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
7
2.2
Gebiedskenmerken ‘s-Graveland & Spaanse Polder
Het bedrijventerrein ’s-Graveland en Spaanse Polder bestaat uit twee delen, namelijk ’s-Graveland en Spaanse Polder. Het in het zuidelijke deel gelegen Spaanse Polder is eerst ontwikkeld, waarna het westelijk gelegen bedrijventerrein ’s-Graveland is ontwikkeld. Ontstaansgeschiedenis Spaanse Polder Het deel van het bedrijventerrein dat Spaanse Polder heet is gebouwd in wat vroeger de Spaansche Polder was, dit was een voormalig veenweidegebied ten oosten van Schiedam dat in de 13e eeuw is ontstaan. Door de eeuwen heen is dit gebied in gebruik geweest als veeteelt- en weidegebied. Tot het begin van de 20e eeuw was er nauwelijks bebouwing in het gebied aanwezig. Rond 1920 ontstonden er ideeën over de inrichting van de Spaanse Polder als bedrijventerrein. De eerste industriële invulling in het gebied was de Van Nelle-fabriek (gebouwd tussen 1925-1931). Nadat in 1929 de grote economische crisis uitbrak werd de kwetsbaarheid van een eenzijdige economische structuur, gericht op de Rotterdamse haven, duidelijk. Grote autonome industriecomplexen in de buurt van infrastructuur en nieuw aan te leggen woonwijken werd als mogelijke oplossing gezien. Hierbij kwam het gebied Spaanse Polder in beeld. Naast de bestaande water- en spoorwegen zorgden ook de geplande A20 en het vliegveld Zestienhoven (nu Rotterdam-The Hague Airport) voor een ideale ontsluiting.
In 1946 werd een eerste inrichtingsplan gemaakt met vier gebieden. Tot 1951 hoorde de Spaanse Polder bij de gemeente Rotterdam (en daarvoor bij de gemeente Overschie). Na een grenscorrectie is in 1955 een aanvullend plan vastgesteld voor het gebied dat nu de (Schiedamse) Spaanse Polder is. Dit gebied is met name in de periode 1950 tot 1960 gebouwd. ’s-Graveland Het deel van het bedrijventerrein dat ’s-Graveland heet is gebouwd in wat vroeger de ’s-Gravelandsche Polder was, dit was een smalle polder ten westen van de Schie. Qua ontstaan en gebruik kent de ’sGravelandse Polder grote gelijkenissen met de Spaanse Polder. Het bedrijventerrein ’s-Graveland is in de periode 1950-1980 aangelegd vanuit het zuiden. In het noordelijke deel zijn nog enkele percelen grond beschikbaar voor de uitgifte aan bedrijven. ’s-Graveland & Spaanse Polder Eind 20e eeuw ging de kwaliteit van de losstaande bedrijventerreinen sterk achteruit. Met het oog op een tekort aan geschikte bedrijventerreinen in de regio Rotterdam werd besloten het gehele plangebied mee te nemen in één beleidsontwikkelingsproces voor het Rotterdamse en Schiedamse deel. Het doel was om met ruimtelijke en economische herstructurering te komen tot algehele revitalisering van de bedrijventerreinen.
Onderdeel hiervan was een thematische clustering van bedrijven, een goede bereikbaarheid, een intensivering van de bebouwing op de kavels en een adequate milieuzonering. Belangrijk daarbij op te merken is dat het de begrenzing van de bedrijventerreinen feitelijk vastligt. Het bedrijventerrein ligt ingeklemd tussen het Beatrixpark en de spoorlijn, de A20 en de gemeentegrens. Dit maakt dat doorontwikkeling van het bedrijventerrein, noodzakelijk gelet op het toekomstbestendig en duurzaam inrichten van het gebied, binnen de huidige fysieke grenzen moet plaatsvinden, wat noodzaakt tot een intensiever en hoogwaardiger ruimtegebruik. Het merendeel van de gronden op het bedrijventerrein is door de gemeente Schiedam uitgegeven in erfpacht. Met name in de Spaanse Polder en op ’s-Graveland-Zuid is vanwege het aflopen van erfpachtcontracten bebouwing gesloopt, in afwachting van hernieuwde uitgifte van de gronden in erfpacht.
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
8
Recent is op de eerste kavels ook reeds gestart met de daadwerkelijke nieuwbouw van bedrijfspanden naar hedendaagse maatstaven. Verkeer De interne structuur van het plangebied wordt bepaald door de grote wegen die het gebied doorkruisen. Dit zijn de ’s-Gravelandseweg, de De Brauwweg en de Strickledeweg. Het plangebied is via afrit 11 (Schiedam) en afrit 12 (Rotterdam-Delfshaven) te bereiken vanaf de A20. Vanuit Schiedam-Noord is het bedrijventerrein via de ’s-Gravelandseweg voor autoverkeer bereikbaar. Op alle wegen geldt dat de maximale snelheid 50 km/uur is. In het zuiden ligt het regionale OV-knooppunt station Schiedam Centrum. Voor medewerkers is het bedrijventerrein hierdoor goed per OV bereikbaar. Vanaf station Schiedam zijn er treinverbindingen met Hoek van Holland, Rotterdam, Dordrecht, Vlissingen en Den Haag. Ook de metrolijnen A, B en C stoppen hier, tenslotte zijn er de tramlijnen 21 en 24 en diverse buslijnen. Voor wat betreft het fietsverkeer zijn er in het plangebied drie belangrijke hoofdroutes voor langzaam verkeer, namelijk: • ’s-Gravelandseweg-Broersvest (noord-zuid) • Hazepad-Nieuwpoortweg-Bokelweg (oost-west) • ’s-Gravelandseweg-Polderweg-Overschie (oost-west) Op de overige wegen vindt de afwikkeling van langzaam verkeer plaats op de autowegen. Met het oog op de aanwezigheid van vrachtverkeer komt dit de verkeersveiligheid niet ten goede.
Parkeren vindt deels plaats op het eigen terrein en deels op de openbare weg. Op verschillende locaties zijn parkeerterreinen waar gratis kan worden geparkeerd. In het gebied wordt veel geparkeerd door OVreizigers, doordat er rondom het station Schiedam een zone van betaald parkeren is. Hierdoor neemt de parkeerdruk toe. Wat betreft het goederenvervoer vindt dit via de weg plaats, de capaciteit op de weg is voldoende. Ook de Schie vormt een verbinding voor het transport van goederen, deze is geschikt voor binnenvaartschepen klasse II. In de praktijk wordt deze vaarweg niet gebruikt voor goederentransport. Openbare ruimte De openbare ruimte van het bedrijventerrein heeft een stenig maar doelmatig karakter en wordt volledig gedomineerd door auto- en vrachtverkeer, parkeren, in- en uitritten bij bedrijfspanden en de terreinen rondom panden. Het groen is ondergeschikt, dit speelt met name in het deel Spaanse Polder. In ’sGraveland ligt de ’s-Gravelandseweg waarlangs bomenrijen staan waardoor dit deel van het bedrijventerrein een groener karakter heeft. Bebouwing In het gebied liggen bedrijven, detailhandel, kantoren en (bedrijfs)woningen, de meeste gebouwen zijn in particulier bezit, de grond is hoofdzakelijk in erfpacht uitgegeven. In totaal zijn er ongeveer 320 bedrijven gevestigd, goed voor ruim 5.000 arbeidsplaatsen.
Bedrijven Het bedrijventerrein heeft een gemengd karakter waar een duidelijke functionele clustering van bedrijfsactiviteiten ontbreekt. De meeste bedrijfsactiviteiten zijn middelzwaar tot zwaar van aard in de milieucategorieën 2 en 3. Het bestemmingsplan maakt ook bedrijfsactiviteiten in categorie 4 planologisch mogelijk maar dit komt in het plangebied weinig voor. Aan de randen van het gebied liggen bedrijven met een lagere milieucategorie zoals maak- en productiebedrijven en groothandels. In het deel ’s-Graveland
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
9
zijn de bedrijven grootschaliger van aard dan in het deel Spaanse Polder, in de zin dat de bedrijfskavels over het algemeen groter zijn. Detailhandel en groothandel Er zijn verschillende bedrijven aanwezig die zich richten op detailhandel, zoals auto- en motordealers, meubelzaken en bouwmarkten. Door de jaren heen is het aantal detailhandelszaken afgenomen mede als gevolg van herstructurering. Bestaande detailhandelsbedrijven zijn planologisch op maat bestemd. Het bedrijventerrein heeft een sterke positie in de huisvesting van groothandels. Verspreid over het gebied bevinden zich diverse bedrijven die gericht zijn op onder andere de technische groothandel. Kantoren De kantoren in het plangebied zijn deels zelfstandige kantoren en liggen voornamelijk rondom de ‘sGravelandseweg. Deze bestaande zelfstandige kantoorlocaties zijn op maat bestemd. Binnen de etalagezone is het oppervlak zelfstandig kantoor op een maximum vloeroppervlak begrenst binnen de aangeduide zone. Bedrijfsgebonden kantoren zijn als onderdeel van een reguliere bedrijfsvestiging onder voorwaarden ook mogelijk. (Bedrijfs)woningen Verspreid over het plangebied liggen meerdere (voormalige) bedrijfswoningen. Deze woningen zijn nog als zodanig aanwezig, maar zijn conform het plan uit 2005 al niet meer bestemd als bedrijfswoning.
Het is binnen het plan niet mogelijk om meer bedrijfswoningen te realiseren in het gebied. Langs de Schiekade liggen een aantal reguliere woningen. Deze zijn van oudsher al aanwezig nabij het bedrijventerrein. Langs de Schiekade ligt ook een woonwagenterrein. Nieuwe woningen zijn enkel mogelijk op een strook grond langs de Polderweg, de beschikbare capaciteit is nog niet benut. Overig Binnen het plangebied is via maatwerk een aantal horecazaken bestemd, zoals een fastfoodrestaurant en een feestzaal. Nieuwvestiging van horeca is slechts beperkt mogelijk, in vergelijking met het eerdere bestemmingsplan uit 2005 zijn de mogelijkheden ingeperkt. Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich een jachthaven, met ontsluiting naar de Schie.
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
10
3
Kenmerken van het plan
Het bestemmingsplan ’s-Graveland & Spaanse Polder 2020 is een herziening en actualisatie van het voorgaande bestemmingsplan uit 2005. In dit hoofdstuk is beschreven wat er met het nieuwe bestemmingsplan mogelijk gemaakt wordt ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan en welke van deze ontwikkelingen relevant zijn voor deze m.e.r.-beoordeling. Een overzicht van alle wijzigingen is opgenomen in bijlage 1. Relevante ontwikkelingen voor de m.e.r.-beoordeling • Toevoeging aan bedrijventerrein van ongeveer 5 hectare door toepassing van twee wijzigingsbevoegdheden. • Maximale toename van 200.000 m2 vloeroppervlak in de etalagezone 3. • Mogelijkheid tot afwijken van de bouwhoogte van 15 meter via een afwijkingsbevoegdheid 4 (onder aanvullende voorwaarden). • Vereiste van minimaal vier bouwlagen in de etalagezone (met een oppervlak van in totaal 20.000m2, waardoor in deze zone bij een minimale invulling van deze eis 80.000 m2 gebouwvloeroppervlak wordt gerealiseerd. • Ontwikkeling van zelfstandige kantoorruimte van maximaal 30.000 m2. • Ontwikkeling van een nieuw treinstation binnen de bestemming ‘Gemengd’. • Inperking van mogelijkheden voor de ontwikkeling van ‘horeca’ en ‘volumineuze detailhandel’, in het nieuwe plan zijn nieuwe horecagelegenheden enkel mogelijk (via een afwijkingsmogelijkheid) op locaties die fungeren als hub-locatie.
3
Door de omzetting van Verkeer naar Groen op andere delen van het bedrijventerrein neemt het oppervlak per saldo minder toe. Het bestemmingsplan uit 2005 bood op diverse plekken bij recht de mogelijkheid voor bouw van een hoogteaccent tot 45 meter hoog. Deze mogelijkheid is komen te vervallen. 4
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
11
4
Kenmerken van de mogelijke effecten
4.1
Water
Voor het nieuwe bestemmingsplan is een watertoets uitgevoerd en een waterparagraaf opgesteld. Er is gekeken naar de bodemgesteldheid, grondwater, oppervlakwater, waterkwaliteit en ecologie, waterveiligheid en riolering. De volledige waterparagraaf is opgenomen in bijlage 2. Huidige situatie Bodemgesteldheid De bodem in het plangebied bestaat uit kleiig zand en klei afgewisseld met veen en venige klei over een dikte van ongeveer 15 meter. Het gebied ligt door ophogingen hoger dan het maaiveld in de omgeving. Het eerste watervoerend pakket ligt op een diepte van ongeveer 18 meter. Het zuidelijke deel van het plangebied, rond de A20, is zettingsgevoelig. Grondwater In het noorden van het plangebied treedt kwel op, terwijl in het zuidelijke deel sprake is van wegzijging. Er is in beperkte mate sprake van grondwateroverlast, in het verleden is dit enkel het geval geweest rond een locatie aan de Fokkerstraat. Oppervlaktewater In het plangebied liggen de Schiedamse Schie en de Polderwetering, dit zijn boezemwatergangen die water ontvangen uit de polders en dat afvoeren. Het streefpeil is NAP -0,43 m. In de poldergebieden geldt een ander streefpeil. In de Poldervaartpolder (westelijk deel van het plangebied) geldt een streefpeil van NAP -2,75 m.
Hier ligt een zogenaamde persleiding die het oppervlaktewater vanaf het plangebied met behulp van een pompgemaal in de richting van de Schie afvoert. In het noorden van het plangebied is er sprake van een verschillend zomer- en winterstreefpeil, namelijk NAP -2,96 m en NAP -3,01 m. In het noordoostelijke deel van het plangebied ligt de Oost-Abtspolder, het streefpeil in dit gebied is NAP -3,5 m. In kleine delen, aan de noordkant van de Polderweg en het gebied aan de Schiekade, hebben een afwijkend peil. De Poldervaartpolder voldoet niet in geheel aan de waterbergingsopgave, dit betreft een gebied op zo’n 700 meter buiten het plangebied. Waterkwaliteit en ecologie De boezemwatergangen Schiedamse Schie en Polderwetering maken onderdeel uit van het Kaderrichtlijn Water (KRW) waterlichaam Oost Boezem. De waterkwaliteit in dit waterlichaam is matig, dit komt door vervuiling door verbrandingsprocessen in het verkeer, coatings van scheepvaart en uitspoeling van regenwaterriolen uit het landelijk gebied. Het is de verwachting dat door het nemen van brongerichte maatregelen in het landelijk gebied de uitspoeling van zware metalen zal afnemen. De ecologische toestand van de Oost Boezem is matig. Dit komt door een lage bedekking aan drijvende en ondergedoken waterplanten waardoor de soortensamenstelling van vissen en overige faunasoorten beperkt is.
Er zijn diverse maatregelen genomen om de ecologische situatie en de waterkwaliteit te verbeteren. Zo is de Polderwetering aangeduid als natte ecologische zone, onder andere met een belangrijke functie als vispaaiplaats. Waterveiligheid In het gebied liggen meerdere keringen langs de waterlichamen de Schie en de Polderwetering. De kruinhoogte van de boezemkades liggen op NAP + 0,10 m. Aan de Schie ligt een aantal percelen aan de waterzijde van de kades. Het gaat dan om de jachthaven nabij de Algerastraat en enkele woon- en
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
12
bedrijfspercelen aan de Polderweg en Schiekade. In alle gevallen gaat het om reeds lang bestaande situaties. Riolering In het plangebied zijn twee verschillende rioleringsstelsels aanwezig. In het deelgebied ’s-Graveland ligt een gescheiden rioolstelsel. In dit stelsel worden afvalwater en hemelwater verzameld en in afzonderlijke buizen afgevoerd. In het deelgebied Spaanse Polder ligt een gemengd rioolstelsel, in dit stelsel worden afvalwater en hemelwater via dezelfde buizen afgevoerd. In het geval van extreme neerslag kan er een overstort plaatsvinden waarbij rioolwater geloosd wordt op het oppervlaktewater. Het afvalwater wordt onder vrij verval naar het gemaal in Blijdorp getransporteerd, waarna het getransporteerd wordt naar de waterzuiveringsinstallatie ‘Grote Lucht’. Effecten Het bestemmingsplan is in hoofdzaak consoliderend, met het oog op eventuele (her)ontwikkelingen van oude delen van het bedrijventerrein op termijn zijn in de waterparagraaf uitgangspunten voor duurzaam waterbeheer opgenomen. Deze zijn als volgt: • Voor grondwater kan door voldoende drooglegging en goede ontwateringsvoorzieningen gezorgd worden voor een situatie zonder grondwateroverlast. • Door klimaatadaptieve maatregelen te nemen, zoals groenblauwe daken, kan wateroverlast worden voorkomen en kan worden voldaan aan de waterbergingsopgave in de Poldervaartpolder.
Het plangebied is overwegend verhard waardoor er door (her)ontwikkeling geen sprake zal zijn van een substantiële toename van verharding. • Met het oog op de waterveiligheid is aan de polderkaden in het plangebied in het bestemmingsplan een dubbelbestemming toegekend met een adviesverplichting. Dit betekent dat er voordat een omgevingsvergunning kan worden afgegeven eerst toestemming nodig is van het Hoogheemraadschap van Delfland. Daarnaast is er vaak ook een watervergunning nodig. • Voor de ecologische- en waterkwaliteit zijn inrichtingsprincipes meegegeven om de kwaliteit te verbeteren • Bij (her)ontwikkelingen streeft de gemeente Schiedam naar het afkoppelen van de verhard oppervlakte, dit heeft betrekking op het deelgebied Spaanse Polder. De principes van duurzaam waterbeheer zijn verwerkt en voldoende geborgd in de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan. Conclusie: Het vaststellen van het bestemmingsplan heeft geen significant negatieve effecten op water. Daarmee is het doorlopen van de m.e.r.-procedure niet aan de orde.
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
13
4.2
Bodem
Voor het nieuwe bestemmingsplan is een milieuhygiënisch bodemadvies opgesteld. Er is gekeken naar de bodemkwaliteit, puntbronnen, PFAS en bodemonderzoek en sanering. Huidige situatie Bodemkwaliteit In de periode 1954-1963 is deelgebied ’s-Gravelandsepolder bouwrijp gemaakt. Grote delen van het gebied zijn in die periode opgespoten met slib uit de Willemshaven, Wilhelminahaven, Oost-Abtspolder en Woudhoek. De sliblaag heeft een dikte van 3 tot 4 meter waarin regelmatig teer en stookolie aangetroffen wordt. Uit de ontgravingskaart van de Nota bodembeheer blijkt dat het opgespoten slib overwegend sterk verontreinigd is met zware metalen en/of minerale olie in de zin van de Wet bodembescherming. Daarmee is graafwerk in deze bodemlaag niet zonder meer toegestaan en is de grond bij vrijkomen, milieuhygiënisch gezien, niet geschikt voor hergebruik elders. Over de sliblaag ligt een zandlaag met een dikte van 1 meter. In de zandlaag wordt regelmatig bodemvreemd materiaal aangetroffen zoals puin, koolassen en slakken. Het deelgebied Spaanse Polder is alleen opgehoogd met een zandlaag met een dikte van 2 meter. In deze laag wordt net als in het deelgebied ’s-Gravelandsepolder regelmatig bodemvreemd materiaal aangetroffen zoals puin, koolassen en slakken. Puntbronnen Verspreid over het plangebied zijn puntbronnen aanwezig, waarvan de meeste in het deelgebied Spaanse Polder liggen.
Voor de meeste puntbronnen heeft bodemonderzoek plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat er vaak sprake is van ernstige bodemverontreiniging waarop een saneringsplicht rust. Dat betekent dat er op termijn gesaneerd moet worden. Er is geen sprake van een situatie waarbij zich zodanige risico's voordoen (humaan, verspreiding, of ecologische risico's) dat met enige spoed sanerende maatregelen moeten worden getroffen. PFAS PFAS is een verzamelnaam voor een groep, door de mens gemaakte, chemische stoffen die niet van nature in het milieu voorkomen en die een negatief effect kunnen hebben op milieu en gezondheid. Het is toegestaan om 0,8 microgram PFAS per kilo droge grond toe te passen zonder dat er sprake is van gezondheidsrisico’s voor mens en dier. Er is onderzoek gedaan naar factoren in het plangebied die kunnen leiden tot een verhoogde concentratie PFAS in de grond. Deze zijn niet aanwezig, daarmee is het niet aannemelijk dat de norm van 0,8 microgram PFAS wordt overschreden. Dit wordt ook onderschreven door uitgevoerde bodemonderzoeken. Een eventuele sanering kan plaatsvinden op een ‘natuurlijk’ moment, zoals wanneer een herinrichting op nieuwbouw aan de orde is.
Bodemonderzoek en sanering Het is verplicht om bodemonderzoek volgens de NEN5740 uit te voeren bij een aanvraag van een omgevingsvergunning, afwijking van een bestemmingsplan, herinrichting waarbij sprake is van een functiewijziging, bij uitgifte of beëindiging van erfpacht, bij aan- en verkoop van gronden of bij (voornemens) tot grondverzet. Bij dit bodemonderzoek wordt onderzocht of de grond is verontreinigd met asbest. Indien dit het geval is moet er nader onderzoek plaatsvinden (NEN 5707). Waar de interventiewaarden worden overschreden kunnen sanerende maatregelen verplicht zijn, dit zijn de volgende: • Het saneren van mobiele verontreinigingen (met bijvoorbeeld olie en oplosmiddelen) gericht is op het zoveel mogelijk wegnemen van bron en verontreiniging tot een kleine stabiele restverontreiniging.
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
14
Het saneren van immobiele verontreinigingen (bijvoorbeeld zware metalen en PAK) gericht is op het voorkomen van contactmogelijkheden, hetgeen kan worden gerealiseerd door het aanbrengen van een leeflaag van geschikte kwaliteit of een gesloten verharding (zoals een betonvloer). Wanneer het alleen om verontreinigingen van immobiele aard gaat, is het aan te bevelen om binnen de saneringslocatie zoveel mogelijk te herschikken op basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd saneringsplan. Hierbij geldt het 'standstill'-principe dat de algehele bodemkwaliteit niet verslechtert. De gemeente Schiedam heeft in haar ‘Nota bodembeheer Schiedam 2010’ voorschriften opgenomen hoe omgegaan moet worden met de uitvoering van bodemsanering en toepassing van gronden of bagger. •
Samenvattend is er in het gebied het volgende aanwezig: • Aanwezigheid van verontreinigingen van teer en slib op een diepte van 1 tot 5 meter in deelgebied ’s-Gravelandsepolder. • Aanwezigheid van bodemvreemd materiaal aangetroffen zoals puin, koolassen en slakken op een diepte van 0 tot 2 meter in het hele plangebied. • Verspreid over het plangebied liggen puntbronnen welke op termijn gesaneerd moeten worden, er is geen sprake van spoedlocaties. Voor sanering van grond zijn eisen opgenomen in het beleid van de gemeente Schiedam. • Er zijn geen factoren die leiden tot PFAS aanwezig in het gebied, waarmee het niet aannemelijk is dat de PFAS-norm van 0,8 microgram per kilo droge grond wordt overschreden. Effecten Het bestemmingsplan is consoliderend van aard en maakt geen functiewijzigingen mogelijk die relevant zijn voor het aspect bodem. In het kader van het bestemmingsplan is om deze reden geen verder bodemonderzoek noodzakelijk. Het vaststellen van het bestemmingsplan heeft geen negatief effect op bodemkwaliteit. Bij toekomstige initiatieven dient in het kader van de noodzakelijke omgevingsvergunning een actueel bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Aan de hand van de onderzoeksresultaten wordt bepaald in hoeverre maatregelen noodzakelijk zijn. Op basis van recente ontwikkelingen op het gebied van PFAS is in 2020 de Bodemkwaliteitkaart voor Schiedam geactualiseerd.
De bodemkwaliteit binnen het plangebied staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Conclusie: Het vaststellen van het bestemmingsplan heeft geen significant negatieve effecten op bodemkwaliteit. Daarmee is het doorlopen van de m.e.r.-procedure niet aan de orde.
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
15
4.3
Natuur
De Wet natuurbescherming schrijft voor vaststelling van een bestemmingsplan de gevolgen voor ecologische waarden in beeld gebracht moeten worden om te zien om te ontwikkeling voldoet aan de in de wet gestelde regels. Er wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Voor de gebiedsbescherming is er een stikstofonderzoek uitgevoerd, deze is opgenomen in bijlage 3. Voor de soortenbescherming is een Quickscan Flora & Fauna uitgevoerd, bestaande uit een bureaustudie en een veldonderzoek, deze is opgenomen in bijlage 4.
4.3.1
Gebiedsbescherming
Voor gebiedsbescherming wordt onderzoek gedaan naar stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de buurt van het bedrijventerrein ’s-Graveland & Spaanse Polder. Stikstofdepositie kan significante effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. De Wet natuurbeheer stelt dat een plan of project niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of geen toename ten opzichte van de huidige situatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Hierbij wordt de stikstofdepositie inzichtelijk gemaakt met het rekenprogramma AERIUS Calculator en betreft de toetsingswaarde dus 0,00 mol N/ha/jaar (toename) op de hexagonen van de stikstofgevoelige habitat in de Natura 2000-gebieden. Deze berekening is opgenomen als bijlage bij het stikstofonderzoek (bijlage 3). Specifiek voor dit plan is er stikstofonderzoek gedaan naar de gebruiksfase waarbij er gekeken is naar stationaire emissies (stookinstallaties, mobiele werktuigen op terrein en stationaire emissies op terrein) en wegverkeer. Er is geen onderzoek gedaan naar de aanlegfase omdat er op dit moment nog geen bouwwerkzaamheden voorzien zijn, deze moeten bij eventuele toekomstige bouwaanvragen separaat worden onderzocht.
Huidige situatie Op zo’n 8,7 kilometer afstand van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied ‘Oude Maas’ en op 14,7 kilometer ligt Natura 2000-gebied ‘Solleveld & Kapittelduinen’. De huidige situatie voor de berekening van stikstofdepositie is het gehele feitelijke bedrijventerrein, inclusief verkeersbewegingen, mobiele werktuigen, stookinstallaties. Het gaat om enkele honderden bedrijven, waardoor het in beeld brengen van deze emissie lastig te overzien is. Omdat de huidige situatie grotendeels dezelfde is als in de toekomstige situatie, is deze exercitie echter ook niet noodzakelijk. Omdat de huidige situatie afgezet mag worden tegen de toekomstige situatie, is het voldoende om uitsluitend de wijzigingen in het bestemmingsplan te beschouwen en de verschillen in emissie hiervan met elkaar te vergelijken. Dat is in dit stikstofonderzoek gedaan. De uitgangspunten van de berekeningen zijn beschreven in bijlage 3. In de huidige situatie bedraagt de emissie van het hele plan circa 18,1 ton NOx/jaar en 1.107 kg NH3/jaar. Effecten Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied of binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat er sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden door “vernietiging” of “directe aantasting”.
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
16
Door de afstand tot de beschermde Natura 2000-gebieden ‘Oude Maas’ en ‘Solleveld & Kapittelduinen’ worden geen belangrijke negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Voor de stationaire emissies is een toename aan NOx van circa 130 kg/jaar en afname aan NH3 van circa 6 kg/jaar aan de orde wanneer de planologische mogelijkheden uit het ‘bestemmingsplan ’s-Graveland en Spaanse Polder 2020’ maximaal worden benut. Voor het verkeer wordt een toename van circa 380 kg NOx/jaar en toename van circa 10 kg NH3/jaar verwacht op basis van de planologische mogelijkheden, rekening houdende met de uitgangspunten. Vergeleken met de huidige situatie leidt dit per saldo dus tot een toename van circa 500 kg NOx/jaar en een van circa 4 kg NH3/jaar. Hiermee is aangetoond dat met de planologische mogelijkheden een toename aan de hoeveelheid stikstofemissie (NOx en NH3) kan plaatsvinden. De Aerius-berekening laat echter ook zien, dat wanneer de planologische mogelijkheden ten volste benut worden, er geen stikstofdepositie resulteert op Natura 2000-gebieden. Het verschil met de huidige situatie bedraagt 0,00 mol N/ha/jaar. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
Een passende beoordeling is daarom niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan.
4.3.2
Soortenbescherming
Huidige situatie In het plangebied bevinden zich geen beschermde natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Natura 2000, weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Op een afstand van 9 kilometer ligt het Natura 2000-gebied Oude Maas. Het plangebied is verhard, langs wegen staan verschillende bomen zoals de plataan, populier, esdoorn en eik. In het plangebied staan veel lage bedrijfspanden en ook enkele torens. De bedrijfspanden hebben vrijwel geen ecologische waarde, mogelijk broeden er op de daken scholeksters, meeuwen en visdieven. De torens zijn ongeschikt voor vleermuizen omdat er geen invliegopeningen aanwezig zijn. In het gebied staan ook enkele panden van bakstenen. Deze kunnen geschikt zijn voor vleermuizen mits er sprake is van flinke kieren en open stootvoegen. Dit is bij de meeste gebouwen niet het geval. In het plangebied staan ook enkele vrijstaande woningen, zonder open stootvoegen en een goed sluitend pannendak. De verwachting is dat hier geen vleermuizen leven, wel broeden er mogelijk huismussen tussen de goot en de eerste rij pannen. Enkele gebieden zijn braakliggend, deze hebben potentie voor grondbroeders en verschillende soorten planten. Vleermuizen In het plangebied en binnen de verstorende invloedsfeer van werkzaamheden zijn voor vleermuizen geschikte openingen aanwezig, zowel in bomen als gebouwen.
Het plangebied heeft als foerageergebied waarschijnlijk een essentiële functie, ook zijn er lijnvormige elementen aanwezig die voor vleermuizen een vaste aanvliegroute kunnen zijn. Grondgebonden zoogdieren In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen (sporen van) beschermde zoogdieren waargenomen. Wel zijn er gebieden die geschikt zijn voor zoogdieren, zoals de Schiekade. Ook zijn er panden die geschikt zijn voor de steenmarter. 4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
17
Vaatplanten Beschermde vaatplanten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Het plangebied is niet geschikt voor de muurbloem en de bokkenorchis, wel kunnen er mogelijk dreps aanwezig zijn op braakliggende grond. Er zijn geen Rode lijstsoorten aangetroffen. Vogels De meeste in het plangebied aanwezige panden zijn ongeschikt voor de huismus en gierzwaluw door platte daken, met uitzondering van panden aan de Rolbrug en Schiekade. Ook in de aanliggende tuinen is voldoende ruimte als leefgebied van de huismus. De bomen ten noorden van de Schiekade zijn geschikt voor roofvogels en uilen (om te broeden), in overige bomen broeden mogelijk eksters. Overal in het plangebied kunnen broedvogels broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Op platte daken in het plangebied kunnen scholeksters, meeuwen en visdief broeden. Amfibieën en reptielen In de omgeving van het plangebied komt de rugstreeppad voor. Deze soort komt voor in gebieden waar de bodem sterk opwarmt en waarin ze kunnen graven. Tijdens het veldbezoek zijn er geen amfibieën en reptielen waargenomen. Er zijn geen geschikte watergangen, poeltjes of plaatsen waar regenwater kan blijven staan in het gebied aanwezig. Het plangebied is geen geschikt biotoop voor beschermde soorten uit beide soortgroepen. Vissen Volgens verspreidingsgegevens komen er geen beschermde vissoorten voor in de watergangen in het plangebied.
Overige beschermde soorten Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat het biotoop ongeschikt is voor het bruin blauwtje omdat kruidenrijke en schrale graslanden ontbreken. De grote vos kan mogelijk voorkomen in het gebied ten noorden van de Schiekade. Beschermde weekdieren en libellen zijn volgens verspreidingsgegevens niet aanwezig in het plangebied. Effecten Uit de bureaustudie en het veldbezoek blijkt dat het mogelijk is dat met de toekomstige ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Het gaat om vleermuizen, huismus, gierzwaluw, roofvogels, uilen, boommarter, steenmarter, dreps en de grote vos. Indien er sprake is van ontwikkelingen in gebieden die in de quickscan zijn benoemd moet nader onderzoek uitgevoerd worden. Daarnaast is de zorgplicht altijd van toepassing. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is verder omschreven in bijlage 4. Op basis van de quickscan worden de volgende aanbevelingen gedaan: • Voor vleermuizen is nader onderzoek naar de verblijfplaatsen van vleermuizen nodig om in beeld te brengen of de vleermuizen ook daadwerkelijk in het plangebied verblijven, als foerageergebied wordt gebruikt of als vliegroute.
Nader onderzoek is nodig bij concrete ontwikkeling, nader onderzoek naar het foerageergebied is niet nodig indien dit foerageergebied behouden blijft. Voor vliegroutes is nader onderzoek niet nodig indien tijdens de aanleg in het donker wordt gewerkt zonder kunstlicht en er geen licht op de vliegroutes schijnt. Tijdens de gebruiksfase geldt
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
18
• •
•
• •
•
•
hetzelfde. In de periode eind oktober tot begin maart mag onbeperkt met verlichting worden gewerkt vanwege de winterslaap van vleermuizen. Voor zoogdieren geldt de zorgplicht. Voor de vaatplant dreps is het noodzakelijk om vervolgonderzoek te doen rond het perceel achter de Algerastraat zodra er sprake is van concrete ontwikkelingen op dit perceel. Voor eventuele Rode lijstsoorten geldt de zorgplicht. Op grond van het bestemmingsplan kan dit perceel niet worden gebouwd, aangezien dit is bestemd als groen waardoor vervolgonderzoek op dit moment niet aan de orde is. Voor vogels geldt dat werkzaamheden pas uitgevoerd mogen worden indien vooraf door een ecoloog is vastgesteld dat er geen verstoring van broedvogels zal plaatsvinden. Indien voordat het broedseizoen start wordt gestart met werkzaamheden geldt dit niet omdat vogels zich dan waarschijnlijk niet in het gebied vestigen om te broeden. Voor amfibieën en reptielen geldt dat aanwezigheid hiervan kan worden uitgesloten, nader onderzoek en maatregelen is niet noodzakelijk. Voor vissen geldt dat werkzaamheden in de watergangen zoveel als mogelijk uitgevoerd moeten worden in de maanden september en oktober, dit is na de voortplanting en voor de winterslaap. Werkzaamheden in watergangen kunnen alleen plaatsvinden als de water- én luchttemperatuur tussen de 0 en 25 graden Celsius ligt en er geen sprake is van ijsvorming.
Tijdens werkzaamheden moet bagger gecontroleerd worden op aanwezigheid van dieren, deze moeten teruggeplaatst worden in een geschikt leefgebied in de nabijheid van het plangebied waar geen werkzaamheden plaatsvinden. Voor overige beschermde soorten geldt dat bij werkzaamheden ten noorden van de Schiekade nader onderzoek naar de grote vos noodzakelijk is. Met andere beschermde ongewervelde diersoorten hoeft geen rekening gehouden te worden. Wel geldt de zorgplicht. Voor houtopstanden en bomen geldt dat bij kap van 1.000 m2 of meer aan houtopstand een kapvergunning aangevraagd moet worden.
Conclusie: Voor gebiedsbescherming is er geen sprake van een toename in stikstofdepositie als gevolg van het wijzigen van het bestemmingsplan. Het verschil met de huidige situatie bedraagt 0,00 mol N/ha/jaar. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is daarom niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan. Voor concrete ontwikkelingen en bouwaanvragen is een separaat stikstofonderzoek nodig. Voor soortenbescherming geldt dat het bestemmingsplan geen directe nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt die van invloed zijn op het functioneren van de ecologie in het gebied. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan niet in de weg. Als er sprake is van concrete ontwikkelingen is aanvullend onderzoek nodig zoals in deze paragraaf is beschreven. Het is niet te verwachten dat er soorten worden verstoord, daarmee is een het doorlopen van de m.e.r.-procedure niet aan de orde. Het vaststellen van het bestemmingsplan heeft geen significant negatieve effecten op natuur.
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
19
4.4
Externe veiligheid
Potentiële effecten ten aanzien van externe veiligheid zijn met name gerelateerd aan de aanwezigheid van risicobronnen in de omgeving van het gebied en/of de realisatie van risicovolle inrichtingen binnen het plan. Ten behoeve van de effectenbeoordeling zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Bestemmingsplan ’s-Graveland & Spaanse Polder 2020 • Interne memo: Externe veiligheid bestemmingsplan ’s-Graveland/Spaanse Polder (28 augustus 2023) (opgenomen als bijlage 5 bij de m.e.r.-beoordeling). Huidige situatie In de huidige situatie zijn binnen het plangebied en in de omgeving verschillende risicobronnen aanwezig voor externe veiligheid. Er wordt onderscheid gemaakt in inrichtingen en transport. Inrichtingen Binnen het plangebied liggen drie inrichtingen die relevant zijn om te benoemen, namelijk: • Tankstation Total, ’s-Gravelandseweg 395 (Bevi) • Dijktank BV, Scholtenstraat 13 (RRGS) • Oliehandel Kerkhof BV, Ringerspad 5 (RRGS) Net buiten het plangebied liggen nog twee inrichtingen die mogelijk relevant zijn met het oog op externe veiligheid, namelijk: • De Haan Minerale Oliën, Matlingeweg 65 Rotterdam (Bevi) • Rotterdam-the Hague airport (RTHA), Rotterdam Het meest noordelijke deel van het plangebied valt binnen het verantwoordingsgebied van RTHA. Transport Ten zuiden van het plangebied is de rijksweg A20 gelegen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
De afstand tot het plangebied is daarom 0 meter. Volgens het basisnet moet voor dit deel van de A20 een veiligheidsafstand worden gehanteerd van 20 meter vanaf de as van de weg. Binnen deze afstand mogen geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Deze afstand reikt niet tot de rand van de weg, aangezien de weg, inclusief vluchtstroken, ter plaatse breder is dan 40 meter. Ten oosten en ten zuiden van het plangebied zijn twee hogedruk aardgasleidingen aanwezig. Ten zuiden en ten oosten van het plangebied zijn twee hogedruk aardgasleidingen aanwezig. De leiding ten zuiden van het plangebied met kenmerk W 521-03-KR-003 kent geen 10-6 contour. Aan de oostkant van het plangebied loopt de hogedruk aardgasleiding W521-06. Deze leiding heeft wel een 10-6 risicocontour, maar deze ligt buiten het plangebied. Effecten Binnen bestemmingsplan ’s-Graveland & Spaanse Polder zijn risicovolle inrichtingen volgens het Besluit en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi) niet toegestaan met uitzondering op één locatie bij de aanduiding “verkooppunt motorbrandstoffen met lpg voor een verkooppunt van motorbrandstoffen met lpg”. Bedrijven die wel toegestaan zijn hebben een milieucategorie van maximaal 4.1.
Dergelijke bedrijven hebben een richtafstand voor externe veiligheid van ten hoogste 50 meter volgens de VNG-brochure “Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerrein”. Daarbij kan op kleinschalig niveau sprake zijn van handelingen met en/of opslag van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten hebben echter geen significante invloed op de externe veiligheid in het gebied. Binnen ’s-Graveland & Spaanse Polder is ook sprake van beperkt kwetsbare objecten. Te denken valt dan aan gebouwen waarin minder grote aantallen personen een groot deel van de dag verblijven, zoals kantoren ondergeschikt aan de bedrijfsvoering. Nieuwe (zeer) beperkte objecten in de nabijheid van risicovolle bedrijven is uitgesloten. 4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
20
Verder is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied van de hogedruk aardgasleiding W521-06, A20 en voor een beperkt deel binnen de contour van RTHA. Het gaat om een klein deel van het plangebied, wat voor een deel onbebouwd is. Er kan worden aangenomen dat het groepsrisico hier laag is. Het groepsrisico voor de meeste risicobronnen is lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Alleen van de A20 is het groepsrisico hoger. Als rekening wordt gehouden met de reeds bestemde ontwikkelingen in Schieveste, is het groepsrisico zelfs hoger dan de oriëntatiewaarde. Het plan biedt geen ruimte voor maatregelen om het groepsrisico te verlagen. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico met aandacht voor de maatregelen op gebied van zelfredzaamheid en rampenbestrijding is noodzakelijk. In de planregels zijn een aantal maatregelen geborgd ter verhoging van de zelfredzaamheid en de bestrijding van rampen. Omdat het plan geen ontwikkelingen mogelijk maakt, neem het groepsrisico van RTHA niet toe. De luchthaven wordt daarom verder buiten beschouwing gelaten. Alleen vanwege de A20 en de hogedruk aardgasleiding W-521-03 stijgt het groepsrisico. Als rekening wordt gehouden met de reeds bestemde ontwikkelingen in Schieveste, is het groepsrisico zelfs hoger dan de oriëntatiewaarde.
Het plan biedt geen ruimte voor maatregelen om het groepsrisico te verlagen en vanuit de kenmerken van de locatie en mogelijke maatregelen is het groepsrisico te verantwoorden. Gelet hierop zijn belangrijke nadelige gevolgen niet te verwachten. Conclusie: ten aanzien van externe veiligheid zijn er geen significante nadelige gevolgen te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. Daarmee is het doorlopen van de m.e.r.-procedure niet aan de orde.
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
21
4.5
Geluid
Potentiële effecten ten aanzien van geluid zijn met name gerelateerd aan de toename van het aantal verkeersbewegingen door het plan en de bedrijven die zich binnen het plan kunnen vestigen. Voor het wegverkeer- en industrielawaai is de Wet geluidhinder het wettelijk kader. Het plangebied kent door bestaande functies een hoge geluidbelasting met name door de ligging van de rijksweg A20 in het zuiden van het plangebied. Voor geluid wordt onderscheid gemaakt in industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Huidige situatie Industrielawaai Het bedrijventerrein ’s-Graveland & Spaanse Polder is in het kader van de Wet geluidhinder bij Koninklijk Besluit (1991) een gezoneerd industrieterrein voor de gemeenten Rotterdam en Schiedam. Het toevoegen van bedrijven op het industrieterrein mag niet leiden tot een verhoging van de geluidsbelasting op de gevels van de geluidsgevoelige bestemmingen binnen de geluidszone en hiermee gepaard gaand, het groeien van de vastgestelde geluidscontour. Hiertoe heeft de DCMR een zonebeheermodel opgezet. Bij elk nieuw te vestigen bedrijf zal de DCMR toetsen of de beschikbare geluidsruimte wordt overschreden. In dit bestemmingsplan is het wijzigen van de geluidscontour en de groei van de daarbij behorende geluidsruimte niet voorzien.
Wegverkeerlawaai Voor wegverkeerslawaai is gekeken naar de geluidbelasting door wegverkeer in het jaar 2021 volgens het Regionaal Verkeersmodel 5 van de DCMR. Dit verkeersmodel laat het volgende beeld zien.
Figuur 4.1: Wegverkeerslawaai (geluidbelasting in dB) volgens het regionaal verkeersmodel in 2021 [DGMR, 2023]
Spoorweglawaai Vanaf 1 juli 2012 zijn emissieplafonds (Geluidsproductieplafonds GPP) langs hoofdinfrastructuur vastgesteld en valt onder het regime van hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer. De spoorlijn van Delft naar Rotterdam valt onder deze hoofdinfrastructuur. Voor deze spoorlijn zijn de railverkeersgegevens in 5
Het verkeersmodel is toegankelijk via: www.dcmr.nl/verkeersgegevens-rvmk
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
22
het centrale emissieregister vastgelegd die moet worden gebruikt in dit akoestisch onderzoek. In het plangebied zijn alleen bedrijven gevestigd. Ver buiten de zone van 900 meter zijn woonbestemmingen aan de Polderweg en een woonwagenkamp gevestigd. Effecten Industrielawaai Bij elk nieuw te vestigen bedrijf zal de DCMR toetsen of de beschikbare geluidsruimte wordt overschreden. In dit bestemmingsplan is het wijzigen van de geluidscontour en de groei van de daar bijbehorende geluidsruimte niet voorzien. Wegverkeerslawaai Voor wegverkeerslawaai is een uitdraai gemaakt van de geluidbelasting door wegverkeer in 2031 volgens het Regionaal Verkeersmodel 6 van de DCMR. Dit verkeersmodel laat het volgende beeld zien.
Figuur 4.2: Wegverkeerslawaai volgens het regionaal verkeersmodel in 2031 [DGMR, 2023]
In het nieuwe bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen of nieuwe zoneplichtige wegen mogelijk gemaakt. Voor dit aspect is akoestisch onderzoek daarom niet nodig. Spoorweglawaai De afstand van de (toekomstige) woningen en het woonwagenkamp ligt buiten de zonebreedte van het spoor. Voor dit aspect is akoestisch onderzoek daarom niet nodig. Conclusie: ten aanzien van geluid zijn er geen belangrijke nadelige gevolgen te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. Daarmee is het doorlopen van de m.e.r.-procedure niet aan de orde.
6
Het verkeersmodel is toegankelijk via: www.dcmr.nl/verkeersgegevens-rvmk
4 oktober 2023
BJ4342-MI-RP-230831-0756
23
4.6
Luchtkwaliteit
Voor het bestemmingsplan is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd door Goudappel Coffeng (2023). Hierin is getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen voor de stoffen stikstofdioxide en fijnstof (PM10 en PM2.5) uit de Wet milieubeheer. Specifiek is er gekeken naar de volgende criteria: • Jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) • Jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10 en PM2.5). • Aantal dagen overschrijding van de grenswaarde van de 24-uursgemiddelde concentratie fijnstof (PM10). De volgende wettelijke normen en WHO-advieswaarden gelden voor luchtkwaliteit. Stof
Wettelijke normen
WHO-advieswaarde
Jaargemiddelde concentratie NO2
40 μg/m³
40 μg/m³
Jaargemiddelde concentratie PM10
40 μg/m³
20 μg/m³
Jaargemiddelde concentratie PM2.5
25 μg/m³
10 μg/m³
35 dagen (> 50 μg/m³)
n.v.t.
Aantal overschrijdingsdagen etmaalgemiddelde concentratie PM10
De gemeente Schiedam neemt deel aan het Schone Luchtakkoord (SLA) waarmee het streven is uitgesproken om in 2030 te voldoen aan de WHO-advieswaarden, deze zijn strenger dan de wettelijke normen. Volgens de Wet milieubeheer (artikel 5.16 lid 1) kan een ruimtelijke ontwikkeling met het oog op luchtkwaliteit doorgaan als wordt voldaan aan één van de onderstaande punten: • Er is geen sprake van normoverschrijding • Er is per saldo geen sprake van verbetering (saldo-benadering) • Het project draagt niet in betekende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit • Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het luchtkwaliteitsonderzoek is opgenomen in bijlage 6. De berekeningen zijn uitgevoerd op basis van verkeerscijfers voor het jaar 2040, er is gerekend met de achtergrondconcentratie voor het jaar 2024. Er is gebruik gemaakt van het verkeersmodel Metropoolregio Rotterdam-Den Haag waarin de ontwikkelingen uit het bestemmingsplan zijn opgenomen. Daarnaast zijn ook diverse omgevingskenmerken meegenomen die invloed hebben op de luchtkwaliteit, zoals het wegtype, snelheidstype en boomfactor. De verwachting is dat er in de toekomst sprake is van een verbetering van de luchtkwaliteit, onder andere door lagere voertuigemissies. Daarmee zijn de berekeningen uit dit onderzoek beschouwd uit worst-case situatie.