CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3a BP Schieveste (gewijzigd) - Toelichting

Gemeenteraad 30 mei 2023, gemeente SchiedamBij agendapunt: Raadsbesluit Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan "Schieveste 2021"40.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Het kabinet heeft eind 2018 toegezegd onderzoek te doen om deze eis uit te breiden en/of te verlagen. Daarom is het van belang dat Schieveste deze ontwikkeling nauwlettend volgt en tijdig hierop anticipeert. Schieveste betreft een grootschalige ontwikkeling en er zijn nog weinig voorbeelden waar circulariteit op grote schaal is toegepast. Hier ligt een uitgelezen kans voor het toevoegen van waarde en onderscheidend vermogen.

Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

68

Duurzame ontwikkeling onder de Omgevingswet Een belangrijk deel van het op dit moment geldende omgevingsrecht is voortgekomen uit de behoefte het lokale milieu en de burger te beschermen tegen hinder en verontreiniging. Inmiddels spelen bovenlokale gevolgen op het gebied van klimaatverandering een grote maatschappelijke rol, en krijgen steeds meer doorwerking in het omgevingsrecht. De Omgevingswet, die naar verwachting in 2024 in werking treedt, verankert dan ook dat het principe dat als er ontwikkelingen plaatsvinden, deze ontwikkelingen duurzaam moeten zijn. Bestuursorganen moeten hun taken en bevoegdheden op grond van deze wet uitoefenen met oog op de belangrijke doelen van deze wet, waaronder duurzame ontwikkeling. Voor burgers en bedrijven geldt een zorgplicht voor een goede leefomgeving. De wetgever heeft daarbij in gedachten dat een kerninstrument bij het bereiken van duurzame ontwikkeling de omgevingsvisie is. De omgevingsvisie vormt een integrale visie waarin de strategische hoofdkeuzen van beleid voor de fysieke leefomgeving voor de langere termijn staan verwoord. Daarbij focust de omgevingsvisie niet op één sector of één aspect, maar wordt gevormd door een integrale blik op alle onderdelen van het gebiedsgericht beleid.

Een ander instrument van de Omgevingswet betreft de omgevingswaarden, die deels centraal worden vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en waarbij op onderdelen bepaalde afwegings/afwijkingsruimte voor het lokale bestuur mogelijk is. Dit zorgt ervoor dat een integrale afweging mogelijk blijft, maar dat er ook plaats is voor innovatie. De keuzes worden naast elkaar gelegd en afgewogen, waarna ze worden neergelegd in het burgers bindende omgevingsplan of een projectbesluit. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is meer concreet de nieuwe mogelijkheid opgenomen om in een omgevingsplan maatwerkregels op te nemen met betrekking tot energieprestatie en milieuprestatie bij nieuwbouw van gebouwen en daarbij strengere grenswaarden op te nemen dan de in het Bbl geformuleerde landelijke normen. Als een dergelijke maatwerkregel in een omgevingsplan is opgenomen, is voor iedereen vooraf kenbaar dan in het betreffende gebied een strengere duurzaamheidseis geldt. Overigens is voor de milieuprestatie voor woningen en woongebouwen en voor kantoorfuncties met een gebruiksoppervlak van meer dan 100 m 2 in het Bbl een grenswaarde geïntroduceerd. Convenant klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland Eén van de grootste uitdagingen voor Nederland de komende jaren is klimaatverandering.

We zullen ons moeten aanpassen aan de verwachtingen die bij dit veranderende klimaat horen: extreme neerslag, hittestress, langere periodes van droogte en een grotere kans op overstromingen. Tegelijkertijd is er een enorme bouwopgave: er moeten in korte tijd veel nieuwe woningen worden gebouwd. De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote bouwopgave biedt de kans om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. Zuid-Holland wil hiermee vooroplopen op het gebied van klimaatadaptief bouwen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Het convenant stimuleert partijen om klimaatadaptief te bouwen en biedt daarvoor allerlei ondersteuning aan. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit.

Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

69

Klimaatbeleidsplan Schiedam met uitvoeringsprogramma 2016-2020 De gemeente Schiedam wil in 2040 energieneutraal zijn. Voor nieuwbouw tot 2020 streeft de gemeente Schiedam naar een minimaal 20% scherpere energieprestatiecoëfficiënt (EPC) dan in het Bouwbesluit is opgenomen. Dit is conform het Convenant Verbeteren Energiebesparing Nieuwbouw dat op 16 mei 2012 is ondertekend door de gemeentes van de Stadsregio Rotterdam, waaronder Schiedam. Momenteel wordt gewerkt aan de herziening van het Klimaatbeleidsplan. Deze paragraaf zal hiertoe te zijner tijd worden geactualiseerd. Kaders in het Kwaliteitsplan Schieveste In de aanloop naar de ontwikkeling van Schieveste zijn, naast algemene duurzaamheidseisen in lijn met bovenstaande kaders, uitgangspunten geformuleerd ten aanzien van het architectonisch ontwerp en materiaalgebruik. Zo is aangegeven dat ruimere verdiepingshoogtes en oppervlaktes van de gebouwen het mogelijk maken om gebouwen in de toekomst te transformeren bij een veranderende ruimtevraag. Gebouwen op Schieveste zouden zodanig kunnen worden ontworpen dat ze maximaal kunnen worden aangepast en daarmee een maatschappij in voortdurende evolutie beter van dienst te kunnen zijn. Het is wenselijk dat er rekening wordt gehouden met inpasbaarheid en vervanging op termijn van de bestaande bebouwing.

Een gebouw kan er in dat geval relatief makkelijk tussenuit worden gehaald of aan worden gebouwd zonder dat dit technisch complexe situaties oplevert. Het kan ook bijdragen aan het succes van Schieveste om bij de bouw te denken aan het gebruik van duurzame bouwmaterialen zoals circulair beton en FSC gecertificeerd hout. Hierbij kan worden gedacht aan bouwmaterialen met een score 8 en de herkomst van bouwmaterialen een score 4 volgens de Beoordelingsrichtlijn nieuwbouw van BREEAM, Hoofdstuk 8 Materialen. De gemeente Schiedam doet tevens de suggestie dat daken worden mee ontworpen als 'vijfde gevel' om het dakoppervlak zoveel mogelijk dubbel te bestemmen (verblijfsruimte, groen, waterberging, energieopwekking) en daarmee de aantrekkelijkheid van het plan te vergroten. 6.1.2

Duurzaamheidstoepassingen

Materiaalgebruik en circulariteit Tijdens het ontwerp van gebouwen in Schieveste wordt rekening gehouden met de robuustheid en levensverwachting van materialen, de de- en remontabiliteit van bouwdelen (het eenvoudig vervangen, hergebruiken, maar ook toevoegen van bouwdelen) en de flexibiliteit in het gebruik van gebouwen. Tijdens de ontwerpfase worden de gebouwen uitgewerkt met BIM conform de eisen van Madaster. Hiermee wordt gezorgd dat de gebruikte materialen en verbindingen goed zijn vastgelegd, zodat er wordt voorgesorteerd op hergebruik aan het eind van de levensfase van (een deel van) het gebouw. Ook wordt een zo kaal mogelijke basisconstructie gerealiseerd, met waar mogelijk dragende gevels, zodat de mogelijkheid bestaat om de functie of indeling (door middel van samenvoegbaarheid en splitsing) van een gebouw makkelijker te wijzigen. Energiebehoefte- en gebruik In Schieveste worden de wettelijke normen ten aanzien energiezuinigheid - die vanaf medio 2021 ondergebracht zijn in BENG-normen - gehanteerd. De BENG normeert de maximale energiebehoefte, het maximale primair fossiel energieverbruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. De beoogde nieuwbouw mag niet op het gasnet worden aangesloten voor het verwarmen van de gebouwen en woningen.

Door Ingenieursbedrijf Aveco de Bondt is een energievisie uitgewerkt, waarin verschillende concepten voor Schieveste zijn uitgewerkt. De rapportage is opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting. Energievraag Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

70

Op basis van kengetallen is de energievraag bepaald voor de woningen en kantoren (zie onderstaande tabel). De uitkomsten van de energievraag zijn gebruikt om verschillende energiesystemen te beschouwen. Fase

Verwarmen [kWh/jaar] Tapwater [kWh/jaar]

Koelen [kWh/jaar]

Fase 1

1.067.350

1.638.000

1.020.650

Totaalplan

4.240.000

5.283.900

4.452.600

Ontwerpkeuzes kunnen een grote invloed hebben op de energievraag, zoals extra isolatie of zonwering. Daarnaast kan in het ontwerp van het energiesysteem gekeken worden naar mogelijkheden voor onderlinge energie-uitwisseling binnen gebouwen, tussen woningen, en binnen het ringnet. Op basis van de eerste verkenning is gebleken dat een open bodemenergiesysteem (hierna: 'een WKO-systeem') WKO (in combinatie met aquathermie) een scenario is waarmee het totaalplan kan worden voorzien van warmte en koeling. Met het maken van de voorgenoemde ontwerpkeuzes wordt de energievraag veranderd, wat uiteindelijk invloed heeft op de dimensionering van het WKO-systeem. In een vervolg dienen in eerste instantie onderstaande werkzaamheden te worden uitgevoerd om te komen tot een voorlopig ontwerp: 

Omdat de te verwachten (hydrologische en thermische) invloed op de omgeving significant is, dient dit in de uitvoeringsfase verder te worden gekwantificeerd, met de verschillende stakeholders, waaronder WKO Schiedam B.V., de partij die verantwoordelijk is voor de exploitatie van de bestaande WKO-installatie. Daarbij is het belangrijk dat de bronposities voor het WKO-systeem specifieker worden bepaald om meer verfijnde berekeningen uit te kunnen voeren. Afhankelijk van de resultaten van deze berekeningen zijn mogelijk andere bronposities noodzakelijk om het systeem te optimaliseren. Voor de distributie van warmte en koude vanaf de grondwaterbronnen moet een leidingnet worden aangelegd. Na het bepalen van de bronposities dient een kabel- en leidingtracé te worden bepaald. Belangrijk daarbij is dat ook wordt gekeken naar het totaalconcept (een fase per systeem of één ringnet per gebouw), plaatsing van leidingmeters en de locatie(s) van de technische ruimte(s) waar het ringnet naar toe moet. In de nadere uitwerking wordt hiernaar gekeken. Wanneer de energievraag verder is gespecificeerd en bekend is welk aandeel het aquathermiesysteem moet leveren kan dit systeem verder worden ontworpen. In overleg met Hoogheemraadschap Delfland zal maatwerk worden opgesteld.

Ondanks de regels, zoals opgelegd door HH Delfland blijft de toepassing van aquathermie voor Schieveste zeer kansrijk en van toegevoegde waarde. Omdat VW Vastgoed heeft aangegeven mogelijk gebruik te willen maken van een Energy Service Company (ESCo), wordt geadviseerd om in een vroeg stadium één of enkele ESCo's te betrekken in het project, zodat zij hun visie kunnen geven en mee kunnen kijken hoe het energiesysteem er volgens hen uit dient te zien. Vervolgens kan een Programma van Eisen worden opgesteld.

Door dit tijdig te doen kan in het totaalplan voor Schieveste rekening worden gehouden met de benodigde ruimte en randvoorwaarden voor zowel de bronnen als de benodigde ondergrondse infrastructuur. Opgemerkt wordt dat het bestemmingsplan niet uitsluitend voorziet in de aanleg van een WKOsysteem. Ook andere systemen, waarmee kan worden voorzien in (een deel van) de koude- en warmtevraag, zijn op grond van dit bestemmingsplan toegestaan. In het kader van de eerste vaststelling van het bestemmingsplan Schieveste is onder andere de vraag aan de orde gekomen of, kort samengevat, de beoogde nieuwe WKO-installatie beperkingen kan opleveren voor de bestaande WKOinstallatie waar het DCMR-gebouw en het Lentiz-gebouw op zijn aangesloten. Hoewel dit een Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

71

uitvoeringsaspect betreft dat pas in het kader van de uitvoering van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zal spelen, is naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State over de eerste vaststelling van het bestemmingsplan Schieveste nader bezien of het bestemmingsplan uitvoerbaar is. In dat kader is onderzocht en onderbouwd dat een WKO-systeem (in combinatie met aquathermie) een scenario is waarmee het totaalplan kan worden voorzien van warmte en koeling. In dat kader is het volgende van belang. De bestaande WKO-installatie, waarop DCMR en Lentiz, zijn aangesloten is eigendom van WKO Schiedam B.V. (WKO Schiedam). DCMR en Lentiz hebben leveringsovereenkomsten gesloten met WKO Schiedam. Uit navraag bij WKO Schiedam blijkt dat de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen niet conflicteren met de door WKO Schiedam geëxploiteerde WKOvoorziening (waarop DCMR en Lentiz) zijn aangesloten. Meer specifiek verwacht WKO Schiedam niet dat de met het bestemmingsplan Schieveste mogelijk gemaakte ontwikkelingen beperkingen dan wel problemen kunnen opleveren voor de naleving van de tussen WKO Schiedam en DCMR en Lentiz gesloten leveringsovereenkomst. Deze leveringsovereenkomst kan en zal te allen tijde moeten worden nageleefd door WKO Schiedam.

Voor de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen dient de bestaande WKOinstallatie te worden uitgebreid met een aantal nieuwe bronnen. Deze zover aanpassingen aan de bestaande WKO-installatie noodzakelijk zijn, kunnen die aanpassingen kunnen zodanig plaatsvinden, dat DCMR en Lentiz daar geen nadelige gevolgen van ondervinden (zo is gebleken tijdens een overleg dat op 10 mei 2023 plaatsvond). Deze nadelige gevolgen kunnen in ieder geval worden voorkomen door in een vroegtijdig stadium overleg aan te gaan met WKO Schiedam over de planning en uitvoering van de werkzaamheden. Indien bijvoorbeeld aanpassingen aan de bestaande WKO-installatie noodzakelijk zijn, kan het verstandig zijn om deze juist niet in de winterperiode uit te voeren. Tegen deze achtergrond is met WKO Schiedam afgesproken dat in de uitvoeringsfase gemeente en de betrokken ontwikkelaars tijdig met WKO Schiedam in overleg treden over de uitvoering van de noodzakelijke werkzaamheden, met dien verstande dat de leveringszekerheid waartoe WKO Schiedam zich jegens DCMR en Lentiz heeft verplicht, te allen tijde verzekerd moet zijn. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat de belangen van de bestaande gebruikers (DCMR en Lentiz) ook op een andere manier veilig zijn gesteld. Indien een nieuw WKO-systeem wordt aangelegd, dan is hiervoor (tenminste) een watervergunning vereist.

In deze vergunningprocedure dienen worden - meer in detail en afgestemd op het concrete uitvoeringsniveau - de gevolgen van de (mogelijke) aanleg van een WKO-systeem uitgebreider beoordeeld. Zie in dit kader ook de uitspraak van de Raad van State van 14 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2458, r.o. 26): "26. De Afdeling merkt op dat toetsing met betrekking tot interferentie van WKO installaties niet plaatsvindt in een bestemmingsplanprocedure, maar dat hiervoor een separate procedure bestaat. Dit aspect kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen.". Wat betreft de vergunningprocedure, is het volgende van belang. Op grond van artikel 6.4, lid 1, aanhef en onder b, van de Waterwet is een watervergunning nodig voor een WKO-systeem. Op grond van artikel 6.21 van de Waterwet moet de watervergunning geweigerd worden als de verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 van de Waterwet of de belangen bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet. In artikel 2.1 van de Waterwet zijn de volgende doestellingen opgesomd:   

voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met; bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en; vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

72

Daarbij bevat paragraaf 5a van het Waterbesluit specifieke voorschriften voor WKO-systemen. Op grond van artikel 6.11a, lid 1 van het Waterbesluit is het bevoegd gezag verplicht om aan een watervergunning voor een WKO-systeem de voorschriften te verbinden die zijn opgenomen in de artikelen 6.11b tot en met 6.11g van het Waterbesluit. Dit zijn voorschriften over:    

 

de temperatuur van het grondwater dat wordt teruggebracht (artikel 6.11b van het Waterbesluit); warmte- en koudeoverschotten (artikel 6.11c van het Waterbesluit); de registratie van gegevens (artikel 6.11d van het Waterbesluit); dat de werkzaamheden moeten worden verricht volgens de krachtens het Bbk aangewezen normdocumenten door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een door de minister van Infrastructuur en Waterstaat afgegeven erkenning (artikel 6.11e van het Waterbesluit); het beëindigen van een WKO-systeem (artikel 6.11f van het Waterbesluit); het ontwerp en energierendement van het WKO-systeem (artikel 6.11g van het Waterbesluit).

Daarnaast moet het bevoegd gezag, op grond van artikel 6.11h van het Waterbesluit, voorschriften aan de watervergunning verbinden die ervoor zorgen dat er geen interferentie optreedt met eerder geïnstalleerde bodemenergiesystemen. Op grond van artikel 6.11i, lid 2 van het Waterbesluit kan het bevoegd gezag tot slot andere voorschriften aan de watervergunning verbinden ter bescherming van de in artikel 2.1 van de Waterwet genoemde belangen. Kortom: de gevolgen van de (mogelijke) aanleg van een WKO-systeem staan centraal in een daarvoor speciaal bedoelde en separate waterwetvergunningprocedure. Circulariteit/afvalscheiding Het plangebied van Schieveste biedt weinig materiaal dat geschikt is voor (her)gebruik in de planontwikkeling. Het Kwaliteitsplan van Schieveste schrijft voor dat er in het ontwerp geanticipeerd dient te worden op effectieve afvalinzameling en vermindering van restafval. Het aanbieden van huisvuil dient op eigen terrein plaats te vinden. De gebouwen worden flexibel en levensloopbestendig gebouwd, zodat er verschillende functies plaats kunnen vinden door de tijd heen. Gebouwen hoeven dan niet gesloopt te worden als zij hun functie verliezen. Nieuwe gebouwen worden uitgewerkt met BIM (Building Information Modeling) conform de eisen van Madaster.

Het Madaster is een online platform waar de waarde en locatie van grondstoffen kunnen worden opgeslagen (kadaster voor materialen). Wanneer een gebouw wordt afgebroken hoeven de grondstoffen niet als afval te worden verbrand, maar kunnen opnieuw worden hergebruikt. Duurzame mobiliteit Met de directe ligging aan het station Schiedam Centrum wordt gestreefd naar een autovrij gebied, met de focus op duurzame mobiliteit en verbondenheid. Dit wordt bereikt door onder andere de autoontsluiting te beperken tot de bestaande Parallelweg en de bestaande fietsstructuren richting Delft, Schiedam en Rotterdam te versterken. Het binnengebied van Schieveste wordt autovrij. Er wordt een lage parkeernorm gehanteerd, vanwege directe aanwezigheid van hoogwaardig openbaar vervoer en de stedenbouwkundige uitgangspunten en kernkwaliteiten van Schieveste. De parkeernorm voor auto's bedraagt gemiddeld over het hele gebied 0,3 autoparkeerplaats per woning. Deze norm is haalbaar als er naast het aanbod aan OV ook alternatieven worden geboden, zoals deelauto's en professionele mobiliteitsdiensten. Groen en klimaatadaptatie Een groenere inrichting van steden helpt bij het matigen van de hitte in de stad. Groen in de vorm van bomen en struiken biedt schaduw, verkoeling en bindt fijnstoffen. Naast de groene publieke en private ruimte wordt ook een deel van de daken groen ingericht.

De lagere, zichtbare daken worden vergroend en dragen bij aan de opvang van regenwater. Welk type groendak (polderdak, extensief, intensief of Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

73

waterdak) het meest geschikt is, zal bij de uitwerking van het plan verder worden onderzocht. Op Schieveste wordt gestreefd naar een groennorm van 5-10 m2/woning (onder groene m2 vallen ook groene daken, horizontale projectie van de boomkruin). Biodiversiteit Schieveste wordt een groen woongebied, wat een belangrijke bijdrage zal leveren aan het natuurinclusief maken van de stad. Verder onderzoek zal uitwijzen welke types vegetatie hier het best toepasbaar zijn voor het aantrekken van flora en fauna en het versterken van biodiversiteit. 6.1.3

Conclusie

Het plan voldoet aan de geldende wetgeving omtrent klimaat- en circulariteitsdoelstellingen. Voor Schieveste zijn hoge ambities gesteld die in de verdere planuitwerking op zowel gebieds-, gebouw- als gebruiksniveau worden uitgewerkt.

6.2

Natuur

De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. In de toelichting van een bestemmingsplan moeten de gevolgen van het bestemmingsplan voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels. De ontwikkeling van de locatie Schieveste tot een nieuw multifunctioneel stadsdeel kan worden uitgevoerd indien de werkzaamheden niet in strijd zijn met de Wet natuurbescherming en het beleid van het Natuurnetwerk Nederland. Daarom is inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde soorten en beschermde gebieden binnen de invloedsfeer van het plangebied en de effecten hierop. Dit wordt gedaan op basis van een Natuurtoets. In deze paragraaf is het advies opgenomen dat voortkomt uit de conclusies van de uitgevoerde Natuurtoets (bijlage 15). 6.2.1

Soortenbescherming

Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. Aan de hand van een literatuuronderzoek en globaal veldonderzoek is een flora- en faunaparagraaf opgesteld voor het plangebied. De volledige 'Natuurtoets', inclusief flora- en faunaparagraaf (Antea, d.d. 16 april 2019, projectnummer 436511) is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. Opgemerkt wordt dat het onderzoek een momentopname betreft. Met het verstrijken van de tijd kan het spontaan voorkomen of verdwijnen van beschermde planten en dieren nooit met volledige zekerheid worden voorzien of uitgesloten. Op grond van deze rapportage en het bijbehorend onderzoek worden de volgende conclusies getrokken.

Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: 

Algemene broedvogels (nestplaatsen; artikel 3.1), en Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

74

Vleermuizen (artikel 3.5).

Op overige soortgroepen zijn geen effecten aan de orde aangezien deze niet verwacht worden in het plangebied. Effecten zijn daarom op voorhand uitgesloten. Vogels - algemene broedvogels Het is van belang om het plangebied tijdens de werkzaamheden ongeschikt te houden voor broedvogels. Dit kan gedaan worden door geen geschikte broedbiotopen te creëren of toegankelijk te maken, voorafgaand aan het broedseizoen te starten met de werkzaamheden waardoor continue verstoring plaatsvindt zodat de vogels uitwijken, en door te voorkomen dat er een rustperiode ontstaat in het broedseizoen van enkele dagen (bijvoorbeeld een 'lang weekend') en er continu doorgewerkt wordt. Mocht het bovenstaande niet mogelijk zijn en er wordt gewerkt in het broedseizoen dan dient het plangebied voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een deskundig ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied of de directe omgeving wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden ter plaatse uitgesteld te worden tot nadat het nest niet meer in gebruik is. Vleermuizen Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.5) en staan vermeld op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn.

In de stenen panden in het plangebied (zijnde de twee kantoorgebouwen, het DCMR-gebouw en LIFE college) is niet zonder nader onderzoek uit te sluiten of deze gebruikt worden als beschermde verblijfplaatsen. Indien daadwerkelijk verblijfplaatsen aanwezig zijn in de gebouwen en deze worden gesloopt of door renovatie of verbouwing wezenlijk aangetast of verstoord, dan verliest het gebouw de functie voor vleermuizen. Een dergelijke aantasting, verstoring en vernietiging is in strijd met de Wet natuurbescherming. Om te bepalen of eventuele verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden worden, is inzicht noodzakelijk in het daadwerkelijke gebruik en de functie van de panden in het plangebied voor de vleermuizen. Dit dient onderzocht te worden aan de hand van het meest recente vleermuisprotocol. Vleermuizen gebruiken hun leefgebied door het jaar heen op verschillende manieren. Daarom is het nodig om het plangebied tussen de circa vier en zes keer verspreid over het actieve seizoen van de soorten (tussen mei en oktober) te bezoeken. Enkele bezoeken zijn nodig in de periode mei – augustus én enkele bezoeken zijn noodzakelijk in de periode augustus – september/oktober. De (potentiele) verblijfplaatsen mogen in de regel van de Wet natuurbescherming niet zonder inzicht in het gebruik aangetast worden.

Zonder een ontheffing in het kader van de Wnb, verleend door het bevoegd gezag, kunnen de activiteiten die de overtredingen veroorzaken, geen doorgang vinden. Dergelijke activiteiten kunnen wel doorgang vinden als de initiatiefnemer in het bezit is van een ontheffing Wet natuurbescherming – soortbescherming en de bijbehorende maatregelen opgevolgd worden. Deze ontheffing kan verkregen worden indien onder meer onderbouwd wordt dat bij de activiteiten rekening gehouden wordt met de aanwezige beschermde soorten (een belangrijk criteria voor het verlenen van een ontheffing). Daarnaast dienen de activiteiten te voldoen aan twee overige criteria (er zijn geen andere alternatieven voor het voornemen en er is een wettelijk belang). Een ontheffing wordt verleend als voldaan is aan drie toetscriteria van de ontheffingsprocedure. In de ontheffingsaanvraagprocedure zal onderbouwd moeten worden: 1. Of de gunstige staat van de soorten in het geding komt door het plan. 2. Of er alternatieven zijn voor het voornemen, waarbij de soorten minder geschaad worden. 3. Of er een wettelijk belang is. Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

75

Wanneer bovenstaande punten goed worden onderbouwd, wordt over het algemeen een ontheffing verleend voor de activiteiten en kunnen de activiteiten doorgang vinden. Uit de Natuurtoets blijkt dat op basis van deze punten kan worden voldaan aan de criteria van het bevoegd gezag bij beoordeling van een ontheffingsaanvraag. Onder deze voorwaarden is, mede door het voorzien van effectieve soortgerichte maatregelen, de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in het geding en zal een ontheffing naar verwachting worden verleend. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. 6.2.2

Gebiedsbescherming

Ter invulling van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan de Minister van Economische Zaken gebieden als Natura 2000-gebied of als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen. Voor deze gebieden geldt op basis van de Wet natuurbescherming een zorgplicht, en voor Natura 2000-gebieden geldt bovendien een vergunningsplicht voor het uitvoeren van projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Dit wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermd gebied. In de ruime omgeving (25 kilometer) van Schiedam bevinden zich de volgende Natura 2000-gebieden: Oude Maas, Kinderdijk Boezems, Oudeland van Strijen, Solleveld & Kapittelduinen en Voornes Duin. De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland. Het noordelijke deel van het in Schiedam gelegen gedeelte van het veenweidelandschap van Midden-Delfland behoort ingevolge de provinciale verordening tot het Natuurnetwerk Nederland.

Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij'-principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

76

Toetsing Uit de bureaustudie blijkt dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Oude Maas) op circa 7,5 kilometer afstand van het plangebied ligt. Hier komen echter geen stikstofgevoelige habitattypen voor. Op circa 16,5 kilometer afstand bevindt zich het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen, waar wél habitattypen voorkomen die gevoelig zijn voor stikstof. Door dit gegeven ligt dit natuurgebied en de overige Natura 2000-gebieden buiten de invloedssfeer van de meeste storingsfactoren zoals verstoring, verdroging en licht- en geluidverstoring. Als gevolg van deze storingsfactoren zijn significant negatieve effecten op de natuurlijke waarden van de Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Enkel kan verzuring en vermesting via de lucht verder reiken dan de directe omgeving van het plangebied. Gezien de grote omvang van het planvoornemen dienen AERIUS-berekeningen uitgevoerd te worden. Zodoende zal berekend worden in welke mate er op de Natura 2000-gebieden sprake is van stikstofdepositie en of door het plan de drempelwaarden worden overschreven. Een vervolgonderzoek vanuit de Wet natuurbescherming is voor Natura 2000-gebieden, met uitzondering van AERIUS-berekeningen, niet aan de orde. Aerius-berekeningen In het kader van de ontwikkelingen op Schieveste is door Antea Group een AERIUS-berekening uitgevoerd.

De uitgangspunten en resultaten zijn vervat in een memo, die als bijlage 14 bij deze toelichting is gevoegd. In de berekening wordt rekening gehouden met de beoogde fasering van 3000 woningen en het voorzieningenprogramma. De AERIUS-berekening is uitgevoerd voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling. Daarbij is, na het ontwerpbestemmingsplan, de eerder opgestelde rapportage herzien. Hierbij is gebruik gemaakt van de actuele versie van de AERIUS-software. Daarnaast zijn nieuwe maatgevende jaartallen gebruikt, in lijn met nieuwe geluidsberekeningen waarbij de fasering is geoptimaliseerd. In de herziene rapportage is voor de realisatiefase het maatgevende jaar 2024 gehanteerd. Voor de gebruiksfase zijn de rekenresultaten voor het maatgevende jaar 2033 gehanteerd. Uit de berekeningen blijkt dat de AERIUS Calculator voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase een bijdrage berekent van niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar op een stikstofgevoelige habitat van een Natura 2000-gebied. Op basis van dit resultaat kan de voorgenomen ontwikkeling doorgang vinden voor wat betreft het aspect stikstof. 6.2.3

Conclusie

In de stenen panden in het plangebied (zijnde de twee kantoorgebouwen, het DCMR-gebouw en LIFE college) is niet zonder nader onderzoek uit te sluiten of deze gebruikt worden als beschermde verblijfplaatsen voor vleermuizen. Indien deze gebouwen worden gesloopt of door verbouwing wezenlijk aangetast of verstoord, dient vervolgonderzoek plaats te vinden. Indien hier in de toekomst sprake van is, zal vervolgonderzoek worden uitgevoerd aan de hand van het meest recente vleermuisprotocol. Om dit te waarborgen, is in de regels van dit bestemmingsplan, om precies te zijn in de wijzigingsbevoegdheid om de sloop en nieuwbouw ter plaatse van de twee bestaande kantoorgebouwen aan de westzijde van het plangebied mogelijk te maken, een regeling opgenomen die ertoe verplicht dat nader onderzoek wordt uitgevoerd. Voor het DCMR-gebouw en het Lentiz Lifecollege is dit niet noodzakelijk omdat deze gebouwen in hun huidige vorm behouden zullen blijven. Mocht hier in de toekomst een (nu nog onvoorziene) verbouwing plaatsvinden dan kan worden vermeld dat de Wet natuurbescherming sowieso, los van dit bestemmingsplan, geldt. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de bijdrage op een stikstofgevoelige habitat van een Natura 2000gebied niet meer dan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d.

11 mei 2023

77

6.3

Waterparagraaf

Ten behoeve van de uitvoering van de wettelijk verplichte watertoets is voor dit bestemmingsplan een waterparagraaf opgesteld. In het kader van het wettelijk vooroverleg is deze paragraaf voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Delfland (verder: hoogheemraadschap). De volledige rapportage omtrent waterhuishouding is als bijlage 16 bij het bestemmingsplan gevoegd. Ook is een memo opgesteld waarin dieper is ingegaan op de potentiële oplossingen voor waterberging. Deze memo is opgenomen als bijlage 24. Een definitieve keuze zal bij de uitwerking van het structuurontwerp worden gemaakt. In het huidige Masterplan zijn al diverse zaken aangekaart welke stroken met het beleid van de belanghebbende partijen. Denk hierbij aan de invulling van de openbare ruimte welke bijdraagt aan de eisen van de actoren t.b.v. groen, waterveiligheid, waterberging, maatregelen t.b.v. overstromingsrisico’s, piekbuien en het voorkomen van langdurige droogte en extreme hitte. Daarnaast zijn in het Kwaliteitsplan Schieveste (5.3.2) enkele concrete uitgangspunten geformuleerd ten aanzien van de waterhuishouding voor de verdere planuitwerking:   

 

In het gebied wordt het neerslagwater niet gemengd met het vuile rioolwater (er wordt een apart vuilwaterriool aangelegd). Het plangebied moet een extreme bui, waarbij 60 mm/m² neerslag valt in een uur tijd, kunnen verwerken. Het risico op overstromingen voor Schieveste is beperkt. Bij ingrepen in het watersysteem en ingrepen die de kade betreffen, moet overleg worden gevoerd met het hoogheemraadschap en moeten de eisen voor de waterveiligheid worden gerespecteerd. In het gebied wordt het neerslagwater niet gemengd met het vuile rioolwater (daarvoor wordt een apart vuilwaterriool aangelegd). Inzichtelijk moet worden gemaakt wat droogte voor consequenties kan hebben voor (de bodem in) het plangebied en hoe de ontwikkeling hier op inspeelt. Langdurige droogte mag niet leiden tot schade aan de gebouwde omgeving en de beplanting. Ook moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat de grondwaterstand tijdens droogte uitzakt. Voorkomen moet worden dat Schieveste in tijden van hitte extreem opwarmt. Indicatief is het streven het stedelijk gebied niet meer dan 2 °C meer te laten opwarmen dan het landelijke gebied in de omgeving. De waterkering langs de Schie bestaat uit een waterstaatswerk (8 meter aan weerszijden, gemeten vanuit de waterlijn) en een beschermingszone (nog eens 15 meter aan weerszijden van het waterstaatswerk).

Ter plaatse van het waterstaatswerk is in principe geen bebouwing toegestaan. Het Hoogheemraadschap van Delfland hanteert als uitgangspunt dat gebouwen op een afstand van ten minste 10 meter vanaf de Schie worden gebouwd.

In deze waterparagraaf wordt stilgestaan bij de belangrijkste aspecten met betrekking tot de waterhuishouding. Het doel van de waterparagraaf is het vastleggen en behouden van de watergerelateerde functies in het bestemmingsplan. Daarnaast wordt stilgestaan bij randvoorwaarden die gelden voor toekomstige ontwikkelingen, waaronder op het gebied van waterkwantiteit, waterkwaliteit en de waterafvoer. In de 'Rapportage Waterhuishouding' wordt hier uitgebreid aandacht aan besteed. Voldaan wordt aan de vereisten met betrekking tot de waterhuishouding. Het volgende kan worden geconcludeerd.

Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

78

Algemeen In de inleiding van het waterhuishoudkundig rapport is het doel geformuleerd om meer helderheid te bieden in de wensen en eisen welke door de diverse belanghebbende partijen worden gesteld aan de nieuwe ontwikkeling voor Schieveste. In het rapport zijn diverse thema’s behandeld welke van belang zijn voor de verdere uitwerking in de ontwerp- en engineeringsfase. Nog niet op alle onderdelen is een sluitend antwoord te formuleren, echter zijn wel de randvoorwaarden vastgesteld waarmee de ontwerpfase en de engineering gestart kan worden. In het huidige Masterplan zijn al diverse zaken aangekaart welke stroken met het beleid van de belanghebbende partijen. Denk hierbij aan de invulling van de openbare ruimte welke bijdraagt aan de eisen van de actoren ten behoeve van groen, waterveiligheid, waterberging, maatregelen ten behoeve van overstromingsrisico's, piekbuien en het voorkomen van langdurige droogte en extreme hitte. In het komende ontwerpproces krijgen al deze thema's een invulling welke voldoet aan de gestelde eisen en wordt er verder ingegaan op de ondergrondse infrastructuur. Riolering In de periode voorafgaand aan het opstellen van dit rapport zijn er diverse overleggen gevoerd waarin de mogelijkheden voor de riolering zijn besproken.

De gemeente Schiedam en het hoogheemraadschap Delfland zijn beide actoren die een belang hebben bij de uitwerking van het toekomstige rioolstelsel. Tijdens het opstellen van dit rapport is er een beoordeling gedaan van het huidige rioolstelsel. Dit voldoet niet en kan geen deel uit maken van het toekomstige rioolstelsel. De ontwikkeling is van dusdanig formaat dat er in deze fase ook nog geen uitspraken gedaan kunnen worden over de uitwerking van de rioleren voor hemelwaterafvoer (HWA) en droogweerafvoer (DWA). De focus is dan ook komen te liggen op de invloeden op het toekomstige rioolstelsel van buiten af en welke eisen er gelden voor de uitwerking hiervan. De gemeente Schiedam heeft drie PvE’s verstrekt voor de uitwerking van het HWA, DWA en drukriolering. Hierbij moet gezegd worden dat het PvE voor de drukriolering niet volledig aansluit aan de mogelijke omvang van een potentieel toekomstig benodigd drukrioleringssysteem. In de ontwerp- en engineeringfase dient beoordeeld te worden welke type rioolsystemen mogelijk zijn, geschikt zijn en hoe zich dit verhoudt tot de overige disciplines welke gerealiseerd dienen te worden binnen de beperkt beschikbare ruimte. Hierbij moet gedacht worden aan het benodigde NUTS-tracé, waarvan de riolering al deel van uitmaakt, de bergende voorzieningen, de bouwkundige opgave en de maaiveldinrichting.

Tevens dient er rekenschap te worden gehouden met het gefaseerd realiseren van de toekomstige bebouwing en hoe het toekomstige rioolstelsel hierop kan worden uitgebreid. De uitwerking van het rioolstelsel dient te worden uitgevoerd door de ontwikkelcombinatie, het bevoegd gezag zal hier een afstemmende rol in hebben. Grondwater De gemeente Schiedam heeft diverse meetreeksen ter beschikking gesteld met daarin gegevens van juni 2010 tot april 2020. Deze gegevens dienen nog beoordeeld te worden door een hydroloog om een bepaling te doen van de gemiddelde hoogste en laagste grondwaterstanden (resp. GHG en GLG). Echter kan gezegd worden dat het gemiddelde grondwaterpeil zich bevindt op -0.60 m NAP. Bij de ontwikkeling van Schieveste wordt er rekening mee gehouden dat er geen verslechtering zal Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

79

plaatsvinden ten opzichte van de huidige situatie. Na een analyse van de meetgegevens kan een beoordeling worden uitgevoerd van de ontwateringsdieptes binnen het plangebied. De ontwateringsdiepte zijn eisen welke gesteld worden door de gemeente, echter kunnen er in de toekomstige ontwikkeling redenen zijn om een diepere ontwateringsdiepte te eisen, bijv. vanwege bergende voorzieningen, nutsvoorzieningen etc. Waterberging Na de beoordeling van het voorgaande bestemmingsplan (februari 2012) is de conclusie getrokken dat de bestaande berging ontworpen is op de destijds voornomen ontwikkeling welke tot op heden niet volledig is gerealiseerd. Hierdoor kan gezegd worden dat de berging in de huidige situatie is overgedimensioneerd en reeds rekenschap houdt met een toekomstige hoeveelheid verhard oppervlak. Voor het beoordelen van ruimtelijke plannen werkt het Hoogheemraadschap van Delfland met een watersleutel. In overleg met hen zijn de waardes vastgesteld welke de basis vormen voor de input van de watersleutel. De gehanteerde uitgangssituatie is de beoogde inrichting van het terrein in juni 2020. Tijdens de overleggen is tevens besloten om de bestaande bebouwing van DCMR en het Lentiz College niet op te nemen in de rekentoets. Het Lentiz College is reeds zelfvoorzienend en het DCMR is reeds opgenomen in het huidige rioolsysteem als belasting.

Bij de bepaling van de nieuwe benodigde hoeveelheid compenserende berging is geconcludeerd dat de gestelde eis vanuit de gemeente zorgt voor een grotere benodigde berging dan de eisen welke worden gesteld vanuit het Hoogheemraadschap Delfland. Dit is te verklaren vanwege het feit dat het waterschap het plan beoordeeld op de toegenomen hoeveelheid verhard oppervlak en de gemeente op de totale hoeveelheid afvoerend oppervlak. In de ontwerp- en engineeringsfase wordt een beoordeling gedaan welke systemen er toegepast kunnen worden om de berging binnen het plangebied te kunnen huisvesten. Hierin zal een scheiding worden gemaakt in welke systemen er toegepast kunnen worden op openbaar terrein en op particulier terrein. In de openbare ruimte kan er een combinatie gevonden worden in het vasthouden, bergen en infiltreren. De mogelijkheden dienen gevonden te worden in de openbare ruimte en in het ontwerp daarvan, zoals open waterberging, regenwatervijvers en ondergrondse berging. Bij de uitwerking hiervan dient er rekenschap te worden gehouden met de beschikbare ruimte, invloed van het grondwater en de gefaseerde oplevering van bebouwing. Op het particulier terrein kan men alleen gebruik maken van het principe vasthouden en bergen, gezien het geheel bestaat uit bebouwd oppervlak.

De daken van toekomstige bebouwing bieden potentie voor het vasthouden van water, door bijvoorbeeld toepassing van waterdaken. Lagere, zichtbare daken worden vergroend en dragen bij aan de opvang van regenwater. De uitwerking van de mogelijke systemen is afhankelijk van de benodigde hoeveelheid berging, de bouwkundige uitgangspunten en de toepasbaarheid binnen de ontwikkeling. Peilen De gemeente Schiedam heeft een situatiemeting uitgevoerd van het plangebied en hiermee is er een goed beeld van de peilen binnen het gebied en van de aansluitende hoogtes. Voor de vervolgfase is het nog benodigd een aanvullende meting te verrichten voor de zone langs de Schie en hoe het plangebied hierop aansluit, denk onder andere aan de Parallelbrug, de Noorderbrug, de onderdoorgangen ter plaatse van het spoor en de A20. Aan te bevelen is om de situatiemeting in de nabije toekomst aan te vullen met dit gebied. Dit wordt in het vervolgtraject afgestemd met de gemeente Schiedam. Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

80

Memo waterbergingsmogelijkheden Door SmitsRinsma is een memo opgesteld waarin dieper is ingegaan op de potentiële oplossingen voor waterberging. Deze volledige memo is opgenomen als bijlage 24. In de memo zijn oplossingsrichtingen aangedragen voor zowel particulier terrein (gebouwen) als openbaar terrein. Uit de memo blijkt dat er legio mogelijkheden zijn om water te kunnen bergen binnen de projectlocatie. Elke mogelijkheid heeft echter zijn eigen voor- en nadelen en kan zeer veel ruimte in beslag nemen in zowel vierkante meters als in beschikbare ondergrondse ruimte. Een definitieve keuze zal daarom bij de uitwerking van het structuurontwerp worden gemaakt, en samen met het bevoegd gezag worden uitgevoerd. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de locatie specifieke gegevens, zoals maaiveldpeilen, grondwaterstanden en het rioleringsstelsel. In alle situaties, ook indien er geen oppervlaktewater wordt gerealiseerd en gebruik wordt gemaakt van alternatieve vasthoud- en bergingsmaatregelen, dient de koppeling met de Schie behouden te blijven. Deze koppeling is echter ook noodzakelijk voor de waterhuishouding in Schiedam Oost. 6.3.1

Conclusie

Het plan dient in de verdere uitwerking te voldoen aan de kaders zoals beschreven in het waterhuishoudkundig plan. In het komende ontwerpproces krijgen al de genoemde thema’s een invulling welke voldoet aan de gestelde eisen en wordt er verder ingegaan op de ondergrondse infrastructuur. De waterhuishoudkundige aspecten van Schieveste leiden niet tot een belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan. In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft het Hoogheemraadschap van Delfland gereageerd op het concept-ontwerpbestemmingsplan. Naar aanleiding hiervan zijn enkele ondergeschikte wijzigingen in het bestemmingsplan doorgevoerd.

6.4

Archeologie

6.4.1

Beleidskader

De gemeente Schiedam heeft een archeologisch beleid en beleidsinstrumenten ontwikkeld, waaronder de beleidsnota 'Archeologische Monumentenzorg gemeente Schiedam' en de 'Archeologische Waardenkaart Schiedam' (januari 2008). Hiermee is een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen gewaarborgd. Het beleid sluit aan op en komt mede voort uit het Rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem, voor documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is en dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

81

6.4.2

Archeologische verwachting

Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waardenen Beleidskaart Schiedam (2008) wordt aan de locatie een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting toegekend. De AWK geeft aan dat alle grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m 2 en tevens dieper reiken dan 100 centimeter beneden maaiveld dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek. Op basis van het geldende bestemmingsplan 'Schieveste' gelden, op basis van in het verleden uitgevoerd veldonderzoek, reeds afwijkende dieptematen (2,0 en 3,5 meter beneden maaiveld). De grondroerende werkzaamheden bestaan uit een herontwikkeling van het gehele gebied. Het Masterplan is aan Archeologie Rotterdam (BOOR) voorgelegd. De marges van toegestane verstoringsoppervlakte en -diepte zullen zeker worden overschreden. De werkzaamheden vormen daarmee een bedreiging voor eventueel in de ondergrond aanwezige archeologische waarden. Het Masterplan voorziet in het behoud van twee bestaande gebouwen, die van DCMR en Lentiz. Het gebied eromheen wordt ingericht met bebouwing, afgewisseld met groen. Het nieuw te bebouwen oppervlak bedraagt 24.425 m 2 in totaal. Hoewel de afzonderlijke bouwplannen nog niet bekend zijn, is ervoor gekozen om het gehele gebied te onderwerpen aan een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase.

Voor het gebied werd eerder een IVO-verkennend uitgevoerd, maar dit onderzoek was veel te grof, zelfs voor een verkenning (Van Dasselaar 2007, bijlage 5). Voor een deelgebied, plangebied Schieveste, 'De Amethyst', werd in 2017 nog een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd, een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van mechanische grondboringen. Dit gebied, dat min of meer centraal is gesitueerd in het huidige Masterplan, wordt niet nogmaals onderzocht (Wilbers 2017, bijlage 6). Het is wel de bedoeling dat de boringen van dit onderzoek aan die van het nog uit te voeren onderzoek worden gerelateerd door het nieuwe onderzoeksteam. In de bijlage bij het Programma van Eisen (bijlage 7) is een kaart opgenomen met nieuwe en oude boringen. Aanvullend onderzoek De reeds uitgevoerde onderzoeken hebben duidelijk gemaakt dat eventuele archeologische vindplaatsen zich lokaal zeer diep onder het huidige maaiveld kunnen bevinden. De bodemopbouw in het plangebied bestaat waarschijnlijk uit een ongeveer 6 meter dik antropogeen ophoogpakket met daaronder op ongeveer -5,0 meter NAP kleiafzettingen waarin bij het verkennend onderzoek fragmentjes laatmiddeleeuws aardewerk zijn aangetroffen. Ook in geval van dikke ophooglagen worden de archeologische niveaus bedreigd, bijvoorbeeld door heiwerkzaamheden.

Het nieuwe veldonderzoek moet uitsluitsel geven over de landschappelijke situatie van voorbije periodes en zo een goede, gespecificeerde archeologische verwachting geven voor het gehele te ontwikkelen gebied. Daarnaast moet de diepteligging van het verleden landschap ten opzichte van het huidige maaiveld duidelijk in kaart worden gebracht, om zo de impact van de herontwikkeling van het gebied op het verleden landschap en eventuele archeologische waarden te kunnen inschatten. Op basis van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied en de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden wordt het uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie noodzakelijk geacht. BOOR heeft de gemeente Schiedam geadviseerd om in het plangebied een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (te beginnen met de verkennende fase) uit te voeren. Hiervoor is een Programma van Eisen opgesteld (Schoonhoven, 2020, bijlage 7), dat eisen stelt aan het aantal boringen, diepte van de boringen en uitvoering van het onderzoek. Op basis van het PvE wordt in een later stadium het benodigde onderzoek uitgevoerd.

Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

82

6.4.3

Dubbelbestemming archeologie

Uit het oogpunt van de bescherming van archeologische waarden gelden de navolgende regelingen: De gronden van het bestemmingsplan hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1 & 2'. Op grond van deze dubbelbestemming geldt een bouwverbod (met afwijkingsbevoegdheid) en een vereiste tot het hebben van een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden welke de aanbevolen oppervlakte- en dieptematen overschrijden. Een archeologisch onderzoek is verplicht gesteld om af te kunnen wijken van het bouwverboden of om de omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden te kunnen verlenen. 6.4.4

Conclusie

Het aspect Archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

6.5

Bodem

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient een bodemanalyse te worden verricht met het oog op de beoordeling van de realiseerbaarheid van bepaalde bestemmingen of bestemmingswijziging. In het kader van dit bestemmingsplan is een milieuhygiënisch bodemadvies opgesteld. De uitkomsten van het bodemadvies staan in de volgende alinea's beschreven. 6.5.1

Algemeen

Uit de resultaten van het verkennend bodem onderzoek (Verkennend bodemonderzoek Schieveste te Schiedam, Antea Group, projectnummer 0436511.100, d.d. 26 juni 2020, bijlage 19) blijkt dat met betrekking tot de algemene bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie deze in onvoldoende mate inzichtelijk is gemaakt. De resultaten uit het verkennend bodemonderzoek komen grotendeels overeen met de uit de bodemkwaliteitskaart verwachtte bodemkwaliteit, namelijk licht tot matig verontreinigd. Uitzondering hierop vormt een verontreiniging met minerale olie voor het DCMR gebouw (ter hoogte van de voormalige ligging van een 150kV-leiding) is aangetroffen. De omvang van deze verontreiniging is vastgelegd in het rapport 'Milieukundig rapport Parallelweg 1 te Schiedam' van 13 december 2017 (nummer 17.10.0889.0719, ), opgesteld door Milieuadviesbureau Adverbo. De omvang is ingeschat op circa 450 m3 sterk verontreinigd grondwater en op circa 70 m 3 sterk verontreinigde grond. Voorafgaand aan de herinrichting is sanering van deze verontreiniging noodzakelijk. In het verkennend bodemonderzoek is afgezien van onderzoek naar asbest en PFAS. Omdat de gemeente Schiedam onlangs een onderzoek heeft uitgevoerd naar de achtergrondconcentraties van PFAS binnen haar grondgebied, is aanvullend bodemonderzoek naar PFAS ter plaatse van het plangebied Schieveste niet meer noodzakelijk.

Op basis van de zintuiglijke waarnemingen uit het verkennend bodemonderzoek is het uitvoeren van een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707 op het oostelijk deel van het plangebied noodzakelijk. Omdat de bouwfasen die op deze gronden zijn voorzien pas in een later stadium worden gebouwd dan fase 1 zal dit onderzoek in een later stadium worden uitgevoerd.

Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

83

6.5.2

PFAS

Het in het historische onderzoek genoemde PFAS onderzoek zal niet worden uitgevoerd. De gemeente heeft onderzoek gedaan naar de achtergrondconcentraties aan PFAS binnen haar grondgebied. De resultaten uit dit onderzoek zijn representatief voor gebieden binnen Schiedam, die niet verdacht zijn op de aanwezigheid van een puntbron, zoals het plangebied Schieveste. Een dergelijke kaart was ten tijde van het historisch onderzoek niet beschikbaar. Onderzoek naar PFAS is zodoende niet noodzakelijk voor toepassing van grond in de gemeente Schiedam. 6.5.3

Conclusie

De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek, omdat de verhoogd aangetoonde gehalten overeenkomen met de bevindingen uit het vooronderzoek en de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Schiedam.

6.6

Externe veiligheid

6.6.1

Algemeen

Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd:  

het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag / verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), in geval van inrichtingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), in geval van transportroutes voor gevaarlijke stoffen, en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), in geval van buisleidingen is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de oriëntatiewaarde veroorzaakt. Deze verantwoordingsplicht geldt ook indien sprake is van een GR hoger dan de oriëntatiewaarde. Kaders in het Kwaliteitsplan Schieveste Het Kwaliteitsplan Schieveste geeft kwaliteitskaders en randvoorwaarden van de gemeente Schiedam voor toekomstige ontwikkeling van Schieveste. Daarbij zijn de volgende milieutechnische randvoorwaarden op het gebied van externe veiligheid benoemd. In geval van een calamiteit met een toxische wolk, een rookwolk, of hoge geurbelasting dient de mechanische ventilatie van de bebouwing centraal afgesloten te kunnen worden. In geval van een calamiteit dienen bewoners efficiënt en effectief gewaarschuwd te kunnen worden.

Er dienen twee volwaardige onafhankelijke ontsluitingsroutes aan twee zijden van het plangebied te zijn. Met de ontsluiting langs de bioscoop en de huidige verbindingen onder de A20 is dit ook het geval. De gemeente onderzoekt of het systeem verder geoptimaliseerd moet worden. Het fietspad naar de Tjalklaan dient als 2e calamiteitenroute en zal daartoe technisch geschikt worden gemaakt. In het gehele plangebied geldt, dat bij vestiging of uitbreiding van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object bij een toename van het groepsrisico met meer dan 10% of indien het groepsrisico hoger is dan 0,1 x de oriënterende waarde een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico (conform de Visie externe Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

84

veiligheid) moet plaatsvinden. In alle andere gevallen dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. 6.6.2

Visie Externe Veiligheid

Op 10 juli 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders de 'Visie Externe Veiligheid 20122020' vastgesteld. In deze visie is invulling gegeven aan de beleidsvrijheid inzake de verantwoording van het GR. In de visie is aangegeven op welke wijze de gemeente plannen en/of projecten welke gevolgen hebben voor de externe veiligheidssituatie beoordeelt en verantwoordt. Onderdeel van de visie is het kwetsbaarheidszonemodel zoals deze door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond is ontwikkeld. Met het model wordt de kwetsbaarheid van een object in relatie gebracht met de risicobron, om zo vroegtijdig te kunnen bepalen welke objecten en functies aanvaardbaar zijn op een bepaalde locatie. De visie bevat een tweetal signaleringskaarten: 1. De eerste kaart geeft de zones aan waar nader onderzoek naar de externe veiligheid vereist is. De kaart is gebaseerd op de invloedsgebieden van de diverse voor de externe veiligheid relevante risicobronnen. Het plangebied is hoofdzakelijk gelegen binnen het invloedsgebied van de rijkswegen A4 en A20. Voor ontwikkelingen binnen deze zone welke leiden tot een toename van het aantal personen is een verantwoording van het groepsrisico vereist. 2. De tweede kaart beschrijft de zones waar vestiging of uitbreiding van kwetsbare functies ongewenst is. Het plangebied ligt deels binnen de A-zone.

Voor deze zone geldt dat bepaalde (zeer) kwetsbare functies ongewenst zijn. Andere functies zijn in principe aanvaardbaar, maar onderzocht dient te worden of door het treffen van aanvullende maatregelen het aantal slachtoffers kan worden beperkt. 6.6.3

Onderzoek

Ten behoeve van het MER en het bestemmingsplan is een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd, waarvan de rapportage is opgenomen als bijlage 22 bij deze toelichting. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies opgenomen. Met de ontwikkeling van Schieveste wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. In de omgeving van de locatie zijn de volgende relevante risicobronnen aanwezig:    

Vervoer gevaarlijke stoffen over de rijksweg A20; Vervoer gevaarlijke stoffen over de Tjalklaan; Vervoer gevaarlijke stoffen over de 's-Gravelandseweg; Hogedruk aardgastransportleiding W-521-03.

Groepsrisico De locatie is gelegen binnen het verantwoordingsgebied van de rijksweg A20 en binnen het invloedsgebied voor GF3 en voor de toxische stoffen die over deze weg vervoerd worden. Tevens is het plangebied gelegen binnen het invloedsgebied GF3 van de Tjalklaan en de 's Gravelandseweg. Uit berekeningen van het groepsrisico voor de A20 blijkt dat zowel in de huidige als in de plansituatie een overschrijding van de oriëntatiewaarde plaatsvindt. Het GR neemt toe van 1,38 in de huidige situatie naar 2,90 in de plansituatie (Masterplan november 2019) met 3000 woningen en naar 3,33 in de plansituatie met 3500 woningen. Dit wordt veroorzaakt door het zeer hoge aantal aanwezigen dat wordt toegevoegd op een zeer korte afstand van de rijksweg A20. Ook bevindt het plangebied zich binnen het invloedsgebied van de hogedruk aardgastransportleiding W-521-03, waardoor een verantwoording gegeven dient te worden van het groepsrisico. In zowel de huidige als de plansituatie wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico voor dit leidingtraject niet Bestemmingsplan ‘Schieveste 2021’ Herstelbesluit, d.d. 11 mei 2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12743881/1