Bijlage 2 Tabel toelichting verordening jeugdhulp Schiedam 2025
Tekst van het document
In het eerste lid van artikel 8.1.1 van de wet staat: Indien de jeugdige en de ouders dit wensen, verstrekt het college hun een persoonsgebonden budget dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. De formulering van het eerste lid geeft aan dat het uitgangspunt is dat de jeugdige en zijn ouders een voorziening in natura krijgen. De mogelijkheid voor het toekennen van een budget bestaat echter wel indien de jeugdige en zijn ouders dit wensen. In dat geval wordt een budget toegekend waarmee de jeugdige en zijn ouders de mogelijkheid hebben zelf te bepalen bij wie ze de jeugdhulp willen inkopen. Trekkingsrecht Er wordt geen bedrag aan de jeugdige en zijn ouders uitgekeerd waaruit ze zelf betalingen kunnen doen; het college stelt een bedrag ter besteding beschikbaar. Het college verricht, via de Sociale Verzekeringsbank (SVB), betalingen als de door de jeugdige en zijn ouders zelf ingekochte jeugdhulp voldoet aan de gestelde voorwaarden. Voor dit trekkingsrecht is gekozen om fraude met besteding van het budget zoveel mogelijk tegen te gaan. De constructie zorgt ervoor dat het budget alleen wordt besteed om jeugdhulp in te kopen die ertoe strekt betrokkene de ondersteuning, hulp en zorg te bieden die de jeugdige of zijn
f.
indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouders willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk.
3. Het pgb-formulier moet volledig worden ingevuld en ondertekend. Het pgb-formulier is onderdeel van de aanvraag. 4. De aanvrager moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen terzake en in staat zijn de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Hiervoor gelden de volgende criteria: a. de aanvrager heeft aantoonbaar inzicht in de problemen waarvoor het pgb wordt ingezet en met welke ondersteuning de problemen kunnen worden weggenomen of verminderd; b. de aanvrager is in staat te kiezen voor een zorgaanbieder die een passend en op de zorg afgestemd zorgaanbod kan doen; c. de aanvrager is in staat een overeenkomst aan te gaan met een zorgaanbieder; d. de aanvrager is in staat de zorgverlener daar waar nodig aanwijzingen te geven en aan te sturen; en e. de aanvrager is in staat een deugdelijke administratie bij te houden. 5. De jeugdige of zijn ouders kunnen bij het doen van de aanvraag en het budgethouderschap worden ondersteund door iemand uit het sociaal netwerk, een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp. 6.
Om vast te stellen of de aanvrager voldoende gemotiveerd heeft dat de door de gemeente ingekochte voorzieningen in natura niet passend zijn, zoals bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid onder b van de wet, moet de aanvrager aantonen dat hij zich voldoende georiënteerd heeft op de voorzieningen in natura. De reden van het niet passend zijn, kunnen onder meer gelegen zijn in het feit dat: a. de benodigde ondersteuning niet goed vooraf is in te plannen; b. de benodigde ondersteuning op ongebruikelijke tijden geleverd moet worden; c. de benodigde ondersteuning op veel korte momenten per dag moet worden geboden; d. de benodigde ondersteuning op verschillende locaties geleverd moet worden; e. het noodzakelijk is om 24-uurs ondersteuning op afroep te organiseren; f. het door de aard van de beperking noodzakelijk is dat de hulp door een vaste hulpverlener wordt geboden, of g. de voorzieningen in natura niet passen bij de eigen levens- of geloofsovertuiging.
ouders nodig hebben (TK 2012-2013, 33 684, nr. 4 pagina 11). In de Regeling Jeugdwet (paragraaf 8) zijn de bepalingen omtrent de pgb nader uitgewerkt. Zo is te lezen dat de persoon aan wie een pgb is verstrekt, de budgethouder, een schriftelijke overeenkomst, overeenkomst van opdracht of overeenkomst voor vervoer sluit met iedere derde die hij ten laste van zijn pgb jeugdhulp laat verlenen. Deze overeenkomsten moeten voldoen aan door de SVB vastgestelde modelovereenkomsten. De overeenkomsten moeten ook door het college worden goedgekeurd. Deze goedkeuring is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De budgethouder kan het budget gebruiken om met een aanbieder van hulp de benodigde hulp in te kopen. De aanbieder, zal na verlening van de hulp, een factuur sturen die dan door de budgethouder moet worden geaccordeerd en doorgezonden aan de SVB. Die zal vervolgens de betaling aan de aanbieder voor hulp verrichten. Een besluit tot het toekennen van een pgb kan alleen door het college worden genomen. Voorwaarden Conform het tweede lid van artikel 8.1.1 van de wet verstrekt het college aan de jeugdige en zijn ouders alleen een pgb, indien: a.
de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de jeugdige en zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; en c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en bijdraagt aan het beoogde resultaat. Eerste lid De voorwaarden in artikel 15 zijn aanvullend op de criteria die de wet in artikel 8.1.1 stelt. Om voor een pgb in aanmerking te komen moet voldaan zijn aan de voorwaarden die genoemd zijn in de wet en aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening als genoemd in artikel 11 en 14 van de verordening. Pgb-formulier (tweede en derde lid) De jeugdige of zijn ouders die een pgb willen ontvangen vragen dit aan door middel van een door het college vastgesteld formulier. Op het formulier (en bijbehorende budgetplan) moet de jeugdige of zijn ouders aangeven hoe
7. De aanvrager dient, conform artikel 8.1.1, tweede lid onder c van de wet, aan te tonen dat de in te kopen zorg van goede kwaliteit is, zodat de gestelde doelen en te bereiken resultaten in het ondersteuningsplan kunnen worden gerealiseerd. 8. De jeugdhulpaanbieder, waarbij de aanvrager de zorg wil inkopen, dient te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals genoemd in artikel 4.1.1 tot en met 4.1.9 van de wet. 9. Indien de hulp wordt betrokken van iemand uit het sociaal netwerk, die niet behoort tot de eerste graad van bloedverwantschap, is in ieder geval een VOG vereist die niet ouder is dan drie maanden. 10. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit het pgb: a. kosten voor bemiddeling; b. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c. kosten voor het voeren van een pgbadministratie; d. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; f. contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb, kosten voor het bestellen van informatiemateriaal; g. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb, waaronder de kosten voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG); h. reiskosten voor de hulpverlener; i. onkosten zoals postzegels, cadeautjes en telefoonkosten; 11.
Het college kent geen vrij besteedbaar bedrag toe vanuit het pgb.
het pgb wordt besteed , daarnaast moet een budgetplan worden meegestuurd. Voldoende in staat de pgb-taken uit te voeren (vierde lid) De jeugdige of zijn ouders moeten er blijk van geven dat zij op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake. Mocht dat niet het geval zijn, dan zal het college moeten kijken of de jeugdige of zijn ouders met hulp uit het sociale netwerk of met hulp van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp in staat zijn de aan een pgb verbonden taak op verantwoorde wijze uit te voeren (vijfde lid). Het is aan het college om daar in ieder individuele situatie een oordeel over te vellen (TK 2013-2014, 33983. nr. 3, p.23). In het vierde lid zijn criteria opgenomen waaraan dit onderdeel kan worden getoetst. Motivering dat natura-aanbod niet passend is (zesde lid) Een tweede voorwaarde bepaalt dat de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt moeten stellen dat de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, voor de jeugdige niet passend is. Om aan deze voorwaarde te voldoen, zullen de jeugdige of zijn ouders moeten aantonen dat zij zich voldoende hebben georiënteerd op de voorziening ‘in natura’. Uit de wetsgeschiedenis van de Wmo volgt dat het college geen eisen mag stellen aan de inhoud van de motivering.
Met andere woorden: als de jeugdige of zijn ouders een motivering geven (ongeacht welke) en duidelijk is dat zij zich voldoende hebben georiënteerd op het aanbod in natura, is dat voldoende (ECLI:NL:RBOVE:2017:3709; ECLI:NL:RBNHO:2022:12454). Een voorziening is bijvoorbeeld niet passend als de jeugdhulp vooraf niet goed te plannen is of op ongebruikelijke tijden moet plaatsvinden. Kwaliteitseisen (zevende t/m negende lid) De jeugdhulp die de jeugdige en zijn ouders met het pgb willen inkopen, moet voldoen aan de kwaliteitseisen. Het college zal zich ervan moeten vergewissen dat de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp goed is (zie TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 222). Het college heeft als taak om bij de pgbaanvraag te beoordelen of de in te kopen jeugdhulp van de juiste kwaliteit is. Dat houdt in dat het college moet vaststellen of de hulp die de jeugdhulpaanbieder zal verlenen een passende oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdige. Het gaat hierbij vooral om een toets op de doelmatigheid: gaat de in te zetten jeugdhulp een oplossing bieden voor de ontwikkeldoelen van de jeugdige of zijn ouders. Een professionele jeugdhulpaanbieder moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals genoemd in artikel 4.1.1 tot en met 4.1.9 van de wet. Voor een hulpverlener uit het sociaal netwerk gelden minder strenge eisen.
De persoon die de hulp biedt en die niet behoort tot de eerste graad van bloedverwantschap moet in ieder geval een VOG overhandigen die niet ouder is dan drie maanden.
In het tiende lid is opgenomen welke kosten voor vergoeding uitgesloten zijn vanuit een pgb. Het college kent geen vrij besteedbaar bedrag oftewel een verantwoordingsvrij bedrag, toe (elfde lid).
Artikel 16.
Weigeringsgronden pgb
1. Het college kan een pgb geheel of gedeeltelijk weigeren: a. indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb; b. als het aannemelijk is dat de budgetbeheerder problemen heeft met het beheren van een pgb of het pgb niet besteedt aan het daarvoor bestemde doel. c. als de jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouders met de pgb willen betrekken onvoldoende zal bijdragen aan het beoogde resultaat; d. als de jeugdhulpaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitseisen als genoemd in het achtste lid van artikel 15 en artikel 24 van de verordening; e. als het pgb bestemd is voor besteding in het buitenland, tenzij het college daarvoor toestemming verleend; f. als de beheerder of beoogd beheerder van het pgb ook de hulpverlener is of een (werk)relatie met de zorgverlener heeft, tenzij het college dit passend vindt; g. als het pgb alleen dient als inkomensvoorziening voor de hulpverlener; h. als er sprake is geweest van oneigenlijk gebruik of misbruik van een pgb in het verleden. i. wanneer er geen ingevuld en ondertekend pgb-plan is aangeleverd. 2. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning door een pgb-aanbieder die fraude heeft gepleegd. 3. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een jeugdhulpaanbieder waarbij er twijfels zijn over de integriteit van de jeugdhulpaanbieder.
Dit doet zich in ieder geval voor indien de jeugdhulpaanbieder in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: a. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; b. verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; c. bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; d. bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom;
In dit artikel zijn de weigeringsgronden opgenomen. In het eerste lid is limitatief opgenomen wanneer een pgb wordt geweigerd. Dat is in ieder geval wanneer niet aan de voorwaarden als genoemd in artikel 15 wordt voldaan (lid 1, aanhef en onder c). Het eerste lid is een zogenoemde ‘kan-bepaling’ dat wel zeggen dat het college beleidsvrijheid heeft om al dan niet gebruik te maken van deze bevoegdheid. Hierbij speelt het evenredigheidsbeginsel een rol. Er dient een belangenafweging plaats te vinden. Daarbij zal het college het ene belang laten prevaleren boven het andere belang en dient er dus een evenredigheidstoets plaats te vinden. De tweede en het derde lid geven aan wanneer het college pgb moet weigeren. Bij deze bepalingen heeft het college geen beleidsruimte. Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond van toepassing is. In de verordening kunnen aanvullende weigeringsgronden opgenomen worden, bijvoorbeeld als het pgb bedoeld is voor besteding in het buitenland (lid 1, aanhef en onder e), wanneer er fraude is gepleegd (tweede lid) of wanneer er twijfels zijn over de integriteit van de jeugdhulpaanbieder waar de hulp met een pgb wordt betrokken (derde lid).
In artikel 8.1.1, vierde lid aanhef en onder a van de wet is opgenomen dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening. Dit is neergelegd in artikel 19, lid 8 waarin is bepaald: Indien de kosten van de met het pgb in te kopen jeugdhulp hoger zijn dat de in het vorige lid bedoelde tarief, wordt het pgb voor het deel dat het tarief overstijgt, conform artikel 8.1.1, vierde lid onder a van de wet, geweigerd. De aanvrager betaalt in dat geval de meerkosten zelf aan de SVB. In artikel 8.1.1, vierde lid aanhef en onder b van de wet is bepaald dat het college een pgb kan weigeren indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4, eerste lid onderdeel a, d of e. Dat wil zeggen als de jeugdige of zijn ouders: - onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (a); - niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb (d); - het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd (e).
e. er sprake is van feiten en omstandigheden die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijke samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; f. op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder; of g. zich niet professioneel gedraagt door intimiderend gedrag of doordat er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie. Artikel 17.
Voorwaarden pgb-beheerder
1. Voor het beheren van een pgb wordt verwacht dat de beoogd budgethouder in ieder geval: a. de eigen situatie kan overzien, dan wel die van de hulpvrager en een duidelijk beeld heeft van de hulpvraag; b. op de hoogte is van de regels en verplichtingen die behoren bij een pgb of weet waar deze informatie te vinden is bij de betreffende instanties; c. een overzichtelijk pgb-administratie kan bijhouden, waaronder er inzicht is in de bestedingen van het pgb; d. zelfstandig kan handelen en onafhankelijk voor een hulpverlener kan kiezen; e. in staat is om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan de verstrekker van het pgb; f. kan beoordelen en beargumenteren of de geleverde hulp passend en kwalitatief goed is; g. als werk- en opdrachtgever de hulpverlener(s) kan aansturen en aan kan spreken op hun functioneren. 2. Het college acht een persoon niet in staat om de aan de pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a. problematische schuldenproblematiek; b. ernstige verslavingsproblematiek; c. aangetoonde fraude of onrechtmatigheid begaan in het verleden; d. een verstandelijke beperking; e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis.
De persoon die de pgb ontvangt is budgethouder. Een budgethouder kan zelf het pgb beheren of de wettelijke vertegenwoordiger of gevolmachtigde kan dit namens de budgethouder doen. Dit kan bijvoorbeeld de gezaghebbende ouder, bewindvoerder, mentor of curator zijn (= wettelijke vertegenwoordiger) of een persoon die door de budgethouder is gemachtigd om het pgb te beheren. De budgethouder blijft zelf verantwoordelijk/aansprakelijk. Een minderjarige is verplicht om het pgb te laten beheren door een pgb-beheerder. In dit artikel worden voorwaarden gesteld aan de pgbbeheerder. De pgb-beheerder moet in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoordelijke wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet). Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende basisvaardigheden: 1. Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings- cq.zorgvraag); 2. Inkopen van zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt); 3. Goed werkgeverschap; 4. Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg; 5. Voeren van een administratie; 6. Verantwoording afleggen en contact onderhouden met gemeente en SVB, en 7. In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig. Deze punten zijn uitgewerkt in het eerste lid van artikel 17.
In het tweede lid is opgenomen wanneer een persoon niet in staat wordt geacht de aan de pgb verbonden voorwaarden op verantwoordelijke wijze te kunnen uitvoeren. Deze omstandigheden geven een signaal aan het college dat door de genoemde omstandigheden de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. Dit dient in de beschikking per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. (a) Problematische schuldenproblematiek: Problematische schulden maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb
belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of -beheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’. Voor de definitie problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door de NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijk persoon schulden niet zal kunnen afbetalen of is gestopt met afbetalen. (b) Ernstige verslavingsproblematiek: ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of beheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of -beheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb.
Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont. (c) Aangetoonde fraude: Wanneer budgethouder of beheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welke terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt temeer indien de budgethouder of -beheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgbaanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgbfraude. (d) Verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die – zonder ondersteuning – participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. (e) Ernstige psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZproblematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of -beheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn.
Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of -beheerder en de pgb-
aanbieder. Een aanbod in zorg in natura past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: wanneer een budgethouder of -beheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie en de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel. Artikel 18. netwerk
Aanvullende criteria pgb sociaal
1. De jeugdige aan wie een pgb is verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, mits: a. dit niet leidt tot overbelasting van deze persoon; b. deze persoon op geen enkele wijze druk op de ontvanger van de pgb heeft uitgeoefend bij diens beslissing; c. de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen, zich voldoende op de hoogte heeft gesteld van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van jeugdhulp verbonden zijn; d. de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen achttien jaar of ouder is; e. de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen in totaliteit niet meer dan 40 uur per week werkzaam is op basis van een pgb. 2. De jeugdige aan wie een pgb is verstrekt, kan alleen jeugdhulp betrekken van een persoon die tot het sociaal netwerk behoort voor begeleiding, persoonlijke verzorging en logeren. 3. De inzet van jeugdhulp door een persoon die tot het sociaal netwerk behoort is slechts mogelijk indien: a. dit leidt tot aantoonbaar betere en effectievere ondersteuning dan de ondersteuning geboden door een jeugdhulpaanbieder, niet zijnde een persoon uit het sociaal netwerk; b. dit aantoonbaar doelmatiger is dan de ondersteuning geboden door een jeugdhulpaanbieder, niet zijnde een persoon uit het sociaal netwerk; en c.
de persoon uit het sociaal netwerk die de jeugdhulp biedt, in staat is om de aan de pgb verbonden beheertaken met voldoende afstand en kritisch te vervullen. 4. Een pgb voor logeren bij iemand die behoort tot het sociaal netwerk is alleen mogelijk: a. ter ontlasting van de verzorgende ouder(s); b. wanneer dit in belangrijke mate bijdraagt aan het vergroten van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouders; en
Artikel 8.1.1., derde lid, Jeugdwet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Dit wordt ook wel informeel pgb genoemd. De gemeente heeft dus beleidsruimte. Het is echter niet mogelijk de inzet van het pgb voor iemand uit het sociale netwerk helemaal uit te sluiten in de verordening. De beleidsruimte beperkt zich tot het vastleggen in welke situaties en onder welke voorwaarden een pgb voor het sociale netwerkt kan worden ingezet. In het eerste lid is opgenomen wanneer iemand niet voor een pgb in aanmerking komt. Deze criteria zijn aanvullend op de criteria die genoemd zijn in de artikelen 15 t/m 17. Eén van de in het eerste lid genoemde voorwaarden is dat geen pgb wordt verstrekt als dat tot overbelasting leidt van de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen (sub a). Tweede lid In een brief aan de Tweede Kamer van 7 december 2015 stelde de minister in antwoord op vragen van de Tweede Kamer dat een gemeente in het algemeen niet een pgb kan uitsluiten voor een bepaalde vorm van jeugdhulp. Wel kan de gemeente in een individuele casus tot het oordeel komen dat de jeugdhulp niet passend is of niet van goede kwaliteit is.
Het categoriaal uitsluiten van een bepaalde vorm van jeugdhulp verhoudt zich daarom in de ogen van de minister niet tot de uitgangspunten van de Jeugdwet, waarin via een zorgvuldige individuele afweging wordt bezien of hulp nodig is. De Jeugdwet verbiedt echter niet om bepaalde vormen van jeugdhulp uit te sluiten en, zeker bij vormen van jeugdhulp waarbij de inzet van professionals nodig is, ligt het niet voor de hand te veronderstellen dat de hulp ook door iemand uit het sociale netwerk kan worden geboden. Een uitsluiting in de verordening is feitelijk niet nodig omdat in het onderzoek naar jeugdhulp bij het onderdeel ‘aard en omvang van de benodigde jeugdhulp’ al bepaald is dat de hiervoor genoemde hulp door een professional moet worden geboden. Voor de duidelijkheid is echter in het tweede lid opgenomen dat een pgb informeel alleen kan worden verstrekt voor begeleiding, persoonlijke verzorging en logeren. De inzet van een persoon uit het sociaal netwerk voor andere vormen van jeugdhulp stuit op het bezwaar dat
c.
als daarmee de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp kan worden voorkomen of verminderd.
iemand uit het sociale netwerk, mede gezien de professionele standaarden, die hulp niet op een adequate wijze kan bieden. Derde lid Doelmatiger en effectievere ondersteuning Artikel 8.1.1 lid 2 onder b Jeugdwet bepaalt dat het college slechts een pgb moet verstrekken als de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten. In het derde lid van artikel 18 is vervolgens bepaald dat de jeugdige aan wie een pgb wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, op voorwaarde dat dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt dan wel aantoonbaar doelmatiger is dan de ondersteuning geboden door een professionele jeugdhulpaanbieder. Volgens de Rechtbank Gelderland (uitspraak 11 oktober 2017 FJR 2018/29.20) zou uit dit wettelijk kader volgen dat de jeugdige of zijn ouders in ieder geval éérst moeten onderbouwen waarom door de inzet van de jeugdhulp zoals die door het college is geïndiceerd niet wordt voldaan aan de uit artikel 3.2 Jeugdwet voorvloeiende verplichting om zodanige hulp te leveren dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien.
Indien de jeugdige daarin slaagt en een pgb aangewezen is, moeten de jeugdige of zijn ouders vervolgens onderbouwen waarom jeugdhulp van iemand uit het sociale netwerk tot een beter resultaat leidt, aldus de Rechtbank. Het derde lid aanhef en onder c bepaalt daarnaast dat de persoon uit het sociale netwerk dat de jeugdhulp biedt in staat moet zijn om de aan de pgb verbonden beheertaken met voldoende afstand en kritisch moet kunnen vervullen. De Centrale Raad van Beroep heeft in een uitspraak van 27 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3761) overwogen dat een pgb mag worden geweigerd indien de budgethouder zelf de ondersteuning biedt. De budgethouder is dan niet in staat de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch te vervullen. De uitspraak is gedaan op grond van de Wmo 2015 maar kan ook gelden voor de Jeugdwet. De situatie dat de ouder zowel ondersteuner als pgbbeheerder is komt regelmatig voor binnen de Jeugdwet. Het enige verschil is dat de Jeugdwet meer mogelijke pgbbeheerders noemt (althans personen die kunnen helpen met pgb-beheer), zoals de curator, bewindvoerder, mentor en gemachtigde. Uit de parlementaire geschiedenis van de Jeugdwet volgt dat de wetgever heeft bedoeld dat de pgbbepalingen voor zowel de Jeugdwet als Wmo 2015 hetzelfde zouden uitwerken. Zie bijvoorbeeld deze passage uit de parlementaire geschiedenis van de Jeugdwet (TK 2013-2014, 33684, nr.
45, pagina 44): Het is de bedoeling dat de bepalingen over het pgb voor cliënten en gemeenten hetzelfde uitwerken in de aan elkaar verwante beleidsterreinen jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning.
In het vierde lid zijn extra voorwaarden gesteld aan een pgb voor logeren. Dit moet leiden tot ontlasting van de verzorgende ouders en in belangrijke mate bijdragen aan het vergroten van de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders. Tevens moet hiermee de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp worden voorkomen of verminderd. Deze extra voorwaarden zijn opgenomen om te voorkomen dat het logeren bij bijv. opa en oma, wat niet ongebruikelijk is, wordt verstrekt met een pgb. Een pgb is dan alleen mogelijk als daarmee daadwerkelijk aan de doelen van jeugdhulp wordt gewerkt. Artikel 19.
Hoogte pgb
1. Het pgb is niet hoger dan de kosten van de goedkoopste voorziening in natura die past bij wat de jeugdige of zijn ouders nodig hebben. 2. Het pgb is gebaseerd op een tarief per eenheid (uur, dagdeel of etmaal). Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten tarieven: instellingstarief, het zelfstandige zonder personeel (zzp)-tarief en het informeel tarief. 3. Van een instellingstarief is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e graad van de jeugdige: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007); en b. die een kopie van een geanonimiseerde arbeidsovereenkomst kunnen overleggen waaruit blijkt welke cao wordt toegepast. Het dient daarbij te gaan om een voor de betreffende sector relevante cao die aangemeld is bij de directie UAW van het Ministerie van SZW; en c. die een SKJ of BIG registratie kunnen overleggen indien van toepassing. Indien een registratie niet van toepassing is, dan wordt een kopie van een relevant diploma van een erkende Nederlandse instelling voor beroepsonderwijs verstrekt van de beoogde hulpverlener en een VOG die bij aanvang van de hulp niet ouder is dan 12 maanden. 4.
Van een zzp-tarief is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e graad van de jeugdige: a. personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel en ten aanzien van de voor het pgb uit te voren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregister 2007); en b. die een SKJ of BIG registratie kunnen overleggen indien van toepassing. Indien een
Op grond van artikel 2.9 Jeugdwet dient de gemeenteraad in de verordening Jeugdhulp onder meer regels op te nemen over de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. De hoogte wordt dus bij wettelijk voorschrift vastgesteld. De hoogte kan in directe zin niet worden bestreden bij de rechter omdat beroep tegen een algemeen verbindend voorschrift op grond van artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet mogelijk is. Dat betekent niet per definitie dat een eventueel bezwaar dat alleen betrekking heeft op de hoogte van het tarief niet-ontvankelijk is. Als het bezwaar gericht is tegen een bepaald aantal uren en/of het soort tarief dan zal artikel 8:3 Awb aan ontvankelijkheid van het bezwaar niet in de weg staan. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:1803 en ECLI:NL:CRVB:2019:467) volgt dat de vaststelling van de hoogte van het pgb en de wijze van tarifering behoren tot de essentialia van het voorzieningenpakket. Dat betekent dat de gemeenteraad deze zaken in de verordening moet regelen. Het tarief moet toereikend zijn om kwalitatief goede hulp in te kopen.
In de memorie van toelichting staat dat het van belang is dat de hoogte van het budget, wil een budget voor de jeugdige of zijn ouders een zinvol alternatief zijn, zodanig moet zijn dat de jeugdige met het budget de vastgestelde jeugdhulp ook werkelijk kan inkopen (TK 2013-2014, 33 684, nr. 45, pagina 45). Eerste lid Het pgb is niet hoger dan de kosten van de goedkoopst adequate voorziening in natura. Uit jurisprudentie volgt dat daar sprake van is als de jeugdhulp met het vastgestelde tarief bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. De tarieven voor professionele jeugdhulp zijn afgeleid van de naturatarieven. Tweede lid t/m het zesde lid Er wordt een onderscheid gemaakt tussen drie soorten tarieven: instellingstarief, zzp-tarief en het informeel tarief. In de leden 3 t/m 5 is bepaald wanneer sprake is van één van de tariefsoorten. Indien de in de leden 3 en 4 gevraagde documenten niet worden geleverd is sprake van het informele tarief. Zevende en achtste lid
registratie niet van toepassing is, dan wordt een kopie van een relevant diploma van een erkende Nederlandse instelling voor beroepsonderwijs verstrekt van de beoogde hulpverlener en een VOG die bij aanvang van de hulp niet ouder is dan 12 maanden.
5. Indien de jeugdhulp wordt geboden door een persoon uit het sociaal netwerk is altijd sprake van een informeel tarief, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om hiervan af te wijken. 6. Indien de beschreven documenten in het derde en vierde lid, niet worden overgelegd, is ten alle tijden sprake van een informeel tarief. 7. De hoogte van de tarieven per eenheid en onderscheiden soort zijn opgenomen in Bijlage 4. Een lager tarief wordt toegekend indien uit het budgetplan blijkt dat de jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 8. Indien de kosten van de met het pgb in te kopen jeugdhulp hoger zijn dan de in het vorige lid bedoelde tarief, wordt het pgb voor het deel dat het tarief overstijgt, conform artikel 8.1.1, vierde lid aanhef en onder a van de wet, geweigerd. De aanvrager betaalt in dat geval de meerkosten zelf aan de SVB. 9. Jaarlijks worden op 1 januari de tarieven die zijn opgenomen in Bijlage 1 geïndexeerd conform het OVA-indexeringspercentage. Voor het informele tarief wordt telkens aangesloten bij het betreffende CAO (VVT)-uurloon inclusief vakantietoeslag en tegenwaarde verlofuren. Het tarief op basis waarvan het pgb is berekend blijft in stand voor de duur van de beschikking.
De maximale hoogte van de tarieven per eenheid zijn opgenomen in Bijlage 4. Een lager tarief wordt toegekend indien uit het budgetplan blijkt dat de jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. Indien de kosten van de met de pgb ingekochte jeugdhulp hoger zijn dan het tarief per eenheid zoals opgenomen is in Bijlage 4, wordt het pgb voor het deel dat het tarief overstijgt, conform artikel 8.1.1, vierde lid onder a van de wet, geweigerd. De meerkosten moeten dan door de budgethouder zelf aan de SVB worden betaald. Negende en tiende lid Indexering Voor de Wmo 2015 en Jeugdwet bestaat er geen apart landelijk indexeringspercentage. Het rijk gebruikt het OVApercentage om de tarieven in de Zwv en de Wlz te indexeren. Aangezien zorgaanbieders vaak zorg in meerdere zorgdomeinen leveren, is het voor hen van belang dat de tarieven in de verschillende zorgdomeinen zoveel mogelijk op dezelfde manier worden geïndexeerd. Bovendien sluit het percentage waarmee het accres in het gemeentefonds de afgelopen jaren toenam aan bij het OVApercentage. De pgb-tarieven worden om die reden jaarlijks geïndexeerd conform het OVA-indexeringspercentage. OVA is de afkorting van Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling. De geïndexeerde bedragen gelden dan voor beschikkingen die worden afgegeven na de indexeringsdatum.
Tarief pgb sociaal netwerk Uit twee uitspraken van de CRvB van 16 augustus 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1580) over de Wmo 2015 blijkt dat een pgb baseren op het minimumloon niet meer mag. Het pgb-tarief voor het sociale netwerk is volgens de Raad pas toereikend als het is gebaseerd op de uurlonen uit de CAO VVT. Geldt dit ook voor pgb’s uit de Jeugdwet? De rechtbank Limburg oordeelde op 30 november 2023 van wel (ECLI:NL:RBLIM:2023:6979). Maar op 20 juni 2024 oordeelde de Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat zij geen aanleiding zien om voor wat betreft de Jeugdwet aan te sluiten bij de uitspraak van de CRvB over het tarief van het informele pgb onder de Wmo 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2024:4238). Ook de Rechtbank NoordNederland oordeelt in de uitspraak van 8 november 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:4405) dat voor het tarief van een informeel pgb vanuit de Jeugdwet kan worden aangesloten bij het wettelijk minimumloon. De rechtspraak over de Wmo, waarin is bepaald dat een lager tarief dan het relevante CAO-loon niet toereikend is geldt volgens de Rechtbank niet voor de Jeugdwet. Na de uitspraken van de CRvB op 16 augustus 2023 hebben de MVS-gemeenten in de verordening opgenomen dat voor het informele tarief wordt aangesloten bij de betreffende CAO (VVT)-uurloon inclusief vakantietoeslag en tegenwaarde verlofuren.
In de jaren daarvoor werd een uurtarief van € 20 gehanteerd dat al enkele euro’s hoger is dan het wettelijke minimumloon. Tot de CRvB over het pgb sociaal netwerk binnen de Jeugdwet een uitspraak heeft gedaan, wordt in deze verordening aangesloten bij de betreffende CAO.
HOOFDSTUK 11 JEUGDHULPVERVOER Artikel 20.
Criteria jeugdhulpvervoer
1. Uitgangspunt is dat de jeugdige of zijn ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van de jeugdige naar en van een locatie waar jeugdhulp wordt geboden. 2. Indien de jeugdige vanwege een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet zelfstandig kan reizen én de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van zijn ouders ontoereikend zijn om zelf voor het vervoer te zorgen of te laten zorgen, kan een vervoersvoorziening worden verstrekt. 3. Bij het beoordelen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders worden de (financiële) draagkracht en belastbaarheid van de ouders, de reisafstand én de mogelijkheden en bereidheid van iemand uit het sociaal netwerk om de jeugdige te vervoeren, meegewogen. 4. Het college kan voor de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders een werkgeversverklaring vragen indien de ouders aangeven dat ze vanwege werk de jeugdige niet zelf kunnen vervoeren. 5. Als aan de voorwaarden voor het vervoer is voldaan, wordt beoordeeld welke (combinatie van) vervoersvoorziening(en) het meest passend is. 6. De volgende vervoersmogelijkheden zijn in volgorde van afweging mogelijk: a. vervoer geregeld door de jeugdhulpaanbieder; b. kilometervergoeding op basis van de hoogte van de belastingvrije kilometervergoeding voor reiskosten; c.
een vergoeding voor openbaar vervoer voor de jeugdige en een volwassen begeleider op basis van de kosten van een maand- of jaarabonnement; d. taxivervoer als een vervoersvoorziening als genoemd bij a tot en met c niet mogelijk is of indien dit goedkoper is. 7. Wanneer een jeugdige een vervoersvoorziening ontvangt, kan de vervoersvoorziening worden verstrekt in combinatie met een training ‘zelfstandig leren reizen’. 8. De noodzaak voor een vervoersvoorziening wordt opgenomen in het ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 10.
In artikel 2.3, tweede lid is bepaald: Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische oorzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Het criterium van medische noodzaak, zoals dit in de AWBZ gold, is hierbij aangevuld met het criterium van (gebrek aan) zelfredzaamheid, nu dit ook één van de criteria is voor het ontvangen van jeugdhulp. Het jeugdhulpvervoer wordt conform artikel 2.3, tweede lid Jeugdwet gezien als jeugdhulp. Zoals bij iedere vorm van jeugdhulp het geval is, hoeft er geen hulp te worden ingezet als de jeugdige of zijn ouders dit, eventueel met behulp van het sociaal netwerk, zelf kunnen regelen. Eerste t/m het vierde lid Het staat de gemeente vrij om het jeugdhulpvervoer naar eigen inzicht te organiseren, ‘naar het oordeel van het college.’ In de verordening is geregeld dat bij het bepalen of een vervoersvoorziening nodig is ook wordt gekeken naar de eigen mogelijkheden van de jeugdige en zijn ouders om het vervoer zelf te verzorgen of te laten verzorgen. Daarbij worden de (financiële) draagkracht en belastbaarheid van de ouders en de mogelijkheden en bereidheid van het sociaal netwerk meegewogen. Ook de reisafstand is een belangrijke wegingsfactor zijn.
Van ouders mag worden verwacht dat zij hun werktijden aanpassen om hun kind zelf te vervoeren. Met een werkgeversverklaring kunnen ouders eventueel aantonen dat het niet mogelijk is om hun kind zelf te vervoeren. De Rechtbank Den Haag oordeelde op 30 januari 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:4999) dat niet aan de eisen op grond van de Jeugdwet wordt voldaan indien de problemen bij het vervoeren van de jeugdige zien op werk van de ouders en niet op de problemen van de jeugdige zelf bij het vervoeren. Op basis van geldende rechtspraak mag van ouders in principe worden verwacht dat ze hun kind zelf vervoeren, ook als dergelijk vervoer meer van hen verlangt dan dat er in de regel van ouders verwacht mag worden (bovengebruikelijke hulp). Als de ouders de jeugdige zelf kunnen vervoeren naar de jeugdhulpaanbieder, is er sprake van eigen kracht. De gemeente hoeft dan geen vervoersvoorziening toe te kennen. De Rechtbank OostBrabant heeft op 3 november 2021 (ECLI:NL:RBOBR:2021:5719) uitgesproken dat de gemeente de financiële draagkracht van de ouders in positieve zin mag meewegen bij het besluit. Dit betekent dat een vervoersvoorziening wel kan worden toegekend als de ouders om financiële redenen de kosten van het vervoer niet kunnen betalen.
Vervoer van een jeugdige naar een gesloten accommodatie valt niet onder de verordening. In het vijfde lid is opgenomen dat beoordeeld wordt welke combinatie van vervoersvoorzieningen het meest passend is. Dit kan een ook een combinatie zijn van deels openbaar vervoer en deels taxivervoer. In het zesde lid zijn de verschillende vervoersvoorzieningen opgesomd. Een vervoersvoorziening kan worden gecombineerd met een training ‘zelfstandig leren reizen’ (zevende lid). Het vergroten van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid is een belangrijk uitgangspunt. De noodzaak van een vervoervoorziening wordt opgenomen in het ondersteuningsplan (achtste lid). HOOFDSTUK 12 RECHTMATIGHEID, DOELMATIGHEID EN BESTRIJDEN MISBRUIK Artikel 21.
Herziening, intrekking en terugvordering
1. Degene aan wie krachtens deze verordening een individuele voorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb. 2. Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een besluit, genomen op grond van deze verordening, herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a. de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening zijn aangewezen; c. de individuele voorziening niet meer toereikend is te achten; d. de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening; e. de jeugdige langer dan zes weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of Zorgverzekeringswet; of f. de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening en het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd. 3.
Als het college een besluit op grond van het tweede lid heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb terugvorderen.
Eerste lid Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige en zijn ouders het college alle informatie verstrekken die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van de jeugdige en zijn ouders met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. Tweede lid Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken of herzien. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Deze bepaling in de verordening breidt dit uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een ‘kan’-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van deze bevoegdheid tot herziening of intrekking. Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen is gebruikmaking van deze bevoegdheid het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkene dient uitdrukkelijk in de afweging te worden betrokken.
Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen indringender getoetst wordt aan het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of opschorting is overgegaan moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van het geval en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn (CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726). Derde lid
4. Een besluit tot het verstrekken van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het budget binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor het pgb is verstrekt. 5. Indien de beschikking voor een pgb is gewijzigd of ingetrokken vanwege toerekenbaar handelen van de zorgaanbieder die ten laste van het pgb formele of informele ondersteuning levert, ontstaat een vordering op die zorgaanbieder. De vordering bedraagt het bedrag gelijk aan het door de zorgaanbieder, vanwege het toerekenbaar handelen, ten last van het pgb ten onrechte ontvangen bedrag. Dit derdenbeding is onherroepelijk en blijft ook na beëindiging van de zorgovereenkomst van kracht. 6. De wijze van invorderen van de geldwaarde van de ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of ten onrechte genoten pgb vindt plaats conform artikel 4:92 van de Algemene wet bestuursrecht. De vastgestelde (gehele of gedeeltelijke) geldwaarde, zoals medegedeeld in het betalingsbesluit, geldt als een opgelegde betalingsverplichting. 7. Bij de vaststelling van de betalingsverplichting wordt rekening gehouden met de bijzondere, financiële en persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.
Intrekking of herziening van een individuele voorziening kan leiden tot de conclusie dat ten onrechte of teveel hulp is verleend. Deze bepaling regelt dat het college in dat geval bevoegd is de geldwaarde terug te vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura, dan wel van het teveel of ten onrechte verstrekte pgb. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang deze bepaling op te nemen in de verordening. Net zoals herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. De beslissing tot herziening en/of intrekking en de eventuele daarop volgende beslissing tot terugvordering zijn twee afzonderlijke besluiten. De beslissing tot terugvordering kan pas worden genomen, nadat is besloten tot herziening of intrekken met terugwerkende kracht. Voor terugvordering geldt een zware bewijslast, er moet aangetoond worden dat er sprake is van opzet. Vierde lid Van een jeugdige en/of zijn ouders wordt verwacht dat ze binnen zes maanden gebruik maken van het pgb. Dit om te voorkomen dat de situatie op termijn is gewijzigd en de verstrekte voorziening niet meer passend is. Wordt niet voldaan aan deze voorwaarden, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken. Deze bepaling is een ‘kan’-bepaling.
Het college is dus niet verplicht om na het verlopen van de termijn de beslissing tot verlening van het pgb in te trekken. Verwijtbaar handelen zorgaanbieder (vijfde lid) In de praktijk gebeurt het regelmatig dat de cliënt zelf niet aan het opzetvereiste voldoet, maar degene bij wie hij de ondersteuning inkoopt via een pgb wel. Voor dergelijke situaties geldt sinds 1 april 2017 de regeling van het derdenbeding (artikel 8a, lid 2 onder c Regeling Jeugdwet). Via het derdenbeding in de overeenkomst tussen de cliënt en zijn hulpverlener kan is in voorkomende gevallen ook terugvorderen van de hulpverlener mogelijk. Bij derdenbeding verloopt terugvordering niet op basis van een beschikking maar moet de civielrechtelijke weg worden bewandeld. Zesde lid De wijze van invordering van de geldwaarden geschiedt conform artikel 4:92 van de Algemene wet bestuursrecht Daarin is dwingend voorgeschreven welke volgorde van toerekening geldt bij betaling ter voldoening van een geldschuld. Bij de vaststelling van de betalingsverplichting wordt rekening gehouden met de bijzondere financiële en persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende (zevende lid). Ook hierbij geldt dat een belangenafweging moet worden gemaakt waarbij de uitkomst niet onevenredig mag zijn.
Artikel 22.
Opschorting betaling uit het pgb
Ingevolge artikel 8b, zesde lid aanhef en onder g van de Regeling Jeugdwet kan het college de SVB verzoek om de uitbetaling van de pgb op te schorten. Dit moet dan bij
1. Het college kan de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken, als er ten aanzien van de persoon aan wie de pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid onder a, d of e van de wet. 2. Indien de jeugdige langer dan 4 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet, detentie of het buitenland kan het college de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit de pgb voor de duur van de opname, detentie of verblijf in het buitenland.
verordening worden geregeld. Hiermee wordt dit verwezenlijkt. Opschorting is mogelijk als er een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van onjuist verstrekte informatie, het budget voor een ander doel wordt gebruikt of niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb (eerste lid). Daarnaast kan de SVB worden gevraagd de pgb op te schorten als de jeugdige langer dan vier weken geen gebruik maakt van de pgb omdat het verblijft in een instelling, detentie of buitenland (tweede lid). De pgb-houder wordt schriftelijk op de hoogte gesteld van de opschorting (derde lid).
Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Artikel 23.
Rechtmatigheid en doelmatigheid
1. Het college treft de nodige maatregelen om de kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura of in de vorm van een pgb te waarborgen en oneigenlijk gebruik, misbruik of fraude te voorkomen. Het college werkt daarbij samen met organisaties die zich bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik, misbruik en fraude binnen de zorg. 2. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van een pgb met het oog op de beoordeling van de kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid daarvan. 3. De ontvanger van de individuele voorziening en eventueel betrokken derden verstrekken het college alle medewerking en informatie die benodigd is voor het onderzoek. 4. Het college onderzoekt met inachtneming van paragraaf 6b van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen. 5. Het college wijst toezichthouders aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en deze verordening. 6. De toezichthouders zijn voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd tot inzage in dossiers. 7. Voor zover de toezichthouders door inzage in bescheiden bij de vervulling van hun taak dan wel door verstrekking van gegevens in het kader van
Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden opgesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Eerste lid In het eerste lid is opgenomen dat het college maatregelen treft om de kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura of in de vorm van een pgb te waarborgen en oneigenlijk gebruik, misbruik of fraude te voorkomen. Het college werkt daarbij samen met andere organisaties. Toezicht op kwaliteit Hoofdstuk 9 van de wet – Toezicht en handhaving – gaat over het toezicht op de kwaliteit van de door de aanbieders geleverde jeugdhulp. Het kwaliteitstoezicht is in de wet belegd bij de Inspectie Jeugdzorg (IJZ), de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). De gemeente heeft ook een rol bij het toezien op en controleren van de kwaliteit. Indien bij het contractbeheer, samenwerking, afstemming of monitoring signalen naar voren komen over de kwaliteit van de te leveren/geleverde zorg, kan de gemeente dit doorspelen naar het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein/Samenwerkingsverband Toezicht Jeugd (TSD/STJ) waarin de inspecties samenwerken.
Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) De Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg is op 1 januari 2025 in werking getreden. Het doel van de wet is een betere samenwerking en gemakkelijker uitwisselen van gegevens om fraude in de zorg te voorkomen. Het eerste onderdeel van de wet biedt de wettelijke grondslag voor gemeenten en ziektekostenverzekeraars (artikel 2.1 Wbsrz) om onderling (persoons)gegevens te verstrekken over partijen waar de gerechtvaardigde
een melding gegevens, daaronder begrepen bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), heeft verkregen, ter zake waarvan de beroepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de toezichthouders. 8. Indien uit het onderzoek van het college of de door het college aangewezen toezichthouders blijkt dat er sprake is van een strafbaar feit doet het college daarvan aangifte bij de politie.
overtuiging over bestaat dat zij fraude in de zorg hebben gepleegd. De voorwaarde daarvoor is dat deze gegevens noodzakelijk zijn voor de bestrijding van fraude. Voordat gemeenten en zorgverzekeraars op grond van een gerechtvaardigde overtuiging een zorgverlener in het waarschuwingsregister opnemen, moet die overtuiging eerst worden bevestigd door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en moet het IGJ daarover worden ingelicht. Het tweede onderdeel geeft de wettelijke grondslag aan instanties die zijn opgenomen in artikel 2.4, lid 1 Wbsrz om gegevens aan het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) te verstrekken. De gemeente is één van de instanties die daartoe bevoegd is. Het derde onderdeel van deze wet betreft de wettelijke grondslag en verplichting voor het Inlichtingenbureau (IB). Het IB wordt verwerkingsverantwoordelijke en krijgt een rol in de gegevensuitwisseling tussen gemeenten en het IKZ. Het is in de Wbsrz uitgesloten om gegevens uit te wisselen waarop het medisch beroepsgeheim van toepassing is. De Wbsrz doet niets af aan de bestaande grondslagen voor bilaterale of multilaterale uitwisseling van (persoons)gegevens tussen betrokken instanties. Die onderlinge uitwisseling van gegevens blijft mogelijk. Maar daarbij moet ook de toepassing van deze wet worden meegenomen.
In samenhang met deze wet is ook het Besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg per 1 januari 2025 in werking getreden. Tweede lid Op grond van artikel 8.1.3 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Op grond van het tweede lid kan het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3 van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de verstrekte pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een pgbhouder of pgb-beheerder, als op de verstrekte jeugdhulp door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder. In het derde lid is bepaald dat de ontvanger van de individuele voorziening en eventueel betrokken derden het college alle medewerking en informatie verstrekken die voor het onderzoek nodig is. Vierde lid Voor de controle op de rechtmatigheid en doelmatigheid van geleverde zorg in natura door gecontracteerde jeugdhulpaanbieders is de Regeling Jeugdwet van
toepassing. De regeling kent voor de controle een getrapte controlesystematiek. 1. Formele controle: Het proces omvat allereerst een formele controle van de facturen. Voldoet de rekening aan de gemaakte afspraken? De benodigde gegevens voor het uitvoeren van de formele controle zijn vaak intern al aanwezig. 2. Materiële controle: Signalen afkomstig uit de formele controle kunnen aanleiding zijn tot een materiële controle. Het doel van een materiële controle is een onderzoek naar de doel- en rechtmatigheid van de gedeclareerde hulp. Is de gedeclareerde zorg ook daadwerkelijk geleverd? De gemeente moet de stappen uit de Regeling Jeugdwet volgen, waaronder het bepalen van een controledoel, het uitvoeren van een risicoanalyse en het opstellen en uitvoeren van een algemeen controleplan. 3. Detailcontrole: Pas na de materiële controle kan een detailcontrole een vervolgstap zijn, indien er nog onvoldoende zekerheid is verkregen over de rechtmatigheid en/of doelmatigheid van de verleende zorg. De detailcontrole bestaat uit een specifieke risicoanalyse, een specifiek controleplan en doel. Bij de detailcontrole mag de gemeente niet verder onderzoeken dan noodzakelijk is voor het doel. Deze systematiek, die is neergelegd in de Regeling Jeugdwet, geldt niet voor pgb’s.
De Regeling Jeugdwet die op 16 augustus 2016 in werking trad, geeft gemeenten wettelijke kaders voor onder meer materiële controle en fraudebestrijding binnen de Jeugdwet. Artikel 7.4.0 van de wet maakt het mogelijk dat jeugdhulpaanbieders gegevens verstrekken aan de gemeente. In paragraaf 6a en 6b van de Regeling Jeugdwet is opgenomen welke type persoonsgegevens, gewone en bijzondere, gemeenten mogen verwerken tijdens de controles. Indien inzage in het medisch dossier vereist is, kan dit alleen door of onder verantwoordelijkheid van een persoon die is gebonden aan het beroepsgeheim. Een jeugdhulpaanbieder kan alleen verplicht worden medewerking te leveren als aan alle wettelijke vereisten van de controle is voldaan. De Rechtbank Limburg oordeelde dat een controleplan te algemeen van aard was en niet gold voor de specifieke aanbieder. Daarnaast was niet voldaan aan de vereiste vier stappen voor een materiële controle (ECLI:NL:RBLIM:2023:4475). De jeugdhulpaanbieder hoefde in dat geval niet mee te werken aan de controle. Bij een materiële controle en de eventueel daaropvolgende detailcontrole en bij fraudeonderzoek hoeft de gemeente geen toestemming aan de cliënt te vragen voor inzage in de persoonsgegevens. Toezichthouder (vijfde t/m achtste lid) Een toezichthouder handelt op basis van bestuursrechtelijke bevoegdheden. Deze bevoegdheden voor het toezicht